Foto omschrijving: App met opbrengsgrafiek op een smartphone

Financiële problemen en oordeel financiële situatie

In dit hoofdstuk staan financiële problemen van huishoudens centraal. In hoeverre zeggen huishoudens moeilijk rond te komen of kampen ze met betalingsachterstanden in huur of hypotheek, bij de energierekening of bij kredieten? Met welke sociale en andere beperkingen hebben huishoudens te maken? Hoe vaak moet het spaarsaldo worden aangesproken of worden er schulden gemaakt? Tot slot wordt ingegaan op de recentste ontwikkelingen in het consumentenvertrouwen.

8.1Moeilijk rondkomen en financiële beperkingen

9 procent van de huishoudens komt moeilijk rond

In 2023 kwam 9 procent van de huishoudens naar eigen zeggen (zeer) moeilijk rond van het inkomen, vergelijkbaar met het aandeel in 2022. In de periode 2013–2021 daalde dit aandeel fors (zie StatLine), met name in de vier hoogste inkomenskwintielgroepen. In 2022 stagneerde deze daling en daarna nam het aandeel in de hoogste inkomensgroepen weer toe. Ook in de laagste twee decielgroepen daalde het aandeel huishoudens dat moeilijk rond kon komen gedurende een langere periode, maar deze daling zette pas vanaf 2017 in. In de periode 2017–2021 halveerde in de tweede decielgroep het aandeel huishoudens dat moeilijk rond kan komen. De coronacrisis heeft hierbij een rol gespeeld. Door de lockdowns veranderde het bestedingspatroon van huishoudens. Bestedingen aan bijvoorbeeld vakanties en uitgaven in de horeca daalden fors (zie CBS, 2022). Hierdoor hielden huishoudens meer geld over om de gebruikelijke noodzakelijke uitgaven te kunnen betalen.

In 2022 kwam een eind aan deze ontwikkeling. In de twee laagste inkomensdecielgroepen nam het aandeel huishoudens dat naar eigen zeggen moeilijk rond kan komen weer toe. Meer huishoudens in deze groepen zeiden moeite te hebben met het betalen van de maandelijkse woonkosten en met name de energielasten. Ten opzichte van 2021 verdubbelde in deze groepen het aandeel huishoudens dat aangaf te weinig geld te hebben om het huis te verwarmen tot 18 procent (zie Statline). In 2023 nam het aandeel huishoudens dat aangaf moeilijk rond te kunnen komen in de twee laagste inkomensdeciel­groepen weer af. Tijdens de enquêtering in 2022 (zie kader EU-SILC) was het onduidelijk of huishoudens met weinig inkomen gecompenseerd zouden worden in de stijgende energiekosten. Dat had een negatieve weerslag op de inschatting van de eigen financiële situatie. Eind 2022 was hier wel duidelijkheid over. Huishoudens met weinig inkomen hadden inmiddels de energietoeslag ontvangen en er waren andere ondersteunende maatregelen zoals het energieplafond. Daardoor verbeterde de koopkracht in de laagste inkomensgroepen en dat vertaalde zich in een positievere inschatting van de eigen financiële situatie in 2023.

EU Survey on Income and Living Conditions (EU-SILC)

De meeste uitkomsten in deze paragraaf zijn gebaseerd op de EU-Survey on Income and Living Conditions (EU-SILC). Dat is een wettelijk verplicht jaarlijks onderzoek naar armoede, sociale uitsluiting en inkomensopbouw van huishoudens en personen volgens speciale hiervoor geldende EU-afbakeningen. Ook wordt er gevraagd naar aspecten van sociale participatie, gezondheid en wonen. De enquêtering voor EU-SILC vindt telkens plaats in het voorjaar en de zomer. De jaarlijkse (netto) steekproef bestaat uit ongeveer 10 duizend huishoudens. Een belangrijk deel van de benodigde EU-SILC gegevens, met name de inkomensgegevens, zijn verkregen via koppeling van integrale registergegevens. Zie ook EU-SILC.

Een laag inkomen betekent niet automatisch dat de financiële situatie van een huishouden problematisch is. Een huishouden met weinig inkomen kan toch aangeven makkelijk rond te kunnen komen. Vergeleken met de tweede inkomensdecielgroep bevat de eerste decielgroep relatief veel zelfstandigen waarvan het lage inkomen van tijdelijke aard kan zijn. Ook hebben zelfstandigen vaker spaargeld achter de hand waarmee ze de noodzakelijke lasten kunnen bekostigen. In de laagste inkomensgroep geven zelfstandigen minder vaak dan uitkeringsontvangers aan moeilijk rond te kunnen komen. Het aandeel huishoudens dat moeilijk rondkomt ligt in de eerste inkomensdecielgroep daarom lager dan in de tweede decielgroep.

8.1.1 Huishoudens die moeilijk rondkomen (%)
Eerste inkomensdecielgroep Tweede inkomensdecielgroep Tweede inkomenskwintielgroep Derde inkomenskwintielgroep Vierde inkomenskwintielgroep Vijfde inkomenskwintielgroep
2007 23,9 31,6 15,4 7,2 4,2 2,3
2008 24,9 29,4 16,7 9,3 5,6 1,4
2009 26,2 28,6 14,4 7,9 4,1 1,7
2010 25,4 35,5 17,8 10,6 5,7 1,9
2011 29,3 30,2 18,7 11,8 5,5 2,2
2012 26,5 35,9 18,9 10,7 4,9 2
2013 30,4 44 24,4 12,2 7,3 2,5
2014 27,7 47,2 22 12,6 5,3 1,5
2015 25,4 39,2 24,6 10,9 4,9 1,6
2016 31,3 43,6 20,8 8,6 4,1 1,8
2017 32,8 43,1 18,6 6,7 3,3 1,8
2018 23,9 38 17,3 5,7 3 1,2
2019 26,6 36,2 16,7 6 3,2 1,1
2020 23,9 30,8 11,8 4,4 2,5 1
2021 19,5 22,2 10,1 3,7 1,5 0,7
2022 26,3 28,1 9 5,4 2,1 0,6
2023* 21,3 23,5 10,2 6,8 2,3 1,5

Bijna 4 op de 10 ervaren stress of slaapproblemen door moeilijk rondkomen

Moeilijk rondkomen gaat vaak gepaard met een verminderd gevoel van welzijn. Het meest genoemdnoot1 werden stress of slaapproblemen. Van de mensen in een huishouden dat moeilijk rondkomt zei 38 procent hierdoor vaker stress of slaapproblemen te hebben. Bijna even vaak kwam minder tevreden zijn over het leven voor (34 procent). Ter vergelijking: gemiddeld geeft 17 procent van de volwassenen aan minder tevreden te zijn over het leven (CBS StatLine, 2023). Somberheid, minder sociale contacten en spanningen tussen gezinsleden kwamen voor bij ruim een kwart van degenen die moeilijk rondkomen.

Andere problemen, die minder vaak gemeld werden door mensen die (heel) moeilijk rondkomen, zijn een lager gevoel van eigenwaarde en lichamelijke klachten. Deze problemen kwamen bij ongeveer 2 van de 10 voor.

Ervaren problemen bij moeilijk rondkomen, 2023 (%)
Totaal
Vaker stress of slaapproblemen 38,2
Minder tevreden met het leven 33,7
Minder sociale contacten 27,2
Soms spanningen tussen gezinsleden 26,8
Voelt zich vaker somber 26,7
Vaker lichamelijke klachten 21,7
Lager gevoel van eigenwaarde 19,6

Minder betalingsachterstanden bij hoger inkomen

In 2023 gaf 3 procent van de huishoudens aan achterstanden te hebben gehad bij de betaling van de maandelijkse huur- of hypotheeklasten, de elektriciteits-, water- of gasrekeningen of bij het afbetalen van een lening of andere kredieten. In de laagste inkomensdecielgroep gaf 6 procent van de huishoudens aan om financiële redenen betalingsachterstanden te hebben. In de tweede inkomensdecielgroep was dat aandeel twee keer zo groot. Het ging in deze groep met name om het niet tijdig kunnen betalen van de maandelijkse huur- of hypotheeklasten. 8 procent van de huishoudens in de tweede inkomensdecielgroep had om financiële redenen een achterstand bij de betaling van deze maandelijkse lasten.

Vanaf de tweede inkomensdecielgroep is het aandeel huishoudens met een of meer betalingsachterstanden kleiner naarmate het inkomen hoger is. In de tweede kwintielgroep had 4 procent te maken met betalingsachterstanden in de huur of hypotheek, de energierekening, of een lening of krediet. Dat liep terug naar 1 procent in de vierde kwintielgroep. In de hoogste inkomensgroep was nauwelijks sprake van betalingsachterstanden.

8.1.2 Huishoudens met betalingsachterstanden, 2023* (%)
Totaal Huur of hypotheek Gas, water of elektriciteit Lening of andere kredieten
Vijfde
kwintielgroep
0,5 0,3 0,1 0,3
Vierde
kwintielgroep
1,3 0,7 0,7 0,6
Derde
kwintielgroep
2,1 0,8 0,9 0,9
Tweede
kwintielgroep
3,7 1,8 0,8 1,9
Tweede
decielgroep
12,1 8,2 4,3 4,5
Eerste
decielgroep
6,0 2,8 2,4 3,3

7 procent van de huishoudens ervaart woonlasten als zwaar

Voor 7 procent van de huishoudens vormden de maandelijkse woonlasten in 2023 naar eigen zeggen een zware financiële last. Ook hier speelt inkomen een belangrijke rol. In de laagste inkomensdecielgroep betekenden de maandelijkse woonlasten voor 17 procent een zware financiële last. In de tweede inkomensdecielgroep was dit voor 20 procent het geval. Het aandeel huishoudens dat de maandelijkse woonlasten moeilijk op kan brengen daalt vervolgens van 8 procent in de tweede inkomenskwintielgroep tot 1 procent in de hoogste kwintielgroep.

Vergeleken met huurders ervaart een relatief klein deel van de woningeigenaren de maandelijkse woonlasten als een zware last. Woningeigenaren hebben doorgaans niet alleen een hoger inkomen dan huurders, ze zijn ook een kleiner deel van dit inkomen kwijt aan woonlasten. In 2023 gaf 2 procent van de eigenaren aan dat de woonlasten een zware financiële last vormden. Onder huurders zonder huurtoeslag was dit aandeel ruim 4 keer zo groot (9 procent). Met 21 procent waren het vooral de huurtoeslagontvangers die aangaven dat ze de maandelijkse woonlasten moeilijk konden opbrengen. Bij 10 procent van de huurtoeslagontvangers was dan ook sprake van betalingsachterstanden, voornamelijk bij het betalen van de maandelijkse huur (6 procent).

8.1.3Woonlasten en betalingsachterstanden, 2023*
  Eigenaren Huurder zonder huurtoeslag Huurder met huurtoeslag
  % van huishoudens  
Ervaart maandelijkse woonlasten als zware last 2 9 21
Een of meer betalingsachterstanden 1 4 10
waarvan t.a.v.      
huur of hypotheek 0 2 6
gas, water of elektriciteit 0 1 4
op afbetaling gekochte artikelen 0 2 4

8.2Materiële en sociale beperkingen

Vooral in de laagste kwintielgroep materiële beperkingen

Huishoudens uit de laagste inkomensgroepen hebben regelmatig te maken met materiële beperkingen. In de twee laagste inkomensdecielgroepen gaf in 2023 ruim 70 procent aan onvoldoende geld te hebben voor één of meer specifieke uitgaven, uiteenlopend van een warme maaltijd met vlees, kip, vis of een vleesvervanger om de dag tot het doen van onverwachte, noodzakelijke uitgaven ter waarde van 1 400 euro. Vooral de tweede decielgroep kampte met materiële beperkingen. Zo had ruim 40 procent van deze groep onvoldoende geld om regelmatig nieuwe kleding te kopen, en bijna de helft voor een jaarlijkse week vakantie. Verder had iets meer dan de helft onvoldoende financiële middelen om versleten meubels te vervangen. Ruim een kwart gaf aan onvoldoende geld te hebben om het huis goed te kunnen verwarmen. Hoe hoger het inkomen, hoe minder vaak materiële beperkingen gemeld worden. Van de huishoudens in de hoogste inkomensgroep zei 9 procent een of meer beperkingen te hebben.

8.2.1 Materiële beperkingen, 2023* (%)
2023 Eerste decielgroep Tweede decielgroep Tweede kwintielgroep Derde kwintielgroep Vierde kwintielgroep Vijfde kwintielgroep
Onvoldoende geld voor: . . . . . .
Een warme maaltijd met vlees,
kip of vis om de dag
12,5 13,9 4 2,6 0,2 0,3
Het goed verwarmen van het huis 19,7 25,7 10,3 6,3 2,9 2,1
Het te eten vragen van familie
en/of kennissen
24,8 37,8 19,3 8,8 4,6 1,3
Het regelmatig kopen van nieuwe
kleren
35,4 42,1 21,8 10,4 4,2 2,2
Het jaarlijks een week op vakantie gaan 34,1 48 22,8 10,3 4,2 2,4
Het vervangen van versleten meubels 51,2 50 32,9 17,5 7,9 4,2
Het doen van onverwachte
noodzakelijke uitgaven
53,3 47,5 26,4 14,1 4,9 2,6
Ten minste een van de genoemde items 70,6 72,7 51 28,2 15,5 8,5

Bijna 3 op de 10 in laagste kwintielgroep hebben onvoldoende geld voor een maandelijks uitje

Aanvullend op de jaarlijks in EU-SILC (zie paragraaf 8.1) bevraagde beperkingen, heeft het CBS in 2023 eenmalig ook naar andere materiële en sociale beperkingen gevraagd (zie kader ‘Wat is genoeg om van te leven?’). Uit de aanvullende vragen over sociale participatie bleek eveneens dat de laagste inkomenskwintielgroep vaker kampt met beperkingen op dit vlak dan de hogere groepen. Zo schoot in de laagste groep een maandelijks uitje naar bijvoorbeeld de bioscoop of een restaurant er om financiële redenen bij 28 procent bij in. Bij de hogere inkomens liep dat percentage uiteen van 4 procent in de hoogste groep tot 18 procent in de tweede groep. Ook van andere vormen van sociale participatie, zoals lidmaatschap van een vereniging en viering van de verjaardag van een kind of van andere speciale dagen, moesten huishoudens in de laagste inkomensgroep vaker afzien dan huishoudens met een hoger inkomen.

8.2.2 Sociale beperkingen, 2023 (%)
Eerste kwintielgroep Tweede kwintielgroep Derde kwintielgroep Vierde kwintielgroep Vijfde kwintielgroep
Onvoldoende geld voor: . . . . .
Maandelijks een uitje 27,8 18,3 11,9 6,4 3,6
Elk gezinslid lidmaatschap vereniging 20,7 10,5 4,5 3,1 1,5
Verjaardagsfeestje houden voor kind 17,6 8,2 4,3 2,6 1
Feestkleding voor speciale gelegenheden 14,1 9,9 4,3 3,5 2,8
Viering van speciale dagen 7,1 1,6 1,1 0,7 0,3

Wat is genoeg om van de leven?

In september 2023 heeft het CBS een enquêteonderzoek gehouden om voor een aantal aspecten na te gaan of ze noodzakelijk gevonden worden om te leven en mee te doen in de samenleving. Respondenten kregen onder meer vragen voorgelegd op het gebied van woning en inboedel, televisie, internet en telefonie, verzekeringen, vervoer, voeding en andere uitgaven, kleding en schoenen, en sociale participatie. Het onderzoek is uitgevoerd via het LISS-panel van Centerdata. De steekproef voor het onderzoek is getrokken uit panelleden van 16 jaar of ouder die tot de huishoudenskern (die bestaat uit het hoofd en de eventuele partner) behoren. De vragenlijst is door 2 902 mensen ingevuld, wat neerkomt op een responspercentage van ruim 74 procent. De respondenten hebben de vragen online beantwoord.

Voor de selectiviteit in de respons is door weging zodanig gecorrigeerd dat de deelnemers aan het onderzoek een zo representatief mogelijke vertegenwoordiging vormen van de populatie (mensen van 16 jaar of ouder in de huishoudenskern). Er is zowel gewogen naar een combinatie van huishoudenstype (alleenstaand, paar zonder kinderen, paar met kinderen, alleenstaande ouder, overig) en leeftijd (tot 40 jaar, 40 tot 65 jaar, 65 jaar of ouder) als naar decielgroepen van het inkomen. Omdat uit ieder huishouden één kernlid geselecteerd is voor de steekproef, kunnen de uitkomsten worden opgevat als uitkomsten over huishoudens. De (netto) steekproefomvang van het onderzoek is te klein om de eerste twee decielgroepen apart te onderscheiden (zoals in paragraaf 8.1, figuur 8.2.1 en paragraaf 8.3).

In laagste kwintielgroep heeft 1 op de 8 geen geld voor wasdroger en vaatwasser

Behalve beperkter zijn in het vervangen van versleten meubels (zie figuur 8.2.1), heeft de eerste inkomenskwintielgroep ook te maken met andere materiële beperkingen in huis. Zo zeiden zij vaker te weinig geld te hebben voor een vaatwasser of wasdroger: ruim 3 keer zo vaak als de tweede inkomensgroep. Hoewel een minderheid van de huishoudens een airconditioning heeft (20 procent), was dat in laagste twee kwintielgroepen het vaakst niet aan de orde omdat er te weinig geld voor was. Gangbare apparatuur zoals een wasmachine, koelkast en vriezer bezitten bijna alle huishoudens, ook in de laagste inkomensgroep. Dat geldt eveneens voor een televisie en een internetaansluiting. Maar bijbehorende faciliteiten zoals een streamingsdienst, televisieabonnement met commerciële zenders en een spelcomputer kunnen de laagste inkomens zich vaker dan de hogere niet permitteren. In de hoogste groep komt dat met 2 procent nauwelijks voor.

8.2.3 Beperkingen in apparatuur en toebehoren, 2023* (%)
Eerste kwintielgroep Tweede kwintielgroep Derde kwintielgroep Vierde kwintielgroep Vijfde kwintielgroep
Onvoldoende geld voor: . . . . .
Airconditioning 27,4 21,2 13,1 10,9 4,6
Vaatwasser 13,5 3,7 2,6 1 0,9
Wasdroger 12,2 3,9 4,6 3,3 1,3
. . . . .
Streamingsdienst 22 12,4 6,6 4,8 2
Spelcomputer 15,5 10,2 5,5 4 2,2
Televisieabonnement
met commerciële zenders
8,9 4,5 2,9 1,6 1,9

Voeding niet altijd uitgebalanceerd in laagste kwintielgroep

Ruim 1 op de 10 huishoudens in de laagste inkomensgroep gaf aan onvoldoende geld te hebben om dagelijks ‘twee ons groente en twee stuks fruit’ te eten. Bij huishoudens in de hogere inkomensgroepen kwam dit minder vaak voor. In de hoogste twee groepen ging het om 1 op de 100. Ook iedere dag een volwaardig ontbijt en een warme maaltijd met vlees, vis of vleesvervanger kon de laagste inkomensgroep zich minder vaak veroorloven, evenals iedere week iets lekkers zoals chips of snoep.

8.2.4 Beperkingen in voeding en andere uitgaven, 2023* (%)
Eerste kwintielgroep Tweede kwintielgroep Derde kwintielgroep Vierde kwintielgroep Vijfde kwintielgroep
Onvoldoende geld voor:, . . . . .
Voeding Dagelijks voldoende
groente en fruit, Voeding
11,8 4,3 2,2 1,3 1
Voeding Dagelijks warme maaltijd
met vlees, vis of vleesvervanger, Voeding
10,2 3 1,6 2,1 0,8
Voeding Wekelijks iets lekkers, Voeding 8,5 3,9 2,1 1,7 0,8
Voeding Dagelijks volwaardig ontbijt, Voeding 5,1 0,7 0,9 0,9 0,7
Andere uitgaven Spontane koopjes, Andere uitgaven 24,7 13,2 8 3,4 3,5
Andere uitgaven Tweemaandelijks kapper, Andere uitgaven 15,3 12,2 7,6 4 2,9
Andere uitgaven Boeken of gezelschapsspellen, Andere uitgaven 13,9 6,4 3,3 2,1 0,3
Andere uitgaven Huisdieren, Andere uitgaven 9,6 3,2 2,8 1,5 0,9
Andere uitgaven Genotsmiddelen, Andere uitgaven 4,2 1,9 2,2 0,7 0,8

Spontane koopjes zoals nieuwe kleding of schoenen en een tweemaandelijks kappersbezoek schieten er vaak bij in als een huishouden weinig inkomen heeft. Respectievelijk 25 en 15 procent van de laagste inkomens zei in 2023 hier onvoldoende geld voor te hebben. Ook de tweede inkomensgroep slaat met 12 procent kappersbezoek relatief vaak om financiële redenen over. Een gering inkomen betekent in verhouding vaak te weinig geld hebben voor boeken of gezelschapsspellen. Dat is zelden het geval bij de hoogste inkomens. Van genotsmiddelen zoals sigaretten of alcohol werd met 4 procent relatief weinig om financiële redenen afgezien in de laagste inkomensgroep, al was het vaker dan in de hogere groepen.

Kwart laagste kwintielgroep heeft te weinig geld voor rechtsbijstandsverzekering

De laagste inkomensgroep kan zich vaker verzekeringen niet veroorloven dan de hogere groepen. Vooral voor de rechtsbijstandsverzekering is er te weinig geld: 24 procent gaf dat aan in 2023. Dat was 5 keer zoveel als in de hoogste groep. Ook van andere verzekeringen werd om financiële redenen meer afgezien in de laagste inkomensgroep dan in hogere groepen. Uitzondering is de aanvullende zorgverzekering: hierin verschilden de eerste en tweede groep niet aantoonbaar van elkaar. Wel was er verschil met de hoogste twee inkomensgroepen. Deze groepen zeiden het vaakst geen geld te hebben voor een tandartsverzekering, en het minst vaak voor een inboedelverzekering.

8.2.5 Beperkingen bij verzekeringen, 2023* (%)
Eerste kwintielgroep Tweede kwintielgroep Derde kwintielgroep Vierde kwintielgroep Vijfde kwintielgroep
Onvoldoende geld voor: . . . . .
Rechtsbijstandsverzekering 24,2 13,8 7 6,5 4,5
Tandartsverzekering 16,3 11,6 9,2 8,8 9
Uitvaartverzekering 14,9 7,6 7,3 5,3 7
Aanvullende zorgverzekering 14 10,6 9,2 6,4 5,6
Aansprakelijkheidsverzekering¹⁾ 11,2 6,7 4,9 2,9 3,1
Inboedelverzekering 9,9 4,1 1,8 1 0,8
1)Het gaat om de vrijwillige aansprakelijkheidsverzekering (bij bezit van een motorvoertuig is deze verzekering verplicht).

8.3Oordeel over de eigen financiële situatie

Huishoudens moesten na corona vaker spaartegoeden aanspreken

In 2023 zei 14 procent van de bevolking (15 jaar of ouder) dat hun huishouden spaar­tegoeden aan moet spreken, vrijwel evenveel als in 2022. In de coronajaren 2020 en 2021, toen er door lockdowns minder uitgegeven werd (CBS, 2022), was het percentage kleiner (9 en 8 procent). Het meer moeten aanspreken van spaartegoeden na corona ging samen met minder vaak geld overhouden. Dat percentage daalde van 62 procent in 2021 naar 56 procent in 2022. In de periode 2020–2023 veranderde het percentage dat zei precies rond te komen niet, evenals het percentage dat zei schulden te moeten maken.

8.3.1 Oordeel over de actuele financiële situatie huishouden (%)
2020 2021 2022 2023
Houdt geld over 60 62 56 57
Komt precies rond 23 22 23 23
Moet spaartegoeden aanspreken 9 8 13 14
Moet schulden maken 4 3 3 3

Meting oordeel eigen financiële situatie

In deze paragraaf wordt ingezoomd op de uitkomsten van drie vragen in het maandelijkse Consumenten Conjunctuuronderzoek (CCO). Als eerste wordt op persoonsniveau gevraagd naar de actuele financiële situatie van het huishouden, dus de financiële stand van zaken op het moment van enquêtering. Daarna wordt vooruitkijkend en terugblikkend over een periode van twaalf maanden gevraagd naar de financiële situatie van het huishouden. Bij de vooruitblik gaat het om de verwachte financiële situatie in het komend jaar en bij de terugblik over de ervaren financiële situatie in het afgelopen jaar. Een klein deel van de personen geeft aan niet te weten hoe hun huishouden er (actueel en vooruit- en terugkijkend) financieel voorstaat, zie StatLine. Zij blijven hier buiten beschouwing. De vragen over de financiële situatie van huishoudens maken deel uit van de indicator koopbereidheid van het consumentenvertrouwen. De andere indicator van het consumentenvertrouwen betreft de inschatting van het economische klimaat.

Hoogste inkomensgroep houdt 3 keer zo vaak geld over als laagste

De hoogte van het inkomen is een sterk bepalende factor in de beoordeling van de financiële situatie van het huishouden. Hoe hoger het inkomen is, des te positiever is het oordeel over de financiële situatie. Van de mensen waarvan het huishoudensinkomen tot de hoogste kwintielgroep behoorde, gaf 77 procent in 2023 aan dat het huishouden geld overhoudt. In de laagste twee inkomensdecielgroepen waren de percentages die geld overhouden het kleinst (27 procent in de eerste decielgroep en 26 procent in de tweede decielgroep).

Van de personen uit huishoudens in de hoogste inkomenskwintielgroep zei 7 procent spaartegoeden te moeten aanspreken, terwijl minder dan 1 procent meldde schulden te moeten maken. Van de personen in de laagste inkomensdecielgroep gaf 23 procent aan spaartegoeden te moeten aanspreken, en zei 13 procent schulden te moeten maken.

8.3.2 Oordeel over de actuele financiële situatie huishouden1), 2023 (%)
Houdt geld over Komt precies rond Moet spaartegoeden aanspreken Moet schulden maken
Eerste decielgroep 27 29 23 13
Tweede decielgroep 26 38 19 8
Tweede kwintielgroep 41 34 18 4
Derde kwintielgroep 58 23 14 2
Vierde kwintielgroep 66 18 12 2
Vijfde kwintielgroep 77 12 7 1
1) Personen zijn ingedeeld naar het huishoudensinkomen van 2022.

Woningeigenaren houden vaker geld over dan huurders

Huishoudens met een hoger inkomen zijn relatief vaker woningeigenaar. Eigenaarschap hangt dan ook samen met het oordeel over de financiële situatie. In 2023 gaf 66 procent van de woningeigenaren aan dat het huishouden geld overhoudt. Onder huurders die geen huurtoeslag ontvingen was dat 48 procent en onder huurtoeslagontvangers 29 procent. Van de personen in huishoudens met huurtoeslag zei 8 procent dat het huishouden schulden moet maken. Van de personen in huishoudens met een eigen woning zei 1 procent dat het huishouden schulden moet maken, onder huurders zonder huurtoeslag was dat 5 procent.

8.3.3 Oordeel over de actuele financiële situatie huishouden1), 2023 (%)
Houdt geld over Komt precies rond Moet spaartegoeden aanspreken Moet schulden maken
Woningeigenaar 66 18 12 1
Huurder zonder huurtoeslag 48 29 16 5
Huurder met huurtoeslag 29 37 12 8
1) Personen zijn ingedeeld naar het woningbezit van het huishouden in 2022.

Stellen houden het vaakst geld over

Van de diverse huishoudenstypen waren personen in huishoudens bestaande uit een paar, met kinderen of zonder kinderen, in 2023 het vaakst positief over de financiële situatie van het huishouden. Van hen zei 62 procent geld over te houden (zie StatLine). Personen die deel uitmaken van een eenoudergezin zeiden het minst vaak geld over te houden (38 procent). Ook gaven ze vaker dan paren met kinderen aan schulden te moeten maken (6 tegen 3 procent) en spaartegoeden te moeten aanspreken (20 tegen 13 procent). In hoofdstuk 2 werd al duidelijk dat paren een hoger inkomen hebben dan alleenstaanden en alleen­staande ouders. Dat hogere inkomen gaat dus samen met een positiever oordeel over de financiën van het huishouden.

Merendeel verwacht ongewijzigde financiën komend jaar

Iets meer dan de helft (52 procent) verwachtte in 2023 dat de financiële situatie van het huishouden het komende jaar ongewijzigd blijft, 20 procent verwachtte financiële vooruitgang en een kwart een verslechtering. Daarmee rekende een merendeel dus op stabiliteit in de financiële situatie van het huishouden en waren er iets meer pessimisten dan optimisten.

8.3.4 Financiële situatie huishouden in het komend jaar, 2023
Financiële situatie komende 12 maanden
Beter 20
Ongewijzigd 52
Slechter 25
Geen antwoord 3

Personen uit huishoudens met relatief weinig inkomen verwachtten vaker dat de financiële situatie verslechtert. In de hogere inkomensgroepen werd juist vaker stabiliteit of verbetering verwacht. Opvallend is dat personen in de laagste inkomensdecielgroep optimistischer zijn dan personen in de tweede decielgroep. Dit optimisme houdt verband met de andere samenstelling van deze laagste inkomensgroep. Daarin bevinden zich relatief veel jongeren, die doorgaans optimistischer zijn (zie StatLine).

Ten opzichte van 2022 zijn mensen iets optimistischer geworden over hun toekomstige financiële situatie. Het aandeel personen dat een verslechtering in de financiële situatie van het huishouden verwachtte daalde van 36 procent in 2022 naar 25 procent in 2023 (zie StatLine).

Terugblik blijft bijna gelijk

In 2023 waren personen gemiddeld vrijwel even vaak als in 2022 van mening dat de financiële situatie van het huishouden er het afgelopen jaar op achteruit is gegaan. Het aandeel personen dat de financiële situatie in het afgelopen jaar als verbeterd bestempelde, is tussen 2022 en 2023 licht gestegen (van 15 naar 17 procent). Het aandeel dat de situatie niet veranderd vond, bleef nagenoeg gelijk (zie StatLine).

Personen uit huishoudens met een lager inkomen beoordelen de situatie van het huishouden vaker als verslechterd dan personen uit hogere inkomensgroepen. In 2023 zei 42 procent van de personen uit de hoogste kwintielgroep dat de financiële situatie van het huishouden verslechterd is. In de onderste inkomensregionen was dat substantieel meer (55 procent in eerste decielgroep en 60 procent in tweede decielgroep).

8.3.5 Financiële situatie in het afgelopen jaar1) (% dat verslechtering rapporteert)
2022 2023
Totaal 51 50
Eerste decielgroep 59 55
Tweede decielgroep 64 60
Tweede kwintielgroep 58 53
Derde kwintielgroep 52 53
Vierde kwintielgroep 43 49
Vijfde kwintielgroep 38 42
1) Personen zijn ingedeeld naar het huishoudensinkomen van 2022.

Consumentenvertrouwen verbetert, maar blijft negatief

Na de corona-uitbraak in maart 2020 klapte het consumentenvertrouwen in elkaar. Vervolgens begon in het laatste kwartaal van dat jaar het vertrouwen enigszins te herstellen. Per saldo bleven consumenten echter negatief. Toen de inflatie aan het eind van 2021 begon op te lopen, zette opnieuw een daling van het consumentenvertrouwen in. Door de oorlog in Oekraïne steeg de inflatie in 2022 naar recordhoogtes (zie ook Scholte, 2022) en daalde het consumentenvertrouwen in september 2022 naar het laagste niveau (–‍61) ooit. Daarna herstelde het vertrouwen, al bleven pessimisten tot in 2024 de overhand houden. Bij een negatief consumentenvertrouwen waren mensen steeds nog pessimistischer over het economisch klimaat, met eveneens in september 2022 een dieptepunt (–‍78). Met de koopbereidheid van mensen was het doorgaans juist beter gesteld dan met het consumentenvertrouwen.

Consumentenvertrouwen, economisch klimaat en koopbereidheid (saldo positieve en negatieve antwoorden)
Consumentenvertrouwen Economische klimaat Koopbereidheid
2019 januari, 2019 0 2 0
2019 februari, 2019 0 3 -2
2019 maart, 2019 -2 -2 -3
2019 april, 2019 0 0 -1
2019 mei, 2019 -1 2 -3
2019 juni, 2019 2 5 1
2019 juli, 2019 3 7 1
2019 augustus, 2019 0 -2 2
2019 september, 2019 -2 -1 -2
2019 oktober, 2019 -2 -6 1
2019 november, 2019 -5 -10 -1
2019 december, 2019 -4 -11 0
2020 januari, 2020 -1 -4 1
2020 februari, 2020 -1 -4 1
2020 maart, 2020 -3 -14 4
2020 april, 2020 -24 -36 -17
2020 mei, 2020 -30 -51 -16
2020 juni, 2020 -25 -49 -10
2020 juli, 2020 -26 -50 -10
2020 augustus, 2020 -27 -55 -8
2020 september, 2020 -27 -54 -10
2020 oktober, 2020 -33 -64 -13
2020 november, 2020 -26 -54 -8
2020 december, 2020 -21 -40 -8
2021 januari, 2021 -18 -39 -4
2021 februari, 2021 -20 -42 -4
2021 maart, 2021 -18 -39 -4
2021 april, 2021 -11 -28 1
2021 mei, 2021 -7 -21 2
2021 juni, 2021 0 -8 5
2021 juli, 2021 -7 -14 -3
2021 augustus, 2021 -6 -12 -2
2021 september, 2021 -5 -6 -4
2021 oktober, 2021 -16 -21 -12
2021 november, 2021 -27 -37 -21
2021 december, 2021 -28 -43 -18
2022 januari, 2022 -24 -38 -14
2022 februari, 2022 -30 -44 -20
2022 maart, 2022 -40 -60 -27
2022 april, 2022 -48 -69 -35
2022 mei, 2022 -45 -64 -32
2022 juni, 2022 -48 -68 -35
2022 juli, 2022 -49 -70 -35
2022 augustus, 2022 -52 -71 -39
2022 september, 2022 -61 -78 -50
2022 oktober, 2022 -59 -74 -48
2022 november, 2022 -56 -74 -44
2022 december, 2022 -51 -66 -41
2023 januari, 2023 -46 -59 -37
2023 februari, 2023 -41 -52 -33
2023 maart, 2023 -39 -49 -31
2023 april, 2023 -38 -51 -29
2023 mei, 2023 -39 -55 -29
2023 juni, 2023 -39 -52 -30
2023 juli, 2023 -39 -54 -29
2023 augustus, 2023 -38 -53 -28
2023 september, 2023 -39 -55 -28
2023 oktober, 2023 -41 -57 -30
2023 november, 2023 -34 -47 -24
2023 december, 2023 -30 -43 -21
2024 januari, 2024 -27 -39 -19
2024 februari, 2024 -26 -44 -15
2024 maart, 2024 -21 -33 -12
2024 april, 2024 -22 -35 -14
2024 mei, 2024 -23 -38 -12

8.4Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

CBS (2022). Materiële Welvaart in Nederland 2022.

CBS StatLine (2023). Welzijn in relatie met financiën; kenmerken financiën.

Scholte, I. (2022). Het historisch laag consumentenvertrouwen verklaard. De Nederlandse Economie, 9 november.

Noten

In het onderzoek ‘Wat is genoeg om van te leven’, zie paragraaf 8.2.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016-2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/'17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/'05-2016/'17 oogstjaar enz., 2004/'05 tot en met 2016/'17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Judit Arends-Tóth

Koos Arts

Marion van den Brakel

Mitchell Dost

Kai Gidding

Bart Huynen

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Eveline Vandewal

Nadine Wesselius

Eindredactie

Marion van den Brakel

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings