Welk deel van het inkomen ging in 1936 naar voeding?
In 1936 gaven gezinnen gemiddeld 29 procent van hun inkomen uit aan eten en drinken. Nu is dat veel minder. Volgens het Budgetonderzoek dat het CBS in 2020 deed was dat gemiddeld 13 procent.
Er waren vroeger wel grote verschillen tussen de huishoudens. Hoe lager het inkomen, hoe groter het deel dat aan voeding wordt uitgegeven. In 1936 ging bij gezinnen met de laagste inkomens 44 procent van het beschikbare geld op aan voeding. Bij de hoogste inkomens was het niet meer dan 12 procent.
Verschillen in uitgaven aan wonen en energie
Er is nu veel minder verschil dan vroeger in hoeveel inkomen naar eten en drinken gaat. De laagste inkomens geven 19 procent uit aan voeding, de hoogste inkomens 14 procent. Bij de groep ‘voeding’ tellen ook genotmiddelen mee, zoals alcoholische dranken en tabak.
Nu zitten de verschillen vooral in de uitgaven aan wonen en energie. Bij de armste huishoudens ging daar 41 procent van het geld aan op, bij de rijkste maar 26 procent. En hoe meer geld een huishouden heeft, hoe meer het in verhouding uitgeeft aan vervoer en ontspanning.
| Inkomensgroep | Voedings- en genotmiddelen | Huisvesting, water en energie | Vervoer, recreatie en horeca | Kleding, schoenen, woninginrichting en huishoudelijke apparaten |
Overige |
|---|---|---|---|---|---|
| 1e 10%-groep (laag inkomen) |
19,2 | 40,9 | 15,9 | 7,5 | 16,6 |
| 2e | 18,8 | 43,1 | 15,5 | 7,9 | 14,5 |
| 3e | 18,0 | 40,6 | 17,5 | 8,5 | 15,4 |
| 4e | 15,6 | 38,6 | 20,6 | 9,3 | 15,8 |
| 5e | 16,1 | 37,1 | 22,6 | 8,6 | 15,6 |
| 6e | 16,2 | 35,3 | 23,0 | 9,4 | 16,1 |
| 7e | 15,9 | 32,5 | 24,6 | 10,5 | 16,5 |
| 8e | 15,2 | 30,1 | 26,6 | 11,6 | 16,4 |
| 9e | 15,2 | 28,2 | 28,7 | 11,8 | 16,2 |
| 10e (hoog inkomen) |
14,1 | 25,6 | 31,2 | 13,0 | 16,1 |
Niet zomaar te vergelijken
De cijfers van toen en nu zijn trouwens niet zomaar te vergelijken. Bij het Budgetonderzoek van 1936 deden maar 539 gezinnen mee, en helemaal geen mensen die alleen woonden. Ook waren er juist veel grote gezinnen die de huishoudboekjes voor het onderzoek hadden ingevuld, en weinig mensen zonder kinderen. Gezinnen uit de grote steden hadden helemaal niet meegedaan.
Aan het Budgetonderzoek uit 2020 deden meer dan 10 duizend huishoudens mee uit heel Nederland. Allerlei huishoudens deden mee, zoals mensen die alleen of samen wonen, en gezinnen met weinig en veel kinderen.
De vragen
- Wat houdt mensen tegen om gezonder te eten?
- Wat is het inkomen van werkenden?
- Welk deel van ons energieverbruik was duurzaam?
- Hoeveel procent draagt een bril?
- Hoe gaat het met de libellen en dagvlinders?
- Hoeveel woningen zijn er?
- Wat doet woninginbraak met mensen?
- In welke beroepen werken de meeste mensen thuis?
- Hoeveel duurder werd eten?
- Hoeveel baby’s hadden een niet-getrouwde moeder?
- Uit welke landen komen de meeste immigranten?
- Hoeveel honderdplussers zijn er?
- Hoe verdelen vaders en moeders werk en zorg?
- Hoeveel auto’s zijn er?
- Hoeveel melk geeft een koe?
- Welk deel van het inkomen ging in 1936 naar voeding?
- Hoeveel varkens waren er in 1910?
- Hoeveel runderen en varkens telt ons land?
- Wat importeren we uit China?
- Welke winkels zijn er steeds minder?
- Hoeveel nachten sliepen gasten in Nederlandse hotels?
- Hoe vaak hebben ouderen contact met hun buren?
- Hoeveel volwassenen voldoen aan de Beweegrichtlijnen?
- Waar komen internationale studenten in Nederland vandaan?
- Welk geloof hangen we aan?
- Hoeveel liter water gebruiken we per dag?
- Hoeveel miljonairs wonen er in Nederland?
- Hoeveel inwoners telt Nederland?
- Waar liggen onze fietspaden en -wegen?
- Op welke leeftijd gaan werknemers met pensioen?
- Op welke dag zijn de meeste mensen jarig?
- Hoeveel mensen hebben een studieschuld?
- Hoe gaat het CBS om met je privacy?