Foto omschrijving: Bemanning van een enorm containerschip zwaait naar fotograaf.

Structuur van de werkgelegenheid en internationalisering van bedrijven

Auteurs: Robin Konietzny, Davey Poulissen

De Nederlandse werkgelegenheid is sterk verbonden met internationalisering. Export, import en buitenlandse investeringen bepalen in toenemende mate de vraag naar werknemers. Tegelijkertijd hangt het arbeidsaanbod samen met kenmerken als opleiding en werkervaring. Dit hoofdstuk richt zich op de structuur van die werkgelegenheid binnen internationaal actieve bedrijven. Daaronder verstaan we bedrijven die deel uitmaken van een multinationale groep of deelnemen aan de internationale handel. In dit hoofdstuk wordt daarbij, wat handel betreft, uitsluitend de goederenuitvoer in beschouwing genomen. Op basis van microdata laten we zien hoe de werkgelegenheid verschilt tussen bedrijven met uiteenlopende exportpatronen en multinationalstatus, en hoe deze verschillen samenhangen met de opleidings­achtergrond en beroepsstructuur van werknemers. Zo wordt duidelijk welke invloed verschillende dimensies van internationalisering hebben op de samenstelling van de Nederlandse werkgelegenheid.

8.1Inleiding

Internationalisering en werkgelegenheid

De internationalisering van bedrijven heeft niet alleen gevolgen voor hun concurrentie­positie op buitenlandse markten, maar werkt direct door in de Nederlandse arbeidsmarkt. Internationaal actieve ondernemingen, zoals exporteurs of multinationals, onderscheiden zich van puur binnenlandse bedrijven door de aard en omvang van de werk­gelegenheid die zij creëren. Belangrijk daarbij is niet alleen het aantal banen, maar vooral de structuur en heterogeniteit van deze werkgelegenheid: welke beroepen zijn betrokken, welke opleidingen zijn gevraagd en welke soort van bedrijven zijn vertegenwoordigd?

Bij het CBS nemen de mogelijkheden steeds verder toe om gedetailleerde bedrijfs- en internationaliserings­kenmerken, zoals handelsgedrag en zeggenschapsstructuur, te koppelen aan werknemerskenmerken, waaronder bijvoorbeeld opleiding, beroep en geslacht. Deze koppelingen bieden nieuwe kansen om de effecten van globalisering op de Nederlandse werkgelegenheid systematisch te analyseren. Door de resulterende inzichten consistent in kaart te brengen, wordt beter zichtbaar hoe internationalisering van bedrijven relateert aan de Nederlandse werkgelegenheid.

Wie werkt voor internationaal actieve bedrijven?

Het doel van dit hoofdstuk is om de werkgelegenheid van internationaal actieve bedrijven in kaart te brengen en daarbij de nadruk te leggen op heterogeniteit van de werkgelegenheid.

De centrale vraag van dit hoofdstuk is: hoe manifesteert internationalisering zich in termen van de structuur van de werkgelegenheid in Nederland, en welke groepen werknemers zijn hier in het bijzonder bij betrokken? Daarbij stellen we de volgende onderzoeksvragen:

  • Hoe groot is het aandeel van mannelijke en vrouwelijke werknemers bij bedrijven met verschillende goederenexportpatronen en zeggenschapsstructuren?
  • Welke beroepen, opleidingsniveaus en opleidingsrichtingen zijn relatief vaak vertegenwoordigd bij verschillende soorten goederenexporteurs?
  • In welke mate wijkt de arbeidsstructuur van buitenlandse bedrijven af van die van binnenlandse bedrijven en welke verschillen zijn er tussen multinationals en niet-multinationals?

Hoe hangt globalisering samen met werkgelegenheid?

De vraag naar de effecten van internationalisering op werkgelegenheid is al langer relevant. Hoewel het totale effect doorgaans positief is, benadrukt de wetenschappelijke literatuur dat de gevolgen van globalisering voor verschillende groepen werknemers en bedrijven afhangen van hun specifieke kenmerken (Caliendo et al., 2019; Lee, 2020). Gezien deze heterogeniteit is het belangrijk om de microstructuur van werkgelegenheid in de context van internationalisering in kaart te brengen.

In een eerdere editie van de Internationaliserings­monitor werd benadrukt dat globalisering banen creëert, bijvoorbeeld doordat bedrijven starten met exporteren, maar dat bedrijven in Nederland er ook voor kunnen kiezen om werk uit te besteden aan het buitenland of te maken krijgen met toenemende importconcurrentie (CBS, 2018a). Daardoor kan de verdeling van de voor- en nadelen voor werknemers en bedrijven ongelijk uitvallen. Ook werd gewezen op de samenhang met technologische ontwikkelingen en wetgeving.

Meer recent, in de tweede editie van de Internationaliserings­monitor in 2024, stond de exportgerelateerde werkgelegenheid centraal (Bohn et al., 2024). De auteurs benaderen de exportgerelateerde werkgelegenheid vanuit een macro-economisch perspectief, op basis van een input-outputanalyse. Deze methode maakt het mogelijk om niet alleen de directe, maar ook de indirecte werkgelegenheid bij toeleveranciers van exporteurs in kaart te brengen. Daarnaast berekenen Bohn et al. (2024) werkgelegenheid in voltijdbanen, uitgedrukt in voltijdequivalenten en geijkt aan de nationale rekeningen. Daarmee bieden zij een volledig overzicht van de totale werkgelegenheid die samenhangt met export.

Dit hoofdstuk kiest bewust voor een micro-economische benadering. De analyses zijn gebaseerd op microdata op bedrijfs- en werknemersniveau, waardoor zichtbaar wordt welk type werknemer de banen bij internationaal actieve bedrijven invult. Waar Bohn et al. (2024) onderscheid maken tussen verschillende exportstromen, zoals uitvoer van Nederlandse makelij en wederuitvoer, richt dit hoofdstuk zich op de kenmerken van werknemers en bedrijven. Hierdoor kan onderscheid worden gemaakt tussen incidentele en structurele exporteurs, en tussen Nederlandse en buitenlandse multinationals.

Het verschil tussen beide perspectieven ligt niet in hun geldigheid, maar in hun invalshoek. Studies zoals Bohn et al. (2024) bieden een macro- tot mesobeeld van de Nederlandse exporteconomie: zij tonen de totale omvang en verwevenheid van export binnen de economie. De huidige analyse in deze Internationaliserings­monitor vult dit beeld aan door op microniveau te laten zien hoe kenmerken van afzonderlijke economische eenheden – bedrijven en werknemers – samenhangen met internationalisering.

Arbeidsmigratie, tekorten aan specifieke vaardigheden en de positie van verschillende beroepsgroepen raken direct aan de structuur van de werkgelegenheid in internationaal actieve bedrijven. De resultaten van dit hoofdstuk helpen beleidsmakers, sociale partners en onderzoekers om beter te begrijpen hoe internationalisering doorwerkt op de arbeidsmarkt en welke groepen werknemers hierbij betrokken zijn.

Leeswijzer

Paragraaf 8.2 geeft een kort overzicht van de gekoppelde bestanden, die nodig zijn om een werknemer-werkgever bestand te bouwen. Vervolgens wordt in paragraaf 8.3 een overzicht gegeven van de variabelen en definities die in dit hoofdstuk worden gebruikt. Paragraaf 8.4 schetst de samenhang tussen het opleidingsniveau en -richting van werknemers en internationalisering. Paragraaf 8.5 sluit hierop aan en onderzoekt de samenhang tussen beroepen en internationalisering. Paragraaf 8.6 vat samen en concludeert.

44% van alle werknemers in de business economy is in dienst bij structurele goederenexporteurs, waarvan 29%-punt mannen en 15%-punt vrouwen
4 op de 10 werknemers bij multinationals zijn hoogopgeleid, tegenover een kwart bij niet-multinationals

8.2Koppelen van bedrijven- en werknemersdata

Bronnen voor werknemersdata

Voor data over werkgelegenheid is het CBS Polisregister, dat gedetailleerde gegevens bevat over banen en lonen van werknemers, leidend. Een persoon kan binnen één jaar meerdere banen hebben, gelijktijdig of opeenvolgend. Waar dat voorkomt, analyseren wij uitsluitend de hoofdbaan: de baan met de meeste uren in dat jaar. Verder omvat het Polisregister geen zelfstandigen, maar wel personen die in loondienst zijn van hun eigen bedrijf. De polisdata wordt verrijkt met achtergrondvariabelen uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA), zoals leeftijd en geslacht. Daarnaast zijn gegevens over het hoogst behaalde opleidings­niveau uit het opleidingsniveaubestand toegevoegd, evenals informatie uit de eerste peiling van de Enquête Beroepsbevolking (EBB), waardoor de kenmerken van de beroepsbevolking uitgebreider in kaart kunnen worden gebracht.

Terwijl het Polisregister en het GBA de hele populatie van werknemers omvatten, zijn het opleidingsniveau en de informatie uit de EBB alleen voor een subpopulatie beschikbaar. Getoonde gegevens over opleidingsniveau of -richting zijn gemaakt op basis van alle personen in het opleidingsniveaubestand (ongeveer 12,8 miljoen ongewogen personen in 2023). Tabellen met informatie over beroepen kunnen alleen gemaakt worden op basis van personen die hebben gerespondeerd in de EBB en waarvoor geldige beroepsinformatie beschikbaar is. Dit betreft in 2023 ongeveer 63 duizend (ongewogen) personen. Het combi­neren van verschillende administratieve bronnen, het toepassen van wegingen en het hanteren van selectiecriteria kan leiden tot kleine verschillen ten opzichte van reeds gepubliceerde totalen op StatLine. Zo worden bijvoorbeeld werknemers zonder informatie over hun opleidingsniveau buiten de analyses gelaten.

Voor werknemers staat de opleiding als eerste kenmerk centraal. Het opleidings­niveau­bestand van het CBS bevat voor zoveel mogelijk inwoners van Nederland informatie over het hoogst behaalde en hoogst gevolgde opleidingsniveau. De basis wordt gevormd door registergegevens van het Ministerie van OCW, UWV en de Basisregistratie Personen, aangevuld met enquêtedata uit de EBB.

Omdat particuliere en buitenlandse opleidingen niet in registers zichtbaar zijn, wordt in circa 2,5 procent van de gevallen het opleidingsniveau onderschat. Hiervoor wordt gecorrigeerd door imputatie met behulp van een model dat gebruikmaakt van EBB-waarnemingen. Daarnaast wordt door middel van ophoging en weging gecorrigeerd voor selectiviteit naar leeftijd en achtergrondkenmerken. Registerwaarnemingen vertegenwoordigen uitsluitend zichzelf, terwijl de steekproef uit de restpopulatie via de EBB wordt opgehoogd naar representatieve totalen. Zo ontstaat een bestand dat een beeld geeft van het opleidings­niveau van de Nederlandse bevolking. In dit hoofdstuk hanteren we als operationele definitie van ‘opleiding’ het hoogst behaalde opleidingsniveau; deels gevolgde opleidingen blijven buiten beschouwing.

We onderscheiden twee opleidingsdimensies: opleidingsniveau en -richting. Opleidings­niveau verwijst naar het hoogste onderwijsniveau dat een persoon heeft behaald. Daarbij gaat het om de rangorde in het onderwijssysteem, variërend van basisonderwijs tot en met universitair onderwijs. Het opleidingsniveau kan worden uitgedrukt in een gedetailleerd opleidingsnummer. Voor statistische analyses wordt dit meestal samengevoegd tot bredere categorieën, bijvoorbeeld volgens de Standaard Onderwijs­indeling (SOI) of de internationale ISCED-indeling.

Naast het niveau wordt ook de opleidingsrichting onderscheiden. Dit is het vakgebied of domein waarin de opleiding gevolgd of afgerond is, zoals techniek, gezondheidszorg, economie of onderwijs. Waar het opleidingsniveau de hoogte van de opleiding aangeeft, zegt de opleidingsrichting dus iets over de inhoudelijke specialisatie. Deze verschillen kunnen inzicht geven in welk type vaardigheden zijn gevraagd door Nederlandse en buitenlandse bedrijven in de Nederlandse economie.

Het tweede centrale werknemerskenmerk is het beroep, dat wordt afgeleid uit het EBB. De EBB is het centrale steekproefonderzoek van het CBS naar de relatie tussen beroepsbevolking en de arbeidsmarkt. Het onderzoek richt zich op alle inwoners van Nederland van 15 tot 90 jaar, met uitzondering van de institutionele bevolking. De EBB levert kerncijfers over de werkzame, werkloze en niet-beroepsbevolking, uitgesplitst naar kenmerken als geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, arbeidsduur en contractvorm. De gegevens worden gewogen om onder- of oververtegenwoordiging van groepen te corrigeren en representatief te maken voor de totale bevolking. Resultaten worden maandelijks, per kwartaal en jaarlijks gepubliceerd; de jaarcijfers bevatten de meest uitgebreide set aan arbeidsmarktvariabelen.

Bronnen voor bedrijvendata

De basis voor de bedrijvenpopulatie die aan de werknemersgegevens gekoppeld wordt vormt het Bedrijfsdemografisch Kader (BDK). Omdat dit hoofdstuk focust op de marktgerichte delen van de economie, beperken we de analyses tot de business economy.noot1 In deze bedrijfstakken (SBI-secties B t/m N) vinden de meeste handels- en investeringsactiviteiten plaats en is de invloed van internationalisering op werkgelegenheid het grootst. Gegevens over de internationale handel in goederen (IHG) worden aan het BDK gekoppeld om vast te stellen welke bedrijven internationaal goederen exporteren. Daarnaast worden gegevens over de zeggenschapsstructuur aan het BDK gekoppeld om de multinationalstatus van bedrijven vast te stellen (CBS, 2018b). Op basis hiervan wordt onderscheid gemaakt tussen buitenlandse multinationals, Nederlandse multinationals en niet-multinationals.

Een multinational is een onderneming die de uiteindelijke zeggenschap heeft over bedrijven in twee of meer landen. Een Nederlandse multinational is een bedrijf onder (ultieme) Nederlandse zeggenschap met ten minste één dochter (meerderheidsdeelneming) in het buitenland. Een buitenlandse multinational is een in Nederland gevestigde dochter­onderneming, waarover de ultieme zeggenschap in het buitenland ligt. Bedrijven zonder een moeder- of dochterbedrijf in het buitenland zijn niet-multinationals.

In een eerder verschenen editie van de Internationaliserings­monitor hebben Boutorat et al. (2019) onderscheid gemaakt tussen verschillende patronen in handelsgedrag. Structurele handelaren zijn bedrijven die meerdere jaren achter elkaar actief zijn in de internationale handel en daarmee een stabiel handelspatroon laten zien. Zij kenmerken zich vaak door hogere productiviteit, grotere schaalgrootte en een groot netwerk van buitenlandse relaties. Incidentele handelaren daarentegen zijn ondernemingen die slechts in één of twee jaren binnen een bepaalde periode goederen en/of diensten verhandelen. Zij vormen daarmee een heterogene groep, die qua kenmerken tussen niet-handelaren en structurele handelaren in valt. Het onderscheid tussen structurele en incidentele handelaren helpt om beter inzicht te krijgen in de dynamiek van de internationale handel. Waar structurele handelaren verantwoordelijk zijn voor het grootste deel van de handelswaarde, bijvoorbeeld rond 97 procent van de goederenexportwaarde in 2023, leveren incidentele handelaren doorgaans slechts een kleine en onregelmatige bijdrage. Het aantal incidentele goederenexporteurs is echter groter dan het aantal structurele goederenexporteurs, met 108 tegenover 84 duizend in 2023. Andere internationaliseringskenmerken van bedrijven zijn de binnenlandse of buitenlandse zeggenschap en multinationalstatus. In 2023 waren er ongeveer 11 duizend Nederlandse multinationals en ongeveer 20 duizend buitenlandse multinationals.

8.3Werkgelegenheid in internationaal actieve bedrijven

Structurele goederenexporteurs dragen steeds meer bij aan de werkgelegenheid

Figuur 8.3.1 laat zien hoe het aandeel werknemers bij niet-exporterende, incidenteel exporterende en structureel exporterende bedrijven zich tussen 2019 en 2023 ontwikkelde, uitgesplitst naar geslacht. Relatief tot alle werknemers is het aandeel van mannen dat bij niet-exporterende bedrijven werkt licht gedaald van 26 procent in 2019 naar 24 procent in 2023. Tegelijkertijd bleef het aandeel bij structurele exporteurs nagenoeg stabiel tot 2022 en steeg het vervolgens naar 29 procent in 2023. De groep incidentele exporteurs vertoonde een lichte toename. In 2023 was rond 10 procent van de werknemers een man en actief bij een incidentele exporteur. Vijf jaar eerder was dat aandeel 0,5 procentpunt kleiner. Onder vrouwelijke werknemers is de structuur van de werkgelegenheid per goederen­export­patroon anders. Het aandeel van vrouwen dat in dienst is bij niet-exporteurs bleef hoog, maar daalde eveneens, van 20 procent in 2019 naar 17 procent in 2023. De aandelen bij incidentele en structurele exporteurs bleven relatief beperkt, met lichte schommelingen. Het aandeel van vrouwelijke werknemers bij incidentele goederen­exporteurs schommelde rond de 6 procent. Ook het aandeel van vrouwelijke werknemers bij structurele exporteurs veranderde nauwelijks tussen 2019 en 2023 en lag rond de 15 procent in 2023.

Mannen vaker werkzaam bij structurele goederenexporteurs

Figuur 8.3.1 laat zien dat structurele goederenexporteurs relatief meer mannelijke werknemers in dienst hebben, terwijl niet-exporterende bedrijven juist vaker vrouwen tewerkstellen. Bovendien is de verschuiving door de tijd richting structurele exporteurs onder mannen duidelijk sterker zichtbaar dan onder vrouwen.

8.3.1 Aandelen aan de werkgelegenheid, naar geslacht en goederenexport patroon, per jaar (%)
vrouw jaar Niet-exporteur Incidenteel Structureel
Mannelijke werknemers 2019, Mannelijke werknemers 25,8 9,1 25,5
Mannelijke werknemers 2020, Mannelijke werknemers 26 8,7 26,1
Mannelijke werknemers 2021, Mannelijke werknemers 25,3 8,9 26,6
Mannelijke werknemers 2022, Mannelijke werknemers 24,2 10 26,6
Mannelijke werknemers 2023, Mannelijke werknemers 23,7 9,6 29
Vrouwelijke werknemers 2019, Vrouwelijke werknemers 19,5 5,8 14,3
Vrouwelijke werknemers 2020, Vrouwelijke werknemers 19,5 5,3 14,4
Vrouwelijke werknemers 2021, Vrouwelijke werknemers 18,8 5,6 14,7
Vrouwelijke werknemers 2022, Vrouwelijke werknemers 18,3 6 14,9
Vrouwelijke werknemers 2023, Vrouwelijke werknemers 17,3 5,5 15

Toenemende werkgelegenheid bij buitenlandse multinationals

Figuur 8.3.2 brengt de verdeling van werknemers naar multinationalstatus in beeld voor de periode 2019–2023, wederom uitgesplitst naar geslacht. Het aandeel mannelijke werknemers werkzaam bij niet-multinationals bleef tussen 2019 en 2023 vrij stabiel, rond de 34 procent. Het aandeel mannelijke werknemers bij Nederlandse multinationals daalde licht van 15 procent in 2019 naar 14 procent in 2023, terwijl het aandeel bij buitenlandse multinationals geleidelijk toenam van 11 naar 15 procent. Daarmee verschuift de mannelijke werkgelegenheid in de richting van bedrijven onder buitenlandse zeggenschap. Vrouwelijke werknemers werkten relatief vaker bij niet-multinationals, 21 procent in 2023, en minder vaak bij multinationals. Het aandeel vrouwelijke werknemers bij Nederlandse multinationals nam licht af, van 9 naar 8 procent, terwijl het aandeel bij buitenlandse multinationals beperkt steeg met 0,8 procentpunt.

Mannelijke werknemers vaker werkzaam bij multinationals

Figuur 8.3.2 laat zien dat multinationals, en dan met name buitenlandse multinationals, een groter deel van de mannelijke dan van de vrouwelijke werkgelegenheid voor hun rekening nemen. De kloof tussen mannen en vrouwen blijft daarmee bestaan, al is bij beide groepen een lichte toename zichtbaar in het aandeel werkenden bij buitenlandse multinationals.

8.3.2 Aandelen aan de werkgelegenheid, naar geslacht en multinationalstatus, per jaar (%)
vrouw jaar Geen multinational NL multinational Niet-NL multinational
Mannelijke werknemers 2019, Mannelijke werknemers 34,4 14,8 11,2
Mannelijke werknemers 2020, Mannelijke werknemers 34,5 14,6 11,7
Mannelijke werknemers 2021, Mannelijke werknemers 34,1 14,7 12,1
Mannelijke werknemers 2022, Mannelijke werknemers 34 14,1 12,8
Mannelijke werknemers 2023, Mannelijke werknemers 33,8 14 14,5
Vrouwelijke werknemers 2019, Vrouwelijke werknemers 22,8 9,3 7,5
Vrouwelijke werknemers 2020, Vrouwelijke werknemers 22,5 9 7,6
Vrouwelijke werknemers 2021, Vrouwelijke werknemers 22,2 9,4 7,5
Vrouwelijke werknemers 2022, Vrouwelijke werknemers 22,4 8,8 7,9
Vrouwelijke werknemers 2023, Vrouwelijke werknemers 21,4 8,1 8,3

8.4Opleiding en internationalisering

Deze paragraaf verkent de samenhang tussen het opleidingsprofiel van werknemers en de mate waarin de bedrijven waar zij werken internationaal actief zijn. De analyses laten zien in hoeverre werknemers met verschillende opleidingsrichtingen en -niveaus verbonden zijn aan bedrijven die actief zijn op internationale markten. Daarbij worden twee invalshoeken onderscheiden: het exportpatroon in de goederenhandel en de multinationalstatus van bedrijven.noot2

Omdat de relatie tussen opleiding en internationalisering sterk kan verschillen tussen productiegerichte en dienstgerichte activiteiten, wordt in de analyses expliciet rekening gehouden met sectorale verschillen binnen de business economy. Sommige bedrijfstakken zijn van oudsher vooral gericht op productie, terwijl andere zich juist kenmerken door een nadruk op dienstverlening. Daarom maken we telkens een onderscheid tussen twee clusters van bedrijfstakken. De productiesector omvat bedrijven in de nijverheid en energie (SBI-codes B t/m F) die hoofdzakelijk goederen produceren, terwijl de dienstensector bestaat uit bedrijven in de commerciële dienstverlening en handel (SBI-codes G t/m N), waar de nadruk ligt op handel, vervoer en zakelijke dienstverlening. Dit onderscheid maakt het mogelijk om verschillen in opleidingsstructuur en internationaliseringsgraad beter te duiden.

Tabel 8.4.1 laat zien hoe de opleidingsrichting van werknemers varieert naar sector en goederenexportpatroon. Zo wordt zichtbaar welke kennisrichtingen domineren in productie- en dienstgerichte bedrijven en hoe deze samenhangen met de mate waarin bedrijven internationaal handelen in goederen.

8.4.1Werknemers naar opleidingsrichting, sector en exportpatroon
Productiesector Dienstensector
structurele exporteurs incidentele exporteurs niet-exporteurs structurele exporteurs incidentele exporteurs niet-exporteurs
Opleidingsrichting %
Algemeen 16 18 19 25 23 33
Onderwijs 1 1 1 1 2 2
Vormgeving, kunst, talen en geschiedenis 2 2 2 4 5 4
Journalistiek, gedrag en maatschappij 2 1 1 4 5 3
Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening 17 14 12 25 24 21
Wiskunde, natuur­wetenschappen 3 1 1 2 2 1
Informatica 2 2 1 4 5 3
Techniek, industrie en bouwkunde 40 44 44 14 13 10
Landbouw, diergenees­kunde en -‍verzorging 2 3 3 2 2 2
Gezondheids­zorg en welzijn 2 2 3 4 4 5
Dienstverlening 10 10 10 12 13 13
Onbekend of niet gespecifieerd 4 4 4 4 4 4
Totaal aantal werknemers (x 1 000) 794 131 315 1 786 750 2 090

In de productiesector overheersen technische opleidingen, vooral bij bedrijven die niet of slechts incidenteel exporteren

In de productiesector is het aandeel werknemers met een achtergrond in techniek, industrie en bouwkunde veruit het grootst, wat het technische karakter van dit type sector onderstreept. Bij structurele exporteurs ligt dit aandeel met 40 procent echter wel iets lager dan bij bedrijven die slechts incidenteel of helemaal niet exporteren (beide 44 procent). Dat verschil kan erop wijzen dat structurele exporteurs, naast productie, ook meer ondersteunende functies kennen. De aanwezigheid van meer werknemers met een achtergrond in recht, administratie en zakelijke dienstverlening sluit daarbij aan, aangezien deze kennisgebieden belangrijk zijn voor commerciële afstemming, internationale regelgeving en bedrijfsvoering over landsgrenzen heen.

Daarnaast hebben structurele exporteurs net iets vaker werknemers met een achtergrond in wiskunde en natuurwetenschappen (3 procent tegenover 1 procent bij andere bedrijven), wat kan wijzen op een grotere aanwezigheid van functies waarin analytisch en exact denken een rol speelt.

Deze combinatie van technische, administratieve en analytische profielen wijst erop dat structurele exporteurs binnen de productiesector een meer gedifferentieerde functiemix hebben, waarin productie wordt aangevuld met kennisintensieve en coördinerende activiteiten die nodig zijn om internationaal te opereren.

44% van de werknemers bij niet- of incidenteel exporterende productiebedrijven heeft een opleiding in techniek, industrie en bouwkunde; in de dienstensector is dat 10–13%

Dienstensector kent breder opleidingsprofiel; exporteurs vaker commercieel en technisch gericht, niet-exporteurs vaker algemeen opgeleid

In de dienstensector is het beeld meer verspreid: er is geen opleidingsrichting die domineert. De richtingen recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening en algemeen onderwijs zijn samen het belangrijkst en beslaan meer dan de helft van de werkgelegenheid. Daarnaast is er meer spreiding over andere opleidingsrichtingen dan in de productiesector, wat wijst op een bredere kennis- en functiemix binnen de dienstverlening. Incidentele en structurele exporteurs hebben hierbij iets vaker werknemers met een opleiding in wiskunde en natuurwetenschappen, informatica of techniek, industrie en bouwkunde dan niet-exporteurs. Niet-exporteurs tellen juist relatief meer werknemers met een algemene of verzorgend opleidingsprofiel, wat wijst op een sterkere oriëntatie op lokaal en uitvoerend werk.

Naast de opleidingsrichting speelt ook het opleidingsniveau een belangrijke rol bij het begrijpen van de samenhang tussen werkgelegenheid en internationalisering. Waar de opleidingsrichting iets zegt over het vakgebied waarin werknemers zijn opgeleid, geeft het opleidingsniveau aan welk formeel onderwijsniveau zij hebben behaald. Het vormt daarmee een maat voor de kwalificatiegraad van het personeelsbestand en biedt inzicht in de kennisintensiteit en de kwalificatie-eisen binnen bedrijven.

Om ook bij het opleidingsniveau rekening te houden met de verschillen tussen productie- en dienstgerichte bedrijfstakken, is in tabel 8.4.2 wederom onderscheid gemaakt tussen de productiesector en de dienstensector, en binnen beide sectoren naar exportpatroon.

8.4.2Werknemers naar opleidingsniveau, sector en exportpatroon
Productiesector Dienstensector
structurele exporteurs incidentele exporteurs niet-exporteurs structurele exporteurs incidentele exporteurs niet-exporteurs
Opleidingsniveau %
Basisonderwijs 6 7 8 6 5 9
Vmbo-b/k, mbo1 11 15 16 9 9 10
Vmbo-g/t, havo-, vwo-onderbouw 4 5 6 9 7 12
Mbo2 en mbo3 21 25 29 14 14 13
Mbo4 20 22 20 17 16 15
Havo, vwo 5 5 5 11 12 14
Hbo-, wo-bachelor 21 16 12 21 23 17
Hbo-, wo-master, doctor 12 6 4 14 14 10
Totaal aantal werknemers (x 1 000) 794 131 315 1 786 750 2 090

Middelbaar beroepsniveau dominant in de productiesector, vooral bij bedrijven die niet of slechts incidenteel exporteren

In de productiesector is het aandeel werknemers met een middelbaar beroepsniveau (mbo 2 t/m mbo 4) veruit het grootst. Deze groep omvat 41 procent van de werkgelegenheid bij structurele exporteurs en een nog groter aandeel bij incidentele (47 procent) en niet-exporterende bedrijven (49 procent). Dit onderstreept het vaktechnische karakter van de productiesector en de sterke rol van praktisch geschoolde arbeid, vooral bij bedrijven die niet of slechts beperkt internationaal actief zijn.

Tegelijkertijd beschikken structurele exporteurs over een aanzienlijk groter aandeel hogeropgeleiden (hbo/wo-bachelor of hoger): 33 procent tegenover 22 procent bij incidentele exporteurs en 16 procent bij niet-exporteurs. Dat verschil wijst op een grotere aanwezigheid van kennisintensieve functies binnen internationaal opererende productiebedrijven, bijvoorbeeld op het gebied van procesoptimalisatie, kwaliteitscontrole en bedrijfsvoering.

Aan de onderkant van het opleidingsspectrum ligt het aandeel werknemers zonder startkwalificatie (lager dan mbo 2) iets lager bij exporterende bedrijven dan bij niet-exporteurs. Dit kan samenhangen met de hogere eisen aan technische vaardigheden en proceskennis binnen bedrijven die actief zijn op buitenlandse markten.

Hoger gemiddeld opleidingsniveau in de dienstensector, vooral bij exporterende bedrijven

In de dienstensector ligt het gemiddelde opleidingsniveau duidelijk hoger dan in de productiesector, maar er zijn wel duidelijke verschillen naar exportstatus. Structurele en incidentele dienstverlenende exporteurs tellen respectievelijk 35 en 37 procent hogeropgeleiden (hbo/wo-bachelor of hoger), tegenover 27 procent bij niet-exporteurs. Opvallend is vooral dat het aandeel werkenden met een master- of doctoraatstitel bij exporteurs bijna anderhalf keer zo hoog is als bij niet-exporteurs (14 procent tegenover 10 procent).

Tegelijkertijd is het aandeel laagopgeleiden (lager dan mbo 2) bij niet-exporteurs met 31 procent duidelijk groter dan bij incidentele (21 procent) en structurele (24 procent) exporteurs. Dit suggereert dat internationaal actieve dienstverleners gemiddeld meer kennis- en vaardighedenintensieve werkzaamheden uitvoeren, terwijl lokaal opererende bedrijven vaker functies vervullen die minder formele scholing vereisen of gericht zijn op directe, persoonlijke dienstverlening.

Om de samenhang tussen opleiding en internationalisering verder te verdiepen, laat tabel 8.4.3 de verdeling van werknemers naar opleidingsrichting zien, uitgesplitst naar multinationalstatus en sector. Waar eerder de internationalisering van bedrijven werd benaderd via hun exportgedrag, richt deze analyse zich op de zeggenschapsstructuur: of bedrijven deel uitmaken van een internationale groep, en waar het beslissingscentrum daarvan ligt. Dit biedt een aanvullend perspectief op de samenhang tussen internationalisering en de opleidingsstructuur van het personeel.

8.4.3Werknemers naar opleidingsrichting, sector en multinationalstatus
Productiesector Dienstensector
Nederlandse multinational buitenlandse multinational niet-multinational Nederlandse multinational buitenlandse multinational niet-multinational
Opleidingsrichting %
Algemeen 13 13 20 27 22 32
Onderwijs 1 1 1 1 1 1
Vormgeving, kunst, talen en geschiedenis 2 2 2 4 4 4
Journalistiek, gedrag en maatschappij 2 2 1 4 4 3
Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening 17 18 13 25 25 21
Wiskunde, natuur­weten­schappen 3 4 1 2 2 1
Informatica 3 2 1 4 5 3
Techniek, industrie en bouwkunde 43 41 41 12 13 12
Landbouw, dier­geneeskunde en -‍verzorging 2 2 3 2 2 3
Gezondheids­zorg en welzijn 2 3 3 4 4 5
Dienstverlening 9 10 10 12 13 13
Onbekend of niet gespecifieerd 4 4 4 4 4 4
Totaal aantal werknemers (x 1 000) 287 330 623 1 009 1 005 2 611

Multinationals in de productiesector combineren technische met analytische en ondersteunende functies

Zoals eerder gezien vormt de opleidingsrichting techniek, industrie en bouwkunde de ruggengraat van de productiegerelateerde werkgelegenheid. Deze richting omvat bij alle typen bedrijven het grootste deel van de werknemers (ongeveer 41 tot 43 procent). Multinationals in de productiesector onderscheiden zich echter door een relatief groter aandeel werknemers met een achtergrond in wiskunde en natuurwetenschappen of informatica (samen circa 6 procent, tegenover 2 procent bij niet-multinationals). Dit kan wijzen op een sterkere inzet van analytische, data-gerichte en ICT-ondersteunende functies binnen internationaal opererende productiebedrijven.

Daarnaast ligt het aandeel werknemers met een opleiding in recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening bij multinationals hoger (17 à 18 procent) dan bij niet-multinationals (13 procent). Dit verschil past bij de grotere nadruk op coördinatie, regelgeving en commerciële activiteiten binnen internationaal opererende bedrijven. Niet-multinationals hebben daarentegen vaker werknemers met een algemene opleiding (20 procent tegenover 13 procent bij multinationals), wat aansluit bij hun doorgaans bredere en minder gespecialiseerde activiteiten voor de binnenlandse markt.

Multinationals in de dienstensector hebben vaker administratieve en ICT-achtergrond

In de dienstensector ligt de nadruk, zoals eerder gezien, op de richtingen recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening en algemeen onderwijs. Nederlandse en buitenlandse multinationals hebben relatief vaker werknemers met een opleiding in recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening (beide 25 procent) dan niet-multinationale bedrijven (21 procent), wat past bij hun internationale oriëntatie en de administratief-commerciële aard van veel dienstverlenende multinationals.

Daarnaast hebben multinationals iets vaker werknemers met een achtergrond in informatica (4 à 5 procent tegenover 3 procent bij niet-multinationals), wat kan samenhangen met de grotere mate van digitalisering en IT-intensiteit binnen internationaal opererende dienstverleners. Niet-multinationale dienstverleners onderscheiden zich daarentegen door een duidelijk groter aandeel werknemers met een algemene opleiding (32 procent tegenover 27 procent bij Nederlandse en 22 procent bij buitenlandse multinationals), wat erop wijst dat zij relatief vaker functies vervullen die minder specifieke beroepskwalificaties vereisen en sterker op de binnenlandse markt gericht zijn.

In aanvulling op de opleidingsrichting toont tabel 8.4.4 de verdeling van werknemers naar opleidingsniveau, wederom uitgesplitst naar multinationalstatus en sector.

8.4.4Werknemers naar opleidingsniveau, sector en multinationalstatus
Productiesector Dienstensector
Nederlandse multinational buitenlandse multinational niet-multinational Nederlandse multinational buitenlandse multinational niet-multinational
Opleidings­niveau %
Basis­onderwijs 5 4 9 6 5 8
Vmbo-b/k, mbo1 10 9 16 8 8 10
Vmbo-g/t, havo-, vwo-onderbouw 4 4 6 9 7 11
Mbo2 en mbo3 19 20 27 13 13 14
Mbo4 20 21 20 15 16 16
Havo, vwo 5 5 5 13 11 13
Hbo-, wo-bachelor 23 23 13 21 24 17
Hbo-, wo-master, doctor 16 14 4 15 17 10
Totaal aantal werk­nemers (x 1 000) 287 330 623 1 009 1 005 2 611

In de productiesector domineren middelbare beroepsniveaus, vooral bij niet-multinationals

Zoals eerder ook al besproken zijn in de productiesector de middelbare beroepsniveaus (mbo-2 t/m mbo-4) het sterkst vertegenwoordigd. Samen vormen zij 39 procent van de werkgelegenheid bij Nederlandse multinationals, 41 procent bij buitenlandse multinationals en 47 procent bij niet-multinationals. Dat bevestigt het vaktechnische karakter van deze sector, waar praktische kennis en beroepsvaardigheden essentieel zijn.

Tegelijkertijd is het aandeel hogeropgeleiden (hbo/wo-bachelor of hoger) binnen de productiesector aanzienlijk groter bij multinationals. Nederlandse en buitenlandse multinationals tellen respectievelijk 39 procent en 37 procent hoogopgeleiden, tegenover 17 procent bij niet-multinationals. Dat wijst erop dat internationaal opererende productie­bedrijven vaker functies kennen waarvoor hogere analytische, technologische of organisatorische expertise vereist is.

Aan de onderkant van het opleidingsspectrum hebben niet-multinationale productie­bedrijven een duidelijk groter aandeel werknemers zonder startkwalificatie (31 procent) dan Nederlandse (19 procent) en buitenlandse multinationals (17 procent). Dit verschil suggereert dat binnenlands opererende productiebedrijven mogelijk sterker leunen op uitvoerende functies, waar het werk vaker handmatig, routinematig of procesmatig van aard is en minder formele scholing vereist. Ook het relatief hoge aandeel werknemers met een middelbaar beroepsniveau wijst erop dat deze bedrijven in grotere mate steunen op vaktechnische en productiegerichte taken, terwijl bij multinationals vaker functies voorkomen die meer analytische of coördinerende vaardigheden vragen.

In de dienstensector ligt het opleidingsniveau hoger, vooral bij buitenlandse multinationals

Zoals eerder opgemerkt ligt in de dienstensector het gemiddelde opleidingsniveau over het geheel genomen hoger dan in de productiesector, maar ook hier zijn duidelijke verschillen zichtbaar naar multinationalstatus. Buitenlandse multinationals hebben het grootste aandeel hoogopgeleiden: 41 procent van hun werknemers beschikt over een hbo- of wo-diploma, waarvan 17 procent op master- of doctoraalniveau. Nederlandse multinationals volgen met 36 procent hoogopgeleiden, terwijl dit aandeel bij niet-multinationale dienstverleners met 27 procent beduidend lager ligt. Deze verschillen suggereren dat internationaal opererende dienstverleners relatief vaker functies omvatten die een hogere mate van analytische, communicatieve of technologische expertise vereisen.

41% van de werknemers in de dienstensector bij buitenlandse multinationals hoogopgeleid, tegen 27% bij niet-multinationals

Aan de onderkant van het opleidingsspectrum hebben niet-multinationale dienstverleners een duidelijk groter aandeel laagopgeleiden (lager dan mbo-2), met 29 procent, tegenover 23 procent bij Nederlandse en 20 procent bij buitenlandse multinationals. Dit verschil suggereert dat binnenlands georiënteerde dienstverleners relatief vaker werkzaamheden verrichten die praktisch of uitvoerend van aard zijn en daardoor minder formele scholing vereisen. Daarnaast is ook het aandeel werknemers met een middelbaar beroepsniveau bij deze bedrijven relatief hoog, wat kan wijzen op een functiemix waarin vaktechnische en operationele taken sterker vertegenwoordigd zijn dan analytische of coördinerende functies die bij internationaal opererende ondernemingen gebruikelijker zijn.

8.5Beroepen en internationalisering

Door de beroepenstructuur te koppelen aan variabelen over goederenexport en zeggenschapsstructuur wordt zichtbaar welke beroepsgroepen in sterkere mate verbonden zijn met internationaal actieve bedrijven. Zo kan in kaart worden gebracht welke typen beroepen relatief vaak voorkomen bij bedrijven die goederen exporteren of onderdeel uitmaken van een internationale groep, en welke beroepen juist sterker gebonden zijn aan bedrijven die zich voornamelijk op de binnenlandse markt richten.

Tabel 8.5.1 toont de verdeling van beroepsklassen naar sector en goederenexportpatroon, en sluit aan bij eerdere tabellen waarin de opleidingsrichting centraal stond. Waar de opleidingsrichting primair iets zegt over de kwalificatierichting van personen en daarmee dus vooral de aanbodzijde van de arbeidsmarkt beschrijft, weerspiegelt de beroepsstructuur – hier gerepresenteerd door dertien beroepsklassen – de functiemix binnen bedrijven en daarmee dus vooral de vraagzijde van arbeid.

8.5.1Werknemers naar beroepsklasse, sector en exportpatroon
Productiesector Dienstensector
structurele exporteurs incidentele exporteurs niet-exporteurs structurele exporteurs incidentele exporteurs niet-exporteurs
Beroepsklasse %
Pedagogische beroepen 0 0 1 0 0 2
Creatieve en taalkundige beroepen 1 0 0 2 2 4
Commerciële beroepen 9 5 8 20 14 17
Bedrijfs­economische en administra­tieve beroepen 21 25 15 24 21 13
Managers 7 7 5 7 8 6
Openbaar bestuur, veiligheid en juridische beroepen 1 2 0 1 1 2
Technische beroepen 46 45 56 16 15 14
ICT-beroepen 5 6 3 14 14 7
Agrarische beroepen 0 1 2 0 1 1
Zorg- en welzijns­beroepen 1 1 3 2 2 3
Dienst­verlenende beroepen 2 3 2 3 8 24
Transport en logistiek beroepen 5 4 5 11 12 6
Overig 1 1 1 0 0 0
Totaal aantal werknemers (x 1 000) 740 109 255 1 664 668 1 800

Technische functies vormen de ruggengraat van de productiesector, vooral bij niet-exporteurs

In de productiesector wordt de werkgelegenheid gedomineerd door technische beroepen, die bij alle typen bedrijven veruit de grootste beroepsklasse vormen. De mate waarin dit het geval is verschilt echter wel duidelijk naar exportstatus: het aandeel is met 56 procent bij niet-exporteurs beduidend hoger dan bij structurele (46 procent) en incidentele exporteurs (45 procent). Dit verschil wijst erop dat niet-exporterende productiebedrijven sterker gericht zijn op uitvoerende en productietechnische functies, terwijl exporterende bedrijven, naast techniek, relatief meer ruimte bieden aan ondersteunende functies op het gebied van organisatie, administratie en commerciële activiteiten. Structurele en incidentele exporteurs hebben bijvoorbeeld een groter aandeel bedrijfseconomische en administratieve beroepen en ICT-beroepen dan niet-exporteurs. Deze patronen duiden op een meer gedifferentieerde functiemix bij exporterende bedrijven, waar naast productie ook coördinatie en informatiebeheer een grotere rol spelen. Ook het aandeel managers ligt bij exporteurs iets hoger (7 procent) dan bij niet-exporteurs (5 procent), wat erop wijst dat internationaal actieve productiebedrijven in grotere mate functies omvatten die gericht zijn op leiding, coördinatie en strategische aansturing.

56% van de banen bij niet-exporterende productiebedrijven zijn technische beroepen; bij de niet-exporterende dienstensector is dit slechts 14%

Exporterende dienstverleners kennen meer bedrijfseconomische, administratieve en ICT-functies; niet-exporterende dienstverleners meer dienstverlenende beroepen

In de dienstensector is de beroepsstructuur breder gespreid en minder gericht op technische beroepen dan in de productiesector. De werkgelegenheid bij exporterende bedrijven in de dienstensector wordt in belangrijke mate gedreven door bedrijfseconomische en administratieve beroepen en commerciële beroepen, die bij structurele exporteurs respectievelijk 24 en 20 procent van de werknemers uitmaken. Deze functies zijn essentieel voor internationale dienstverlening, marktbewerking en klantrelaties. Daarnaast ligt het aandeel ICT-beroepen bij exporterende bedrijven met 14 procent tweemaal zo hoog als bij niet-exporteurs. Dat verschil kan erop wijzen dat internationaal opererende dienstverleners in sterkere mate leunen op digitale toepassingen en databeheer, maar ook op bredere ICT-expertise die nodig is om complexe bedrijfsprocessen, informatiesystemen en internationale dienstverlening te ondersteunen.

Ook transport- en logistieke beroepen komen bij exporterende dienstverleners vaker voor (11 à 12 procent) dan bij niet-exporteurs (6 procent). Dit hangt waarschijnlijk samen met het feit dat transport, opslag en logistieke dienstverlening in deze sector zelf een belangrijk exportproduct vormen. Daarnaast vervullen logistieke functies in internationale diensten­bedrijven een bredere rol, bijvoorbeeld bij de organisatie van grensoverschrijdende leveringen, klantenstromen en digitale distributiekanalen.

Niet-exporterende dienstverleners onderscheiden zich daarentegen door een veel groter aandeel dienstverlenende beroepen (24 procent tegenover 3 à 8 procent bij exporteurs) en iets hogere aandelen in zorg- en welzijnsfuncties. Deze beroepen zijn doorgaans sterker lokaal georiënteerd en weerspiegelen dat niet-exporterende bedrijven vooral actief zijn in meer lokaal georiënteerde dienstverlening.

Om de samenhang tussen beroepen en internationalisering verder te verdiepen, laat tabel 8.5.2 de verdeling van werknemers naar beroepsklasse zien, uitgesplitst naar multinationalstatus en sector.

8.5.2Werknemers naar beroepsklasse, sector en multinationalstatus
Productiesector Dienstensector
Nederlandse multinational buitenlandse multinational niet-multinational Nederlandse multinational buitenlandse multinational niet-multinational
Beroepsklasse %
Pedagogische beroepen 0 0 1 0 0 2
Creatieve en taalkundige beroepen 1 1 1 1 5 2
Commerciële beroepen 4 12 9 15 21 16
Bedrijfseconomische en administratieve beroepen 17 24 19 26 21 15
Managers 6 10 5 5 8 7
Openbaar bestuur, veiligheid en juridische beroepen 2 1 1 1 2 1
Technische beroepen 50 42 52 18 12 16
ICT-beroepen 13 3 1 15 16 7
Agrarische beroepen 0 0 1 0 1 1
Zorg- en welzijnsberoepen 1 1 2 1 2 3
Dienstverlenende beroepen 1 2 2 5 6 21
Transport en logistiek beroepen 3 4 6 11 8 9
Overig 1 1 2 0 0 0
Totaal aantal werknemers (x 1 000) 273 315 515 958 955 2 220

Buitenlandse multinationals in de productiesector hebben breder beroepsprofiel dan andere bedrijven in deze sector

Net als de vorige tabel laat tabel 8.5.2 zien dat in de productiesector de werkgelegenheid bij alle typen bedrijven in sterke mate wordt bepaald door technische beroepen, al verschilt de omvang hiervan duidelijk naar multinationalstatus. Bij Nederlandse multinationals gaat het om 50 procent van de werknemers, bij buitenlandse multinationals om 42 procent en bij niet-multinationals om 52 procent. Technische functies vormen daarmee de kern van de productiegerelateerde werkgelegenheid, maar buitenlandse multinationals bieden binnen hun personeelsstructuur relatief meer ruimte aan andere beroepsklassen.

Bij buitenlandse multinationals is het aandeel commerciële beroepen (12 procent) en bedrijfseconomische en administratieve beroepen (24 procent) groter dan bij Nederlandse multinationals en niet-multinationals. Ook managementfuncties komen er iets vaker voor. Dit verschil wijst erop dat buitenlandse multinationals binnen de productiesector een wat ander beroepsprofiel kennen, waarin naast technische ook meer ondersteunende en coördinerende functies aanwezig zijn. In hoeverre dit samenhangt met verschillen in bedrijfsomvang, specialisatie of de rol van buitenlandse vestigingen binnen internationale ketens, kan op basis van deze beschrijvende analyses niet worden vastgesteld.

Opvallend is verder dat ICT-beroepen vooral voorkomen bij Nederlandse multinationals (13 procent), tegenover 3 procent bij buitenlandse en slechts 1 procent bij niet-multinationals. Dit kan erop wijzen dat Nederlandse multinationals relatief meer IT-activiteiten, systeembeheer of procesautomatisering in eigen huis uitvoeren, terwijl buitenlandse concerns dergelijke functies mogelijk centraliseren buiten Nederland. Niet-multinationale productiebedrijven onderscheiden zich ten slotte door een iets uitgesprokener technisch en uitvoerend profiel, met iets hogere aandelen technische en logistieke beroepen en een beperkter aandeel ondersteunende functies.

Multinationals in de dienstensector kennen meer bedrijfseconomische, administratieve en ICT-functies, terwijl niet-multinationals vaker dienstverlenende beroepen hebben

In de dienstensector is de beroepsstructuur meer divers dan in de productiesector en verschilt deze duidelijk naar multinationalstatus. De werkgelegenheid bij zowel Nederlandse als buitenlandse multinationals wordt in belangrijke mate gedragen door bedrijfseconomische en administratieve beroepen en commerciële beroepen. Bij Nederlandse multinationals gaat het respectievelijk om 26 en 15 procent van de werknemers, terwijl deze aandelen bij buitenlandse multinationals in beide gevallen 21 procent bedragen. Deze beroepen zijn kenmerkend voor internationaal opererende dienstverleners, waar marktbewerking, klantbeheer en operationele coördinatie centraal staan.

Daarnaast is het aandeel ICT-beroepen bij multinationals aanzienlijk groter (15 à 16 procent) dan bij niet-multinationals (7 procent). Dit verschil suggereert dat digitale expertise en technologische ondersteuning binnen internationaal opererende dienstverleners een belangrijkere rol spelen, bijvoorbeeld bij het ontwikkelen en beheren van grens­overschrijdende digitale diensten, dataverwerking of IT-infrastructuur. Opvallend is bovendien dat dit patroon sterk afwijkt van de productiesector, waar zoals we hierboven zagen alleen Nederlandse multinationals een hoog aandeel ICT-functies kennen.

Bij niet-multinationale dienstverleners ligt het zwaartepunt elders. Zij hebben een duidelijk groter aandeel dienstverlenende beroepen en iets hogere aandelen in zorg- en welzijns­functies dan multinationals. Deze beroepen zijn doorgaans sterker lokaal georiënteerd en weerspiegelen dat niet-multinationals binnen de dienstensector vooral actief zijn in binnenlands gerichte, persoons- of klantgerichte dienstverlening.

8.6Samenvatting en conclusie

De Nederlandse werkgelegenheid is nauw verweven met de internationalisering van het bedrijfsleven. Export, import en buitenlandse investeringen beïnvloeden de vraag naar arbeid, terwijl kenmerken van werknemers, zoals opleiding en beroep, bepalen wie in deze bedrijven werkzaam is. Op basis van microdata brengt dit hoofdstuk de structuur van de werkgelegenheid in kaart waarbij we kijken naar exportgedrag en zeggenschapsstructuur van bedrijven.

De analyses laten zien dat internationaal actieve bedrijven over een andere personeels­structuur beschikken dan bedrijven die uitsluitend op de Nederlandse markt opereren. In de productiesector blijven opleidingen in techniek, industrie en bouwkunde dominant, maar exporteurs en multinationals combineren deze vaker met opleidingen in recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening, informatica, en wiskunde en natuurwetenschappen. Dat wijst op meer coördinerende en analytische functies naast productie. In de dienstensector hebben exporteurs en multinationals juist vaker werknemers met een achtergrond in recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening, informatica of wiskunde en natuurwetenschappen, terwijl niet-exporteurs vaker beschikken over werknemers met een algemene of dienstverlenende opleidingsrichting, passend bij de lokaal georiënteerde dienstverlening.

De verschillen in opleidingsrichting gaan gepaard met duidelijke verschillen in opleidings­niveau. Structurele exporteurs en multinationals tellen beduidend meer hoogopgeleiden. Dat geldt vooral in de dienstensector, waar buitenlandse multinationals het hoogste aandeel hoogopgeleiden hebben. Deze patronen wijzen erop dat internationalisering samenhangt met een kennisintensievere personeelsstructuur, terwijl met name bij niet-exporterende en niet-multinationals in de productiesector toegepaste technische expertise een belangrijke basis blijft vormen.

Ook in de beroepsstructuur komen duidelijke maar genuanceerde verschillen naar voren tussen internationaal en niet-internationaal actieve bedrijven. In de productiesector blijven technische beroepen met afstand de grootste beroepsgroep bij alle typen bedrijven, maar exporteurs en met name buitenlandse multinationals kennen daarnaast een groter aandeel administratieve en commerciële functies, wat past bij hun internationale oriëntatie. Nederlandse multinationals onderscheiden zich bovendien door een relatief hoog aandeel ICT-functies, wat kan duiden op een sterkere nadruk op procesautomatisering en systeembeheer binnen de eigen organisatie.

In de dienstensector is de functiemix breder en verschuift de nadruk bij exporteurs en multinationals naar administratieve, commerciële en ICT-beroepen. Exporteurs hebben daarnaast vaker logistieke functies, wat waarschijnlijk samenhangt met de rol van transport en opslag als exportactiviteiten. Niet-multinationale dienstverleners daarentegen hebben relatief meer dienstverlenende beroepen en in mindere mate zorg- en welzijnsfuncties, die doorgaans sterker lokaal verankerd zijn. Deze patronen laten zien dat internationalisering vooral gepaard gaat met een verschuiving van uitvoerende naar kennis- en coördinerende functies, maar dat de aard van deze verschuiving duidelijk verschilt tussen productie- en dienstgerichte sectoren.

Deze patronen laten zien dat internationalisering niet alleen invloed heeft op de omvang, maar ook de structuur van de werkgelegenheid. Internationaal actieve bedrijven hebben relatief vaker kennis- en coördinerende functies, terwijl nationaal georiënteerde bedrijven sterker leunen op uitvoerende functies. De aard van deze verschillen varieert echter tussen productie- en dienstgerichte sectoren. Export en buitenlandse zeggenschap gaan daarbij samen met hogere opleidingsniveaus en een ander beroepsprofiel, waarin analytische, technologische en organisatorische competenties een grotere rol spelen. De Nederlandse arbeidsmarkt vertoont daardoor een duidelijke tweedeling tussen internationaal en nationaal georiënteerde segmenten. Deze inzichten bieden een basis voor vervolgonderzoek naar hoe internationalisering, technologische ontwikkeling en arbeidsmobiliteit gezamenlijk de toekomstige vraag naar arbeid in Nederland vormgeven.

Toekomstig onderzoek kan zich richten op transities van werknemers en bedrijven: hoe werknemers zich tussen internationaal en niet-internationaal actieve bedrijven bewegen, hoe bedrijven op verschillende manieren internationaliseren, en in welke mate deze veranderingen samenhangen met het opleidingsniveau, de opleidingsrichting en het beroep van werknemers. Daarnaast is het waardevol om te onderzoeken hoe de arbeidsmarktuitkomsten verschillen tussen werknemers in internationaal en nationaal georiënteerde bedrijven, bijvoorbeeld in termen van lonen, contractvormen, arbeidsduur, baanzekerheid en loopbaanmobiliteit. De micro-economische benadering die in dit hoofdstuk is gehanteerd biedt hiervoor nieuwe mogelijkheden, omdat deze de onderliggende heterogeniteit van globaliseringseffecten op werknemers- en bedrijfsniveau zichtbaar maakt.

8.7Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Bohn, T., Notten, T., Prenen, L., & Wong, K. F. (2024). Wie werkt er voor de Nederlandse exporteconomie? De kloof tussen mannen en vrouwen in banen en lonen verbonden aan export. In M. Jaarsma & J. Rooyakkers (Reds.), Internationaliserings­monitor 2024, tweede editie: Inclusiviteit. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Boutorat, A., Franssen, L., Mounir, A., & van den Berg, M. (2019). Incidentele handelaren: wie zijn ze en wat onderscheidt ze? In M. Jaarsma (Red.), Internationaliserings­monitor 2019, tweede kwartaal: Patronen in handelsgedrag. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Caliendo, L., Dvorkin, M., & Parro, F. (2019). Trade and labor market dynamics: General equilibrium analysis of the China trade shock. Econometrica, 87(3), 741–835.

CBS (2018a). Internationaliserings­monitor 2018, tweede kwartaal: Werkgelegenheid. Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2018b). Multinationals en niet-multinationals in de Nederlandse economie. Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2024). Standaard Onderwijsindeling 2021: Editie 2023/’24. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Lee, E. (2020). Trade, inequality, and the endogenous sorting of heterogeneous workers. Journal of International Economics, 125, 103310.

Noten

De gekozen afbakening van de business economy (B t/m N) wijkt licht af van de afbakening in andere hoofdstukken van deze IM, waarin B t/m N exclusief K en inclusief S95 wordt toegepast.

De focus op goederenhandel kan gevolgen hebben voor de bevindingen over de werkgelegenheidsstructuur. Goederenhandel is een traditionelere vorm van internationalisering en sterk verweven met de industriële sector. Dienstenhandel daarentegen groeit snel in belang en is vooral verbonden met de tertiaire sector, die zich kenmerkt door een andere opleidings- en beroepenstructuur.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Timon Bohn

Sarah Creemers

Dennis Dahlmans

Loe Franssen

Robin Konietzny

Dio Limpens

Tom Notten

Shalane Pijnenburg

Michael Polder

Davey Poulissen

Leen Prenen

Janneke Rooyakkers

Marcel van den Berg

Manon Weusten

Khee Fung Wong

Redactie

Sarah Creemers

Janneke Rooyakkers

Roger Voncken

Eindredactie

Sarah Creemers

Roger Voncken

Dankwoord

We danken de volgende personen voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van de Internationaliserings­monitor:

Luuk Beele

Marjolijn Jaarsma

Bart Loog

Angie Mounir

Nienke Oude Steenhof

Rik Vaessen

CBS CCN Logistiek

CBS CCN Redactie en Visualisatie

CBS Vertaalbureau