Foto omschrijving: In het stadhuis leggen nieuwe Nederlanders een eed of belofte af.

Statushouders huisvesting en integratie

Dit hoofdstuk behandelt de eerste stappen die statushouders zetten in de richting van integratie in de Nederlandse samenleving. Hierbij is gekeken naar statushouders die in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2022 een verblijfsvergunning asiel hebben gekregen. De meeste statushouders zijn hun verblijf in Nederland begonnen in de asielopvang. In totaal kregen in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2022 bijna 215 duizend mensen een verblijfsvergunning.

Ook nareizigers van statushouders ontvangen een (afgeleide) asielvergunning en behoren net als gezinsherenigers in dit onderzoek tot de statushouders.

In dit hoofdstuk kijken we onder andere hoe het statushouders vergaat op het gebied van onderwijs, het inburgeringsexamen, sociale zekerheid, werk, gezondheidszorg en geregistreerde criminaliteit. Dit jaar kijken we voor het eerst ook naar enkele baan­kenmerken van statushouders (deeltijd/voltijd, soort contract) en belichten we voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv's) hoe het hen vergaat op het terrein van onderwijs, werk en uitkering en jeugdzorg.

3.1Verblijfsvergunningen asiel

Aantal verleende vergunningen neemt sinds 2020 weer toe

In 2014 krijgen bijna 20 duizend personen een zogeheten verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, in 2015 zijn dit er 33 duizend, in 2016 37 duizend, in 2017 29 duizend, in zowel 2018 als in 2019 16 duizend, in 2020 18 duizend, in 2021 ruim 27 duizend en in de eerste helft van 2022 zijn dit er 20 duizend. De daling van het aantal verleende verblijfsvergunningen die in 2017 inzette is in 2020 omgeslagen in een stijging. Dit is mogelijk een effect van de opgelopen achterstanden bij de IND, waarvoor in april 2020 een speciale taskforcenoot1 is opgericht met het doel achterstallige asielaanvragen weg te werken. Het aantal verleende vergunningen in de eerste helft van 2022 is groter dan dat van heel 2018, 2019 of 2020, dat is in lijn met de hoge toestroom van asielzoekers vanaf 2021 (zie hoofdstuk 2.1). Evenals bij de asielverzoeken bestaat de groep statushouders vooral uit Syriërs en Eritreeërs. Van de in 2014 verleende verblijfsvergunningen werd 53 procent verleend aan personen met de Syrische nationaliteit.noot2 Dit percentage loopt op naar 71 procent in 2016 en daalt daarna naar zo’n 45 à 46 procent in 2020–2021. In de eerste helft van 2022 is het nog eens verder gedaald naar 42 procent. Ook het aandeel verleende vergunningen aan Eritreeërs is de laatste jaren gedaald, van ongeveer een kwart in 2018 en 2019 naar 4 procent in de eerste helft van 2022. Hiermee is in de eerste helft van 2022 voor het eerst sinds de start van dit cohortonderzoek minder dan de helft (46 procent) van het aantal vergunningen verleend aan Syriërs of Eritreeërs, in 2015 en 2016 was dit nog 85 procent. In 2017 is het aantal verleende verblijfsvergunningen aan Iraniërs grofweg verdubbeld ten opzichte van die in voorgaande jaren. Dit komt doordat staatssecretaris Dijkhoff in 2017 een aantal risicogroepen uit Iran heeft toegevoegd aan de groepen mensen die sneller kans maken op asiel in Nederland.noot3 Het gaat onder andere om afvallige moslims, politici, journalisten en mensenrechten­activisten. Inmiddels is het aantal verleende vergunningen aan asielzoekers uit Iran weer flink gedaald. Dit geldt overigens ook voor asielzoekers uit Irak. Aan de andere kant is het aantal verleende verblijfsvergunningen aan personen met een Turkse nationaliteit sterk toegenomen. In de periode 2014 tot en met 2016 kregen 75 personen uit Turkije een verblijfsvergunning, in de periode 2017 tot en met de eerste helft van 2022 waren dat er 7 675. Vooral in 2020 en de eerste helft van 2022 is het aandeel verleende verblijfs­vergunningen hoog voor mensen met een Turkse nationaliteit, namelijk rond 10 procent.

De groep statushouders met een ‘overige’ (of onbekende) nationaliteitnoot4 is na 2016 relatief sterk gegroeid (van 7 procent in 2016 naar 19 procent in 2021) en bestaat voor een groot deel uit Jemenieten. Ook Somali’s en Pakistani komen in deze groep relatief veel voor. De grootste toename zien we echter in de eerste helft van 2022 waarin ruim 34 procent van de verleende verblijfsvergunningen aan statushouders met een ‘overige’ (of onbekende) nationaliteit is verleend. In deze periode bestaat deze groep voor verreweg het grootste deel (60 procent) uit personen met een (nog) onbekende nationaliteit.

3.1.1 Verleende vergunningen naar nationaliteit, 2014 tot en met eerste helft 2022
Categorie 1 Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije Overig/onbekend
Eerste helft 2022 8420 290 1355 820 380 1905 6900
2021 12450 620 3115 2195 1795 2065 5325
2020 8000 480 475 2755 585 1830 3410
2019 6560 350 475 3605 560 1075 2865
2018 6685 525 725 4135 605 425 3060
2017 16980 1310 940 4980 1020 375 3050
2016 26205 1330 750 5065 585 20 2730
2015 21650 550 540 6265 430 20 3325
2014 10445 705 600 3980 420 35 3465

3.2Nationaliteiten

Top vijf nationaliteitennoot5 verandert, top twee vrijwel constant

De tabel laat per jaar zien wat de top vijf van nationaliteiten is van de personen aan wie een vergunning is verleend. In de periode 2014 t/m 2020 staan de Syrische en de Eritrese nationaliteiten op de plaatsen één en twee, in 2021 staat Afghanistan op plek twee (met name door een hoog aantal verleende vergunningen in de tweede helft van dat jaar) terwijl Turkije in de eerste helft van 2022 de tweede plaats bezet. In 2014 en 2015 staan Somalië, Irak en Afghanistan naast Syrië en Eritrea in de top vijf. In 2016, 2017 en 2018 heeft Iran Somalië uit de top vijf verdreven. In 2019 komen Turkije en Jemen nieuw binnen in de top vijf en zijn daar tot op heden gebleven, met een uitzondering voor Jemen in 2021.

3.2.1Top vijf verleende vergunningen naar nationaliteit, 2014 tot en met eerste helft 2022
2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 Eerste helft 2022
1 Syrië 10 445 Syrië 21 650 Syrië 26 205 Syrië 16 980 Syrië 6 685 Syrië 6 560 Syrië 8 000 Syrië 12 450 Syrië 8 420
2 Eritrea 3 980 Eritrea 6 265 Eritrea 5 065 Eritrea 4 980 Eritrea 4 135 Eritrea 3 605 Eritrea 2 755 Afghanistan 3 115 Turkije 1 905
3 Somalië 1 375 Somalië 585 Irak 1 330 Irak 1 310 Afghanistan 725 Turkije 1 075 Turkije 1 830 Eritrea 2 195 Afghanistan 1 355
4 Irak 705 Irak 550 Afghanistan 750 Iran 1 020 Iran 605 Jemen 685 Jemen 1 095 Turkije 2 065 Eritrea 820
5 Afghanistan 600 Afghanistan 540 Iran 585 Afghanistan 940 Irak 525 Iran 560 Iran 585 Iran 1 795 Jemen 815

Bron:CBS.

3.3Nareis

Stijging nareizigers onder Syrische, Iraakse en Turkse statushouders in 2021, in 2022 weer een lichte daling

Net als bij de asielverzoeken betreffen ook de statushouders, na een aanvankelijke toename, in steeds mindere mate nareizigers.noot6 In 2014 wordt 27 procent van de verblijfsvergunningen aan een nareiziger verleend. In 2017 is dat aandeel toegenomen tot 51 procent. Dit aandeel is vervolgens gedaald tot 22 procent voor de mensen met een verleende vergunning in 2020 waarna in 2021 een stijging volgde tot 36 procent. In de eerste helft van 2022 neemt het aandeel weer iets af (29 procent). Ditzelfde patroon zien we terug bij statushouders met een Syrische, Iraakse en Turkse nationaliteit. Wel is het aandeel nareizigers onder Syriërs in de eerste helft van 2022 met 50 procent nog steeds hoog en een stuk hoger dan onder de andere nationaliteiten waarbij dat aandeel varieert van 5 procent voor Afghanen tot 31 procent voor Eritreeërs. Iran kende tot en met 2021 juist een relatief laag aandeel nareizigers (7 tot 20 procent) maar in de eerste helft van 2022 nam dit aandeel sterk toe tot een kwart.

3.3.1 Verleende vergunningen onderscheiden naar wel/geen nareis1) en nationaliteit, 2014 tot en met eerste helft 2022, Syrië
Categorie 2 Geen nareis, Syrië Nareis, Syrië
2014 7170 3275
2015 10500 11150
2016 16775 9430
2017 6835 10140
2018 4255 2430
2019 5090 1475
2020 6415 1580
2021 5685 6765
Eerste helft 2022 4180 4240

3.4Wachttijd tot vergunning

Gemiddelde wachttijd Syriërs laagst door komst van nareizigers

Gemiddeld genomen hebben statushouders die in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2022 een vergunning kregen (en via een COA-opvang locatie zijn ingestroomd), 159 dagen gewacht op het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel sinds het moment van eerste opvang in een COA-opvanglocatie. Dit is een lichte toename ten opzichte van de gemiddelde wachttijd die in de vorige rapportage werd geregistreerd, die bedroeg toen namelijk 150 dagen. Vooral Syriërs en Eritreeërs kregen relatief snel een verblijfsvergunning (na respectievelijk 88 en 101 dagen). Irakezen en Afghanen wachtten gemiddeld zo’n 12 tot 13 maanden maar de gemiddelde wachttijd voor Iraniërs is met 19 maanden verreweg het langst. De wachttijd hangt samen met de kansen dat asielzoekers, uit de verschillende landen, hun asielverzoek gehonoreerd krijgen; voor Irakezen, Afghanen en Iraniërs worden lang niet alle verzoeken gehonoreerd. Voor deze groep geldt dat verblijfsvergunningen relatief vaak via tweede of volgende aanvragen of na een beroep zijn verkregen, waardoor de wachttijd tot het verkrijgen van de verblijfsvergunning langer is. Bovendien bestaan deze groepen, met name de Iraniërs, voor een veel groter deel uit referenten (de groep mensen die in Nederland een eerste asielaanvraag doet) dan de andere nationaliteitennoot7: nareizigers hebben al een vergunning op het moment dat zij bij het COA instromen, referenten moeten daar nog op wachten. Nareizigers brengen de gemiddelde wachttijd dus omlaag. Voor vergunningscohorten 2019, 2020 en de eerste helft van 2021 liepen de wachttijden voor verschillende groepen behoorlijk op. Dit had te maken met de opgelopen vertraging bij de IND. Deze is nu zo goed als weggewerkt waardoor de wachttijden voor geheel 2021 en de eerste helft van 2022 over het algemeen weer zijn gedaald. De figuur laat zien hoe lang de statushouders per vergunningscohort gemiddeld op hun verblijfsvergunning asiel hebben gewacht.

3.4.1 Wachttijd (in dagen) tot verkrijgen vergunning voor statushouders naar nationaliteit en vergunningscohort
Categorie 1 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 Eerste helft 2022
Syrië 55 48 110 36 61 106 211 132 111
Irak 222 213 372 331 359 624 617 501 522
Afghanistan 406 397 345 479 571 764 616 200 344
Eritrea 128 83 109 44 35 76 193 293 305
Iran 272 285 357 420 394 606 663 802 1086
Turkije 322 463 87 295 186 338 292 178 198
Overig/onbekend 165 192 288 273 201 297 321 435 399
Totaal 110 79 139 106 137 213 282 265 239

3.5Vestigingsgemeente

Weinig regionale verschillen

Van de 215 duizend mensen die in 2014 tot en met de eerste helft van 2022 een verblijfs­vergunning ontvingen, zijn er in deze periode 178 duizend zelfstandig gehuisvest in een gemeente (en wonen dus niet meer in de asielopvang van het COA). Onderstaande figuren laten zien dat statushouders in de tweede maand dat ze niet meer in de COA-opvang zitten, redelijk verspreid wonen over Nederland. De verschillen tussen gemeenten, uitgedrukt per 10 duizend inwoners, zijn klein. De uitschieters die wel zichtbaar zijn, zijn gemeenten met een opvanglocatie (bijvoorbeeld Westerwolde), waar we statushouders kort na vertrek uit de COA-opvang nog terugvinden.noot8 Na een jaar zijn deze uitschieters er niet meer. Er is weinig verschil in spreiding tussen de diverse nationaliteiten en vergunnings-cohorten. Ook één of twee jaar na het verlaten van de COA-opvang wonen de statushouders nog steeds verspreid over Nederland.

3.5.1 Aantal statushouders 2017 per 10 000 inwoners van de gemeentelijke bevolking, 2 maanden na verlaten van COA-opvang
GemNaam 17_2
Groningen (gemeente) 15,3
Almere 13,7
Stadskanaal 29
Veendam 18,6
Zeewolde 18,4
Achtkarspelen 19,7
Ameland 0,0001
Harlingen 20,2
Heerenveen 15,2
Leeuwarden 12
Ooststellingwerf 19,6
Opsterland 12,4
Schiermonnikoog 0,0001
Smallingerland 17,5
Terschelling 0,0001
Vlieland 0,0001
Weststellingwerf 6,5
Assen 12,5
Coevorden 19,3
Emmen 12,9
Hoogeveen 17,1
Meppel 15,4
Almelo 16,3
Borne 10,6
Dalfsen 18,3
Deventer 12,8
Enschede 12,8
Haaksbergen 14,9
Hardenberg 14,5
Hellendoorn 19,8
Hengelo (O.) 11,1
Kampen 17,8
Losser 16,2
Noordoostpolder 13,7
Oldenzaal 11,4
Ommen 15,3
Raalte 15,6
Staphorst 22,6
Tubbergen 13,1
Urk 18,4
Wierden 13,4
Zwolle 11,4
Aalten 11,4
Apeldoorn 12,2
Arnhem 16,7
Barneveld 12,2
Beuningen 19,5
Brummen 29,7
Buren 11,8
Culemborg 12,7
Doesburg 15,4
Doetinchem 15,6
Druten 19,5
Duiven 12,4
Ede 10,6
Elburg 15,8
Epe 16,3
Ermelo 20
Harderwijk 15
Hattem 11,4
Heerde 15,4
Heumen 10,9
Lochem 21,5
Maasdriel 14,9
Nijkerk 13,5
Nijmegen 12,2
Oldebroek 13,5
Putten 24,6
Renkum 15
Rheden 15,6
Rozendaal 5,8
Scherpenzeel 3
Tiel 14,8
Voorst 23
Wageningen 12,6
Westervoort 18
Winterswijk 12,7
Wijchen 15,5
Zaltbommel 9,2
Zevenaar 8,4
Zutphen 14,5
Nunspeet 14,3
Dronten 15,9
Amersfoort 17,5
Baarn 20,2
De Bilt 22,1
Bunnik 20,2
Bunschoten 23,2
Eemnes 8,5
Houten 18,9
Leusden 19
Lopik 15,2
Montfoort 16,6
Renswoude 25,2
Rhenen 22,3
Soest 19
Utrecht (gemeente) 17,1
Veenendaal 17,9
Woudenberg 17,6
Wijk bij Duurstede 16,7
IJsselstein 22,2
Zeist 15,2
Nieuwegein 10,3
Aalsmeer 20,9
Alkmaar 13,8
Amstelveen 20,6
Amsterdam 16
Beemster 17,8
Bergen (NH.) 14,5
Beverwijk 20,1
Blaricum 16,7
Bloemendaal 8,1
Castricum 15,8
Diemen 21,7
Edam-Volendam 22,6
Enkhuizen 10,7
Haarlem 12,6
Haarlemmermeer 21,8
Heemskerk 19,9
Heemstede 8,7
Heerhugowaard 14,7
Heiloo 13,3
Den Helder 15,2
Hilversum 17,1
Hoorn 16,6
Huizen 22,6
Landsmeer 13
Langedijk 16,2
Laren (NH.) 21,9
Medemblik 22,4
Oostzaan 24,8
Opmeer 25,8
Ouder-Amstel 19,8
Purmerend 10,8
Schagen 18,9
Texel 21,2
Uitgeest 17,6
Uithoorn 23,8
Velsen 19,2
Weesp 16,6
Zandvoort 8,2
Zaanstad 16,3
Alblasserdam 12,4
Alphen aan den Rijn 15,4
Barendrecht 18,5
Drechterland 23,7
Brielle 22,4
Capelle aan den IJssel 17,8
Delft 17,7
Dordrecht 10,9
Gorinchem 17,4
Gouda 17
's-Gravenhage (gemeente) 15
Hardinxveld-Giessendam 8,7
Hellevoetsluis 21,6
Hendrik-Ido-Ambacht 17,6
Stede Broec 22,1
Hillegom 22,1
Katwijk 23,5
Krimpen aan den IJssel 16,3
Leiden 11,8
Leiderdorp 17,2
Lisse 12,6
Maassluis 14,3
Nieuwkoop 12
Noordwijk 14,8
Oegstgeest 11,6
Oudewater 15,8
Papendrecht 16,8
Ridderkerk 20,4
Rotterdam 15
Rijswijk (ZH.) 19,6
Schiedam 19,6
Sliedrecht 19,1
Albrandswaard 22,1
Westvoorne 17,4
Vlaardingen 11,5
Voorschoten 12,1
Waddinxveen 15,1
Wassenaar 19,3
Woerden 15,8
Zoetermeer 15
Zoeterwoude 18,1
Zwijndrecht 23,2
Borsele 21,9
Goes 20,5
West Maas en Waal 10,2
Hulst 22,1
Kapelle 14
Middelburg (Z.) 28,6
Reimerswaal 17,5
Terneuzen 11
Tholen 24,2
Veere 16,9
Vlissingen 22,3
De Ronde Venen 17,9
Tytsjerksteradiel 16,5
Asten 19,6
Baarle-Nassau 17,4
Bergen op Zoom 16,3
Best 12,6
Boekel 10
Boxmeer 15,2
Boxtel 11,2
Breda 13,3
Deurne 13,9
Pekela 17,2
Dongen 10,6
Eersel 13,3
Eindhoven 11,3
Etten-Leur 15,7
Geertruidenberg 21,1
Gilze en Rijen 16,5
Goirle 16,7
Grave 11,2
Helmond 13,9
's-Hertogenbosch 12,5
Heusden 16,7
Hilvarenbeek 10,2
Loon op Zand 10,2
Mill en Sint Hubert 20
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 17,3
Oirschot 17
Oisterwijk 13
Oosterhout 19,4
Oss 16,1
Rucphen 16,5
Sint-Michielsgestel 17
Someren 11,8
Son en Breugel 19,9
Steenbergen 15,2
Waterland 22
Tilburg 11,7
Uden 16,6
Valkenswaard 14,1
Veldhoven 15,8
Vught 15,5
Waalre 17,1
Waalwijk 18,2
Woensdrecht 16,8
Zundert 17,3
Wormerland 13,5
Landgraaf 9,4
Beek (L.) 26,5
Beesel 11,2
Bergen (L.) 9,9
Brunssum 23,1
Gennep 16,4
Heerlen 14,4
Kerkrade 12,1
Maastricht 10,9
Meerssen 20,4
Mook en Middelaar 1,3
Nederweert 15,7
Roermond 13,1
Simpelveld 23,9
Stein (L.) 12,9
Vaals 8,9
Venlo 14
Venray 15,1
Voerendaal 25,7
Weert 16,8
Valkenburg aan de Geul 12,8
Lelystad 13,4
Horst aan de Maas 15,3
Oude IJsselstreek 21,9
Teylingen 25,4
Utrechtse Heuvelrug 21,6
Oost Gelre 9,5
Koggenland 20,5
Lansingerland 18,6
Leudal 13,3
Maasgouw 19,6
Gemert-Bakel 15,9
Halderberge 11,8
Heeze-Leende 12,9
Laarbeek 19,7
Reusel-De Mierden 14,5
Roerdalen 19,4
Roosendaal 9,3
Schouwen-Duiveland 21,1
Aa en Hunze 18,1
Borger-Odoorn 20,7
Cuijk 10,2
Landerd 25,3
De Wolden 12,7
Noord-Beveland 27,7
Wijdemeren 14,7
Noordenveld 45,5
Twenterand 12,2
Westerveld 5,6
Sint Anthonis 9,4
Lingewaard 15,4
Cranendonck 17,1
Steenwijkerland 16,9
Moerdijk 16,1
Echt-Susteren 23,3
Sluis 9,1
Drimmelen 18,3
Bernheze 14,9
Alphen-Chaam 23,1
Bergeijk 14,9
Bladel 15,6
Gulpen-Wittem 27,5
Tynaarlo 12,4
Midden-Drenthe 13,8
Overbetuwe 19,7
Hof van Twente 10,6
Neder-Betuwe 18,7
Rijssen-Holten 22,5
Geldrop-Mierlo 12,5
Olst-Wijhe 14,2
Dinkelland 12,8
Westland 18
Midden-Delfland 27,8
Berkelland 10,5
Bronckhorst 15
Sittard-Geleen 17,2
Kaag en Braassem 14,9
Dantumadiel 18,5
Zuidplas 10,7
Peel en Maas 17,4
Oldambt 23,8
Zwartewaterland 22,3
S�dwest-Frysl�n 21,4
Bodegraven-Reeuwijk 15
Eijsden-Margraten 18,5
Stichtse Vecht 20,3
Hollands Kroon 16,1
Leidschendam-Voorburg 15,8
Goeree-Overflakkee 18,2
Pijnacker-Nootdorp 14,7
Nissewaard 23,1
Krimpenerwaard 16,6
De Fryske Marren 22
Gooise Meren 20,2
Berg en Dal 16,6
Meierijstad 14,8
Waadhoeke 21,9
Westerwolde 42,3
Midden-Groningen 18,9
Beekdaelen 16,6
Montferland 11,7
Altena 12,1
West Betuwe 14,4
Vijfheerenlanden 11,9
Hoeksche Waard 23,1
Het Hogeland 20,7
Westerkwartier 19,6
Noardeast-Frysl�n 15
Molenlanden 16,1
Eemsdelta 23
3.5.2 Aantal statushouders 2017 per 10 000 inwoners van de gemeentelijke bevolking, 48 maanden na verlaten van COA-opvang
GemNaam 17_48
Groningen (gemeente) 16,8
Almere 12,4
Stadskanaal 25,8
Veendam 18,6
Zeewolde 11,8
Achtkarspelen 8,6
Ameland 0,0001
Harlingen 18,3
Heerenveen 17,8
Leeuwarden 14,9
Ooststellingwerf 11,8
Opsterland 9,4
Schiermonnikoog 0,0001
Smallingerland 14,6
Terschelling 0,0001
Vlieland 0,0001
Weststellingwerf 4,2
Assen 12,2
Coevorden 16,1
Emmen 12,9
Hoogeveen 12
Meppel 12,5
Almelo 16,7
Borne 9,7
Dalfsen 15,6
Deventer 10,7
Enschede 16,2
Haaksbergen 13,6
Hardenberg 14,2
Hellendoorn 15,6
Hengelo (O.) 12,8
Kampen 17,1
Losser 12,2
Noordoostpolder 12
Oldenzaal 11
Ommen 9,3
Raalte 14,2
Staphorst 21,4
Tubbergen 8,9
Urk 13,2
Wierden 5,7
Zwolle 12,6
Aalten 11,4
Apeldoorn 14,4
Arnhem 19
Barneveld 10,5
Beuningen 16,4
Brummen 27,3
Buren 10,4
Culemborg 11,3
Doesburg 11,7
Doetinchem 17,8
Druten 14,7
Duiven 10,8
Ede 11,5
Elburg 14,5
Epe 15,4
Ermelo 18,5
Harderwijk 15,8
Hattem 9
Heerde 15,4
Heumen 13,3
Lochem 17,4
Maasdriel 14,5
Nijkerk 12,4
Nijmegen 14,5
Oldebroek 13,9
Putten 24,2
Renkum 12,4
Rheden 12,2
Rozendaal 5,8
Scherpenzeel 3
Tiel 16,2
Voorst 12,5
Wageningen 13,9
Westervoort 21,3
Winterswijk 11,4
Wijchen 15,3
Zaltbommel 8,5
Zevenaar 5,7
Zutphen 13,5
Nunspeet 12,1
Dronten 15,9
Amersfoort 18,4
Baarn 20,6
De Bilt 22,6
Bunnik 16,9
Bunschoten 16,3
Eemnes 13,9
Houten 19,1
Leusden 18
Lopik 16,6
Montfoort 15,8
Renswoude 23,4
Rhenen 18,3
Soest 18,8
Utrecht (gemeente) 17,4
Veenendaal 16,7
Woudenberg 16,1
Wijk bij Duurstede 12,5
IJsselstein 20,7
Zeist 14
Nieuwegein 9,2
Aalsmeer 17,5
Alkmaar 16,9
Amstelveen 19,6
Amsterdam 15,5
Beemster 17,8
Bergen (NH.) 9,1
Beverwijk 18,6
Blaricum 14,2
Bloemendaal 1,3
Castricum 13,3
Diemen 19,8
Edam-Volendam 21
Enkhuizen 8,6
Haarlem 11,8
Haarlemmermeer 20,3
Heemskerk 16,8
Heemstede 6,9
Heerhugowaard 12,8
Heiloo 13,3
Den Helder 13,1
Hilversum 16,2
Hoorn 19,8
Huizen 24,1
Landsmeer 6,1
Langedijk 13,4
Laren (NH.) 20,2
Medemblik 20,6
Oostzaan 24,8
Opmeer 6,7
Ouder-Amstel 19,1
Purmerend 10,8
Schagen 17
Texel 16,1
Uitgeest 10,3
Uithoorn 24,8
Velsen 20,4
Weesp 12,7
Zandvoort 9,3
Zaanstad 16,4
Alblasserdam 10,9
Alphen aan den Rijn 14,1
Barendrecht 15,2
Drechterland 17,1
Brielle 21,2
Capelle aan den IJssel 17,4
Delft 17,7
Dordrecht 11,8
Gorinchem 16
Gouda 16,4
's-Gravenhage (gemeente) 15,5
Hardinxveld-Giessendam 6
Hellevoetsluis 18,1
Hendrik-Ido-Ambacht 17,3
Stede Broec 12
Hillegom 20,3
Katwijk 21,8
Krimpen aan den IJssel 16,7
Leiden 13
Leiderdorp 16,8
Lisse 11,7
Maassluis 17,9
Nieuwkoop 12,3
Noordwijk 11,8
Oegstgeest 12
Oudewater 14,8
Papendrecht 15,2
Ridderkerk 22,3
Rotterdam 16,3
Rijswijk (ZH.) 18,3
Schiedam 18,7
Sliedrecht 11,3
Albrandswaard 18,6
Westvoorne 9,4
Vlaardingen 15,6
Voorschoten 11,3
Waddinxveen 11,2
Wassenaar 15,6
Woerden 14,6
Zoetermeer 14,3
Zoeterwoude 18,1
Zwijndrecht 22,8
Borsele 19,7
Goes 20,7
West Maas en Waal 10,7
Hulst 18,1
Kapelle 9,3
Middelburg (Z.) 26,1
Reimerswaal 12,7
Terneuzen 9,5
Tholen 22,2
Veere 10
Vlissingen 21,9
De Ronde Venen 14,5
Tytsjerksteradiel 12,8
Asten 18,4
Baarle-Nassau 17,4
Bergen op Zoom 19,1
Best 9,9
Boekel 10
Boxmeer 14,2
Boxtel 11,5
Breda 15,6
Deurne 11,1
Pekela 14
Dongen 8,3
Eersel 15,9
Eindhoven 15
Etten-Leur 14,1
Geertruidenberg 16,5
Gilze en Rijen 10,1
Goirle 13,4
Grave 9,6
Helmond 14,1
's-Hertogenbosch 11,6
Heusden 14,9
Hilvarenbeek 7,6
Loon op Zand 10,6
Mill en Sint Hubert 8,2
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 13,9
Oirschot 13,8
Oisterwijk 8,3
Oosterhout 16,9
Oss 14,8
Rucphen 10,8
Sint-Michielsgestel 12,2
Someren 11,3
Son en Breugel 13,7
Steenbergen 13,2
Waterland 20,2
Tilburg 13,4
Uden 15,1
Valkenswaard 14,4
Veldhoven 10,1
Vught 14,8
Waalre 14,8
Waalwijk 17,6
Woensdrecht 9,5
Zundert 13,6
Wormerland 12,9
Landgraaf 11
Beek (L.) 23,3
Beesel 5,2
Bergen (L.) 9,2
Brunssum 18,1
Gennep 11,7
Heerlen 16,8
Kerkrade 15,6
Maastricht 10,7
Meerssen 7,5
Mook en Middelaar 1,3
Nederweert 14
Roermond 13,1
Simpelveld 13,4
Stein (L.) 8,4
Vaals 6,9
Venlo 12,6
Venray 14,4
Voerendaal 24,9
Weert 15,8
Valkenburg aan de Geul 14,7
Lelystad 12,9
Horst aan de Maas 12,9
Oude IJsselstreek 16,5
Teylingen 23,8
Utrechtse Heuvelrug 16,2
Oost Gelre 8,8
Koggenland 18,3
Lansingerland 18,1
Leudal 12,5
Maasgouw 11,7
Gemert-Bakel 14,3
Halderberge 11,5
Heeze-Leende 11,7
Laarbeek 18
Reusel-De Mierden 11,4
Roerdalen 14,6
Roosendaal 8,8
Schouwen-Duiveland 17
Aa en Hunze 16,1
Borger-Odoorn 13,3
Cuijk 9,8
Landerd 24
De Wolden 8,2
Noord-Beveland 26,4
Wijdemeren 13,1
Noordenveld 17,3
Twenterand 8,6
Westerveld 1
Sint Anthonis 12
Lingewaard 13,7
Cranendonck 15,2
Steenwijkerland 15,6
Moerdijk 13,7
Echt-Susteren 20,2
Sluis 5,2
Drimmelen 13,2
Bernheze 10,5
Alphen-Chaam 23,1
Bergeijk 11,2
Bladel 14,6
Gulpen-Wittem 25,3
Tynaarlo 9,4
Midden-Drenthe 11,1
Overbetuwe 17,2
Hof van Twente 8
Neder-Betuwe 15,8
Rijssen-Holten 18,6
Geldrop-Mierlo 11,5
Olst-Wijhe 13,6
Dinkelland 6,8
Westland 16,1
Midden-Delfland 23,2
Berkelland 8,9
Bronckhorst 11,9
Sittard-Geleen 16,5
Kaag en Braassem 15,2
Dantumadiel 17,9
Zuidplas 9,8
Peel en Maas 14,2
Oldambt 19,3
Zwartewaterland 18,4
S�dwest-Frysl�n 18,7
Bodegraven-Reeuwijk 13,9
Eijsden-Margraten 12,7
Stichtse Vecht 18,7
Hollands Kroon 14,2
Leidschendam-Voorburg 15,8
Goeree-Overflakkee 16,6
Pijnacker-Nootdorp 13,3
Nissewaard 20,8
Krimpenerwaard 18,2
De Fryske Marren 17,2
Gooise Meren 16,6
Berg en Dal 15,1
Meierijstad 13,6
Waadhoeke 18,9
Westerwolde 19,1
Midden-Groningen 18,3
Beekdaelen 13,6
Montferland 13,3
Altena 11
West Betuwe 12,8
Vijfheerenlanden 11,8
Hoeksche Waard 20,7
Het Hogeland 17,8
Westerkwartier 15,4
Noardeast-Frysl�n 8,8
Molenlanden 11,3
Eemsdelta 22,4
3.5.3 Aantal statushouders 2019 per 10 000 inwoners van de gemeentelijke bevolking, 2 maanden na verlaten van COA-opvang
GemNaam 19_2
Groningen (gemeente) 7,5
Almere 6,4
Stadskanaal 10,7
Veendam 10,9
Zeewolde 6,6
Achtkarspelen 7,2
Ameland 0,0001
Harlingen 8,9
Heerenveen 8,9
Leeuwarden 4,7
Ooststellingwerf 10,6
Opsterland 7,4
Schiermonnikoog 0,0001
Smallingerland 5,9
Terschelling 0,0001
Vlieland 0,0001
Weststellingwerf 3,8
Assen 3,6
Coevorden 9,1
Emmen 8,8
Hoogeveen 7,7
Meppel 8,7
Almelo 7,2
Borne 8,9
Dalfsen 9,7
Deventer 7,6
Enschede 9,8
Haaksbergen 7
Hardenberg 10,3
Hellendoorn 7,2
Hengelo (O.) 6,4
Kampen 4,2
Losser 4,4
Noordoostpolder 8,6
Oldenzaal 6,9
Ommen 2,7
Raalte 7,6
Staphorst 16,8
Tubbergen 5,6
Urk 9,4
Wierden 11
Zwolle 6,8
Aalten 5,5
Apeldoorn 6,4
Arnhem 5,7
Barneveld 7,2
Beuningen 8,4
Brummen 12
Buren 5,9
Culemborg 11
Doesburg 4,5
Doetinchem 7,9
Druten 11,1
Duiven 12
Ede 8,4
Elburg 9
Epe 7,2
Ermelo 8,5
Harderwijk 12,7
Hattem 14,7
Heerde 11,2
Heumen 12,7
Lochem 8,8
Maasdriel 8,3
Nijkerk 10,8
Nijmegen 8,2
Oldebroek 10,5
Putten 9,9
Renkum 11,8
Rheden 6,4
Rozendaal 0,0001
Scherpenzeel 15,8
Tiel 9,8
Voorst 6,5
Wageningen 9,3
Westervoort 14,7
Winterswijk 5,2
Wijchen 4,6
Zaltbommel 6,8
Zevenaar 9,1
Zutphen 7,1
Nunspeet 4,6
Dronten 7,9
Amersfoort 6,4
Baarn 6,5
De Bilt 9,2
Bunnik 9,1
Bunschoten 5,4
Eemnes 6,4
Houten 6,2
Leusden 4,3
Lopik 3,5
Montfoort 7,2
Renswoude 5,4
Rhenen 4,9
Soest 5,5
Utrecht (gemeente) 6,7
Veenendaal 8,1
Woudenberg 3,7
Wijk bij Duurstede 8,4
IJsselstein 7,4
Zeist 8,5
Nieuwegein 10,5
Aalsmeer 7,8
Alkmaar 8,7
Amstelveen 10,1
Amsterdam 11,7
Beemster 17,8
Bergen (NH.) 10,1
Beverwijk 11,5
Blaricum 11,7
Bloemendaal 20
Castricum 6,1
Diemen 7
Edam-Volendam 9,4
Enkhuizen 9,1
Haarlem 10,6
Haarlemmermeer 7,1
Heemskerk 13,3
Heemstede 13,4
Heerhugowaard 6,9
Heiloo 4,6
Den Helder 9,4
Hilversum 8,5
Hoorn 9,4
Huizen 8
Landsmeer 8,6
Langedijk 11,3
Laren (NH.) 12,3
Medemblik 5,8
Oostzaan 16,5
Opmeer 5
Ouder-Amstel 10,6
Purmerend 8,1
Schagen 7,1
Texel 17,6
Uitgeest 11
Uithoorn 9,6
Velsen 9
Weesp 8,3
Zandvoort 14,6
Zaanstad 11,5
Alblasserdam 8,4
Alphen aan den Rijn 6,6
Barendrecht 7,6
Drechterland 19,7
Brielle 17,2
Capelle aan den IJssel 8,3
Delft 8,1
Dordrecht 12,2
Gorinchem 11
Gouda 10,2
's-Gravenhage (gemeente) 11,1
Hardinxveld-Giessendam 13,6
Hellevoetsluis 11,9
Hendrik-Ido-Ambacht 9
Stede Broec 9,7
Hillegom 9
Katwijk 4,7
Krimpen aan den IJssel 4,1
Leiden 6,6
Leiderdorp 6,6
Lisse 11,3
Maassluis 3
Nieuwkoop 7,9
Noordwijk 8,2
Oegstgeest 8
Oudewater 4,9
Papendrecht 12,7
Ridderkerk 9,9
Rotterdam 9,5
Rijswijk (ZH.) 8,5
Schiedam 8,6
Sliedrecht 12,5
Albrandswaard 13,6
Westvoorne 11,4
Vlaardingen 10
Voorschoten 8,2
Waddinxveen 7,5
Wassenaar 2,6
Woerden 5,7
Zoetermeer 7,4
Zoeterwoude 6,8
Zwijndrecht 11,2
Borsele 9,6
Goes 12,4
West Maas en Waal 13,3
Hulst 10,9
Kapelle 7
Middelburg (Z.) 9,6
Reimerswaal 10,5
Terneuzen 10,1
Tholen 4,6
Veere 5,9
Vlissingen 6,3
De Ronde Venen 5,4
Tytsjerksteradiel 7,2
Asten 6,5
Baarle-Nassau 10,1
Bergen op Zoom 14,5
Best 8,6
Boekel 1,8
Boxmeer 13,2
Boxtel 6,7
Breda 7,8
Deurne 6,2
Pekela 12,3
Dongen 9,9
Eersel 8,2
Eindhoven 8,3
Etten-Leur 10
Geertruidenberg 13,3
Gilze en Rijen 7,9
Goirle 8,4
Grave 15,2
Helmond 8,9
's-Hertogenbosch 10,3
Heusden 8,2
Hilvarenbeek 8,9
Loon op Zand 8,9
Mill en Sint Hubert 4,5
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 8
Oirschot 11,1
Oisterwijk 8,3
Oosterhout 9,8
Oss 9
Rucphen 9,5
Sint-Michielsgestel 9,2
Someren 4,1
Son en Breugel 7,4
Steenbergen 10,7
Waterland 11,6
Tilburg 7,9
Uden 11,8
Valkenswaard 7
Veldhoven 7,5
Vught 16,4
Waalre 12
Waalwijk 6,6
Woensdrecht 7,3
Zundert 9,1
Wormerland 12,9
Landgraaf 4,3
Beek (L.) 10,1
Beesel 9,7
Bergen (L.) 7,6
Brunssum 5,8
Gennep 15,8
Heerlen 4,9
Kerkrade 6,2
Maastricht 5,8
Meerssen 3,8
Mook en Middelaar 8,9
Nederweert 2,9
Roermond 5,6
Simpelveld 10,5
Stein (L.) 8,8
Vaals 7,9
Venlo 5,3
Venray 10,5
Voerendaal 16,8
Weert 5,4
Valkenburg aan de Geul 9,2
Lelystad 3,4
Horst aan de Maas 9,4
Oude IJsselstreek 5,1
Teylingen 5,6
Utrechtse Heuvelrug 9,2
Oost Gelre 6,1
Koggenland 10,9
Lansingerland 11
Leudal 6,7
Maasgouw 6,7
Gemert-Bakel 9,1
Halderberge 14,1
Heeze-Leende 12,3
Laarbeek 11
Reusel-De Mierden 6,9
Roerdalen 6,8
Roosendaal 12,4
Schouwen-Duiveland 6,5
Aa en Hunze 8,7
Borger-Odoorn 7,4
Cuijk 11
Landerd 1,9
De Wolden 12,7
Noord-Beveland 4
Wijdemeren 15,1
Noordenveld 6,7
Twenterand 8,3
Westerveld 9,2
Sint Anthonis 6
Lingewaard 6,8
Cranendonck 10
Steenwijkerland 8,3
Moerdijk 10,2
Echt-Susteren 10,1
Sluis 8,6
Drimmelen 11,7
Bernheze 11,1
Alphen-Chaam 4,8
Bergeijk 16,5
Bladel 5,8
Gulpen-Wittem 14,1
Tynaarlo 4,1
Midden-Drenthe 3,6
Overbetuwe 10,8
Hof van Twente 7,4
Neder-Betuwe 10,5
Rijssen-Holten 6,5
Geldrop-Mierlo 7,2
Olst-Wijhe 12,5
Dinkelland 6,4
Westland 8,6
Midden-Delfland 1
Berkelland 6,4
Bronckhorst 11,1
Sittard-Geleen 8,8
Kaag en Braassem 10,9
Dantumadiel 7,4
Zuidplas 7,8
Peel en Maas 10,3
Oldambt 7,3
Zwartewaterland 10,1
S�dwest-Frysl�n 6,9
Bodegraven-Reeuwijk 5,1
Eijsden-Margraten 9,3
Stichtse Vecht 9,4
Hollands Kroon 8,9
Leidschendam-Voorburg 10,7
Goeree-Overflakkee 10,3
Pijnacker-Nootdorp 9
Nissewaard 9,9
Krimpenerwaard 8,3
De Fryske Marren 11,6
Gooise Meren 8,4
Berg en Dal 9,7
Meierijstad 3,6
Waadhoeke 3,9
Westerwolde 22,9
Midden-Groningen 8,7
Beekdaelen 5,3
Montferland 9,7
Altena 9,8
West Betuwe 4,1
Vijfheerenlanden 9,3
Hoeksche Waard 11
Het Hogeland 7,9
Westerkwartier 8,5
Noardeast-Frysl�n 7,7
Molenlanden 7,3
Eemsdelta 5,7
3.5.4 Aantal statushouders 2019 per 10 000 inwoners van de gemeentelijke bevolking, 24 maanden na verlaten van COA-opvang
GemNaam 19_24
Groningen (gemeente) 7,9
Almere 5,1
Stadskanaal 10,7
Veendam 10,9
Zeewolde 3,9
Achtkarspelen 4,3
Ameland 0,0001
Harlingen 8,2
Heerenveen 8,7
Leeuwarden 4,3
Ooststellingwerf 10,6
Opsterland 7
Schiermonnikoog 0,0001
Smallingerland 5,2
Terschelling 0,0001
Vlieland 0,0001
Weststellingwerf 4,2
Assen 3,1
Coevorden 8,8
Emmen 8,4
Hoogeveen 8,5
Meppel 8,1
Almelo 6,3
Borne 6,8
Dalfsen 9,3
Deventer 8
Enschede 10,3
Haaksbergen 6,6
Hardenberg 9,6
Hellendoorn 7,2
Hengelo (O.) 6,2
Kampen 3,3
Losser 4,4
Noordoostpolder 8
Oldenzaal 6,6
Ommen 2,7
Raalte 6,3
Staphorst 15,6
Tubbergen 5,2
Urk 9,4
Wierden 9,4
Zwolle 6,2
Aalten 5,9
Apeldoorn 6,7
Arnhem 5,8
Barneveld 6,3
Beuningen 8
Brummen 11
Buren 5,6
Culemborg 10,6
Doesburg 0,9
Doetinchem 6,9
Druten 7,9
Duiven 10,8
Ede 8,5
Elburg 6,8
Epe 7,2
Ermelo 8,5
Harderwijk 11,5
Hattem 7,4
Heerde 8,5
Heumen 8,4
Lochem 8,2
Maasdriel 8,6
Nijkerk 7,8
Nijmegen 8,7
Oldebroek 10,5
Putten 9
Renkum 11,1
Rheden 5,7
Rozendaal 0,0001
Scherpenzeel 15,8
Tiel 10
Voorst 4,8
Wageningen 8,8
Westervoort 13,3
Winterswijk 3,1
Wijchen 4,4
Zaltbommel 6,8
Zevenaar 9,1
Zutphen 5,8
Nunspeet 5
Dronten 7,1
Amersfoort 6
Baarn 5,2
De Bilt 8,3
Bunnik 7,2
Bunschoten 4,5
Eemnes 6,4
Houten 6
Leusden 4,6
Lopik 2,8
Montfoort 5,8
Renswoude 3,6
Rhenen 4,5
Soest 4,1
Utrecht (gemeente) 6,8
Veenendaal 7,5
Woudenberg 2,9
Wijk bij Duurstede 5,9
IJsselstein 7,7
Zeist 9,4
Nieuwegein 9,9
Aalsmeer 6,9
Alkmaar 8,6
Amstelveen 9,4
Amsterdam 10,3
Beemster 15,8
Bergen (NH.) 8,1
Beverwijk 11
Blaricum 7,5
Bloemendaal 13,2
Castricum 3
Diemen 6,4
Edam-Volendam 7,7
Enkhuizen 9,1
Haarlem 9,6
Haarlemmermeer 7,1
Heemskerk 11
Heemstede 8,3
Heerhugowaard 6,5
Heiloo 2,1
Den Helder 6,2
Hilversum 7,7
Hoorn 8,8
Huizen 7,3
Landsmeer 11,2
Langedijk 6,4
Laren (NH.) 7
Medemblik 5,1
Oostzaan 8,3
Opmeer 2,5
Ouder-Amstel 10,6
Purmerend 7,1
Schagen 5,8
Texel 17,6
Uitgeest 11,7
Uithoorn 8,9
Velsen 8,6
Weesp 8,3
Zandvoort 11,1
Zaanstad 11,1
Alblasserdam 6,5
Alphen aan den Rijn 6,5
Barendrecht 7,8
Drechterland 10,1
Brielle 17,2
Capelle aan den IJssel 8,3
Delft 9
Dordrecht 10,2
Gorinchem 10,7
Gouda 10
's-Gravenhage (gemeente) 10,6
Hardinxveld-Giessendam 13
Hellevoetsluis 8,7
Hendrik-Ido-Ambacht 8,6
Stede Broec 9,7
Hillegom 8,1
Katwijk 4,2
Krimpen aan den IJssel 4,1
Leiden 6,5
Leiderdorp 6,6
Lisse 11,3
Maassluis 3,3
Nieuwkoop 7,5
Noordwijk 7,5
Oegstgeest 7,6
Oudewater 3,9
Papendrecht 12,7
Ridderkerk 8,8
Rotterdam 9
Rijswijk (ZH.) 7,2
Schiedam 7,3
Sliedrecht 10,9
Albrandswaard 12,8
Westvoorne 11,4
Vlaardingen 9,7
Voorschoten 8,2
Waddinxveen 7,5
Wassenaar 3,7
Woerden 5,7
Zoetermeer 6,1
Zoeterwoude 6,8
Zwijndrecht 9,6
Borsele 9,6
Goes 13,2
West Maas en Waal 12,3
Hulst 9,4
Kapelle 7,8
Middelburg (Z.) 9,8
Reimerswaal 9,2
Terneuzen 10,6
Tholen 3,5
Veere 4,6
Vlissingen 5,6
De Ronde Venen 5,1
Tytsjerksteradiel 4,1
Asten 5,9
Baarle-Nassau 11,6
Bergen op Zoom 11,8
Best 5,3
Boekel 1,8
Boxmeer 9,8
Boxtel 3
Breda 7,4
Deurne 4,6
Pekela 11,5
Dongen 9,9
Eersel 7,7
Eindhoven 8,2
Etten-Leur 9,6
Geertruidenberg 10,6
Gilze en Rijen 4,9
Goirle 4,2
Grave 10,4
Helmond 8,4
's-Hertogenbosch 8,3
Heusden 7,6
Hilvarenbeek 4,5
Loon op Zand 8,9
Mill en Sint Hubert 3,6
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 7,6
Oirschot 9,6
Oisterwijk 5,9
Oosterhout 8,4
Oss 9,1
Rucphen 7,4
Sint-Michielsgestel 4,4
Someren 4,1
Son en Breugel 6,3
Steenbergen 8,2
Waterland 6,4
Tilburg 8,1
Uden 9,2
Valkenswaard 6,4
Veldhoven 5,5
Vught 12,9
Waalre 5,7
Waalwijk 7,8
Woensdrecht 6,4
Zundert 9,6
Wormerland 11
Landgraaf 4,6
Beek (L.) 6,9
Beesel 9,7
Bergen (L.) 6,1
Brunssum 5,4
Gennep 15,8
Heerlen 3,9
Kerkrade 5,7
Maastricht 5
Meerssen 3,8
Mook en Middelaar 6,3
Nederweert 2,9
Roermond 4,9
Simpelveld 9,5
Stein (L.) 8,4
Vaals 6,9
Venlo 5,4
Venray 11
Voerendaal 16
Weert 4,6
Valkenburg aan de Geul 8,6
Lelystad 2,4
Horst aan de Maas 8,9
Oude IJsselstreek 4,1
Teylingen 3,4
Utrechtse Heuvelrug 6,2
Oost Gelre 4,4
Koggenland 11,8
Lansingerland 10,6
Leudal 3,3
Maasgouw 6,3
Gemert-Bakel 9,1
Halderberge 13,5
Heeze-Leende 11,1
Laarbeek 8,8
Reusel-De Mierden 6,1
Roerdalen 8,3
Roosendaal 12,4
Schouwen-Duiveland 5,9
Aa en Hunze 5,9
Borger-Odoorn 6,3
Cuijk 9,4
Landerd 1,9
De Wolden 9,4
Noord-Beveland 2,6
Wijdemeren 11
Noordenveld 6,7
Twenterand 9,5
Westerveld 4,6
Sint Anthonis 4,3
Lingewaard 5,8
Cranendonck 9,5
Steenwijkerland 7
Moerdijk 9,1
Echt-Susteren 7,9
Sluis 8,2
Drimmelen 6,6
Bernheze 8,9
Alphen-Chaam 3,9
Bergeijk 14,9
Bladel 5,8
Gulpen-Wittem 12
Tynaarlo 4,4
Midden-Drenthe 3,3
Overbetuwe 10
Hof van Twente 7,1
Neder-Betuwe 9,7
Rijssen-Holten 7,1
Geldrop-Mierlo 7,7
Olst-Wijhe 12
Dinkelland 4,9
Westland 6,9
Midden-Delfland 0,5
Berkelland 5,2
Bronckhorst 9,4
Sittard-Geleen 7,6
Kaag en Braassem 5,4
Dantumadiel 6,9
Zuidplas 7,5
Peel en Maas 9,8
Oldambt 5,7
Zwartewaterland 4,8
S�dwest-Frysl�n 6
Bodegraven-Reeuwijk 4,8
Eijsden-Margraten 6,2
Stichtse Vecht 8,8
Hollands Kroon 9,1
Leidschendam-Voorburg 11
Goeree-Overflakkee 10,3
Pijnacker-Nootdorp 8,6
Nissewaard 9
Krimpenerwaard 7,2
De Fryske Marren 10,2
Gooise Meren 7,2
Berg en Dal 8,9
Meierijstad 2,9
Waadhoeke 3,9
Westerwolde 12,2
Midden-Groningen 8,2
Beekdaelen 4,4
Montferland 9,4
Altena 9,9
West Betuwe 3,3
Vijfheerenlanden 7,8
Hoeksche Waard 10,3
Het Hogeland 7,1
Westerkwartier 8
Noardeast-Frysl�n 7,5
Molenlanden 6,8
Eemsdelta 5,9

Statushouders wonen steeds een beetje stedelijker

Wel zien we dat de statushouders naarmate ze langer in Nederland verblijven steeds iets stedelijker gaan wonen. Van het cohort 2014 woonde na twee maanden 52 procent in sterk of zeer sterk stedelijk gebied, na 84 maanden is dat toegenomen tot 57 procent. Voor cohort 2015 zien we een vergelijkbare toename: van 54 procent na twee maanden naar 58 procent na 72 maanden. Ook de vergunningscohorten 2016 t/m 2019 zijn in de loop der tijd iets stedelijker gaan wonen. Opvallend is dat statushouders van cohort 2021 na 2 maanden minder vaak in een sterk of zeer sterk stedelijk gebied woonden dan eerdere cohorten: 50 procent voor cohort 2021 tegenover ongeveer 54 procent voor eerdere cohorten. Dit kan wellicht te maken hebben met het (toenemende) woningtekort waardoor statushouders langer in de centrale opvang in Ter Apel moeten verblijven.

Overigens betekent deze stijging in het stedelijker wonen niet per definitie dat de statushouders ook daadwerkelijk naar een sterk of zeer sterk stedelijk gebied zijn verhuisd. Door gemeentelijke herindelingen kan een gemeente na verloop van tijd in een andere categorie vallen waardoor de inwoners van die gemeente ‘automatisch’ in een ander stedelijkheidsgebied terecht komen. Ter vergelijking: van alle Nederlanders woonde in 2022 56 procent in sterk of zeer sterk verstedelijkt gebied.

3.5.5 Aandeel statushouders dat (zeer) sterk stedelijk woont, naar vergunningscohort en aantal maanden na verlaten COA-opvang (%)
Vergunningscohort 2 12 24 36 48 60 72 84
2014 53,0 53,6 54,1 55,5 56,3 57,0 57,3 56,9
2015 53,9 55,2 56,0 56,8 57,4 57,9 58,3 .
2016 53,9 55,1 56,0 56,8 57,3 57,8 . .
2017 52,2 53,4 54,1 55,0 56,0 . . .
2018 52,9 53,7 54,8 55,5 . . . .
2019 55,4 56,5 57,5 . . . . .
2020 53,8 54,7 . . . . . .
2021 49,7 . . . . . . .

Statushouders wonen vooral in huurwoningen

Het merendeel van de statushouders die in de periode 2014 tot en met eerste helft 2022 een verblijfsvergunning ontvingen (215 duizend), woont op 1 juli 2022 samen in 74 duizend huishoudens. Van deze huishoudens woont op 1 juli 2022 het overgrote deel (95 procent) in een huurwoning. Ongeveer 3,5 procent van de huishoudens woont in een eigen woning. Van een klein deel van de huishoudens is het eigendom van de woning onbekend. Ter vergelijking: 42 procent van de bewoonde woningen in Nederland betreft in 2022 een huurwoning, 58 procent een eigen woning. Voor de oudere vergunningscohorten is een lichte stijging te zien in het aandeel huishoudens dat in een eigen woning woont, dit geldt met name voor statushouders met een Afghaanse, Iraanse of Iraakse nationaliteit. Afgezien van de Turken (waarbij de kleine aantallen een vertekend beeld geven) vinden we onder Afghanen en Iraniërs sowieso in alle cohorten het hoogste aandeel huishoudens dat in een koopwoning woont, ongeveer 9 procent voor cohort 2014.

3.5.6 Aandeel huishoudens in eigen woning voor vergunningscohort 2014 (%)
Categorie 1 Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije* Overig/onbekend
2015 0,6 1,7 2,6 0 1,1 . 1,1
2016 0,5 0,8 3,3 0,2 2 . 1,2
2017 0,5 1 3,1 0,2 2 . 1,6
2018 1 2 3,6 0,4 2,3 . 1,6
2019 1,5 3,2 3,9 0,5 2,4 . 2,3
2020 2 3,9 6,8 0,6 4,4 . 2,9
2021 2,9 5,5 6,9 0,8 6,1 . 3,4
2022 3,8 6,4 8,5 1 8,3 . 4,4
* Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije een vertekend beeld. Deze nationaliteit is daarom in deze figuur weggelaten. In het dashboard vindt u wel de cijfers voor Turkije.

3.6Huishoudenssamenstelling

Steeds meer statushouders thuiswonend kind, aantal alleenstaanden neemt af

De figuur laat zien dat de jongere vergunningscohorten (vanaf 2016) voor een steeds groter deel bestaan uit met name thuiswonende kinderen maar ook uit stellen (met en zonder kinderen). Van het vergunningscohort 2014, gemeten in de eerste maand buiten de asielopvang, is 28 procent een thuiswonend kind. Van het vergunningscohort 2022 (de eerste helft) is dit 64 procent.

Het aandeel alleenstaanden neemt steeds verder af. Een groot deel van de asielzoekers komt als alleenstaande naar Nederland. Van de mensen die in 2014 een verblijfsvergunning krijgen, is 39 procent alleenstaand op het moment dat zij worden gehuisvest in een gemeente. Op het moment dat statushouders uit 2017, 2018 of 2019 worden gehuisvest in een gemeente (en zij dus uit de COA opvanglocatie vertrekken), is 13 tot 18 procent alleenstaand. Voor vergunningscohort 2020 neemt het aandeel alleenstaanden tijdelijk wat toe tot 26 procent om vervolgens weer sterk af te nemen tot slechts 2 procent voor status­houders uit de eerste helft van 2022. De afname (zowel tussen cohorten 2014 en 2017, als die van 2021 en 2022) van het aandeel alleenstaanden wordt veroorzaakt door de nareis van familieleden. Het aandeel partners (zowel met als zonder kinderen) stijgt in de periode tussen het verkrijgen van de vergunning en het moment dat mensen een woning toegewezen krijgen. Opvallend is het hoge aandeel ‘overig lid van een huishouden’ (bijna een kwart) in de eerste helft van 2022. Dit kunnen bijvoorbeeld grootouders of ooms en tantes zijn.

3.6.1 Plaats in het huishouden van personen met verblijfsvergunning asiel, op moment van huisvesting in gemeente (eerste maand buiten asielopvang), naar vergunningscohort
Categorie 1 Alleenstaande Thuiswonend kind Partner in paar met kinderen Partner in paar zonder kinderen Ouder in eenouderhuishouden Overig lid huishouden
Eerste helft 2022 35 1115 75 105 10 410
2021 2355 8185 3080 1040 370 700
2020 4305 6940 3005 890 570 575
2019 2655 7680 2765 780 450 720
2018 2160 7985 3060 995 615 820
2017 3555 13220 6875 1520 840 1800
2016 10090 12655 6385 2575 1230 2520
2015 9880 10335 5820 2240 835 2290
2014 7475 5375 3420 1210 540 1300

3.7Onderwijs

Steeds meer statushouders volgen onderwijs

Van alle statushouders die in 2014 hun vergunning kregen, volgt 29 procent onderwijs op 1 oktober 2015. Drie jaar later (op 1 oktober 2018) volgt 41 procent van hen onderwijs. Dit percentage daalt daarna naar 38 procent in 2022. Van de statushouders die in 2015 een vergunning kregen volgt 44 procent op 1 oktober 2022 onderwijs en voor degenen die in 2016 een vergunning kregen is dit 46 procent. Voor het cohort 2017 is dit 54 procent, voor het cohort 2018 55 procent, voor het cohort 2019 37 procent en voor het cohort 2020 29 procent. Een interessant gegeven is dat niet-leerplichtige jongeren vanaf 18 jaar vaker onderwijs volgen naarmate ze langer in Nederland zijn. Zij volgen vaak een opleiding binnen het middelbaar beroepsonderwijs.

Hoge onderwijsdeelname voor recente cohorten amv’s

Onder de amv’s laten de diverse cohorten steeds hogere percentages onderwijsvolgenden zien op 1 oktober 2022. Zo volgde 44 procent van alle amv’s die in 2014 hun vergunning kregen op 1 oktober 2022 onderwijs (6 procentpunten meer dan de totale groep status­houders). Voor de cohorten na 2014 loopt het percentage onderwijsvolgenden op 1 oktober 2022 voor amv’s geleidelijk op naar 80 procent voor cohort 2020.

3.7.1 Onderwijspositie op 1 oktober 2022 van personen met verblijfsvergunning asiel verkregen in 2018, naar onderwijssoort en leeftijd
Categorie 1 Geen onderwijs Primair onderwijs Voortgezet onderwijs Mbo Hbo Wo Vertrokken/overleden
5 tot 12 jaar 55 2185 0 0 0 0 35
12 tot 18 jaar 5 320 1160 190 0 0 15
18 tot 23 jaar 295 10 95 1000 30 15 40
23 jaar of ouder 6375 0 5 675 130 70 205

Toename mbo gestopt, stijging deelname aan hbo en wo

Naarmate statushouders langer in Nederland zijn, stromen zij van het voortgezet onderwijs vooral uit naar het middelbaar beroepsonderwijs en het praktijkonderwijs. Waar er van de personen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen ongeveer 350 personen (15 procent) praktijkonderwijs of vmbo volgen in 2015, zijn dat er in 2018 ongeveer 1 010 (23 procent). In 2022 is het percentage gedaald naar 14 procent (650 personen). Het lagere deelnamepercentage wordt veroorzaakt doordat het cohort 2014 inmiddels wat ouder is geworden en uit het onderwijs is gestroomd. Het praktijkonderwijs is bedoeld voor leerlingen die beter zijn in het opdoen van praktische kennis dan van theoretische kennis, en moeite hebben om een vmbo-diploma te halen vanwege een leerachterstand op de gebieden taal en rekenen.

Statushouders die het voortgezet onderwijs verlaten, stromen met name door naar het middelbaar beroepsonderwijs. Het aandeel statushouders uit 2014 dat een mbo-opleiding volgt is eerst gestegen van 12 procent in 2015 naar 55 procent in 2018 en vervolgens iets gedaald naar 50 procent in 2022. De daling van het aandeel mbo gaat gepaard met een stijging van deelname aan hbo en wo (van 2 procent in 2015 naar 10 procent in 2022), met name onder Turkse statushouders zien we dit. In de meest recente jaren zien we daarnaast ook een stijging van het aandeel personen dat een brugklas of internationale schakelklas volgt. Dit kan verklaard worden door een toename van kinderen uit cohort 2014 die de brugklasleeftijd hebben bereikt.

3.7.2 Onderwijsniveau vanaf voortgezet onderwijs op 1 oktober 2015 tot en met 1 oktober 2022 van personen met verblijfsvergunning asiel verkregen in 2014
Categorie 1 Brugklas/internationale schakelklas Praktijkonderwijs Vmbo Havo/vwo Vavo Mbo Hbo Wo
2015 1525 35 315 85 70 285 30 20
2016 780 175 515 155 130 1010 105 70
2017 250 295 620 225 110 1965 230 125
2018 115 305 705 330 60 2405 285 140
2019 80 285 745 405 45 2275 320 125
2020 105 240 750 525 25 2160 355 125
2021 300 195 635 595 30 2005 355 140
2022 605 160 485 585 45 2340 350 135

Meerderheid van amv’s volgt mbo-opleiding en vindt steeds vaker de weg naar hbo en wo

De overgrote meerderheid van de amv’s stroomt uiteindelijk uit naar het middelbaar beroepsonderwijs. Van alle amv’s uit cohort 2014 volgt 72 procent op 1 oktober 2017 een mbo-opleiding, in 2022 is dat percentage gestegen naar 82. Ook steeds meer amv’s volgen een hbo- of wo-opleiding. Van de amv’s die in 2014 een verblijfsvergunning kregen volgde 9 procent op 1 oktober 2022 een opleiding op hbo- of wo-niveau, op 1 oktober 2017 was dat nog minder dan 2 procent.

Steeds hoger mbo-niveau

Met betrekking tot het niveau van de mbo-opleiding volgen statushouders in de eerste jaren met name niveau 1 (70 procent van de statushouders van het cohort 2017 die mbo volgen in 2018), maar dat verandert geleidelijk naar niveau 2. In oktober 2021 en 2022 volgen er meer statushouders niveau 2 dan niveau 1. Ook de andere niveaus (3 en 4) nemen in aandeel toe, zij het niet zo hard als niveau 2. Toch volgt al een kwart van de statushouders van cohort 2017 op 1 oktober 2022 een mbo-opleiding op niveau 4. Relatief gezien volgen veel statushouders uit Eritrea een mbo-opleiding (61 procent van alle onderwijsvolgende Eritrese (cohort 2017) statushouders in 2021), veelal wel op een laag niveau. Dat heeft te maken met de leeftijdsverdeling van de statushouders: er zijn relatief veel Eritrese statushouders in de leeftijd van 18 tot 23 jaar. Iraanse statushouders daarentegen volgen vaker een mbo-opleiding op niveau 3 of 4. Zo volgde 40 procent van de Iraanse statushouders van cohort 2017 op 1 oktober 2022 een mbo-opleiding op niveau 4, 15 procentpunten meer dan het aandeel voor alle statushouders uit dit cohort.

3.7.3 Mbo-niveau vanaf 1 oktober 2015 tot en met 1 oktober 2022 van personen met een verblijfsvergunning asiel verkregen in 2014, 2015, 2016 en 2017
Categorie 1 Categorie 2 MBO-1 MBO-2 MBO-3 MBO-4
2014 '15, 2014 195 60 15 20
2014 '16, 2014 715 200 45 50
2014 '17, 2014 1130 565 115 150
2014 '18, 2014 870 1010 230 300
2014 '19, 2014 505 1015 305 450
2014 '20, 2014 285 915 345 610
2014 '21, 2014 235 750 355 665
2014 '22, 2014 280 800 425 835
2014 , 2014 . . . .
2015 '16, 2015 215 45 5 20
2015 '17, 2015 1305 275 60 125
2015 '18, 2015 1900 1110 220 395
2015 '19, 2015 1380 1760 345 680
2015 '20, 2015 825 1810 490 995
2015 '21, 2015 525 1600 590 1220
2015 '22, 2015 575 1715 725 1555
2015 , 2015 . . . .
2016 '17, 2016 470 75 20 30
2016 '18, 2016 1705 580 135 220
2016 '19, 2016 1825 1525 290 510
2016 '20, 2016 1165 1995 445 830
2016 '21, 2016 695 1875 600 1175
2016 '22, 2016 705 2005 835 1550
2016 , 2016 . . . .
2017 '18, 2017 335 90 15 40
2017 '19, 2017 1280 410 90 170
2017 '20, 2017 1260 1095 170 355
2017 '21, 2017 850 1435 290 585
2017 '22, 2017 825 1600 470 920

Ook amv’s volgen steeds vaker een hoger mbo-niveau

Evenals voor de totale groep statushouders geldt ook voor amv’s dat zij uiteindelijk vaker een mbo-opleiding op niveau 2 volgen dan op niveau 1. Het aandeel amv’s dat niveau 2 volgt op 1 oktober 2022 ligt voor cohort 2017 op 51 procent, bijna 10 procentpunten hoger dan voor de totale groep statushouders. Aan de andere kant volgen amv’s wat minder vaak een mbo-opleiding op niveau 4: 13 procent om 24 procent.

3.8Inburgering

44 procent van cohort 2014 heeft inburgeringsexamen behaald, 29 procent niet inburgeringsplichtig

Figuur 3.8.1 laat per nationaliteitnoot9 zien hoe het met de inburgeringsplicht staat op 1 oktober 2022, voor iedereen die in 2014 een vergunning ontving. De meeste personen die een verblijfsvergunning asiel ontvangen en tussen de 18 en 65 jaar oud zijn, zijn inburgerings­plichtig. Van de bijna 20 duizend personen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen was echter 29 procent niet-inburgeringsplichtig. De groep niet-inburgeringsplichtigen betreft vrijwel altijd kinderen tot 18 jaar of personen die 65 jaar of ouder zijn: zij zijn uitgesloten van de inburgeringsplicht. Ook is het mogelijk voor een statushouder om een ontheffing te krijgen wanneer hij of zij een psychische of lichamelijke beperking of een verstandelijke handicap heeft. Ook als de inburgeraar aangetoond heeft zich voldoende ingespannen te hebben om aan de inburgeringsvereiste te voldoen, is ontheffing van de inburgeringsplicht mogelijk. Voor 19 procent van de statushouders van cohort 2014 geldt dat zij een dergelijke ontheffing hebben. Verder geldt voor dit cohort dat 44 procent het inburgeringsexamen heeft behaald. Slechts een klein deel van de statushouders uit het cohort 2014 heeft in oktober 2022 het inburgeringsexamen nog niet gehaald: dit gaat om 160 mensen, of 1 procent van alle mensen in het totale vergunnings­cohort van 2014. Deze personen hebben een overschrijding en krijgen een boete. In totaal 245 statushouders (1,2 procent) van het totale vergunningscohort 2014 hebben nog niet voldaan aan de inburgeringsplicht, maar hebben ook (nog) geen overschrijding. Zij kregen een verlenging van de inburgeringstermijn. Een statushouder kan bijvoorbeeld een verlenging krijgen als hij of zij bezig is met een alfabetiseringscursus, bij zwangerschap of als de aanmelding van het examen is vertraagd. Verlengingen komen het meest voor bij Eritreeërs. Ongeveer 63 procent van de 200 Eritreeërs die op 1 oktober 2022 nog moesten voldoen aan hun inburgeringsplicht hebben een verlenging gekregen. Voor de totale groep ligt dit percentage op 61.

3.8.1 Inburgeringsstatus van personen met verblijfsvergunning asiel verkregen in 2014, gemeten oktober 2022
Categorie Inburgeringsexamen behaald (WI of NT2) en vrijstelling Ontheffing Geen examen behaald, wel overschrijding Niet inburgeringsplichtig Overleden of vertrokken uit Nederland
Syrië 4710 1770 40 3415 470
Irak 215 165 0 275 40
Afghanistan 250 95 5 205 40
Eritrea 2170 1085 70 380 150
Iran 250 60 10 75 25
Turkije* . . . . .
Overig/onbekend 1050 530 35 1375 415
* Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije een vertekend beeld. Deze nationaliteit is daarom in deze figuur weggelaten. In het dashboard vindt u wel de cijfers voor Turkije.

Vrijwel alle inburgeringsplichtigen van cohort 2014 hebben voldaan aan de inburgeringsplicht

Wanneer alleen wordt gekeken naar inburgeringsplichtigen (inclusief mensen met ontheffing of vrijstelling), dan heeft 68 procent van de bijna 13 duizend inburgerings­plichtigen van het vergunningscohort 2014 in oktober 2022 het inburgeringsexamen behaald of een vrijstelling gekregen. Een vrijstelling kun je bijvoorbeeld krijgen als je een Nederlands diploma hebt van de universiteit, hbo, mbo (vanaf niveau 2), vwo, havo, mavo of vmbo. Daarnaast heeft 29 procent een ontheffing, 2 procent heeft het examen nog niet gehaald (maar heeft nog wel tijd om dat alsnog te doen) terwijl slechts 1 procent van de inburgeringsplichtigen het examen nog niet heeft gehaald en daarmee de inburgeringstermijn heeft overschreden. Voor de recentere cohorten liggen de cijfers met geslaagden logischerwijs lager: 68 procent van het vergunningscohort van 2015 en 63 procent van het vergunningscohort van 2016, 50 procent van het vergunningscohort van 2017, 32 procent van het cohort van 2018, 9 procent van cohort 2019 en 1 procent van het cohort van 2020 heeft in oktober 2022 het inburgeringsexamen gehaald of een ontheffing of vrijstelling gekregen. Dit komt uiteraard doordat de recentere cohorten minder tijd hebben gehad om het examen te halen. Voor de personen uit de meest recente cohorten is de inburgeringstermijn ook nog niet overschreden in oktober 2022. Onderscheiden naar nationaliteit van de inburgeringsplichtigen dan blijkt dat er flinke verschillen zijn in het aandeel dat het inburgeringsexamen heeft behaald. Iets meer dan driekwart van de Iraniërs van cohort 2014 heeft in oktober 2022 het inburgeringsexamen behaald, vergelijkbaar met Syriërs en Afghanen (respectievelijk 72 en 71 procent). Aan de andere kant van het spectrum zien we Irakezen van wie 55 procent van cohort 2014 het inburgeringsexamen heeft behaald. Daarbij moet worden opgemerkt dat 43 procent van deze groep een ontheffing heeft.

3.8.2 Inburgeringsplichtigen (vergunningscohorten 2014 tot en met 2019) die aan hun inburgeringsplicht hebben voldaan (%)
Examen behaald (of vrijstelling) Ontheffing
2014 1 oktober 2015, 2014 0,8 0
2014 1 oktober 2016, 2014 6,7 0,4
2014 1 oktober 2017, 2014 34,4 4,5
2014 1 oktober 2018, 2014 60,6 16,8
2014 1 oktober 2019, 2014 66,4 26,3
2014 1 oktober 2020, 2014 67,1 27,7
2014 1 oktober 2021, 2014 67,6 28,4
2014 1 oktober 2022, 2014 67,8 29,0
2015 1 oktober 2016, 2015 0,10 0,00
2015 1 oktober 2017, 2015 1,30 0,30
2015 1 oktober 2018, 2015 23,40 4,30
2015 1 oktober 2019, 2015 57,10 19,50
2015 1 oktober 2020, 2015 64,4 24,7
2015 1 oktober 2021, 2015 66,8 26,7
2015 1 oktober 2022, 2015 67,9 27,3
2016 1 oktober 2017, 2016 0,10 0,10
2016 1 oktober 2018, 2016 4,50 0,40
2016 1 oktober 2019, 2016 36,30 10,90
2016 1 oktober 2020, 2016 54,60 23,20
2016 1 oktober 2021, 2016 60,60 29,00
2016 1 oktober 2022, 2016 62,60 30,70
2017 1 oktober 2018, 2017 0,40 0,10
2017 1 oktober 2019, 2017 7,10 0,80
2017 1 oktober 2020, 2017 25,20 9,50
2017 1 oktober 2021, 2017 41,30 24,80
2017 1 oktober 2022, 2017 50,20 33,10
2018 1 oktober 2019, 2018 0,60 0,40
2018 1 oktober 2020, 2018 3,70 0,70
2018 1 oktober 2021, 2018 17,00 7,90
2018 1 oktober 2022, 2018 32,10 20,00
2019 1 oktober 2020, 2019 0,30 0,10
2019 1 oktober 2021, 2019 2,60 0,30
2019 1 oktober 2022, 2019 9,10 3,20

Taalniveau vooral A2, met name bij Eritreeërs

Bij het volgen van een inburgeringscursus leren statushouders Nederlands begrijpen, spreken en schrijven op tenminste taalniveau A2. Met dit taalniveau kunnen mensen zich in het dagelijkse leven redden. Statushouders kunnen ook op een hoger taalniveau inburgeren, wanneer zij bijvoorbeeld na hun inburgering willen studeren of werken. Niveau B1 is voor mensen die willen werken of studeren op mbo 3‑niveau of mbo 4‑niveau. Niveau B2 is voor mensen die willen werken of studeren op hbo- of universitair niveau.noot10 Het overgrote deel (86 procent) van de statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning heeft gekregen en hun inburgeringsexamen heeft behaald (gemeten op 1 oktober 2022), deed dat op taalniveau A2, 8 procent deed dat op taalniveau B1 en de resterende 6 procent op taalniveau B2. Onderscheiden naar nationaliteitnoot11 is onder personen met een Syrische en Iraanse nationaliteit van cohort 2014 het aandeel met een B2 taalniveau (9 procent) relatief hoog, bij de overige hier apart genoemde nationaliteiten blijft dit percentage steken op 1 à 3. Bijna alle personen met een Eritrese nationaliteit behalen het inburgeringsexamen op A2 taal­niveau; slechts 4 procent haalt B1 of B2, veel minder dan de andere nationaliteiten. Van de cohorten 2015, 2016 en 2017 zijn de aandelen statushouders die een A2 niveau halen vergelijkbaar met die van het 2014 cohort. Onder Irakezen en Iraniërs is het aandeel met een B2 taalniveau in het 2015 cohort een paar procenten hoger dan in het 2014 cohort.

Op 1 januari 2022 is de nieuwe Wet inburgering 2021 ingegaan. Doelstelling van deze wet is onder andere om inburgeraars een examen af te laten leggen op B1 taalniveau. In dit onderzoek zijn voor de inburgeraars die onder deze nieuwe wet vallen (cohort 2022 en verder) momenteel nog geen gegevens beschikbaar. In de toekomst zullen deze wel worden toegevoegd.

3.8.3 Taalniveau op 1 oktober 2022 van personen met verblijfsvergunning asiel verkregen in 2014, 2015, 2016 of 2017 naar nationaliteit
Categorie 1 Categorie 2 Niveau A2 Niveau B1 Niveau B2
Syrië '14, Syrië 3755 465 435
Syrië '15, Syrië 7555 890 785
Syrië '16, Syrië 9295 740 725
Syrië '17, Syrië 3860 285 275
Irak '14, Irak 180 15 5
Irak '15, Irak 150 10 10
Irak '16, Irak 395 10 10
Irak '17, Irak 330 15 10
Afghanistan '14, Afghanistan 180 25 5
Afghanistan '15, Afghanistan 160 20 10
Afghanistan '16, Afghanistan 210 15 10
Afghanistan '17, Afghanistan 295 30 15
Eritrea '14, Eritrea 2025 55 20
Eritrea '15, Eritrea 2765 90 20
Eritrea '16, Eritrea 1715 45 15
Eritrea '17, Eritrea 915 10 10
Iran '14, Iran 185 35 25
Iran '15, Iran 210 25 30
Iran '16, Iran 325 40 25
Iran '17, Iran 500 60 55
Turkije* '14, Turkije* . . .
Turkije* '15, Turkije* . . .
Turkije* '16, Turkije* . . .
Turkije* '17, Turkije* . . .
Overig '14, Overig 860 80 50
Overig '15, Overig 1025 75 45
Overig '16, Overig 745 50 35
Overig '17, Overig 815 45 50
* Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije een vertekend beeld. Deze nationaliteit is daarom in deze figuur weggelaten. In het dashboard vindt u wel de cijfers voor Turkije.

Naturalisaties nemen toe

Wanneer statushouders vijf jaar in Nederland verblijven met een geldige verblijfsvergunning en voldaan hebben aan hun inburgeringsexamen, kunnen zij, onder voorwaardennoot12, het Nederlanderschap aanvragen. Het vergunningscohort 2014 kunnen we inmiddels 90 maanden (zeven-en-een-half jaar) volgen. De figuur laat zien dat een aanzienlijk deel van de statushouders inmiddels is genaturaliseerd. Van de Syriërs die in 2014 een verblijfs­vergunning kregen, heeft 91 procent na 90 maanden de Nederlandse nationaliteit gekregen. Voor Eritreeërs duurt het over het algemeen wat langer voordat zij naturaliseren. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het behalen van het inburgeringsexamen, dat voor deze groep vaak wat langer duurt. Ook bij de vergunningscohorten 2015 en 2016 zien we een gestage toename van het aantal naturalisaties. Bij cohort 2015 is na zes-en-een-half-jaar 79 procent genaturaliseerd, bij cohort 2016 is 43 procent na vijf-en-een-half-jaar genaturaliseerd.

3.8.4 Aandeel genaturaliseerden onder statushouders die in 2014 verblijfsvergunning asiel ontvingen, aantal maanden na ontvangen vergunning (%)
Aantal maanden na ontvangen vergunning Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije Overig/onbekend
36 0,1 1,1 1,2 0,1 0 0 8,5
42 1,1 1,6 1,5 0,2 0,5 0 11,2
48 6,5 1,8 1,7 0,3 0,9 2,8 15,4
54 13,9 4,1 2,7 0,6 4,5 2,8 21,2
60 17 5,5 4,7 1 6,9 2,8 26,8
66 23,8 12,5 10 2,6 12,1 13,9 31,8
72 64,6 37,2 27,9 25,9 37 33,3 46,7
78 87,6 77,9 59,4 60,3 74,6 44,4 65,3
84 90,2 83,8 69,1 67 80,6 52,8 70,8
90 91,3 85,8 73,2 71,1 81,5 55,6 73,5

3.9Werk

Stijging aandeel werkenden: effect coronacrisis lijkt voorbij

Afghanen die in 2014 een verblijfsvergunning asiel hebben gekregen, hebben tot vier jaar na het verkrijgen van de vergunning vaker een baan dan statushouders met een andere nationaliteit.noot13 Deze bevinding zagen we eerder terug bij de vluchtelingen uit de jaren negentig. Ook toen waren Afghanen twee jaar na aankomst in Nederland vaker aan het werk dan Irakezen of Iraniërs (Sprangers e.a., 2004). Na vier-en-een-half jaar zijn het juist de Eritrese statushouders uit 2014 die (na een flinke achterstand in de eerste drie jaar) op dit punt vooruit lopen. Ook na 90 maanden (de maximale periode waarover we cohort 2014 kunnen volgen) hebben Eritreeërs van de onderscheiden nationaliteiten het vaakst een baan: 61 procent is na zeven-en-een-half jaar aan het werk, een stuk hoger dan de andere nationaliteiten die niet boven de 50 procent uitkomen.

Als we de situatie tweeënhalf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning asiel bekijken dan heeft het vergunningscohort 2016 iets vaker een baan dan het vergunningscohort van 2015 (respectievelijk 19 en 14 procent). De mensen uit het vergunningscohort 2015 hebben op hun beurt weer iets vaker een baan na tweeënhalf jaar dan de mensen uit het vergunnings­cohort van 2014 (respectievelijk 14 en 11 procent). Statushouders gaan dus steeds iets sneller aan het werk. De cohorten 2017 en 2018 lijken te breken met deze trend: na tweeënhalf jaar heeft respectievelijk 16 en 14 procent een baan. Dit hangt waarschijnlijk samen met de coronacrisis: 30 maanden na het ontvangen van de verblijfsvergunning valt voor deze cohorten voor een deel samen met de coronacrisis. Statushouders hebben vaak flexibele contracten en zijn werkzaam in kwetsbare sectoren. Het recente cohort 2019 (het laatste cohort dat we 30 maanden kunnen volgen) laat echter weer herstel zien: 20 procent van dit cohort heeft na 30 maanden een baan waarmee het effect van de coronacrisis uitgewerkt lijkt.

Kijkend naar de kenmerken van de meest recente baan dan hebben de meeste statushouders een baan in deeltijd (53 procent) en met een tijdelijk contract (79 procent). Van de werkenden werkt 5 procent als zelfstandige. Een kwart van de statushouders met een baan werkt in de uitzendbranche, daarnaast komen banen in de handel (21 procent) en horeca (18 procent) veel voor. Verschillen tussen nationaliteiten zijn klein. Alleen Eritreeërs vallen op met een hoog aandeel dat een baan heeft in de uitzendbranche (39 procent). Wel is er een ontwikkeling te zien naarmate mensen langer in Nederland zijn: mensen die langer een verblijfsvergunning hebben, werken minder vaak in de horeca en vaker in de uitzendbranche. Van diegenen die werken uit het vergunningscohort 2014 werkt een half jaar na het ontvangen van de verblijfsvergunning 40 procent in de horeca en 11 procent in de uitzendbranche. Voor hetzelfde vergunningscohort zijn die percentages zeven jaar later respectievelijk 12 en 25 procent.

Het vergunningscohort 2014 kunnen we het langst in de tijd volgen. Voor dit cohort zien we dat na vijf jaar 42 procent van alle 18- tot 65‑jarige statushouders een baan heeft. Niet alleen stijgt de arbeidsdeelname van deze statushouders gestaag; we zien ook dat de verschillen in arbeidsdeelname tussen de nationaliteiten kleiner worden. Tegelijkertijd zien we ook dat het aandeel werkenden van dit cohort na vijf jaar juist daalt (naar 40 procent na zes-en-een-half jaar). Dit is vermoedelijk een effect van de coronacrisis. Statushouders zijn vaak met flexibele contracten werkzaam in de horeca en in de uitzendbranche. Deze sectoren worden het hardst geraakt door de coronacrisis. Zoals eerder opgemerkt lijkt het effect van de coronacrisis echter voorbij: het aandeel werkenden neemt in de meest recente maanden weer toe tot 45 procent na zeven-en-een-half jaar.

Amv’s werken vaker in deeltijd met een tijdelijk contract

Als we de kenmerken van de meest recente baan van de groep amv’s vergelijken met die van de totale groep statushouders dan vallen de volgende zaken op:

  • Amv’s werken iets vaker in deeltijd dan de totale groep (73 om 69 procent)
  • Amv’s hebben vaker een baan met een tijdelijk contract (87 resp. 79 procent)
  • Amv’s werken vaker in de uitzendbranche dan de totale groep (36 tegen 25 procent), werken vaker in de horeca (26 om 18 procent) en hebben iets minder vaak een baan in de handel (17 respectievelijk 21 procent)
  • Van de werkende amv’s werkt 2 procent als zelfstandige, voor de totale groep is dit 5 procent.
3.9.1 Aandeel werkenden onder 18- tot 65-jarigen die in 2014 verblijfsvergunning asiel ontvingen, aantal maanden na ontvangen vergunning (%)
maanden na ontvangen vergunning Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije* Overig/onbekend
3 0,3 3,5 5,2 0,2 1,5 . 3,2
6 0,5 4,3 9,8 0,2 1,7 . 4,3
12 1,5 5,4 16,2 0,9 2,9 . 5,6
18 3,1 5,8 19,4 0,9 5,5 . 7,1
24 5,8 10,3 25,8 2,7 7,4 . 10,5
30 10,6 13,7 29,6 5,9 12,3 . 15,2
36 17,1 18,8 35,1 14,5 15,1 . 21,7
42 23,7 25,3 34,2 24,6 21,6 . 28,3
48 30,3 30,1 40,7 40,2 26,2 . 33,2
54 34 32,9 44,9 48,1 29,3 . 38,9
60 36,3 33,9 43,5 55,9 33,4 . 40,7
66 35,6 33,7 44,4 53,5 37 . 42,1
72 34,2 32,9 45 54,6 35,7 . 41,3
78 33,9 36 43,2 54 34,9 . 38,7
84 36,3 35,1 42,1 59,8 36,8 . 41
90 37,8 35,7 48,1 61,6 39,2 . 43,7
* Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije een vertekend beeld. Deze nationaliteit is daarom in deze figuur weggelaten. In het dashboard vindt u wel de cijfers voor Turkije.

Statushouders aanvankelijk vaak als oproepkracht aan het werk

In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. Van cohort 2014 werkt een half tot tweeëneenhalf jaar na het verkrijgen van hun vergunning ongeveer een derde als oproepkracht, 8 tot 17 procent werkt als uitzendkracht, 2 tot 4 procent behoort tot de groep overig (stagiaire, DGA of WSW-er) en het overige deel is werknemer. Het aandeel dat als oproepkracht werkt daalt tot ongeveer 17 procent na vijf jaar en blijft daarna vrij stabiel. Het aandeel dat als uitzendkracht aan de slag gaat neemt geleidelijk toe tot 30 procent na 4 jaar en daalt vervolgens tot 21 procent.

Bijna 30 procent van de werkende statushouders van cohort 2014 heeft 5 of meer banen gehad

Het aantal banen dat een statushouder in zijn loopbaan bekleedt neemt geleidelijk toe. Tot ongeveer twee jaar na het verkrijgen van de vergunning heeft driekwart van de statushouders één baan gehad, 1 op de 5 heeft dan al twee banen gehad. Na verloop van tijd stijgt het aandeel dat 3 of meer banen heeft gehad. Uiteindelijk, dat wil zeggen 90 maanden na het verkrijgen van de vergunning, heeft bijna 20 procent van cohort 2014 3 banen gehad, 15 procent heeft 4 banen gehad terwijl 30 procent 5 of meer verschillende banen heeft gehad.

Bijna 45 procent van de werkende statushouders van cohort 2014 werkt uiteindelijk fulltime

Een aanzienlijk deel van de statushouders begint hun werkzame leven in een deeltijd baan. Twee jaar na het verkrijgen van hun vergunning werkt ongeveer de helft van cohort 2014 in een baan met een deeltijdfactor tot 0,25 voltijdsequivalent (vte). Nog eens 20 procent werkt in een baan van 0,25–0,50 vte. Ongeveer 13 procent werkt na twee jaar in een fulltime baan. De aandelen deeltijdwerkers (tot 0,75 vte) laten vervolgens een geleidelijke daling zien ten gunste van het aandeel dat fulltime werkt. Uiteindelijk is bijna 45 procent van de statushouders uit cohort 2014 werkzaam in een fulltime baan. Het aandeel dat minder dan een halve vte werkt bedraagt dan ongeveer een kwart.

Tot ongeveer drie jaar na het verkrijgen van hun vergunning verdient de helft van alle statushouders van cohort 2014 gemiddeld minder dan 11 euro per uur. Een derde verdient 11 tot 13 euro, 9 procent verdient 13 tot 15 euro en 10 procent verdient 15 euro of meer. Na drie jaar neemt het aandeel dat minder dan 11 euro verdient snel af tot uiteindelijk zo’n 10 procent. Ook het aandeel dat 11 tot 13 euro verdient neemt af tot een kwart na 90 maanden. Tegelijkertijd zien we een stijging in het aandeel dat 13 tot 15 euro verdient maar vooral van de groep die meer dan 15 euro verdient. Deze laatste groep vertegen­woordigt uiteindelijk iets meer dan 40 procent van alle werkende statushouders uit cohort 2014.

3.10Uitkering

Aandeel uitkeringsgerechtigden daalt verder

Anderhalf jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning, ontvangt 90 procent van de 18- tot 65‑jarigen die in 2014 een vergunning hebben gekregen, een uitkering. Drie jaar later –‍ vier-en-een-half jaar na het verkrijgen van een vergunning – is dit percentage gedaald naar 51 procent. Nog eens anderhalf jaar later (zes jaar na het verkrijgen van de vergunning) ontvangt 46 procent van het cohort een uitkering. Daarna verloopt de daling minder snel, waarschijnlijk krijgt cohort 2014 dan te maken met de gevolgen van de coronacrisis: statushouders hebben vaker een tijdelijk contract en zijn vaker werkzaam in die sectoren die hard door de crisis worden geraakt (horeca, uitzendbranche). In de meest recente twaalf maanden verloopt de daling weer wat sneller hetgeen zou kunnen duiden op het einde van het effect van de coronacrisis. Inmiddels, zeven-en-een-half jaar na het verkrijgen van de vergunning, is iets meer dan een derde van cohort 2014 nog afhankelijk van een uitkering. Dit kunnen overigens ook statushouders met een (deeltijd)baan zijn. Onderscheiden naar nationaliteit vinden we de hoogste uitkeringsafhankelijkheid onder Irakezen (45 procent) en de laagste onder Afghanen (28 procent). De sterkste daling van het aandeel uitkerings­gerechtigden vindt plaats onder Eritreeërs, van 92 procent na anderhalf jaar naar uiteindelijk 29 procent. Zoals in Figuur 3.10.1 is te zien, ontvangt niet iedereen meteen een uitkering. Veel statushouders verblijven de eerste maanden nog in de asielopvang, waar zij geen uitkering ontvangen, maar leefgeld. Pas wanneer statushouders zelfstandig zijn gehuisvest in een gemeente, komen ze in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Met het verstrijken van de tijd worden de verschillen tussen de verschillende groepen steeds kleiner. Het overgrote deel van de uitkering betreft een bijstandsuitkering. In dit onderzoek is ook gekeken naar werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, maar die komen, zoals verwacht mag worden wegens het ontbreken van een arbeidsverleden in Nederland, in de eerste zeven-en-een-half jaar na verkrijgen van de vergunning nog niet zoveel voor. Van alle uitkeringsgerechtigde statushouders van vergunningscohort 2014, ontvangt 97 procent een bijstandsuitkering, 3 procent een werkloosheidsuitkering en minder dan 0,5 procent een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het aandeel uitkeringsgerechtigden dat een werk­loosheids­uitkering ontvangt is met 8 procent het hoogst onder Afghanen. Dat komt doordat Afghanen relatief snel aan het werk waren en dus inmiddels wel een arbeidsverleden hebben opgebouwd.

De groep amv’s die uitkeringsgerechtigd is, is voor cohort 2014 nog erg klein. Eigenlijk zien we voor dit cohort alleen substantiële aantallen voor Syriërs en Eritreeërs. Ook onder de amv’s van deze nationaliteiten neemt het aandeel uitkeringsgerechtigden van cohort 2014 sterk af: van 64 procent na anderhalf jaar tot uiteindelijk 13 procent voor Eritreeërs en van 59 naar 12 procent voor Syriërs. Ook onder latere cohorten vinden we nog weinig uitkeringsgerechtigde amv’s.

3.10.1 Aandeel uitkeringsgerechtigden onder 18- tot 65-jarigen die in 2014 verblijfsvergunning asiel ontvingen, aantal maanden na ontvangen vergunning (%)
maanden na ontvangen vergunning Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije* Overig/onbekend
3 21,8 35,3 24 12,2 26,2 . 28,4
6 58,9 68,2 53,7 43,1 56,5 . 63
12 89,8 84,7 73,1 79 86,2 . 84,4
18 92,8 86,1 69,5 91,9 87,4 . 84,8
24 90,6 86,2 67,1 91,4 85,2 . 81,1
30 86 81,5 63,8 88,8 81,8 . 73,5
36 77,9 77,2 58 79,7 76,9 . 65,5
42 69,1 70,9 53,7 70,1 70,2 . 56,9
48 59,9 64,7 47,4 56,8 62,1 . 50,7
54 53,7 59,3 42,5 47,7 57,7 . 45,3
60 48,7 56,1 40,4 39,8 53 . 42,4
66 46,8 52,8 38,5 39,4 48,3 . 39,3
72 46,3 51,3 38 37,5 49,9 . 38,2
78 44,7 50,1 36,8 37,7 43,9 . 37
84 41,6 49,1 33,6 31 42,7 . 34,2
90 38,5 44,7 27,7 28,7 37,5 . 30,6
* Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije een vertekend beeld. Deze nationaliteit is daarom in deze figuur weggelaten. In het dashboard vindt u wel de cijfers voor Turkije.

3.11Voornaamste inkomstenbron

Uitkering nog steeds belangrijkste inkomstenbron

Het aandeel statushouders met werk als voornaamste inkomstenbron loopt voor cohort 2014 gestaag op tot 31 procent zeven jaar na het verkrijgen van de verblijfsvergunning. Voor de statushouders uit 2015 en 2016 zien we vergelijkbare patronen. Hoewel steeds meer statushouders een (deeltijd) baan hebben, leveren die banen vaak onvoldoende inkomsten op. Hierdoor kan een uitkering ook voor deze groep de voornaamste inkomstenbron zijn. Veel statushouders hebben nog geen inkomsten in de eerste maanden na het verkrijgen van een vergunning. Dit komt doordat veel van hen na het verkrijgen van hun vergunning nog in een opvanglocatie wonen, waar ze leefgeld ontvangen. In de loop van de tijd neemt het aandeel zonder inkomsten af en krijgen steeds meer statushouders een uitkering (of pensioen). Na anderhalf jaar geldt dat voor 63 procent van de statushouders uit 2014 een uitkering of pensioen de voornaamste bron van inkomsten is. Na vijf jaar is het percentage gedaald naar 33. Het gaat dan in de meeste gevallen om een bijstandsuitkering. Na twaalf maanden is een steeds kleiner deel van opeenvolgende cohorten afhankelijk van een uitkering (59 procent van cohort 2014, dalend naar 46 procent van cohort 2020). Het aandeel schoolgaandennoot14 is na twaalf maanden juist hoger voor het meest recente cohort (42 procent voor cohort 2020) dan voor dat van cohort 2015 (38 procent) en dat van 2014 (33 procent).

Logischerwijs zijn de meeste amv’s de eerste jaren na het verkrijgen van hun vergunning nog schoolgaand. Van alle amv’s van cohort 2014 gaat iets meer dan de helft na vier jaar nog naar school. Tegelijkertijd heeft 1 op de 5 amv’s op dat moment werk als voornaamste inkomstenbron. Het percentage schoolgaanden neemt daarna in snel tempo af (naar een kwart na zeven jaar) terwijl het aandeel amv’s met werk als voornaamste bron van inkomsten na zeven jaar is toegenomen tot iets meer dan de helft. Amv’s hebben daarmee aanzienlijk vaker werk als belangrijkste inkomstenbron ten opzichte van de totale groep statushouders en zijn minder afhankelijk van een uitkering.

3.11.1 Personen die een verblijfsvergunning asiel ontvingen in 2014 naar voornaamste bron van inkomsten
Aantal maanden na ontvangen vergunning Uitkering/pensioen Werk Schoolgaand Geen inkomen Vertrokken/Overleden Onbekend
3 4160 115 6290 7870 160 1055
6 8395 125 6415 4500 135 80
12 11680 140 6515 1130 180 5
18 12290 180 6570 340 270 5
24 12150 330 6585 235 350 0
30 11550 645 6775 285 395 0
36 10455 1345 7025 375 455 0
42 9225 2300 7105 505 515 5
48 7940 3465 7020 655 570 0
54 7050 4405 6805 770 620 0
60 6480 5070 6575 885 640 5
66 6520 5280 6330 815 695 5
72 6530 5440 6110 825 745 5
78 6340 5620 5900 935 855 5
84 5895 6170 5610 1000 970 5

Als we naar de verschillen tussen de groepen uit 2014 kijken zien we dat 7 jaar na het verkrijgen van de vergunning het aandeel personen waarvan de voornaamste bron van inkomsten werk is, het hoogst is onder de Eritreeërs (53 procent) en het laagst onder de Irakezen (23 procent: onder Turken is het nog iets lager maar de absolute aantallen zijn hier erg klein). Tegelijkertijd was het aandeel Eritreeërs waarvan de voornaamste bron van inkomsten een uitkering is, ook hoog: ongeveer 83 procent van de statushouders uit Eritrea had twee jaar na het verkrijgen van zijn of haar vergunning een uitkering of pensioen als belangrijkste inkomstenbron. Nog eens vijf jaar later is dit aandeel gedaald naar 27 procent, iets onder het gemiddelde niveau van 30 procent. Een relatief klein deel van de groep Eritreeërs (12 procent) is na zeven jaar schoolgaand.

Van de Afghaanse statushouders heeft na zeven jaar ongeveer een derde werk als belangrijkste inkomstenbron, 30 heeft een uitkering als voornaamste bron van inkomsten en 27 procent gaat naar school. Syriërs lijken na zeven jaar op de Afghanen wat betreft hun voornaamste bron van inkomsten: voor 26 procent van de Syriërs is dat werk, voor 31 procent een uitkering of pensioen en 33 procent gaat naar school. Hoewel het voor Iraniërs om kleine aantallen gaat, is een uitkering als voornaamste bron van inkomen 7 jaar na het verkrijgen van de vergunning met 40 procent het hoogst voor Iraanse statushouders.

3.11.2 Personen met Eritrese nationaliteit die een verblijfsvergunning asiel ontvingen in 2014 naar voornaamste bron van inkomsten
Aantal maanden na ontvangen vergunning Uitkering/pensioen Werk Schoolgaand Geen inkomen Vertrokken/overleden Onbekend
3 685 5 595 2125 10 555
6 1715 5 615 1595 10 45
12 2850 20 585 510 10 5
18 3240 10 600 115 15 0
24 3290 20 605 50 20 0
30 3170 55 695 35 25 0
36 2815 240 830 50 40 0
42 2435 530 900 55 65 0
48 1940 1030 860 75 75 0
54 1590 1400 805 100 90 0
60 1355 1710 700 115 100 0
66 1370 1720 645 130 115 0
72 1330 1825 575 125 120 0
78 1295 1865 535 155 130 0
84 1090 2120 465 165 140 0
3.11.3 Personen met Afghaanse nationaliteit die een verblijfsvergunning asiel ontvingen in 2014 naar voornaamste bron van inkomsten
Aantal maanden na ontvangen vergunning Uitkering/pensioen Werk Schoolgaand Geen inkomen Vertrokken/overleden Onbekend
3 140 15 220 195 0 20
6 240 20 230 100 0 5
12 300 25 245 30 0 0
18 295 30 255 15 5 0
24 295 40 250 10 5 0
30 280 60 240 10 10 0
36 260 80 240 15 10 0
42 245 95 235 20 10 0
48 220 120 225 20 10 0
54 205 145 210 25 10 0
60 190 165 200 30 10 0
66 195 170 195 30 10 0
72 195 190 180 25 10 0
78 190 185 175 30 20 0
84 180 195 160 25 35 0

3.12Inkomen

Inkomensverschillen blijven gering

Het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen van statushouders die een vergunning kregen in 2014 bedroeg 12,3 duizend euro in 2015 en is geleidelijk aan gestegen naar 18,5 duizend euro in 2021. Statushouders uit 2015 kregen in 2016 gemiddeld 12,3 duizend euro en 17,9 duizend euro in 2021. Voor het cohort 2016 steeg het inkomen tussen 2017 en 2021 van 12,7 naar 17,2 duizend euro. Zoals in de tabel te zien is, zijn er tussen de verschillende nationaliteitennoot15 geen grote verschillen in het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen. Dit komt doordat een aanzienlijk deel van de statushouders een bijstandsuitkering ontvangt en dat zijn vaste bedragen, afhankelijk van de gezinssituatie. Wel laat de tabel zien dat voor vrijwel alle cohorten en alle jaren geldt dat Iraniërs het hoogste inkomen hebben. Dit komt overeen met de waarnemingen in de SCP rapportage (Huijnk e.a., 2021): dat onderzoek laat zien dat Iraniërs later aan het werk gaan, maar wel hogere uurlonen hebben.

3.12.1Gemiddeld gestandaardiseerd huishoudinkomen in duizenden euro's, voor statushouders niet meer in COA-opvang naar nationaliteit, vergunning-cohort en verslagjaar (cohort 2014)
Cohort 2014
2015 N 2016 N 2017 N 2018 N 2019 N 2020 N 2021 N
Syrië 12,0 4 300 12,6 9 705 13,3 9 980 14,2 10 005 15,4 10 000 16,6 10 025 18,1 9 905
Irak 12,2 450 13,0 635 13,6 655 14,5 650 15,5 665 16,8 675 18,3 660
Afghanistan 12,9 350 13,4 575 14,2 575 15,5 580 16,8 580 18,7 570 20,1 560
Eritrea 13,0 925 13,0 3 550 13,5 3 880 14,8 3 870 16,5 3 845 17,5 3 825 19,1 3 805
Iran 13,3 265 13,6 400 14,1 405 15,4 405 16,9 400 19,0 400 20,1 395
Turkije 13,4 20 12,9 30 13,0 30 14,5 30 15,7 30 16,5 30 21,9 30
Overig/onbekend 12,4 2 075 12,8 3 155 13,7 3 205 14,9 3 180 16,1 3 145 17,0 3 085 18,6 3 010
Totaal 12,3 8 385 12,7 18 045 13,5 18 740 14,5 18 720 15,8 18 670 17,0 18 615 18,5 18 365

Bron:CBS.

3.12.2Gemiddeld gestandaardiseerd huishoudinkomen in duizenden euro's, voor statushouders niet meer in COA-opvang naar nationaliteit, vergunning-cohort en verslagjaar (cohort 2015)
Cohort 2015
2016 N 2017 N 2018 N 2019 N 2020 N 2021 N
Syrië 12,2 12 750 12,9 20 310 13,6 20 715 14,8 20 725 16,0 20 810 17,6 20 740
Irak 12,6 285 13,3 500 14,2 520 15,3 515 16,5 520 18,6 500
Afghanistan 12,5 300 13,2 510 14,3 515 15,7 520 16,7 525 18,8 515
Eritrea 12,4 1 335 12,8 5 690 13,7 6 065 15,3 6 055 16,3 6 045 18,5 6 035
Iran 13,5 270 14,2 410 14,8 410 16,8 410 18,7 410 20,6 405
Turkije 12,9 15 13,4 20 12,6 20 15,6 20 16,5 20 19,3 20
Overig/onbekend 12,7 1 895 13,4 2 860 14,3 2 880 15,7 2 880 16,9 2 885 18,7 2 835
Totaal 12,3 16 850 12,9 30 295 13,7 31 125 15,0 31 130 16,2 31 210 17,9 31 045

Bron:CBS.

3.12.3Gemiddeld gestandaardiseerd huishoudinkomen in duizenden euro's, voor statushouders niet meer in COA-opvang naar nationaliteit, vergunning-cohort en verslagjaar (cohort 2016 en 2017)
Cohort 2016 Cohort 2017
2017 N 2018 N 2019 N 2020 N 2021 N 2018 N 2019 N 2020 N 2021 N
Syrië 12,7 17 315 13,3 25 005 14,4 25 295 15,5 25 315 16,9 25 295 12,9 12 965 13,9 16 415 14,9 16 535 16,2 16 545
Irak 13,2 815 13,9 1 245 15,2 1 270 16,2 1 275 17,9 1 265 12,9 740 14,3 1 235 15,2 1 260 17,1 1 265
Afghanistan 11,8 425 13,6 685 15,0 695 16,4 700 17,7 700 13,0 620 14,4 895 15,6 910 17,4 915
Eritrea 12,1 3 200 13,1 4 765 14,6 4 850 15,6 4 860 17,4 4 850 11,9 3 320 13,3 4 750 14,2 4 835 16,1 4 830
Iran 13,6 310 14,5 555 16,3 565 18,0 555 19,7 560 13,9 605 15,0 985 16,0 995 17,8 995
Turkije 11,5 15 12,6 20 13,9 20 15,6 20 17,1 20 11,3 45 13,6 365 14,9 370 18,2 370
Overig/onbekend 13,1 1 700 13,9 2 365 15,3 2 395 16,4 2 380 17,9 2 345 13,4 1 760 14,6 2 610 15,6 2 615 17,3 2 585
Totaal 12,7 23 775 13,3 34 635 14,6 35 090 15,6 35 105 17,2 35 040 12,8 20 060 13,9 27 255 14,9 27 520 16,5 27 505

Bron:CBS.

3.12.4Gemiddeld gestandaardiseerd huishoudinkomen in duizenden euro's, voor statushouders niet meer in COA-opvang naar nationaliteit, vergunning-cohort en verslagjaar (cohort 2018 t/m 2020)
Cohort 2018 Cohort 2019 Cohort 2020
2019 N 2020 N 2021 N 2020 N 2021 N 2021 N
Syrië 13,4 5 095 14,3 6 495 15,7 6 525 13,8 4 865 14,9 6 260 14,7 3 305
Irak 13,6 355 14,5 480 16,3 505 13,7 225 15,6 315 14,4 175
Afghanistan 13,7 455 14,8 690 16,8 700 14,6 270 15,9 430 14,8 225
Eritrea 13,3 3 235 14,3 3 980 16,1 4 030 13,7 2 635 15,4 3 420 15,1 1 725
Iran 14,5 410 15,7 580 16,9 585 14,4 370 15,7 545 15,3 340
Turkije 13,8 280 14,9 415 16,9 415 14,3 555 15,3 1 050 15,1 825
Overig/onbekend 13,9 2 050 15,0 2 680 16,6 2 700 14,2 1 890 15,6 2 620 15,4 1 500
Totaal 13,5 11 880 14,5 15 320 16,1 15 465 13,9 10 805 15,3 14 630 15,0 8 090

Bron:CBS.

3.13Zorggebruik

Zorggebruik neemt niet verder toe

Zodra statushouders een verblijfsvergunning hebben verkregen en niet meer in een COA-opvanglocatie verblijven, kunnen zij van de reguliere zorgsystemen gebruik maken. Zij zijn daarnaast ook verplicht een basisverzekering af te sluiten. Van alle statushouders die in 2014 een vergunning hebben ontvangen, achttien jaar of ouder zijn en eind 2015 niet meer in een COA-opvang verblijven, heeft 86 procent kosten gemaakt voor de huisarts in 2015. Die 86 procent is minder dan de totale Nederlandse bevolkingnoot16, waarbij ruim 98 procent kosten heeft gemaakt bij de huisarts. Twee jaar later (in 2017) heeft 98 procent van de statushouders uit cohort 2014 kosten gemaakt voor de huisarts. Deze stijging wordt nagenoeg geheel veroorzaakt door een stijging in inschrijvingen bij de huisarts; bijna iedere statushouder die in 2014 een vergunning asiel ontving, achttien jaar of ouder is en niet meer in een COA-opvanglocatie verblijft, staat in 2016 ingeschreven bij de huisarts. De figuur laat de duidelijke trend zien dat statushouders uit cohort 2014 meer kosten maken voor zorg in 2016 ten opzichte van 2015. De verschillen een jaar later, tussen 2016 en 2017, zijn echter klein.

Het aandeel statushouders dat één jaar na het verkrijgen van hun vergunning kosten maakt voor huisartsenzorg neemt voor de verschillende cohorten vanaf 2014 langzaam toe: van 86 procent voor cohort 2014 via 89 procent voor cohort 2015 tot 93 voor het cohort 2016 en 94 procent voor de cohorten 2017 en 2018.

Een eerdere editie van dit onderzoek liet zien dat Eritrese statushouders verreweg de minste kosten maken voor gebruik van zorg. Deze bevinding werd al eerder geconstateerd door het Kennisplatform Integratie & Samenleving (KIS), waar zij in een rapport schrijven dat ‘hun gebrek aan kennis over de oorzaken en medische risico’s van gezondheidsproblemen, culturele verschillen, taboes, taalbarrières en hun onbekendheid met de mogelijkheden voor preventie en behandeling de medische zelfredzaamheid van Eritrese vluchtelingen in de weg staan’.noot17 Het is echter ook zo dat Eritreeërs langer dan de mensen met een andere nationaliteitnoot18 in COA-opvang verblijven na het krijgen van hun vergunning, waardoor zij in 2015 een kortere periode hebben gehad om kosten te maken onder de basisverzekering. De nieuwe cijfers laten zien dat nu meer Eritrese statushouders van het vergunningscohort 2014 gebruik maken van zorg: in 2015 maakte 77 procent kosten voor de huisarts, in 2016 is dat voor dezelfde groep gestegen tot 91 procent en in 2020 tot 98 procent. Het aandeel Eritreeërs dat kosten maakt voor huisartsenzorg, is nu net zo hoog als voor de andere statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen. Voor Eritreeërs die in 2016 een vergunning hebben ontvangen is eenzelfde patroon zichtbaar: in 2017 maakte 90 procent kosten voor de huisarts en in 2018 is dat 95 procent. Voor alle nationaliteiten samen is dit respectievelijk 93 en 97 procent.

3.13.1 Zorggebruik in 2015 tot en met 2020 onder statushouders die in 2014 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en niet meer in COA-opvang verblijven (%)
2015 2016 2017 2018 2019 2020
Huisartsenzorg 86,5 95,8 97,6 98,1 98,0 98,1
Farmacie 54,9 63,4 64,0 65,3 64,9 62,0
Ziekenhuiszorg 46,7 53,1 54,3 56,0 56,1 51,1

3.14Jeugdzorg

Aandeel jongeren met jeugdzorg neemt licht toe

Van alle jongeren die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen, niet meer bij een opvanglocatie van COA verblijven en eind 2016 niet ouder zijn dan 21 jaar, maakt ongeveer 5 procent in 2016 gebruik van een vorm van jeugdzorg. Een jaar later is dat percentage gestegen tot 7 procent en nog een jaar later naar 8 procent. In de jaren 2019 t‍/‍m 2021 is het percentage vrijwel stabiel gebleven tussen 8,5 en 9,5 procent. Bij jeugdhulp betreft het hulp en zorg aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking van de jongere, of opvoedingsproblemen van de ouders. De jongere kan daarbij thuis verblijven, in het eigen gezin, en bij ernstigere situaties kan de jongere worden opgenomen in een pleeggezin of gesloten instelling. Verreweg de meeste jongeren met jeugdzorg ontvangen jeugdhulp. Na een toename tussen 2016 en 2018 van het aandeel jongeren met jeugdhulp van 5 naar 8 procent, is het percentage met 8 in 2019 en 2020 stabiel gebleven en in 2021 licht gestegen naar 9. Slechts 1,6 procent van de jongeren krijgt in 2021 hulp van jeugdbescherming (bijvoorbeeld de onder voogdij plaatsing van alleenstaande minderjarige statushouders). Dit percentage is onder alle Nederlandse jongeren iets lager: 1,2 procent. Van de jonge statushouders heeft 0,5 procent in 2021 te maken met jeugdreclassering (begeleiding en controle voor jongeren die met de politie in aanraking zijn geweest en een proces-verbaal hebben gekregen). Jongeren uit Iran en Afghanistan maken het vaakst gebruik van jeugdzorg. Hun aandeel in jeugdzorg in 2021 (respectievelijk 23 en 15 procent) is groter dan het aandeel van alle Nederlandse jongeren met jeugdzorg in dat jaar (10 procent). Afgezien van Turken (waarbij de absolute aantallen verwaarloosbaar klein zijn) is het aandeel jongeren met jeugdzorg het laagst onder Eritreeërs (10 procent).

Gebruik jeugdzorg onder amv’s neemt toe

Het gebruik van jeugdzorg door amv’s wijkt nauwelijks af van dat van de totale groep jongere statushouders. Van alle amv’s die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en niet meer bij een opvanglocatie van COA verblijven maakt 9,5 procent in 2021 gebruik van een vorm van jeugdzorg, hetzelfde percentage als voor de totale groep jongeren. Wel is het gebruik van jeugdzorg onder amv’s de laatste jaren sterker gestegen dan onder de totale groep jongeren. Onder amv’s steeg dit van 6 procent in 2019 naar 9,5 procent in 2021, onder de totale groep bleef de stijging beperkt (van 8,5 naar 9,5 procent).

Onderscheiden naar nationaliteit vinden we voor de amv’s die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen alleen voor Syrië, Eritrea en Afghanistan substantiële aantallen amv’s die gebruik maken van jeugdzorg. Van deze groepen maken Afghaanse amv’s in 2021 het vaakst gebruik van jeugdzorg (15 procent), voor Eritrese en Syrische amv’s ligt dit aandeel in 2021 op respectievelijk 7 en 8 procent.

3.14.1 Gebruik van jeugdzorg in 2016 tot en met 2021 onder jongeren (0 tot 22 jaar) die in 2014 of 2015 een verblijfsvergunning asiel ontvingen en niet meer in COA-opvang verblijven (%)
Categorie 1 2016 2017 2018 2019 2020 2021
Jeugdhulp 4,6 6,9 7,7 8 8,3 8,8
Jeugdbescherming 0,3 0,4 0,7 0,9 1,3 1,5
Jeugdreclassering 0,1 0,3 0,4 0,4 0,5 0,5

3.15Geregistreerde verdachten

Weinig ontwikkeling in aandeel geregistreerde verdachten

Mannelijke statushouders zijn in verhouding vaker verdacht van een misdrijf dan mannen met een Nederlandse of westerse migratieachtergrondnoot19, maar minder vaak dan mannen met een niet-westerse migratieachtergrond.noot20 In de figuur wordt het aandeel verdachten in 2021 onder statushouders die in 2019 een vergunning ontvingen, vergeleken met andere bevolkingsgroepen, waarbij rekening is gehouden met geslacht en brede leeftijdsgroepen. De figuur met geregistreerde verdachten in het rapport van vorig jaarnoot21 betrof het aandeel verdachten in 2020 onder statushouders die in 2018 een vergunning ontvingen. De figuren zijn vrijwel identiek aan elkaar.

In dit onderzoek is geen rekening gehouden met andere factoren die oververtegen­woordiging in criminaliteitsstatistieken kunnen verklaren, zoals inkomen en opleidingsniveau. Het aantal verdachte statushouders is te klein om verder te kijken naar het type misdrijf of een verdere verdeling naar nationaliteit.noot22

3.15.1 Aantal verdachten onder statushouders die in 2019 verblijfsvergunning asiel ontvingen per 10 000 mannen in 2021 naar leeftijd
Categorie 1 Statushouders Westerse migratieachtergrond Niet-Westerse migratieachtergrond Nederlandse achtergrond
12 tot 18 jaar 237 186 367 147
18 tot 25 jaar 262 226 611 230
25 tot 45 jaar 229 184 380 131
45 tot 65 jaar 128 95 184 61

3.16Dashboard

Naast deze rapportage is er een interactief dashboard, met daarin nog meer cijfers over de integratie van statushouders. In dit dashboard kunt u zelf kiezen over welke onderwerpen en voor welke nationaliteitennoot23 u cijfers (visueel) gepresenteerd wilt zien.

3.17Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Huijnk, W., Dagevos, J., Djundeva, M., Schans, D., Uiters, E., Ruijsbroek, A. & Mooij, M. de (2021) Met beleid van start. Over de rol van beleid voor ontwikkelingen in de positie en leefsituatie van Syrische statushouders. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Sprangers, A., Zorlu, A., Hartog, J. & Nicolaas, H. (2004) Immigranten op de arbeidsmarkt. Bevolkingstrends 2e kwartaal 2004. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Noten

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Zie populatiekader in hoofdstuk 1.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Het is aannemelijk dat het hier om administratieve vervuiling gaat.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Hier wordt schoolgaand gedefinieerd als scholieren/studenten in door overheid bekostigd onderwijs, of met studiefinanciering van de Nederlandse overheid (WSF) in overige onderwijsinstellingen (evt. buitenland). Studenten ouder dan 16 jaar in particulier of buitenlands onderwijs zonder WSF ontbreken. De onderwijsvolgenden in voorgaande figuren zijn exclusief de personen die studiefinanciering krijgen van de Nederlandse overheid maar in ‘overige onderwijsinstellingen’ onderwijs volgen.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Omdat er onder het vergunningscohort 2014 heel weinig ouderen zijn – slechts 1,5 procent is 65 jaar of ouder – hebben we voor de vergelijking met de Nederlandse bevolking gekeken naar de bevolking tussen 18 jaar en 65 jaar oud.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Het CBS hanteert heeft in 2022 een nieuwe herkomstindeling uitgebracht en is momenteel bezig om alle tabellen waarin herkomst genoemd wordt om te zetten naar de nieuwe indeling. De nieuwe tabellen rondom criminaliteit worden later in 2023 gepubliceerd, voor deze editie vergelijken we daarom nog met de oude indeling.

Statushouders worden hier dubbel geteld, omdat zij zowel tot de mensen met een migratieachtergrond als tot de statushouders behoren. Het gaat in deze figuur om het aantal verdachte personen, niet om het aantal misdrijven. Personen kunnen van meerdere misdrijven worden verdacht. Deze cijfers zijn niet gecorrigeerd voor mogelijk verklarende variabelen zoals leeftijd, opleidingsniveau of sociaaleconomische positie.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Zoë Driessen

Evelien Ebenau (projectleider)

Corina Huisman

Han Nicolaas

Isidora Stolwijk

Stephan Verschuren

Dankwoord

We danken de medewerkers van de volgende instanties voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van het Asielcohorten onderzoek:

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)

Nidos

Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV)

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC)

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er achteraf enkele onvolkomenheden geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Datum: 31 januari 2025

In figuur 2.5.1 over huishoudsamenstelling waren voor nationaliteit ‘overig/onbekend’ voor cohortjaar 2014 en 2017 ten onrechte verkeerde cijfers weergegeven. Dit figuur is hersteld met de juiste cijfers.
 
Dit was het oorspronkelijke figuur:

[ Ontbreekt! ]

 
Dit is het nieuwe figuur:
[ Ontbreekt! ]

Ook is een correctie gedaan in de tekst over baankenmerken, betreffende de soort baan (werknemer/uitzendkracht/oproepkracht). Hierin is ten onrechte geen rekening gehouden met de categorie ‘overig’. De categorie ‘overig’ bestaat uit de werkvormen stagiaire, DGA (directeur/grootaandeelhouder) en WSW-er (Wet Sociale Werkvoorziening). De cijfers in de teksten hierover in paragraaf 3.9 en 4.4 zijn hier nu op aangepast.
 
De betreffende originele tekst in 3.9 was:
Statushouders aanvankelijk vaak als oproepkracht aan het werk
In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. Van cohort 2014 werkt een half tot tweeëneenhalf jaar na het verkrijgen van hun vergunning ongeveer een derde als oproepkracht, 10 tot 15 procent werkt als uitzendkracht en het overige deel is werknemer. Het aandeel dat als oproepkracht werkt daalt tot ongeveer 17 procent na vijf jaar en blijft daarna vrij stabiel. Het aandeel dat als uitzendkracht aan de slag gaat neemt geleidelijk toe tot 30 procent na 4–5 jaar en daalt vervolgens tot 22 procent.
 
Dit is nu aangepast naar:
Statushouders aanvankelijk vaak als oproepkracht aan het werk
In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. Van cohort 2014 werkt een half tot tweeëneenhalf jaar na het verkrijgen van hun vergunning ongeveer een derde als oproepkracht, 8 tot 17 procent werkt als uitzendkracht, 2 tot 4 procent behoort tot de groep overig (stagiaire, DGA of WSW-er) en het overige deel is werknemer. Het aandeel dat als oproepkracht werkt daalt tot ongeveer 17 procent na vijf jaar en blijft daarna vrij stabiel. Het aandeel dat als uitzendkracht aan de slag gaat neemt geleidelijk toe tot 30 procent na 4 jaar en daalt vervolgens tot 21 procent.
 
De betreffende originele tekst in 4.4 was:
Een derde werkt als werknemer, de overige werkende Oekraïners werken als oproepkracht of uitzendkracht.
 
Dit is nu aangepast naar:
Een derde werkt als werknemer, de overige werkende Oekraïners werken met name als oproepkracht of uitzendkracht.
 

Datum: 8 februari 2024

Tijdens het maken van de update voor voorjaar 2024 is gebleken dat er personen missen in de data vanuit COA, en dat dit ook al het geval was in de levering voor de update van 2023 (maar niet eerder). In de uitstroom van personen uit COA-locaties in de eerste helft van 2022 is een deel van de populatie niet aangeleverd, waaronder in ieder geval de uitstroom van jongeren onder de 18 jaar. Voor het dashboard en de rapportage Asiel en Integratie 2023 betekent dit dat er momenteel geen conclusies getrokken kunnen worden over de uitstroom uit COA en de instroom/bezetting van COA in het eerste halfjaar van 2022. Met betrekking tot de verblijfssituatie na instroom in COA worden nu personen die onterecht niet zijn meegeleverd in de uitstroombestanden gerekend als ‘in COA’, terwijl ze eigenlijk tot een van de andere categorieën behoren. Bij de kenmerken die de situatie van een persoon weergeven X maanden na uitstroom uit COA, wordt deze groep onterecht buiten beschouwing gelaten.
 
Het cohort eerste halfjaar 2022 binnen het opvang-deel is daarmee nog niet volledig betrouwbaar en is hersteld (en aangevuld met een nieuw jaar) in deze publicatie: Asiel en integratie 2024 – Cohortonderzoek asielzoekers en statushouders.
 
Daarnaast is een kleine correctie gedaan op de indicator ‘aantal verschillende banen’ onder de baankenmerken. In gevallen waarin iemand voor de duur van meerdere maanden terug gaat naar een eerdere baan wordt ten onrechte een lager aantal banen geteld dan het daadwerkelijke aantal verschillende banen. Er was dus sprake van een kleine onderschatting. Dit is hersteld en geeft voor de meeste aandelen geen verschillen.
 
Oorspronkelijke tekst
Het aantal banen dat een statushouder in zijn loopbaan bekleedt neemt geleidelijk toe. Tot ongeveer twee jaar na het verkrijgen van de vergunning heeft driekwart van de statushouders één baan gehad, 1 op de 5 heeft dan al twee banen gehad. Na verloop van tijd stijgt het aandeel dat 3 of meer banen heeft gehad. Uiteindelijk, dat wil zeggen 90 maanden na het verkrijgen van de vergunning, heeft bijna 20 procent van cohort 2014 3 banen gehad, 14 procent heeft 4 banen gehad terwijl 29 procent 5 of meer verschillende banen heeft gehad.
 
Vernieuwde tekst
Het aantal banen dat een statushouder in zijn loopbaan bekleedt neemt geleidelijk toe. Tot ongeveer twee jaar na het verkrijgen van de vergunning heeft driekwart van de statushouders één baan gehad, 1 op de 5 heeft dan al twee banen gehad. Na verloop van tijd stijgt het aandeel dat 3 of meer banen heeft gehad. Uiteindelijk, dat wil zeggen 90 maanden na het verkrijgen van de vergunning, heeft bijna 20 procent van cohort 2014 3 banen gehad, 15 procent heeft 4 banen gehad terwijl 30 procent 5 of meer verschillende banen heeft gehad.