Exportintensiteit van het Nederlandse bedrijfsleven
De Nederlandse economie drijft in belangrijke mate op internationale handel. In dit hoofdstuk staat de exportintensiteit van bedrijven centraal. We onderzoeken in welke mate ondernemingen voor hun omzet afhankelijk zijn van buitenlandse afzet, en hoe dat verschilt tussen groepen bedrijven. We kijken daarbij niet alleen naar de directe goederenuitvoer, maar ook naar de mate waarin die export afhankelijk is van ingevoerde inputs. Zo maken we zichtbaar hoe het verdienvermogen van het Nederlandse bedrijfsleven verweven is met grensoverschrijdende productieketens en welke factoren samenhangen met exportintensiteit.
6.1Inleiding
De Nederlandse economie is bij uitstek open en verweven met internationale markten. Voor een groot deel van het bedrijfsleven bepaalt buitenlandse afzet in belangrijke mate het verdienvermogen. In dit hoofdstuk staat de exportintensiteit centraal: het aandeel van de omzet dat ondernemingen realiseren door goederen aan het buitenland te verkopen. Deze indicator geeft een beeld van de mate waarin bedrijven leunen op de wereldmarkt. In samenhang met bijvoorbeeld de samenstelling van de handelsportefeuille kunnen patronen in de exportafhankelijkheid van bedrijven geïnterpreteerd worden in het licht van kansen – zoals toegang tot grotere afzetmarkten, schaalvoordelen, specialisatie – maar ook van kwetsbaarheden – zoals blootstelling aan wisselkoersen, geopolitieke spanningen of verstoringen in mondiale waardeketens.
Exportintensiteit is geen uniform gegeven; slechts een klein deel van de bedrijven exporteert, en binnen de groep exporteurs is de spreiding tussen bedrijven in exportintensiteit groot. De drempel om te gaan exporteren is hoog vanwege hoge startinvesteringen; en eenmaal exporteur, is het ook geen uitgemaakte zaak dat bedrijven dat blijven (CBS, 2019). Hierdoor exporteert een aanzienlijk deel van de bedrijven niet, en exporteert een deel weinig. Slechts een relatief kleine groep verkoopt een substantieel deel van de omzet over de grens. Dit patroon hangt samen met bedrijfskenmerken zoals bedrijfsgrootte, productiviteitsniveau, innovatiekracht, sterkte van het internationale netwerk en de aard van het productaanbod.
Tegelijk is export geen puur ‘binnenlands’ product. In elke exporteur schuilt direct of indirect ook een importeur: buitenlandse onderdelen, grondstoffen, halffabricaten of diensten zijn nodig om export te produceren. Die importafhankelijkheid kan direct zijn (invoer van inputs voor verwerking door de exporteur zelf) of indirect (via binnenlandse toeleveranciers die op hun beurt importen verwerken). Het resultaat is dat de export van een bedrijf niet alleen waarde creëert in Nederland, maar deels neerslaat in het buitenland via geïmporteerde content. Het in kaart brengen van die geïmporteerde content geeft dus inzicht in welke mate de geëxporteerde omzet afhankelijk is van buitenlandse aanvoerketens.
De Nederlandse sectorstructuur is daarnaast sterk gedifferentieerd. In de industrie bepalen zaken als productiviteit, kapitaalintensiteit, innovatiekracht, technologische complexiteit en integratie in productieketens mede hoe afhankelijk een bedrijf is van het buitenland in termen van zowel export als import. In de handel en logistiek speelt ook wederuitvoer een grote rol, wat de relatie tussen exportomzet en binnenlandse waardecreatie dempt. Waar de ene sector sterke exportoriëntatie met gevoeligheid voor inputprijzen combineert, kunnen andere sectoren veel minder afhankelijk zijn van internationale inputs. Deze verschillen maken duidelijk dat één gemiddelde weinig zegt; inzicht ontstaat pas door uitsplitsing naar bedrijfstak en andere bedrijfskenmerken zoals bedrijfsgrootte en multinationalstatus.
De beleidsrelevantie is helder. Voor het verdienvermogen van Nederland is niet alleen de omvang van de export van belang, maar ook om scherp in beeld te hebben welke bedrijven exporteren, hoe intensief zij dat doen en welke importstromen daarvoor nodig zijn. Methodologisch leunt dit hoofdstuk op micro-koppelingen tussen bedrijfsomzet en internationale handel, aangevuld met indicatoren voor importinhoud van de export. Hiermee kunnen we verdelingsvragen beantwoorden en verbanden leggen tussen exportintensiteit, importafhankelijkheid en bedrijfskenmerken zoals omvang en arbeidsproductiviteit. Van belang is daarbij op te merken dat het in dit hoofdstuk uitsluitend gaat om cijfers aangaande goederenhandel.
Leeswijzer
Tegen deze achtergrond levert dit hoofdstuk drie bouwstenen. Paragraaf 6.2 schetst de ontwikkeling van exportintensiteit in Nederland in 2018–2022, voor het totale Nederlandse bedrijfsleven en uitgesplitst op bedrijfstakniveau. Paragraaf 6.3 verdiept verder binnen de industriesector en brengt de verschillende branches binnen de industrie in kaart. Paragraaf 6.4 gebruikt econometrische modellen om de samenhang tussen exportstatus, exportintensiteit, bedrijfskenmerken en bedrijfseconomische factoren te kwantificeren, met aandacht voor robuustheid en verschillen tussen bedrijfstakken. Tot slot, vat paragraaf 6.5 de resultaten van dit onderzoek samen. Zo ontstaat een beeld van de rol die export speelt in het verdienvermogen van bedrijven in Nederland en van de randvoorwaarden om dat duurzaam te borgen. De resultaten van de regressieanalyses zijn opgenomen in de bijlage, zie paragraaf 6.6.
6.2Exportintensiteit van de Nederlandse bedrijvenpopulatie
In deze paragraaf brengen we eerst de ontwikkeling van exportintensiteit in kaart voor exporteurs binnen het Nederlandse bedrijfsleven, oftewel de Nederlandse business economy.noot1 Vervolgens differentiëren we naar bedrijfstakken en verkennen we hoe exportintensiteit samenhangt met de gerealiseerde export en het aandeel exporterende bedrijven in de populatie.
Het aandeel van de omzet dat exporteurs realiseren door goederenexport is stabiel door de tijd
Om een beeld te krijgen van de exportintensiteit in Nederland kijken we eerst naar de exportintensiteit van alle exporterende bedrijven binnen het Nederlandse bedrijfsleven, zie figuur 6.2.1.noot2 De ontwikkeling laat een stabiel verloop zien; het is met een gemiddeld aandeel van 18,6 procent in 2018, en 18,0 procent in 2022 nagenoeg niet veranderd. Met andere woorden: bedrijven die exporteren, doen dat gemiddeld in vergelijkbare mate door de tijd heen; dynamiek op markten en in prijzen hebben deze verhouding niet wezenlijk veranderd. Van belang is om op te merken dat de onderliggende exporterende populatie bedrijven jaar op jaar wel van samenstelling verandert, waar het ene bedrijf stopt met exporteren, start het andere bedrijf juist. Met andere woorden, ook al is de gemiddelde exportintensiteit stabiel in de tijd, het zijn wel voortdurende andere bedrijven die dit cijfer tot stand brengen. Daarnaast, en niet onbelangrijk, wijst de figuur uit dat voor de gemiddelde exporteur het gros van de omzet nog steeds op de binnenlandse markt wordt gerealiseerd.
| jaar | Alleen exporteurs |
|---|---|
| 2018 | 18,63 |
| 2019 | 18,29 |
| 2020 | 18,35 |
| 2021 | 17,83 |
| 2022 | 18,01 |
Figuur 6.2.2 volgt drie indicatoren voor de Nederlandse exporterende bedrijvenpopulatie in één oogopslag door de tijd: het aantal exporteurs, de gemiddelde exportwaarde per exporteur en de gemiddelde exportintensiteit. Om de dynamiek goed te kunnen vergelijken zijn alle reeksen geïndexeerd ten opzichte van 2018 (=100). Het verloop bevestigt en nuanceert het beeld uit figuur 6.2.1.
Het aantal exporteurs neemt over de gehele periode licht toe, met een tijdelijke dip in 2020 ten tijde van de coronapandemie. Deze inzinking past bij de verstoringen in vraag, logistiek en internationale mobiliteit in dat jaar. Vanaf 2021 zien we een herstel, waarna in 2022 het aantal exporteurs boven de pre-corona piek ligt: meer bedrijven vinden opnieuw, of voor het eerst, de weg naar buitenlandse afzet.
De gemiddelde exportwaarde per exporteur laat een duidelijk stijgend patroon zien. Ook hier tekent 2020 een inzakkende knik, maar de daaropvolgende sprong in 2021 en 2022 is uitgesproken. Dit duidt op een combinatie van volumeherstel – de handel herpakt zich na de pandemie – en prijsstijgingen: hogere wereldmarktprijzen en algemene inflatie tillen de nominale exportwaarden op, zie ook hoofdstuk 5 van deze Internationaliseringsmonitor. Daarmee groeit niet alleen het aantal exporteurs, maar stijgt ook de gemiddelde exportomzet van de bedrijven die exporteren.
Tegenover deze twee stijgende reeksen staat de ontwikkeling van de gemiddelde exportintensiteit, die, zoals in figuur 6.2.1 al getoond, overwegend stabiel is en licht daalt van een index van 100 in 2018 naar net onder de 97 in 2022. Met andere woorden: exporterende bedrijven halen in 2022 gemiddeld een licht kleiner aandeel van hun omzet uit export dan in 2018. Het samenspel van een toenemend aantal exporteurs, hogere (nominale) exportwaarden en een nagenoeg vlakke exportintensiteit suggereert dat de binnenlandse omzet bij exporteurs mee is gegroeid, waardoor de verhouding tussen binnenlandse en buitenlandse afzet grosso modo intact bleef.
| jaar | Gemiddelde exportintensiteit | Gemiddelde waarde | Aantal exporteurs |
|---|---|---|---|
| 2018 | 100,00 | 100,00 | 100,00 |
| 2019 | 98,14 | 96,23 | 107,50 |
| 2020 | 98,46 | 95,90 | 101,50 |
| 2021 | 95,69 | 113,75 | 106,09 |
| 2022 | 96,63 | 136,60 | 109,19 |
De industrie en de handelsbedrijfstak worden gekenmerkt door veel exporteurs met een hoge exportintensiteit
Om verschillen tussen bedrijfstakken zichtbaar te maken plaatsen we per bedrijfstak in het Nederlandse bedrijfsleven twee indicatoren naast elkaar: de fractie bedrijven die exporteert en de gemiddelde exportintensiteit van exporterende bedrijven in die bedrijfstak. Figuur 6.2.3 laat zien dat het beeld duidelijk gelaagd is. In de industrie is export het meest gemeengoed: 19 procent van de bedrijven verkoopt goederen over de grens. De handel volgt met ruim 16 procent exporterende bedrijven. Dat relatief hoge aandeel exporteurs in de handel is niet verwonderlijk gezien hun rol als schakelpunt in internationale ketens. Verder zien we ook relatief hoge aandelen exporteurs in de bedrijfstak waterbedrijven en afvalbeheer – denk aan de export van afval en watergerelateerd materiaal – en in de delfstoffenwinning. Het is van belang daarbij op te merken dat deze bedrijfstakken relatief klein zijn in zowel het aantal bedrijven als exportwaarde ten opzichte van de handel en de industrie. Aan de andere kant van het spectrum staan bedrijfstakken die vooral binnenlands georiënteerd zijn. In de horeca exporteert slechts 1,1 procent van de bedrijven; in verhuur en handel van onroerend goed is dat 1,4 procent en in de bouwnijverheid 1,8 procent. Deze verschillen weerspiegelen het verdienmodel van de bedrijfstakken: waar productie of handel centraal staan, is grensoverschrijdende afzet gemeengoed; waar afzet plaatsgebonden is, blijft goederenexport logischerwijs de uitzondering.
De intensiteit waarmee exporterende bedrijven op de buitenlandse markt leunen, heeft een eigen rangorde. In de delfstoffenwinning komt gemiddeld een kwart van de omzet uit export, gevolgd door waterbedrijven en afvalbeheer met bijna 24 procent. Ook in de industrie is de exportintensiteit hoog, met bijna 23 procent, terwijl de handelsbedrijfstak gemiddeld net onder de 20 procent blijft. Onderaan vinden we opnieuw de horeca en de energievoorziening, waar export slechts een klein deel van de omzet vertegenwoordigt, respectievelijk 7 en 6 procent. De figuur laat ook zien dat een hogere intensiteit niet automatisch samenvalt met een groter aandeel exporteurs. Dat maakt de intensiteitscijfers in zulke bedrijfstakken bovendien gevoelig voor de samenstelling van een beperkte groep bedrijven met een hoge exportintensiteit. Met andere woorden, als een sector een relatief hoge gemiddelde exportintensiteit kent, maar een relatief klein aandeel exporterende bedrijven, betekent dit dat er een groep bedrijven in de bedrijfstak actief is met zeer hoge exportintensiteiten. Interessant is daarom om de kenmerken van bedrijven te bekijken in relatie met de mate van de exportintensiteit.
| sectienaam | Exporteurs | Exportintensiteit |
|---|---|---|
| Delfstoffenwinning | 17,24 | 25,02 |
| Industrie | 19,15 | 22,85 |
| Energievoorziening | 4,15 | 6,04 |
| Waterbedrijven en afvalbeheer |
16,86 | 23,8 |
| Bouwnijverheid | 1,84 | 11,34 |
| Handel | 16,66 | 19,76 |
| Vervoer en opslag | 5,94 | 14,41 |
| Horeca | 1,09 | 6,95 |
| Informatie en communicatie |
5,8 | 11,2 |
| Verhuur en handel van onroerend goed |
1,36 | 14,27 |
| Specialistische zakelijke diensten |
3,55 | 15,28 |
| Verhuur en overige zakelijke diensten |
3,11 | 10,49 |
| Overige dienstverlening |
4,98 | 11,39 |
Nederlandse industrie het meest dominant in de goederenexport
Figuur 6.2.4 zet per bedrijfstak twee perspectieven naast elkaar: wederom, de gemiddelde exportintensiteit onder exporterende bedrijven én het aandeel van die bedrijfstak in de totale exportwaarde van het Nederlandse bedrijfsleven, ofwel het belang van die bedrijfstak voor de totale export. Het compositiebeeld is uitgesproken: de industrie draagt bijna 38 procent bij aan de totale goederenexport van het bedrijfsleven en de handel bijna 36 procent. Dat deze bedrijfstakken het grootste deel van de export voor hun rekening nemen, sluit aan bij hun omvang en ketenpositie: de industrie als producent en de handel als schakel met de internationale markten.
De intensiteiten vertellen een aanvullend verhaal. In de industrie ligt de gemiddelde exportintensiteit op bijna 23 procent en in de handel op bijna 20 procent. Dat zijn substantiële waarden, die samen met de grote bedrijfstakomvang verklaren waarom juist deze bedrijfstakken het exportbeeld domineren. Tegelijkertijd nuanceert de figuur de indruk uit figuur 6.2.3 dat bedrijfstakken met hoge intensiteiten per definitie zwaar wegen in de totale export. Delfstoffenwinning en waterbedrijven en afvalbeheer vallen hier op: ze laten hoge gemiddelde exportintensiteiten zien, maar dragen, getuige het beeld in figuur 6.2.4, slechts een klein deel bij aan de totale export. De verklaring is simpel: het gaat om relatief kleine bedrijfstakken met beperkte aantallen bedrijven, waardoor een hoge intensiteit zich niet automatisch vertaalt naar een groot totaalvolume.
Een ander patroon zien we bij bedrijfstakken die in figuur 6.2.3 een laag aandeel exporteurs lieten zien, zoals horeca en bouwnijverheid. Daar is het sectorale aandeel in de totale exportwaarde eveneens laag. Met andere woorden, de combinatie van bedrijfstakomvang, aandeel van exporteurs en gemiddelde intensiteit bepaalt uiteindelijk de bijdrage aan de totale export: grote bedrijfstakken met veel exporteurs én een substantiële exportintensiteit, met name industrie en handel, drukken de belangrijkste stempel op de Nederlandse goederenuitvoer.
| sectienaam | Aandeel in totale export | Gemiddelde exportintensiteit |
|---|---|---|
| Delfstoffenwinning | 0,24 | 25,02 |
| Industrie | 37,80 | 22,85 |
| Energievoorziening | 7,71 | 6,04 |
| Waterbedrijven en afvalbeheer |
0,41 | 23,80 |
| Bouwnijverheid | 0,40 | 11,34 |
| Handel | 35,68 | 19,76 |
| Vervoer en opslag | 7,38 | 14,41 |
| Horeca | 0,06 | 6,95 |
| Informatie en communicatie |
1,04 | 11,20 |
| Verhuur en handel van onroerend goed |
0,04 | 14,27 |
| Specialistische zakelijke diensten |
8,24 | 15,28 |
| Verhuur en overige zakelijke diensten |
0,97 | 10,49 |
| Overige dienstverlening |
0,03 | 11,39 |
6.3De relatie tussen bedrijfskenmerken en exportintensiteit in de industrie
In deze paragraaf zoomen we in op de industrie en haar branches, met aandacht voor de samenhang tussen bedrijfskenmerken en exportintensiteit. De industrie speelt immers een belangrijke rol in de Nederlandse goederenexport, zoals we in de vorige paragraaf hebben gezien. Deze paragraaf start met een algemene beschouwing van de branches van de industrie in relatie tot exportintensiteit. Vervolgens wordt ingegaan op de verbanden tussen exportintensiteit en een aantal bedrijfskenmerken. Tot slot wordt gekeken naar de samenhang tussen exportintensiteit en de handelsportefeuille. Deze beschrijvende analyse vormt daarmee de opmaat naar de econometrische analyses in paragraaf 6.4.
Hoogste exportintensiteit bij farmaceutische industrie
De farmaceutische industrie kende in 2022 met 44 procent gemiddeld het hoogste exportaandeel binnen de industrie, zie figuur 6.3.1.noot3 Dit betekent dat 44 procent van de omzet in deze branche over de grens verdiend wordt. Als er gekeken wordt naar de exportwaarde of het aantal exporteurs, blijkt de farmaceutische industrie juist een relatief kleine speler binnen de industrie. Ook in de raffinage, chemie en kunststof (35 procent) en de elektrotechnische en machine-industrie (33 procent) is de gemiddelde exportintensiteit van exporteurs substantieel. De transportmiddelenindustrie (27 procent) en de voedingsmiddelen- en tabaksindustrie (26 procent) completeren de top 5. Met 40 procent komt veruit de hoogste totale exportwaarde voor rekening van bedrijven actief in de raffinage, chemie en kunststofindustrie (90,2 miljard euro). Ook de voedingsmiddelen- en tabaksindustrie en de elektrotechnische en machine-industrie zijn qua totale exportwaarde belangrijke branches in de Nederlandse industrie. Het grootste aantal exporterende bedrijven bevindt zich in de metaalindustrie, de elektrotechnische en machine-industrie en de overige industrie en reparatie (denk hierbij aan de vervaardiging van meubelen en overige goederen en aan de reparatie, installatie en het onderhoud van machines en apparaten). De raffinage, chemie en kunststof industrie heeft met 50 procent gemiddeld het hoogste aandeel exporteurs, gevolgd door de farmaceutische industrie (49 procent) en de elektrotechnische en machine-industrie.
| Gemiddelde exportintensiteit | Aandeel in totale exportwaarde industrie | Exportwaarde | Aandeel exporterende bedrijven in de branche | Aantal exporteurs | |
|---|---|---|---|---|---|
| Branche | % | mld euro | % | aantal | |
| Farmaceutische industrie | 44 | 3 | 6,95 | 49 | 128 |
| Raffinaderijen, chemie en kunststof | 35 | 40 | 90,21 | 50 | 1 376 |
| Elektrotechnische en machine-industrie | 33 | 20 | 44,83 | 43 | 2 805 |
| Transportmiddelenindustrie | 27 | 6 | 13,67 | 29 | 683 |
| Voedingsmiddelen-, en tabakindustrie | 26 | 17 | 39,21 | 16 | 1 459 |
| Textiel-, kleding-, en lederindustrie | 22 | 1 | 2,43 | 13 | 886 |
| Metaalindustrie | 17 | 8 | 17,09 | 18 | 2 867 |
| Overige industrie en reparatie | 17 | 3 | 6,24 | 12 | 3 795 |
| Hout- en bouwmaterialenindustrie | 15 | 1 | 2,44 | 14 | 837 |
| Papier en grafische industrie | 14 | 2 | 4,46 | 27 | 1 022 |
Van wereldmarkt tot thuisbasis: exportoriëntatie van multinationals, zelfstandig mkb en grootbedrijf
Multinationals binnen de industrie hebben, niet geheel onverwachts, het hoogste aandeel exportintensiteit, figuur 6.3.2. Een buitenlandse multinational haalt gemiddeld 47 procent van zijn omzet uit export, voor een Nederlandse multinational betreft dat 36 procent. Het zelfstandig mkb volgt (18 procent) en het niet-multinationale grootbedrijf heeft relatief gezien het laagste aandeel export (13 procent).
Dat multinationals een relatief hoog exportaandeel hebben is niet zo vreemd. De naam van deze groep bedrijven geeft immers al aan dat ze grensoverschrijdend opereren en sterk verweven zijn met het buitenland. Multinationals zijn dan ook in algemene zin relatief vaak exporteur. Ongeveer 80 procent van de buitenlandse multinationals en 90 procent van de Nederlandse multinationals exporteren goederen.
| Multinationalstatus | Exportintensiteit | Exporteurs |
|---|---|---|
| Nederlandse multinationals | 36 | 90 |
| Buitenlandse multinationals | 47 | 80 |
| Niet multinationals - zelfstandig mkb | 18 | 16 |
| Niet multinationals - grootbedrijf | 13 | 52 |
Het zelfstandig mkb exporteert relatief het minst vaak: slechts 16 procent van het zelfstandig mkb exporteerde in 2022. Ook dat is niet zo vreemd, aangezien de stap over de grens ingewikkeld en kostbaar is en daarom vooral is weggelegd voor grotere, productievere bedrijven die de kosten en het risico gepaard met internationalisering kunnen dragen (Creusen et al., 2011; Melitz, 2003). Exporterende bedrijven behorend tot het zelfstandig mkb halen bijna een vijfde van hun omzet uit het buitenland, meer dan het Nederlands grootbedrijf. Dat is mogelijk een schaaleffect: door hun beperktere schaal hebben zelfstandig mkb-bedrijven al relatief snel een hoger aandeel export in de omzet. Daarnaast maken ook digitale technologieën het voor kleinere bedrijven steeds makkelijker om deel te nemen aan de internationale handel (Añón Higón & Bonvin, 2024).
Hoewel 52 procent van het niet-multinationale grootbedrijf exporteert, aanzienlijk meer dan het zelfstandig mkb, richt het binnenlands grootbedrijf zich wat betreft de omzet meer op de binnenlandse markt. Deze groep bedrijven ontbeert per definitie inbedding in grensoverschrijdende eigendomsstructuren, wat zich kennelijk ook vertaalt naar een minder diepe integratie in grensoverschrijdende handelsketens. Het niet-multinationale grootbedrijf lijkt zich daarom met name op schaalvoordelen op de binnenlandse markt te richten. Om hier meer over te kunnen zeggen is verdiepend econometrisch onderzoek nodig.
Samenhang tussen grootteklasse en exportintensiteit
Grotere bedrijven hebben over het algemeen een groter exportaandeel in de omzet, zoals te zien is in figuur 6.3.3. Zo heeft een bedrijf met 250 of meer werkzame personen een gemiddelde exportintensiteit van 42 procent, terwijl dit voor een bedrijf van 2 tot 10 werkzame personen gemiddeld 16 procent bedraagt. Voor grotere bedrijven is het relatief eenvoudiger om de noodzakelijke investering in een exportstart te dragen (de extensieve marge van de export), maar hier zien we dat het grotere bedrijven ook relatief beter lukt om die exportactiviteiten uit te bouwen (de intensieve marge van de export) en export een substantieel deel van de omzet uit te laten maken. Daarnaast zijn de grotere bedrijven uiteraard relatief vaker multinationals die sterk geïntegreerd verweven zijn met het buitenland. Dit is ook terug te zien in het aantal exporteurs: naarmate de grootteklasse toeneemt, neemt ook het aantal exporteurs toe.
Opvallend is dat microbedrijven zonder personeel of met slechts één werknemer gemiddeld een hogere exportintensiteit laten zien dan het klein- en middenbedrijf met 2 tot 50 medewerkers. Zoals reeds besproken, kan beperkte en bijvoorbeeld incidentele exportactiviteit voor deze bedrijven gezien hun geringe omvang en bijbehorende omzet al snel zorgen voor een relatief hoog exportaandeel. Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn dat zich onder de exporterende microbedrijven een groep bedrijven bevindt die zich specifiek richt op een nicheproduct of -markt en op die manier sterk toegewijd is aan de buitenlandse markt.
| Grootteklasse | Exportintensiteit | Exporteurs |
|---|---|---|
| 250 of meer werkzame personen | 42 | 96 |
| 50 tot 250 werkzame personen | 38 | 89 |
| 10 tot 50 werkzame personen | 21 | 66 |
| 2 tot 10 werkzame personen | 16 | 33 |
| 0 of 1 werkzame persoon | 23 | 7 |
Productiviteit neemt toe met exportintensiteit
Eerder is besproken dat productievere bedrijven vaker exporteren dan minder productieve bedrijven (extensieve marge), vanwege de verzonken kosten die gepaard gaan met een exportstart (Melitz, 2003). Figuur 6.3.4 toont dat deze correlatie ook binnen de groep exporteurs, dus langs de intensieve marge, lijkt op te gaan. Hoe productiever het bedrijf, hoe hoger de exportintensiteit. Dit geldt zowel voor de arbeidsproductiviteit (gemeten als de toegevoegde waarde per medewerker) als voor de multifactorproductiviteit (mfp).noot4 Bedrijven zijn voor deze analyse verdeeld in twee groepen, laag- en hoogproductief, met de mediane productiviteit binnen de bedrijfstak als scheidslijn.
Dat er ook binnen de groep exporteurs een productiviteitspremie van exporteren lijkt te bestaan is op zich niet verrassend. Exporteren brengt kosten met zich mee, ook voor bedrijven die al actief zijn op buitenlandse markten. Zo moet een exporteur die een nieuwe markt betreedt bijvoorbeeld weer kosten maken om zijn product aan te passen om aan de ter plekke geldende regelgeving te voldoen, gebruiksaanwijzingen laten vertalen, afnemers zoeken, etc. Efficiëntere bedrijven zijn beter geëquipeerd deze kosten te dragen. Ook kunnen bedrijven juist productiever worden doordat ze exporteren – een effect dat bekendstaat als learning by exporting (bijvoorbeeld Franssen et al., 2022; Tse et al., 2017). Hoofdstuk 7 van deze Internationaliseringsmonitor gaat dieper in op de leereffecten van exporteren.
| Productiviteitsmaat | Laag | Hoog |
|---|---|---|
| ln(arbeidsproductiviteit) | 18 | 25 |
| ln(mfp) | 25 | 26 |
Innovatie in actie: R&D en exportintensiteit
Figuur 6.3.5 toont de relatie tussen het doen van investeringen in R&D en exportintensiteit. We kijken daartoe of bedrijven R&D-activiteiten opvoeren in het kader van de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO), een fiscale stimulans voor het doen van investeringen in R&D.noot5 Bedrijven die R&D-investeringen rapporteren in het kader van de WBSO hebben gemiddeld een exportintensiteit van 38 procent. Dit is dubbel zo veel als bedrijven die geen R&D-investeringen opvoeren op basis van de WBSO (19 procent). De correlatie tussen R&D-investeringen en exportintensiteit is in lijn met bestaande literatuur zoals bijvoorbeeld Lefebvre et al., (1998).
| WBSO dummy | Exportintensiteit |
|---|---|
| Bedrijven met R&D i.h.k.v. WBSO | 38 |
| Bedrijven zonder R&D i.h.k.v. WBSO | 19 |
Positieve samenhang tussen hightechhandel en exportintensiteit
Bestaand onderzoek laat zien dat er een positieve correlatie bestaat tussen R&D-uitgaven en export van hightech producten (Sandu & Ciocanel, 2014). Voortbordurend op het patroon dat we zien in figuur 6.3.5 ligt het voor de hand dat we ook een positieve samenhang zien tussen de export van hightech producten en exportintensiteit. Figuur 6.3.6 laat zien dat dat inderdaad zo is.noot6 Daarnaast zien we dat ook de import van hightech producten samenhangt met een hogere exportintensiteit. Bedrijven die hightech producten importeren of exporteren, maar niet beide tegelijk laten een gemiddeld hogere exportintensiteit zien dan bedrijven die geen hightech producten verhandelen. Met name bedrijven met enkel hightech export springen eruit; deze hebben een gemiddeld exportaandeel van 28 procent, tweemaal zo hoog als bedrijven zonder hightech handel. Daarnaast is er een sterke samenhang zichtbaar tussen hightech import en hightech export, zogenaamde two-way traders. Deze bedrijven hebben een gemiddeld exportaandeel van 41 procent. Daarbij merken we op dat het grootste deel van de bedrijven dat actief is in de hightech handel deze producten zowel importeert als exporteert. De groep die één van beide doet is relatief klein. Dit wijst erop dat deze bedrijven een geïntegreerd onderdeel zijn van hoogwaardige grensoverschrijdende productieketens. Paragraaf 6.4 zal deze relatie tussen exportintensiteit en hightech handel vanuit een econometrisch perspectief nader belichten.
| Categorie | Exportintensiteit |
|---|---|
| Hightech two-way trader | 41 |
| Hightech importeur | 19 |
| Hightech exporteur | 28 |
| Geen hightech/ onbekend | 14 |
Klein groepje bedrijven met geconcentreerde handel en relatief hoge exportintensiteit
Tabel 6.3.7 geeft een overzicht van de samenstelling van de handelsportefeuille in termen van het aantal landen, producten en product-land combinaties in relatie tot de gemiddelde en mediane exportintensiteit. Aan zowel de import- als de exportzijde zien we dat een meer diverse handelsportfolio gepaard gaat met een hogere exportintensiteit. De tabel laat zien dat de verdeling van de exportintensiteit binnen groepen schever is voor meer geconcentreerde portfolio’s. Zo is de mediane exportintensiteit (de exportintensiteit van het middelste bedrijf indien gesorteerd van laag naar hoog) van bedrijven die naar slechts één bestemming exporteren maar liefst 8,5 procentpunt lager dan de gemiddelde exportintensiteit binnen die groep. Voor bedrijven die naar meer dan tien bestemmingen exporteren is dit verschil maar 0,6 procentpunt. Dat de mediaan relatief gezien aanzienlijk lager ligt dan het gemiddelde bij de meer geconcentreerde portfolio’s hangt samen met de spreiding en in het bijzonder met een relatief groot aandeel randobservaties binnen de groep.noot7 Daarmee bedoelen we dat er binnen de groepen met een smalle handelsportfolio, die dus over het algemeen lagere exportintensiteiten laten zien, een relatief grote groep bedrijven is die juist een hoge exportintensiteit heeft. Dit trekt het gemiddelde binnen de groep omhoog en weg van de mediaan. Met name bij het aantal landen waarmee een bedrijf handelt zien we relatief veel van deze randobservaties. Zo heeft 13,2 procent van de bedrijven met één exportbestemming en 11,7 procent van de bedrijven met één herkomstland van import een relatief zeer hoge exportintensiteit. In mindere mate zien we deze randobservaties ook terug bij de productdimensie. Deze randobservaties lijken wederom te wijzen op het bestaan van een groep bedrijven die zich specifiek specialiseert in één of enkele producten en/of markten, wat we terugzien in een combinatie van een sterke concentratie in de handelsportefeuille en een relatief hoge exportintensiteit.
| Exportintensiteit | Aandeel randobservaties | ||
|---|---|---|---|
| gemiddelde | mediaan | ||
| % | |||
| Exportportfolio | |||
| Aantal exportbestemmingen | |||
| 1 | 10,6 | 2,1 | 13,0 |
| 2–3 | 14,7 | 5,5 | 11,0 |
| 4–10 | 25,1 | 15,7 | 4,0 |
| >10 | 49,5 | 48,9 | 0,0 |
| Aantal exportproducten | |||
| 1 | 21,9 | 10,5 | 6,0 |
| 2–3 | 29,3 | 19,4 | 0,0 |
| 4–10 | 38,2 | 33,3 | 0,0 |
| >10 | 48,1 | 46,9 | 0,0 |
| Aantal product-land combinaties | |||
| 1 | 17,5 | 6,9 | 10,0 |
| 2–3 | 22,4 | 11,1 | 7,0 |
| 4–10 | 30,8 | 21,3 | 0,0 |
| >10 | 48,0 | 46,9 | 0,0 |
| Importportfolio | |||
| Aantal herkomstlanden | |||
| 1 | 15,8 | 4,5 | 12,0 |
| 2–3 | 15,4 | 4,7 | 12,0 |
| 4–10 | 24,2 | 13,0 | 2,0 |
| >10 | 45,2 | 44,1 | 0,0 |
| Aantal importproducten | |||
| 1 | 19,3 | 7,9 | 8,0 |
| 2–3 | 22,9 | 11,5 | 5,0 |
| 4–10 | 27,3 | 17,1 | 0,0 |
| >10 | 40,9 | 37,5 | 0,0 |
| Aantal product-land combinaties | |||
| 1 | 19,0 | 7,7 | 9,0 |
| 2–3 | 22,3 | 11,2 | 5,0 |
| 4–10 | 26,3 | 15,9 | 0,0 |
| >10 | 40,6 | 37,0 | 0,0 |
Diversificatie bij hogere exportintensiteit
Figuur 6.3.8 illustreert de Herfindahl-Hirschman Index (HHI). Dit is een indicator voor de mate van concentratie, die bijvoorbeeld wordt gebruikt om de mate van competitie op een markt in beeld te brengen. Wij gebruiken de HHI om een beeld te schetsen van de mate waarin bedrijven een geconcentreerde handelsportefeuille hebben in termen van de producten die zij verhandelen en de geografische spreiding van hun handel.
De index varieert van nabij 0 tot 10 000, waarbij een waarde van nabij 0 staat voor een lage concentratie en dus een hoge diversificatie, en 10 000 juist voor een hoge concentratie en lage diversificatie. De HHI wordt berekend als de som van de kwadraten van de aandelen, vermenigvuldigd met 10 000. In deze paragraaf worden twee varianten van de HHI besproken: één voor het aantal landen waarmee handel wordt gedreven en één voor het aantal producten dat internationaal wordt verhandeld, beide zowel aan de export- als aan de importzijde.
Een hoge index (dicht bij 10 000) betekent dat de handel geconcentreerd is in een beperkt aantal landen of producten. Een HHI van 10 000 betekent effectief dus dat een bedrijf bijvoorbeeld maar naar één land exporteert of maar één product exporteert. Een lage index (nabij 0) wijst op een brede spreiding over veel verschillende landen of producten.
Figuur 6.3.9 toont de gemiddelde HHI langs vier dimensies en uitgesplitst naar vijf kwintielen van exportintensiteit in 2022. Dat wil zeggen, we kijken naar de mate van concentratie in de exportportefeuille van individuele bedrijven in termen van exportproducten en exportbestemmingen en op dezelfde wijze naar de mate van concentratie in termen van importproducten en herkomstlanden. Vervolgens verdelen we alle exporteurs in vijf groepen van gelijke omvang, van laag exportintensief naar hoog exportintensief, op basis van het aandeel van de export in hun omzet.
Uit de figuur blijkt in algemene zin dat bedrijven met een meer gediversifieerde handelsportefeuille ook een hogere exportintensiteit laten zien, zowel voor wat betreft de geografische dimensie als voor de productdimensie en zowel voor wat betreft de export als voor de import. Deze constatering ligt bijvoorbeeld in lijn met de bevindingen van Bernard et al. (2009) die laten zien dat het overgrote deel van de internationale handel in de VS gerealiseerd wordt door bedrijven met brede handelsportefeuilles. We hebben eerder al gezien dat bedrijven met een hoge exportintensiteit vaker grote en multinationale bedrijven betreffen, figuren 6.3.2 en 6.3.3. Ook in dat licht is het beeld dat spreekt uit figuur 6.3.9 niet verwonderlijk. Aan de importzijde is die spreiding wel beperkter, wat kan wijzen op een grotere afhankelijkheid van specifieke grondstoffen, componenten of leveranciers.
| Exportintensiteit | Export: geografisch | Import: geografisch | Export: producten | Import: producten |
|---|---|---|---|---|
| laag | 8860 | 7305 | 8140 | 6475 |
| midden-laag | 7800 | 7115 | 7400 | 6410 |
| midden | 6860 | 6565 | 6995 | 5860 |
| midden-hoog | 5280 | 5760 | 6410 | 5305 |
| hoog | 4325 | 5295 | 6290 | 4860 |
Schaal en ketens: de importafhankelijkheid van exportbedrijven
Tot besluit van deze paragraaf kijken we nog naar de importafhankelijkheid van bedrijven in relatie tot het aandeel van de export in hun omzet. De importcontent van de export geeft per exportcategorie het invoergehalte weer, oftewel het aandeel van geïmporteerde goederen en diensten in de exportwaarde. Dit omvat zowel directe als indirecte ingevoerde inputs. Daarbij gaat het dus niet enkel om import die door de exporteur zelf is gerealiseerd, maar ook om indirecte import door Nederlandse toeleveranciers van de exporteur. In onderzoek is dit berekend op het niveau van goederengroepen volgens de CPA-indelingnoot8 zoals onderscheiden in de nationale rekeningen. Deze indicator wordt vaak gebruikt als maat voor verticale specialisatie: hoe hoger de importcontent, hoe sterker de integratie in internationale waardeketens. Zo kan een deel van elke geëxporteerde euro van machines (bijvoorbeeld 40 cent) bestaan uit geïmporteerde onderdelen en diensten, direct of indirect afkomstig uit het buitenland.
Figuur 6.3.10 laat een positief verband zien tussen de exportintensiteit van bedrijven en hun gemiddelde importafhankelijkheid. Hoewel de verschillen tussen de groepen in relatieve zin beperkt zijn, is er een consequent patroon zichtbaar: naarmate de exportintensiteit toeneemt, neemt ook de mate van importafhankelijkheid toe. Zo hebben bedrijven met een lage exportintensiteit een gemiddelde importafhankelijkheid van 38 procent, en bedrijven met een hoge exportintensiteit een gemiddelde importafhankelijkheid van 44 procent.
Bedrijven die intensiever exporteren zullen ook vaak meer geïntegreerd zijn in grensoverschrijdende productieketens dan bijvoorbeeld bedrijven die incidenteel exporteren en zo een beperkt omzetaandeel in het buitenland realiseren. Bedrijven die verbonden zijn aan internationale productie- en handelsstructuren zijn zo niet alleen afhankelijk van buitenlandse afzetmarkten, maar ook van de toeleveranties van grondstoffen, halffabricaten en andere componenten, direct of indirect afkomstig uit het buitenland. Een hogere intensiteit van de export gaat dan in dat geval hand in hand met een hogere intensiteit van de import (Antràs & Chor, 2022).
| Exportintensiteit | Import afhankelijkheid |
|---|---|
| laag | 38 |
| midden-laag | 41 |
| midden | 43 |
| midden-hoog | 43 |
| hoog | 44 |
6.4Econometrische resultaten
In de vorige paragrafen is een beschrijvend beeld geschetst van de wijze waarop de exportintensiteit samenhangt met specifieke bedrijfskenmerken en de samenstelling van de handelsportefeuille van bedrijven. Een logische vervolgvraag is in hoeverre de geschetste patronen standhouden wanneer we ze in samenhang beschouwen binnen een econometrisch model. Dat is de stap die we in deze paragraaf zetten.
Dit doen we in twee deelstappen. Eerst ontwikkelen we een model waarin de exportintensiteit wordt gerelateerd aan een aantal basale bedrijfskenmerken. Daarna breiden we dit basismodel iteratief uit met variabelen die een beeld schetsen van de samenstelling van de handelsportefeuille, aan zowel de import- als aan de exportzijde. Een beknopte technische toelichting op de econometrische aanpak is te vinden in de bijlage (paragraaf 6.6). De analyses in deze paragraaf hebben uitsluitend betrekking op bedrijven in de industrie.
Samenhang tussen exportintensiteit en bedrijfskenmerken
In de eerste stap onderzoeken we in algemene zin twee verschillende vragen: (1) welke factoren hangen samen met de vraag of een bedrijf wel of niet exporteert en (2) welke factoren hangen samen met de vraag welk deel van de omzet een bedrijf exporteert, gegeven dat het exporteert. De eerste vraag betreft wat in de literatuur wordt genoemd de extensieve marge van de export: wie exporteert wel en wie niet? De tweede vraag betreft de intensieve marge van de export: wie exporteert meer en wie minder? De bevindingen ten aanzien van de eerste stap zijn kwalitatief samengevat in tabel 6.4.1. De eerste kolom geeft daarbij antwoord op de vraag welke factoren samenhangen met de extensieve marge van de export. De resultaten in de tweede kolom geven antwoord op de onderzoeksvraag met betrekking tot de intensieve marge van de export. De gedetailleerde regressieresultaten zijn opgenomen in tabel 6.6.1 in de bijlage.
| Exportstatus: waarschijnlijkheid dat een bedrijf exporteert | Exportintensiteit: aandeel export in de bedrijfsomzet | |
|---|---|---|
| Bedrijf is structurele exporteur | n.v.t. | + |
| Productiviteit | + | -/+ |
| Waarde goederenimport | + | + |
| Gemiddeld betaald uurloon | + | + |
| Bedrijf investeert in R&D | + | + |
| Bedrijf is multinational | + | + |
| Bedrijf is zelfstandig mkb’er | - | - |
| Bedrijfsgrootte | + | - |
| Bedrijfsleeftijd | + | - |
| Industriële branche | Heterogeen | Heterogeen |
Allereerst onderzoeken we of een bedrijf al dan niet geclassificeerd is als structurele exporteur. Het ligt voor de hand dat bedrijven die al meerdere jaren exporteren en daarmee de nodige exportervaring hebben opgedaan beter in staat zijn hun exportportefeuille verder uit te bouwen, resulterend in een hogere exportintensiteit dan bedrijven die alleen incidenteel goederen exporteren. Een structurele exporteur is daarbij gedefinieerd als in Van den Berg et al. (2022), als een bedrijf dat in minimaal drie van de vier meest recente verslagjaren goederenexport heeft gerapporteerd. Ten opzichte van bedrijven die incidenteel exporteren zien we inderdaad dat structurele exporteurs een significant hogere exportintensiteit weten te realiseren.
Bekend is dat bedrijven die exporteren gemiddeld genomen productiever zijn dan bedrijven die dat niet doen, maar zien we ook dat productievere exporteurs in staat zijn om een hogere exportintensiteit te realiseren dan minder productieve bedrijven? Daarbij kijken we naar de arbeidsproductiviteit, gemeten in termen van toegevoegde waarde per werknemer.noot9 We nemen ook een kwadratische term op voor productiviteit, omdat een grafische verkenning van de data een duidelijk U-vormig verband laat zien tussen productiviteit en exportintensiteit.
Uit de eerste kolom blijkt dat exporteurs gemiddeld significant productiever zijn dan bedrijven die niet exporteren, een bevestiging van een stylized fact in de literatuur. Daarnaast zien we consequent een U-vormig verband tussen productiviteit en exportintensiteit, blijkens de significant negatieve coëfficiënt voor de productiviteitsvariabele en de significant positieve coëfficiënt voor de kwadratische term voor productiviteit (tabel 6.6.1). Dat wil zeggen dat bij een toenemende productiviteit bedrijven in eerste instantie gemiddeld een lagere exportintensiteit laten zien, tot een omslagpunt, waarna er een positief verband te zien is. Een verklaring voor dit U-vormig verband is niet direct evident. Wel is het zo dat Egger en Kesina (2014) in een vergelijkbare analyse ook een negatief en significant verband vinden tussen productiviteit en exportintensiteit, maar zij toetsen niet op het bestaan van een kwadratisch verband. Daarnaast is het zo dat de regressies een aantal andere bedrijfskenmerken bevatten waarvan bekend is dat deze ook samenhangen met productiviteit (bijvoorbeeld multinationalstatus en R&D-status). Niettemin is het U-vormig verband een robuuste bevinding. Dit kan samenhangen met een groep relatief kleine, minder productieve bedrijven die – toegewijd aan een smalle exportportefeuille – toch een hoge exportintensiteit realiseert. Deze groep bedrijven hebben we bijvoorbeeld in de beschrijvende analyses in tabel 6.3.7 ook gesignaleerd.
De gerapporteerde goederenimport hangt sterk positief samen met het aandeel van de export in de omzet die het bedrijf genereert. Dit is een intuïtief logische bevinding: hoe sterker het bedrijf verweven is met buitenlandse markten, hoe belangrijker die markten zijn voor de omzet. Eenzelfde intuïtieve bevinding zien we voor het gemiddelde uurloon dat het bedrijf aan zijn personeel betaalt. Dit hangt eveneens positief samen met exportintensiteit. Exporteren is een complexe aangelegenheid, waarvoor gekwalificeerd personeel nodig is. Daar hoort een bepaalde beloning bij. Ook dat is een stylized fact in de literatuur (zie bijvoorbeeld de surveystudie van Wagner, 2012). We zien dus dat dit niet alleen geldt voor de extensieve marge van exporteren, maar ook voor de intensieve marge.
Bedrijven die investeringen in research & development opvoeren in het kader van de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) rapporteren gemiddeld genomen ook een hoger aandeel export in de omzet. In het licht van de eerder aangehaalde samenhang tussen innovatieve inspanningen en productiviteit is ook dit een logische bevinding.
Als we kijken naar de multinationalstatus van bedrijven dan zien we, niet verrassend, dat van de vier groepen de buitenlandse multinationals de hoogste gemiddelde exportintensiteit realiseren. Dit is te zien aan de negatieve en significante coëfficiënten bij de andere drie groepen ten opzichte van de buitenlandse multinationals. Daarna volgen de Nederlandse multinationals, het zelfstandig midden- en kleinbedrijf en ten slotte het Nederlandse grootbedrijf. Dat het Nederlands grootbedrijf gemiddeld genomen een lager aandeel export in de omzet realiseert, is wellicht niet verwonderlijk. Immers, het betreft grote bedrijven zonder grensoverschrijdende eigendomsverhoudingen, die daarmee wellicht relatief sterker georiënteerd zijn op de binnenlandse markt. Daarbij komt dat grote bedrijven logischerwijs een grotere omzet zullen draaien dan kleine zelfstandige mkb’ers, waardoor ook een relatief grotere inspanning vereist is om tot serieuze exportintensiteiten te komen. Ditzelfde omzeteffect lijken we terug te zien als we naar grootteklasse kijken. In algemene zin zien we dat grotere bedrijven vaker exporteur zijn (extensieve marge), maar dat grotere bedrijven gemiddeld genomen een lagere exportintensiteit laten zien (intensieve marge). Ook dit is in lijn met bevindingen van Egger en Kesina (2014).
Kijkend naar leeftijdscategorie zien we bij de extensieve marge een logisch beeld: hoe ouder het bedrijf, hoe groter de kans dat het een exporteur is. Voor de intensieve marge zien we echter negatieve en significante coëfficiënten ten opzichte van de jongste bedrijven. Kortom: jonge bedrijven exporteren relatief minder vaak, maar als ze exporteren vormt dat een relatief groot deel van de omzet.
Ten slotte kijken we in deze stap nog naar verschillen tussen industriële branches. Dan zien we een aantal logische patronen. Zo zijn bedrijven in de farmaceutische industrie, een internationaal georiënteerde bedrijfstak, vaker actief als exporteur en ook met relatief hoge exportintensiteiten. Hetzelfde beeld zien we bijvoorbeeld in de kledingindustrie, de raffinage, de chemie en de machinebouw. Een voorbeeld van een minder exportgeoriënteerde bedrijfstak is de bouwmaterialenindustrie. Daar zijn bedrijven relatief minder vaak actief als exporteur en als ze exporteren is dat doorgaans voor relatief bescheiden aandelen in de omzet.
Al met al zien we grotendeels intuïtief logische patronen in de samenhang tussen het aandeel van de export in de omzet en algemene bedrijfskenmerken. Van belang is hierbij wel om op te merken dat de hier gedane econometrische analyses geen causale verbanden aantonen tussen enerzijds bedrijfskenmerken en de samenstelling van de handelsportefeuille en anderzijds het aandeel van de export in de omzet. Met andere woorden, op basis van de getoonde resultaten kan bijvoorbeeld niet worden gesteld dat méér importeren leidt tot een hogere exportintensiteit. We kunnen enkel stellen dat bedrijven die gekenmerkt worden door meer import, controlerend voor allerlei aanvullende bedrijfskenmerken, gemiddeld genomen een hogere exportintensiteit hebben dan bedrijven die minder importeren.
Samenhang tussen exportintensiteit en samenstelling exportportefeuille
In het vervolg van deze paragraaf bespreken we de resultaten van een aantal uitbreidingen op het hiervoor besproken basismodel. Daarbij onderzoeken we verschillende dimensies van de samenstelling van de handelsportefeuille, zowel voor wat betreft de import als voor wat betreft de export. Aanleiding om ook verder in de importkant te duiken is omdat het basismodel laat zien dat de mate waarin bedrijven importeren significant samenhangt met het aandeel export in de omzet. In deze stap breiden we alleen het model in kolom 2 van tabel 6.4.1 uit met een steeds wisselende set variabelen. Dit omdat het hier uiteraard geen zin heeft om bedrijven in de analyse te houden die niet exporteren. Tabel 6.4.2 biedt opnieuw een kwalitatieve samenvatting van de regressieresultaten. Tabellen 6.6.2 paneel A tot en met D in de bijlage laten de gedetailleerde regressieresultaten zien voor wat betreft de modeluitbreidingen.noot10
De resultaten met betrekking tot de breedte van de exportportefeuille laten een homogeen beeld zien (tabel 6.6.2, paneel A). Hoe groter het aantal landen waarnaar een bedrijf exporteert en hoe groter het aantal producten dat een bedrijf exporteert, hoe groter het aandeel van de export in de omzet. Dit geldt eveneens voor de combinatie van beide dimensies, dat wil zeggen, het aantal unieke combinaties van exportproducten en bestemmingslanden dat het bedrijf in een jaar in portefeuille heeft. Dit lijken evidente bevindingen, maar deze weerleggen wel een mogelijke hypothese dat er een aanzienlijke groep bedrijven is die volledig geïntegreerd is in grensoverschrijdende productieketens en dedicated produceert voor de ketenexport. De beschrijvende analyses lieten zien dat een dergelijke groep exporteurs wel lijkt te bestaan, maar deze is kennelijk niet groot genoeg om de regressieresultaten te kleuren, want dan zou er een positieve samenhang zichtbaar moeten zijn tussen exportintensiteit en bijvoorbeeld de export naar slechts één bestemming.
| Exportintensiteit: aandeel export in de bedrijfsomzet | |
|---|---|
| Aantal exportbestemmingen | + |
| Aantal exportproducten | + |
| Aantal product-land combinaties | + |
| Geografische concentratie export | - |
| Productconcentratie export | ? |
| Aandeel extra-EU | + |
| Aandeel wederuitvoer | + |
Deze bevindingen worden bevestigd als we kijken naar de Herfindahl-Hirschman index (HHI) als maat voor de geografische concentratie van de export, zie figuur 6.3.5. Dan zien we consequent significante en steeds negatievere coëfficiënten voor meer geconcentreerde exportportefeuilles ten opzichte van de groep met de geografisch meest diverse portefeuille (HHI van minder dan 2 500). Langs de productdimensie zien we dit beeld niet eenduidig terug (tabel 6.6.2, paneel B). Wel voor de groep met de meest geconcentreerde productportefeuille (HHI van 10 duizend, oftewel, één exportproduct), maar daaronder zit een groep bedrijven met een relatief geconcentreerde productportefeuille – met een aanzienlijk aandeel van één of enkele producten in de totale export – die een significant hoger aandeel van de export in de omzet realiseert. Dit past bij de eerder gesignaleerde gedachte dat er een groep bedrijven bestaat die toegewijd aan een relatief smalle exportportfolio een hoge exportintensiteit genereert, zie bijvoorbeeld tabel 6.3.7.
Als we kijken naar de samenstelling van de export, dan zien we ook hier intuïtief logische patronen voor het aandeel van bestemmingen buiten de EU en de rol van wederuitvoer in de export. Deze correleren beide sterk positief met het aandeel van de export in de omzet. Exporteren buiten de EU is een meer complexe aangelegenheid die met name is weggelegd voor de meer ervaren exporteurs, bijvoorbeeld doordat zij al ervaring hebben opgedaan op laagdrempeligere EU-markten. Daarom ligt het voor de hand dat bedrijven die relatief veel buiten de EU exporteren in algemene zin een groter deel van hun omzet in het buitenland genereren. Daarnaast zien we dat bedrijven waar een deel van de export uit wederuitvoer bestaat gemiddeld een hogere exportintensiteit laten zien. Aanvullende regressies – niet getoond – laten echter zien dat als er sprake is van wederuitvoer, de grootte van het aandeel daarvan in de totale goederenexport niet aanvullend correleert met exportintensiteit. Voor wederuitvoer geldt dat dit om producten gaat die eerst worden geïmporteerd en daarna in vrijwel ongewijzigde vorm worden geëxporteerd. Bedrijven die zich hiermee bezighouden zijn dus per definitie relatief internationaal georiënteerd. In het basismodel zagen we al dat de omvang van de import van een bedrijf samenhangt met exportintensiteit. Dat maakt een positief verband met exportintensiteit intuïtief logisch.
Samenhang tussen exportintensiteit en samenstelling importportefeuille
Aan de importzijde zien we kwalitatief exact dezelfde resultaten voor wat betreft de breedte van de handelsportefeuille en de samenhang met exportintensiteit (tabel 6.6.2, paneel C). Dat wil zeggen, uit hoe meer landen een bedrijf goederen importeert en hoe meer verschillende producten een bedrijf importeert, hoe hoger het aandeel van de export in de bedrijfsomzet. Dit is niet verrassend, aangezien we in het basismodel al zagen dat er een sterk positief verband is tussen exportintensiteit en de omvang van de import. Het is vermoedelijk met name een weergave van de internationale oriëntatie in algemene zin, en verwevenheid in grensoverschrijdende productieketens van bedrijven in het bijzonder.
| Exportintensiteit: aandeel export in de bedrijfsomzet | |
|---|---|
| Aantal herkomstlanden van import | + |
| Aantal importproducten | + |
| Aantal product-land combinaties | + |
| Geografische concentratie import | - |
| Productconcentratie import | - |
| Aandeel hightech producten in import | + |
| Importcontent van export | + |
Dit beeld zien we opnieuw bevestigd als we de mate van diversificatie in het importportfolio uitdrukken in termen van de Herfindahl-Hirschman index, zowel langs de herkomstlanddimensie als langs de productdimensie (tabel 6.6.2, paneel D). De rol van hightech producten in de handelsportefeuille bezien we in samenhang tussen import en export, omdat slechts een klein aantal bedrijven dit type producten of importeert, of exporteert, maar niet beide. De resultaten laten zien dat bedrijven die hightech producten exporteren, maar deze niet importeren een significant hogere exportintensiteit tonen bij een hoger aandeel hightech producten in de exportportefeuille. Dit kunnen bijvoorbeeld industriële maakbedrijven zijn die minder geavanceerde inputs verwerken in hightech producten die voor een belangrijk deel in het buitenland afgezet worden. Aan de importkant zien we juist een negatieve correlatie. Dat wil zeggen, bedrijven die hightech producten importeren, maar dit type producten niet ook exporteren, laten een negatieve samenhang zien tussen een groter aandeel van dit type producten in de importportefeuille en exportintensiteit. Dit lijkt wellicht niet evident, maar deze puntschatting heeft specifiek betrekking op de situatie waarin bedrijven dus geen hightech producten exporteren, wat per definitie een drukkende uitwerking heeft op de exportintensiteit en dit bovendien tot een hele specifieke casus maakt. Interessanter is de interactieterm tussen beide hightech aandelen. Daar zien we dat beide elkaar versterken. Dat wil zeggen, gegeven dat een bedrijf hightech producten importeert, zien we een extra sterke samenhang tussen het aandeel hightech producten in de exportportfolio en het aandeel van de export in de omzet. Analoog aan het vorige voorbeeld kan het hier bijvoorbeeld gaan om industriële maakbedrijven die verschillende inputs – waaronder bijvoorbeeld geavanceerde halffabricaten – verwerken in hightech producten die voor een belangrijk deel in het buitenland afgezet worden.
Ten slotte kijken we nog naar de mate waarin exportproducten bestaan uit geïmporteerde content samenhangen met het aandeel van de export in de omzet. Daarbij gaat het niet alleen om door de exporteur zelf geïmporteerde grondstoffen of halffabricaten, maar ook om inputs die eerder in de toeleveringsketen van de exporteur door andere bedrijven in Nederland zijn geïmporteerd. Dan zien we dat een hogere importcontent van geëxporteerde producten significant samenhangt met een groter aandeel van de export in de omzet. Gemiddelde marginale effecten tonen dat een 10 procentpunt hoger importgehalte van het exportportfolio van een bedrijf samenhangt met een 0,6 procentpunt hogere exportintensiteit. Ook dit lijkt er dus op te duiden dat diepere integratie in grensoverschrijdende productieketens samenhangt met een groter belang van buitenlandse afnemers voor de omzet: een beeld dat we in deze paragraaf vaker hebben gezien.
6.5Samenvatting en conclusie
Nederland heeft een open economie gekarakteriseerd door een nauwe verbondenheid met buitenlandse markten. Voor een aanzienlijk deel van het Nederlandse bedrijfsleven is de export een substantiële bron van inkomsten. Centraal in dit hoofdstuk staat de exportintensiteit: het deel van de bedrijfsomzet dat via goederenexport wordt gerealiseerd. Deze paragraaf presenteert de kernpunten van het hoofdstuk.
De exportintensiteit van exporterende ondernemingen in het Nederlandse bedrijfsleven vertoont in de periode 2018–2022 een stabiel patroon. Dit wijst erop dat de relatieve oriëntatie op buitenlandse afzet, gegeven deelname aan internationale markten, door de tijd heen nauwelijks is veranderd. Zelfs tijdens turbulente gebeurtenissen voor de wereldeconomie zoals de coronapandemie, Brexit, en de start van de oorlog in Oekraïne. Tegelijkertijd is er wel dynamiek in de onderliggende componenten: het aantal exporteurs neemt netto toe, met een tijdelijke terugval rond de coronapandemie en daaropvolgend herstel, terwijl de gemiddelde exportomzet aantrekt na de schok. De combinatie van een vrijwel vlakke exportintensiteit met groei in zowel het aantal exporteurs als de gemiddelde exportomzet impliceert dat de binnenlandse omzet bij exporteurs evenredig meegroeit, waardoor de verhouding tussen binnenlandse en buitenlandse afzet grosso modo constant blijft.
Sectorale uitsplitsing bevestigt dit beeld en nuanceert het: in specifieke bedrijfstakken, met name industrie en handel, is export structureel ingebed en is de afhankelijkheid van buitenlandse markten groter; meer plaatsgebonden bedrijfstakken, zoals horeca en bouw, exporteren logischerwijs slechts in beperkte mate goederen. Het belang van bedrijfstakken voor de totale export wordt daarbij niet uitsluitend bepaald door hun exportintensiteit, maar ook door de relatie tussen bedrijfstakomvang, aandeel van exporteurs en exportintensiteit. Kleine bedrijfstakken kunnen een hoge gemiddelde exportintensiteit combineren met een beperkte bijdrage aan de totale export, terwijl grote bedrijfstakken met veel exporteurs en een solide, maar niet uitzonderlijke gemiddelde exportintensiteit de goederenuitvoer domineren.
Vervolgens concentreren we ons op de industrie. Binnen de industrie bestaan duidelijke verschillen in exportintensiteit. Grotere bedrijven hebben over het algemeen een hoger exportaandeel dan kleinere, wat mogelijk komt doordat zij beter in staat zijn de kosten en risico’s van internationaal opereren te dragen. Tegelijkertijd zijn er ook kleine bedrijven die relatief exportintensief zijn. Dit kan samenhangen met een focus op specialistische nicheproducten. Maar het kan ook simpelweg komen doordat de totale omzet van kleine bedrijven relatief laag is, waardoor een beperkte of misschien zelfs incidentele exportactiviteit toch een aanzienlijk omzetaandeel kan vormen.
Daarnaast hangt de status als multinational samen met exportintensiteit; multinationale ondernemingen zijn gemiddeld sterker internationaal georiënteerd dan niet-multinationale bedrijven. Dat vertaalt zich niet alleen in frequenter exporteren, maar ook in een groter aandeel van de export in de omzet. Ook zien we dat productiviteit, investeringen in R&D en hightech handel positief samenhangen met exportintensiteit.
De spreiding van export over landen en producten – gemeten met de Herfindahl-Hirschman Index (HHI) – laat zien dat bedrijven met een hogere exportintensiteit doorgaans in meer landen en productcategorieën actief zijn en dus een meer gediversifieerde export- en importmix hebben. Aan de importzijde is die spreiding wel beperkter, wat kan wijzen op een grotere afhankelijkheid van specifieke grondstoffen, componenten of leveranciers. Tot slot blijkt dat importafhankelijkheid positief samenhangt met de mate van exportintensiteit.
Econometrische analyses wijzen uit dat een hoge exportintensiteit, ofwel een groot belang van de buitenlandse markt voor de omzet, een kenmerk is van ‘betere’ bedrijven, net zoals exporteur zijn dat op zich ook is. Dat wil zeggen, bedrijven die structureel exporteren, hogere lonen betalen, investeren in R&D en hoogproductief zijn, realiseren over het algemeen ook een groter deel van hun omzet in het buitenland. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om multinationals en bedrijven die anderszins diep verbonden zijn aan grensoverschrijdende productieketens via brede en diepe export- en importportefeuilles. Daarbij speelt nadrukkelijk ook de positie van het bedrijf als directe en indirecte schakel tussen import en export een belangrijke rol, bijvoorbeeld als het gaat om technologie-intensieve producten.
6.6Bijlage
Toelichting op de econometrische analyses en gedetailleerde resultaten
In paragraaf 6.4 zijn de resultaten besproken van een aantal econometrische analyses waarvoor verschillende regressiemodellen zijn geschat. De resultaten van het basismodel dat in verschillende varianten is geschat zijn getoond in tabel 6.4.1. In het model in kolom 1 is de verklaarde variabele een indicator met waarde 1 als een bedrijf in een bepaald jaar goederenexport rapporteert en 0 als dat niet het geval is. We schatten een probit-model, waarin de waarschijnlijkheid dat onze binaire uitkomstvariabele Yit gelijk is aan 1 (met andere woorden, bedrijf i exporteert in jaar t) wordt verklaard door een vector van bedrijfskenmerken (Xit) en year fixed effects (γt). Het model kan formeel als volgt worden uitgedrukt:
De modellen getoond in kolommen 2 tot en met 4 hebben het aandeel van de export in de omzet als verklaarde variabele. Dit is een fractionele variabele die per definitie varieert tussen 0 en 1. Voor verklaarde variabelen van deze vorm is het gebruikelijk om een fractional probit-model te schatten. Dit is een variant van het hierboven uitgeschreven formele model, waarbij de verklaarde variabele niet enkel de waarde 0 of 1 heeft maar ook iedere waarde daar tussenin kan hebben. Van deze drie modellen vormt het model in kolom 2 ons kernresultaat.
Alle modellen hebben uitsluitend betrekking op waarnemingen van bedrijven in de Nederlandse industrie. Alle modellen zijn geschat met standaardfouten geclusterd per bedrijf. Standaard diagnostische toetsen van de geschatte modellen wijzen uit dat deze econometrisch robuust zijn. In de laatste rij van iedere kolom is de correlatiecoëfficiënt tussen de werkelijk geobserveerde en de voorspelde waarde op basis van het geschatte model getoond. Deze rudimentaire maat voor model fit is bijvoorbeeld goed vergelijkbaar met de bevindingen van Egger en Kesina (2014) die vergelijkbare modellen schatten en deze statistiek ook tonen.
Het model in kolom 2 richt zich uitsluitend op observaties van exportintensiteiten groter dan 0, oftewel, op daadwerkelijk exporterende bedrijven. Het model in kolom 3 sluit observaties met een exportintensiteit kleiner dan 1 procent uit en observaties van exportwaardes van minder dan 1 000 euro. Deze exercitie doen we om een beeld te krijgen van de robuustheid van de bevindingen voor deze ‘marginale’ exporteurs. De resultaten blijken kwalitatief zeer robuust; er is daarom geen reden deze groep uit te sluiten van de analyses. Het model in kolom 4 neemt ook nul-observaties mee, dat wil zeggen, observaties van bedrijven in jaren waarin zij niet exporteren en dus een exportintensiteit van nul hebben. Dit model integreert dus eigenlijk de vraagstelling van de modellen in kolommen 1 en 2 in één analyse. We schatten dit model ook als laatste robuustheidscheck, om de resultaten te vergelijken met die uit kolom 5. Dit is een zogeheten Generalized Estimating Equations (GEE)-model van de volgende formele vorm:
Dit laatste model kan echter alleen geschat worden als er ook nul-observaties in de data zitten. Daarom zijn de resultaten beter vergelijkbaar met een fractional probit-model inclusief nul-observaties zoals getoond in kolom 4. GEE-modellen zijn bij uitstek geschikt voor paneldata, waarin bijvoorbeeld bedrijven meerdere malen worden waargenomen en waarbij waarnemingen van hetzelfde bedrijf niet onafhankelijk zijn van elkaar. Daarbij zijn deze modellen alleen geschikt voor het in beeld brengen van gemiddelde samenhangen op populatieniveau, en niet voor het aantonen van causale verbanden.
| (1) Probit Exportstatus (0|1) |
(2) Fractional Probit Exportshare >0 |
(3) Fractional Probit Exportshare >0 Excl. marginale exporteurs |
(4) Fractional Probit Exportshare ≥0 |
(5) GEE Exportshare ≥0 |
|
|---|---|---|---|---|---|
| Exportstatus | |||||
| Incidentele exporteur | baseline | baseline | baseline | baseline | |
| Structurele exporteur | 0,484*** | 0,291*** | 1,146*** | 0,529*** | |
| (0,017) | (0,018) | (0,016) | (0,013) | ||
| Productiviteit | |||||
| Arbeidsproductiviteit (ln) | 0,101*** | –0,244*** | –0,218*** | –0,201*** | –0,065*** |
| (0,035) | (0,034) | (0,034) | (0,028) | (0,02) | |
| Arbeidsproductiviteit (ln, kw) | –0,001 | 0,026*** | 0,024*** | 0,022*** | 0,004 |
| (0,005) | (0,004) | (0,004) | (0,004) | (0,003) | |
| Importwaarde (ln) | 0,134*** | 0,052*** | 0,041*** | 0,065*** | 0,052*** |
| (0,002) | (0,003) | (0,003) | (0,002) | (0,002) | |
| Gemiddeld uurloon (ln) | 0,039* | 0,268*** | 0,256*** | 0,236*** | 0,149*** |
| (0,022) | (0,026) | (0,025) | (0,024) | (0,017) | |
| R&D-status | |||||
| Geen R&D i.h.k.v. WBSO | baseline | baseline | baseline | baseline | baseline |
| R&D i.h.k.v. WBSO | 0,429*** | 0,269*** | 0,225*** | 0,276*** | 0,087*** |
| (0,027) | (0,016) | (0,016) | (0,016) | (0,009) | |
| Multinationalstatus | |||||
| Buitenlandse MNE | baseline | baseline | baseline | baseline | baseline |
| Nederlands grootbedrijf | –0,619*** | –0,703*** | –0,677*** | –0,656*** | –0,428*** |
| (0,112) | (0,084) | (0,088) | (0,083) | (0,046) | |
| Zelfstandig mkb | –0,196*** | –0,427*** | –0,417*** | –0,412*** | –0,367*** |
| (0,04) | (0,025) | (0,025) | (0,024) | (0,021) | |
| Nederlandse MNE | 0,486*** | –0,184*** | –0,214*** | –0,166*** | –0,158*** |
| (0,058) | (0,026) | (0,026) | (0,026) | (0,021) | |
| Grootteklasse | |||||
| 1–9 werkzame personen | baseline | baseline | baseline | baseline | baseline |
| 10–49 werkzame personen | 0,240*** | –0,129*** | –0,088*** | –0,125*** | 0,063*** |
| (0,019) | (0,017) | (0,017) | (0,016) | (0,011) | |
| 50–250 werkzame personen | 0,415*** | –0,028 | 0,004 | –0,039 | 0,218*** |
| (0,043) | (0,025) | (0,025) | (0,024) | (0,018) | |
| Meer dan 250 werkzame personen | 0,747*** | –0,237*** | –0,178*** | –0,255*** | 0,176*** |
| (0,106) | (0,046) | (0,046) | (0,046) | (0,035) | |
| Leeftijdscategorie | |||||
| t/m 10 jaar | baseline | baseline | baseline | baseline | baseline |
| 11 t/m 25 jaar | 0,022 | –0,133*** | –0,110*** | –0,183*** | –0,016 |
| (0,019) | (0,018) | (0,018) | (0,017) | (0,011) | |
| Ouder dan 25 jaar | 0,088*** | –0,110*** | –0,092*** | –0,160*** | –0,001 |
| (0,02) | (0,018) | (0,018) | (0,017) | (0,014) | |
| Branche | |||||
| Voedingsmiddelen-, en tabakindustrie | baseline | baseline | baseline | baseline | baseline |
| Textiel-, kleding-, en lederindustrie | 0,569*** | 0,097** | 0,086** | 0,130*** | 0,208*** |
| (0,044) | (0,04) | (0,04) | (0,038) | (0,034) | |
| Houten bouwmaterialenindustrie | –0,092** | –0,339*** | –0,282*** | –0,333*** | –0,319*** |
| (0,039) | (0,042) | (0,042) | (0,039) | (0,04) | |
| Papier en grafische industrie | 0,781*** | –0,295*** | –0,268*** | –0,230*** | –0,171*** |
| (0,04) | (0,037) | (0,037) | (0,035) | (0,033) | |
| Raffinaderijen, chemie en kunststof | 0,643*** | 0,115*** | 0,082*** | 0,148*** | 0,338*** |
| (0,046) | (0,031) | (0,031) | (0,03) | (0,028) | |
| Farmaceutische industrie | 0,405*** | 0,288*** | 0,282*** | 0,293*** | 0,424*** |
| (0,118) | (0,081) | (0,079) | (0,079) | (0,08) | |
| Metaalindustrie | 0,340*** | –0,153*** | –0,140*** | –0,114*** | –0,088*** |
| (0,029) | (0,029) | (0,029) | (0,027) | (0,025) | |
| Elektrotechnische en machine-industrie | 0,727*** | 0,136*** | 0,104*** | 0,182*** | 0,369*** |
| (0,033) | (0,028) | (0,028) | (0,027) | (0,024) | |
| Transportmiddelenindustrie | 0,473*** | 0,041 | 0,052 | 0,081** | 0,190*** |
| (0,045) | (0,04) | (0,04) | (0,038) | (0,035) | |
| Overige industrie en reparatie | 0,171*** | –0,209*** | –0,197*** | –0,180*** | –0,164*** |
| (0,028) | (0,029) | (0,029) | (0,027) | (0,025) | |
| Jaar fixed effects | ja | ja | ja | ja | ja |
| Aantal observaties | 105 374 | 53 859 | 43 453 | 105 374 | 105 374 |
| Correlatie fitted-observed | 0,639 | 0,536 | 0,494 | 0,675 | 0,658 |
Standaardfouten tussen haakjes.
* p <0,10; ** p <0,05; *** p <0,01
| PANEEL A | (1) Fractional Probit Exportshare >0 |
(2) Fractional Probit Exportshare >0 |
(3) Fractional Probit Exportshare >0 |
(4) Fractional Probit Exportshare >0 |
|---|---|---|---|---|
| Aantal exportbestemmingen | ||||
| 1 exportbestemming | baseline | baseline | ||
| 2 of 3 exportbestemmingen | 0,257*** | 0,252*** | ||
| (0,018) | (0,022) | |||
| 4–10 exportbestemmingen | 0,627*** | 0,561*** | ||
| (0,019) | (0,024) | |||
| 11 of meer exportbestemmingen | 1,209*** | 1,097*** | ||
| (0,022) | (0,027) | |||
| Aantal exportproducten (8‑digits) | ||||
| 1 exportproduct | baseline | baseline | ||
| 2–5 exportproducten | 0,273*** | 0,029 | ||
| (0,018) | (0,019) | |||
| 6–19 exportproducten | 0,552*** | 0,094*** | ||
| (0,022) | (0,023) | |||
| 20 of meer exportproducten | 0,666*** | 0,125*** | ||
| (0,027) | (0,028) | |||
| Aantal product-land combinaties | ||||
| 1 product-land combinatie | baseline | |||
| 2–9 product-land combinaties | 0,370*** | |||
| (0,02) | ||||
| 10–49 product-land combinaties | 0,901*** | |||
| (0,024) | ||||
| 50 of meer product-land combinaties | 1,262*** | |||
| (0,029) | ||||
| Basismodel incl. jaar fixed effects | ja | ja | ja | ja |
| Aantal observaties | 33 518 | 28 928 | 28 926 | 28 925 |
| Correlatie fitted-observed | 0,636 | 0,496 | 0,597 | 0,579 |
Standaardfouten tussen haakjes.
* p <0,10; ** p <0,05; *** p <0,01
| PANEEL B | (1) Fractional Probit Exportshare >0 |
(2) Fractional Probit Exportshare >0 |
(3) Fractional Probit Exportshare >0 |
(4) Fractional Probit Exportshare >0 |
|---|---|---|---|---|
| Herfindahl-Hirschman index (exportbestemmingen) | ||||
| HHI (land) <2 500 | baseline | |||
| 2 500 ≤HHI (land) <5 000 | –0,348*** | |||
| (0,018) | ||||
| 5 000 ≤HHI (land) <10 000 | –0,635*** | |||
| (0,019) | ||||
| HHI (land) = 10 000 | –1,048*** | |||
| (0,022) | ||||
| Herfindahl-Hirschman index (exportproducten) | ||||
| HHI (product) <2 500 | baseline | |||
| 2 500 ≤HHI (product) <5 000 | 0,026 | |||
| (0,025) | ||||
| 5 000 ≤HHI (product) <10 000 | 0,085*** | |||
| (0,025) | ||||
| HHI (product) = 10 000 | –0,342*** | |||
| (0,029) | ||||
| Aandeel bestemmingen buiten EU in export | 0,206*** | |||
| (0,022) | ||||
| Wederuitvoerstatus | ||||
| Geen wederuitvoer | baseline | |||
| Wel wederuitvoer | 0,374*** | |||
| (0,015) | ||||
| Basismodel incl. jaar fixed effects | ja | ja | ja | ja |
| Aantal observaties | 33 518 | 28 928 | 53 859 | 53 859 |
| Correlatie fitted-observed | 0,596 | 0,472 | 0,54 | 0,556 |
| PANEEL C | (1) Fractional Probit Exportshare >0 |
(2) Fractional Probit Exportshare >0 |
(3) Fractional Probit Exportshare >0 |
(4) Fractional Probit Exportshare >0 |
|---|---|---|---|---|
| Aantal herkomstlanden van import | ||||
| 1 herkomstland import | baseline | baseline | ||
| 2 of 3 herkomstlanden import | 0,083*** | 0,063*** | ||
| (0,017) | (0,02) | |||
| 4–10herkomstlanden import | 0,234*** | 0,159*** | ||
| (0,02) | (0,023) | |||
| 11 of meer herkomstlanden import | 0,462*** | 0,360*** | ||
| (0,028) | (0,032) | |||
| Aantal importproducten | ||||
| 1 importproduct | baseline | baseline | ||
| 2–5 importproducten | 0,108*** | 0,073*** | ||
| (0,018) | (0,02) | |||
| 6–19 importproducten | 0,207*** | 0,122*** | ||
| (0,022) | (0,025) | |||
| 20 of meer importproducten | 0,304*** | 0,148*** | ||
| (0,026) | (0,03) | |||
| Aantal product-land combinaties | ||||
| 1 product-land combinatie | baseline | |||
| 2–9 product-land combinaties | 0,103*** | |||
| (0,019) | ||||
| 10–49 product-land combinaties | 0,243*** | |||
| (0,024) | ||||
| 50 of meer product-land combinaties | 0,307*** | |||
| (0,031) | ||||
| Basismodel incl. jaar fixed effects | ja | ja | ja | ja |
| Aantal observaties | 35 132 | 31 933 | 31 933 | 31 933 |
| Correlatie fitted-observed | 0,524 | 0,493 | 0,501 | 0,492 |
| PANEEL D | (1) Fractional Probit Exportshare >0 |
(2) Fractional Probit Exportshare >0 |
(3) Fractional Probit Exportshare >0 |
(4) Fractional Probit Exportshare >0 |
|---|---|---|---|---|
| Herfindahl-Hirschman index (herkomstlanden import) | ||||
| HHI (land) <2 500 | baseline | |||
| 2 500 ≤HHI (land) <5 000 | –0,092*** | |||
| (0,022) | ||||
| 5 000 ≤HHI (land) <10 000 | –0,226*** | |||
| (0,025) | ||||
| HHI (land) = 10 000 | –0,341*** | |||
| (0,028) | ||||
| Herfindahl-Hirschman index (importproducten) | ||||
| HHI (product) <2 500 | baseline | |||
| 2 500 ≤HHI (product) <5 000 | –0,015 | |||
| (0,018) | ||||
| 5 000 ≤HHI (product) <10 000 | –0,040** | |||
| (0,02) | ||||
| HHI (product) = 10 000 | –0,197*** | |||
| (0,024) | ||||
| Aandeel hightech producten in export | 0,176*** | |||
| (0,036) | ||||
| Aandeel hightech producten in import | –0,122** | |||
| (0,048) | ||||
| Interactieterm hightech import/export | 0,124* | |||
| (0,066) | ||||
| Aandeel geïmporteerde content in export | 0,178** | |||
| (0,089) | ||||
| Basismodel incl. jaar fixed effects | ja | ja | ja | ja |
| Aantal observaties | 35 132 | 31 933 | 17 632 | 27 782 |
| Correlatie fitted-observed | 0,519 | 0,489 | 0,412 | 0,444 |
Standaardfouten tussen haakjes.
* p <0,10; ** p <0,05; *** p <0,01
6.7Literatuur
Literatuur
Añón Higón, D., & Bonvin, D. (2024). Digitalization and trade participation of SMEs. Small Business Economics, 62(4), 857–877.
Antràs, P., & Chor, D. (2022). Global value chains. In G. Gopinath, E. Helpman, & K. Rogoff (Reds.), Handbook of International Economics: International Trade, 5, 297–376.
Autor, D., Dorn, D., Katz, L. F., Patterson, C., & Van Reenen, J. (2017). The fall of the labor share and the rise of superstar firms (NBER Working Paper No. 23396). National Bureau of Economic Research.
Bernard, A. B., Jensen, J. B., & Schott, P. K. (2009). Importers, exporters, and multinationals: A portrait of firms in the U.S. that trade goods. In T. Dunne, J. B. Jensen, & M. J. Roberts (Reds.), Producer dynamics: New evidence from micro data, 513–552.
CBS (2019). Internationaliseringsmonitor 2019‑II: Patronen in handelsgedrag. Centraal Bureau voor de Statistiek.
CBS (2022). Internationaliseringsmonitor 2022‑IV: Productiviteit. Centraal Bureau voor de Statistiek.
CBS (2023a). Nederland Handelsland 2023: Nederlandse verdiensten aan de export. Centraal Bureau voor de Statistiek.
CBS (2023b). Internationaliseringsmonitor 2023‑III: Digitalisering. Centraal Bureau voor de Statistiek.
Creusen, H., Kox, H., Lejour, A., & Smeets, R. (2011). Exploring the margins of Dutch exports: A firm-level analysis. De Economist, 159(4), 413.
Egger, P. H., & Kesina, M. (2014). Financial constraints and the extensive and intensive margin of firm exports: Panel Data evidence from China. Review of Development Economics, 18(4), 625–639.
Franssen, L., Polder, M., & van den Berg, M. (2022). Al doende leert men?. In S. Creemers & J. Rooyakkers (Reds.), Internationaliseringsmonitor 2022-4: Productiviteit. Centraal Bureau voor de Statistiek.
Hinloopen, J., & van Marrewijk, C. (z.d). Factor Intensity Classification. Empirical Trade Analysis – Center. Geraadpleegd op 1 oktober 2025.
Lefebvre, E., Lefebvre, L. A., & Bourgault, M. (1998). R&D-related capabilities as determinants of export performance. Small Business Economics, 10(4), 365–377.
Melitz, M. J. (2003). The impact of trade on intra‐industry reallocations and aggregate industry productivity. Econometrica, 71(6), 1695–1725.
Sandu, S., & Ciocanel, B. (2014). Impact of R&D and innovation on high-tech export. Procedia Economics and finance, 15, 80–90.
Tse, C. H., Yu, L., & Zhu, J. (2017). A multimediation model of learning by exporting: Analysis of export-induced productivity gains. Journal of Management, 43(7), 2118–2146.
Van den Berg, M., Boutorat, A., Franssen, L., & Mounir, A. (2022). Intermittent exporting: unusual business or business as usual?. Review of World Economics, 158(4), 1173–1198.
Wagner, J. (2012). International trade and firm performance: a survey of empirical studies since 2006. Review of World Economics, 148(2), 235–267.
Wagner, J. (2019). Access to finance and exports–comparable evidence for small and medium enterprises from industry and services in 25 European countries. Open Economies Review, 30(4), 739–757.
Xing, Y., Gentile, E., & Dollar, D. (2021). Global value chain development report 2021: Beyond production. Asian Development Bank, Research Institute for Global Value Chains at the University of International Business and Economics, World Trade Organization, Institute of Developing Economies – Japan External Trade Organization, and the China Development Research Foundation.
Noten
Het Nederlandse bedrijfsleven betreft SBI B-N en S; excl. landbouw, financiële diensten, overheid, onderwijs en zorg.
Als er in dit hoofdstuk gesproken wordt over gemiddelde exportintensiteit, dan gaat het zonder uitzondering om het conditioneel gemiddelde, dat wil zeggen, de gemiddelde exportintensiteit van exporteurs, niet-exporteurs buiten beschouwing latend.
De cijfers in deze paragraaf kunnen afwijken van andere publicaties vanwege alternatieve aggregaties.
Multifactorproductiviteit (mfp) is het deel van de volumeontwikkeling van de output dat niet wordt veroorzaakt door de veranderingen in het gebruik van inputs.
Er zijn enkel gegevens van investeringen volgens de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) voor het jaar 2021 beschikbaar.
Hightech producten zijn gedefinieerd als de technology intensive products volgens de productclassificatie op basis van factorintensiteiten ontwikkeld door Jeroen Hinloopen en Charles van Marrewijk (Hinloopen & van Marrewijk, z.d.).
Randobservaties zijn observaties van exportintensiteit die buiten de bandbreedte liggen waar het overgrote deel van de observaties zich binnen bevindt. Dit betreft geen extreme waarden in die zin dat exportintensiteit een variabele is die per definitie tussen de 0 en de 1 ligt. Wel zijn dit atypische observaties binnen de betreffende deelpopulatie bedrijven. In statistische termen gaat het om observaties van exportintensiteit groter dan het derde kwartiel plus 1,5 maal de interkwartielrange binnen de betreffende deelpopulatie.
De CPA (Centrale Productclassificatie) is een systeem voor de vergelijking van statistische gegevens over goederen en diensten, voortkomend uit een Europese verordening. Op het niveau van de eerste vier digits is de CPA gelijk aan de NACE/SBI, digit vijf en zes betreffen categorieën resp. subcategorieën van producten.
Er zijn ook alternatieve modellen geschat gebruikmakend van multifactorproductiviteit als maat voor productiviteit. Daarbij wordt de productiviteit van een bedrijf econometrisch benaderd, waarbij de inzet van alle productiefactoren wordt meegewogen. De resultaten laten kwalitatief hetzelfde beeld zien. Omdat deze cijfers op microniveau minder breed beschikbaar zijn, met name voor kleine bedrijven, kiezen we er voor om hier met arbeidsproductiviteit te werken.
Het basismodel is niet opnieuw getoond in de tabellen, maar wel onderdeel van het geschatte model. Tenzij anders vermeld zijn de resultaten met betrekking tot de verklarende variabelen in het basismodel kwalitatief ongewijzigd ten opzichte van de eerder besproken bevindingen.