SDG’s op koers?

Foto omschrijving: Vrouw en 2 mannen dragen houten kistjes met groenten die ze geoogst hebben in een daktuin.

Duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) in de Nederlandse context

In dit hoofdstuk gaat het niet om de brede welvaart als geheel maar om afzonderlijke thema’s binnen de brede welvaart. Hierbij staan de 17 Sustainable Development Goals (de duurzaamheids­doelen van de Verenigde Naties) centraal. De stand van zaken, de trend in Nederland en de positie van Nederland in de EU worden per doel beschreven aan de hand van een aantal indicatoren.

De VN hebben 17 mondiale doelen vastgesteld en aan ieder doel zijn meer concrete doelstellingen gekoppeld. In september 2015 verbonden regeringsleiders van 193 landen zich aan deze agenda voor duurzame ontwikkeling, die loopt tot 2030. Voor deze doelstellingen zijn, naast de internationaal vastgelegde indicatoren, door het CBS indicatoren gezocht die passen in de Nederlandse context. In sommige gevallen wordt dan ook verwezen naar beleidsdoelen die door de Nederlandse overheid of de EU zijn gesteld.

Voor ieder van de SDG-doelen worden indicatoren gepresenteerd die informatie geven over middelen die worden ingezet, over bestaande mogelijkheden en het gebruik daarvan, over uitkomsten, en over de beleving daarvan onder burgers. Waar deze bestaan, worden per thema kwantitatieve beleidsdoelen vermeld.

4.1Samenvattend beeld

De figuren 4.1.1 en 4.1.2 vatten samen hoe Nederland er op het gebied van de SDG’s voor staat. Hierbij moet worden opgemerkt dat het gaat om een rapportage over de voor Nederland relevante SDG’s en dat er in wezen sprake is van een SDG-’plus’ rapportage. Los van de officiële SDG-indicatoren zoals vastgesteld door de VN, zijn namelijk ook CES-indicatoren toegevoegd, in lijn met de opdracht van de Monitor Brede Welvaart. In paragraaf 4.3 wordt dieper ingegaan op de vraag welke indicatoren gebruikt zijn om de 17 SDG’s te beschrijven.

Voor wat betreft de trendmatige ontwikkeling van de SDG’s, valt op dat er relatief veel indicatoren een groene trendkleur hebben (en zich daarmee naar het gestelde doel toe bewegen). Dit is het geval voor SDG 5 (gendergelijkheid), SDG 6 (schoon water en sanitair), SDG 7 (betaalbare en duurzame energie), SDG 8 (waardig werk en economische groei: economie en productiefactoren) en SDG 11 (duurzame steden en gemeenschappen: leefomgeving).

Bij de volgende SDG’s zien we juist een relatief groot aantal indicatoren dat een rode trendkleur toont (zich daarmee juist verwijderend van het gestelde doel): SDG 3 (goede gezondheid en welzijn), SDG 9 (industrie, innovatie en infrastructuur: mobiliteit), SDG 11 (duurzame steden en gemeenschappen: wonen), SDG 15 (leven op het land) en SDG 16.2 (vrede, justitie en sterke publieke diensten: instituties).

Het dashboard leefomgeving van SDG 11 telt veel groene, maar ook veel rode trends.

4.1.1   Trends in Nederland van de SDGplus-doelstellingen
Deze figuur toont per doelstelling het aandeel in het totale aantal gemeten indicatoren.
SDG 1: Geen armoede
40,0%
30,0%
30,0%
SDG 2: Geen honger
53,8%
38,5%
7,7%
SDG 3: Goede gezondheid en welzijn
13,3%
46,7%
40,0%
SDG 4: Kwaliteitsonderwijs
42,9%
35,7%
21,4%
SDG 5: Gendergelijkheid
61,5%
30,8%
7,7%
SDG 6: Schoon water en sanitair
66,7%
22,2%
11,1%
SDG 7: Betaalbare en duurzame energie
70,0%
10,0%
20,0%
SDG 8: Waardig werk en economische groei
78,6%
7,1%
14,3%
46,7%
40,0%
13,3%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
14,3%
50,0%
35,7%
41,7%
50,0%
8,3%
42,9%
50,0%
7,1%
SDG 10: Ongelijkheid verminderen
7,7%
69,2%
23,1%
28,6%
42,9%
28,6%
SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
21,4%
42,9%
35,7%
55,6%
11,1%
33,3%
SDG 12: Verantwoorde consumptie en productie
38,5%
53,8%
7,7%
SDG 13: Klimaatactie
37,5%
50,0%
12,5%
SDG 14: Leven in het water
75,0%
25,0%
SDG 15: Leven op het land
8,3%
50,0%
41,7%
SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten
28,6%
64,3%
7,1%
44,4%
22,2%
33,3%
SDG 17: Partnerschap om doelstellingen te bereiken
50,0%
50,0%

Voor wat betreft de vergelijking met de EU-landen is het beeld grotendeels onveranderd: Nederland blijft koploper bij SDG 1 (geen armoede), SDG 9.3 (industrie, innovatie en infrastructuur: kennis en innovatie), SDG 10.1 (ongelijkheid verminderen: sociale samenhang en ongelijkheid), SDG 16.2 (vrede, justitie en sterke publieke diensten: instituties) en SDG 17 (partnerschap om doelstellingen te bereiken).

Nederland blijft in de achterhoede bij de thema’s van SDG 7 (betaalbare en duurzame energie), SDG 13 (klimaatactie)en SDG 15 (leven op het land).

4.1.2   Positie van Nederland binnen de EU per SDGplus-doelstelling
Deze figuur toont per doelstelling het gemiddelde over de gemeten indicatoren.
Laatste in EU
Eerste in EU
0%
100%
SDG 1: Geen armoede
80%
80%
SDG 2: Geen honger
46%
46%
SDG 3: Goede gezondheid en welzijn
64%
64%
SDG 4: Kwaliteitsonderwijs
69%
69%
SDG 5: Gendergelijkheid
52%
52%
SDG 6: Schoon water en sanitair
37%
37%
SDG 7: Betaalbare en duurzame energie
32%
32%
SDG 8: Waardig werk en economische groei
70%
70%
71%
71%
SDG 9: Industrie, innovatie en infrastructuur
51%
51%
72%
72%
75%
75%
SDG 10: Ongelijkheid verminderen
79%
79%
47%
47%
SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
49%
49%
43%
43%
SDG 12: Verantwoorde consumptie en productie
62%
62%
SDG 13: Klimaatactie
33%
33%
SDG 14: Leven in het water
32%
32%
SDG 15: Leven op het land
38%
38%
SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten
55%
55%
80%
80%
SDG 17: Partnerschap om doelstellingen te bereiken
88%
88%

4.2Het meten van de SDG’s in Nederland

De doelstellingen (goals) van de 17 SDG’s zijn verder uitgewerkt in 169 sub-doelstellingen (targets). De regeringen van de VN-lidstaten zijn verantwoordelijk voor de monitoring van de voortgang ten aanzien van de goals en de targets. Uiteraard spelen de nationale statistiekbureaus hierin een belangrijke rol.

De integratie van de meetsystemen van de brede welvaart (CES-raamwerk) met de SDG’s binnen één publicatie kent grote voordelen. Zowel inhoudelijk als beleidsmatig bestrijken beide kaders eenzelfde terrein. Waar de benadering van de brede welvaart een algemene intentie uitspreekt (een brede welvaart die inclusief en duurzaam is in het ‘hier en nu’, ‘later’ en ‘elders’), wordt deze in de SDG-agenda vertaald in concrete doelstellingen. Dit geeft beleidsmakers meer concrete handvatten. De beide agenda’s kunnen elkaar dan ook in belangrijke mate versterken. Dit blijkt ook duidelijk uit de positieve reacties die er zijn gekomen vanuit de samenleving (onder meer tijdens het SDG-event dat in mei 2019 na Verantwoordings­dag is georganiseerd) en ook door de overheid. Tal van ministeries hebben aangegeven de koppeling van brede welvaart en SDG’s zeer relevant te vinden voor hun werk.

De koppeling van het brede-welvaartsraamwerk en de SDG’s heeft ook geholpen om de SDG-agenda te kunnen vertalen naar de Nederlandse context. Met de brede-welvaartsindicatoren is het mogelijk om belangrijke onderliggende principes van de SDG-agenda, die moeilijk meetbaar zijn, toch inzichtelijk te maken. Hierbij gaat het vooral om het streven van de 2030-agenda naar evenwicht tussen de brede welvaart in het ‘hier en nu’, voor mensen ‘elders’ en het zorgvuldig omgaan met de belangen van toekomstige generaties (‘later’). Voorts helpt de integratie van de beide meetsystemen ook om de voortgang op de verschillende beleids­terreinen beter in kaart te brengen, dankzij de concrete doelen die met de SDG’s gesteld worden. Ten slotte geven de brede-welvaartindicatoren in hoofdstuk 3 ook een duidelijk beeld of mensen kunnen profiteren van welvaartsontwikkelingen of juist achterblijven. Deze concrete invulling helpt om het ‘leave no one behind’-principe in de SDG’s te meten.

4.3Selectie van thema’s en indicatoren

Voor elke SDG is een selectie gemaakt van indicatoren, die gezamenlijk een zogenaamd dashboard vormen. Deze dashboards geven voor elke indicator informatie over het meest actuele cijfer en de richting van de meerjarige trend, evenals de internationale positie van Nederland in de EU. De SDG-dashboards in dit hoofdstuk zijn relevant voor de Nederlandse beleidscontext en kunnen worden gezien als SDGplus dashboards, aangezien er meer dan alleen officiële VN-indicatoren in vermeld worden. In dit hoofdstuk zijn de volgende indicatoren opgenomen:

  • Indicatoren van de SDG’snoot1 die in het huidige beleidsdebat relevant zijn. Hierbij wordt voortgebouwd op eerder werk dat het CBS op het gebied van de SDG’s heeft uitgevoerd. In deze editie staan nog niet alle voor Nederland relevante SDG-indicatoren opgenomen. Voor een aantal van de huidige indicatoren moet aanvullend dataonderzoek worden verricht. Zo is niet altijd tijdige informatie voor handen, ook al heeft het CBS waar mogelijk geprobeerd de informatie sneller beschikbaar te stellen. In een aantal gevallen is de meest recente informatie slechts beschikbaar voor 2016 of eerder. Daarnaast zijn goede tijdreeksen niet altijd beschikbaar; deze zijn noodzakelijk om na te gaan in hoeverre indicatoren een significant stijgende of dalende trend vertonen. Alleen met dergelijke informatie kunnen immers de kleuren voor de dashboards worden vastgesteld.
  • Vrijwel alle indicatoren waarmee in hoofdstuk 2 de staat van de brede welvaart is beschreven en die aan het CES-raamwerk zijn ontleend, staan tevens onder de 17 verschillende SDG’s gerangschikt. Sommige SDG’s zijn daarbij beter gedekt dan andere. Daarbij valt op dat er in het werk van de VN een grote nadruk ligt op ‘hier en nu’-indicatoren, terwijl indicatoren die iets zeggen over het gebruik van hulpbronnen minder sterk vertegenwoordigd zijn. Daarnaast staan er relatief veel ‘input’-indicatoren opgenomen in de SDG-lijst, maar komen indicatoren die iets zeggen over de uitkomsten er bekaaider vanaf. Daar waar nodig worden in de dashboards CES-indicatoren toegevoegd om de balans in de indicatorenset te waarborgen.
  • De dashboards tellen ook aanvullende indicatoren met betrekking tot middelen die worden ingezet, de mogelijkheden die dit creëert, het gebruik dat van mogelijkheden wordt gemaakt, de uitkomsten die aan dat gebruik zijn gerelateerd, en de beleving van burgers.

Het aantal potentiële indicatoren was voor sommige van de thema’s in hoofdstuk 4 zo groot, dat een aantal SDG-doelen in verschillende thema’s en bijbehorende dashboards verdeeld is. Voor iedere SDG is een verzameling indicatoren van beperkte omvang samengesteld. De selectie van indicatoren is gebaseerd op een systematiek van beslisregels. Het doel van deze systematiek is om de verzameling indicatoren zo evenwichtig en neutraal mogelijk te maken.

Bij sommige indicatoren in de dashboards kan er aanleiding zijn tot discussie over de interpretatie ervan. Ten eerste is er bij een aantal indicatoren voor middelen en mogelijkheden de vraag wat het verwachte effect is op brede welvaart. Voorbeelden zijn uitgaven aan gezondheidszorg, ontwikkelingssamenwerking, gewerkte uren in het onderwijs, en milieu-investeringen. Een stijgende trend geeft niet aan dat er per definitie sprake is van een welvaartsstijging. Het ligt er aan of de verhoogde inzet van middelen ook daadwerkelijk vruchten afwerpt. Of deze uitgaven, investeringen of gewerkte uren doelmatig zijn of ‘nodig’, hangt af van de gewenste uitkomsten en is aan het beleidsdebat. Het meetsysteem hanteert het uitgangspunt dat al deze aspecten (middelen, mogelijkheden, gebruik, uitkomsten en beleving) in samenhang bezien worden in dit debat.

De selectie van indicatoren, de statistische methoden waarmee de dashboards zijn samengesteld, en de beslisregels voor de observaties die in de tekst worden beschreven zijn belicht in de toelichting bij deze publicatie (CBS, 2020). Voor sommige indicatoren is de internationale vergelijking gedaan op basis van data die conceptueel afwijken van de Nederlandse data die zijn gebruikt om de trendmatige ontwikkeling in kaart te brengen.

Bij alle beleidsthema’s is gezocht naar indicatoren die afkomstig zijn uit een betrouwbare bron, die zo tijdig mogelijk zijn, internationaal vergelijkbaar zijn en door de tijd heen consistent gemeten worden. Bij gelijke geschiktheid van indicatoren gaf datakwaliteit de doorslag. In een aantal gevallen weegt de beleidsrelevantie zwaarder dan de datakwaliteit. Voor een deel van de indicatoren is echter geen internationale vergelijking mogelijk omdat vergelijkbare data voor andere landen niet voorhanden zijn.

Kleurcodes

De Monitor gebruikt kleuren om de resultaten van verschillende indicatoren vergelijkbaar te maken. Voor iedere indicator wordt gekeken naar de richting van de trend in Nederland in de periode 2012–2019 en naar de positie van Nederland in de EU-28 in het meest recente jaar met voldoende observaties.

Voor trends is de betekenis van kleuren: Voor posities is de betekenis van kleuren:
Groen Groen
De trend beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een stijging van de brede welvaart. Nederland staat in het bovenste kwartiel van de EU-ranglijst.
Grijs Grijs
De trend stijgt of daalt niet significant. Nederland staat in het midden van de EU-ranglijst, tussen het eerste en het derde kwartiel van de frequentieverdeling.
Rood Rood
De trend beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een daling van de brede welvaart. Nederland staat in het onderste kwartiel van de EU-ranglijst.

Bij het bepalen van de kleurcodes kijken we alleen naar de eerste-orde-effecten. Zo is een stijging van de individuele consumptie in de eerste orde goed voor de consument. In de tweede orde gaat hogere consumptie gepaard met milieuvervuiling, obesitas, waterverbruik en CO2‑uitstoot in andere landen, enzovoorts.

Wanneer Nederland voor een indicator een trend heeft die zich beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een daling van de brede welvaart en binnen Europa een positie in het laagste kwartiel heeft, dan observeert het CBS in de monitor een ‘rode’ trend en een ‘rode’ positie. De kleurcode geeft de lezer het signaal dat hij of zij goed moet kijken naar het fenomeen waarvoor de indicator een indicatie geeft. Er is blijkbaar iets aan de hand. Hetzelfde geldt overigens voor een volledig groene indicator: daar gaat blijkbaar iets goed. Middelen en mogelijkheden worden niet geduid in de context van meer of minder brede welvaart, maar alleen in termen van meer of minder beschikbare middelen.

De kleuraanduidingen hebben slechts een signaalfunctie. Er is nadrukkelijk geen sprake van een normatieve duiding. De Monitor geeft aan hoe Nederland er op de uiteenlopende aspecten van brede welvaart voorstaat, en toont hierbij de afruilen waar we als samenleving mee worden geconfronteerd. Het is aan politiek en beleid om op basis van deze informatie te komen tot afwegingen en beleidsconclusies.

Betekenis van voetnoten in de dashboards:

  1. Het CBS heeft voor de Monitor een jaarcijfer voor het meest recente jaar geraamd om het politieke debat te faciliteren. Dit is een voorlopige eerste berekening.
  2. Bij deze indicator zijn binnen de periode 2012–2019 niet genoeg datapunten beschikbaar om een trend te kunnen berekenen.
  3. Bij deze indicator is voor 2018 en 2019 de projectie van het PBL gebruikt.
  4. Het CBS heeft voor de Monitor een jaarcijfer voor 2018 en 2019 geraamd om het politieke debat te faciliteren. Dit is een voorlopige eerste berekening.
  5. Deze indicator krijg in hoofdstuk 4 bij SDG 17, i.t.t. hoofdstuk 2 BWT-wiel ‘elders’, wel een welvaartsduiding. Deze indicator is in de SDG-agenda gedefinieerd. Iedere SDG-indicator heeft een gewenste richting. Meer uitgaven wordt vanuit dit perspectief gezien als stijgende welvaart.
  6. Het CBS heeft voor de Monitor een jaarcijfer voor 2018 geraamd om het politieke debat te faciliteren. Dit geeft een eerste indicatie. Voor 2019 is ook de projectie van het PBL gebruikt.
  7. De datakwaliteit is onvoldoende voor een trendbepaling.

SDG 1   Geen armoede

SDG 1 is gericht op de afname van armoede in al haar vormen. Zowel financiële aspecten als de impact van armoede op het leven van mensen maken daar deel van uit. De materiële welvaart van personen is hier afgebakend als het (gestandaardiseerd) besteedbaar inkomen van het huishouden waar ze deel van uitmaken. Dit inkomen is de basis voor hun bestedingen, besparingen of beleggingen. Bij een laag besteedbaar inkomen is er kans op armoede. Als het huishouden daarnaast kampt met ernstige financiële problemen of weinig actief is op de arbeidsmarkt bestaat voor personen die er deel van uitmaken ook het risico van sociale uitsluiting. Verder heeft de hoogte van het besteedbaar inkomen invloed op de bestaanszekerheid die mensen ervaren.

De armoede­problematiek in Nederland is van een andere orde dan die in de allerarmste landen van de wereld, maar ook in Nederland lopen mensen risico op (relatieve) armoede. Dit dashboard laat zien hoe de inkomens in Nederland zich ontwikkelen, hoe groot het risico op inkomensarmoede of sociale uitsluiting is en in hoeverre mensen financiële zorgen hebben (SDG 1.2). Voor wat betreft de trendmatige ontwikkeling is het beeld gemengd. Sommige indicatoren laten een stijgende, andere een dalende welvaartstrend zien. Voor wat betreft de positie op de EU-ranglijst is het beeld eenduidig: voor alle indicatoren die internationaal vergeleken konden worden, geldt dat Nederland een plaats in de Europese voorhoede inneemt.

Middelen en mogelijkheden hebben betrekking op financiële middelen die mensen tot hun beschikking hebben en de eventuele ondersteuning daarbij. Het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar inkomen per huishouden kwam in 2018 uit op 28 521 euro. Dit bedrag is gecorrigeerd voor inflatie, zodat inkomens beter in de tijd vergelijkbaar zijn. Bij de berekening is ook gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van huishoudens (standaardisatie). Zeer hoge inkomens trekken het gemiddelde omhoog; de mediaan van het besteedbaar inkomen was met 25 620 euro dan ook lager dan het gemiddeld besteedbaar inkomen. Nederland staat hoog op de Europese ranglijst bij deze indicatoren. Indien het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen sterker stijgt dan de consumentenprijzen, neemt de koopkracht van de bijbehorende huishoudensleden toe. De mediane koopkrachtverandering van de bevolking in 2018 ten opzichte van dezelfde bevolking in 2017 kwam uit op 0,3 procent. Dit betekent een lichte koopkrachtverbetering (waarbij overigens de helft van de bevolking de koopkracht minder ziet toenemen of zelfs ziet dalen).

Gebruik betreft het gebruik van verschillende vormen van financiële ondersteuning. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

Uitkomsten hebben betrekking op het aandeel mensen met risico op armoede of sociale uitsluiting. Bijna 17 procent van de bevolking liep in 2018 risico op armoede of sociale uitsluiting. Nederland neemt met dit relatief lage percentage een hoge positie in binnen de EU. Het risico is in bijna alle landen teruggelopen, in lijn met de EU2020 doelstelling van een significante daling (Ministerie van Economische Zaken, 2017a; Europese Commissie, 2010). Het beschikken over betaalbare zelfstandige woonruimte wordt gerekend tot de basis­behoeften van mensen. In 2018 sliepen 23 van elke 10 duizend inwoners in de leeftijd van 18 tot 65 jaar in een tijdelijke opvang, de open lucht of een overdekte openbare ruimte. Dit waren vooral mannen. De trend is stijgend: in 2012 verkeerden 16 van de 10 duizend inwoners in deze situatie. Het deel van de bevolking dat rond moet komen van een inkomen beneden de kritische inkomensgrens, is in Nederland in 2018 iets opgelopen, naar 13,3 procent. Nederland zakte daarmee naar de zesde plaats op de internationale ranglijst, nog altijd een hoge positie. De armoedekloof – dat is hoever het mediane inkomen van armen onder de armoedegrens ligt – is groter geworden. Binnen de EU bezet Nederland hiermee echter ook voor deze indicator een hoge positie. Het probleem van langdurige armoede, volgens de definitie van het CBS, neemt eveneens toe. Ruim drie procent van de huishoudens heeft al vier jaar of langer een laag inkomen. Tegenover deze stijgende trends staat een geleidelijke afname van het percentage kinderen tot en met twaalf jaar dat volgens het SCP leeft in een huishouden met een inkomen onder het ‘niet-veel-‌maar-toereikend’-criterium. Voor deze indicator kan een trendomslag worden geconstateerd: waar deze indicator eerder nog grijs was, is de trend nu groen.

Beleving gaat over de ervaren bestaanszekerheid. Het percentage mensen dat zegt zich veel zorgen te maken over hun financiële toekomst is afgenomen. In 2019 kampte een op de vier volwassenen met dergelijke zorgen, in 2013 – het eerste jaar van deze meting – was dit nog een op de drie.

SDG 1   Geen armoede  

Middelen en mogelijkheden

€ 28 521
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
7e
€ 25 620
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
7e
0,3%

Uitkomsten

16,7%
5e
23
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13,3%
6e
18,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
7e
3,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
9,1%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

Beleving

25,2%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

SDG 2   Geen honger

SDG 2 betreft een einde aan honger. Vergeleken met andere landen komt ondervoeding en voedsel­onzekerheid in Nederland niet vaak voor. In dit dashboard wordt daarom het accent gelegd op de duurzaam­heid van de voedselproductie (SDG 2.4) en de impact van de voedsel­productie op de kwaliteit van de leefomgeving en het dierenwelzijn. Het dashboard omvat ook SDG 12.3, die tot doel heeft om in 2030 de voedselverspilling per inwoner ten opzichte van 2015 te halveren (Ministerie van Economische Zaken, 2017b).

Het beeld bij de trends in Nederland is overwegend positief. Bij de positie ten opzichte van andere EU-landen is het beeld sterk wisselend, met posities zowel in de voor- als in de achterhoede. Zo is in Nederland de productie van de landbouw zeer hoog in vergelijking met andere landen in de EU-28, maar zijn het areaal biologische landbouw en het areaal voor eiwitrijke gewassen internationaal gezien zeer klein.

Middelen en mogelijkheden betreffen de hoeveelheid land en arbeid die ter beschikking staat ten behoeve van de voedselproductie. Het areaal cultuurgrond neemt in Nederland trendmatig af en besloeg in 2018 43,7 procent van de totale oppervlakte. Bij de productie van de landbouw per arbeidsjaar is de trend neutraal en de internationale positie hoog; Nederland staat hiermee op de tweede positie binnen de EU.

Gebruik betreft de wijze waarop en de mate van duurzaamheid waarmee voedsel geproduceerd wordt. Het areaal waarop biologische landbouw wordt toegepast neemt trendmatig toe en besloeg in 2018 3,2 procent van het totale areaal cultuurgrond. Inter­nationaal gezien is dat een klein aandeel. Eiwitrijke gewassen zoals peulvruchten en soja­bonen worden in toenemende mate geteeld, waarmee meer vleesvervangend voedsel ter beschikking komt. Het areaal van deze gewassen besloeg 0,5 procent van het totale areaal cultuurgrond in 2019. De afzet van chemische gewas­beschermingsmiddelen per miljoen euro aan landbouwproductievolume daalt trendmatig. Desondanks kan het absolute verbruik per hectare hoog zijn en de milieuschade aanzienlijk. In vergelijking met andere EU-landen worden per verdiende euro aan landbouwproducten relatief weinig gewasbeschermings­middelen gebruikt. Ook het antibiotica­gebruik in de veehouderij daalde trendmatig. De veestapeldichtheid is in Nederland zeer hoog. Hoewel een hoge veestapeldichtheid vanuit het perspectief van voedselproductie als positief geduid wordt, heeft deze vanuit het perspectief van dierenwelzijn en druk op het milieu ongewenste gevolgen. Nederland kent de hoogste veestapeldichtheid van Europa, hetgeen in de context van duurzame productie als negatief geduid wordt.

Uitkomsten beschrijven de betaalbaarheid van voedsel en de impact van voedselproductie op de leefomgeving en het dierenwelzijn. Het effect van productiemethoden in de landbouw op het lokale milieu en de waterkwaliteit is gerelateerd aan onder andere de benuttings­percentages van stikstof en fosfor. Van de totale stikstofaanvoer via meststoffen in 2019 werd 57 procent opgenomen door gewassen. Het overige deel van de stikstof vervluchtigt na mesttoediening naar de lucht (9 procent) of blijft achter in de bodem (34 procent), waarna het uitspoelt naar grond- en oppervlaktewater. Nederland staat qua stikstofbenutting inter­nationaal gezien laag: dertiende van zeventien EU-landen in 2017. Het benuttingspercentage van fosfor ligt met 84 procent in 2019 een stuk hoger dan bij stikstof. Daarmee is evenwichtsbemesting voor fosfor in zicht. Zowel het marktaandeel van biologisch voedsel (3 procent in 2018) als het aandeel vlees met een duurzaamheidskenmerk (30 procent in 2018) neemt trendmatig toe. Het SDG-doel op het terrein van voedselverspilling betekent voor Nederland een streefdoel van 63 kg per inwoner in 2030. Tussen 2012 en 2017 nam de jaarlijkse voedselverspilling af van 136 kg naar 127 kg per inwoner.

Beleving betreft tevredenheid met de kwaliteit en het aanbod van voedsel en tevredenheid met de leefomgeving en het dierenwelzijn. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

SDG 2   Geen honger  

Middelen en mogelijkheden

43,7%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
15e
€168
2e

Gebruik

3,52
28e
3,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
23e
0,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
18e
356,8
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
1e
71,0%
0,074
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

Uitkomsten

84,1%
7e
57,4%
13e
3,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
30,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
127
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

SDG 3   Goede gezondheid en welzijn

SDG 3 streeft naar een goede gezondheid voor mensen van alle leeftijden. Het voorkómen van voortijdige sterfte veroorzaakt door overdraagbare en niet-overdraagbare ziektes en psychische problemen staat hoog op de VN-agenda. Deze wereldwijde doelstellingen komen in Nederland onder andere terug in het Nationaal Preventieakkoord en het actieplan Verder met vaccineren. Het aanpakken van roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik – belangrijke oorzaken van ziektelast en vroegtijdige sterfte – kan de gezondheid van veel Nederlanders verbeteren (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2018a). Samen met andere organisaties werkt de Rijksoverheid in het Nationaal Preventieakkoord onder meer aan het bewerkstelligen van een rookvrije generatie in 2040. In het kader van een gezond gewicht zou volgens het akkoord in 2040 maximaal 38 procent van de volwassenen overgewicht hebben en maximaal 7,1 procent obesitas.

Ook hoog op de agenda staat het voorkómen van ernstige infectieziekten. Om deze ziekten te bestrijden moeten meer mensen gevaccineerd zijn. Met het actieplan Verder met vaccineren (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2018b) zet het kabinet in op maatregelen die de vaccinatiegraad kunnen verhogen om de bevolking zo goed mogelijk te beschermen tegen uitbraken van infectieziekten.

Voor wat betreft de ontwikkelingen door de tijd heen is het beeld voor SDG 3 gemengd. Van de indicatoren die een duidelijk trendmatige ontwikkeling laten zien, is er bij twee sprake van een stijgende welvaart en bij zes sprake van een welvaartsdaling. Kijken we naar de positie in de EU, dan blijkt Nederland voor vier indicatoren een hoge positie in te nemen, en staan we voor twee indicatoren in de lagere regionen van de lijst.

Middelen en mogelijkheden betreffen de middelen die worden ingezet om het zorgstelsel te onderhouden en te verbeteren. De uitgaven aan gezondheidszorg als percentage van het bbp lopen de laatste jaren terug. Met het aantal in de zorg gewerkte uren per inwoner staat Nederland bovenin de Europese ranglijst.

Gebruik betreft gedrag dat van invloed is op gezondheid en het gebruik dat mensen maken van de zorg. Twee belangrijke indicaties voor een gezonde leefstijl zijn overgewicht en roken. Het deel van de bevolking dat te zwaar is groeit. In 2019 had 51,0 procent van de bevolking van 20 jaar en ouder een BMI van 25,0 kg/m2 of meer, gebaseerd op zelf­rapportage over lichaamslengte en -gewicht. Het percentage van de bevolking dat rookt en het alcoholgebruik loopt wel geleidelijk terug; in 2019 rookte een vijfde van de bevolking van 12 jaar en ouder. De basisvaccinatiegraad voor mazelen is een indicator voor het gebruik van het zorgaanbod. Deze inenting wordt in Nederland gecombineerd met vaccinatie tegen rode hond en de bof (BMR). Vergeleken met andere Europese landen is de vaccinatiegraad laag, en vertoont deze verder door de tijd heen een dalende trend. Na een jarenlange daling lijkt de vaccinatiegraad van tweejarigen recent te stabiliseren. Cijfers over kinderen die in 2019 hun tweede verjaardag vierden, zijn er nog niet. Het RIVM verwacht dat de vaccinatie­graad onder deze groep hoger zal liggen, maar dat de door artsen en andere experts bepleite 95 procent nog niet wordt gehaald. Omdat de inenting pas op de leeftijd van veertien maanden wordt gegeven, lopen vooral baby’s risico op ziekte of zelfs overlijden als ze met niet-gevaccineerde kinderen in aanraking komen.

Uitkomsten hebben betrekking op de actuele fysieke en psychische gezondheid van de bevolking in samenhang met de kwaliteit van de zorg. Diabetes is een van de meest voorkomende chronische ziekten. Overgewicht, weinig beweging en leeftijd spelen een rol bij de kans deze ziekte te krijgen. Inmiddels gebruikt bijna vijf procent van de bevolking diabetesmedicatie. De gemiddelde verpleegduur bij klinische opnamen is in Nederland korter dan in de andere EU-landen. Bij poliklinische zorg lopen de wachttijden op. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars hanteren hiervoor een maximaal aanvaardbare termijn van vier weken. In bijna 30 procent van de gevallen ligt het aantal dagen tussen de eerste afspraak en de start van de behandeling boven deze norm.

Een tamelijk directe manier om de actuele gezondheid van de bevolking te beoordelen is de gezonde levensverwachting, een maat waarin sterftekansen en ongezondheid worden gecombineerd. De gezonde levensverwachting kan op verschillende manieren worden berekend, omdat er meerdere manieren zijn om gezondheid af te bakenen. In deze Monitor is gekozen voor de variant van de levens­verwachting (bij geboorte) in als goed of zeer goed ervaren gezondheid. Dit is in 2019 voor vrouwen ruim 63 jaren en voor mannen bijna 65 jaren. Vergeleken met vrouwen in andere EU-landen is de gezonde levensverwachting voor Nederlandse vrouwen relatief laag. Nederlandse mannen nemen in Europa een middenpositie in. De cijfers die gebruikt zijn voor het maken van de internationale vergelijking hebben overigens betrekking op een andere variant van de gezonde levensverwachting, namelijk de levensverwachting zonder GALI-beperkingen, waarbij GALI staat voor Global Activity Limitation Indicator.

De psychische gezondheid van de bevolking wordt in de meest extreme vorm gemeten door te kijken naar de ontwikkeling van het aantal zelfdodingen. In aanvulling daarop laat de Mental Health Inventory zien hoe de eigen psychische gezondheid ervaren wordt, aan de hand van vijf vragen over hoe men zich in de voorafgaande vier weken voelde. Van de bevolking van 12 jaar en ouder behaalde 88,5 procent in 2019 een score van 60 of meer en wordt daarmee gezien als psychisch gezond. De trend is wel dalend.

Overigens kan in deze Monitor voor een aantal indicatoren een trendomslag worden geconstateerd. De indicator voor diabetes­medicatie die voorheen een dalende welvaart te zien gaf, laat nu een stabiel ontwikkelpad zien. Voor de wachttijden in de specialistische zorg en de psychisch gezonde bevolking is de stabiele trend evenwel omgeslagen naar een afnemende welvaart.

Beleving beschrijft de tevredenheid van burgers met de eigen gezondheid en het Nederlandse zorgstelsel. Bij het percentage van de bevolking dat de eigen gezondheid als heel goed ervaart is de trend dalend, hoewel het in 2019 iets hoger ligt dan in 2018. Nederland neemt binnen Europa een hoge positie in.

SDG 3   Goede gezondheid en welzijn  

Middelen en mogelijkheden

9,9%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
7e
99,9
4e

Gebruik

51,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e
8,3
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
2e
20,4%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
4e
92,9%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
13e

Uitkomsten

4,7%
5,2
1e
64,8
16e
63,2
22e
28,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
2,5
14e
10,6
14e
88,5%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
11e

Beleving

78,7%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
5e

SDG 4   Kwaliteitsonderwijs

SDG 4 betreft goed onderwijs voor iedereen. Adequaat onderwijs is voor mensen in alle leeftijds­categorieën en in alle levensfasen van belang, van voorschoolse educatie (SDG 4.2) tot ‘een leven lang leren’ (SDG 4.3). Vaardigheden van leerlingen (SDG 4.1) en de bevolking (SDG 4.6) kunnen worden gerelateerd aan de kwaliteit van het genoten onderwijs. Onderwijs zorgt er bovendien voor dat de huidige en toekomstige werkenden over vaardigheden beschikken die zij nodig hebben om te functioneren in een kennisintensieve omgeving (SDG 4.4).

Het beeld bij dit dashboard is gemengd, maar overwegend positief. Van de indicatoren die een duidelijke trendmatige ontwikkeling kennen, is voor zes indicatoren vanuit een welvaarts­optiek deze als positief te duiden en voor drie als negatief. Op de EU-ranglijst nemen zeven indicatoren een toppositie in, en staat er één in de achterhoede.

Middelen en mogelijkheden betreffen de omvang en betaalbaarheid van onderwijs. De overheids­uitgaven aan onderwijs als percentage van het bbp nemen af. Nederland bekleedt binnen Europa een middenpositie. Het aantal gewerkte uren in het onderwijs per inwoner is de afgelopen jaren juist toegenomen, maar dit blijft vergeleken met andere EU-landen laag.

Gebruik heeft betrekking op de participatie in het onderwijs. Bijna 98 procent van de kinderen in de leeftijdsgroep vanaf 4 jaar tot het begin van de leerplicht neemt al deel aan onderwijs. De trend is nog neerwaarts, maar de laatste jaren is de onderwijsdeelname van deze groep stabiel. Nederland staat bovenin in de Europese ranglijst. Bij schooluitval heeft ons land een middenpositie. Het Nederlandse beleidsdoel van minder dan 8 procent schooluitval in 2020 is behaald (Ministerie van Economische Zaken, 2020). Na een forse daling in 2017 liep de schooluitval in 2018 en 2019 weer op, maar de trend is nog dalend. In 2019 verliet 7,5 procent van de jongeren van 18 tot 25 jaar het onderwijs voortijdig, dus zonder startkwalificatie. Een startkwalificatie houdt in dat iemand ten minste een havo- of vwo-opleiding, een basisberoepsopleiding (mbo niveau 2) of een oude opleiding van vergelijkbaar niveau heeft afgerond. Voor voortijdig schoolverlaters zijn er twee doelstellingen, een internationale en een afgeleide nationale. De internationale doelstelling in deze Monitor betreft de totale groep voortijdig schoolverlaters van 18 tot 25 jaar, en zowel het door de overheid bekostigde onderwijs als het niet-bekostigde onderwijs. De nationale doelstelling betreft de nieuwe aanwas tot 23 jaar. Het CBS publiceert overigens beide cijfers. Bij de deelname aan ‘leven lang leren’ is de trend stijgend. Het ging in 2019 om 19,2 procent van de 25- tot 65-jarigen. Hiermee is het Nederlandse beleidsdoel van 20 procent in 2020 bijna bereikt (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2019). Binnen de EU neemt Nederland een hoge positie in.

Uitkomsten betreffen het bereikte opleidingsniveau en het niveau van specifieke vaardigheden. Het beleidsdoel voor 2020 van meer dan 40 procent tertiair of hoger opgeleiden onder 30- tot 35-jarigen is in 2010 al gehaald (Ministerie van Economische Zaken, 2020; Europese Commissie, 2010). Inmiddels is meer dan de helft van deze leeftijdsgroep hoogopgeleid. Dit doel komt nu binnen bereik van een veel ruimere leeftijdsgroep: bijna 40 procent van de bevolking van 25 tot 65 jaar was in 2019 hoogopgeleid. De trend is bij beide leeftijdsgroepen opwaarts. Het aandeel middelbaar­opgeleiden, waaronder mensen met een praktijkonderwijsdiploma, is de laatste jaren teruggelopen. Hier is de trend neerwaarts. Bij de internationale vergelijking van het opleidingsniveau past een kanttekening: alle EU-landen rapporteren over het onderwijsniveau op basis van dezelfde internationale classificatie (ISCED), maar de onderwijssystemen verschillen sterk van land tot land. Dit kan bijdragen aan verschillen in opleidingsniveau.

Voldoende taal- en rekenvaardigheid is nodig om volwaardig te kunnen deelnemen aan de maatschappij. De toetsen van de onderwijsinspectie voor leerlingen in groep 8, de PISA-scores van 15-jarigen en de PIAAC-toetsen (onder de volwassen bevolking van 16 tot 66 jaar) geven een indruk van de opgedane vaardigheden.noot2 Door de grote variatie aan eindtoetsen kan de onderwijsinspectie de vaardigheid van leerlingen momenteel niet eenduidig peilen. Cijfers voor 2018 die met eerdere jaren vergelijkbaar zijn komen er niet. Vanaf het schooljaar 2020/’21 zal op een nieuwe manier vastgesteld gaan worden of leerlingen voldoende vaardig zijn in lezen en rekenen. De internationale positie is ontleend aan het driejaarlijkse PISA-onderzoek onder 15-jarigen in de OESO-landen. De Nederlandse PIAAC-scores onder volwassenen zijn hoog vergeleken met andere landen, maar de laatste meting dateert uit 2012. PIAAC is een internationaal OESO-onderzoek onder de volwassen bevolking, dat slechts één keer in de tien jaar plaatsvindt. In 2018 is een nieuwe ronde gestart; de resultaten worden eind 2023 gepubliceerd. Digitale vaardigheden zijn in een kennisintensieve economie onmisbaar. Op dit punt voert Nederland in 2019 de Europese ranglijst aan.

Beleving heeft betrekking op hoe mensen onderwijs en opleidingskansen ervaren. Met de opleidingskansen zijn Nederlanders behoorlijk content: 82,4 procent van de volwassen bevolking was hier in 2019 tevreden over.

SDG 4   Kwaliteitsonderwijs  

Middelen en mogelijkheden

5,1%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
13e
41,2
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
20e

Gebruik

97,6%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
6e
7,5%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
10e
19,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e

Uitkomsten

39,1%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
21e
39,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
11e
50,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
6e
48,0%
2e
65,0%
14e
284,0
2e
280,3
3e
79,0%
1e

Beleving

82,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
14e

SDG 5   Gendergelijkheid

SDG 5 heeft betrekking op gelijke behandeling van mannen en vrouwen en op hun gelijk­waardige positie in de samenleving. De mate van gelijkheid wordt onder meer afgemeten aan verschil in beloning voor arbeid, arbeidsdeelname en de positie van vrouwen in bedrijfsleven en bestuur (SDG 5.5). Een andere specifieke doelstelling binnen deze SDG is het terug­dringen van tegen vrouwen gericht geweld (SDG 5.2). Vanuit het streven naar een meer gelijke positie van vrouwen en mannen heeft het kabinet verschillende beleidsdoelen geformuleerd: meer economisch zelfstandige vrouwen, betere doorstroming van vrouwen naar hogere functies, dichten van de loonkloof tussen mannen en vrouwen en minder intimidatie en geweld tegen vrouwen (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018).

Bij de trend in Nederland kleurt dit dashboard in meerderheid groen. Bij de positie is het beeld meer gemengd. Bij drie indicatoren heeft Nederland een sterke positie, maar bij drie andere indicatoren wordt een plaats in de Europese achterhoede ingenomen.

Middelen en mogelijkheden gaan over rechten en vrijheden van mannen en vrouwen en de mogelijkheid deze te gebruiken. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

Gebruik betreft de mate waarin vrouwen en mannen maatschappelijk en economisch participeren. In het Nederlandse hoger onderwijs was in 2017 het merendeel (52,3 procent) van de studenten vrouw. In de meeste andere Europese landen is het percentage vrouwelijke studenten nog hoger. Als hier sprake is van een achterstand, dan is dit bij mannen. Het percentage 15- tot 75-jarigen dat werkt (de nettoarbeidsparticipatie) is de laatste jaren zowel bij mannen als bij vrouwen toegenomen. Met respectievelijk 73,2 en 64,4 procent lag de participatie­­graad van mannen in 2019 zo’n 9 procentpunt boven die van vrouwen. Het verschil wordt wel kleiner. In de EU-28 bevindt Nederland zich met deze arbeidsdeelname in de voorhoede. Deze rangschikking houdt echter geen rekening met het aantal uren dat gewerkt wordt: veel vrouwen en relatief ook veel mannen in Nederland werken in deeltijd (tot 35 uur per week). Iets meer dan de helft van de werkenden had in 2019 een voltijdbaan. Bij de nettoarbeidsparticipatie van zowel mannen als vrouwen is een trendomslag opgetreden. In beide gevallen is een neutrale trend een stijgende geworden. Voor mannen valt daarbij op dat zij tijdens de economische crisis, tot 2014, te maken hadden met een dalende arbeidsparticipatie, terwijl die voor vrouwen gedurende die periode gelijk bleef.

Uitkomsten betreffen de effecten van participatie op gendergelijkheid. Een steeds groter deel van de bevolking is economisch zelfstandig: vier van de vijf mannen, en drie op de vijf vrouwen. Voor wat betreft de economische zelfstandigheid van mannen is de stabiele trend die voorheen kon worden geconstateerd, omgeslagen naar een stijgende trend. Het verschil in beloning tussen mannen en vrouwen wordt geleidelijk kleiner. Het uurloonverschil is afgenomen naar 14,3 procent in 2019. Nederland neemt binnen de EU hier een middenpositie in. Voor zowel vrouwen als mannen geldt dat het percentage hoogopgeleiden toeneemt. Bij vrouwen is het aandeel net iets groter dan bij mannen. Minder gunstig is het beeld bij leidinggevende functies. Vrouwen bezetten in 2018 een kwart van de posities in het hogere management en middenkader. Alleen in Italië is dit percentage lager. Het aandeel vrouwelijke volksvertegen­woordigers loopt terug. In 2019 was een derde van de Tweede Kamerleden vrouw, en Nederland is de afgelopen jaren naar een midden­positie binnen Europa gezakt op dit punt.

De gezonde levensverwachting, waarmee in dit geval de levens­verwachting in als goed of zeer goed ervaren gezondheid wordt bedoeld, is voor vrouwen lager dan voor mannen. Vrouwen zullen bij geboorte naar verwachting ruim 63 jaar in als goed ervaren gezondheid leven. Bij mannen is dit bijna 65 jaar. Vergeleken met vrouwen in andere EU-landen bevinden Nederlandse vrouwen zich onderin de ranglijst. Mannen nemen in Europees perspectief een middenpositie in. De cijfers die gebruikt zijn voor het maken van de internationale vergelijking hebben overigens betrekking op een andere variant van de gezonde levensverwachting dan de cijfers die voor de berekening van de trend in Nederland gebruikt zijn. Bij de internationale vergelijking gaat het over de levensverwachting zonder GALI-beperkingen.

Minder intimidatie en geweld tegen vrouwen is een van de focuspunten in het kabinetsstreven naar sociale veiligheid voor alle burgers. Fysiek en/of seksueel geweld door de huidige of ex-partner is hier een aspect van. Hier is de trend dalend. In 2019 gaven 1,3 op de duizend vrouwen aan na hun vijftiende slachtoffer te zijn geweest van fysiek of seksueel geweld door de huidige of ex-partner.

Beleving gaat om de persoonlijke ervaring van gender(on)gelijkheid. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

SDG 5   Gendergelijkheid  

Gebruik

52,3%
23e
64,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
73,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
2e

Uitkomsten

40,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
14e
39,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e
62,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
80,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
14,3%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
12e
24,8%
25e
31,3%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
11e
63,2
22e
64,8
16e
1,3
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

SDG 6   Schoon water en sanitair

De toegang tot schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen is goed geregeld in Nederland. De focus van dit dashboard ligt daarom op waterkwaliteit (SDG 6.3) en de efficiëntie van watergebruik. Lozingen van vervuilende stoffen, direct of via de bodem, beïnvloeden de kwaliteit van binnen­wateren en het grondwater. Met waterzuivering wordt de vervuiling veroorzaakt door deze emissies teruggebracht en wordt de waterkwaliteit verbeterd. Zuiniger zijn met water (een hogere water­productiviteit) is van belang voor het verminderen van de druk op zoetwaterbronnen bij groeiende economische activiteit.

De trendmatige ontwikkeling in Nederland is bij dit dashboard overwegend positief. Een uitzondering hierop is de ontwikkeling in aantallen dan wel verspreiding van diersoorten die kenmerkend zijn voor zoetwaternatuur. Hierbij is de laatste acht jaar een beperkte afname te zien, na twee decennia van toename. Een vergelijking met andere EU-landen is bij deze SDG voor slechts een klein aantal indicatoren mogelijk.

Middelen en mogelijkheden betreffen de middelen waarmee huishoudens worden voorzien van schoon en betaalbaar drinkwater. De drinkwatervoorziening is in Nederland zeer goed geregeld. De productiekosten van drinkwaterbedrijven zijn de laatste jaren afgenomen. Bij de gemiddelde prijs voor afnemers van drinkwater is de trend neutraal.

Gebruik betreft de onttrekking van water aan het milieu, de efficiëntie van drink­watergebruik en de mate van zuivering van stedelijk afvalwater. De zuiverings­rendementen voor stikstof en fosfor bij de zuivering van stedelijk afvalwater zijn hoog: in 2018 respectievelijk 85 procent en 87 procent. Voor beide is de trend stijgend, wat duidt op een voortdurende verbetering van de efficiëntie van de waterzuivering. In 2018 werd per inwoner 471 m3 zoetwater uit oppervlakte- en grondwater gewonnen. Het waterverbruik door de landbouw en drinkwaterbedrijven was in de droge zomer van 2018 hoger: de behoefte van de landbouwsector aan grondwater voor beregening was de grootste in 15 jaar. Omdat energiebedrijven daarentegen steeds minder zoetwater nodig hebben om te koelen, vlakt de winning per inwoner iets af. Vergeleken met andere EU-landen onttrekt Nederland per inwoner vrij veel water aan het oppervlakte- en grondwater, voornamelijk omdat het land veel koelwaterintensieve bedrijven heeft. Dat koelwater is na lozing ook weer beschikbaar voor gebruik. De waterproductiviteit – een maatstaf voor efficiëntie van het watergebruik door het bedrijfsleven- is verder verbeterd en kwam in 2018 uit op 88,5 euro per m3. In 2012 was dit nog 57,6 euro.

Uitkomsten hebben betrekking op de kwaliteit, betaalbaarheid en duurzaamheid van water in het algemeen en drinkwater in het bijzonder. Voor diersoorten die typerend zijn voor zoete wateren en moerassen is na een periode van gestage stijging recent sprake van een trendmatige afname. De oorzaken van deze daling zijn divers en per soortgroep verschillend. De waterkwaliteit verbetert weliswaar (langzaam) verder, maar is kennelijk nog lang niet overal voldoende voor deze specifieke diersoorten. De chemische en biologische water­kwaliteit wordt officieel eens in de zes jaar beoordeeld volgens de systematiek van de Europese Kaderrichtlijn Water. Deze gegevens zijn nu niet actueel en daarom hier niet opgenomen. Het algemene oordeel is dat de waterkwaliteit nog sterk moet verbeteren om in 2027 aan de eisen te voldoen. De kwaliteit van het zwemwater in de Nederlandse binnen­wateren is in deze Monitor gekozen als alternatieve indicator. Ondanks de uitzonderlijk warme zomers van 2014, 2018 en 2019 is de kwaliteit van het zwemwater in het binnenland tussen 2012 en 2019 trendmatig verbeterd: in 2019 kreeg bijna 74 procent de kwalificatie ‘uitstekend’. Deze indicator is zijdelings ook relevant voor de productie van drinkwater omdat in Nederland naast grondwater ook oppervlaktewater onttrokken wordt ten bate van de drinkwater­productie.

Beleving betreft de tevredenheid met het drinkwater. De klanttevredenheid met het drink­water was in 2015 – het laatste jaar met een landelijke meting – hoog.

SDG 6   Schoon water en sanitair  

Middelen en mogelijkheden

€ 1,14
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
€ 1,53

Gebruik

85%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
87%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
471
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
11e
€ 88
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e

Uitkomsten

140
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
73,8%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
17e

Beleving

8,5

SDG 7   Betaalbare en duurzame energie

De beschikbaarheid, duurzaamheid en betaalbaarheid van energie waren de belangrijkste onderwerpen in de maatschappelijke en politieke debatten van de afgelopen jaren. In Nederland is de beschikbaarheid van energie goed geregeld. Daarom is het dashboard van SDG 7 gericht op SDG’s 7.2 (hernieuwbare energie) en 7.3 (energie-efficiëntie). De uitstoot van broeikasgassen (zie SDG 13 over klimaat) is vooral een gevolg van de verbranding van fossiele brandstoffen in elektriciteits­centrales, industrie, auto’s, huizen en andere gebouwen. De ontwikkeling en het gebruik van technologieën voor energiebesparing en hernieuwbare energiebronnen zijn een wezenlijk middel om energie­verbruik en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen. Dit heeft een positief effect op de brede welvaart in de toekomst.

Het beeld voor de trendmatige ontwikkelingen in Nederland is overwegend positief, met onder andere een toename van werkgelegenheid en investeringen in de groeiende duurzame-energie­sector en een afname van het energieverbruik en de energie-intensiteit van de economie. In vergelijking met de andere EU-landen blijft Nederland voor veel van deze indicatoren echter ver achter.

Middelen en mogelijkheden betreffen de beschikbaarheid en betaalbaarheid van energie en de investeringen in duurzame energievoorziening. De trend van de investeringen in hernieuwbare energie en energiebesparingen is opwaarts, in 2019 ging het om 1,1 procent van het bbp. Ook de werkgelegenheid in de duurzame-energiesector is trendmatig toegenomen. Deze bedrijven zorgden volgens een eerste raming van het CBS en PBL in 2019 voor 0,9 procent van de totale werkgelegenheid. De vanuit economisch en maatschappelijk oogpunt winbaar geachte fossiele energiereserves zijn verder teruggelopen. Het in Nederland opgestelde vermogen voor hernieuwbare elektriciteit is in de periode 2012–2019 toegenomen van 164 naar 656 megawatt per miljoen inwoners. Vooral de laatste jaren is de groei uitzonderlijk: in 2019 was het vermogen ruim een kwart groter dan in 2018. Deze recente stijging is grotendeels toe te schrijven aan het elektrisch vermogen van installaties om zonnestroom op te wekken. Eind 2018 was voor het eerst meer vermogen beschikbaar voor de opwekking van elektriciteit uit zonne-energie dan voor winning van elektriciteit uit windenergie. Daar hoort de kanttekening bij dat het hier gaat om het opgestelde vermogen, niet om de daadwerkelijke opwekking van energie. Met name bij zonne-energie is de hoeveelheid stroom die in de Nederlandse situatie daadwerkelijk opgewekt wordt aanmerkelijk kleiner dan het potentiële vermogen. In 2018 bezette Nederland voor deze indicator de 22ste positie van 26 EU-landen.

Als indicator voor de betaalbaarheid van energie is gekeken naar de uitgaven aan energie door huishoudens als percentage van de totale consumptieve uitgaven. Dit aandeel daalt trendmatig en kwam in 2019 uit op 3,4 procent. Internationaal gezien geven Nederlandse huishoudens relatief weinig uit aan energie. Nederland staat in 2018 op de zevende plaats op de ranglijst van 27 EU-landen.

Gebruik betreft de hoeveelheid energie die wordt gebruikt en bespaard.noot3 Het totale energieverbruik is afgenomen van 4 634 kg olie-equivalenten per inwoner in 2012 naar 4 282 kg in 2018. De trend is neerwaarts, maar Nederland bezet een plek in de achterhoede in de vergelijking met andere EU-landen. Ook de energie-intensiteit, een maat voor de energie-efficiëntie van de economie, nam van 2012 tot 2019 trendmatig af. Nederland bezette in 2018 een elfde positie binnen de EU.

Uitkomsten betreffen de betaalbaarheid, duurzaamheid en verspilling van energie. Het verbruik van aardolieproducten is tussen 2012 en 2019 trendmatig gestegen, van 2,5 naar 3,5 ton per inwoner. De trend bij de invoer van fossiele energiedragers is neutraal, waar deze voorheen nog stijgend was. Nederland staat laatste op de EU-ranglijst in 2018, waarbij de kanttekening gemaakt moet worden dat een groot deel van deze invoer weer wordt uitgevoerd. Het aandeel hernieuwbare energie is trendmatig toegenomen naar 7,4 procent in 2018, ongeveer de helft van de beleidsdoelstelling van 14 procent hernieuwbare energie in 2020. Het aandeel hernieuwbare energie in Nederland was in 2018 het laagste van alle landen binnen de EU.

Beleving betreft de tevredenheid met de prijs en beschikbaarheid van energiebronnen. Er zijn voor deze categorie op dit moment geen indicatoren bekend die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

SDG 7   Betaalbare en duurzame energie  

Middelen en mogelijkheden

1,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
0,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
0,5
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
7e
656,2
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
22e
3,4%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
7e

Gebruik

4 282
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
23e
124,1
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
11e

Uitkomsten

3,5
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13,4
28e
7,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
28e

SDG 8.1   Waardig werk en economische groei: economie en productiefactoren

Het bbp is een maat voor de omvang van de economie. Het kan op drie manieren worden berekend: uit de productie, uit de inkomens en uit de bestedingen. Een toename van het bbp zorgt op de korte termijn doorgaans voor meer welvaart (SDG 8.1). Er is ook een keerzijde: economische activiteiten kunnen op lange termijn schadelijk zijn voor de welvaart, de leefomgeving en het welbevinden. Voor de productie van goederen en diensten is input nodig van de productiefactoren kapitaal, arbeid en grondstoffen. Een belangrijke vraag is of deze duurzaam en productief worden ingezet (SDG’s 8.2 en 8.4). Een tweede vraag is hoe de winsten en inkomens verdeeld worden tussen burgers en bedrijven. Al deze factoren bepalen samen in hoeverre economische groei efficiënt en duurzaam is.

Het beeld bij dit dashboard is zeer positief: elf indicatoren laten een trendmatige groei zien, tegen slechts twee waarbij vanuit oogpunt van brede welvaart een achteruitgang optreedt. Eenzelfde beeld is zichtbaar bij de internationale vergelijking. Voor acht indicatoren noteert Nederland een score in de Europese voorhoede, terwijl voor slechts één indicator een notering onderaan de ranglijst kan worden geconstateerd.

Middelen en mogelijkheden betreffen de hoeveelheid arbeid, kapitaal en kennis die wordt ingezet bij de productie van goederen en diensten. De trends in dit deel van het dashboard zijn opwaarts. Het aandeel van de bruto-investeringen in materiële vaste activa in het bbp is in Europees perspectief bescheiden. Bij het aantal gewerkte uren per inwoner neemt Nederland een midden­positie in. Het mediaan besteedbaar inkomen is vergeleken met andere landen hoog.

Gebruik betreft de productiviteit en duurzaamheid van de inzet van middelen. Hoe duurzaam en efficiënt productiefactoren worden ingezet, is mede af te meten aan een aantal economische ratio’s. Ook dit deel van het dashboard geeft een overwegend gunstig beeld, maar er zijn wel kant­tekeningen. De fysieke kapitaalgoederenvoorraad daalt trendmatig, waar voorheen sprake was van een stabiele trend. De arbeidsproductiviteit (toegevoegde waarde per gewerkt uur) is vergeleken met andere EU-landen hoog en de trend is opwaarts. Van alle landen in de EU gaat Nederland het meest efficiënt om met de in het productieproces verbruikte grondstoffen. Ook bij de kenniskapitaalgoederenvoorraad en de consumptie is de trend stijgend en de positie hoog. Bij de consumptie is overigens sprake van een trendomslag: waar deze voorheen een stabiele trend vertoonde, is deze nu stijgend.

Uitkomsten hebben betrekking op het tempo, de efficiëntie en de houdbaarheid van economische groei. Bij het bbp per inwoner is de trend stijgend en heeft Nederland een hoge positie op de Europese ranglijst. Een actueel beleidsthema is de verdeling van winsten en beloning in de economie. De arbeidsinkomensquote (aiq) geeft hier een beeld van. De aiq is het aandeel van de beloning van arbeid van werknemers en zelfstandigen in het totale verdiende inkomen van Nederland, volgens de definitie gehanteerd door het CBS, het CPB en DNB. In 2019 kwam de aiq uit op 76,2 procent. Voor werkenden is een hogere aiq gunstig. De positie van Nederland ten opzichte van andere landen is indicatief. Een vergelijking met andere landen is lastig te maken omdat er veel definitieverschillen zijn. Hier is gebruik gemaakt van cijfers van de International Labour Organization (ILO). De grondstoffenvoetafdruk is in deze Monitor niet geactualiseerd; het CBS werkt aan het verbeteren van de methoden om dit te berekenen.

Beleving betreft het vertrouwen van consumenten en producenten. Vertrouwen in hoe het met de economie gaat, wordt in belangrijke mate door de conjunctuur bepaald, maar het economisch beleid heeft hier ook invloed op. De trends in dit deel van het dashboard kleuren groen. Toch is bij alle drie stemmingsindicatoren het beeld recentelijk minder florissant: het consumentenvertrouwen loopt vanaf de tweede helft van 2018 sterk terug, en in 2019 waren er net iets meer pessimisten dan optimisten. Het producentenvertrouwen nam in deze periode ook af: ondernemers in de industrie zijn minder positief over de verwachte bedrijvigheid, hun orderpositie en hun voorraden. Eenzelfde beeld is zichtbaar voor het ondernemersvertrouwen bij niet-financiële bedrijven.

SDG 8.1   Waardig werk en economische groei: economie en productiefactoren  

Middelen en mogelijkheden

16,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13e
788,2
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
19e
€ 25 620
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
7e

Gebruik

€ 50
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
€ 148
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
7e
€ 10,91
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
€ 4,17
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
€ 26 289
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e

Uitkomsten

€ 43 673
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
76,2%
1e
9,7
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Beleving

-1
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
18e
4,4
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e
10,0
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

SDG 8.2   Waardig werk en economische groei: arbeid en vrije tijd

Het hebben van waardig werk is belangrijk voor het genereren van inkomsten, voor deelname aan de samenleving en voor de eigenwaarde van mensen. De vraag of ze aan werk kunnen komen en blijven, en of ze daarmee voldoende kunnen verdienen (SDG 8.5) is voor veel mensen belangrijk. Mensen willen bovendien kunnen werken onder goede arbeids­omstandig­heden, met relevante en interessante werkzaamheden en in een goede balans met hun privéleven (SDG 8.8). Ook vrije tijd geeft zin aan het leven, door ontspanning, sociale contacten en persoonlijke ontwikkeling.

Het beeld bij dit dashboard is positief te noemen. De meeste indicatoren laten een trendmatige verbetering van de welvaart zien. Ook de posities op de Europese ranglijst zijn in de meeste gevallen hoog.

Middelen en mogelijkheden betreffen mogelijkheden voor deelname aan de arbeidsmarkt, het aantal beschikbare banen en de opbrengsten van werk. Begin 2020 bracht de Commissie Regulering van werk advies uit over de problemen op de arbeidsmarkt, de wenselijkheid van veranderingen en de mogelijke gevolgen voor regelgeving (Rijksoverheid, 2020a). Bij ongewijzigd beleid ziet de commissie zowel een economisch, als een sociaal en maatschappelijk probleem. Dit deel van het dashboard ontwikkelt zich gunstig uit het oogpunt van brede welvaart. De hogere vacaturegraad is positief voor werkzoekenden: aan het eind van 2019 waren er per duizend banen 33 vacatures. Verder neemt de werkloosheid af en blijft een kleiner deel van het arbeidspotentieel onbenut. De werkloosheid is vergeleken met andere Europese landen laag en er zijn voor Nederlandse werk­zoekenden relatief veel vacatures. Wat betreft langdurige werkloosheid neemt Nederland een middenpositie in. De trend is hier neutraal, maar de laatste jaren komt langdurig werkloos zijn (twaalf maanden of langer) minder voor.

Gebruik betreft participatie op de arbeidsmarkt. In 2019 was 68,8 procent van alle 15- tot 75-jarigen aan het werk: de hoogste nettoarbeidsparticipatie van de afgelopen vijftig jaar. Voor deze indicator is de trend die voorheen stabiel was nu stijgend. Niet alleen in de tijd, maar ook vergeleken met andere EU-landen is dit percentage hoog. De brutoarbeids­participatie van deze leeftijdsgroep – het aandeel van de werkzame en werkloze beroepsbevolking samen – was met 71,2 procent nog wat hoger. De Nederlandse beleidsdoelstelling van een brutoarbeids­participatie van ten minste 80 procent voor de leeftijdsgroep van 20- tot 65-jarigennoot4 is een aantal jaren geleden al behaald. Ook de gemiddelde arbeidsduur neemt toe, maar deze is met 27,6 gewerkte uren per werkende per week relatief laag vergeleken met andere Europese landen.

Uitkomsten betreffen arbeidsomstandigheden, veiligheid op het werk en de balans tussen werk en vrije tijd. Ondanks een toename aan het eind van de trendperiode blijft de trend bij het aantal niet-fatale arbeidsongevallen neutraal. Het gemiddelde Nederlandse uurloon is vergeleken met de andere EU-lidstaten hoog. Bij de psychische vermoeidheid door werk is de trend niet meer neutraal maar opwaarts. Het CBS en TNO rapporteerden dat in 2019 17,0 procent van de werknemers enkele keren per maand of vaker kampt met burn-outklachten.

Beleving betreft de vraag of mensen tevreden zijn over hun arbeidsomstandigheden, hun werk en hun vrije tijd. Uit onderzoek van het CBS en TNO blijkt dat 16,5 procent van de werknemers zich in 2019 zorgen maakte om het behoud van zijn of haar baan. De trend is dalend. Bij de verwachtingen van huishoudens over hun financiële situatie voor de komende twaalf maanden is de trend stijgend, al was het sentiment in 2019 minder positief. Volgens cijfers van het CBS en TNO was bijna driekwart van de werknemers in 2019 tevreden over zijn of haar arbeidsomstandigheden. Nederland was wat dit betreft in 2015 tweede van de EU. De tevredenheid van werknemers met hun werk was ook groot vergeleken met andere EU-landen; de trend van deze indicator is omgeslagen van dalend naar neutraal. Over de vrije tijd was bijna drie kwart van de bevolking tevreden, hier daalt de trend.

SDG 8.2   Waardig werk en economische groei: arbeid en vrije tijd  

Middelen en mogelijkheden

33
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
3,4%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
4e
1,0%
8e
10,5%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
14e

Gebruik

68,8%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
27,6
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
25e

Uitkomsten

€ 26,29
4e
1 452
17e
17,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Beleving

9,7%
1e
16,5%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
1
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
21e
74,6%
2e
77,9%
7e
74,2%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
3e

SDG 9.1   Industrie, innovatie en infrastructuur: infrastructuur en mobiliteit

Dit dashboard gaat over infrastructuur – SDG-subdoel 9.1 – maar ook over de mobiliteit van personen. Mobiliteit en infrastructuur stellen mensen in staat om te werken, contacten te onderhouden en hun vrije tijd in te vullen. Een groot deel van de persoonsmobiliteit betreft woon-werkverkeer met verschillende vervoers­wijzen. Mobiliteit heeft ook nadelige effecten voor samenleving en milieu, onder andere tijdverlies als gevolg van files, onveiligheid in het verkeer en druk op het milieu.

De indicatoren van dit dashboard geven een minder rooskleurig beeld. Bij de trend laten vijf indicatoren een vermindering van de brede welvaart zien, terwijl twee zich gunstig ontwikkelen. Wat de positie van Nederland in de EU betreft is het beeld gemengd.

Middelen en mogelijkheden gaan over de beschikbare middelen voor onderhoud en ontwikkeling van het netwerk van infrastructuur en de mogelijkheden die dit biedt voor betaalbaar, veilig en efficiënt transport van personen en goederen. De lengte van het Nederlandse wegennet neemt toe. Een vitale schakel voor bereikbaarheid is goed en toegankelijk openbaar vervoer. Het CBS inventariseert momenteel de lengte van spoorwegen, lightrail, (snel)tram en metro. Het aandeel van de investeringen in grond-, weg- en waterbouw in het bbp loopt terug en de trend is neerwaarts. In 2019 ging het om 2,3 procent.

Gebruik beschrijft het volume van vervoersbewegingen met verschillende vervoermiddelen. Kijkend naar de relatie tussen vervoersbewegingen en de economie is er een trendmatige afname in de verhouding tussen het volume van personen­vervoer en het bbp. Oftewel: het personenvervoer neemt minder snel toe dan de economie groeit. Dit wordt in het kader van mobiliteit als negatief gezien. De vermindering van de reizigerskilometers brengt echter ook verlichting van druk door vervuiling, energie­verbruik en files met zich mee. Het meeste gemotoriseerde personenvervoer vindt plaats per auto (86 procent) of trein (11 procent). Deze verhouding is door de jaren heen stabiel. De afgelegde kilometers per fiets komen uit een andere databron en kunnen daardoor niet rechtstreeks vergeleken worden. De overheid stimuleert elektrisch autorijden omdat dit zuiniger en schoner is dan het rijden met een conventionele auto: de directe uitstoot van CO2 is minder. Het aandeel elektrische auto’s in het totale autopark is flink toegenomen, van 0,9 procent in 2012 tot 3,7 procent in 2019. Inmiddels is bekend dat deze stijging doorzet: aan het begin van 2020 was 4,6 procent van de auto’s elektrisch. Nederland telde begin 2020 bijna 8,7 miljoen personenauto’s. Het aantal auto’s groeit nu sterker dan de bevolking van 18 jaar en ouder, wat betekent dat het autobezit per volwassen inwoner toeneemt.

Uitkomsten betreffen de effecten van mobiliteit, zoals files en vertragingen, ongelukken, vervuiling en geluidshinder. Door files en vertraging kost reizen meer tijd. Het aantal verkeersslachtoffers is relatief laag vergeleken met de andere EU-landen: in 2018 vielen er in het verkeer 39,3 doden per miljoen inwoners. Het overheidsstreven is nul verkeersdoden in 2050 (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, SPV 2018).noot5 De trend van de CO2-uitstoot van het binnenlands verkeer en vervoer per inwoner is neutraal. Ook de Nederlandse luchtvaart draagt bij aan CO2-uitstoot.noot6 De uitstoot van de luchtvaart is al jaren relatief hoog vergeleken met andere landen: in 2018 bezette Nederland de 26e plek binnen de EU.

Beleving betreft geluidshinder en de tevredenheid met de woon-werkreistijd. Een toenemend percentage van de Nederlanders ervaart geluidsoverlast van verkeer of buren. In 2018 gold dat voor meer dan 27,1 procent van de huishoudens. In vergelijking met andere EU-landen is dat een hoog percentage. Slechts in twee andere EU-landen (Duitsland en Malta) is sprake van een hogere ervaren geluidsoverlast. De tevredenheid over de woon-werkreistijd is groot – 82,6 procent in 2019 – maar de trend daalt.

SDG 9.1   Industrie, innovatie en infrastructuur: infrastructuur en mobiliteit  

Middelen en mogelijkheden

2,3%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
4,15
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Gebruik

90,1
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
21e
98,8
14e
85,7%
5e
11,4%
2e
846,4
3,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Uitkomsten

3,85
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
39,3
5e
1 987,3
753,1
26e

Beleving

27,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
26e
82,6%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

SDG 9.2   Industrie, innovatie en infrastructuur: duurzame bedrijvigheid

SDG-subdoelen 9.2, 9.3 en 9.4 betreffen de versterking en verduurzaming van het bedrijfsleven en de toegang van kleine bedrijven tot hoogwaardige markten en financiering. Veel van deze onderwerpen vallen onder de noemer maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo). Mvo loopt door veel SDG’s heennoot7: toegang tot krediet voor kleinere bedrijven, aandacht voor werknemers, verduurzaming van productieprocessen, en inclusieve en duurzame waardeketens van inkoop tot afnemers, al dan niet over de landsgrenzen heen. In Nederland zijn vooral de relaties tussen bedrijven en werknemers, de rol van het midden- en kleinbedrijf (mkb) en de grote bedrijven, en duurzame productieprocessen en producten van belang.

Het beeld bij dit dashboard is ronduit positief. Slechts één indicator laat een dalende welvaart zien: het vertrouwen in grote bedrijven. In de overige gevallen is de welvaart stabiel of groeiend, en neemt Nederland op de EU-ranglijst gemiddelde of zelfs hoge posities in.

Middelen en mogelijkheden betreffen de mogelijkheden voor bedrijven om hun productie­processen, energieverbruik en waardeketens duurzaam te maken. Van de honderd bedrijven in Nederland met de grootste omzet waren in 2017 82 transparant over hun bedrijfsvoering ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen: zij publiceerden een duurzaam­heidsverslag. Dit aandeel is door de jaren heen vrij constant. In Europees perspectief scoort Nederland hoog. Toegang tot financiering werd in 2019 door 7,9 procent van de ondernemingen in het mkb genoemd als grootste beperking voor de bedrijfsvoering. Dit is minder dan de helft van het percentage aan het begin van de trendperiode. Binnen Europa neemt Nederland een middenpositie in. Het belang van bedrijven die actief zijn op het gebied van milieubescherming en het beheer van natuurlijke hulpbronnen neemt geleidelijk toe. In 2019 kwam de toegevoegde waarde van de milieusector overeen met 2,3 procent van het bbp. De milieusector zorgt inmiddels voor 2,6 procent van de totale werkgelegenheid.

Gebruik heeft betrekking op de inspanning van bedrijven om hun productieprocessen, energie­verbruik en waardeketens duurzaam te maken. De energie-intensiteit van de economie – een maat voor de efficiëntie van energiegebruik – daalt trendmatig. Internationaal bevond Nederland zich in 2018 in de Europese middengroep. Bij het binnenlands materialenverbruik handhaafde Nederland zich met 9 379 kg per inwoner in 2018 in de hoogste regionen van de EU-ranglijst. Overigens is bij het binnenlands materialenverbruik sprake van een trendomslag. Waar deze indicator eerder nog een verbetering te zien gaf (groen), is de trend nu neutraal.

Uitkomsten hebben betrekking op de feitelijke duurzaamheid van productieprocessen en waardeketens. Het overgrote deel van het Nederlandse bedrijfsleven bestaat uit middelgrote en kleine bedrijven (tot 250 medewerkers). Hier wordt in 2018 61,9 procent van de toegevoegde waarde van de gehele niet-financiële sector gevormd. Daarmee neemt Nederland binnen Europa een middenpositie in. De broeikasgasintensiteit van de economie daalt trendmatig: er worden per eenheid productie minder broeikasgassen uitgestoten. Dit duidt op een verbetering van de milieu-efficiëntie van de economie. De hoge positie van Nederland ten opzichte van andere landen bij de arbeidsinkomensquote (aiq) is indicatief: een internationale vergelijking van deze maatstaf voor de verdeling van het verdiende inkomen over aanbieders van arbeid en kapitaal­verstrekkers is lastig te maken omdat er veel definitieverschillen zijn. Hier is gebruik gemaakt van cijfers van de International Labour Organization (ILO).

Beleving geeft een beeld van de tevredenheid met de arbeidsomstandigheden en het vertrouwen in banken respectievelijk grote bedrijven. Bij het vertrouwen in bedrijven is sprake van een trendomslag: was het vertrouwen voorheen stabiel, nu is het trendmatig dalend. Volgens cijfers van CBS en TNO was in 2019 bijna drie kwart van de werknemers tevreden met zijn of haar arbeidsomstandigheden. Uit de laatste cijfers over andere landen, voor 2015, blijkt dat de tevredenheid in Nederland groot is.

SDG 9.2   Industrie, innovatie en infrastructuur: duurzame bedrijvigheid  

Middelen en mogelijkheden

7,9%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
14e
2,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
11e
2,6%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
82%
6e

Gebruik

124,1
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
11e
9 379
4e

Uitkomsten

61,9%
9e
0,29
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
10e
76,2%
1e

Beleving

74,6%
2e
37,5%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
41,5%
12e

SDG 9.3   Industrie, innovatie en infrastructuur: kennis en innovatie

Kennis is essentieel voor het verhogen van economische prestaties en het vinden van oplossingen voor grote maatschappelijke problemen. Kennis kan worden omgezet in nieuwe technologieën en processen waarmee productieprocessen en producten kunnen worden verbeterd en verduurzaamd. Daarnaast heeft kennis sociaal-culturele en intrinsieke waarde. Van belang in dit verband is het investeren in kennis door publieke en private partijen, het uitbreiden van ICT en andere technologie en het vergroten van de kenniskapitaalgoederen­voorraad (SDG 9.5). Toegang tot het internet is van groeiend belang voor de toegang tot kennis (SDG 9.c).

Het beeld bij dit dashboard is zeer positief. Los van de daling van de fysieke kapitaal­goederen­voorraad, laten alle andere indicatoren een stabiele of zelfs stijgende trend zien. Ook voor wat betreft de positie op de EU-ranglijst is het beeld ronduit gunstig. Ook hier is er maar één indicator in het rood: de bruto investeringen in materiële vaste activa.

Middelen en mogelijkheden betreffen het geld, de menskracht en de infrastructuur voor het ontwikkelen, delen en toepassen van kennis en innovatie. De bruto investeringen in materiële vaste activa als percentage van het bbp (dit zijn vooral investeringen in machines en werktuigen) zijn na de economische crisis geruime tijd teruggelopen. Inmiddels neemt het aandeel al een aantal jaren op rij toe, maar vergeleken met andere EU-landen is het nog altijd laag. Verhoudingsgewijs wordt in Nederland wel veel in ICT geïnvesteerd. Waar het gaat om de beschikking van huishoudens over een breedbandinternetverbinding en toegang tot internet voert Nederland de Europese ranglijst aan.

Gebruik betreft de kennis die wordt geproduceerd, de innovaties die worden geïntroduceerd en de kennisnetwerken die worden gevormd. De trend van het aantal wetenschappelijke publicaties per miljoen inwoners is stijgend. In 2018 waren er wel iets minder publicaties per miljoen inwoners dan een jaar eerder. Een relatief groot deel van de Nederlandse bedrijven is technologisch innoverend.Het aantal octrooiaanvragen per miljoen inwoners liep in 2018 terug, net als in 2017. Hier is de trend neutraal. Bij alle drie indicatoren staat Nederland bovenin de Europese ranglijst.

Uitkomsten hebben betrekking op de mate waarin nieuwe technologieën en kennis worden ingebed in de kapitaalgoederenvoorraad die de huidige en toekomstige generaties nodig hebben. Tegenover de dalende trend bij de fysieke kapitaalgoederenvoorraad (machines, werktuigen en andere productiemiddelen) per gewerkt uur staat een toename bij de kenniskapitaalgoederenvoorraad. Bij de fysieke kapitaalgoederen­voorraad is sprake van een trendomslag: voorheen was de trend stabiel. Voor wat betreft het kenniskapitaal staat Nederland steevast bovenin de EU-ranglijst.

Beleving heeft betrekking op het vertrouwen van mensen in wetenschap en innovatie. Het vertrouwen in de wetenschap wordt elke drie jaar gepeild door het Rathenau Instituut. Dit vertrouwen is door de jaren heen constant en met een score van 7,1 (op een schaal van 1-10) in 2018 tamelijk groot.

SDG 9.3   Industrie, innovatie en infrastructuur: kennis en innovatie  

Middelen en mogelijkheden

2,2%
8e
0,7%
10e
1,5%
9e
16,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13e
3,7%
3e
3,7
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
6e
96,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
97,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e

Gebruik

3 121
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5e
240
5e
38%
4e

Uitkomsten

€ 148
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
7e
€ 10,91
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e

Beleving

7,1

SDG 10.1   Ongelijkheid verminderen: sociale samenhang en ongelijkheid

SDG 10 betreft het verminderen van ongelijkheid binnen en tussen landen. Dit dashboard behandelt een belangrijk immaterieel aspect van ongelijkheid binnen landen, te weten de sociale samenhang. Sociale samenhang is onontbeerlijk voor het goed functioneren van een samenleving. De sociale infrastructuur, zoals familieverbanden, buren, vrienden, verenigingen en hulp en ondersteuning vormt hiervan de basis. Mensen moeten in staat zijn hieraan mee te kunnen doen (conform SDG’s 10.1 en 10.2), zodat ze zich deel van een groep kunnen voelen (SDG 10.3). Een bijzondere plaats in dit alles wordt ingenomen door migratievraagstukken (SDG 10.7).

Het beeld bij dit dashboard is gemengd. Een groot aantal indicatoren vertoont een stabiele of stijgende trend. Daarnaast zijn er dalende trends voor de drie indicatoren die contact met familie, vrienden of buren, deelname aan vereniging en vrijwilligerswerk meten. De tijd die wordt besteed aan sociale contacten loopt trendmatig terug. In vergelijking met andere Europese landen doet Nederland het op het terrein van sociale samenhang en ongelijkheid gemiddeld tot goed.

Middelen en mogelijkheden gaan over sociaal kapitaal, sociale structuren en inkomens­ongelijkheid. In de context van deze SDG wordt gestreefd naar een lagere inkomens­ongelijkheid. De inkomens­ongelijkheid is in Nederland niet heel groot vergeleken met andere EU-landen. De som van alle inkomens in de categorie met de bovenste twintig procent was in 2018 ruim vier keer zo groot als de som in de categorie met onderste twintig procent van de inkomens. De Gini-coëfficiënt, die is gebaseerd op het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen, heeft een waarde tussen 0 en 1: hoe dichter bij nul, hoe gelijker de inkomens verdeeld zijn. In 2018 bedroeg deze voor Nederland 0,28. Deze maatstaf toont al jaren een stabiele waarde. Een laag inkomen kan volwaardige deelname aan de samenleving in de weg staan. De relatieve armoede is in 2018 licht opgelopen, naar 13,3 procent. Nederland staat met dit relatief lage percentage bovenin de Europese ranglijst.

Gebruik betreft sociale interacties, deelname aan organisaties en verenigingen, en vrijwilligerswerk. Zeven van de tien Nederlanders hebben minstens één keer per week contact met familie, vrienden of buren. Dit is veel vergeleken met de andere EU-landen. Daarnaast neemt bijna 44 procent van de bevolking minstens een keer per maand deel aan activiteiten van een vereniging. De sociale infrastructuur steunt ook op vrijwilligerswerk en informele hulp aan anderen buiten het eigen huishouden, zoals mantelzorg. Een op de drie Nederlanders verleent een vorm van informele hulp. Bij het vrijwilligerswerk is overigens sprake van een trendomslag. Voorheen was de trend stabiel, nu vertoont deze een daling.

Uitkomsten hebben betrekking op de mate van sociale samenhang en op uitsluiting en discriminatie. Opvallend is hoe positief – in relatieve zin – Nederlanders oordelen over migranten. In de lijst van 16 EU-landen waarvoor dit cijfer beschikbaar is, neemt Nederland een vierde plek in.

Beleving betreft het vertrouwen dat mensen in elkaar hebben, gevoelens van gedeelde normen en waarden en sociale uitsluiting. In Nederland is het vertrouwen in andere mensen groot vergeleken met andere EU-landen, en de trend is opwaarts. Wel beschouwt bijna 9 procent van de bevolking zich als lid van een gediscrimineerde groep. Bijna de helft van de bevolking vindt dat de normen en waarden gelijk zijn gebleven of vooruit zijn gegaan. Ook voelt bijna de helft van de bevolking veel vrijheid om zelf te beslissen hoe ze hun leven inrichten. Vergeleken met andere EU-landen is dit aandeel groot.

SDG 10.1   Ongelijkheid verminderen: sociale samenhang en ongelijkheid  

Middelen en mogelijkheden

4,15
7e
0,28
8e
13,3%
6e

Gebruik

72,2%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
1e
43,8%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
2e
46,7%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
1e
34,4%

Uitkomsten

8,0
15e
33,1%
4e

Beleving

61,8%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
2e
8,7%
12e
46,7%
47,5%
4e

SDG 10.2   Ongelijkheid verminderen: financiële houdbaarheid

Dit deel van SDG 10 behandelt de financiële houdbaarheid van onze welvaart en de financiële situatie van huishoudens. Zowel collectief als individueel worden schulden en vermogens opgebouwd. De financiële verplichtingen van overheid en huishoudens hebben effect op de brede welvaart van volgende generaties. Financiële systemen kunnen kwetsbaar blijken als ze worden geconfronteerd met vergrijzing, economische crises en globalisering, en met veranderingen in solidariteit tussen generaties en tussen bevolkingsgroepen.

Het beeld bij dit dashboard is gemengd. Indicatoren met een rode en met een groene trend houden elkaar qua aantal in evenwicht. Opvallend is dat voor geen van de indicatoren Nederland een hoge positie op de Europese ranglijst inneemt.

Middelen en mogelijkheden betreffen de duurzame financiering van de welvaartstaat en de opbouw van pensioenen en vermogens zonder druk te leggen op toekomstige generaties. De demografische druk geeft inzicht in de verhouding tussen het werkende en het niet-werkende deel van de bevolking. De grijze druk (verhouding tussen 65-plussers en 20- tot 65-jarigen) en de groene druk (verhouding tussen jongeren onder de 20 en 20- tot 65-jarigen) vertonen beide een ongunstige ontwikkeling vanuit het oogpunt van houdbaarheid van brede welvaart op langere termijn. Nederland bevindt zich binnen de EU bij beide indicatoren in de middengroep.

De actuele dekkingsgraad van de pensioenfondsen is de graadmeter voor hun huidige financiële positie en geeft de verhouding tussen het vermogen en de verplichtingen weer. Deze dekkingsgraad lag in het vierde kwartaal van 2019 op 104,0 procent. Een specifieke doelstelling voor pensioenfondsen is de beleidsdekkingsgraad (het gemiddelde van twaalf maandelijkse dekkingsgraden). Deze kwam eind 2019 uit op 102,2 procent. De wettelijk vereiste minimumwaarde voor de beleidsdekkingsgraad verschilt per fonds, maar is minimaal 104,2%.noot8 Bij de overheids­uitgaven aan volksgezondheid en die aan sociale bescherming is de trend neerwaarts.

Gebruik betreft de onttrekking van middelen uit opgebouwde vermogens. Tegenover elke honderd deelnemers die in 2018 bij pensioenfondsen pensioenrechten opbouwden, stonden 58 personen die een uitkering van een pensioenfonds ontvingen. De trend is stijgend. Naast de doorzettende vergrijzing, neemt in Nederland ook het aantal zelfstandigen toe. Anders dan werknemers zijn zij zelf verantwoordelijk voor hun pensioenvoorziening; omdat zij mogelijk geen pensioen opbouwen, vormt dit een risico voor de toekomstige brede welvaart.

Uitkomsten betreffen de omvang van opgebouwde schulden en de mate van duurzaamheid van financiële stelsels. Tegenover de schulden staan het spaargeld van huishoudens (chartaal geld en deposito’s) en hun niet-financiële bezittingen, zoals een woning. Nederlandse huishoudens hebben gemiddeld bijna een ton aan schuld. Nederland staat daarmee onderin de EU-ranglijst. Huishoudens met een lening voor een woning hebben gemiddeld een hypotheekschuld van 194 700 euro. De hoogte van deze schulden neemt trendmatig toe. Voor spaargeld is geen trend zichtbaar; Nederland neemt in 2018 met gemiddeld 53 331 euro per huishouden binnen Europa een middenpositie in. De trend van de overheidsschuldnoot9, een belangrijke indicator voor de toestand van de overheids­financiën, is neerwaarts. De overheidsschuld als percentage van het bbp, ook wel de schuldquote genoemd, kwam eind 2019 uit op 48,6 procent. Dit is bijna 20 procentpunt lager dan de hoogste schuldquote die als gevolg van de kredietcrisis eind 2013 werd bereikt. De Europese norm is maximaal 60 procent van het bbp.

Beleving heeft betrekking op onzekerheid over en vertrouwen in de toekomst. Het percentage mensen dat zegt zich veel zorgen te maken over zijn of haar financiële toekomst is afgenomen, maar blijft hoog. In 2019 kende ruim een kwart van de volwassen bevolking dergelijke zorgen.

SDG 10.2   Ongelijkheid verminderen: financiële houdbaarheid  

Middelen en mogelijkheden

32,6%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
14e
37,3%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
8e
8,8%
104,0%
7,6%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
23e
15,5%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
14e

Gebruik

71,0%
15e
58,4
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Uitkomsten

48,6%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
13e
€ 99 972
23e
€ 194 700
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
€ 53 331
10e
89,80

Beleving

25,2%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

SDG 11.1   Duurzame steden en gemeenschappen: wonen

SDG 11 betreft duurzame steden en gemeenschappen. Wonen is een belangrijk aspect van de welvaart van steden en leefgemeenschappen. Een groot deel van het leven speelt zich af in en rond onze woning. Het hebben van kwalitatief goede, passende, veilige en betaalbare woonruimte verhoogt daarmee de brede welvaart. Het aanbod van geschikte en betaalbare woningen bepaalt in hoge mate waar mensen komen te wonen, naast gebondenheid aan de werklocatie en sociale relaties. Beweging op de woningmarkt is belangrijk voor starters en doorstromers. Daarnaast is er de beleving van het woongenot en de woonlasten: de perceptie hiervan heeft ook een duidelijk effect op brede welvaart.

Bij de trend in Nederland is het beeld gemengd, met vijf negatieve trends tegenover drie positieve. Ook bij de internationale positie bestaat een gemengd beeld, waarbij Nederland hoog scoort voor bijvoorbeeld de tevredenheid met de woonomgeving en de ervaren woonlasten. Bij laatstgenoemde is zelfs sprake van een trendomslag van neutraal naar positief. Internationaal gezien is de woon­quote (het aandeel van het besteedbaar inkomen dat een huishouden kwijt is aan woonlasten) echter relatief hoog.

Middelen en mogelijkheden betreffen het aantal, de kwaliteit en de betaalbaarheid van koop- en huurwoningen. De trend van het aantal beschikbare woningen per duizend inwoners is stijgend, het aantal kwam in 2019 uit op 453. Ondanks de toename is er spanning op de woningmarkt. De prijsontwikkeling van de woninghuur en van de aanschaf en het bezit van een koopwoning zijn recentelijk sterk gestegen. De ratio tussen de vraagprijs en de verkoopprijs is tussen 2012 en 2019 trendmatig toegenomen en bedroeg in 2019 1,0. Dit betekent dat de verkoopprijs nu gemiddeld genomen gelijk is aan de vraagprijs. Volgens de Nationale Woonagenda (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2018a) zou het aantal beschikbare woningen tussen 2018 en 2025 netto moeten groeien met ongeveer 700 duizend, maar door de stikstof- en PFAS-crisis zal na 2019 het beoogde aantal per jaar naar verwachting niet gerealiseerd kunnen worden. De minister voor Milieu en Wonen gaat in een Kamerbrief (Rijksoverheid, 2020b) inmiddels uit van een kleine 50 duizend op jaarbasis. Het aandeel van het inkomen dat besteed wordt aan huisvesting, ofwel de woonquote, kwam in 2018 uit op 23,4 procent. Dit aandeel is hoog in vergelijking met andere EU-landen.

Gebruik gaat over de koop- of huurwoningen die mensen hebben en over de kans op doorstroming. Scheefhuur kan op twee manieren worden gemeten: financieel en fysiek. Het percentage huishoudens dat een sociale huurwoning bewoont met een huur die in verhouding tot het inkomen te laag is (goedkope scheefhuur) is trendmatig stabiel. Ruim 4 procent van de bevolking had in 2018 naar internationale maatstaven een woning met te weinig kamers. Dit percentage neemt trendmatig toe, maar is laag vergeleken met andere EU-landen. De gemiddelde hypotheekschuld van huishoudens met een woninghypotheek liep op naar 195 duizend euro in 2018. Over de opgebouwde tegoeden voor de aflossing van spaar- en beleggingshypotheken aan het eind van de looptijd zijn geen cijfers voorhanden.

Uitkomsten betreffen de kwaliteit van de woning, de woonomgeving en ervaren woonlasten. De kwaliteit van woningen is over het algemeen goed: 85,2 procent van de Nederlandse bevolking gaf in 2019 aan geen last te hebben van ernstige gebreken als een lekkend dak, rottende raamkozijnen, of problemen met vochtige muren, vloeren of funderingen. Een op de tien huis­houdens geeft aan de woonlasten erg zwaar te vinden. Dit gevoel is wel verminderd: de trend is omgeslagen van neutraal (grijs) naar groen. Vergeleken met andere EU-landen is dit percentage relatief laag. Bijna 70 procent van de bevolking woont in een koopwoning. Hoewel dat aandeel trendmatig toenam tussen 2012 en 2019, staat Nederland onderin de EU-ranglijst.

Beleving heeft betrekking op de tevredenheid van mensen met hun woning en hun woonomgeving. Bijna 88 procent van de volwassen bevolking is tevreden met de woning. Waar dit percentage voorheen trendmatig afnam, is dit inmiddels omgeslagen naar een neutrale ontwikkeling. Ook de tevredenheid met de woonomgeving is groot. Wel is het percentage huishoudens dat onaangenaamhedennoot10 in de buurt ervaart in Nederland vrij hoog.

SDG 11.1   Duurzame steden en gemeenschappen: wonen  

Middelen en mogelijkheden

453
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
108,6
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
19e
125,5
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
21e
1,00
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
23,4%
23e

Gebruik

15,5%
4,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
4e
€ 194 700
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Uitkomsten

68,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
22e
10,0%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
3e
85,2%
18e

Beleving

20,2%
26e
87,5%
9e
85,9%
1e

SDG 11.2   Duurzame steden en gemeenschappen: leefomgeving

SDG 11 heeft niet alleen betrekking op wonen, maar ook op de omgeving waarin gewoond en geleefd wordt. Het kabinet streeft naar een gezonde en veilige leefomgeving met goede omgevingskwaliteit. Een leefomgeving die maatschappelijke functies de ruimte geeft en waar de boven- en de ondergrond efficiënt worden gebruikt. Er is veel druk op de leefomgeving en de beschikbare ruimte. Vanuit de overheid wordt gewerkt aan de Nationale Omgevingsvisie (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2018b) om vraagstukken met gevolgen voor de fysieke leefomgeving als verstedelijking, verduurzaming en klimaat­adaptatie in samenhang aan te pakken. In dit dashboard ligt de focus dan ook op de omgevingsfactoren: ruimte per persoon (SDG 11.3), afvalverwerking (SDG 11.6) en overheidsuitgaven voor het milieu (SDG 11.4). Andere indicatoren betreffen stedelijke fijnstofconcentraties (SDG 11.6) en slachtoffers van misdaad (SDG 11.7). Concrete beleidsdoelen zijn er niet voor veiligheid en duurzaamheid in Nederlandse steden. Wel moet Nederland voldoen aan de EU-grenswaarde voor fijnstof (PM2,5) voor de bescherming van de gezondheid: 25 microgram/m3.

Het beeld bij deze SDG is gemengd. Bij de trend in Nederland ontwikkelen vijf indicatoren zich in de richting van het SDG-doel, hetgeen gezien wordt als vergroting van de brede welvaart. Drie duiden op een afname. Ten opzichte van andere EU-landen neemt Nederland overwegend een midden­positie of een plaats onderin de lijst in.

Middelen en mogelijkheden betreffen in deze context de beschikbare ruimte en de uitgaven aan de bescherming van de kwaliteit van de leefomgeving. Omdat de bevolking van Nederland blijft toenemen, wordt de totale ruimte per inwoner steeds kleiner. In 2019 was er per inwoner 79 m2 minder dan in 2012, een afname van 3,2 procent. Hierbij is niet gekeken naar de toegankelijkheid of aantrekkelijkheid van deze ruimte, het betreft het totale land- en wateroppervlak van Nederland. Het CBS werkt aan andere indicatoren om ruimtelijke druk te meten. Nederland is het op een na dichtstbevolkte land van de EU: alleen in Malta hebben mensen minder ruimte. Ook de trend van de overheidsuitgaven aan milieubescherming, uitgedrukt als percentage van het bbp, is neerwaarts. Het percentage is wel het hoogste van alle landen in de EU.

Gebruik gaat over hoe mensen hun leefomgeving gebruiken. Afgaande op wat de gemeentelijke afvaldiensten inzamelen, produceren Nederlanders steeds minder afval. Waar de gemeenten in 2012 nog 587 kilo afval per persoon ophaalden, was dit in 2018 verminderd tot 554 kilo. Binnen Europa neemt Nederland voor deze indicator een middenpositie in. Daarbij past de kanttekening dat er tussen landen verschillen zijn in de soorten afval die gemeentelijke diensten ophalen.

Uitkomsten hebben betrekking op de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. Bij de emissies van verzurende stoffen per inwoner (zwaveloxide, stikstofoxide en ammonia) is de trend neerwaarts. De gemeten stedelijke achtergrondconcentratie van fijnstof (PM2,5) was in 2018 gemiddeld 12,0 microgram/m3 en daarmee ruim onder de EU-verplichting.noot11 Een ander aspect van de leefomgeving is de natuur.

Als maatstaf voor natuur in de stad is de indicator stadsvogels opgenomen in het dashboard. De stadse broedvogels zijn als groep sinds 1990 met méér dan de helft achteruitgegaan. Hoewel sommige vogelsoorten zich meer thuis voelen tussen mensen en bebouwing dan in natuur- en landbouwgebied, is de index flink gedaald. Van de 20 soorten stadsvogels opgenomen in deze indicator zijn er sinds 1990 13 achteruit gegaan. Alleen de huiszwaluw nam in aantal toe. Voor geen enkele soort was de ontwikkeling in het stedelijk gebied gunstiger dan de landelijke trend. Dit wijst erop dat de stedelijke omgeving als broedplek voor stadsvogels minder geschikt is geworden. Een Europese vergelijking is niet mogelijk voor deze indicator.

Voor wat betreft veiligheid in de leefomgeving geven steeds minder Nederlanders aan slachtoffer van een misdaad te zijn. In 2019 ging het om 13,7 procent van de bevolking van 15 jaar en ouder.

Beleving gaat over hoe mensen hun leefomgeving ervaren. In 2019 voelde 1,4 procent van inwoners zich vaak niet veilig in de eigen buurt. De trend is omgeslagen van grijs naar groen. Wel had een vijfde van de huishoudens in 2018 last van onaangenaamheden als geluidsoverlast, vandalisme, criminaliteit en vervuiling in de directe woonomgeving. Vergeleken met de andere EU-landen is dit een groot deel van de bevolking.

SDG 11.2   Duurzame steden en gemeenschappen: leefomgeving  

Middelen en mogelijkheden

2 404
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
27e
1,4%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
1e

Gebruik

554
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
18e

Uitkomsten

1,00
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
13e
12,0
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
8e
13,7%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
11e
42,9
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

Beleving

20,2%
26e
1,4%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

SDG 12   Verantwoorde consumptie en productie

SDG 12 concentreert zich op duurzame productie en consumptie, wat voornamelijk wordt afgemeten aan efficiënter gebruik van grondstoffen. Dit verlaagt de druk op het milieu en vermindert de afhankelijkheid van grondstoffen, en beperkt daarmee de negatieve gevolgen voor volgende generaties. Ook reductie en hergebruik van afval en verantwoord verwerken van gevaarlijke stoffen dragen bij aan deze doelstelling. Dit dashboard focust op de transitie naar een circulaire economie, waarin de afhankelijkheid van grondstoffen geminimaliseerd is door hoogwaardig hergebruik van materialen. SDG 12.2 richt zich op het streven naar een zo beperkt mogelijk gebruik van grondstoffen. De hoeveelheid afval wordt zoveel mogelijk gereduceerd en waar mogelijk hergebruikt (SDG’s 12.4 en 12.5). Bedrijven (SDG 12.6) en consumenten worden aangemoedigd om bewuste keuzes te maken. Het kabinet geeft met het uitvoeringsprogramma Circulaire economie (Rijksoverheid, 2019a) vorm aan de overgang naar een circulaire economie in de jaren tot 2030. Het programma benoemt concrete stappen rond vijf thema’s: biomassa en voedsel, kunststoffen, maakindustrie, bouw en consumptie­goederen.

Het beeld bij deze SDG is overwegend neutraal. Bij de trend in Nederland is ruim de helft van de indicatoren grijs. Als er een trend is, is die overwegend positief. Binnen de EU scoort Nederland redelijk positief met vijf posities in de Europese voorhoede, maar voor een aantal indicatoren is geen internationale vergelijking beschikbaar.

Middelen en mogelijkheden gaan over de mogelijkheden om duurzaam te produceren en consumeren. Van de honderd bedrijven in Nederland met de hoogste omzet publiceerden er 82 in 2017 een duurzaamheidsjaarverslag. Dit percentage is vrij constant en in Europees perspectief hoog. Een mvo-jaarverslag biedt inzicht in de mate waarin een bedrijf duurzaam produceert. Daarnaast is te zien dat het belang van de milieusector in de economie groter wordt. Bedrijven in deze sector zijn actief op het gebied van milieubescherming en management van natuurlijke bronnen, waaronder energiebesparing. De trend in hun toegevoegde waarde is opwaarts; in 2019 ging het om 2,3 procent van het bbp. Ook de trend van de werkgelegenheid in de milieusector is stijgend, hier ging het in 2019 om 2,6 procent van de totale werkgelegenheid. In internationaal opzicht nam Nederland in 2016 een middenpositie in met betrekking tot de toegevoegde waarde van de milieusector.

Gebruik betreft de hoeveelheid grondstoffen en andere materialen die wordt verbruikt en het afval dat wordt geproduceerd. De overheid wil het gebruik van abiotische grondstoffen tussen 2014 en 2030 halveren, en streeft naar een volledig circulaire economie in 2050 (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2016a; Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, en Economische Zaken en Klimaat, 2018). Bij het binnenlands materialenverbruik (SDG 12.2) heeft een trendomslag plaatsgevonden van groen naar grijs. De internationale positie van Nederland is echter (nog) hoog.

De ontkoppeling tussen afvalproductie en de economie is eveneens een beleidsdoel (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2017). Dit houdt in dat economische groei gepaard gaat met minder afvalproductie. De hoeveelheid gemeentelijk afval toont een groene (dalende) trend en staat op ruim 550 kg per inwoner in 2018, terwijl de hoeveelheden bedrijfsafval en gevaarlijk afval trendmatig stabiel blijven. Voor bedrijfsafval is geen internationale vergelijking beschikbaar, maar bij gemeentelijk afval staat Nederland midden op de Europese ladder, en bij gevaarlijk afval is de positie zelfs laag (rood). Nederland produceert nog ruim 300 kg per inwoner aan gevaarlijk afval.

Uitkomsten gaan over efficiëntie van grondstoffengebruik en hergebruik van afval. Nederlandse producenten gaan steeds efficiënter om met de benodigde grondstoffen: de trend van de grondstoffenproductiviteit is groen en stijgend. Op dit gebied staat Nederland in de EU aan de top. Bij de grondstoffenvoetafdruk – de totale hoeveelheid gebruikte grondstoffen per inwoner – is de trend ongunstig (rood). De grondstoffenvoetafdruk is in deze Monitor niet geactualiseerd; het CBS werkt aan het verbeteren van de methoden om deze te berekenen. De regering streeft naar halvering van de hoeveelheid afval die niet wordt gerecycled, gecomposteerd of in energie omgezet tussen 2012 en 2022 (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2017). In 2018 werd drie kwart van het bedrijfsafval gerecycled. Het hergebruik- en composteer­percentage van het gemeentelijk afval is stijgend en bedraagt bijna 56. Nederland heeft hiermee al een aantal jaren een hoge Europese ranking. Van het gevaarlijk afval werd in 2016 ruim twee derde gerecycled, ook daarbij heeft Nederland een hoge positie.

Beleving betreft de zorgen van mensen over vervuiling, verspilling, grondstoffenverbruik en andere aspecten van duurzaamheid. In Nederland geeft 15 procent van de volwassen bevolking in 2019 aan last te hebben van afval, verontreiniging of andere milieuproblemen. Dit is vergeleken met andere EU-landen een hoog percentage.

SDG 12   Verantwoorde consumptie en productie  

Middelen en mogelijkheden

2,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
11e
2,6%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
82%
6e

Gebruik

9 379
4e
1 484
554
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
18e
301
22e

Uitkomsten

€ 4,17
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
9,7
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
75,3%
55,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
4e
67,5%
6e

Beleving

15,1%
22e

SDG 13   Klimaatactie

SDG 13 is gericht op de aanpak van door mensen veroorzaakte klimaatverandering. In 2015 is het Parijs-akkoord tot stand gekomen dat beoogt klimaatverandering en de nadelige effecten daarvan te verminderen. De effecten van klimaatverandering vormen een potentiële bedreiging voor mens en natuur. In de Nationale Adaptatie Strategie (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2016b) staat voor verschillende sectoren welke gevolgen klimaatverandering voor hen heeft. Daarnaast is er het Deltaprogramma (Rijksoverheid, 2019b), dat ten doel heeft Nederland te beschermen tegen overstromingen en de gevolgen van extreem weer. In dit dashboard ligt de focus op SDG 13.2, de vermindering van uitstoot van broeikas­gassen. Energiebesparing en hernieuwbare energie (zie ook SDG 7) dragen bij aan deze vermindering. Door goederen en diensten te importeren voor binnenlands verbruik beïnvloeden Nederlandse economische activiteiten ook de uitstoot van broeikasgassen elders in de wereld.

Bij de trend in Nederland is het beeld overwegend neutraal tot positief. Het beeld bij de internationale vergelijking is minder rooskleurig. Ondanks de positieve binnenlandse ontwikkelingen heeft Nederland in vergelijking met EU-landen voor meerdere indicatoren een plek in de achterhoede.

Middelen en mogelijkheden hebben betrekking op de middelen die in Nederland worden ingezet om klimaatverandering tegen te gaan en de gevolgen ervan te ondervangen. De overheidsuitgaven gerelateerd aan het verminderen van de Nederlandse impact op het klimaat bedroegen in 2019 0,3 procent van het bbp. Trendmatig zijn deze uitgaven tussen 2012 en 2019 gestegen.

Gebruik betreft de manieren waarop Nederland bijdraagt aan klimaatverandering. De doelstelling van het kabinet is een reductie van de uitstoot van broeikasgassen met 49 procent in 2030 ten opzichte van 1990 (Rijksoverheid, 2017). Conform de rechterlijke uitspraak in de Urgenda-klimaatzaak (juni 2015), dient de Nederlandse overheid ervoor te zorgen dat de uitstoot in 2020 ten minste 25 procent lager is dan in 1990. In 2019 was in Nederland een reductie van 17,7 procent bereikt. Deze reductie is met name bereikt door een halvering van de uitstoot van methaan en lachgas. In 2019 is de CO2-uitstoot 5 procent lager dan in 1990. De jaarlijkse broeikasgasuitstoot per inwoner heeft een neerwaartse trend, maar Nederland staat bij deze indicator laag op de EU-ranglijst.

Bedrijven met de hoogste uitstoot van broeikasgassen zijn verplicht deel te nemen aan het emissiehandels­systeem ETS. Voor deze bedrijven geldt een EU-reductiedoelstelling van 21 procent tussen 2005 en 2020. Twintig landen hebben in 2018 een grotere afname gerealiseerd, maar acht landen – waaronder Nederland – niet. Voor de hele EU was in 2018 de ETS-reductie 29 procent. Met een afname van 4,5 procent neemt Nederland in 2018 de op een na laatste positie in op de EU-ranglijst.

Uitkomsten betreffen het geheel aan Nederlandse bijdragen aan de mondiale uitstoot van broeikasgassen. De indicator cumulatieve CO2-emissies wordt berekend door, vanaf 1860, jaarlijks de som te nemen van de CO2-uitstoot gedeeld door de som van het inwonertal. De hoeveelheid opgebouwde CO2-emissies stijgt, omdat nu meer per inwoner wordt uitgestoten dan aan het begin van de reeks.noot12 De cumulatieve CO2-emissies geven een indicatie van het Nederlandse aandeel in de historische CO2-uitstoot sinds 1860. De Nederlandse bijdrage aan deze uitstoot is in vergelijking met andere EU-landen relatief hoog. De broeikasgasintensiteit van de economie – een maat voor de hoeveelheid uitstoot per euro bbp – daalt, hetgeen positief is. De broeikasgasvoetafdruk kwam in 2019 uit op 17,0 ton CO2-equivalenten per inwoner. De trend van deze voetafdruk, een maatstaf voor de totale broeikasgas­emissies ten behoeve van de Nederlandse consumptie, is neutraal. In 2019 was de voetafdruk wel duidelijk groter dan in 2018. Dit betekent dat de consumptie door Nederlanders recent een grotere uitstoot van de broeikasgassen CO2, CH4 (methaan) en N2O (lachgas) tot gevolg had.

Beleving betreft de zorgen over het klimaat en de mate waarin mensen klimaatverandering als een probleem ervaren. In 2016 maakte ruim drie kwart van de Nederlandse bevolking zich zorgen over klimaatverandering en de effecten daarvan.

SDG 13   Klimaatactie  

Middelen en mogelijkheden

0,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Gebruik

10,5
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
24e
-17,7%
20e
-4,5%
27e

Uitkomsten

7,65
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13e
0,29
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
10e
17,0

Beleving

76,8%
8e

SDG 14   Leven in het water

SDG 14 betreft de bescherming van zeeën en oceanen. Zeewater bedekt ongeveer drie kwart van de planeet en vormt het grootste ecosysteem ter wereld. De toenemende negatieve effecten van klimaatverandering, overbevissing en vervuiling vormen een bedreiging voor zowel de intrinsieke waarde van het ecosysteem zelf, als het nut en plezier dat mensen eraan ontlenen. Het Nederlandse mariene areaal omvat een deel van de Noordzee, de Waddenzee en de zeearmen. In dit dashboard wordt onder andere aandacht besteed aan het voorkomen en verminderen van vervuiling van de Noordzee (SDG 14.1) en de duurzaamheid van de visserij in de Noordzee (SDG 14.4). Omdat slechts weinig EU-landen grenzen aan de Noordzee is het voor de huidige indicatoren niet goed mogelijk om een internationale vergelijking te maken.

Op dit moment wordt gewerkt aan een verbetering van de metingen voor dit dashboard. Hoewel er veel meetgegevens voorhanden zijn over de verschillende mariene wateren van Nederland, zijn er vooralsnog weinig samenvattende indicatoren met een voldoende meetfrequentie, tijdigheid en onomstreden duiding die hier opgenomen kunnen worden.

Middelen en mogelijkheden betreffen de omvang van het mariene areaal en de middelen die worden ingezet om het te onderhouden en beschermen. Een groot deel van de Neder­landse mariene wateren is beschermd gebied. Omdat verschillende vormen van bescherming en gebruik elkaar overlappen, is niet overal de bescherming volledig geïmplementeerd. Daardoor is het nog niet mogelijk een eenduidig beeld van de ontwikkelingen hieromtrent te geven.

Gebruik betreft de benutting van de zee voor economische activiteiten en recreatie en natuur­beschermingsaspecten. Het Nederlandse mariene areaal wordt intensief benut voor scheepvaart, visserij en recreatie. Daarnaast wordt een toenemend areaal van de Noordzee gebruikt voor de aanleg van windmolenparken en zijn er experimenten met andere vormen van duurzame energie. Op dit moment zijn voor deze verschillende vormen van gebruik geen indicatoren bekend die een beeld geven voor het gehele Nederlandse mariene areaal en die voldoen aan de kwaliteitseisen van deze publicatie.

Uitkomsten gaan over de kwaliteit van het zeewater en het natuurlijke leven in en rondom de Nederlandse mariene wateren. De duurzaamheid van bevissing (SDG 14.4) is voor zes belangrijke soorten consumptievis bepaald door de huidige visstand te vergelijking met de duurzame visstand, dat wil zeggen de visstand die nodig is voor het in stand houden van een gezonde populatie. In 2018 gold voor vijf van de zes vissoorten dat de populatie groot genoeg was om van een duurzame visstand te spreken; voor kabeljauw was dat niet het geval. In 2019 heeft bijna 76 procent van het zwemwater langs de Nederlandse kust een uitstekende kwaliteit. Nederland staat hiermee in het midden van de Europese ranglijst. In de meer algemene Clean water index (SDG 14.1) staat Nederland in vergelijking met EU-landen ook in de middengroep. Een indicator voor biodiversiteit van water en bodemleven inclusief zeevogels is de Trend fauna Noordzee; deze laat een trendmatige daling zien. De indicator heeft betrekking op het offshore deel van de Noordzee, en niet op de kustwateren, de zeearmen en de Waddenzee. De biodiversiteit van de diepe Noordzee staat dus onder druk. Dit geldt met name voor de bodemdieren.

Beleving heeft betrekking op de zorgen van mensen over de vervuiling van en het leven in zeeën en oceanen. Ook hiervoor zijn nog geen indicatoren beschikbaar.

SDG 14   Leven in het water  

Uitkomsten

45,4
17e
5
75,6%
15e
65,7
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart

SDG 15   Leven op het land

SDG 15 betreft bescherming, herstel en duurzaam beheer van het leven op het land in al zijn vormen. Bescherming en herstel van ecosystemen en biodiversiteit kunnen de weer­baarheid tegen toenemende bevolkingsdruk, intensivering van landgebruik en klimaat­verandering versterken. Gezonde ecosystemen staan aan de basis van processen die grote invloed hebben op de brede welvaart, zoals de beschikbaarheid van schoon water en schone lucht, de aanwezig­heid van insecten voor bestuiving en de mogelijkheden voor ontspanning, recreatie en educatie. Natuur heeft een intrinsieke waarde in het hier en nu en voor toekomstige generaties. Dit dashboard kijkt naar de bescherming van natuur (SDG 15.1) en het behoud van biodiversiteit (SDG 15.5).

Bij de trend in Nederland is het beeld overwegend rood tot grijs. Negatieve ontwikkelingen zijn onder andere zichtbaar bij de biodiversiteitsindicatoren. Ook in de internationale vergelijking staat Nederland veelal op lage posities, met uitzondering van de diverse milieu-uitgaven.

Middelen en mogelijkheden gaan over de omvang van de natuurlijke ruimte en de middelen voor herstel en bescherming. De overheidsuitgaven aan milieubescherming bedroegen in 2018 1,4 procent van het bbp. Trendmatig zijn deze uitgaven gedaald, maar Nederland bezet wel een hoge positie in vergelijking met andere EU-landen. De totale milieu-uitgaven dalen ook trendmatig, maar ook hier bezet Nederland internationaal een hoge plek. Het landoppervlak dat bedekt is met natuur en bos bedroeg in 2015 net geen 15 procent van het totaal. Daarmee heeft Nederland van 26 EU-landen het kleinste aandeel natuur en bos. De beschikbare oppervlakte per persoon in Nederland is op Malta na de kleinste van alle EU-landen.

Gebruik betreft de bescherming en benutting van de natuurlijke ruimte en haar ecosystemen en de druk op het natuurlijke systeem door menselijke activiteiten. Natuur wordt in Nederland beschermd binnen het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het NNN omvat bestaande en nieuw aan te leggen natuur, waaronder zowel de nationale parken en de Natura2000-gebieden als agrarisch natuurbeheer en terrein aangekocht voor natuurontwikkeling. In 2018 besloeg het NNN-areaal ruim 20 procent van het land­oppervlakte. Trendmatig is bij dit areaal sprake van een toename. Het teveel aan fosfor en stikstof, vooral afkomstig uit de landbouw, heeft negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en gevoelige ecosystemen zoals heide. Het stikstofoverschot, dat wil zeggen het deel van de stikstof uit mest dat niet door landbouwgewassen wordt opgenomen maar uitspoelt naar bodem en grond- en oppervlaktewater, is in Nederland zeer hoog in vergelijking met andere EU- landen.noot13

Uitkomsten hebben betrekking op de kwaliteit van ecosystemen en biodiversiteit. Nederland is het tweede landbouwexportland ter wereld. Die productie heeft een keerzijde: een zeer hoge depositie van stikstof, wat gevolgen heeft voor de natuur. Daar waar de neerslag van stikstof groter is dan de natuurlijke vegetatie aankan, is sprake van een overschrijding van de kritische depositiewaarde. Natuur die hieraan blootgesteld wordt, wordt in zijn voort­bestaan bedreigd en specifieke soorten zullen hierdoor verdwijnen. In Nederland werd in 2018 bij ruim 71 procent van alle landnatuur de kritische depositiewaarde overschreden (PBL/WUR/RIVM, 2019). Dit percentage is hoog maar de trend is neutraal. De indicator voor boerenlandvogels geldt als maat voor de kwaliteit van het agrarisch gebied; het gaat om weide-, akker- en erfvogels. De trendmatige daling bij deze indicator wijst op verslechterde leefomstandigheden voor deze soorten. Vogels die zich goed handhaven zijn ganzen. Deze behoren echter niet tot de kenmerkende boerenlandvogels omdat ze ook broeden in andere typen terrein. De rode-lijstindicator geeft aan dat meer dan 60 procent van de soorten, verdeeld over zeven soortgroepen (dieren en hogere planten) in Nederland niet wordt bedreigd. De trend is echter negatief; het aandeel bedreigde soorten nam tussen 2012 en 2019 trendmatig toe. De index voor fauna van het land is trendmatig neutraal.

Beleving gaat over de beleving van de kwaliteit van de natuurlijke ruimte en zorgen over vervuiling en de verdwijning van soorten. In Nederland geeft 15 procent van de bevolking aan problemen te hebben met vuil en verontreiniging of andere milieuproblemen te ervaren. Vergeleken met andere EU-landen is dit percentage hoog.

SDG 15   Leven op het land  

Middelen en mogelijkheden

1,4%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
1e
2,1%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
4e
2 404
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
27e
14,8%
26e

Gebruik

20,6%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5,2
10e
162,9
17e

Uitkomsten

71,4%
60,9%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
63,1
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
10e
85

Beleving

15,1%
22e

SDG 16.1   Vrede, justitie en sterke publieke diensten: veiligheid en vrede

SDG 16 betreft het bevorderen van een vreedzame en veilige samenleving. Het ervaren van onveiligheid – met de daarmee samengaande gevoelens van kwetsbaarheid en onzekerheid – kan een grote impact hebben op het persoonlijke leven. (On)veiligheid heeft daarom, zowel objectief als subjectief, effect op de brede welvaart hier en nu. Het leger, de politie en justitie hebben de taak om de veiligheid te vergroten en te handhaven, preventief en via het rechtssysteem. Vertrouwen van burgers in deze instanties kan het gevoel van veiligheid vergroten.

Het beeld bij dit dashboard is voor wat betreft de trendmatige ontwikkelingen vrij positief te noemen. De meeste indicatoren wijzen op een stabiele of stijgende welvaart. Voor wat betreft de positie op de Europese ranglijst is het beeld gemengd. Voor twee indicatoren neemt Nederland een koppositie in, voor twee andere staat Nederland laag op de EU-ranglijst. Niet voor alle indicatoren in dit dashboard kan overigens een internationale vergelijking gemaakt worden.

Middelen en mogelijkheden hebben in deze context betrekking op de middelen die worden ingezet om een eerlijke rechtsgang en de nationale veiligheid te garanderen. De overheids­uitgaven aan openbare orde en veiligheid en de uitgaven aan landsverdediging laten geen specifieke richting zien. Nederland neemt in Europa een middenpositie in. De operationele sterkte van de politie loopt terug: het aantal agenten dat direct contact heeft met burgers en/of direct bijdraagt aan kerntaken daalde na een piek van 307 vte per 100 duizend inwoners in 2012 naar 292 vte in 2018. Vergeleken met andere EU-landen is dit weinig.

Gebruik betreft voor deze SDG het aantal mensen dat in aanraking komt met of een beroep doet op justitie. Het aantal personen in gevangenissen, penitentiaire instellingen en tucht­instellingen is duidelijk lager dan aan het begin van de trendperiode. In 2012 ging het om 80 gedetineerden per 100 duizend inwoners, in 2017 waren dit er 63. In internationaal perspectief is dit aantal relatief laag. Het aantal minderjarige verdachten dat in beeld is gekomen bij de politie is vergeleken met andere EU-landen wel hoog. Voor deze indicator is ook sprake van een trendomslag: liet de trend voorheen een neerwaartse ontwikkeling zien, deze is nu stabiel.

Uitkomsten betreffen het aantal misdrijven dat wordt gepleegd en het aantal slachtoffers van die misdrijven. Steeds minder Nederlanders geven te kennen slachtoffer te zijn geweest van traditionele vormen van criminaliteit zoals geweld, inbraak, diefstal en vernieling. De politie registreerde ook minder van deze misdrijven: bij beide indicatoren is de trend neerwaarts. Steeds meer slachtoffers van traditionele criminaliteit zeggen overigens het delict niet te hebben gemeld of aangegeven bij de politie. Slachtofferschap van cybercrime (digitale vormen van identiteitsfraude, koop- en verkoopfraude, hacken en cyberpesten) wordt apart geregistreerd. Ook van cybercriminaliteit wordt relatief weinig aangifte gedaan. Het aandeel van de bevolking dat zelf (via enquêtes) zegt slachtoffer te zijn geweest van een misdrijf is internationaal gezien gemiddeld. Een deel van de criminaliteit blijft buiten beeld van registraties. Zo wordt niet altijd aangifte gedaan, maar kan ook per land enigszins verschillen welke delicten worden geregistreerd.

Op slachtofferschap van mensenhandel is moeilijk zicht te krijgen. Recente data van de Nationaal Rapporteur betreffen alleen gemelde slachtoffers. Dit aantal daalt gestaag; in 2018 is zelfs sprake van het laagste aantal sinds de start van de meting in 2009. Dit betekent volgens de Nationaal Rapporteur niet dat het aantal slachtoffers ook daadwerkelijk lager is, want er is geen zicht op slachtoffers die niet in beeld kwamen bij de instanties. Dit maakt de datakwaliteit onvoldoende om bij deze indicator een trend te bepalen. In Nederland wordt geschat dat het aantal werkelijke slachtoffers van mensenhandel vier of vijf maal zo groot is als het aantal geregistreerde slachtoffers. In andere landen is deze verhouding wellicht anders (Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen, 2017) .

Het aantal jonge mannen dat geconfronteerd is met seksueel grensoverschrijdend gedrag was in 2017 tot de helft gedaald in vergelijking met 2012. Ook bij de jonge vrouwen is de daling fors (35 procent). Bij deze indicator zijn er niet genoeg datapunten om een trend te bepalen.

Wat de uitkomsten betreft, is bij twee indicatoren sprake van een trendomslag: voor zowel sterfte door moord of doodslag als slachtofferschap van cybercrime is de trend die voorheen groen was nu stabiel (grijs).

Beleving heeft betrekking op het vertrouwen in justitie en politie en het gevoel van veiligheid. Het vertrouwen in de rechtstaat is een van de zes aspecten van deugdelijk bestuur die worden gemeten met de Worldwide Governance Indicators van de Wereldbank. Nederlanders hebben veel vertrouwen in het rechtssysteem, waaronder de politie en de rechtbanken. Alleen in de Scandinavische landen en Oostenrijk is het vertrouwen groter. Er is sprake van een duidelijke afname bij het percentage mensen dat zich vaak onveilig voelt in de eigen buurt. Hier is een trendomslag: waar deze trend voorheen stabiel was, is deze nu groen.

SDG 16.1   Vrede, justitie en sterke publieke diensten: veiligheid en vrede  

Middelen en mogelijkheden

1,8%
11e
1,2%
13e
292
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
18e

Gebruik

63
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
4e
10,2%
18e

Uitkomsten

0,6
9e
47,3
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
13,7%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
11e
13,0%
4,5
11,0%
2,0%

Beleving

1,82
5e
1,4%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
2,1%

SDG 16.2   Vrede, justitie en sterke publieke diensten: instituties

Naast veiligheid en vrede heeft SDG 16 ook betrekking op instituties. Doeltreffende, verantwoordelijke en transparante instituties zijn essentieel voor het ontwikkelen, maar ook het behouden van brede welvaart. De kwaliteit van deze instellingen bepaalt mede de samenhang en effectiviteit van beleid. In een open en democratische samenleving is het ook belangrijk dat instituties verantwoording afleggen; vertrouwen van burgers in de overheid bevordert tenslotte de actieve participatie van burgers in de samenleving.

Het beeld bij dit dashboard is voor wat betreft de trendmatige ontwikkelingen gemengd. Vergeleken met andere Europese landen blijkt Nederland op het gebied van deze SDG erg goed te scoren. Met vrijwel alle indicatoren staat Nederland bovenaan de EU-ranglijst.

Middelen en mogelijkheden hebben hier betrekking op middelen die de overheid heeft om haar taken uit te voeren en diensten te verlenen aan burgers. De uitgaven van de overheid aan algemeen bestuur als percentage van het bbp zijn verder teruggelopen, tot 4,2 procent in 2018. Europees gezien staat Nederland onderin de ranglijst.

Gebruik betreft in deze context het gebruik van overheidsdiensten en diensten van maatschappelijke organisaties door burgers. Actieve participatie van burgers in de samenleving is essentieel voor het functioneren van een democratie. Een indicator om participatie te meten is de dekkingsgraad van de collectieve arbeidsovereenkomsten. De hoogte van deze dekkingsgraad is gelinkt aan het aantal leden van vakbonden, maar ook aan de rechts­geldigheid van overeenkomsten voor andere bedrijven en werknemers in een sector. Het aandeel van de werknemers dat valt onder collectieve arbeidsovereenkomsten is verder afgenomen, naar 77,6 procent in 2017. Een andere, meer directe, indicator voor actieve participatie is het percentage stemgerechtigden dat gaat stemmen tijdens parlements­verkiezingen. Vergeleken met andere Europese landen is de opkomst in Nederland hoog. Bij de laatste verkiezingen in 2017 gingen vier van elke vijf stemgerechtigden naar de stembus.

Uitkomsten betreffen de kwaliteit van publieke dienstverlening, de openheid en efficiëntie van de overheid en inspraak van burgers. Een goed functionerende overheid is een belangrijke voorwaarde voor het ontwikkelen en behouden van brede welvaart. In Europees verband staat Nederland aan de top als het gaat om zaken als kwaliteit van regelgeving, effectiviteit van overheidsbestuur, mogelijkheden voor burgers om invloed uit te oefenen op bestuur en vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering. De notering bij de eerste tien van de Corruption Perception Index (180 landen) laat zien dat de Nederlandse publieke sector als in hoge mate vrij van corruptie gezien wordt. Binnen de EU bezet Nederland in 2019 een vierde plek.

Als benadering voor de efficiëntie van de overheid is gekozen voor het aantal dagen dat minimaal nodig is om legaal een bedrijf te starten. In Nederland is dit teruggebracht naar drie en een halve dag, net als in Estland. In geen enkel ander Europees land kan dit sneller.

Beleving betreft hier de vraag of burgers vertrouwen hebben in de overheid. Het vertrouwen in instituties is vergeleken met andere Europese landen groot en neemt trendmatig toe. In 2019 gaf 63,1 procent van de bevolking aan vertrouwen te hebben in de politie, het parlement en het rechtssysteem. In 2012 was dat nog 57,5 procent.

SDG 16.2   Vrede, justitie en sterke publieke diensten: instituties  

Middelen en mogelijkheden

4,2%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
23e

Gebruik

77,6%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
7e
81,9%
6e

Uitkomsten

2,02
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
1,85
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
82
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
4e
1,60
4e
3,5
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
1e

Beleving

63,1%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
2e

SDG 17   Partnerschap om doelstellingen te bereiken

De zeventiende en laatste SDG betreft de vorming en het behoud van partnerschappen om de andere doelstellingen te bereiken. Internationale samenwerking is nodig om de capaciteit en middelen te versterken om de duurzame ontwikkelingsagenda uit te voeren. Het realiseren van de doelen vereist samenhangend beleid, een coöperatieve omgeving en het aangaan van nieuwe mondiale partnerschappen. Helaas zijn voor de meeste subdoelen die zijn opgenomen in SDG 17 geen goede indicatoren voorhanden. Zo is een aantal doelen gericht op de ontwikkeling van beleidsinstrumenten om de duurzame ontwikkeling in landen te ondersteunen. Voor deze doelen kan geen indicator in de klassieke zin van het woord worden opgesteld, maar wordt per land eerder aangegeven in hoeverre zulke beleidsinstrumenten al dan niet bestaan. SDG 17 kan dan ook niet op eenzelfde manier worden beschreven als de eerdere SDG’s. Slechts drie van de officiële SDG-subdoelen kunnen hier worden gemeten: ontwikkelingshulp (SDG 17.2), overdrachten (SDG 17.3), en de totale invoer uit de LDC’s (SDG 17.11).

Voor wat betreft ontwikkelingshulp en overdrachten staat Nederland vrij hoog op de EU-ranglijst. Deze indicatoren krijgen in het SDG dashboard wel een welvaartsduiding, in tegenstelling tot in het BWT-wiel ‘elders’. De indicatoren worden hier in de context van de SDG-agenda gepresenteerd. Iedere SDG-indicator heeft een gewenste richting, en meer uitgaven wordt vanuit dit perspectief geïnterpreteerd als stijgende welvaart. In de context van het ‘elders’ dashboard in hoofdstuk 2 wordt meer ontwikkelingshulp niet per definitie als welvaartsverhogend gezien: het geld zou ondoelmatig besteed kunnen worden. Bij het percentage overdrachten past een kanttekening in verband met een aantal meetproblemen. De indicator betreft overdrachten van lonen en salarissen verdiend door niet-ingezetenen. Maar deze cijfers bevatten mogelijk ook geldstromen van particuliere beleggers. Tot de landen met het hoogste percentage overdrachten behoren Luxemburg, Malta en Cyprus. Fiscale voordelen kunnen van invloed zijn. Verder kunnen niet-ingezetenen die langer dan twaalf maanden in een land wonen moeilijk onderscheiden worden en worden overdrachten via niet-officiële instanties niet gemeten. In hoeverre deze meetproblemen de cijfers beïnvloeden is niet duidelijk, omdat het betaalverkeer per land sterk verschilt.

Voor wat betreft de totale invoer uit de LDC’s staat Nederland bovenin de Europese ranglijst. Dit is niet verbazingwekkend omdat Nederland van oudsher intensieve handelsrelaties met deze landen onderhoudt. Wel wordt hierbij aangetekend dat de omvang van de handelsstromen overschat kan zijn doordat ook wederuitvoer in de cijfers is opgenomen. Bij wederuitvoer gaat het om producten die door Nederland weliswaar zijn ingevoerd, maar die na een kleine bewerking te hebben ondergaan direct weer worden geëxporteerd. Het is vooralsnog technisch heel lastig om deze wederuitvoer uit de totale invoercijfers te filteren.

Er komen steeds meer mensen uit landen buiten de Europese Economische Ruimte (EER: de 28 EU-lidstaten, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein) in Nederland studeren. De toename van het aantal Engelstalige studieprogramma’s en het aantal internationale studenten wordt beschouwd als gunstig voor de brede welvaart. Kennisoverdracht aan andere landen staat hierbij centraal. Hoogopgeleide buitenlandse studenten die in Nederland blijven en gaan werken zullen bijdragen aan de Nederlandse economie. De keerzijde hiervan is dat er zorgen ontstaan over de toegankelijkheid van het onderwijs voor Nederlandse studenten en over de kwaliteit van dat onderwijs. Het percentage eerstejaarsstudenten uit landen buiten de EER die op 1 oktober voor het eerst staan ingeschreven voor een bachelor- of masteropleiding binnen het wetenschappelijk onderwijs, stijgt snel: in 2012 was dit 4,7 procent, in 2018 8,6 procent.

Het blijft lastig om SDG 17 beter meetbaar te maken. Overigens worstelen ook statistische bureaus in andere landen hiermee. Het is en blijft de wens van het CBS om de partnerschappen voor de doelen met aanvullende indicatoren beter in kaart te brengen.

SDG 17   Partnerschap om doelstellingen te bereiken  

Middelen en mogelijkheden

0,6%
6e
1,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
4e
€ 185
2e

Gebruik

8,6%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

4.4Samenvattend beeld van de SDGplus-doelstellingen in de Nederlandse context

Figuur 4.4.1 geeft een overzicht van de trends van alle gemeten indicatoren per SDG, waarin onderscheid gemaakt wordt naar type indicator: middelen en mogelijkheden, gebruik, uitkomsten en beleving. Net als in de voorgaande paragrafen betreft het hier de trends voor de gehele set van indicatoren: de SDGplus-indicatorenset. Deze weergave faciliteert een snelle indicatie van mogelijke relaties tussen de verschillende typen indicatoren. Aan de hand van enkele voorbeelden wordt hieronder toegelicht hoe deze figuur gelezen kan worden. Het is vervolgens aan politici en beleidsmakers om te onderzoeken of er sprake is van verbanden tussen de verschillende typen indicatoren.

Wat valt op? Enkele voorbeelden:

  • Voor SDG 1 (geen armoede) valt bij de middelen en mogelijkheden de stijgende trend bij de gemiddelde en mediane inkomens van huishoudens op. Dit is gunstig voor de brede welvaart. De stijging van de trend bij een deel van de uitkomstindicatoren, waaronder de armoedekloof en het aantal gezinnen met langdurige armoede, heeft juist een verlagend effect op de brede welvaart. De belevingsindicator neemt daarentegen weer af, en draagt daarmee bij aan hogere brede welvaart. Voor deze SDG zijn geen gebruiksindicatoren opgenomen.
  • Voor SDG 9 (industrie, innovatie en infrastructuur: duurzame bedrijvigheid) valt op dat de middelen en mogelijkheden, in dit geval de toegang tot krediet en de werkgelegenheid en toegevoegde waarde van de milieusector, een groene trend kennen. Tegelijkertijd ontwikkelen ook de gebruik- en uitkomstenindicatoren zich neutraal tot gunstig, te zien aan een daling van de energie- en broeikasgasintensiteit van de economie. De belevingsindicatoren laten een neutraal tot dalend beeld zien, met bijvoorbeeld een afname van het vertrouwen in grote bedrijven.
  • Voor SDG 15 (leven op het land) valt op dat de middelen en mogelijkheden, waaronder de overheidsuitgaven aan milieubescherming, veelal dalen. Bij gebruik is er een indicator, het percentage beheerde natuur in de NNN, die trendmatig toeneemt. Daarentegen zijn de uitkomstenindicatoren neutraal tot negatief.
4.4.1   Trends van gemeten indicatoren per SDGplus naar type indicator

4.5Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

CBS, 2018a, Duurzaamheidsdoelen: de stand voor Nederland. Centraal Bureau voor de Statistiek, den haag/Heerlen/Bonaire.

CBS, 2020, Monitor Brede Welvaart & Sustainable Development Goals 2020: een toelichting. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag, Heerlen, Bonaire.

ECN, PBL, CBS, 2017. Nationale Energie-Verkenning 2017), Energieonderzoek Centrum Nederland, Planbureau voor de Leefomgeving, centraal Bureau voor de Statistiek. Amsterdam/Petten.

Europese Commissie, 2010, Europe 2020 Strategy , Europese Commissie, Brussel.

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2018a, Nationale woonagenda 2018–2021. Den Haag.

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 2018b, Nationale Omgevingsvisie. Den Haag.

Ministerie van Economische Zaken, 2017a, Nederlands Nationaal hervormingsprogramma 2017. Bijlage 1 bij Kamerbrief over aanbieding van het Nationaal hervormingsprogramma 2017. Kamerstuk 7 april 2017. Den Haag.

Ministerie van Economische Zaken, 2017b, Kamerbrief over aanbieding rapporten voedselverspilling. Kamerstuk 23 mei 2017. Den Haag.

Ministerie van Economische Zaken, 2020, Kamerbrief over Nationaal Hervormingsprogramma 2020. Den Haag.

Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2016a, Rijksbrede programma circulaire economie. Den Haag.

Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2016b, Nationale klimaatadaptatiestrategie 2016. Den Haag.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2017, Kamerbrief over Derde landelijk afvalbeheerplaan (LAP3). Den Haag.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2018, Strategisch plan verkeersveiligheid. Den Haag.

Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, en Economische Zaken en Klimaat, 2018, Totstandkoming van de transitieagenda’s uit het grondstoffenakkoord. Den Haag.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2018, Emancipatienota 2018–2021; Principes in de praktijk. Den Haag.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2019 Monitor Streefdoelen onderwijs. Den Haag.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2018a, Nationaal Preventieakkoord. Den Haag.

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2018b Verder met vaccineren. Den Haag.

Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen, 2017. An estimation of the numbers of presumed human trafficking victims in the Netherlands. Den Haag.

PBL/WUR/RIVM, 2019, Compendium voor de leefomgeving. Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen University, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Den Haag/Wageningen/Bilthoven.

Rijksoverheid, 2017 Vertrouwen in de toekomst: regeerakkoord 2017–2021.

Rijksoverheid, 2018, Pensioenwet geldend van 01-03-2018 t/m heden. Den Haag.

Rijksoverheid, 2019a. Uitvoeringsprogramma 2019–2023. Den Haag.

Rijksoverheid, 2019b, Deltaprogramma. Den Haag.

Rijksoverheid, 2020a. In wat voor land willen wij werken?. Den Haag.

Rijksoverheid, 2020b, Kamerbrief over versnellen aanpak woningtekort. Den Haag.

Noten

Duurzaamheidsdoelen die in VN-verband zijn gesteld, zie bijvoorbeeld CBS (2018).

Bij de internationale vergelijking wordt een andere definitie gebruikt. Daar gaat het om wiskundevaardigheden van 15-jarigen.

Er bestaat geen energiebesparingsindicator. De EU2020-doelstelling voor energie-efficiëntie is een besparing van

energieverbruik met 20 procent in de periode 1990–2020. Voor Nederland werd het doel vastgesteld op een primaire

energieconsumptie van ruim 60 Mton olie-equivalenten in 2020 (Europese Commissie, 2010). In de Nationale Energie-

Verkenning 2017 gaat het om een extra reductie van 100 PJ bruto finaal energieverbruik in de periode 2014–2020 (ECN, PBL en CBS, 2017).

Dit is het Nederlandse doel (Ministerie van Economische Zaken, 2017a). De EU2020-doelstelling is een nettoarbeidsparticipatie van 75 procent of hoger voor 20- tot 65-jarigen (Europese Commissie, 2010).

De indicator voor verkeersdoden uit SDG 3 heeft een duidelijke relatie met het thema Mobiliteit en is daarom hier opgenomen.

De indicator is gemeten per inwoner om hiermee de gedeelde verantwoordelijkheid van Nederlanders en Nederlandse bedrijven aan te geven.

Met name SDG’s 2, 6, 7, 8, 9, 12, 13, en 17.

Nederlandse doelstelling: de beleidsdekkingsgraad voor de meeste pensioenfondsen is minimaal 104,2 procent na vijf jaar. Daarnaast hebben de pensioenfondsen een herstelplan voor vereist eigen vermogen dat binnen tien jaar bereikt moet worden. Dit ligt per pensioenfonds op een ander percentage (Rijksoverheid, 2018).

De overheidsschuld (EMU-schuld) bedraagt maximaal 60 procent van het bbp, zo is vastgesteld in het kader van het Stabiliteits- en Groeipact van de eurozone.

Onaangenaamheden in de buurt omvatten geluidsoverlast van buren en/of de straat, vandalisme, criminaliteit of geweld in de directe omgeving, vervuiling, vuil en andere milieuproblemen in de directe omgeving.

De historische dataset voor fijnstof wordt momenteel door het RIVM gereviseerd, dit kan gevolgen hebben voor het beeld.

In Hoofdstuk 2 is verder toegelicht wat deze indicator inhoudt.

Voor meer informatie over stikstof in Nederland, zie www.rivm.nl/stikstof

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.