Foto omschrijving: Omwonenden en geïnteresseerden komen kijken en laten zich rondleiden in dit asielzoekerscentrum. Waar voornamelijk Eritreeërs en Afghanen verblijven.

Statushouders huisvesting en integratie

Dit hoofdstuk behandelt de eerste stappen die statushouders zetten in de richting van integratie in de Nederlandse samenleving. Hierbij is gekeken naar statushouders die in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2023 een verblijfsvergunning asiel hebben gekregen. De meeste statushouders zijn hun verblijf in Nederland begonnen in de asielopvang. Ook nareizigers van statushouders ontvangen een (afgeleide) asielvergunning en behoren net als gezinsherenigers in dit onderzoek tot de statushouders. In totaal kregen in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2023 ruim 244 duizend mensen een verblijfsvergunning.

In dit hoofdstuk kijken we onder andere hoe het statushouders vergaat op het gebied van onderwijs, het inburgeringsexamen, sociale zekerheid, werk, gezondheidszorg en geregistreerde criminaliteit. Daarnaast kijken we naar enkele baankenmerken van statushouders (deeltijd/voltijd, soort contract) en belichten we voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) hoe het hen vergaat op het terrein van onderwijs, werk en uitkering en jeugdzorg.

3.1Verblijfsvergunningen asiel

Aantal verleende asielvergunningen neemt sinds 2020 weer toe

In 2014 kregen 20 duizend personen een zogeheten verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, in 2015 waren dit er 33 duizend, in 2016 37 duizend, in 2017 29 duizend, in 2018 16 duizend, in 2019 15 duizend, in 2020 18 duizend, in 2021 28 duizend, in 2022 33 duizend en in de eerste helft van 2023 waren dit er 17 duizend. De daling van het aantal verleende verblijfsvergunningen die in 2017 inzette is in 2020 omgeslagen in een stijging. Dit is mogelijk een effect van de opgelopen achterstanden bij de IND, waarvoor in april 2020 een speciale taskforcenoot1 is opgericht met het doel achterstallige asielaanvragen weg te werken. Het aantal verleende vergunningen in de eerste helft van 2023 is vergelijkbaar met dat van heel 2018, 2019 of 2020, dat is in lijn met de hogere toestroom van asielzoekers vanaf 2021 (zie hoofdstuk 2.1). Evenals bij de asielverzoeken in de periode tussen 2014 en 2023 bestaat de groep statushouders vooral uit Syriërs en Eritreeërs. Van de in 2014 verleende verblijfsvergunningen werd 53 procent verleend aan personen met de Syrische nationaliteit.noot2 Dit percentage loopt op naar 71 procent in 2016 en daalt daarna naar zo’n 45 à 46 procent in 2020–2021. In 2022 stijgt het percentage naar 51 procent, waarna het weer daalt naar 46 procent in de eerste helft van 2023. Het aandeel verleende vergunningen aan Eritreeërs is de laatste jaren gedaald, van ongeveer een kwart in 2018 en 2019 naar 5 procent in de eerste helft van 2023. Hiermee is in de eerste helft van 2023 ongeveer de helft van het aantal vergunningen verleend aan Syriërs of Eritreeërs, in 2015 en 2016 was dit nog 85 procent. In 2017 is het aantal verleende verblijfsvergunningen aan Iraniërs grofweg verdubbeld ten opzichte van die in voorgaande jaren (naar ruim 3 procent). Dit komt doordat staatssecretaris Dijkhoff in 2017 een aantal risicogroepen uit Iran heeft toegevoegd aan de groepen mensen die sneller kans maken op asiel in Nederland.noot3 Het gaat onder andere om afvallige moslims, politici, journalisten en mensenrechtenactivisten. Na een stijging naar 7 procent in 2021 is inmiddels het aandeel verleende vergunningen aan asielzoekers uit Iran gedaald naar 2 procent. Dit geldt overigens ook voor asielzoekers uit Irak. Aan de andere kant is het aantal verleende verblijfsvergunningen aan personen met een Turkse nationaliteit sterk toegenomen. In de periode 2014 tot en met 2016 kregen 75 personen uit Turkije een verblijfsvergunning, in de periode 2017 tot en met de eerste helft van 2023 waren dat er 10 470. Vooral in 2020 en 2022 is het aandeel verleende verblijfsvergunningen hoog voor mensen met een Turkse nationaliteit, namelijk rond 10 procent. De groep statushouders met een ‘overige’ (of onbekende) nationaliteit is na 2016 relatief sterk gegroeid (van 7 procent in 2016 naar 19 procent in 2022) en bestaat voor een groot deel uit Jemenieten. Ook Somaliërs komen in deze groep relatief veel voor. De grootste toename zien we echter in de eerste helft van 2023 waarin 33 procent van de verleende verblijfsvergunningen aan statushouders met een ‘overige’ (of onbekende) nationaliteit is verleend. In deze periode bestaat deze groep voor verreweg het grootste deel (namelijk 15 procent van alle verleende verblijfsvergunningen) uit personen met een (nog) onbekende nationaliteit.

3.1.1 Verleende vergunningen naar nationaliteit, 2014 tot en met eerste helft 2023
Categorie Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije Overig/onbekend
Eerste helft 2023* 7735 340 635 770 395 1420 5670
2022* 16795 745 2940 1720 1060 3280 6340
2021 12455 625 3130 2205 1800 2070 5225
2020 8005 480 470 2760 585 1830 3395
2019 6560 350 475 3600 565 1075 2860
2018 6685 525 725 4140 605 420 3050
2017 16980 1310 940 4985 1020 375 3020
2016 26205 1330 750 5065 585 20 2735
2015 21650 550 540 6265 430 20 3330
2014 10445 705 600 3980 425 35 3465
* Voorlopige cijfers

3.2Nationaliteiten

Top vijf nationaliteitennoot4 van statushouders verandert, maar Syrië blijft op eerste plek

De tabel laat per jaar zien wat de top vijf van nationaliteiten is van de personen aan wie een vergunning is verleend. In de periode 2014 t/m 2020 staan de Syrische en de Eritrese nationaliteiten op de plaatsen één en twee, in 2021 staat Afghanistan op plek twee terwijl Turkije in 2022 en de eerste helft van 2023 de tweede plaats bezet. In 2014 en 2015 staan Somalië, Irak en Afghanistan naast Syrië en Eritrea in de top vijf. In de periode tussen 2016 en 2021 heeft Iran Somalië uit de top vijf verdreven. In 2019 komen Turkije en Jemen nieuw binnen in de top vijf en zijn daar tot op heden gebleven, met een uitzondering voor Jemen in 2021.

3.2.1Top vijf verleende vergunningen naar nationaliteit, 2014 tot en met eerste helft 2023
2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022* eerste helft 2023*
1 Syrië 10 445 Syrië 21 650 Syrië 26 205 Syrië 16 980 Syrië 6 685 Syrië 6 560 Syrië 8 005 Syrië 12 455 Syrië 16 795 Syrië 7 735
2 Eritrea 3 980 Eritrea 6 265 Eritrea 5 065 Eritrea 4 985 Eritrea 4 140 Eritrea 3 600 Eritrea 2 760 Afghanistan 3 130 Turkije 3 280 Turkije 1 420
3 Somalië 1 375 Somalië 590 Irak 1 330 Irak 1 310 Afghanistan 725 Turkije 1 075 Turkije 1 830 Eritrea 2 205 Afghanistan 2 940 Jemen 1 245
4 Irak 705 Irak 550 Afghanistan 750 Iran 1 020 Iran 605 Jemen 685 Jemen 1 100 Turkije 2 070 Jemen 1 820 Eritrea 770
5 Afghanistan 600 Afghanistan 540 Iran 585 Afghanistan 940 Irak 525 Iran 565 Iran 585 Iran 1 800 Eritrea 1 720 Afghanistan 635

Bron:CBS.

* voorlopige cijfers

3.3Nareis

Aandeel nareizigers na 2020 weer toegenomen

Sinds 2014 heeft de IND aan 85 duizend nareizigers een vergunning verleend. Het grootste deel daarvan in de periode tussen 2014 en 2023 bestaat uit instroom van nareizigers van Eritreeërs en Syriërs. Het aandeel nareizigers in de totale instroom verschilt sterk per nationaliteit. Zo betreft 44 procent van de verleende vergunningen aan Irakezen in de eerste helft van 2023 een nareiziger terwijl dat onder Iraniërs maar zeven procent is.

Het aandeel vergunningen dat verleend wordt aan nareizigers varieert over de cohorten. Vanaf cohort 2014 tot en met cohort 2017 was er grofweg een toename van het aandeel nareizigers onder de statushouders van 27 naar 51 procent. Sinds die tijd is er een afname van dit aandeel tot 22 procent in 2020. In 2021 neemt het aandeel nareizigers onder de statushouders weer toe naar 37 procent, maar in 2022 en het eerste halfjaar van 2023 neemt dit af naar respectievelijk 33 en 27 procent.

In absolute aantallen is het aantal verleende vergunningen aan nareizigers afgenomen. In 2017 kregen 14,5 duizend nareizigers een vergunning, in 2018 was dit met 6,5 duizend nareizigers meer dan gehalveerd. In 2021 en 2022 lag dit aantal respectievelijk op 10 en 11 duizend.

3.3.1 Verleende vergunningen onderscheid naar wel/geen nareis1) en nationaliteit, 2014 tot en met eerste helft 2023, Syrië
Jaar Geen nareis, Syrië Wel nareis, Syrië Geen nareis, Irak Wel nareis, Irak Geen nareis, Afghanistan Wel nareis, Afghanistan Geen nareis, Eritrea Wel nareis, Eritrea Geen nareis, Iran Wel nareis, Iran Geen nareis, Turkije Wel nareis, Turkije Geen nareis, Overig/onbekend Wel nareis, Overig/onbekend
2014 7170 3275 445 260 495 100 3810 175 345 80 25 15 2015 1450
2015 10500 11150 335 215 455 85 5325 945 380 50 15 5 2285 1045
2016 16775 9430 1205 125 685 65 3795 1270 545 40 10 10 1960 775
2017 6840 10140 850 460 855 85 2105 2880 900 120 365 10 2235 790
2018 4255 2430 330 195 480 250 1580 2560 485 125 370 50 2205 845
2019 5085 1475 255 95 375 100 1820 1780 500 65 1000 75 2275 585
2020 6420 1580 370 110 435 35 1690 1070 535 50 1570 255 2635 760
2021 5680 6770 360 265 3010 120 1475 730 1670 125 1335 735 3865 1360
2022* 9150 7650 615 130 2775 165 1190 525 845 215 2185 1095 5145 1195
Eerste helft 2023* 4800 2935 190 150 515 120 625 145 370 25 830 585 5070 605
1) De onderste (helder gekleurde) balken betreffen niet-nareizigers, de bovenste (donkerdere) balken betreffen nareizigers.* Voorlopige cijfers

3.4Nareis en (reguliere) gezinshereniging

Aandeel van statushouders met nareis na 30 maanden is hoger voor cohort 2020 dan in jaren daarvoor

Van alle statushouders (exclusief nareizigers) uit 2014, 2015 en 2016 heeft respectievelijk 24, 30 en 25 procent binnen tweeënhalf jaar familieleden laten overkomen via de nareisregeling en 14, 13 en 10 procent via reguliere gezinshereniging. Dat er meer familieleden komen via de nareisregeling komt doordat er bij reguliere gezinshereniging strengere eisen gelden dan bij nareis.noot5 Deze percentages van nareis en gezinshereniging lopen sterk terug vanaf cohort 2017. Bij de statushouders uit cohort 2020 is echter weer een toename te zien, 22 procent van hen liet binnen tweeënhalf jaar familieleden nareizen en bij 7 procent was er sprake van reguliere gezinshereniging. Bij 8 tot 15 procent van de statushouders vindt een gezinsuitbreiding plaats in de vorm van de geboorte van een kind in Nederland. Bij de meerderheid van de statushouders vindt echter geen wijziging plaats in de gezinssituatie binnen tweeënhalf jaar na het verlenen van de vergunning. Met name tussen 2017 en 2019 is dit aandeel hoog, rond de 80 procent.

3.4.1 Gezinsvorming- en hereniging onder statushouders (exclusief nareizigers) naar instroomcohort, 30 maanden na instroom in opvanglocatie COA (%)
Categorie 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
Overleden -0,2 -0,2 -0,2 -0,3 -0,2 -0,2 -0,2
Vertrokken -1,9 -3,5 -3,1 -3,8 -3,4 -1,7 -2,0
Geboorte kind in Nederland 14,5 13,9 11,8 10,2 7,8 7,7 9,6
Overige gezinsherening/vorming door immigratie partner/kinderen 13,9 12,8 9,7 6,4 5,2 4,8 7,0
Nareizigers 23,6 29,9 24,5 8,4 8,9 11,6 21,6
Geen wijziging in gezinssituatie 63,1 57,5 63,4 77,9 80,5 79,9 69,3

Onder Syriërs zijn de percentages statushouders die familieleden hebben laten overkomen hoger dan de hiervoor genoemde: het percentage Syrische statushouders waaraan in 2014 een vergunning is verleend en dat een nareiziger heeft laten overkomen is na tweeënhalf jaar 34 procent terwijl 15 procent familieleden liet overkomen via reguliere gezinshereniging. Ook onder Syriërs lopen deze aandelen terug voor recentere cohorten. Van de Syriërs waaraan in 2015 een vergunning is verleend, heeft 41 procent na tweeënhalf jaar een nareiziger laten overkomen, voor cohort 2016 is dit 30 procent en voor 2017 nog maar 8 procent. Cohort 2018 laat echter een kentering zien in deze daling: 12 procent van dit cohort heeft een nareiziger laten overkomen, een aandeel dat voor cohort 2019 verder toeneemt tot 15 procent. Voor cohort 2020 neemt dit verder toe naar 34 procent, hetzelfde niveau als voor cohort 2014.

3.4.2 Gezinsvorming en -hereniging onder Syrische statushouders (exclusief nareizigers) naar instroomcohort, 30 maanden na instroom in opvanglocatie COA (%)
Categorie 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
Overleden -0,2 -0,2 -0,2 -0,3 -0,2 -0,3 -0,2
Vertrokken -2 -2,5 -2 -1,6 -0,8 -0,9 -0,7
Geboorte kind in Nederland 15,4 15,1 12,6 10,3 7,5 7,2 10,2
Overige gezinsherening/vorming door immigratie partner/kinderen 14,5 14,8 10,5 6,3 5,5 5,2 8,9
Nareizigers 33,5 41,2 29,8 7,8 11,9 15,1 33,5
Geen wijziging in gezinssituatie 55,2 48,5 59,7 80,5 81,3 78,4 60,4

Weer meer nareis en gezinshereniging onder amv’s in 2020

Van alle amv’s met een verleende vergunning uit 2014 heeft 27 procent binnen tweeënhalf jaar familieleden laten overkomen via de nareisregeling en 23 procent via reguliere gezinshereniging. Dat er meer familieleden komen via de nareisregeling komt doordat er bij reguliere gezinshereniging strengere eisen gelden dan bij nareis.noot6 Voor cohort 2015 en 2016 is het aandeel met nareizigers toegenomen naar respectievelijk 44 en 51 procent, waarna dit aandeel weer afneemt tot 35 procent in cohort 2018 en vervolgens weer stijgt naar 49 procent in 2020. Het aandeel statushouders onder de amv’s met reguliere gezinshereniging is na cohort 2014 afgenomen naar 10 in 2019 en vervolgens weer toegenomen naar 15 procent in 2020. Deze percentages liggen hoger dan voor de totale groep statushouders (zie paragraaf 3.4.1). Het aandeel dat na tweeënhalf jaar weer is vertrokken, ligt bij de amv’s iets hoger dan bij de totale groep statushouders. De groep amv’s die in 2018 een vergunning kreeg vertoont met 7 procent het hoogste aandeel dat vertrok, voor de totale groep statushouders was dit in 2018 slechts 3 procent.

3.4.3 Gezinsvorming- en hereniging onder alleenstaande minderjarige vreemdelingen naar vestigingscohort, 30 maanden na vestiging (%)
Categorie 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
Overleden 0 -0,1 -0,1 -0,2 0 -0,1 0,0
Vertrokken -1,4 -3,5 -6,1 -5,1 -6,7 -2,5 -2,6
Geboorte kind in Nederland 4,6 3 2,4 4,3 3,2 4,1 3,5
Overige gezinsherening/vorming door immigratie partner/kinderen 23,1 14,2 14,2 11,1 10,9 9,8 15,1
Nareizigers 26,5 43,8 50,9 28,3 34,8 38,7 48,7
Geen wijziging in gezinssituatie 59,7 46 37,3 60,2 52,2 52,9 39,1

3.5Wachttijd tot vergunning

Gemiddelde wachttijd Syriërs laagst door komst van nareizigers

Gemiddeld genomen hebben statushouders die in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2023 een vergunning kregen (en via een COA-opvang locatie zijn ingestroomd), 175 dagen gewacht op het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel sinds het moment van eerste opvang in een COA-opvanglocatie. Dit is opnieuw een lichte toename ten opzichte van de gemiddelde wachttijd die in de vorige rapportage werd geregistreerd, die bedroeg toen namelijk 159 dagen. Vooral Syriërs en Eritreeërs kregen relatief snel een verblijfsvergunning (na respectievelijk 98 en 109 dagen). Irakezen en Afghanen wachtten gemiddeld zo’n 13 maanden maar de gemiddelde wachttijd voor Iraniërs is met 22 maanden verreweg het langst. Met name voor Iran geldt dat deze groep voor een veel groter deel uit referenten bestaat (de groep mensen die in Nederland een eerste asielaanvraag doet) dan de andere nationaliteitennoot7: nareizigers hebben al een vergunning op het moment dat zij bij het COA instromen, referenten moeten daar nog op wachten. Nareizigers kunnen de gemiddelde wachttijd dus omlaag brengen. Voor vergunningscohorten 2019 en 2020 liepen de wachttijden voor verschillende groepen behoorlijk op. Dit had te maken met de opgelopen vertraging bij de IND. Na een gemiddelde daling in 2021 en 2022 is er in de eerste helft van 2023 weer een stijging van de gemiddelde wachttijd. De gemiddelde wachttijd blijft daarmee in de meest recente jaren op een hoger niveau dan voor 2019. De figuur laat zien hoe lang de statushouders per vergunningscohort gemiddeld op hun verblijfsvergunning asiel hebben gewacht.

3.5.1 Wachttijd (in dagen) tot verkrijgen vergunning voor statushouders naar nationaliteit en vergunningscohort
Categorie 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022* Eerste helft 2023*
Syrië 55 48 110 36 61 106 211 131 129 205
Irak 222 213 372 331 359 624 617 501 458 558
Afghanistan 406 397 345 479 571 764 616 200 338 804
Eritrea 128 83 109 44 35 76 193 291 278 351
Iran 272 285 357 420 394 606 663 800 1054 1239
Turkije 322 463 87 294 186 338 292 178 168 199
Overig/onbekend 165 192 288 273 201 297 321 433 376 436
Totaal 110 79 139 106 137 213 282 264 242 325
* Voorlopige cijfers

3.6Vestigingsgemeente

Weinig regionale verschillen

Van de 244 duizend mensen die in 2014 tot en met de eerste helft van 2023 een verblijfsvergunning ontvingen, zijn er in deze periode 217 duizend zelfstandig gehuisvest in een gemeente (en wonen dus niet meer in de asielopvang van het COA). Onderstaande figuren laten zien dat statushouders in de tweede maand dat ze niet meer in de COA-opvang zitten, redelijk verspreid wonen over Nederland. De verschillen tussen gemeenten, uitgedrukt per 10 duizend inwoners, zijn klein. De uitschieters die wel zichtbaar zijn, zijn gemeenten met een opvanglocatie (bijvoorbeeld Westerwolde), waar we statushouders kort na vertrek uit de COA-opvang nog terugvinden.noot8 Na een jaar zijn deze uitschieters er niet meer. Er is weinig verschil in spreiding tussen de diverse nationaliteiten en vergunnings-cohorten. Ook één of een aantal jaren na het verlaten van de COA-opvang wonen de statushouders nog steeds verspreid over Nederland.

3.6.1 Aantal statushouders 2018 per 10 000 inwoners van de gemeentelijke bevolking, 2 maanden na verlaten COA-opvang
GemNaam 18_2
Groningen (gemeente) 5,9
Dijk en Waard 10,7
Maashorst 5,3
Land van Cuijk 10,8
Almere 7,4
Stadskanaal 7,2
Veendam 8,4
Zeewolde 13,3
Achtkarspelen 3,2
Ameland 0,0001
Harlingen 8,8
Heerenveen 11,7
Leeuwarden 6,8
Ooststellingwerf 6,2
Opsterland 11,1
Schiermonnikoog 0,0001
Smallingerland 8,6
Terschelling 0,0001
Vlieland 0,0001
Weststellingwerf 5,3
Assen 7
Coevorden 10,1
Emmen 7,8
Hoogeveen 10
Meppel 10,1
Almelo 6
Borne 9,2
Dalfsen 11,3
Deventer 7,1
Enschede 9,5
Haaksbergen 1,2
Hardenberg 9,2
Hellendoorn 10,3
Hengelo (O.) 8,3
Kampen 11,9
Losser 6,9
Noordoostpolder 11,9
Oldenzaal 4,7
Ommen 11,9
Raalte 13,9
Staphorst 11
Tubbergen 9,8
Urk 9,8
Wierden 7,3
Zwolle 6,1
Aalten 11,8
Apeldoorn 7,7
Arnhem 7,1
Barneveld 6,3
Beuningen 6,9
Brummen 6,2
Buren 14,4
Culemborg 9,2
Doesburg 8,2
Doetinchem 6,8
Druten 9,9
Duiven 8
Ede 8,5
Elburg 8,8
Epe 15,6
Ermelo 12,1
Harderwijk 10,2
Hattem 9,8
Heerde 7,9
Heumen 9,9
Lochem 7,9
Maasdriel 13,7
Nijkerk 12,4
Nijmegen 7,6
Oldebroek 10
Putten 7,7
Renkum 7,7
Rheden 3,9
Rozendaal 0,0001
Scherpenzeel 8,7
Tiel 10,2
Voorst 6,8
Wageningen 8,3
Westervoort 10,7
Winterswijk 6,9
Wijchen 10,6
Zaltbommel 12
Zevenaar 2,5
Zutphen 7,9
Nunspeet 17
Dronten 11,2
Amersfoort 6,1
Baarn 10,9
De Bilt 8
Bunnik 16,7
Bunschoten 8,1
Eemnes 8,5
Houten 5,8
Leusden 5,5
Lopik 17,2
Montfoort 15,2
Renswoude 10,6
Rhenen 6,9
Soest 10,2
Utrecht (gemeente) 10,5
Veenendaal 9,6
Woudenberg 11,5
Wijk bij Duurstede 10,9
IJsselstein 13,8
Zeist 9,1
Nieuwegein 4,6
Aalsmeer 11,1
Alkmaar 8,8
Amstelveen 8,2
Amsterdam 11,6
Bergen (NH.) 11,8
Beverwijk 6,9
Blaricum 7,3
Bloemendaal 9,7
Castricum 9,1
Diemen 10,1
Edam-Volendam 10,4
Enkhuizen 9,7
Haarlem 11
Haarlemmermeer 8,8
Heemskerk 5,1
Heemstede 13,8
Heiloo 13,5
Den Helder 11,9
Hilversum 9,4
Hoorn 9,2
Huizen 9
Landsmeer 11,2
Laren (NH.) 9,5
Medemblik 9,2
Oostzaan 14,5
Opmeer 3,3
Ouder-Amstel 9,1
Purmerend 11,1
Schagen 10,5
Texel 6,6
Uitgeest 7,4
Uithoorn 6,8
Velsen 8,2
Weesp 8,7
Zandvoort 9,9
Zaanstad 8,9
Alblasserdam 17,4
Alphen aan den Rijn 9,5
Barendrecht 10,7
Drechterland 12
Brielle 9,6
Capelle aan den IJssel 8
Delft 9,5
Dordrecht 9,5
Gorinchem 6,1
Gouda 10,4
's-Gravenhage (gemeente) 8,4
Hardinxveld-Giessendam 9,7
Hellevoetsluis 12,3
Hendrik-Ido-Ambacht 9,5
Stede Broec 13,2
Hillegom 5,8
Katwijk 7
Krimpen aan den IJssel 3,1
Leiden 7
Leiderdorp 10,9
Lisse 9,1
Maassluis 6,4
Nieuwkoop 4,8
Noordwijk 9,9
Oegstgeest 6,3
Oudewater 18,7
Papendrecht 9,3
Ridderkerk 6,8
Rotterdam 8,8
Rijswijk (ZH.) 9,1
Schiedam 5,5
Sliedrecht 2,3
Albrandswaard 8,9
Westvoorne 7,4
Vlaardingen 7
Voorschoten 9,8
Waddinxveen 10,2
Wassenaar 12,9
Woerden 8,5
Zoetermeer 7
Zoeterwoude 5,4
Zwijndrecht 6,3
Borsele 8,8
Goes 5,6
West Maas en Waal 12,7
Hulst 13,4
Kapelle 10,8
Middelburg (Z.) 7,7
Reimerswaal 5,2
Terneuzen 9,2
Tholen 7,6
Veere 7,3
Vlissingen 6,7
De Ronde Venen 10,2
Tytsjerksteradiel 12,4
Asten 8,2
Baarle-Nassau 0,0001
Bergen op Zoom 11
Best 10,5
Boekel 12,7
Boxtel 10,3
Breda 8,4
Deurne 13,8
Pekela 12,3
Dongen 11,3
Eersel 8,1
Eindhoven 7,3
Etten-Leur 9,7
Geertruidenberg 5,9
Gilze en Rijen 9,8
Goirle 10,8
Helmond 5,8
's-Hertogenbosch 5,3
Heusden 5,9
Hilvarenbeek 7,6
Loon op Zand 10,1
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 8,4
Oirschot 7,9
Oisterwijk 8,9
Oosterhout 12,7
Oss 6,5
Rucphen 9
Sint-Michielsgestel 5,7
Someren 15,2
Son en Breugel 7,9
Steenbergen 4,9
Waterland 13,8
Tilburg 5,1
Valkenswaard 8
Veldhoven 6,3
Vught 10,7
Waalre 4,5
Waalwijk 9,5
Woensdrecht 4,5
Zundert 8,1
Wormerland 6,7
Landgraaf 14,3
Beek (L.) 5,1
Beesel 17,9
Bergen (L.) 16
Brunssum 13
Gennep 7,5
Heerlen 6,8
Kerkrade 13,2
Maastricht 8,7
Meerssen 4,8
Mook en Middelaar 12,5
Nederweert 1,7
Roermond 6,6
Simpelveld 11,5
Stein (L.) 8,9
Vaals 10,9
Venlo 12,4
Venray 9,3
Voerendaal 11,3
Weert 7,7
Valkenburg aan de Geul 11,8
Lelystad 5,3
Horst aan de Maas 12,3
Oude IJsselstreek 7,1
Teylingen 8,7
Utrechtse Heuvelrug 9
Oost Gelre 11,1
Koggenland 6,9
Lansingerland 7,2
Leudal 7,5
Maasgouw 13,7
Gemert-Bakel 12,9
Halderberge 6,8
Heeze-Leende 9,7
Laarbeek 10,5
Reusel-De Mierden 9,8
Roerdalen 7,3
Roosendaal 6,3
Schouwen-Duiveland 12
Aa en Hunze 4,3
Borger-Odoorn 11,3
De Wolden 6,9
Noord-Beveland 13
Wijdemeren 11,4
Noordenveld 7
Twenterand 12,5
Westerveld 5
Lingewaard 7,9
Cranendonck 12,6
Steenwijkerland 7,4
Moerdijk 8,3
Echt-Susteren 7,2
Sluis 11,7
Drimmelen 10,9
Bernheze 4,4
Alphen-Chaam 7,7
Bergeijk 7,9
Bladel 8,7
Gulpen-Wittem 6,3
Tynaarlo 6,4
Midden-Drenthe 5,3
Overbetuwe 10,8
Hof van Twente 8
Neder-Betuwe 5,2
Rijssen-Holten 3,7
Geldrop-Mierlo 8,7
Olst-Wijhe 7,6
Dinkelland 10,9
Westland 14
Midden-Delfland 8,7
Berkelland 7,8
Bronckhorst 8,9
Sittard-Geleen 12,1
Kaag en Braassem 2,9
Dantumadiel 6,9
Zuidplas 9,8
Peel en Maas 8,8
Oldambt 7,3
Zwartewaterland 10
S�dwest-Frysl�n 8,4
Bodegraven-Reeuwijk 8,4
Eijsden-Margraten 12,8
Stichtse Vecht 10,1
Hollands Kroon 10
Leidschendam-Voorburg 11,5
Goeree-Overflakkee 15,7
Pijnacker-Nootdorp 9,7
Nissewaard 9,6
Krimpenerwaard 11,2
De Fryske Marren 9,7
Gooise Meren 10,9
Berg en Dal 9,4
Meierijstad 8,5
Waadhoeke 10,1
Westerwolde 29,7
Midden-Groningen 9,2
Beekdaelen 10
Montferland 6,3
Altena 9,8
West Betuwe 11,4
Vijfheerenlanden 11,4
Hoeksche Waard 9,1
Het Hogeland 10
Westerkwartier 13,1
Noardeast-Frysl�n 4,2
Molenlanden 3,8
Eemsdelta 11,5
3.6.2 Aantal statushouders 2018 per 10 000 inwoners van de gemeentelijke bevolking, 48 maanden na verlaten van COA-opvang
GemNaam 18_48
Groningen (gemeente) 6,3
Dijk en Waard 8,2
Maashorst 5,3
Land van Cuijk 8,8
Almere 7,6
Stadskanaal 6,6
Veendam 8,4
Zeewolde 12,8
Achtkarspelen 1,1
Ameland 0,0001
Harlingen 8,2
Heerenveen 10,4
Leeuwarden 8,4
Ooststellingwerf 7
Opsterland 8,4
Schiermonnikoog 0,0001
Smallingerland 8,6
Terschelling 0,0001
Vlieland 0,0001
Weststellingwerf 3,8
Assen 6,8
Coevorden 8,2
Emmen 8,3
Hoogeveen 11,6
Meppel 9,2
Almelo 7,5
Borne 8,3
Dalfsen 10,6
Deventer 7,2
Enschede 10,5
Haaksbergen 0,8
Hardenberg 8,4
Hellendoorn 8,3
Hengelo (O.) 8,8
Kampen 9,9
Losser 7,4
Noordoostpolder 10,2
Oldenzaal 3,8
Ommen 9,2
Raalte 13,6
Staphorst 11,6
Tubbergen 8,9
Urk 8,9
Wierden 6,5
Zwolle 8
Aalten 9,2
Apeldoorn 8,4
Arnhem 7,9
Barneveld 6,6
Beuningen 5,3
Brummen 4,3
Buren 11,4
Culemborg 9,9
Doesburg 6,3
Doetinchem 8,9
Druten 8,9
Duiven 8,4
Ede 8,8
Elburg 8,8
Epe 12,9
Ermelo 11,7
Harderwijk 9,8
Hattem 8,1
Heerde 7,9
Heumen 8,2
Lochem 6,8
Maasdriel 12,5
Nijkerk 11,5
Nijmegen 8,7
Oldebroek 7,9
Putten 7,3
Renkum 6,7
Rheden 3
Rozendaal 0,0001
Scherpenzeel 10,7
Tiel 11,4
Voorst 5,6
Wageningen 7,3
Westervoort 10,7
Winterswijk 6,2
Wijchen 9,4
Zaltbommel 11
Zevenaar 2,5
Zutphen 8,3
Nunspeet 15,9
Dronten 10,7
Amersfoort 7,1
Baarn 9,6
De Bilt 8,3
Bunnik 14,1
Bunschoten 7,6
Eemnes 4,2
Houten 4,8
Leusden 5,5
Lopik 13,8
Montfoort 13,8
Renswoude 12,4
Rhenen 6,9
Soest 8,7
Utrecht (gemeente) 10,9
Veenendaal 9,2
Woudenberg 10,1
Wijk bij Duurstede 11,3
IJsselstein 14,1
Zeist 7,6
Nieuwegein 5,7
Aalsmeer 9,9
Alkmaar 10,2
Amstelveen 9,4
Amsterdam 11,5
Bergen (NH.) 10,1
Beverwijk 7,8
Blaricum 4,9
Bloemendaal 5,9
Castricum 6,9
Diemen 10,1
Edam-Volendam 9,9
Enkhuizen 9,1
Haarlem 10,7
Haarlemmermeer 8,4
Heemskerk 5,1
Heemstede 11,6
Heiloo 10,2
Den Helder 10,8
Hilversum 9
Hoorn 8,5
Huizen 8,5
Landsmeer 12,1
Laren (NH.) 9,5
Medemblik 8,1
Oostzaan 14,5
Opmeer 3,3
Ouder-Amstel 8,4
Purmerend 10,3
Schagen 10,9
Texel 5,8
Uitgeest 7,4
Uithoorn 6,4
Velsen 8,8
Weesp 7,7
Zandvoort 10,5
Zaanstad 9
Alblasserdam 17,4
Alphen aan den Rijn 9,4
Barendrecht 10,3
Drechterland 11,5
Brielle 9
Capelle aan den IJssel 9,2
Delft 9,8
Dordrecht 8,6
Gorinchem 7,4
Gouda 9,9
's-Gravenhage (gemeente) 8,8
Hardinxveld-Giessendam 9,7
Hellevoetsluis 10,6
Hendrik-Ido-Ambacht 6,9
Stede Broec 11,8
Hillegom 5,4
Katwijk 6,4
Krimpen aan den IJssel 3,4
Leiden 7,4
Leiderdorp 9,1
Lisse 9,6
Maassluis 8,2
Nieuwkoop 5,1
Noordwijk 9,7
Oegstgeest 6,7
Oudewater 16,7
Papendrecht 9,9
Ridderkerk 7,4
Rotterdam 9,2
Rijswijk (ZH.) 9,1
Schiedam 5,5
Sliedrecht 5,4
Albrandswaard 9,3
Westvoorne 6,7
Vlaardingen 8,8
Voorschoten 6,6
Waddinxveen 9,6
Wassenaar 8,9
Woerden 7,6
Zoetermeer 7,3
Zoeterwoude 6,5
Zwijndrecht 7,1
Borsele 4,8
Goes 6,9
West Maas en Waal 9,7
Hulst 10,9
Kapelle 14,6
Middelburg (Z.) 9,6
Reimerswaal 5,2
Terneuzen 9
Tholen 6,1
Veere 5,5
Vlissingen 6,1
De Ronde Venen 8,5
Tytsjerksteradiel 8,1
Asten 9,4
Baarle-Nassau 0,0001
Bergen op Zoom 12,2
Best 9,8
Boekel 18,1
Boxtel 10
Breda 8,8
Deurne 12,3
Pekela 9
Dongen 9,4
Eersel 8,1
Eindhoven 8,8
Etten-Leur 8,2
Geertruidenberg 5,5
Gilze en Rijen 8,7
Goirle 5,8
Helmond 7
's-Hertogenbosch 5,4
Heusden 5,9
Hilvarenbeek 5,1
Loon op Zand 8
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 8
Oirschot 6,3
Oisterwijk 6,8
Oosterhout 12,2
Oss 5,6
Rucphen 6,4
Sint-Michielsgestel 4,4
Someren 17,3
Son en Breugel 5,1
Steenbergen 4,5
Waterland 13,3
Tilburg 7,4
Valkenswaard 6,7
Veldhoven 6,5
Vught 9,8
Waalre 2,8
Waalwijk 10,5
Woensdrecht 1,8
Zundert 6,3
Wormerland 6,1
Landgraaf 14
Beek (L.) 5,1
Beesel 15,7
Bergen (L.) 13,7
Brunssum 9,8
Gennep 3,5
Heerlen 6,9
Kerkrade 9,5
Maastricht 9,1
Meerssen 4,3
Mook en Middelaar 12,5
Nederweert 1,2
Roermond 5,7
Simpelveld 11,5
Stein (L.) 8,1
Vaals 10,9
Venlo 12,2
Venray 9,6
Voerendaal 6,4
Weert 7,5
Valkenburg aan de Geul 8
Lelystad 5
Horst aan de Maas 10,5
Oude IJsselstreek 3,3
Teylingen 7,1
Utrechtse Heuvelrug 7,4
Oost Gelre 8,1
Koggenland 3,5
Lansingerland 7,5
Leudal 6,1
Maasgouw 10,8
Gemert-Bakel 11
Halderberge 6,2
Heeze-Leende 7,9
Laarbeek 9,6
Reusel-De Mierden 9,8
Roerdalen 7,8
Roosendaal 6,1
Schouwen-Duiveland 9,4
Aa en Hunze 3,5
Borger-Odoorn 8,2
De Wolden 2
Noord-Beveland 9,1
Wijdemeren 10,6
Noordenveld 5,8
Twenterand 10,1
Westerveld 3
Lingewaard 7,2
Cranendonck 12,6
Steenwijkerland 6,7
Moerdijk 7,8
Echt-Susteren 6,9
Sluis 10,8
Drimmelen 6,2
Bernheze 3,2
Alphen-Chaam 8,6
Bergeijk 7,4
Bladel 5,3
Gulpen-Wittem 5,6
Tynaarlo 5,3
Midden-Drenthe 5
Overbetuwe 11
Hof van Twente 7,1
Neder-Betuwe 3,2
Rijssen-Holten 3,9
Geldrop-Mierlo 7,7
Olst-Wijhe 7
Dinkelland 10,9
Westland 12,5
Midden-Delfland 8,2
Berkelland 7,5
Bronckhorst 7,8
Sittard-Geleen 10,1
Kaag en Braassem 3,9
Dantumadiel 8,4
Zuidplas 10,3
Peel en Maas 8,1
Oldambt 7,8
Zwartewaterland 10,9
S�dwest-Frysl�n 7,4
Bodegraven-Reeuwijk 7
Eijsden-Margraten 6,6
Stichtse Vecht 8,9
Hollands Kroon 9,4
Leidschendam-Voorburg 11,2
Goeree-Overflakkee 12,5
Pijnacker-Nootdorp 9,2
Nissewaard 10,7
Krimpenerwaard 11,7
De Fryske Marren 8,3
Gooise Meren 10
Berg en Dal 7,4
Meierijstad 7,6
Waadhoeke 9,1
Westerwolde 4,9
Midden-Groningen 7,2
Beekdaelen 8,6
Montferland 6,1
Altena 7,4
West Betuwe 6,2
Vijfheerenlanden 10,9
Hoeksche Waard 8,3
Het Hogeland 8,5
Westerkwartier 11,8
Noardeast-Frysl�n 3,1
Molenlanden 4
Eemsdelta 10,4
3.6.3 Aantal statushouders 2020 per 10 000 inwoners van de gemeentelijke bevolking, 2 maanden na verlaten van COA-opvang
GemNaam 20_2
Groningen (gemeente) 10,2
Dijk en Waard 9,8
Maashorst 6,3
Land van Cuijk 11,9
Almere 9
Stadskanaal 11
Veendam 13,1
Zeewolde 7,7
Achtkarspelen 5,4
Ameland 0,0001
Harlingen 12,6
Heerenveen 13,1
Leeuwarden 11,5
Ooststellingwerf 7,4
Opsterland 9,4
Schiermonnikoog 0,0001
Smallingerland 7,2
Terschelling 0,0001
Vlieland 0,0001
Weststellingwerf 13,7
Assen 7,5
Coevorden 12,7
Emmen 11,1
Hoogeveen 12,5
Meppel 10,6
Almelo 12,8
Borne 13,3
Dalfsen 14,1
Deventer 8,5
Enschede 10,5
Haaksbergen 13,6
Hardenberg 9,4
Hellendoorn 11,4
Hengelo (O.) 10,3
Kampen 6,6
Losser 13,4
Noordoostpolder 12,1
Oldenzaal 9,8
Ommen 12,5
Raalte 11,5
Staphorst 12,7
Tubbergen 13,6
Urk 9,3
Wierden 12,2
Zwolle 11,2
Aalten 11,1
Apeldoorn 8,5
Arnhem 6
Barneveld 13,2
Beuningen 11,8
Brummen 11
Buren 13,3
Culemborg 6,8
Doesburg 11,8
Doetinchem 6,3
Druten 10,4
Duiven 8,4
Ede 7,6
Elburg 6,3
Epe 8,7
Ermelo 7,3
Harderwijk 10,6
Hattem 17,9
Heerde 14,8
Heumen 15,1
Lochem 8,5
Maasdriel 10,2
Nijkerk 9,9
Nijmegen 10,2
Oldebroek 7,5
Putten 12,2
Renkum 8,6
Rheden 8,7
Rozendaal 5,7
Scherpenzeel 14,5
Tiel 11,6
Voorst 12,8
Wageningen 8,3
Westervoort 6
Winterswijk 9,3
Wijchen 12,6
Zaltbommel 11,7
Zevenaar 6,7
Zutphen 8,1
Nunspeet 9,6
Dronten 5,6
Amersfoort 7,3
Baarn 12,5
De Bilt 12,4
Bunnik 10,3
Bunschoten 11,6
Eemnes 15,9
Houten 10,7
Leusden 7,2
Lopik 13,8
Montfoort 11,6
Renswoude 7,1
Rhenen 8,4
Soest 8,1
Utrecht (gemeente) 8,5
Veenendaal 9,9
Woudenberg 5
Wijk bij Duurstede 9,2
IJsselstein 10,8
Zeist 10,5
Nieuwegein 12,5
Aalsmeer 7,7
Alkmaar 8,4
Amstelveen 8
Amsterdam 11,3
Bergen (NH.) 9,4
Beverwijk 7,6
Blaricum 12,9
Bloemendaal 18,5
Castricum 7,7
Diemen 11,9
Edam-Volendam 6,6
Enkhuizen 14
Haarlem 10
Haarlemmermeer 10,9
Heemskerk 8,4
Heemstede 7,6
Heiloo 7
Den Helder 10,7
Hilversum 8,6
Hoorn 7,8
Huizen 9
Landsmeer 13
Laren (NH.) 11,3
Medemblik 5,9
Oostzaan 11,4
Opmeer 13,3
Ouder-Amstel 8,4
Purmerend 7,6
Schagen 9,2
Texel 10,2
Uitgeest 11,8
Uithoorn 11,3
Velsen 9,6
Weesp 7,2
Zandvoort 12,3
Zaanstad 8,1
Alblasserdam 14,4
Alphen aan den Rijn 6,6
Barendrecht 5,7
Drechterland 7,5
Brielle 8,5
Capelle aan den IJssel 5,7
Delft 5,6
Dordrecht 12,2
Gorinchem 15,4
Gouda 10
's-Gravenhage (gemeente) 9,3
Hardinxveld-Giessendam 9,2
Hellevoetsluis 7,1
Hendrik-Ido-Ambacht 9,8
Stede Broec 7,3
Hillegom 13
Katwijk 6,8
Krimpen aan den IJssel 8,8
Leiden 9,8
Leiderdorp 12
Lisse 12,2
Maassluis 4,1
Nieuwkoop 9,6
Noordwijk 11,7
Oegstgeest 7,8
Oudewater 5,9
Papendrecht 11,5
Ridderkerk 12,3
Rotterdam 10,4
Rijswijk (ZH.) 9,3
Schiedam 11,2
Sliedrecht 8,5
Albrandswaard 11,6
Westvoorne 11,4
Vlaardingen 9,7
Voorschoten 11,7
Waddinxveen 8,6
Wassenaar 6,6
Woerden 8,1
Zoetermeer 8,2
Zoeterwoude 15,1
Zwijndrecht 7,4
Borsele 5,3
Goes 7,4
West Maas en Waal 9,1
Hulst 7,3
Kapelle 7,7
Middelburg (Z.) 10
Reimerswaal 7,9
Terneuzen 10,6
Tholen 11,7
Veere 13,7
Vlissingen 10,8
De Ronde Venen 9,1
Tytsjerksteradiel 3,4
Asten 7,6
Baarle-Nassau 5,8
Bergen op Zoom 12,2
Best 10,1
Boekel 6,3
Boxtel 11,5
Breda 10,3
Deurne 7,4
Pekela 9
Dongen 12,5
Eersel 10,1
Eindhoven 9,8
Etten-Leur 8,8
Geertruidenberg 10
Gilze en Rijen 10,5
Goirle 13,8
Helmond 13,3
's-Hertogenbosch 10,1
Heusden 9,2
Hilvarenbeek 5,1
Loon op Zand 5
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 8
Oirschot 12,1
Oisterwijk 9,2
Oosterhout 9,7
Oss 8,9
Rucphen 12,9
Sint-Michielsgestel 11,4
Someren 9,6
Son en Breugel 13,5
Steenbergen 9
Waterland 9,2
Tilburg 4,6
Valkenswaard 13,4
Veldhoven 12,4
Vught 17
Waalre 17
Waalwijk 5,9
Woensdrecht 7,7
Zundert 14,8
Wormerland 11,6
Landgraaf 11,1
Beek (L.) 10,1
Beesel 1,5
Bergen (L.) 10,7
Brunssum 9
Gennep 11
Heerlen 11,2
Kerkrade 6,4
Maastricht 11,5
Meerssen 13,5
Mook en Middelaar 10
Nederweert 6,9
Roermond 5,1
Simpelveld 11,5
Stein (L.) 9,3
Vaals 14,8
Venlo 10,9
Venray 8,6
Voerendaal 4
Weert 11,9
Valkenburg aan de Geul 8,7
Lelystad 14,9
Horst aan de Maas 8,8
Oude IJsselstreek 7,6
Teylingen 6,1
Utrechtse Heuvelrug 8,2
Oost Gelre 6,1
Koggenland 7,8
Lansingerland 8,6
Leudal 7
Maasgouw 12,9
Gemert-Bakel 11,9
Halderberge 6,8
Heeze-Leende 9,1
Laarbeek 5,7
Reusel-De Mierden 6,8
Roerdalen 4,4
Roosendaal 8,9
Schouwen-Duiveland 11,4
Aa en Hunze 7
Borger-Odoorn 13,2
De Wolden 12,6
Noord-Beveland 9,1
Wijdemeren 2
Noordenveld 11,2
Twenterand 14,2
Westerveld 8,6
Lingewaard 8,7
Cranendonck 5,8
Steenwijkerland 11,6
Moerdijk 10,5
Echt-Susteren 7,2
Sluis 10,8
Drimmelen 9,5
Bernheze 9,8
Alphen-Chaam 14,4
Bergeijk 8,5
Bladel 7,2
Gulpen-Wittem 14,8
Tynaarlo 7
Midden-Drenthe 8
Overbetuwe 9,9
Hof van Twente 9,7
Neder-Betuwe 12
Rijssen-Holten 14,6
Geldrop-Mierlo 12,2
Olst-Wijhe 16,2
Dinkelland 10,9
Westland 7,3
Midden-Delfland 10,8
Berkelland 8,7
Bronckhorst 6,4
Sittard-Geleen 8,2
Kaag en Braassem 10,4
Dantumadiel 9,5
Zuidplas 9,8
Peel en Maas 8,1
Oldambt 5,2
Zwartewaterland 13,5
S�dwest-Frysl�n 9,1
Bodegraven-Reeuwijk 12,3
Eijsden-Margraten 10,4
Stichtse Vecht 10,4
Hollands Kroon 12,3
Leidschendam-Voorburg 8,2
Goeree-Overflakkee 8
Pijnacker-Nootdorp 9,2
Nissewaard 10,3
Krimpenerwaard 8,2
De Fryske Marren 6,2
Gooise Meren 10,4
Berg en Dal 11,2
Meierijstad 9,3
Waadhoeke 7,8
Westerwolde 19,2
Midden-Groningen 12
Beekdaelen 10,9
Montferland 9,4
Altena 9,6
West Betuwe 10,8
Vijfheerenlanden 9
Hoeksche Waard 11,6
Het Hogeland 11
Westerkwartier 10,3
Noardeast-Frysl�n 9
Molenlanden 15,7
Eemsdelta 7,3
3.6.4 Aantal statushouders 2020 per 10 000 inwoners van de gemeentelijke bevolking, 24 maanden na verlaten COA-opvang
GemNaam 20_24
Groningen (gemeente) 8,1
Dijk en Waard 6,3
Maashorst 6
Land van Cuijk 10,6
Almere 6,8
Stadskanaal 8,2
Veendam 9,5
Zeewolde 5,6
Achtkarspelen 3,9
Ameland 0,0001
Harlingen 10,7
Heerenveen 11,2
Leeuwarden 8
Ooststellingwerf 5,1
Opsterland 5,4
Schiermonnikoog 0,0001
Smallingerland 7,9
Terschelling 0,0001
Vlieland 0,0001
Weststellingwerf 12,9
Assen 4,6
Coevorden 11,3
Emmen 10,7
Hoogeveen 10,2
Meppel 8,9
Almelo 10,5
Borne 12,1
Dalfsen 10,6
Deventer 6
Enschede 10
Haaksbergen 8,7
Hardenberg 9,4
Hellendoorn 9,7
Hengelo (O.) 9,8
Kampen 3,1
Losser 8,7
Noordoostpolder 9,6
Oldenzaal 8,5
Ommen 7,6
Raalte 7,1
Staphorst 9,3
Tubbergen 9,8
Urk 5,6
Wierden 6,5
Zwolle 10,5
Aalten 8,1
Apeldoorn 7,1
Arnhem 5,3
Barneveld 10,9
Beuningen 10,3
Brummen 10,5
Buren 8,1
Culemborg 6,5
Doesburg 11,8
Doetinchem 5
Druten 6,8
Duiven 7,2
Ede 7,3
Elburg 7,2
Epe 5,1
Ermelo 5,9
Harderwijk 8,2
Hattem 13
Heerde 12,6
Heumen 12,8
Lochem 6,2
Maasdriel 8,6
Nijkerk 8,4
Nijmegen 9,9
Oldebroek 7,1
Putten 11,8
Renkum 8
Rheden 7,6
Rozendaal 5,7
Scherpenzeel 7,8
Tiel 11,6
Voorst 10,8
Wageningen 6,8
Westervoort 3,3
Winterswijk 8,2
Wijchen 11,1
Zaltbommel 8
Zevenaar 5,8
Zutphen 7,7
Nunspeet 9,2
Dronten 3
Amersfoort 5,9
Baarn 12,5
De Bilt 9,9
Bunnik 10,9
Bunschoten 6,7
Eemnes 15,9
Houten 9,5
Leusden 5,5
Lopik 12,4
Montfoort 10,1
Renswoude 0,0001
Rhenen 6,9
Soest 6,4
Utrecht (gemeente) 8
Veenendaal 8,6
Woudenberg 2,9
Wijk bij Duurstede 9,2
IJsselstein 8,1
Zeist 8
Nieuwegein 10,8
Aalsmeer 6,8
Alkmaar 6,9
Amstelveen 8,3
Amsterdam 10,7
Bergen (NH.) 6,4
Beverwijk 8,6
Blaricum 9,7
Bloemendaal 14,7
Castricum 5
Diemen 10,7
Edam-Volendam 4,7
Enkhuizen 11,8
Haarlem 8,3
Haarlemmermeer 8,6
Heemskerk 8,4
Heemstede 6,5
Heiloo 6,6
Den Helder 8,5
Hilversum 8,5
Hoorn 6,9
Huizen 8,1
Landsmeer 12,1
Laren (NH.) 10,4
Medemblik 5,1
Oostzaan 7,3
Opmeer 11,6
Ouder-Amstel 9,1
Purmerend 6,2
Schagen 8,5
Texel 9,5
Uitgeest 9,6
Uithoorn 11,3
Velsen 7,9
Weesp 6,3
Zandvoort 8,8
Zaanstad 7,6
Alblasserdam 12,9
Alphen aan den Rijn 5,8
Barendrecht 4,1
Drechterland 5
Brielle 7,9
Capelle aan den IJssel 7,4
Delft 5,1
Dordrecht 11
Gorinchem 14,1
Gouda 10
's-Gravenhage (gemeente) 8,2
Hardinxveld-Giessendam 8,6
Hellevoetsluis 6,7
Hendrik-Ido-Ambacht 9,8
Stede Broec 6,8
Hillegom 12,1
Katwijk 6,1
Krimpen aan den IJssel 8,8
Leiden 8,6
Leiderdorp 10,6
Lisse 12,2
Maassluis 3,5
Nieuwkoop 8,9
Noordwijk 11
Oegstgeest 7,1
Oudewater 3,9
Papendrecht 11,2
Ridderkerk 9,8
Rotterdam 10,3
Rijswijk (ZH.) 8,1
Schiedam 10,5
Sliedrecht 9,7
Albrandswaard 8,9
Westvoorne 9,4
Vlaardingen 9,3
Voorschoten 10,1
Waddinxveen 7
Wassenaar 5,9
Woerden 6,2
Zoetermeer 8,1
Zoeterwoude 14
Zwijndrecht 7,6
Borsele 4,8
Goes 6,4
West Maas en Waal 8,1
Hulst 5,8
Kapelle 7,7
Middelburg (Z.) 9,1
Reimerswaal 7
Terneuzen 10,5
Tholen 11,4
Veere 6,9
Vlissingen 10,1
De Ronde Venen 7,3
Tytsjerksteradiel 3,1
Asten 5,9
Baarle-Nassau 7,2
Bergen op Zoom 11,6
Best 7,8
Boekel 4,5
Boxtel 8,5
Breda 9,1
Deurne 8
Pekela 8,2
Dongen 9,8
Eersel 8,6
Eindhoven 9,6
Etten-Leur 6,3
Geertruidenberg 9,1
Gilze en Rijen 7,5
Goirle 7,5
Helmond 12,4
's-Hertogenbosch 9,8
Heusden 7,9
Hilvarenbeek 3,2
Loon op Zand 3,8
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 7,1
Oirschot 9,4
Oisterwijk 8,3
Oosterhout 8,3
Oss 7,7
Rucphen 12
Sint-Michielsgestel 8,7
Someren 9,6
Son en Breugel 11,8
Steenbergen 8,6
Waterland 8,1
Tilburg 5,3
Valkenswaard 11,5
Veldhoven 10,9
Vught 14,2
Waalre 12,5
Waalwijk 6,1
Woensdrecht 7,7
Zundert 15,7
Wormerland 10,4
Landgraaf 10
Beek (L.) 7
Beesel 0,7
Bergen (L.) 9,2
Brunssum 4,7
Gennep 9,3
Heerlen 9,3
Kerkrade 6
Maastricht 10,1
Meerssen 9,7
Mook en Middelaar 8,8
Nederweert 6,3
Roermond 4,7
Simpelveld 10,6
Stein (L.) 8,5
Vaals 11,8
Venlo 9,9
Venray 8,9
Voerendaal 2,4
Weert 9,1
Valkenburg aan de Geul 7,4
Lelystad 12,6
Horst aan de Maas 8,1
Oude IJsselstreek 6,3
Teylingen 5,8
Utrechtse Heuvelrug 5,4
Oost Gelre 4,7
Koggenland 6,9
Lansingerland 6,7
Leudal 5,3
Maasgouw 11,7
Gemert-Bakel 10
Halderberge 7,8
Heeze-Leende 7,9
Laarbeek 6,1
Reusel-De Mierden 4,5
Roerdalen 0,5
Roosendaal 8,2
Schouwen-Duiveland 9,4
Aa en Hunze 5,1
Borger-Odoorn 8,2
De Wolden 11
Noord-Beveland 6,5
Wijdemeren 2
Noordenveld 9,3
Twenterand 10,1
Westerveld 5
Lingewaard 6,6
Cranendonck 4,4
Steenwijkerland 9,2
Moerdijk 9,6
Echt-Susteren 6
Sluis 10,4
Drimmelen 5,8
Bernheze 9,8
Alphen-Chaam 14,4
Bergeijk 6,9
Bladel 2,9
Gulpen-Wittem 8,5
Tynaarlo 4,1
Midden-Drenthe 5
Overbetuwe 7,5
Hof van Twente 6,6
Neder-Betuwe 8,4
Rijssen-Holten 11,5
Geldrop-Mierlo 9,5
Olst-Wijhe 11,9
Dinkelland 10,2
Westland 5,4
Midden-Delfland 10,3
Berkelland 7,3
Bronckhorst 6,1
Sittard-Geleen 6,8
Kaag en Braassem 9,7
Dantumadiel 6,9
Zuidplas 9,6
Peel en Maas 6,8
Oldambt 3,6
Zwartewaterland 6,1
S�dwest-Frysl�n 7,9
Bodegraven-Reeuwijk 11,2
Eijsden-Margraten 8,1
Stichtse Vecht 8,1
Hollands Kroon 12,3
Leidschendam-Voorburg 6,4
Goeree-Overflakkee 7,2
Pijnacker-Nootdorp 7,8
Nissewaard 9,7
Krimpenerwaard 7,2
De Fryske Marren 5
Gooise Meren 9,3
Berg en Dal 8,3
Meierijstad 9
Waadhoeke 7,1
Westerwolde 6,4
Midden-Groningen 10,2
Beekdaelen 9,5
Montferland 9,4
Altena 8,9
West Betuwe 7,9
Vijfheerenlanden 7,8
Hoeksche Waard 11,5
Het Hogeland 10,6
Westerkwartier 9,3
Noardeast-Frysl�n 6,4
Molenlanden 15,7
Eemsdelta 6,4

Statushouders wonen in de loop van de tijd stedelijker

Statushouders gaan naarmate ze langer in Nederland verblijven steeds iets stedelijker wonen. Van het cohort 2014 woonde na twee maanden 53 procent in sterk of zeer sterk stedelijk gebied, na 96 maanden is dat toegenomen tot 60 procent. Voor cohort 2015 zien we een vergelijkbare toename: van 55 procent na twee maanden naar 62 procent na 84 maanden. Ook de vergunningscohorten 2016 t/m 2020 zijn in de loop der tijd iets stedelijker gaan wonen. Overigens betekent deze stijging in het stedelijker wonen niet per definitie dat de statushouders ook daadwerkelijk naar een sterk of zeer sterk stedelijk gebied zijn verhuisd. Door gemeentelijke herindelingen kan een gemeente na verloop van tijd in een andere categorie vallen waardoor de inwoners van die gemeente ‘automatisch’ in een ander stedelijkheidsgebied terecht komen. Ter vergelijking: van alle Nederlanders woonde in 2023 67 procent in sterk of zeer sterk verstedelijkt gebied.

3.6.5 Aandeel statushouders dat (zeer) sterk stedelijk woont, naar vergunningscohort en aantal maanden na verlaten COA-opvang (%)
Vergunningscohort 2 12 24 36 48 60 72 84 96
2014 53,2 54,0 54,8 56,6 57,7 58,6 59,5 60,3 60,2
2015 55,0 56,2 57,4 58,3 59,2 59,9 60,5 61,5 .
2016 54,9 56,0 57,2 58,3 59,1 59,8 60,1 . .
2017 53,1 54,4 55,3 56,2 57,1 58,1 . . .
2018 53,8 54,6 55,7 56,8 57,6 . . . .
2019 56,4 57,3 58,2 58,7 . . . . .
2020 54,9 55,6 57,0 . . . . . .
2021 53,7 54,0 . . . . . . .
2022* 55,1 . . . . . . . .
* Voorlopige cijfers

Statushouders wonen vooral in huurwoningen

De statushouders die in de periode 2014 tot en met eerste helft 2023 een verblijfsvergunning ontvingen (244 duizend) vormden op 1 juli 2023 89 duizend huishoudens. Van het cohort 2014 woont op 1 juli 2023 het overgrote deel (94 procent) van de huishoudens in een huurwoning. Ongeveer 4 procent van de huishoudens woont in een eigen woning. Van een klein deel van de huishoudens is het eigendom van de woning onbekend. Ter vergelijking: 42 procent van de bewoonde woningen in Nederland betreft in 2023 een huurwoning, 58 procent een eigen woning.noot9 Voor de oudere vergunningscohorten is een lichte stijging te zien in het aandeel huishoudens dat in een eigen woning woont, dit geldt met name voor statushouders met een Afghaanse, Iraanse of Iraakse nationaliteit. Afgezien van de Turken (waarbij de kleine aantallen een vertekend beeld geven) vinden we onder Iraniërs en Afghanen sowieso in alle cohorten het hoogste aandeel huishoudens dat in een koopwoning woont. Op 1 juli 2023 was dit voor het cohort 2014 ongeveer 8 en 11 procent respectievelijk.

3.6.6 Aandeel huishoudens in eigen woning voor vergunningscohort 2014 (%)
Categorie Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije** Overig/onbekend
2015 0,6 1,7 2,6 0 1,1 . 1,1
2016 0,5 0,8 3,3 0,2 2 . 1,2
2017 0,5 1 3,1 0,2 2 . 1,6
2018 1 2 3,6 0,4 2,3 . 1,6
2019 1,5 3,2 3,9 0,5 2,4 . 2,3
2020 2 3,9 6,8 0,6 4,4 . 2,9
2021 2,9 5,5 6,9 0,8 6,1 . 3,4
2022* 3,8 6,4 8,5 1 8,3 . 4,4
Eerste helft 2023* 4,7 6,7 10,5 1,4 7,9 . 5
* Voorlopige cijfers
** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije een vertekend beeld. Deze nationaliteit is daarom in deze figuur weggelaten. In het dashboard vindt u wel de cijfers voor Turkije.

3.7Huishoudenssamenstelling

Steeds meer statushouders thuiswonend kind, aantal alleenstaanden neemt af

De figuur laat zien dat de jongere vergunningscohorten (vanaf 2016) voor een steeds groter deel bestaan uit met name thuiswonende kinderen. Van het vergunningscohort 2014, gemeten in de eerste maand buiten de asielopvang, is 28 procent een thuiswonend kind. Van het vergunningscohort 2023 (de eerste helft) is dit met 57 procent twee keer zo hoog. Het aandeel alleenstaanden neemt steeds verder af. Van de mensen die in 2014 een verblijfsvergunning krijgen, is 39 procent alleenstaand op het moment dat zij worden gehuisvest in een gemeente. Op het moment dat statushouders uit 2017, 2018 of 2019 worden gehuisvest in een gemeente (en zij dus uit de COA opvanglocatie vertrekken), is 13 tot 18 procent alleenstaand. Voor vergunningscohort 2020 neemt het aandeel alleenstaanden tijdelijk wat toe tot 26 procent om vervolgens weer sterk af te nemen tot 10 procent voor statushouders uit de eerste helft van 2023.

3.7.1 Plaats in het huishouden van personen met verblijfsvergunning asiel, op moment van huisvesting in gemeente (eerste maand buiten asielopvang), naar vergunningscohort
Categorie Alleenstaande Thuiswonend kind Partner in paar met kinderen Partner in paar zonder kinderen Ouder in eenouderhuishouden Overig lid huishouden
Eerste helft 2023* 430 2310 675 330 65 240
2022* 5335 10975 5280 1380 600 1315
2021 5190 11815 5670 1590 790 1125
2020 4485 7095 3290 920 605 610
2019 2660 7695 2765 775 455 720
2018 2160 7995 3065 995 620 815
2017 3555 13230 6880 1520 845 1795
2016 10090 12665 6385 2570 1235 2505
2015 9880 10335 5820 2245 835 2285
2014 7470 5385 3425 1210 540 1295
* Voorlopige cijfers

3.8Onderwijs

Steeds meer statushouders volgen onderwijs

Van alle statushouders die in 2014 hun vergunning kregen, volgt 29 procent onderwijs op 1 oktober 2015. Drie jaar later (op 1 oktober 2018) volgt 41 procent van hen onderwijs. Dit percentage daalt daarna naar 38 procent in 2023. Van de statushouders die in 2015 een vergunning kregen volgt 45 procent op 1 oktober 2023 onderwijs en voor degenen die in 2016 een vergunning kregen is dit 46 procent. Voor het cohort 2017 is dit 54 procent, voor het cohort 2018 57 procent, voor het cohort 2019 55 procent, voor het cohort 2020 33 procent en voor het cohort 2021 is dit 40 procent. Een interessant gegeven is dat niet-leerplichtige jongeren vanaf 18 jaar vaker onderwijs volgen naarmate ze langer in Nederland zijn. Voor het cohort 2014 is dit 6 procent op 1 oktober 2015 oplopend tot 22 procent in 2018 en 26 procent in 2023. Zij volgen vaak een opleiding binnen het middelbaar beroepsonderwijs.

Hoge onderwijsdeelname voor recente cohorten amv’s

Onder de amv’s laten de diverse cohorten steeds hogere percentages onderwijsvolgenden zien op 1 oktober 2023. Zo volgde 45 procent van alle amv’s die in 2014 hun vergunning kregen op 1 oktober 2023 onderwijs (7 procentpunten meer dan de totale groep statushouders). Voor de cohorten na 2014 loopt het percentage onderwijsvolgenden op 1 oktober 2023 voor amv’s geleidelijk op naar 82 procent voor cohort 2020 en daalt het iets onder 80 procent voor cohort 2021 en cohort 2022.

3.8.1 Onderwijspositie op 1 oktober 2023* van personen met verblijfsvergunning asiel verkregen in 2019, naar onderwijssoort en leeftijd
Categorie 1 Geen onderwijs Primair onderwijs Voortgezet onderwijs Mbo Hbo Wo Vertrokken/overleden
5 t/m 11 jaar 65 1930 5 0 0 0 20
12 t/m 17 jaar 15 280 1080 190 0 0 15
18 t/m 22 jaar 240 15 150 1140 50 20 35
23 jaar en ouder 6095 0 10 660 140 60 145
* voorlopige cijfers

Toename mbo gestopt, stijging deelname aan hbo en wo

Er zijn 2 365 personen die in cohort 2014 een verblijfsvergunning ontvingen en een onderwijsniveau vanaf voorgezet onderwijs hadden in 2015. Dit aantal stijgt tot 5 045 in 2023, wat waarschijnlijk kan worden verklaard doordat meer kinderen in dit cohort de brugklasleeftijd hebben bereikt. In de meest recente jaren zien we inderdaad een stijging van het aandeel personen dat een brugklas of internationale schakelklas volgt. Naarmate statushouders langer in Nederland zijn, volgen zij vooral onderwijs op het niveau van middelbaar beroepsonderwijs. Waar er van de onderwijsvolgende personen (vanaf het niveau voorgezet onderwijs) die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen ongeveer 285 personen (12 procent) mbo volgen in 2015, zijn dat er in 2018 ongeveer 2 410 (55 procent). Dit blijft stabiel tot in 2023, waar dit percentage 51 procent (2 590 personen) is. Er is daarnaast een stijging te zien van deelname aan hbo en wo (van 2 procent in 2015, naar 10 procent in de periode tussen 2018 en 2023).

3.8.2 Onderwijsniveau vanaf voortgezet onderwijs op 1 oktober 2015 tot en met 1 oktober 2023 van personen met verblijfsvergunning asiel verkregen in 2014
Categorie Brugklas/internationale schakelklas Praktijkonderwijs Vmbo Havo/vwo Vavo Mbo Hbo Wo
2015 1525 35 315 85 70 285 30 20
2016 780 175 515 155 130 1010 105 70
2017 250 295 620 225 110 1965 230 125
2018 115 305 705 330 60 2410 285 140
2019 80 285 740 415 45 2275 320 125
2020 85 240 745 550 25 2160 355 125
2021 115 195 760 660 30 2010 355 140
2022* 325 155 655 710 40 2350 350 135
2023* 585 135 515 675 65 2590 355 125
* voorlopige cijfers

Meerderheid van amv’s volgt mbo-opleiding, en amv’s vinden steeds vaker de weg naar hbo en wo

De overgrote meerderheid van de amv’s stroomt uiteindelijk uit naar het middelbaar beroepsonderwijs. Van alle onderwijsvolgende amv’s uit cohort 2014 volgt 72 procent op 1 oktober 2017 een mbo-opleiding, in 2023 is dat percentage gestegen naar 84 procent. Ook steeds meer amv’s volgen een hbo- of wo-opleiding. Van de amv’s die in 2014 een verblijfsvergunning kregen volgde 8 procent op 1 oktober 2023 een opleiding op hbo- of wo-niveau, op 1 oktober 2017 was dat 2 procent.

Steeds hoger mbo-niveau

Met betrekking tot het niveau van de mbo-opleiding volgen statushouders in de eerste jaren met name niveau 1 (70 procent van de statushouders van het cohort 2017 die mbo volgen in 2018), maar dat verandert geleidelijk naar niveau 2. In oktober 2021 en 2022 volgen er meer statushouders niveau 2 dan niveau 1. Ook de andere niveaus (3 en 4) nemen in aandeel toe, zij het niet zo hard als niveau 2. Meer dan een kwart van de statushouders van cohort 2017 volgt op 1 oktober 2023 een mbo-opleiding op niveau 4. Relatief gezien volgen veel statushouders uit Eritrea een mbo-opleiding (65 procent van alle onderwijsvolgende Eritrese (cohort 2017) statushouders in 2023), veelal wel op niveau 1 en 2. Dat heeft te maken met de leeftijdsverdeling van de statushouders: er zijn relatief veel Eritrese statushouders in de leeftijd van 18 tot 23 jaar. Iraanse statushouders daarentegen volgen vaker een mbo-opleiding op niveau 3 of 4. Zo deed 42 procent van de Iraanse statushouders van cohort 2017 op 1 oktober 2023 die mbo volgden dit op niveau 4, 14 procentpunten meer dan het aandeel voor alle statushouders uit dit cohort.

3.8.3 Mbo-niveau vanaf 1 oktober 2015 tot en met 1 oktober 2023* van personen met een verblijfsvergunning asiel verkregen in 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018
Categorie 1 Categorie 2 MBO-1 MBO-2 MBO-3 MBO-4
2014 '15, 2014 195 60 15 20
2014 '16, 2014 715 200 45 50
2014 '17, 2014 1130 570 115 150
2014 '18, 2014 870 1015 230 300
2014 '19, 2014 505 1015 305 450
2014 '20, 2014 285 915 350 610
2014 '21, 2014 235 750 355 670
2014 '22, 2014 290 800 425 840
2014 '23, 2014 295 860 475 960
2014 , 2014 . . . .
2015 '16, 2015 215 45 5 20
2015 '17, 2015 1305 275 60 125
2015 '18, 2015 1900 1110 220 395
2015 '19, 2015 1385 1765 345 680
2015 '20, 2015 825 1810 490 1000
2015 '21, 2015 525 1600 595 1225
2015 '22, 2015 585 1715 720 1560
2015 '23, 2015 610 1810 815 1800
2015 , 2015 . . . .
2016 '17, 2016 470 75 20 30
2016 '18, 2016 1710 580 135 220
2016 '19, 2016 1825 1525 290 510
2016 '20, 2016 1165 2000 445 830
2016 '21, 2016 695 1875 595 1185
2016 '22, 2016 715 2010 830 1560
2016 '23, 2016 730 2065 980 1855
2016 , 2016 . . . .
2017 '18, 2017 335 90 15 40
2017 '19, 2017 1280 410 90 170
2017 '20, 2017 1260 1095 170 355
2017 '21, 2017 850 1435 290 585
2017 '22, 2017 850 1600 460 935
2017 '23, 2017 815 1720 585 1235
2017 , 2017 . . . .
2018 '19, 2018 185 60 10 10
2018 '20, 2018 645 255 45 80
2018 '21, 2018 665 545 75 190
2018 '22, 2018 555 845 155 315
2018 '23, 2018 490 940 240 450
* voorlopige cijfers

Ook amv’s volgen steeds vaker een hoger mbo-niveau

Evenals voor de totale groep statushouders geldt ook voor amv’s dat zij uiteindelijk vaker een mbo-opleiding op niveau 2 volgen dan op niveau 1. Het aandeel amv’s dat niveau 2 volgt op 1 oktober 2023 ligt voor cohort 2017 op 49 procent, bijna 10 procentpunten hoger dan voor de totale groep statushouders. Aan de andere kant volgen amv’s wat minder vaak een mbo-opleiding op niveau 4: 17 procent om 28 procent.

3.9Inburgering

44 procent van cohort 2014 heeft inburgeringsexamen behaald, 97 procent van de uiteindelijk inburgeringsplichtigen in dat cohort

Figuur 3.9.1 laat per nationaliteitnoot10 zien hoe het met de inburgeringsplicht staat op 1 oktober 2023, voor iedereen die in 2014 een vergunning ontving. De meeste personen die een verblijfsvergunning asiel ontvangen en tussen de 18 en 65 jaar oud zijn, zijn inburgeringsplichtig. Van de bijna 20 duizend personen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen was 29 procent niet-inburgeringsplichtig. De groep niet-inburgeringsplichtigen betreft vrijwel altijd kinderen tot 18 jaar of personen die 65 jaar of ouder zijn: zij zijn uitgesloten van de inburgeringsplicht. Ook is het mogelijk voor een statushouder om een ontheffing te krijgen wanneer hij of zij een psychische of lichamelijke beperking of een verstandelijke handicap heeft. Ook als de inburgeraar aangetoond heeft zich voldoende ingespannen te hebben om aan de inburgeringsvereiste te voldoen, is ontheffing van de inburgeringsplicht mogelijk. Voor 19 procent van de statushouders van cohort 2014 geldt dat zij een dergelijke ontheffing hebben. Verder geldt voor dit cohort dat 44 procent het inburgeringsexamen heeft behaald. Dit is 97 procent van de groep die inburgeringsplichtig is, geen ontheffing heeft en niet vertrokken of overleden is. Slechts een klein deel van de statushouders uit het cohort 2014 heeft in oktober 2023 het inburgeringsexamen nog niet gehaald: dit gaat om 140 mensen, of 0,7 procent van alle mensen in het totale vergunningscohort van 2014. Deze personen hebben een overschrijding en krijgen een boete. In totaal 125 statushouders (0,6 procent) van het totale vergunningscohort 2014 hebben nog niet voldaan aan de inburgeringsplicht, maar hebben ook (nog) geen overschrijding. Zij kregen een verlenging van de inburgeringstermijn. Een statushouder kan een verlenging krijgen, bijvoorbeeld wanneer iemand bezig is met een alfabetiseringscursus, bij zwangerschap of als de aanmelding van het examen is vertraagd. Ongeveer 48 procent van de personen die op 1 oktober 2023 nog moesten voldoen aan hun inburgeringsplicht hebben een verlenging gekregen.

3.9.1 Inburgeringsstatus van personen met verblijfsvergunning asiel verkregen in 2014, gemeten oktober 2023*
Categorie Examen behaald (NT2 of WI) of vrijstelling Ontheffing Inburgeringsplichtig met overschrijding (en nog geen examen behaald) Niet inburgeringsplichtig, incl. (uiteindelijk) vervallen Vertrokken (tijdelijk geen adres)/overleden
Syrië 4690 1760 30 3405 535
Irak 210 160 5 275 50
Afghanistan 245 95 0 200 50
Eritrea 2185 1095 70 380 185
Iran 250 60 5 75 30
Turkije** . . . . .
Overig/onbekend 1055 525 30 1360 470
* Voorlopige cijfers
** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije een vertekend beeld. Deze nationaliteit is daarom in deze figuur weggelaten. In het dashboard vindt u wel de cijfers voor Turkije.

Vrijwel alle inburgeringsplichtigen van cohort 2014 hebben voldaan aan de inburgeringsplicht

Wanneer alleen wordt gekeken naar inburgeringsplichtigen (inclusief mensen met ontheffing of vrijstelling), dan heeft 69 procent van de bijna 13 duizend inburgeringsplichtigen van het vergunningscohort 2014 in oktober 2023 het inburgeringsexamen behaald of een vrijstelling gekregen. Een vrijstelling kun je bijvoorbeeld krijgen als je een Nederlands diploma hebt van de universiteit, hbo, mbo (vanaf niveau 2), vwo, havo, mavo of vmbo. Daarnaast heeft 29 procent een ontheffing, 1 procent heeft het examen nog niet gehaald (maar heeft nog wel tijd om dat alsnog te doen) en 1 procent van de inburgeringsplichtigen heeft het examen nog niet gehaald en daarmee de inburgeringstermijn overschreden. Voor de recentere cohorten liggen de cijfers met geslaagden logischerwijs lager: 69 procent van het vergunningscohort van 2015 en 65 procent van het vergunningscohort van 2016, 56 procent van het vergunningscohort van 2017, 53 procent van het cohort van 2018, 45 procent van cohort 2019. 19 procent van het cohort van 2020 en 7 procent van het cohort 2021 heeft in oktober 2023 het inburgeringsexamen gehaald (inclusief vrijstellingen) of een ontheffing gekregen. Dit komt uiteraard doordat de recentere cohorten minder tijd hebben gehad om het examen te halen. Voor de personen uit de meest recente cohorten is de inburgeringstermijn in oktober 2023 ook nog niet overschreden. Onderscheiden naar nationaliteit van de inburgeringsplichtigen blijkt dat er flinke verschillen zijn in het aandeel dat het inburgeringsexamen heeft behaald. Ongeveer 79 procent van de Iraniërs van cohort 2014 heeft in oktober 2023 het inburgeringsexamen behaald, vergelijkbaar met Syriërs en Afghanen (respectievelijk 72 en 71 procent). Aan de andere kant van het spectrum zien we Irakezen van wie 56 procent van cohort 2014 het inburgeringsexamen heeft behaald (exclusief ontheffingen). Daarbij moet worden opgemerkt dat 42 procent van deze groep een ontheffing heeft.

3.9.2a Inburgeringsplichtigen die aan hun inburgeringsplicht hebben voldaan, per vergunningscohort (2014, 2015 en 2016) (%)
Examen behaald (of vrijstelling) Ontheffing
Cohort 2014 . .
1 okt. 2015 0,9 0
1 okt. 2016 6,9 0,4
1 okt. 2017 35,4 4,6
1 okt. 2018 61,8 16,7
1 okt. 2019 67 26,1
1 okt. 2020 67,5 27,5
1 okt. 2021 68 28,2
1 okt. 2022* 68,2 29
1 okt. 2023* 68,6 29,3
Cohort 2015 . .
1 okt. 2016 0,1 0
1 okt. 2017 2,1 0,3
1 okt. 2018 25,8 4,4
1 okt. 2019 57,7 19,6
1 okt. 2020 64,7 24,7
1 okt. 2021 66,9 26,7
1 okt. 2022* 68,5 27,6
1 okt. 2023* 69 28,3
Cohort 2016 . .
1 okt. 2017 0,3 0,1
1 okt. 2018 6,1 0,4
1 okt. 2019 37,2 11
1 okt. 2020 55,1 23,2
1 okt. 2021 60,7 29
1 okt. 2022* 63,6 31,1
1 okt. 2023* 64,5 32,1
*Voorlopige cijfers
3.9.2b Inburgeringsplichtigen die aan hun inburgeringsplicht hebben voldaan, per vergunningscohort (2017, 2018, 2019, 2020) (%)
Examen behaald (of vrijstelling) Ontheffing
Cohort 2017 . .
1 okt. 2018 0,7 0,10
1 okt. 2019 7,9 0,80
1 okt. 2020 26,1 9,60
1 okt. 2021 42,3 24,80
1 okt. 2022* 53,5 34,80
1 okt. 2023* 56,0 37,90
Cohort 2018 . .
1 okt. 2019 0,70 0,40
1 okt. 2020 4,40 0,70
1 okt. 2021 18,60 7,70
1 okt. 2022* 43,50 24,10
1 okt. 2023* 53,00 35,50
Cohort 2019 . .
1 okt. 2020 0,4 0,1
1 okt. 2021 4,1 0,3
1 okt. 2022* 18,8 5,3
1 okt. 2023* 45,2 22,7
Cohort 2020 . .
1 okt. 2021 0,7 0,1
1 okt. 2022* 4,4 0,2
1 okt. 2023* 19,4 4,9
*Voorlopige cijfers

Taalniveau vooral A2, met name bij Eritreeërs

Bij het volgen van een inburgeringscursus leren statushouders Nederlands begrijpen, spreken en schrijven op tenminste taalniveau A2. Met dit taalniveau kunnen mensen zich in het dagelijkse leven redden. Statushouders kunnen ook op een hoger taalniveau inburgeren, wanneer zij bijvoorbeeld na hun inburgering willen studeren of werken. Niveau B1 is voor mensen die willen werken of studeren op mbo 3‑niveau of mbo 4‑niveau. Niveau B2 is voor mensen die willen werken of studeren op hbo- of universitair niveau.noot11 Het overgrote deel (92 procent) van de statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning heeft gekregen en hun inburgeringsexamen heeft behaald (gemeten op 1 oktober 2023), deed dat op taalniveau A2, 4 procent deed dat op taalniveau B1 en de resterende 4 procent op taalniveau B2. Onderscheiden naar nationaliteitnoot12 is onder personen met een Syrische en Iraanse nationaliteit van cohort 2014 het aandeel met een B2 taalniveau (respectievelijk 5 en 8 procent) relatief hoog, bij de overige hier apart genoemde nationaliteiten blijft dit percentage steken op 1 à 3. Bijna alle personen met een Eritrese nationaliteit behalen het inburgeringsexamen op A2 taalniveau; slechts 2 procent haalt B1 of B2, veel minder dan de andere nationaliteiten. Van de cohorten 2015, 2016 en 2017 zijn de aandelen statushouders die een A2 niveau halen vergelijkbaar met die van het 2014 cohort. Een iets kleiner deel van cohort 2018 heeft A2 niveau, namelijk 89 procent. Dit komt vooral omdat minder Syriërs en Iraniërs taalniveau A2 hebben (respectievelijk 88 procent en 82 procent).

Op 1 januari 2022 is de nieuwe Wet inburgering 2021 ingegaan. Doelstelling van deze wet is dat inburgeringsplichtigen zo snel mogelijk meedoen aan de Nederlandse maatschappij. Er zijn drie nieuwe leerroutes om in te burgeren. Bij twee van deze routes leren inburgeringsplichtingen de Nederlandse taal op minimaal niveau B1.noot13 In dit onderzoek zijn voor de inburgeraars die onder deze nieuwe wet vallen (cohort 2022 en verder) momenteel nog geen gegevens beschikbaar. In de toekomst zullen deze wel worden toegevoegd.

3.9.3 Taalniveau op 1 oktober 2023* van personen met verblijfsvergunning asiel verkregen in 2014, 2015, 2016, 2017 of 2018 naar nationaliteit
Categorie Categorie Niveau A2 Niveau B1 Niveau B2
Syrië '14, Syrië 4180 205 250
Syrië '15, Syrië 8450 340 445
Syrië '16, Syrië 10100 325 455
Syrië '17, Syrië 4340 205 200
Syrië '18, Syrië 1495 85 120
Irak '14, Irak 180 10 5
Irak '15, Irak 155 5 5
Irak '16, Irak 410 5 5
Irak '17, Irak 365 5 5
Irak '18, Irak 125 5 5
Afghanistan '14, Afghanistan 185 20 5
Afghanistan '15, Afghanistan 170 10 5
Afghanistan '16, Afghanistan 235 10 5
Afghanistan '17, Afghanistan 350 15 10
Afghanistan '18, Afghanistan 205 5 10
Eritrea '14, Eritrea 2075 30 15
Eritrea '15, Eritrea 2865 40 10
Eritrea '16, Eritrea 1815 25 10
Eritrea '17, Eritrea 1080 10 10
Eritrea '18, Eritrea 570 10 5
Iran '14, Iran 200 20 20
Iran '15, Iran 240 10 20
Iran '16, Iran 365 15 15
Iran '17, Iran 580 40 40
Iran '18, Iran 285 25 35
Turkije** '14, Turkije** . . .
Turkije** '15, Turkije** . . .
Turkije** '16, Turkije** . . .
Turkije** '17, Turkije** . . .
Turkije** '18, Turkije** . . .
Overig '14, Overig 900 55 40
Overig '15, Overig 1055 45 30
Overig '16, Overig 805 20 20
Overig '17, Overig 910 30 45
Overig '18, Overig 770 45 50
* Voorlopige cijfers
** Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije een vertekend beeld. Deze nationaliteit is daarom in deze figuur weggelaten. In het dashboard vindt u wel de cijfers voor Turkije.

Naturalisaties nemen toe

Wanneer statushouders vijf jaar in Nederland verblijven met een geldige verblijfsvergunning en voldaan hebben aan hun inburgeringsexamen, kunnen zij, onder voorwaardennoot14, het Nederlanderschap aanvragen. Het vergunningscohort 2014 kunnen we inmiddels 102 maanden (acht-en-een-half jaar) volgen. De figuur laat zien dat een aanzienlijk deel van de statushouders inmiddels is genaturaliseerd. Van de Syriërs die in 2014 een verblijfsvergunning kregen, heeft 93 procent na 102 maanden de Nederlandse nationaliteit gekregen. Voor Eritreeërs duurt het over het algemeen wat langer voordat zij naturaliseren. Na 102 heeft 78 procent van de Eritreeërs de Nederlandse nationaliteit gekregen. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het behalen van het inburgeringsexamen, voor deze groep duurt het langer voordat het examen behaald is. Ook bij de vergunningscohorten 2015 en 2016 zien we een gestage toename van het aantal naturalisaties. Bij cohort 2015 is na zeven-en-een-half-jaar 85 procent genaturaliseerd, bij cohort 2016 is 79 procent na zes-en-een-half-jaar genaturaliseerd en bij cohort 2017 is na vijf-en-een-half-jaar 42 procent genaturaliseerd.

3.9.4 Aandeel genaturaliseerden onder statushouders die in 2014 verblijfsvergunning asiel ontvingen, aantal maanden na ontvangen vergunning (%)
Aantal maanden na ontvangen vergunning Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije Overig/onbekend
36 0,1 1,1 1,2 0,1 0 0 8,5
42 1,1 1,6 1,5 0,2 0,5 0 11,2
48 6,5 1,8 1,7 0,3 0,9 2,8 15,4
54 13,9 4,1 2,7 0,6 4,5 2,8 21,2
60 17 5,5 4,7 1 6,9 2,8 26,8
66 23,8 12,5 10 2,6 12,1 13,9 31,8
72 64,6 37,2 27,9 25,9 36,9 33,3 46,7
78 87,6 77,9 59,4 60,3 74,5 44,4 65,3
84 90,2 83,8 69,1 67 80,4 52,8 70,8
90 91,3 85,8 73,2 71,1 81,3 55,6 73,5
96* 92,2 87,8 76,8 74,3 82 55,6 75,4
102* 92,9 88,8 79,6 77,7 83,9 61,1 77,3
*voorlopige cijfers

3.10Werk

Stijging aandeel werkenden: effect coronacrisis lijkt voorbij

Afghanen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel hebben gekregen, hebben tot vier jaar na het verkrijgen van de vergunning vaker een baan dan statushouders met een andere nationaliteit.noot15 Deze bevinding zagen we eerder terug bij de vluchtelingen uit de jaren negentig. Ook toen waren Afghanen twee jaar na aankomst in Nederland vaker aan het werk dan Irakezen of Iraniërs (Sprangers e.a., 2004). Na vier-en-een-half jaar zijn het juist de Eritrese statushouders uit 2014 die (na een flinke achterstand in de eerste drie jaar) op dit punt vooruit lopen. Ook na 102 maanden (de maximale periode waarover we cohort 2014 kunnen volgen) hebben Eritreeërs van de onderscheiden nationaliteiten het vaakst een baan: 61 procent is na acht-en-een-half jaar aan het werk, een stuk hoger dan de andere nationaliteiten die niet boven de 50 procent uitkomen, m.u.v. Afghanistan met 52 procent. Als we de situatie tweeënhalf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning asiel bekijken dan heeft het vergunningscohort 2016 iets vaker een baan dan het vergunningscohort van 2015 (respectievelijk 19 en 14 procent). De mensen uit het vergunningscohort 2015 hebben op hun beurt weer iets vaker een baan na tweeënhalf jaar dan de mensen uit het vergunningscohort van 2014 (respectievelijk 14 en 11 procent). Statushouders gaan dus steeds iets sneller aan het werk. De cohorten 2017 en 2018 lijken te breken met deze trend: na tweeënhalf jaar heeft respectievelijk 16 en 14 procent een baan. Dit hangt waarschijnlijk samen met de coronacrisis: 30 maanden na het ontvangen van de verblijfsvergunning valt voor deze cohorten voor een deel samen met de coronacrisis. Statushouders hebben vaak flexibele contracten en zijn werkzaam in kwetsbare sectoren. De meest recente cohorten 2019 en 2020 (de twee laatste cohorten die we 30 maanden kunnen volgen) laten echter weer herstel zien: 22 procent van vergunningscohort 2019 en 23 procent van vergunningscohort 2020 heeft na 30 maanden een baan waarmee het effect van de coronacrisis uitgewerkt lijkt.

Kijkend naar de kenmerken van de meest recente baan dan hebben de meeste statushouders een baan in deeltijd (65 procent) en met een tijdelijk contract (75 procent). Van de werkenden werkt 7 procent als zelfstandige. Bijna een kwart van de statushouders (24 procent) met een baan werkt in de uitzendbranche, daarnaast komen banen in de handel (19 procent) en horeca (16 procent) veel voor. Verschillen tussen nationaliteiten zijn klein. Alleen Eritreeërs vallen op met een hoog aandeel dat een baan heeft in de uitzendbranche (36 procent). Mensen die langer een verblijfsvergunning hebben, werken minder vaak in de horeca. Van diegenen die werken uit het vergunningscohort 2014 werkt een half jaar na het ontvangen van de verblijfsvergunning 40 procent in de horeca en 11 procent in de uitzendbranche. Voor hetzelfde vergunningscohort zijn die percentages acht jaar later respectievelijk 11 en 19 procent.

Het vergunningscohort 2014 kunnen we het langst in de tijd volgen. Voor dit cohort zien we dat na vijf jaar 42 procent van alle 18- tot 65‑jarige statushouders een baan als werknemer heeft. Niet alleen stijgt de arbeidsdeelname van deze statushouders gestaag; we zien ook dat de verschillen in arbeidsdeelname tussen de nationaliteiten kleiner worden. Tegelijkertijd zien we ook dat het aandeel met een baan van dit cohort na vijf jaar juist daalt (naar 40 procent na zes-en-een-half jaar). Dit is vermoedelijk een effect van de coronacrisis. Statushouders zijn vaak met flexibele contracten werkzaam in de horeca en in de uitzendbranche. Deze sectoren worden het hardst geraakt door de coronacrisis. Zoals eerder opgemerkt lijkt het effect van de coronacrisis echter voorbij: het aandeel met een baan neemt in de meest recente maanden weer toe tot 45 procent na acht-en-een-half jaar.

Amv’s werken vaker in deeltijd met een tijdelijk contract

Als we de kenmerken van de meest recente baan van de groep amv’s vergelijken met die van de totale groep statushouders dan vallen de volgende zaken op:

  • Amv’s werken iets vaker in deeltijd dan de totale groep (69 om 65 procent)
  • Amv’s hebben vaker een baan met een tijdelijk contract (82 resp. 75 procent)
  • Amv’s werken vaker in de uitzendbranche dan de totale groep (34 tegen 24 procent), werken vaker in de horeca (22 om 16 procent) en hebben iets minder vaak een baan in de handel (17 om 19 procent)
  • Van de werkende amv’s werkt 4 procent als zelfstandige, voor de totale groep is dit 7 procent.
3.10.1 Aandeel werkenden onder 18- tot 65-jarigen die in 2014 verblijfsvergunning asiel ontvingen, aantal maanden na ontvangen vergunning (%)
maanden na ontvangen vergunning Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije Overig/onbekend
3 0,3 3,5 5,2 0,2 1,4 0 3,2
6 0,5 4,3 9,8 0,2 1,7 0 4,3
12 1,5 5,4 16,2 0,9 2,9 5,9 5,6
18 3,1 5,8 19,4 0,9 5,4 5,6 7,1
24 5,8 10,3 25,8 2,7 7,4 10,5 10,5
30 10,6 13,7 29,6 5,9 12,2 21,1 15,2
36 17,1 18,8 35,1 14,5 15,1 25 21,7
42 23,7 25,3 34,2 24,6 21,5 20 28,3
48 30,3 30,1 40,7 40,2 26,1 23,8 33,2
54 34 32,9 44,9 48,1 29,2 36,4 38,9
60 36,3 33,9 43,5 55,9 33,3 43,5 40,7
66 35,6 33,7 44,4 53,5 36,9 30,4 42,1
72 34,2 32,9 45 54,6 35,6 37,5 41,3
78 33,9 36 43,2 54 34,8 37,5 38,7
84 36,3 35,1 42,1 59,8 36,7 34,6 41
90 37,9 35,7 48,1 61,6 39,6 30,8 43,8
96* 38,5 37,5 48,2 62,1 39,2 26,9 45,8
102* 39 40,1 46,2 60,9 43,6 26,9 44,1
*De cijfers vanaf maand 96 zijn voorlopig

Statushouders aanvankelijk vaak als oproepkracht aan het werk

In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. Van cohort 2014 werkt een half tot tweeëneenhalf jaar na het verkrijgen van hun vergunning ongeveer een derde als oproepkracht, 8 tot 17 procent werkt als uitzendkracht, 3 tot 4 procent behoort tot de groep overig (stagiaire, DGA of WSW-er) en het overige deel is werknemer. Het aandeel dat als oproepkracht werkt daalt tot ongeveer 17 procent na vijf jaar en blijft daarna vrij stabiel. Het aandeel dat als uitzendkracht aan de slag gaat neemt geleidelijk toe tot 30 procent na 5 jaar en daalt vervolgens tot 16 procent.

Meer dan een derde van de werknemers statushouders van cohort 2014 heeft 5 of meer banen gehad

Het aantal banen dat statushouders van cohort 2014 in hun loopbaan bekleden neemt geleidelijk toe. Tot ongeveer twee jaar na het verkrijgen van de vergunning heeft bijna driekwart van de statushouders die tot dan toe gewerkt hebben in totaal één baan gehad, 1 op de 5 heeft dan al twee banen gehad. Na verloop van tijd stijgt het aandeel dat 3 of meer banen heeft gehad. Uiteindelijk, dat wil zeggen 102 maanden na het verkrijgen van de vergunning, heeft 17 procent van cohort 2014 3 banen gehad, 15 procent heeft 4 banen gehad terwijl 36 procent 5 of meer verschillende banen heeft gehad.

Bijna 64 procent van de werkende statushouders van cohort 2014 heeft uiteindelijk een baan van 0.75 vte of meer

Een aanzienlijk deel van de statushouders begint hun werkzame leven in een deeltijd baan. Twee jaar na het verkrijgen van hun vergunning werkt ongeveer de helft van cohort 2014 in een baan met een deeltijdfactor tot 0,25 voltijdsequivalent (vte). Nog eens 20 procent werkt in een baan van 0,25–0,50 vte. Ongeveer 14 procent werkt na twee jaar 1 vte. De aandelen deeltijdwerkers (tot 0,75 vte) laten vervolgens een geleidelijke daling zien ten gunste van het aandeel dat fulltime werkt. Uiteindelijk na acht-en-een-half jaar is bijna 64 procent van de statushouders uit cohort 2014 werkzaam in een fulltime baan, vanaf 0,75 vte. Het aandeel dat minder dan een halve vte werkt bedraagt dan iets minder dan een kwart.

Tot en met ongeveer drie jaar na het verkrijgen van hun vergunning verdient de helft van alle statushouders van cohort 2014 gemiddeld minder dan 11 euro per uur. Een derde verdient 11 tot 13 euro, 9 procent verdient 13 tot 15 euro en 10 procent verdient 15 euro of meer. Na drie jaar neemt het aandeel dat minder dan 11 euro verdient snel af tot uiteindelijk zo’n 7 procent na 102 maanden. Ook het aandeel dat 11 tot 13 euro verdient neemt in deze periode af, tot 9 procent. Tegelijkertijd zien we een stijging in het aandeel dat 13 tot 15 euro verdient (27 procent), maar vooral van de groep die meer dan 15 euro verdient. Deze laatste groep vertegenwoordigt uiteindelijk meer dan de helft van alle werkende statushouders uit cohort 2014 (56 procent).

3.11Uitkering

Daling aandeel uitkeringsgerechtigden cohort 2014 zet door

Anderhalf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning, ontvangt 91 procent van de 18 tot 65‑jarigen die in 2014 een vergunning hebben gekregen, een uitkering. Drie jaar later is dit percentage gedaald naar 51 procent. Nog eens anderhalf jaar later (zes jaar na het verkrijgen van de vergunning) ontvangt 43 procent van het cohort een uitkering. Daarna verloopt de daling minder snel, waarschijnlijk krijgt cohort 2014 dan te maken met de gevolgen van de coronacrisis: statushouders hebben vaker een tijdelijk contract en zijn vaker werkzaam in die sectoren die hard door de crisis worden geraakt (horeca, uitzendbranche). Na een snellere daling na afloop van de coronacrisis, is de daling in de meest recente twaalf maanden gestagneerd. Inmiddels, acht-en-een-half jaar na het verkrijgen van de vergunning, is iets minder dan een derde van cohort 2014 nog afhankelijk van een uitkering. Dit kunnen overigens ook statushouders met een (deeltijd)baan zijn. Onderscheiden naar nationaliteit vinden we de hoogste uitkeringsafhankelijkheid onder Irakezen (41 procent) en de laagste onder Afghanen (27 procent). De sterkste daling van het aandeel uitkeringsgerechtigden vindt plaats onder Eritreeërs, van 92 procent na anderhalf jaar naar uiteindelijk 28 procent na acht-en-een-half jaar. Zoals in Figuur 3.11.1 is te zien, ontvangt niet iedereen meteen een uitkering. Veel statushouders verblijven de eerste maanden nog in de asielopvang, waar zij geen uitkering ontvangen, maar leefgeld. Pas wanneer statushouders zelfstandig zijn gehuisvest in een gemeente, komen ze in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Met het verstrijken van de tijd worden de verschillen tussen de verschillende groepen steeds kleiner. Het overgrote deel van de uitkering betreft een bijstandsuitkering. In dit onderzoek is ook gekeken naar werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, maar die komen, zoals verwacht mag worden wegens het ontbreken van een arbeidsverleden in Nederland, in de eerste acht-en-een-half jaar na verkrijgen van de vergunning nog niet zoveel voor. Van alle uitkeringsgerechtigde statushouders van vergunningscohort 2014, ontvangt 94 procent een bijstandsuitkering, 5 procent een werkloosheidsuitkering en minder dan 3 procent een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het aandeel uitkeringsgerechtigden dat een werkloosheidsuitkering ontvangt is met 9 procent het hoogst onder Eritreeërs. Eritreeërs hebben van de onderscheiden nationaliteiten, na een achterstand in de eerste drie jaar, het vaakst een baan, dus inmiddels een arbeidsverleden opgebouwd.

De groep amv’s die uitkeringsgerechtigd is, is voor cohort 2014 nog erg klein. Voor dit cohort zijn alleen substantiële aantallen personen in de juiste leeftijdscategorie voor Syriërs en Eritreeërs te zien. Net als in de resultaten hierboven, neemt ook onder de amv’s van deze nationaliteiten het aandeel uitkeringsgerechtigden van cohort 2014 sterk af: van 70 procent na twee-en-een-half jaar (tot en met 30 maanden loopt het nog op tot 70 procent) tot uiteindelijk 16 procent voor Eritreeërs na 102 maanden en van 58 na twee jaar naar uiteindelijk 12 procent voor Syriërs. Ook onder latere cohorten vinden we nog weinig uitkeringsgerechtigde amv’s.

3.11.1 Aandeel uitkeringsgerechtigden onder 18- tot 65-jarigen die in 2014 verblijfsvergunning asiel ontvingen, aantal maanden na ontvangen vergunning (%)
maanden na ontvangen vergunning Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije** Overig/onbekend
3 21,9 35,3 24,2 12,2 26,4 . 28,5
6 59 68,2 54 43,1 56,9 . 63,2
12 89,9 85,1 73,6 79 86,2 . 84,6
18 92,9 86,3 70,8 92 87,4 . 85,1
24 90,7 86,4 67,5 91,5 85,5 . 81,4
30 86,1 81,7 64 89 81,5 . 73,8
36 78,1 77,4 58,4 79,9 76,9 . 65,8
42 69,3 71,1 54,1 70,5 70 . 57,3
48 60,2 64,9 47,7 57,2 62,2 . 51,3
54 54 59,9 42,9 48,2 57,5 . 45,7
60 49 56,5 41,1 40,2 52,8 . 42,9
66 47,1 53,2 38,9 39,9 48,5 . 40
72 46,6 51,9 38,9 38,2 50 . 38,9
78 45,1 50,7 37,6 38,3 44,9 . 37,4
84 41,9 49,9 34,9 31,6 44 . 35
90 39 45,4 29,4 29,5 38,8 . 31,6
96* 36,7 43,3 30,5 27,4 36,4 . 29,5
102* 35 41,3 27,3 27,7 33,9 . 27,5
*De cijfers vanaf maand 96 zijn voorlopig**Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije in 2014 een vertekend beeld. Deze cijfers zijn daarom in deze figuur weggelaten. In het dashboard vindt u wel de cijfers voor Turkije in 2014.

3.12Voornaamste inkomstenbron

Uitkering belangrijkste inkomstenbron

Het aandeel statushouders met werk als voornaamste inkomstenbron loopt voor cohort 2014 gestaag op tot 36 procent acht jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning. Voor de statushouders uit 2015 en 2016 zien we vergelijkbare patronen. Hoewel steeds meer statushouders een (deeltijd) baan hebben, leveren die banen vaak onvoldoende inkomsten op. Hierdoor kan een uitkering ook voor deze groep de voornaamste inkomstenbron zijn. Veel statushouders hebben nog geen inkomsten in de eerste maanden na het verkrijgen van een vergunning. Dit komt doordat veel van hen na het verkrijgen van hun vergunning nog in een opvanglocatie wonen, waar ze leefgeld ontvangen. In de loop van de tijd neemt het aandeel zonder inkomsten af en krijgen steeds meer statushouders een uitkering (waaronder ook pensioen valt). Na anderhalf jaar geldt dat voor 62 procent van de statushouders uit 2014 een uitkering of pensioen de voornaamste bron van inkomsten is. Na vijf jaar is het percentage gedaald naar 32 procent. Het gaat dan in de meeste gevallen om een bijstandsuitkering. Na twaalf maanden is een steeds kleiner deel van opeenvolgende cohorten afhankelijk van een uitkering (58 procent van cohort 2014, dalend naar 41 procent van cohort 2021). Het aandeel schoolgaanden (dit betreft zowel scholieren als studenten) is na twaalf maanden juist hoger voor het meest recente cohort (44 procent voor cohort 2021) dan voor dat van cohort 2015 (38 procent) en dat van 2014 (33 procent).

Logischerwijs zijn de meeste amv’s de eerste jaren na het verkrijgen van hun vergunning nog schoolgaand. Van alle amv’s van cohort 2014 gaat iets meer dan de helft na vier jaar nog naar school. Tegelijkertijd heeft ruim 1 op de 5 amv’s op dat moment werk als voornaamste inkomstenbron. Het percentage schoolgaanden neemt daarna alleen nog maar af (naar een vijfde na acht jaar) terwijl het aandeel amv’s met werk als voornaamste bron van inkomsten na acht jaar is toegenomen tot 56 procent. Amv’s hebben daarmee aanzienlijk vaker werk als belangrijkste inkomstenbron ten opzichte van de totale groep statushouders en zijn minder afhankelijk van een uitkering.

3.12.1 Personen die een verblijfsvergunning asiel ontvingen in 2014 naar voornaamste bron van inkomsten
Aantal maanden na ontvangen vergunning Uitkering/pensioen Werk Schoolgaand Geen inkomen Vertrokken/Overleden Onbekend
3 3000 125 6290 9025 160 1055
6 7420 130 6415 5475 135 80
12 11455 145 6510 1355 180 5
18 12200 185 6585 410 270 5
24 12095 335 6570 300 350 0
30 11520 665 6765 305 395 0
36 10435 1360 6990 410 455 0
42 9145 2335 7125 530 515 5
48 7890 3490 7000 700 570 0
54 6945 4440 6815 830 620 0
60 6300 5130 6570 1010 640 5
66 6330 5330 6345 945 695 5
72 6435 5470 6090 905 750 5
78 6320 5630 5885 955 855 5
84 5890 6190 5605 990 970 5
90* 5350 6800 5395 1025 1075 5
96* 5075 7160 5115 1130 1165 5
* voorlopige cijfers

Als we naar de verschillen tussen de groepen uit 2014 kijken zien we dat acht jaar na het verkrijgen van de vergunning het aandeel personen waarvan de voornaamste bron van inkomsten werk is, het hoogst is onder de Eritreeërs (58 procent) en het laagst onder de Irakezen (26 procent, onder Turken is het nog iets lager maar de absolute aantallen zijn hier erg klein). Tegelijkertijd was het aandeel Eritreeërs waarvan de voornaamste bron van inkomsten een uitkering is, ook hoog: ongeveer 83 procent van de statushouders uit Eritrea had twee jaar na het verkrijgen van zijn of haar vergunning een uitkering of pensioen als belangrijkste inkomstenbron. Nog eens zes jaar later is dit aandeel gedaald naar 23 procent, iets onder het gemiddelde niveau van 26 procent. Een relatief klein deel van de groep Eritreeërs (10 procent) is na acht jaar schoolgaand.

Van de Afghaanse statushouders heeft na acht jaar bijna 40 procent werk als belangrijkste inkomstenbron, 25 procent heeft een uitkering als voornaamste bron van inkomsten en 24 procent gaat naar school. Voor Syriërs is dit vergelijkbaar: na acht jaar is voor 31 procent van de Syriërs werk de belangrijkste inkomstenbron, voor 27 procent is dat een uitkering of pensioen en 30 procent gaat naar school. Het percentage dat acht jaar na het verkrijgen van de vergunning een uitkering als voornaamste bron van inkomen heeft is met 36 procent het hoogst voor Irakese statushouders.

3.12.2 Personen met Eritrese nationaliteit die een verblijfsvergunning asiel ontvingen in 2014 naar voornaamste bron van inkomsten
Aantal maanden na ontvangen vergunning Uitkering/pensioen Werk Schoolgaand Geen inkomen Vertrokken/overleden Onbekend
3 470 5 595 2340 10 555
6 1480 5 615 1830 10 45
12 2745 20 585 615 10 5
18 3205 10 605 145 15 0
24 3285 20 595 60 20 0
30 3160 60 690 40 25 0
36 2840 240 810 50 40 0
42 2395 540 915 65 65 0
48 1940 1045 840 80 75 0
54 1575 1410 810 100 90 0
60 1320 1725 700 135 100 0
66 1320 1735 650 155 115 0
72 1320 1830 570 140 120 0
78 1295 1865 535 155 130 0
84 1090 2125 460 160 140 0
90* 965 2240 455 175 145 0
96* 930 2305 400 185 160 0
* voorlopige cijfers
3.12.3 Personen met Afghaanse nationaliteit die een verblijfsvergunning asiel ontvingen in 2014 naar voornaamste bron van inkomsten
Aantal maanden na ontvangen vergunning Uitkering/pensioen Werk Schoolgaand Geen inkomen Vertrokken/overleden Onbekend
3 105 15 220 230 0 20
6 215 25 230 120 0 5
12 300 25 245 30 0 0
18 290 30 260 15 5 0
24 295 40 245 10 5 0
30 280 60 240 15 10 0
36 255 80 240 15 10 0
42 235 95 235 20 10 0
48 220 120 225 20 10 0
54 205 145 210 25 10 0
60 185 170 200 35 10 0
66 190 170 195 30 10 0
72 190 195 175 25 10 0
78 185 190 170 30 20 0
84 180 195 165 25 35 0
90* 160 230 145 30 35 0
96* 150 235 145 25 40 0
* voorlopige cijfers

3.13Inkomen

Inkomensverschillen blijven gering

Het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen van statushouders die een vergunning kregen in 2014 bedroeg 12,3 duizend euro in 2015 en is geleidelijk aan gestegen naar 20,7 duizend euro in 2022. Statushouders uit 2015 kregen in 2016 gemiddeld 12,3 duizend euro en 20,1 duizend euro in 2022. Voor het cohort 2016 steeg het inkomen tussen 2017 en 2021 van 12,7 naar 19,3 duizend euro. Zoals in de tabel te zien is, zijn er tussen de verschillende nationaliteitennoot16 geen grote verschillen in het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen. Dit komt doordat een aanzienlijk deel van de statushouders een bijstandsuitkering ontvangt waarbij het om vaste bedragen gaat, afhankelijk van de gezinssituatie. Wel laat de tabel zien dat voor vrijwel alle cohorten en alle jaren geldt dat Iraniërs het hoogste inkomen hebben. Dit komt overeen met de waarnemingen in de SCP rapportage (Huijnk e.a., 2021): dat onderzoek laat zien dat Iraniërs later aan het werk gaan, maar wel hogere uurlonen hebben.

3.13.1Gemiddeld gestandaardiseerd huishoudinkomen in duizenden euro’s, voor statushouders niet meer in COA-opvang naar nationaliteit, vergunning-cohort en verslagjaar (cohort 2014)
Cohort 2014
2015 N 2016 N 2017 N 2018 N 2019 N 2020 N 2021 N 2022* N
Syrië 12 4 300 12,6 9 705 13,3 9 980 14,2 10 005 15,4 10 000 16,6 10 025 17,9 9 915 20,2 9 805
Irak 12,2 450 13 635 13,6 655 14,5 650 15,5 665 16,8 675 18,4 660 20,7 645
Afghanistan 12,9 350 13,4 575 14,2 575 15,5 580 16,8 580 18,7 570 19,6 560 22,6 555
Eritrea 13 925 13 3 550 13,5 3 880 14,8 3 870 16,5 3 845 17,5 3 825 19 3 810 21,2 3 780
Iran 13,3 265 13,6 400 14,1 405 15,4 405 16,9 400 19 400 20,1 400 22,6 390
Turkije 13,4 20 12,9 30 13 30 14,5 30 15,7 30 16,5 30 17 30 18,4 30
Overig/onbekend 12,4 2 075 12,8 3 155 13,7 3 205 14,9 3 180 16,1 3 145 17 3 085 18,5 3 015 21,3 2 945
Totaal 12,3 8 385 12,7 18 045 13,5 18 740 14,5 18 720 15,8 18 670 17 18 615 18,4 18 385 20,7 18 155

Bron:CBS.

* voorlopige cijfers

3.13.2Gemiddeld gestandaardiseerd huishoudinkomen in duizenden euro’s, voor statushouders niet meer in COA-opvang naar nationaliteit, vergunning-cohort en verslagjaar (cohort 2015)
Cohort 2015
2016 N 2017 N 2018 N 2019 N 2020 N 2021 N 2022* N
Syrië 12,2 12 755 12,9 20 315 13,6 20 715 14,8 20 725 16 20 815 17,7 20 740 19,9 20 525
Irak 12,6 285 13,3 500 14,2 520 15,3 515 16,5 520 18,3 500 20,6 480
Afghanistan 12,5 300 13,2 510 14,3 515 15,7 520 16,7 525 19,1 515 20,9 505
Eritrea 12,4 1 335 12,8 5 695 13,7 6 070 15,3 6 060 16,3 6 045 18,1 6 040 20,3 6 000
Iran 13,5 270 14,2 410 14,8 410 16,8 410 18,7 410 20,2 405 23,2 390
Turkije 12,9 15 13,4 20 12,6 20 15,6 20 16,5 20 20,1 20 22,3 20
Overig/onbekend 12,7 1 895 13,4 2 860 14,3 2 880 15,7 2 885 16,9 2 885 18,7 2 835 21 2 765
Totaal 12,3 16 850 12,9 30 300 13,7 31 130 15 31 135 16,2 31 215 17,9 31 055 20,1 30 680

Bron:CBS.

* voorlopige cijfers

3.13.3Gemiddeld gestandaardiseerd huishoudinkomen in duizenden euro’s, voor statushouders niet meer in COA-opvang naar nationaliteit, vergunning-cohort en verslagjaar (cohort 2016)
Cohort 2016
2017 N 2018 N 2019 N 2020 N 2021 N 2022* N
Syrië 12,7 17 315 13,3 25 005 14,4 25 295 15,5 25 315 16,9 25 295 19,1 25 120
Irak 13,2 815 13,9 1 245 15,2 1 270 16,2 1 275 17,7 1 270 19,7 1 250
Afghanistan 11,8 425 13,6 685 15 700 16,4 700 17,5 705 20 700
Eritrea 12,1 3 200 13,1 4 770 14,6 4 855 15,6 4 865 17,3 4 855 19,6 4 835
Iran 13,6 310 14,5 555 16,3 565 18 555 19,5 560 22,6 555
Turkije 11,5 15 12,6 20 13,9 20 15,6 20 17,9 20 22,6 20
Overig/onbekend 13,1 1 705 13,9 2 365 15,3 2 395 16,4 2 380 17,7 2 345 20,1 2 315
Totaal 12,7 23 780 13,3 34 640 14,6 35 095 15,6 35 110 17,1 35 050 19,3 34 790

Bron:CBS.

* voorlopige cijfers

3.13.4Gemiddeld gestandaardiseerd huishoudinkomen in duizenden euro’s, voor statushouders niet meer in COA-opvang naar nationaliteit, vergunning-cohort en verslagjaar (cohort 2017 en 2018)
Cohort 2017 Cohort 2018
2018 N 2019 N 2020 N 2021 N 2022* N 2019 N 2020 N 2021 N 2022* N
Syrië 12,9 12 965 13,9 16 415 14,9 16 535 16,2 16 550 18,3 16 520 13,4 5 095 14,3 6 500 15,6 6 535 17,9 6 525
Irak 13 740 14,3 1 240 15,2 1 265 16,9 1 270 19,5 1 250 13,6 355 14,5 480 16,3 505 18,5 505
Afghanistan 13 620 14,4 895 15,6 910 17,4 915 19,9 905 13,7 460 14,8 690 16,6 705 19,5 705
Eritrea 11,9 3 320 13,3 4 750 14,2 4 835 16 4 835 18,5 4 810 13,3 3 235 14,3 3 980 16 4 035 18,3 4 045
Iran 13,9 605 15 985 16 995 17,6 995 20,8 990 14,5 410 15,7 580 16,9 585 20,1 580
Turkije 11,3 45 13,6 365 14,8 370 17,3 370 22 370 13,8 280 14,9 415 16,6 415 20,3 410
Overig/onbekend 13,4 1 760 14,6 2 610 15,6 2 610 17 2 595 19,5 2 575 13,9 2 050 15 2 680 16,7 2 705 19,2 2 690
Totaal 12,8 20 060 13,9 27 260 14,9 27 525 16,4 27 525 18,7 27 420 13,5 11 885 14,5 15 325 16,1 15 485 18,5 15 465

Bron:CBS.

* voorlopige cijfers

3.13.5Gemiddeld gestandaardiseerd huishoudinkomen in duizenden euro’s, voor statushouders niet meer in COA-opvang naar nationaliteit, vergunning-cohort en verslagjaar (cohort 2019 t/m 2021)
Cohort 2019 Cohort 2020 Cohort 2021
2020 N 2021 N 2022* N 2021 N 2022* N 2022* N
Syrië 13,8 4 865 15 6 255 17,2 6 405 14,7 3 305 16,6 7 325 15,6 6 655
Irak 13,7 225 15,7 315 17,8 330 14,4 175 16,9 415 16,4 305
Afghanistan 14,6 270 15,8 430 18,8 465 15,4 220 18,1 440 16,2 475
Eritrea 13,7 2 635 15,4 3 415 18 3 505 15,1 1 725 17,5 2 580 16,6 1 420
Iran 14,4 370 15,8 545 18,5 550 15,5 340 18,3 575 17,3 860
Turkije 14,3 555 15,4 1 050 18,7 1 070 15,1 825 17,5 1 775 16,5 1 110
Overig/onbekend 14,2 1 890 15,6 2 615 18,1 2 690 15,3 1 495 17,3 3 050 17,1 2 535
Totaal 13,9 10 805 15,3 14 620 17,8 15 015 15 8 090 17,1 16 160 16,2 13 360

Bron:CBS.

* voorlopige cijfers

3.14Zorggebruik

Zorggebruik stabiliseert na ongeveer twee jaar

Zodra statushouders een verblijfsvergunning hebben verkregen en niet meer in een COA-opvanglocatie verblijven, kunnen zij van de reguliere zorgsystemen gebruik maken. Zij zijn daarnaast ook verplicht een basisverzekering af te sluiten. Van alle statushouders die in 2014 een vergunning hebben ontvangen, achttien jaar of ouder zijn en eind 2015 niet meer in een COA-opvang verblijven, heeft 86 procent kosten gemaakt voor de huisarts in 2015. Die 86 procent is minder dan de totale Nederlandse bevolkingnoot17, waarbij ruim 98 procent kosten heeft gemaakt bij de huisarts. Twee jaar later (in 2017) heeft 98 procent van de statushouders uit cohort 2014 kosten gemaakt voor de huisarts. Deze stijging wordt nagenoeg geheel veroorzaakt door een stijging in inschrijvingen bij de huisarts; bijna iedere statushouder die in 2014 een vergunning asiel ontving, achttien jaar of ouder is en niet meer in een COA-opvanglocatie verblijft, staat in 2016 ingeschreven bij de huisarts. De figuur laat de duidelijke trend zien dat statushouders uit cohort 2014 meer kosten maken voor zorg in 2016 ten opzichte van 2015. Daarna blijven de percentages stabiel.

Het aandeel statushouders dat één jaar na het verkrijgen van hun vergunning kosten maakt voor huisartsenzorg neemt voor de verschillende cohorten vanaf 2014 langzaam toe: van 86 procent voor cohort 2014 via 89 procent voor cohort 2015 tot 93 voor het cohort 2016 en 94 procent voor de cohorten 2017 en 2018. In 2019 en 2020 daalt het percentage weer naar respectievelijk 91 en 90. Een eerdere editie van dit onderzoek liet zien dat Eritrese statushouders verreweg de minste kosten maken voor gebruik van zorg. Deze bevinding werd al eerder geconstateerd door het Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS), waar zij in een rapport schrijven dat ‘hun gebrek aan kennis over de oorzaken en medische risico’s van gezondheidsproblemen, culturele verschillen, taboes, taalbarrières en hun onbekendheid met de mogelijkheden voor preventie en behandeling de medische zelfredzaamheid van Eritrese vluchtelingen in de weg staan’.noot18 Het is echter ook zo dat Eritreeërs langer dan de mensen met een andere nationaliteitnoot19 in COA-opvang verblijven na het krijgen van hun vergunning, waardoor zij in 2015 een kortere periode hebben gehad om kosten te maken onder de basisverzekering. De nieuwe cijfers laten zien dat nu meer Eritrese statushouders van het vergunningscohort 2014 gebruik maken van zorg: in 2015 maakte 77 procent kosten voor de huisarts, in 2016 is dat voor dezelfde groep gestegen tot 91 procent en in 2021 tot 98 procent. Het aandeel Eritreeërs dat kosten maakt voor huisartsenzorg, is nu net zo hoog als voor de andere statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en de Nederlandse bevolking in het algemeen. Voor Eritreeërs die in 2016 een vergunning hebben ontvangen is eenzelfde patroon zichtbaar: in 2017 maakte 90 procent kosten voor de huisarts en in 2018 is dat 95 procent. Voor alle nationaliteiten samen is dit respectievelijk 93 en 97 procent. Ook van de Eritreeërs die in 2020 een vergunning hebben ontvangen maakte een jaar later 90 procent kosten voor de huisarts. Dit is dus een stijging ten opzichte van het cohort van 2014.

3.14.1 Zorggebruik in 2015 tot en met 2021 onder statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en niet meer in COA-opvang verblijven (%)
Categorie 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021
Huisartsenzorg 86,5 95,8 97,6 98,4 98,8 98,7 99
Farmacie 54,9 63,4 64,0 65,5 65,4 62,3 63,8
Ziekenhuiszorg 46,7 53,1 54,3 56,2 56,5 51,5 54,5

3.15Jeugdzorg

Aandeel jongeren met jeugdzorg neemt licht toe

Van alle jongeren die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen, niet meer bij een opvanglocatie van COA verblijven en eind 2016 niet ouder zijn dan 22 jaar (alle cijfers in deze paragraaf hebben betrekking op deze populatie), maakt ongeveer 5 procent in 2016 gebruik van een vorm van jeugdzorg. Een jaar later is dat percentage gestegen tot 7 procent en nog een jaar later naar 8 procent. In de jaren 2019 t/m 2022 is het percentage vrijwel stabiel gebleven tussen 8 en 9 procent. Verreweg de meeste jongeren met jeugdzorg ontvangen jeugdhulp. Bij jeugdhulp betreft het hulp en zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedingsproblemen van de ouders. De jongere kan daarbij thuis verblijven, in het eigen gezin, en bij ernstigere situaties kan de jongere worden opgenomen in een pleeggezin of gesloten instelling. Na een toename tussen 2016 en 2019 van het aandeel jongeren met jeugdhulp van 4 naar 8 procent, is het percentage in 2020 en 2021 stabiel gebleven op 8 en in 2022 licht gestegen naar 8,5 procent. Slechts 1,5 procent van de jongeren krijgt in 2022 hulp van jeugdbescherming (bijvoorbeeld de onder voogdij plaatsing van alleenstaande minderjarige statushouders). Dit percentage is onder alle Nederlandse jongeren iets lager: 1,2 procent. Van de jonge statushouders heeft 0,6 procent in 2022 te maken met jeugdreclassering (begeleiding en controle voor jongeren die met de politie in aanraking zijn geweest en een proces-verbaal hebben gekregen). Jongeren uit Iran en Afghanistan maken het vaakst gebruik van jeugdzorg. Hun aandeel in jeugdzorg in 2022 (respectievelijk 16 en 15 procent) is groter dan het aandeel van alle Nederlandse jongeren met jeugdzorg in dat jaar (11 procent). Afgezien van Turken (waarbij de absolute aantallen verwaarloosbaar klein zijn) is het aandeel jongeren met jeugdzorg het laagst onder Eritreeërs en Syriërs (beide 8,5 procent).

Gebruik jeugdzorg onder amv’s neemt toe

Het gebruik van jeugdzorg door amv’s wijkt iets af van dat van de totale groep jongere statushouders. Van alle amv’s die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en niet meer bij een opvanglocatie van COA verblijven maakt 7,5 procent in 2022 gebruik van een vorm van jeugdzorg, een iets lager percentage dan voor de totale groep jongeren. Het gebruik van jeugdzorg onder amv’s is de laatste jaren sterker gestegen dan onder de totale groep jongeren. Onder amv’s steeg dit van 5 procent in 2019 naar 7,5 procent in 2022, onder de totale groep bleef de stijging beperkt (van 8 naar 9 procent). Onderscheidend naar nationaliteit vinden we voor de amv’s die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen alleen voor Syrië en Eritrea substantiële aantallen amv’s die gebruik maken van jeugdzorg. Onder deze groepen ligt het aandeel dat in 2022 gebruik maakt van jeugdzorg op respectievelijk 5 en 7 procent.

3.15.1 Gebruik van jeugdzorg in 2016 tot en met 2022 onder jongeren (0 tot 23 jaar) die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en niet meer in COA-opvang verblijven (%)
Categorie 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022*
Jeugdhulp 4,4 6,6 7,4 7,6 7,6 8,2 8,4
Jeugdbescherming 0,3 0,4 0,6 0,9 1,2 1,4 1,4
Jeugdreclassering 0,1 0,3 0,4 0,4 0,5 0,5 0,6
* voorlopige cijfers

3.16Geregistreerde verdachten

Statushouders relatief vaker geregistreerd als verdachte van misdrijf dan personen met Europese herkomst, minder vaak dan personen met Buiten-Europese herkomst

Mannelijke statushouders zijn in verhouding vaker verdacht van een misdrijf dan mannen met een Nederlandse of Europese herkomstnoot20, maar minder vaak dan mannen met een Buiten-Europese herkomst.noot21 In de figuur wordt het aandeel mannelijke verdachten tussen 18 en 45 jaar in 2022 onder statushouders die in 2020 een vergunning ontvingen, vergeleken met andere bevolkingsgroepen. De bevolkingsgroepen zijn gebaseerd op de nieuwe herkomstindeling. Om bevolkingsgroepen te kunnen vergelijken, wordt hier gebruik gemaakt van relatieve cijfers. In absolute cijfers is het aantal verdachte statushouders uit cohort 2020 in verslagjaar 2022 in de leeftijdscategorie 18 tot 23 jaar 30, in de leeftijdscategorie 23 tot 45 jaar 90. In de figuur wordt dit omgerekend naar relatieve cijfers om de verschillende bevolkingsgroepen te vergelijken. Als het totale aantal personen dat behoort tot een categorie (bijvoorbeeld mannelijke statushouders die een vergunning ontvingen in 2020 en 18 tot 23 jaar oud zijn) lager is dan 10 000, is het relatieve aantal verdachte statushouders per 10 000 hoger dan het absolute aantal. Een rekenvoorbeeld: als er in totaal 5 000 mannelijke statushouders zijn met een verleende vergunning uit 2020 tussen 18 en 23 jaar en 30 van hen zijn geregistreerd als verdachte in 2022, is het absolute aantal verdachte statushouders voor deze groep 30, en het relatieve aantal 60 per 10 000 statushouders.

Er is in het rapport gekozen voor een weergave van alleen cohort 2020 en geregistreerd verdachtenschap in 2022 om aan te sluiten bij de weergave van de afgelopen jaren. In het dashboard zijn de populaties en kenmerken die hier in acht kunnen worden genomen ondertussen uitgebreid, maar vanwege de kleine aantallen is er in de rapportage voor gekozen om geen verdere uitsplitsingen te tonen. In het dashboard kan nog verder geselecteerd worden naar type delict en inkomen, gezien deze beide factoren relevant kunnen zijn. In het dashboard is vanaf dit jaar ook het totale aandeel verdachten per cohort toegevoegd.

3.16.1 Het aantal verdachten in 2022* onder statushouders die in 2020 een verblijfsvergunning asiel ontvingen per 10 000 mannen naar leeftijd
Categorie 1 Statushouders Geboren buiten Nederland, herkomst Totaal Nederlandse achtergrond Geboren buiten Nederland, herkomst Buiten Europa (excl. 5 grote herkomstlanden) Geboren buiten Nederland, herkomst Marokko Geboren buiten Nederland, herkomst Turkije Geboren buiten Nederland, herkomst Suriname Geboren buiten Nederland, herkomst Indonesië Geboren buiten Nederland, herkomst Nederlandse Cariben Geboren buiten Nederland, herkomst Europa (exclusief Nederland)
18 tot 23 jaar 316 293 275 380 822 254 594 0 592 177
23 tot 45 jaar 204 256 146 232 472 223 574 76 783 196
* voorlopige cijfers

3.17Dashboard

Naast deze rapportage is er een interactief dashboard, met daarin nog meer cijfers over de integratie van statushouders. In dit dashboard kunt u zelf kiezen over welke onderwerpen en voor welke nationaliteitennoot22 u cijfers (visueel) gepresenteerd wilt zien.

3.18Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Huijnk, W., Dagevos, J., Djundeva, M., Schans, D., Uiters, E., Ruijsbroek, A. & Mooij, M. de (2021) Met beleid van start. Over de rol van beleid voor ontwikkelingen in de positie en leefsituatie van Syrische statushouders. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Sprangers, A., Zorlu, A., Hartog, J. & Nicolaas, H. (2004) Immigranten op de arbeidsmarkt. Bevolkingstrends 2e kwartaal 2004. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Statistiek Wet Inburgering 2022 (https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/rapportages/2024/statistiek-wet-inburgering--swi---2022)

Noten

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederland is.

Het is aannemelijk dat het hier om administratieve vervuiling gaat.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Omdat er onder het vergunningscohort 2014 heel weinig ouderen zijn – slechts 1,5 procent is 65 jaar of ouder – hebben we voor de vergelijking met de Nederlandse bevolking gekeken naar de bevolking tussen 18 jaar en 65 jaar oud.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Het CBS heeft in 2022 een nieuwe herkomstindeling uitgebracht, de hier gepresenteerde cijfers zijn gebaseerd op deze nieuwe indeling. Daarom zijn deze cijfers niet goed vergelijkbaar met de cijfers in de vorige editie waarin nog de oude indeling naar migratieachtergrond werd gepresenteerd. Er is geprobeerd het figuur van vorig jaar zo goed mogelijk te herhalen o.b.v. de nieuwe StatLine-tabellen over verdachten, maar hierin ontbreekt het totale relatieve aantal verdachten met Buiten-Europese herkomst, vandaar de grote hoeveelheid categorieën.

Statushouders worden hier dubbel geteld, omdat zij zowel tot de mensen met een niet-Nederlandse herkomst als tot de statushouders behoren. Het gaat in deze figuur om het aandeel verdachte personen, niet om het aantal misdrijven. Personen kunnen van meerdere misdrijven worden verdacht. Deze cijfers zijn niet gecorrigeerd voor mogelijk verklarende variabelen zoals leeftijd, opleidingsniveau of sociaaleconomische positie.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Dankwoord

We danken de medewerkers van de volgende instanties voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van het Asielcohorten onderzoek:

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V)

Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)

Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV)

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)

Nidos

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC)

Vluchtelingenwerk Nederland

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er achteraf enkele onvolkomenheden geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Datum: 31 januari 2025

In figuur 2.4.1 over huishoudsamenstelling waren voor nationaliteit ‘overig/onbekend’ voor cohortjaar 2014 en 2017 ten onrechte verkeerde cijfers weergegeven. Dit figuur is hersteld met de juiste cijfers.
 
Dit was het oorspronkelijke figuur:

[ Ontbreekt! ]

Dit is het nieuwe figuur:
[ Ontbreekt! ]

Daarnaast zijn in figuur 3.9.4 over naturalisaties de absolute aantallen die genoemd worden in de mouse-over aangepast. Deze aantallen gaven ten onrechte de waarde van de verkeerde maand weer, dit is nu hersteld. Het figuur zelf is gebaseerd op de aandelen, deze waren wel correct.
 
Ook is een correctie gedaan in de tekst over baankenmerken, betreffende de soort baan (werknemer/uitzendkracht/oproepkracht). Hierin is ten onrechte geen rekening gehouden met de categorie ‘overig’. De categorie ‘overig’ bestaat uit de werkvormen stagiaire, DGA (directeur/grootaandeelhouder) en WSW-er (Wet Sociale Werkvoorziening). De cijfers in de teksten hierover in paragrafen 3.10 en 4.4 zijn hier nu op aangepast.
 
De betreffende originele tekst in 3.10 was:
Statushouders aanvankelijk vaak als oproepkracht aan het werk
In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. Van cohort 2014 werkt een half tot tweeëneenhalf jaar na het verkrijgen van hun vergunning ongeveer een derde als oproepkracht, 10 tot 15 procent werkt als uitzendkracht en het overige deel is werknemer. Het aandeel dat als oproepkracht werkt daalt tot ongeveer 17 procent na vijf jaar en blijft daarna vrij stabiel. Het aandeel dat als uitzendkracht aan de slag gaat neemt geleidelijk toe tot 30 procent na 4–5 jaar en daalt vervolgens tot 16 procent.
 
Dit is nu aangepast naar:
Statushouders aanvankelijk vaak als oproepkracht aan het werk
In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. Van cohort 2014 werkt een half tot tweeëneenhalf jaar na het verkrijgen van hun vergunning ongeveer een derde als oproepkracht, 8 tot 17 procent werkt als uitzendkracht, 3 tot 4 procent behoort tot de groep overig (stagiaire, DGA of WSW-er) en het overige deel is werknemer. Het aandeel dat als oproepkracht werkt daalt tot ongeveer 17 procent na vijf jaar en blijft daarna vrij stabiel. Het aandeel dat als uitzendkracht aan de slag gaat neemt geleidelijk toe tot 30 procent na 5 jaar en daalt vervolgens tot 16 procent.
 
De betreffende originele tekst in 4.4 was:
Dertig procent werkt als werknemer, de overige werkende Oekraïners werken als oproepkracht of uitzendkracht.
 
Dit is nu aangepast naar:
Dertig procent werkt als werknemer, de overige werkende Oekraïners werken met name als oproepkracht of uitzendkracht.