Foto omschrijving: Vrijwilligers uit alle windstreken eten gezamenlijk een lunch.

Scroll naar Samenvatting

Samenvatting

Het CBS volgt sinds 2017 alle asielzoekers die vanaf 2014 bij een opvang van Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) zijn ingestroomd en de statushouders die vanaf 2014 een verblijfsvergunning asiel hebben ontvangen, inclusief hun nareizigers en gezinsherenigers. Deze achtste jaarlijkse rapportage van dit cohortonderzoek geeft inzicht in de instroom van asielzoekers bij het COA en in de samenstelling van de nieuwste groep statushouders, van 2014 tot en met de eerste helft van 2023. Daarnaast wordt in deze webpublicatie een actueel beeld geschetst van hoe het gaat met de leefsituatie en integratie van de statushouders die sinds 2014 een verblijfsvergunning asiel hebben gekregen. Er worden cijfers gepresenteerd over het verblijf in COA-opvang, de wachttijd tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning, huisvesting, inburgering, huishoudenssamenstelling, gezinshereniging, onderwijs, naturalisatie, werk en inkomen, zorggebruik en criminaliteit. Tevens is er in deze rapportage speciale aandacht voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen en is er een apart hoofdstuk over Oekraïners die sinds 24 februari 2022 (het begin van de grootschalige oorlog) onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming naar Nederland zijn gekomen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).

Actuele ontwikkelingen met betrekking tot nieuwe instroom van asielzoekers bij het COA en de periode van het verblijf in COA-opvanglocaties:

  • Hoge jaarlijkse instroom COA-opvang sinds 2021 – Na een tijdelijke daling in 2020 is het totale aantal asielzoekers dat in 2021 en 2022 in COA instroomde hoger dan het aantal in de jaren daarvoor. Het aantal asielzoekers dat in 2022 in een COA-opvang instroomde (49 duizend, inclusief nareizigers) was het hoogst sinds de piek van 2015 (54 duizend). In de eerste helft van 2023 stroomden 20 duizend asielzoekers in een COA opvang in, duizend meer dan in de eerste helft van 2022. De afname in met name de eerste helft van 2020 was een gevolg van de coronacrisis. Zo werden in tal van herkomstlanden en ook in Nederland grensmaatregelen ingevoerd, maar ook konden asielgehoren en rechterlijke uitspraken niet plaatsvinden en werden asielzoekers in noodopvang geplaatst in plaats van in de COA-opvang. In Ter Apel heeft de identificatie en registratie tijdelijk stilgelegen en konden asielaanvragen niet worden ingediend. Vanaf eind april 2020 werden voor veel tijdelijke maatregelen langzaam aan weer versoepelingen doorgevoerd waardoor de instroom in de COA-opvang weer toenam.
  • Meer asielzoekers uit Jemen en Turkije – Vooral sinds 2020 is er sprake van meer instroom vanuit Jemen. Sinds 2018 staat Turkije in de top vijf van nationaliteiten van ingestroomde asielzoekers in COA-opvang. Sinds 2021 bestaat de grootste groep na de Syriërs niet langer uit Eritreeërs maar uit Afghanen (2021) en Turken (2022 en eerste helft van 2023).
  • Aandeel jonge mannen relatief groot – Ruim driekwart van alle asielzoekers is jonger dan 35 jaar op het moment van aankomst in Nederland, de helft is jonger dan 25 jaar. Met 66 procent blijft het aandeel mannen in 2022 en ook in de eerste helft van 2023 hoog. Het gaat, net als in eerdere jaren, vooral om jonge mannen.
  • Aandeel mannen uit Syrië weer gestegen – Sinds 2020 bedraagt het aandeel (jonge) mannen onder de Syrische asielzoekers ongeveer twee derde. Dit beeld lijkt op het beeld van de eerste twee cohorten uit 2014 en 2015. Vooral in 2016 en 2017 is het aandeel vrouwen en ook het aandeel jonge kinderen wat hoger dan in de voorgaande en de meest recente jaren. Dit komt vooral doordat het aantal nareizigers onder Syriërs in 2016 en 2017 relatief hoog is ten opzichte van de andere jaren. In de eerste helft van 2023 bedraagt het percentage mannen 66, waarbij met name het hoge aandeel 15‑tot-20 jarigen opvalt.
  • Minder asielzoekers in gezinsverband uit Eritrea – In 2022 en de eerste helft van 2023 reisde gemiddeld 40 procent van alle asielzoekers in gezinsverband naar Nederland. In 2017 was dit aandeel nog 59 procent. Met name onder Eritreeërs nam het aandeel dat in gezinsverband naar Nederland kwam af: van 70 procent in 2020 naar 21 procent in de eerste helft van 2023.
  • Aantal verhuizingen in COA-opvang neemt voor recente cohorten iets toe –  Asielzoekers die in 2014 instroomden verhuisden in de eerste zes maanden nog 1,7 keer. Tot en met 2019 is het aantal verhuizingen vervolgens steeds iets verder afgenomen. Daarna was er weer een toename. Asielzoekers die in de jaren 2021 en 2022 bij het COA zijn binnengekomen verhuisden in de eerste zes maanden gemiddeld iets vaker dan één keer naar een andere opvanglocatie. Deze toename in verhuizingen binnen COA is met name toe te wijzen aan de inzet van tijdelijke noodopvanglocaties.
  • Merendeel van de asielzoekers na één maand in een reguliere opvang  – In de eerste maand na instroom bevond het overgrote deel van de asielzoekers (69 procent) die in 2022 waren ingestroomd in COA zich in een reguliere opvang. Daarnaast bevond 18 procent zich in een noodopvang en 10 procent in een crisisnoodopvang. Na zes maanden is het aandeel in de reguliere opvang gedaald naar 48 procent terwijl 40 procent na zes maanden in de noodopvang zat. Het aandeel in de crisisnoodopvang bleef vrijwel gelijk (11 procent).
  • Dalende aandelen met vergunning na twaalf maanden maar vanaf 2020 weer een stijging – Voor alle nationaliteiten gezamenlijk is het aandeel asielzoekers van cohorten 2018 en 2019 dat na twaalf maanden een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gekregen gedaald ten opzichte van de voorgaande cohorten. In 2020 en 2021 vindt er echter weer een stijging plaats naar respectievelijk 74 en 80 procent. Voor de verschillende instroomcohorten en voor de verschillende nationaliteitennoot1 variëren de cijfers sterk: 90 procent van de Syriërs en Eritreeërs die in 2014 t/m 2021 zijn ingestroomd hebben na twaalf maanden een verblijfsvergunning, voor de andere nationaliteiten varieert dit aandeel tussen de 40 (Iran) en 58 procent (Afghanistan).
  • Na acht-en-een-half jaar nog 160 asielzoekers van cohort 2014 zonder vergunning in COA-opvang – Dit betekent niet dat de IND de aanvraag nog in behandeling heeft voor al deze mensen. Na een afwijzing blijven sommigen in de opvang in afwachting van vertrek, of in afwachting van een uitspraak op beroep. Ook kunnen mensen na een afwijzing opnieuw een asielaanvraag indienen (tweede of volgende aanvraag), bijvoorbeeld wanneer er iets is veranderd in hun situatie, of omdat er nieuwe informatie is over het land van herkomst. Voor instroomcohort 2014 gaat het om 0,8 procent van de asielzoekers (160 personen), dit aandeel loopt langzaam op tot 5,1 procent voor cohort 2018: 980 personen uit dat cohort verblijven na 54 maanden nog zonder verblijfsvergunning in de COA-opvang.
  • Syriërs en Eritreeërs uit recente cohorten weer vaker zonder verblijfsvergunning in COA-opvang – Van de Eritreeërs en Syriërs die van 2018 t/m 2021 zijn ingestroomd verblijft een relatief groot aandeel na twaalf maanden nog zonder verblijfsvergunning in de COA-opvang (respectievelijk 12 en 6 procent in 2018 tegen een kwart en 14 procent voor cohort 2021). In de jaren daarvoor was dit aandeel voor Eritreeërs maximaal 3,5 procent, voor Syriërs hooguit drie procent.
  • Afghanen uit 2021 weer vaker een eigen woning – Van de Afghanen die in 2021 zijn ingestroomd woonde 59 procent na twaalf maanden zelfstandig in een gemeente. Voor de cohorten 2019 en 2020 was dit ongeveer de helft, namelijk respectievelijk 30 en 31 procent. Tegelijkertijd neemt het aandeel Afghanen dat zonder verblijfsvergunning in de COA-opvang verblijft af: van 37 procent voor instromers in 2019 naar 8 procent voor cohort 2021. Voor Afghanen geldt overigens dat, ten opzichte van bijvoorbeeld Syriërs en Eritreeërs, de eerste asielaanvraag relatief vaak wordt afgewezen in de periode van 2014 tot en met 2020. Zij dienen in deze periode namelijk relatief vaak een herhaalde asielaanvraag in, waardoor er onder de Afghaanse asielzoekers een relatief groot aandeel is dat na twaalf maanden nog zonder verblijfsvergunning in COA-opvang verblijft.
  • De meeste personen vertrekken zelfstandig (vaak met onbekende bestemming) – Van de bijna 27 duizend asielzoekers die in 2014 zijn ingestroomd in de COA-opvang is na acht-en-een-half jaar bijna een kwart (22 procent) weer vertrokken of heeft tijdelijk geen adres. De meeste asielzoekers die vertrekken doen dit zelfstandig, al dan niet met onbekende bestemming. Voor een klein deel van de asielzoekers die niet willen vertrekken en geen hulp van de overheid aanvaarden, gaat de Dienst Terugkeer & Vertrek over tot gedwongen vertrek: van cohort 2014 waren dit er 365 na acht-en-een-half jaar.
  • Bijna 24 duizend alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) – Sinds 2014 zijn bijna 24 duizend amv’s naar Nederland gekomen. Van deze groep zijn ruim 21 duizend ingestroomd via COA. Nidos voert de voogdijtaak uit voor alle amv’s. Bijna 60 procent van de amv’s bestaat uit Syriërs (34 procent) en Eritreeërs (25 procent). Vooral in 2015 was de instroom van amv’s groot (4 510 nieuwe amv’s). In de eerste helft van 2023 zijn er 2 060 nieuwe amv’s naar Nederland gekomen. Twee derde van alle amv’s is 15, 16 of 17 jaar oud, 81 procent is man. Erg jonge amv’s komen weinig voor: slechts één procent is jonger dan vijf jaar.

Actuele ontwikkelingen met betrekking tot huisvesting en integratie van statushouders en hun nareizigers en gezinsherenigers:

  • Aantal verleende asielvergunningen neemt sinds 2020 weer toe – In 2022 is het aantal verleende vergunningen (33 duizend) groter dan dat van 2017 t/m 2021. In de eerste helft van 2023 zijn er 17 duizend vergunningen verleend. Ook nareizigers van statushouders ontvangen een (afgeleide) asielvergunning en behoren net als gezinsherenigers in dit onderzoek tot de statushouders.
  • Top vijf nationaliteitennoot2 van statushouders wisselt, maar Syrië blijft op eerste plek – In de periode 2014 t/m 2020 staan de Syrische en de Eritrese nationaliteiten op de plaatsen één en twee, in 2021 staat Afghanistan op plek twee terwijl Turkije in 2022 en de eerste helft van 2023 de tweede plaats bezet. In 2019 komen Turkije en Jemen nieuw binnen in de top vijf en zijn daar tot op heden gebleven, met een uitzondering voor Jemen in 2021.
  • Aandeel nareizigers na 2020 weer toegenomen – Sinds 2014 is aan 85 duizend nareizigers een vergunning verleend. Het grootste deel hiervan bestaat uit Eritreeërs en Syriërs. Vanaf cohort 2014 tot en met cohort 2017 was er grofweg een toename van het aandeel nareizigers onder de statushouders van 27 naar 51 procent. Sinds die tijd is er een afname van dit aandeel tot 22 procent in 2020. In 2021 neemt het aandeel nareizigers onder de statushouders weer toe naar 37 procent, maar in 2022 en het eerste halfjaar van 2023 neemt dit af naar respectievelijk 33 en 27 procent.
  • Aandeel van statushouders met nareis na 30 maanden is hoger voor cohort 2020 dan in de jaren daarvoor – De percentages van statushouders (exclusief nareizigers) die na tweeënhalf jaar familieleden hebben laten overkomen lopen sterk terug vanaf 2017. Bij cohort 2020 is echter een toename te zien van statushouders (exclusief nareizigers) die binnen tweeënhalf jaar familieleden hebben laten overkomen via de nareisregeling (22 procent) en via reguliere gezinshereniging (7 procent). Onder Syriërs zijn de percentages statushouders die familieleden hebben laten overkomen hoger: 34 procent totaal.
  • Onder amv’s meer nareis en gezinshereniging dan onder totale groep statushouders – Het aandeel amv’s (exclusief nareizigers) dat binnen tweeënhalf jaar familieleden laat overkomen via de nareisregeling of reguliere gezinshereniging is respectievelijk 49 en 15 procent voor cohort 2020.
  • Gemiddelde wachttijd Syriërs laagst door komst van nareizigers – De gemiddelde wachttijd voor alle statushouders die een vergunning kregen in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2023 is 175 dagen. Dit is opnieuw een lichte toename ten opzichte van de gemiddelde wachttijd die in de vorige rapportage werd geregistreerd (159 dagen). Syriërs en Eritreeërs krijgen relatief snel een verblijfsvergunning. Nareizigers brengen de gemiddelde wachttijd omlaag.
  • Weinig regionale verschillen – Er is weinig verschil in spreiding van statushouders over Nederland tussen de diverse nationaliteiten en vergunningscohorten. Ook twee jaar na het verlaten van de COA-opvang wonen de statushouders nog steeds verspreid over Nederland.
  • Statushouders wonen in de loop van de tijd stedelijker – Wel zijn statushouders naarmate zij langer in Nederland verblijven steeds iets stedelijker gaan wonen. Van het vergunningscohort 2015 woonde na twee maanden 55 procent in sterk of zeer sterk stedelijk gebied, na zeven jaar is dat 62 procent.
  • Statushouders wonen vooral in huurwoningen – De 244 duizend statushouders die in de periode 2014 tot en met eerste helft 2023 een verblijfsvergunning ontvingen, vormden op 1 juli 2023 89 duizend huishoudens. Van deze huishoudens woont het overgrote deel (94 procent) in een huurwoning.
  • Steeds meer statushouders thuiswonend kind, aantal alleenstaanden neemt af – De vergunningscohorten vanaf 2016 bestaan voor een steeds groter deel uit met name thuiswonende kinderen maar ook uit stellen (met en zonder kinderen). Van het vergunningscohort 2014 is 28 procent een thuiswonend kind. Van het vergunningscohort 2023 (de eerste helft) is dit 57 procent. Het aandeel alleenstaanden neemt steeds verder af. Van de mensen die in 2014 een verblijfsvergunning krijgen, is 39 procent alleenstaand op het moment dat zij worden gehuisvest in een gemeente. Voor de eerste helft van 2023 is dit 10 procent.
  • Steeds meer statushouders volgen onderwijs – Van de opeenvolgende cohorten met mensen die een verblijfsvergunning asiel ontvingen volgt een steeds groter aandeel onderwijs (55 procent op 1 oktober 2023 voor cohort 2019). Ook niet-leerplichtige jongeren vanaf achttien jaar oud volgen vaker onderwijs naarmate ze langer in Nederland zijn.
  • Hoge onderwijsdeelname voor recente cohorten amv’s – Onder de amv’s laten de diverse cohorten steeds hogere percentages onderwijsvolgenden zien. Zo volgde 45 procent van alle amv’s die in 2014 hun vergunning kregen op 1 oktober 2023 onderwijs. Van cohorten 2020, 2021 en 2022 volgde ongeveer 80 procent onderwijs op 1 oktober 2023.
  • Toename mbo gestopt, stijging deelname aan hbo en wo – Het aandeel onderwijsvolgende statushouders uit 2014 dat een mbo-opleiding volgt is eerst gestegen van 12 procent in 2015 naar 55 procent in 2018 en vervolgens iets gedaald naar 51 procent in 2023. De daling van het aandeel mbo gaat gepaard met een stijging van deelname aan hbo en wo (van 2 procent in 2015 naar 10 procent in de periode tussen 2018 en 2023).
  • Meerderheid van amv’s volgt mbo-opleiding, ook vinden amv’s steeds vaker de weg naar hbo en wo – Van alle amv’s uit cohort 2014 volgt 72 procent op 1 oktober 2017 een mbo-opleiding, in 2023 is dat percentage gestegen naar 84 procent. Ook steeds meer amv’s volgen een hbo- of wo-opleiding. Van de amv’s die in 2014 een verblijfsvergunning kregen volgde 8 procent op 1 oktober 2023 een opleiding op hbo- of wo-niveau, op 1 oktober 2017 was dat 2 procent.
  • Steeds hoger mbo-niveau – Van de statushouders die een verblijfsvergunning asiel ontvingen en een mbo-opleiding volgden, volgde in de eerste jaren aanvankelijk het grootste deel een opleiding op niveau 1, maar dat verandert geleidelijk naar niveau 2. In oktober 2021 en 2022 volgen er meer statushouders niveau 2 dan niveau 1. Ook de andere niveaus (3 en 4) nemen in aandeel toe, zij het niet zo hard als niveau 2. Meer dan een kwart van de statushouders van cohort 2017 volgt op 1 oktober 2023 een mbo-opleiding op niveau 4.
  • 44 procent van cohort 2014 heeft inburgeringsexamen behaald, 97 procent van de uiteindelijk inburgeringsplichtigen in dat cohort – Van de bijna 20 duizend personen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen heeft 44 procent het inburgeringsexamen behaald, 29 procent was niet-inburgeringsplichtig (vrijwel allen kinderen tot 18 jaar of personen die 65 jaar of ouder zijn: zij zijn uitgesloten van de inburgeringsplicht). Voor 19 procent van de statushouders van cohort 2014 geldt dat zij een ontheffing hebben. Slechts een klein deel van alle statushouders uit het cohort 2014 heeft in oktober 2023 het inburgeringsexamen nog niet gehaald (0,7 procent) of heeft een verlenging van de inburgeringstermijn gehad (0,6 procent).
  • Vrijwel alle inburgeringsplichtigen van cohort 2014 hebben voldaan aan de inburgeringsplicht – Wanneer alleen wordt gekeken naar inburgeringsplichtigen (inclusief personen met een ontheffing of vrijstelling), dan heeft 69 procent van de bijna 13 duizend inburgeringsplichtigen van het vergunningscohort 2014 in oktober 2023 het inburgeringsexamen behaald of een vrijstelling gekregen. Daarnaast heeft 29 procent een ontheffing, 1 procent heeft het examen nog niet gehaald (maar heeft nog wel tijd om dat alsnog te doen) terwijl slechts 1 procent van de inburgeringsplichtigen het examen nog niet heeft gehaald en daarmee de inburgeringstermijn heeft overschreden.
  • Taalniveau vooral A2, met name bij Eritreeërs – Bij het volgen van een inburgeringscursus leren statushouders Nederlands begrijpen, spreken en schrijven op tenminste taalniveau A2. Met dit taalniveau kunnen mensen zich in het dagelijkse leven redden. Van de mensen uit het vergunningscohort 2014 die het inburgeringsexamen haalden deed 92 procent dat op A2 niveau en 8 procent op een hoger taalniveau (B1 of B2). Bijna alle personen met een Eritrese nationaliteit behalen het inburgeringsexamen op A2 taalniveau; slechts 2 procent haalt B1 of B2, veel minder dan de andere nationaliteiten.
  • Naturalisaties nemen toe – Wanneer statushouders vijf jaar in Nederland verblijven, kunnen zij onder voorwaarden het Nederlanderschap aanvragen. Bij cohort 2015 is na zeven-en-een-half-jaar 85 procent genaturaliseerd, bij cohort 2016 is 79 procent na zes-en-een-half-jaar genaturaliseerd en bij cohort 2017 is na vijf-en-een-half-jaar 42 procent genaturaliseerd. Van de Syriërs die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, heeft 93 procent na acht-en-een-half jaar de Nederlandse nationaliteit gekregen.
  • Stijging aandeel werkenden: effect coronacrisis lijkt voorbij – De mensen uit het vergunningscohort 2015 hebben na tweeënhalf jaar weer iets vaker een baan dan de mensen uit het vergunningscohort van 2014 (respectievelijk 14 en 11 procent). Statushouders gaan dus steeds iets sneller aan het werk. Voor het cohort 2017 neemt dit toe tot 16 procent, maar voor de statushouders uit cohort 2018 neemt het aandeel dat na tweeënhalf jaar een baan heeft weer af naar 14 procent. Dit hangt waarschijnlijk samen met de coronacrisis: 30 maanden na het ontvangen van de verblijfsvergunning valt voor deze cohorten voor een deel samen met de coronacrisis. De meest recente cohorten 2019 en 2020 (de twee laatste cohorten die we 30 maanden kunnen volgen) laten echter weer herstel zien: 20 procent van vergunningscohort 2019 en 23 procent van vergunningscohort 2020 heeft na 30 maanden een baan waarmee het effect van de coronacrisis uitgewerkt lijkt.
  • Amv’s werken vaker in deeltijd met tijdelijk contract – In vergelijking met de totale groep statushouders werken amv’s iets vaker in deeltijd dan de totale groep (69 om 65 procent), hebben ze vaker een baan met een tijdelijk contract (82 om 75 procent), werken ze vaker in de uitzendbranche (34 om 24 procent) en in de horeca (22 om 16 procent), maar minder in de handel (17 om 19 procent) en werken ze minder vaak als zelfstandige (4 om 7 procent).
  • Bijna 64 procent van de werkende statushouders van cohort 2014 heeft in 2023 een baan van 0,75 vte of meer – Een aanzienlijk deel van de statushouders begint hun werkzame leven in een deeltijd baan. Twee jaar na het verkrijgen van hun vergunning werkt ongeveer de helft van cohort 2014 in een baan met een deeltijdfactor tot 0,25 vte. Nog eens 20 procent werkt in een baan van 0,25–0,50 vte. In 2023 is bijna 64 procent van de werkende statushouders uit cohort 2014 werkzaam in een fulltime baan, vanaf 0,75 vte. Het aandeel dat minder dan een halve vte werkt bedraagt dan iets minder dan een kwart.
  • Daling aandeel uitkeringsgerechtigden cohort 2014 zet door – Anderhalf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning, ontvangt 91 procent van de 18- tot 65- jarigen die in 2014 een vergunning hebben gekregen, een bijstandsuitkering. Drie jaar later is dit percentage gedaald naar 51 procent. Nog eens anderhalf jaar later (zes jaar na het verkrijgen van de vergunning) ontvangt 43 procent van het cohort een uitkering. Acht-en-een-half jaar na het verkrijgen van de vergunning, is iets minder dan een derde van cohort 2014 nog afhankelijk van een uitkering.
  • Nog altijd weinig inkomensverschillen tussen de verschillende nationaliteiten – Dit komt doordat een aanzienlijk deel van de statushouders een bijstandsuitkering ontvangt en dat zijn vaste bedragen, afhankelijk van de gezinssituatie.
  • Zorggebruik stabiliseert na ongeveer twee jaar – Van alle statushouders (18+) die in 2014 een vergunning hebben ontvangen en eind 2015 niet meer in een COA-opvang verblijven, heeft 86 procent kosten gemaakt voor de huisarts in 2015. Twee jaar later (in 2017) heeft bijna 98 procent van de statushouders uit cohort 2014 kosten gemaakt voor de huisarts. Dit wil zeggen dat zij ingeschreven waren bij een huisarts. Statushouders uit cohort 2014 maken meer kosten voor zorg in 2016 ten opzichte van 2015. Daarna blijven de percentages stabiel. Het zorggebruik onder Eritrese statushouders steeg het sterkst: in 2015 maakte 77 procent kosten voor de huisarts, in 2021 was dat 98 procent.
  • Aandeel jongeren met jeugdzorg neemt licht toe – Van alle jongeren (tot en met 22 jaar) die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en niet meer bij een opvanglocatie van het COA verblijven maakte ongeveer 5 procent in 2016 gebruik van een vorm van jeugdzorg. Twee jaar later is dat percentage gestegen tot 8 procent. In de jaren 2019 t/m 2022 is het percentage vrijwel stabiel gebleven tussen 8 en 9 procent. Het gaat hier om zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedingsproblemen van de ouders (jeugdhulp), om het onder voogdij plaatsen van amv’s (jeugdbescherming), en om jeugdreclassering.
  • Gebruik jeugdzorg onder amv’s neemt toe – Het gebruik van jeugdzorg door amv’s wijkt nauwelijks af van dat van de totale groep jongere statushouders. Van alle amv’s die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en niet meer bij een opvanglocatie van COA verblijven maakte 7,5 procent in 2022 gebruik van een vorm van jeugdzorg, een iets lager precentage dan voor de totale groep jongeren (9 procent). Wel is het gebruik van jeugdzorg onder amv’s de laatste jaren sterker gestegen dan onder de totale groep jongeren.
  • Statushouders relatief vaker geregistreerd als verdachte van misdrijf dan personen met Europese herkomst, minder vaak dan personen met Buiten-Europese herkomst– Mannelijke statushouders tussen de 18 en 45 worden in verhouding vaker geregistreerd als verdachte van een misdrijf dan mannen met Europese herkomst, maar minder vaak dan mannen met Buiten-Europese herkomst. In absolute cijfers is het aantal verdachte statushouders uit cohort 2020 in verslagjaar 2022 in de leeftijdscategorie 18 tot 23 jaar 30, in de leeftijdscategorie 23 tot 45 jaar 90.

Actuele ontwikkelingen met betrekking tot Oekraïners die sinds februari 2022 naar Nederland zijn gekomen onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming:

  • Meer vrouwen dan mannen – Tot en met juni 2023 hebben zich ruim 125 duizend vluchtelingen uit Oekraïne ingeschreven in een Nederlandse gemeente, waarvan er op 1 juli 2023 nog 98 duizend in Nederland verbleven. De meeste vluchtelingen hebben een Oekraïense nationaliteit (118 600) en een klein deel heeft een niet-Oekraïense nationaliteit, ook wel derdelanders genoemd (6 970). De meeste vluchtelingen hebben zich in de maanden maart en april 2022 in Nederland gevestigd. Het percentage vrouwen is gezakt naar onder de 60 procent voor de meest recente maanden. Na verloop van tijd is het aandeel jongeren en ouderen onder mannen verminderd en ligt het zwaartepunt bij 20–45 jarigen.
  • Iedereen in zelfstandige woning – Bijna iedere vluchteling uit Oekraïne woont zelfstandig in een gemeente. Enkele tientallen personen verbleven op 1 juli 2023 in een opvanglocatie van COA en iets minder dan een kwart is vertrokken uit Nederland. Dit zijn vooral Oekraïners die vlak na het begin van de oorlog naar Nederland kwamen.
  • Vooral alleenstaanden en thuiswonende kinderen – Een maand na het verkrijgen van de status tijdelijke bescherming in Nederland is 42 procent van alle vluchtelingen uit Oekraïne alleenstaand. Iets meer dan 20 procent is een thuiswonend kind en ruim 10 procent is ouder in een eenouderhuishouden. Vluchtelingen met de Oekraïense nationaliteit zijn vaker thuiswonend kind en minder vaak alleenstaand dan derdelanders.
  • Na zes maanden in Nederland werkt 45 procent – Zes maanden na het verkrijgen van de status tijdelijke bescherming in Nederland werkt 45 procent van de vluchtelingen uit Oekraïne: 43 procent van de personen met een Oekraïense nationaliteit en 63 procent van de derdelanders. In vergelijking met de reguliere statushouders asiel werken Oekraïners veel vaker. Dit is te verklaren doordat Oekraïense vluchtelingen onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming meteen mogen werken zonder te moeten wachten op een tewerkstellingsvergunning. Bijna de helft van de werkende Oekraïense vluchtelingen werkt voltijd. De meeste Oekraïense vluchtelingen werken in de uitzendbranche (49 procent) of de horeca (16 procent), net als reguliere statushouders asiel.
  • Oekraïners wonen verspreid over Nederland – Net als reguliere statushouders wonen Oekraïners verspreid over Nederland. Wel wonen er per gemeente vaak meer Oekraïners dan reguliere statushouders. De meeste Oekraïners staan één maand na verkrijgen van de status tijdelijke bescherming ingeschreven in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Westland en Almere.

Noten

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Dankwoord

We danken de medewerkers van de volgende instanties voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van het Asielcohorten onderzoek:

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V)

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)

Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV)

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)

Nidos

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC)

Vluchtelingenwerk Nederland

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er achteraf enkele onvolkomenheden geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Datum: 31 januari 2025

In figuur 2.4.1 over huishoudsamenstelling waren voor nationaliteit ‘overig/onbekend’ voor cohortjaar 2014 en 2017 ten onrechte verkeerde cijfers weergegeven. Dit figuur is hersteld met de juiste cijfers.
 
Dit was het oorspronkelijke figuur:

[ Ontbreekt! ]

Dit is het nieuwe figuur:
[ Ontbreekt! ]

Daarnaast zijn in figuur 3.9.4 over naturalisaties de absolute aantallen die genoemd worden in de mouse-over aangepast. Deze aantallen gaven ten onrechte de waarde van de verkeerde maand weer, dit is nu hersteld. Het figuur zelf is gebaseerd op de aandelen, deze waren wel correct.
 
Ook is een correctie gedaan in de tekst over baankenmerken, betreffende de soort baan (werknemer/uitzendkracht/oproepkracht). Hierin is ten onrechte geen rekening gehouden met de categorie ‘overig’. De categorie ‘overig’ bestaat uit de werkvormen stagiaire, DGA (directeur/grootaandeelhouder) en WSW-er (Wet Sociale Werkvoorziening). De cijfers in de teksten hierover in paragrafen 3.10 en 4.4 zijn hier nu op aangepast.
 
De betreffende originele tekst in 3.10 was:
Statushouders aanvankelijk vaak als oproepkracht aan het werk
In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. Van cohort 2014 werkt een half tot tweeëneenhalf jaar na het verkrijgen van hun vergunning ongeveer een derde als oproepkracht, 10 tot 15 procent werkt als uitzendkracht en het overige deel is werknemer. Het aandeel dat als oproepkracht werkt daalt tot ongeveer 17 procent na vijf jaar en blijft daarna vrij stabiel. Het aandeel dat als uitzendkracht aan de slag gaat neemt geleidelijk toe tot 30 procent na 4–5 jaar en daalt vervolgens tot 16 procent.
 
Dit is nu aangepast naar:
Statushouders aanvankelijk vaak als oproepkracht aan het werk
In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. Van cohort 2014 werkt een half tot tweeëneenhalf jaar na het verkrijgen van hun vergunning ongeveer een derde als oproepkracht, 8 tot 17 procent werkt als uitzendkracht, 3 tot 4 procent behoort tot de groep overig (stagiaire, DGA of WSW-er) en het overige deel is werknemer. Het aandeel dat als oproepkracht werkt daalt tot ongeveer 17 procent na vijf jaar en blijft daarna vrij stabiel. Het aandeel dat als uitzendkracht aan de slag gaat neemt geleidelijk toe tot 30 procent na 5 jaar en daalt vervolgens tot 16 procent.
 
De betreffende originele tekst in 4.4 was:
Dertig procent werkt als werknemer, de overige werkende Oekraïners werken als oproepkracht of uitzendkracht.
 
Dit is nu aangepast naar:
Dertig procent werkt als werknemer, de overige werkende Oekraïners werken met name als oproepkracht of uitzendkracht.