Bijna iedereen online

Foto omschrijving: Een meisje met haar tablet ipad

ICT-gebruik van huishoudens en personen

Auteur: Judit Arends-Tóth

Nederlanders zijn digitaal actiever dan ooit. Van de Nederlandse bevolking vanaf 12 jaar was 88 procent dagelijks online in 2019. De meest voorkomende internetactiviteiten zijn e-mailen en sociale media gebruiken. Bijna vier op de vijf deed een aankoop via internet in 2019. De helft van de Nederlanders beschikte over meer dan basis digitale vaardigheden. Bijna 6 op de 10 vermeed een internetactiviteit vanwege zorgen om internetveiligheid.

3.1ICT-voorzieningen en internetgebruik

Internet, mobiele telefoons en computers spelen een belangrijke rol in het dagelijks leven van Nederlanders. Veel mensen gebruiken internet niet alleen thuis of op het werk, maar vrijwel overal. Dankzij de goede kwaliteit van de Nederlandse ICT-infrastructuur kunnen mensen vrijwel altijd online zijn. Het CBS doet jaarlijks onderzoek naar het ICT- en internetgebruik van Nederlandse huishoudens en personen. Deze paragraaf beschrijft eerst de ICT-voorzieningen die aanwezig zijn in huishoudens. Daarna komt aan bod hoe personen internet gebruiken. Trends worden besproken vanaf 2014.

Enquête ‘ICT-gebruik van huishoudens en personen’

Om informatie te verkrijgen over hoe huishoudens en personen ICT en internet gebruiken, voert het CBS sinds 2005 jaarlijks de enquête ‘ICT-gebruik van huishoudens en personen’ uit. Ieder jaar doen rond 5 duizend mensen mee aan dit onderzoek.

De onderzoekspopulatie bestaat uit alle inwoners van Nederland in de leeftijd van 12 jaar of ouder. De tekst in dit hoofdstuk spreekt vaak over ‘Nederlanders’, waar het eigenlijk gaat om inwoners van Nederland, ongeacht hun nationaliteit. Hier is voor gekozen om de tekst gemakkelijker leesbaar te maken.

De lidstaten van de Europese Unie (EU) zijn overeengekomen dat zij het ICT-onderzoek geharmoniseerd uitvoeren: alle landen gebruiken (in principe) dezelfde vragen en dezelfde definities. Het Europese onderzoek gaat over de bevolking van 16 tot 75 jaar. Het CBS werkt dus met een uitgebreidere populatie voor Nederland, namelijk inwoners vanaf 12 jaar. Daardoor kunnen de Nederlandse cijfers in internationale vergelijkingen iets afwijken van de cijfers die het CBS publiceert.

Van 2005 tot en met 2013 verliep het onderzoek uitsluitend telefonisch. Vanaf 2014 vraagt het CBS in eerste instantie of mensen via internet een vragenlijst willen invullen. Bij mensen die geen gehoor geven aan deze uitnodiging, neemt het CBS de vragenlijst indien mogelijk alsnog telefonisch af.

Internettoegang thuis voor vrijwel iedereen

In 2019 had 96 procent van de huishoudens thuis toegang tot internet. Het betrof rond 7,6 miljoen huishoudens. Het aandeel huishoudens met internettoegang thuis groeit niet meer sterk de laatste jaren. In 2018 en 2017 had 95 procent van de huishoudens toegang tot internet, in 2016 ging het om 92 procent. In 2014 bedroeg het aandeel nog 90 procent. Van alle huishoudens had dus 4 procent thuis géén toegang tot internet in 2019. De ruime meerderheid van deze huishoudens omvat ten minste één persoon die ouder is dan 75 jaar.

Van de mensen die thuis geen toegang tot het web hadden in 2019, gebruikte het merendeel (89 procent) ook nooit internet buitenshuis. Twee derde van de personen zonder internetverbinding thuis gaven aan simpelweg geen interesse te hebben in het internet of ze vonden het niet zinvol. Bijna vier op de tien meldden gebrek aan kennis of vaardigheden. In mindere mate werden ook het kostenaspect (14 procent) en de bezorgdheid over privacy en veiligheid (11 procent) als redenen aangevoerd om thuis geen internet te hebben.

Nederland ook in 2019 Europees koploper met internet thuis

Nederland is koploper in de EU met de meeste huishoudens met toegang tot internet. Volgens de Europese onderzoeksmethode had 98 procent van de Nederlandse huishoudens thuis internet in 2019 (figuur 3.1.1). Andere landen in de EU waar het overgrote deel van huishoudens internettoegang heeft, zijn Zweden en het Verenigd Koninkrijk (beide 96 procent), Denemarken, Luxemburg en Duitsland (alle drie 95 procent), en Finland (94 procent). Het aandeel huishoudens met internet thuis is in veel Zuid- en, met name, Oost-Europese landen kleiner. Vooral de Oost-Europese landen maakten de laatste jaren een inhaalslag. Zo had 75 procent van de huishoudens in Bulgarije in 2019 een internetaansluiting, terwijl dit in 2014 nog 57 procent was. In 2019 had gemiddeld 90 procent van de huishoudens in de EU-28 een internetaansluiting. In 2014 was dat nog 81 procent.

3.1.1 Thuis toegang tot internet, EU-28, 2019 (% van huishoudens1))
Thuis toegang tot internet
Nederland 98
Zweden 96
Verenigd Koninkrijk 96
Denemarken 95
Duitsland 95
Luxemburg 95
Finland 94
Ierland 91
Spanje 91
Estland 90
Oostenrijk 90
Frankrijk 90
België 90
Cyprus 90
EU-28 90
Slovenië 89
Tsjechië 87
Polen 87
Malta 86
Hongarije 86
Italië 85
Letland 85
Roemenië 84
Slowakije 82
Litouwen 82
Portugal 81
Kroatië 81
Griekenland 79
Bulgarije 75
Bron: Eurostat.
1)Particuliere huishoudens met ten minste één persoon van 16 tot 75 jaar.

Vrijwel alle Nederlandse huishoudens hebben thuis een breedbandverbinding (98 procent). Nederland stond daarmee in 2019 bovenaan de Europese ranglijst. Gemiddeld had 89 procent van de huishoudens in de EU een breedbandverbinding. Griekenland, Portugal (beide 78 procent) en Bulgarije (75 procent) scoorden het laagst.

Cijfers over breedbandverbindingen in huishoudens voor meer Europese landen zijn te vinden in deze Eurostat-tabel.

Smartphone in bijna 9 op de 10 huishoudens

In 2019 waren smartphones en laptops de meest gebruikte apparaten in huishoudens om mee te internetten. Smartphones waren aanwezig in 89 procent van de huishoudens en laptops bij 79 procent (figuur 3.1.2). Smartphones hebben de laatste jaren veel terrein gewonnen; in 2014 beschikte 67 procent van de huishoudens over een of meer smartphones. Tablets worden ook vaak gebruikt om online te gaan: in 2019 had 66 procent van de huishoudens een tablet, terwijl dat 50 procent was in 2014. In 2019 werden vooral vaker tv’s met settopbox of smart tv’s gebruikt om online te gaan dan in eerdere jaren. In 56 procent van alle huishoudens werd verbinding met het internet gemaakt via een dergelijk apparaat. Het gebruik van desktops om te internetten nam af: in 2014 gebruikte 54 procent van de huishoudens een desktop om te internetten; in 2019 was dat afgenomen tot 50 procent.

3.1.2 Huishoudens met apparaten voor internettoegang (% van huishoudens1))
Jaren Desktop Laptop Smartphone Spelcomputer TV met settopbox/smart tv Tablet
2014 54 70 67 18 35 50
2015 50 72 73 19 34 58
2016 53 75 80 23 41 62
2017 55 78 85 25 47 66
2018 50 78 87 26 49 63
2019 50 79 89 27 56 66
1)Particuliere huishoudens met ten minste één persoon van 12 jaar of ouder.

Het voorgaande deel van deze paragraaf liet zien dat Nederlandse huishoudens in ruime mate beschikken over internetvoorzieningen. Het vervolg van deze paragraaf beschrijft hoe personen internet gebruiken.

88 procent dagelijks online

In 2019 was 88 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder dagelijks of vrijwel dagelijks online (figuur 3.1.3). In 2014 was dat nog 79 procent. Vooral personen van 18 tot 55 jaar gebruiken het internet dagelijks. Van de personen in deze groepen was meer dan 95 procent elke dag online. In 2014 gold dit alleen voor personen in de leeftijdsgroep 18 tot 35 jaar. Het dagelijks internetgebruik van 65‑plussers neemt toe. Inmiddels gaat 77 procent van de personen van 65 tot 75 jaar dagelijks het web op, tegen 58 procent in 2014. Van de 75‑plussers ging 44 procent dagelijks online in 2019, terwijl dat in 2014 nog 23 procent was.

3.1.3 Dagelijks online (% van personen
vanaf 12 jaar)
Dagelijks internetten 2019 2014
Totaal 88 79
Leeftijd . .
12 tot 18 jaar 93 89
18 tot 25 jaar 98 97
25 tot 35 jaar 97 95
35 tot 45 jaar 95 88
45 tot 55 jaar 95 86
55 tot 65 jaar 88 79
65 tot 75 jaar 77 58
75 jaar of ouder 44 23

Hoogopgeleiden zijn vaker dagelijks online dan lager opgeleiden. In 2019 was 97 procent van de hoogopgeleiden dagelijks online tegen 75 procent van de laagopgeleiden. Met name onder laagopgeleiden is het aandeel personen dat dagelijks internet sterk gegroeid: in 2014 bedroeg het nog 62 procent.

Meer informatie over dagelijks internetgebruik naar hoogst behaalde onderwijsniveau is opgenomen in deze StatLine-tabel.

88% gaat dagelijks het web op

Nederland is met Denemarken koploper in de EU met het dagelijks gebruik van internet door inwoners. Volgens de Europese methode gebruikten meer dan 9 op de 10 Nederlanders en Denen (van 16 tot 75 jaar) dagelijks het internet. Het EU-gemiddelde bedroeg 79 procent.

Cijfers over dagelijks internetgebruik voor meer Europese landen zijn opgenomen in deze Eurostat-tabel.

Vijf procent nooit op internet

Van de Nederlanders van 12 jaar of ouder gaf 5 procent in 2019 aan, nog nooit internet te hebben gebruikt (figuur 3.1.4). Dat zijn ongeveer 763 duizend mensen. Vijf jaar eerder was 9 procent nooit online geweest. Meer dan de helft van de Nederlanders die nooit internette, was 75 jaar of ouder. Bijna een kwart was tussen de 65 en 75 jaar. De groep 75‑plussers die nog nooit online was, is wel kleiner geworden. In 2014 gaf 57 procent van hen aan nog nooit internet te hebben gebruikt. Vervolgens daalde dit naar 50 procent in 2015. In 2019 is hun aandeel teruggelopen naar 33 procent. Ook onder Nederlanders tussen de 65 en 75 jaar is het aandeel dat nog nooit gebruik heeft gemaakt van het internet afgenomen. Het bedroeg 9 procent in 2019 tegen 18 procent in 2014. In de leeftijdscategorie 45 tot 65 jaar was 2 procent nog nooit online. Personen in de leeftijd van 12 tot 45 jaar maken bijna allemaal gebruik van het internet.

3.1.4 Nooit internet gebruikt (% van personen
vanaf 12 jaar)
Nooit internet gebruikt 2019 2014
Totaal 5 9
Leeftijd . .
12 tot 25 jaar 1 1
25 tot 45 jaar 1 2
45 tot 65 jaar 2 4
65 tot 75 jaar 9 18
75 jaar of ouder 33 57

Onder de 75‑plussers zijn het vaker vrouwen dan mannen die geen internet gebruiken. In 2019 gaf 41 procent van de vrouwen en 22 procent van de mannen van 75 jaar of ouder aan nooit online te zijn geweest. Ook onder 65- tot 75‑jarigen zijn het vooral vrouwen die niet actief zijn op internet. Laagopgeleide 75‑plussers horen vaker bij de niet-internetters (47 procent) dan hoogopgeleide leeftijdsgenoten (5 procent). In de overige leeftijdscategorieën zijn het ook vooral de laagopgeleide Nederlanders die aangeven niet op het web te surfen.

Meer informatie over personen die nooit online waren, is opgenomen in deze StatLine-tabel.

Vaker internetten buitenshuis: vooral met smartphone

Steeds meer mensen gebruiken mobiele apparaten voor internettoegang op andere plekken dan thuis of op het werk. In 2019 maakte 84 procent van de personen van 12 jaar of ouder gebruik van mobiel internet buitenshuis. In 2014 was dat nog 66 procent. Vooral via smartphones wordt gebruikgemaakt van mobiel internet. In 2019 gebruikte 82 procent een smartphone om mobiel te internetten, tegen 60 procent in 2014. De laptop werd door ruim een derde van de Nederlanders gebruikt voor dit doel in 2019. Bijna drie op de tien internette op een andere plek dan thuis of op het werk via een tablet in 2019. Ook het gebruik van andere mobiele apparaten om buitenshuis te internetten, zoals een mediaspeler of e-reader, is populairder geworden: het steeg van 5 procent in 2014 naar 11 procent in 2019.

Meer informatie over mobiele apparaten voor internettoegang is opgenomen in deze StatLine-tabel.

Tot 45 jaar: 95 procent gebruikt mobiel internet

Vooral in de leeftijdsgroep van 12 tot 45 jaar gebruikte in 2019 vrijwel iedereen (95 procent) mobiel internetnoot1 (tabel 3.1.5). Van de 45- tot 65‑jarigen gebruikte bijna negen op de tien een mobiele internetverbinding. In 2019 nam het mobiele internetgebruik van 65- tot 75‑jarigen flink toe. In 2019 internette 71 procent van hen via een mobiel apparaat. In 2018 was dat nog 62 procent. Voor 75‑plussers was het cijfer aanzienlijk lager (35 procent). In alle leeftijdsgroepen was de smartphone het meest gebruikte apparaat.

Het percentage personen dat mobiel internet gebruikt, was het hoogst onder degenen die hoger onderwijs hebben genoten: 94 procent. Onder personen met lager onderwijs was het aandeel 72 procent. Mannen gebruikten iets vaker mobiele apparatuur met een internetverbinding dan vrouwen.

3.1.5Gebruik van mobiel internet, naar persoonskenmerken, 20191)

Totaal2) Smartphone Laptop Tablet Overige apparatuur
% van personen vanaf 12 jaar
Totaal 84 82 35 28 11
 
Geslacht
Man 87 85 41 30 14
Vrouw 82 80 29 25 8
 
Opleidingsniveau
Lager onderwijs 72 69 25 19 7
Middelbaar onderwijs 88 87 34 25 10
Hoger onderwijs 94 93 47 38 15
 
% van personen
Leeftijd
12 tot 25 jaar 96 95 57 26 13
25 tot 45 jaar 95 94 44 30 15
45 tot 65 jaar 88 86 30 30 10
65 tot 75 jaar 71 66 16 27 6
75 jaar of ouder 35 29 8 14 1

Bron:CBS

1)Gebruik van mobiele apparatuur, niet thuis of op het werk.

2)Via één of meerdere typen apparaten.

Nederland internationaal voorop met mobiel internet

In 2019 scoorden Zweden, Denemarken (respectievelijk 93 en 92 procent) en Nederland (89 procent) het hoogste in de EU als het gaat om internetgebruik met mobiele apparaten, zoals een laptop, tablet of smartphone, buitenshuis of buiten het werk. Het aandeel mobiele internetgebruikers was in deze landen flink groter dan het EU-gemiddelde van 75 procent. Zowel voor Zweden, Denemarken als Nederland gold dat inwoners veelal de smartphone gebruikten om buiten het huis of werk te internetten. In 2019 surfte 92 procent van de Zweden, 88 procent van de Nederlanders en 87 procent van de Denen op internet met een smartphone. Deze landen liepen daarmee voorop in de EU, waar gemiddeld 73 procent van de burgers gebruikmaakte van een smartphone om te internetten. Het smartphonegebruik buitenshuis of buiten het werk was het laagst in Italië (49 procent).

Cijfers over het internetgebruik met mobiele apparaten voor meer Europese landen zijn opgenomen in deze Eurostat-tabel.

Steeds meer mensen kennen DAB+ (digitale radio)

In 2019 had 45 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder weleens van DAB+ gehoord (tabel 3.1.6). Dit aandeel is flink groter dan in 2015, toen 26 procent bekend was met DAB+. In eerdere jaren genoot digitale radio nog minder bekendheid.

3.1.6Bekendheid van digitale radio via DAB+

Heeft wel eens van DAB+1) gehoord
2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
% van personen vanaf 12 jaar
Totaal 12 13 17 26 29 37 41 45
 
Geslacht
Mannen 17 19 26 37 41 53 55 59
Vrouwen 8 7 9 15 17 22 28 32
 
Leeftijd
12 tot 25 jaar 9 12 16 21 22 28 32 35
25 tot 45 jaar 13 12 20 30 35 47 48 54
45 tot 65 jaar 14 14 18 29 32 43 48 53
65 tot 75 jaar 14 17 15 24 30 30 39 39
75 jaar of ouder 11 11 10 14 13 14 19 21
 
Opleidingsniveau
Lager onderwijs 10 11 12 19 19 22 26 29
Middelbaar onderwijs 12 13 19 30 34 45 46 50
Hoger onderwijs 16 16 20 32 37 46 53 56

Bron:CBS

1)Tot en met 2014 werd gevraagd naar 'T-DAB' in plaats van 'DAB+'.

DAB+ geniet aanzienlijk meer bekendheid onder mannen dan onder vrouwen: 59 procent van de mannen kende DAB+, tegen 32 procent van de vrouwen in 2019. Daarnaast zijn er verschillen naar opleidingsniveau: onder personen met een middelbare of hogere opleiding was meer dan de helft bekend met DAB+; bij personen met alleen lager onderwijs was dat 29 procent.

Digitale radio: betere kwaliteit en meer mogelijkheden

Digitale radio biedt voordelen boven het traditionele analoge (FM-)signaal, vergelijkbaar met de voordelen van digitale televisie. Het digitale signaal levert doorgaans een betere geluidskwaliteit op en biedt meer mogelijkheden dan analoge radio. Er bestaan verschillende manieren om digitaal naar radiozenders te luisteren, bijvoorbeeld online op een computer, smartphone, of tablet, al dan niet via een app. Sinds 2004 zenden radiostations in een groot deel van Nederland ook digitale radio via de ether uit, naast de traditionele FM of middengolf. Tot medio 2013 werd in Nederland veelal het T-DAB-signaal gebruikt voor digitale radio via de ether. Sindsdien maken vrijwel alle publieke en commerciële radiozenders met een landelijke etherfrequentie gebruik van het nieuwere DAB+. Om uitzendingen via het DAB+-signaal te kunnen beluisteren, is een specifieke ontvanger nodig. Sinds 2013 bestaat een samenwerkingsverband tussen onder andere publieke en commerciële zenders, en het ministerie van Economische Zaken en Klimaat met als doel DAB+ en digitale radio meer onder de aandacht te brengen.

DAB+-apparaat in 16 procent van de huishoudens

In 2019 was 16 procent van de Nederlandse huishoudens in het bezit van een DAB+-apparaat. Het kan dan gaan om een apparaat in huis, maar ook om een DAB+-radio in de auto. Dit aandeel is bijna drie keer zo groot als in 2015, toen het DAB+-apparaat bezit 6 procent bedroeg. In 2014 bedroeg het aandeel nog 4 procent. In dat jaar is echter alleen gevraagd naar dergelijke apparatuur in huis, en niet naar apparatuur in de auto.

Meer informatie over DAB+ is opgenomen in deze CBS-maatwerktabel.

3.2Communiceren via internet

Internet wordt veel gebruikt voor communicatie. Dit kan via het versturen van berichten via e-mail of sociale media. Bellen via internet heeft het analoge telefoonverkeer inmiddels grotendeels vervangen. Deze paragraaf beschrijft hoe personen internet gebruiken bij het onderhouden van contacten.

E-mail en WhatsApp populaire vormen van online communicatie

E-mailen is net als in eerdere jaren de meest voorkomende internetactiviteit om online te communiceren. In 2019 gebruikte 89 procent van de Nederlandse bevolking van 12 jaar of ouder e-mail (tabel 3.2.1). Dit aandeel is ten opzichte van 2014 licht gegroeid: in dat jaar was het 85 procent. Steeds meer mensen zijn actief op sociale media.noot2 In 2014 gebruikte nog 74 procent van de Nederlandse bevolking van 12 jaar of ouder een of meerdere vormen van sociale media. Dit aandeel is toegenomen naar 87 procent in 2019. Vooral directe uitwisseling van tekstberichten wordt vaak gebruikt: 84 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder wisselden in 2019 berichten uit via een dienst als WhatsApp.

3.2.1Communiceren via internet

2014 2015 2016 2017 2018 2019
% van personen vanaf 12 jaar
E-mailen 85 85 85 88 88 89
Telefoneren via internet 31 31 35 43 55 58
Sociale media gebruik 74 77 80 85 85 87
direct messaging, zoals WhatsApp 63 68 75 80 81 84

Bron:CBS

Nederlanders gebruiken het internet steeds vaker om te bellen. Het aandeel personen van 12 jaar of ouder dat telefoneert via internet steeg van 31 procent in 2014 naar 58 procent in 2019. Vooral de laatste jaren steeg hun aandeel: in 2016 bedroeg het nog 35 procent.

Vooral jongeren bellen via internet

Vooral jongeren bellen via internet: van de 12- tot 25‑jarigen belde 78 procent in 2019 via internet. 75‑plussers maken hiervan nog relatief weinig gebruik; 18 procent van hen deed dit (figuur 3.2.2). Hoogopgeleiden telefoneren vaker via internet dan laagopgeleiden: 69 tegen 48 procent. Dit verschil wordt overigens niet verklaard door het feit dat hoogopgeleiden vaker een smartphone hebben of gemiddeld jonger zijn dan laagopgeleiden. Internetbellen steeg onder alle onderwijsniveaus. Mannen en vrouwen bellen even vaak via internet.

3.2.2 Bellen via internet (% van personen
vanaf 12 jaar)
Kenmerken personen 2019 2014
Totaal 58 31
Leeftijd . .
12 tot 25 jaar 78 48
25 tot 45 jaar 68 39
45 tot 65 jaar 55 26
65 tot 75 jaar 41 19
75 jaar of ouder 18 6
Onderwijsniveau . .
Laag 48 24
Middelbaar 57 27
Hoog 69 45

Steeds meer ouderen maken gebruik van sociale media

In 2019 gebruikte 87 procent van de Nederlandse bevolking van 12 jaar of ouder een of meerdere vormen van sociale media (tabel 3.2.3). Dit aandeel is licht gestegen ten opzichte van 2018, toen het 85 procent bedroeg. In 2014 gebruikte nog 74 procent van de Nederlanders sociale media. Het zijn vooral jongeren die sociale media gebruiken, maar de laatste jaren maken ook steeds meer ouderen er gebruik van. Vooral onder 65- tot 75‑jarigen neemt het gebruik toe: in 2019 was 76 procent van hen actief op sociale media. In 2014 was dat nog 40 procent. Ook het sociale mediagebruik onder 75‑plussers is toegenomen: in 2014 maakte 13 procent hier gebruik van, tegen 40 procent in 2019.

Vrijwel iedereen in de leeftijdsgroep van 12 tot 45 jaar gebruikte sociale media in 2019 (meer dan 95 procent). Het aandeel sociale mediagebruikers onder 12- tot 25‑jarigen is onverminderd hoog in de periode 2014–2019. Bij 25- tot 45‑jarigen was het lager in 2014 (91 procent).

3.2.3Gebruik van sociale media, 2019

Totaal sociale media Berichten plaatsen op chatsite of online discussieforum Weblogs lezen of zelf bijhouden Berichten uitwisselen via instant messaging (zoals WhatsApp) Professioneel netwerk (zoals LinkedIn) Ander sociaal netwerk (zoals Facebook of Twitter)
% van personen vanaf 12 jaar
Totaal 87 25 24 84 32 63
 
Geslacht
Man 88 29 27 85 37 61
Vrouw 86 21 21 84 27 65
 
Opleidingsniveau
Lager onderwijs 76 22 15 72 9 58
Middelbaar onderwijs 92 26 22 89 30 66
Hoger onderwijs 96 28 34 93 58 67
 
Leeftijd
12 tot 25 jaar 97 37 31 95 27 89
25 tot 45 jaar 96 30 36 95 53 77
45 tot 65 jaar 92 24 20 81 34 59
65 tot 75 jaar 76 13 11 70 10 38
75 jaar of ouder 40 5 4 34 2 17

Bron:CBS

87% van Nederlandse bevolking gebruikt sociale media Buitenvorm Binnenvorm

WhatsApp (direct messaging) vaakst gebruikt

Het uitwisselen van tekstberichten, via onder meer WhatsApp, is de meest gebruikte vorm van sociale media: 84 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder deed dit in 2019 (figuur 3.2.4). Het gebruik van direct messaging is de laatste jaren fors toegenomen. In 2014 werd het gebruikt door 63 procent van de personen van 12 jaar of ouder; in 2016 door 75 procent. De grootste groei is te zien bij 65- tot 75‑jarigen. Inmiddels verstuurt 70 procent van hen tekstberichten. Dat was in 2014 nog 25 procent. Onder 75‑plussers nam het uitwisselen van tekstberichten toe van 7 procent in 2014, naar 34 procent in 2019. Er is geen verschil in het gebruik van direct messaging tussen mannen en vrouwen. Dit beeld komt overeen met de eerdere jaren.

3.2.4 Gebruik van sociale media (% van personen vanaf 12 jaar)
Jaar Berichten plaatsen op chatsite/discussieforum Weblogs lezen of zelf bijhouden Tekstberichten uitwisselen Professioneel netwerk Ander sociaal netwerk
2014 24 20 63 24 55
2015 24 22 68 26 56
2016 24 20 75 27 58
2017 27 23 80 30 63
2018 25 22 81 31 62
2019 25 24 84 32 63

Toename gebruik sociale netwerken door ouderen

In 2019 was 63 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder actief op een sociaal netwerk, zoals Facebook, Twitter, Instagram of Snapchat. Dit aandeel is gelijk aan dat in 2017 en 2018. In 2014 bedroeg het 55 procent. Sociale netwerken worden vooral door 12- tot 25‑jarigen gebruikt: bijna 9 op de 10 personen namen er aan deel. Ook steeds meer ouderen maken gebruik van deze sociale netwerken. In 2019 was 38 procent van de 65- tot 75‑jarigen en 17 procent van de 75‑plussers actief op een sociaal netwerk. Dat was in 2014 nog respectievelijk 23 en 6 procent.

In 2019 namen laagopgeleiden minder vaak deel aan een sociaal netwerk dan hoog- en middelbaar opgeleiden. Dit beeld komt overeen met eerdere jaren. Vrouwen gebruiken vaker een sociaal netwerk dan mannen.

65 tot 75 jaar 38% 25 tot 45 jaar 77% 45 tot 65 jaar 59% 75 jaar of ouder 17% 89% 12 tot 25 jaar 3.2.5 Ge b ruik s oc i a l e n e t w e r k e n , 2019

Bijna een derde actief via professioneel netwerk

In 2019 was 32 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder actief via een professioneel sociaal netwerk, zoals LinkedIn. Het aandeel personen dat gebruikmaakte van professionele netwerken is opnieuw toegenomen. In 2014 bedroeg het nog 24 procent van de Nederlanders. Mannen zijn vaker dan vrouwen actief op professionele sociale netwerken. De laatste jaren zijn vooral meer twintigers, dertigers en veertigers gebruik gaan maken van professionele netwerken. Meer dan de helft van de 25- tot 45‑jarigen was erop actief (53 procent).

Meer informatie over het gebruik van sociale media is opgenomen in deze StatLine-tabel.

3.3Informatie zoeken en vermaak

Internet is ook een belangrijke bron van informatie en vermaak. Deze paragraaf beschrijft welk soort informatie wordt gezocht, gaat in op het gebruik van overheidswebsites en online televisiekijken.

Nederlanders koploper informatie zoeken over goederen en diensten

Nederland staat op de eerste plaats in de EU als het gaat om online informatie zoeken over goederen en diensten. In 2019 zochten bijna negen op de tien Nederlanders (van 16 tot 75 jaar) op internet naar informatie over goederen en diensten. Ook in Finland, Duitsland en Denemarken was het aandeel relatief hoog: 85 procent of meer. Het EU-gemiddelde lag op 68 procent. Roemenië, Bulgarije en Italië scoorden met respectievelijk 33, 38 en 40 procent het laagst.

3.3.1 Online informatie zoeken over goederen en diensten, EU-28, 2019 (% van personen van
16 tot 75 jaar)
land Online informatie zoeken over goederen of diensten
Nederland 89
Finland 87
Duitsland 86
Denemarken 85
Zweden 83
Verenigd Koninkrijk 81
Estland 78
Ierland 77
België 76
Tsjechië 76
Kroatië 74
Spanje 73
Malta 72
Cyprus 72
Slovenië 70
Litouwen 69
Hongarije 69
EU-28 68
Luxemburg 67
Griekenland 67
Portugal 65
Oostenrijk 62
Frankrijk 62
Letland 62
Polen 62
Slowakijke 60
Italië 40
Bulgarije 38
Roemenië 33
Bron: Eurostat.

Vaker online op zoek naar gezondheidsinformatie

Nederlanders zoeken steeds vaker informatie over gezondheid en leefstijl op internet. In 2019 was bijna 70 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder online op zoek naar informatie over ziekten, voeding of beweging (figuur 3.3.2). In 2014 was dit nog 56 procent. Het percentage vrouwen dat op internet zocht naar dit soort informatie was hoger (71 procent) dan het percentage mannen (67 procent).

3.3.2 Online gezondheidsinformatie zoeken, 2019 (% van personen
vanaf 12 jaar)
kenmerken Online zoeken naar gezondheidsinformatie
Totaal 69
Geslacht .
Man 67
Vrouw 71
Leeftijd .
12 tot 25 jaar 65
25 tot 45 jaar 79
45 tot 65 jaar 74
65 tot 75 jaar 63
75 jaar of ouder 36
Onderwijsniveau .
Laag 53
Middelbaar 71
Hoog 84

Het zijn vooral 25- tot 45‑jarigen die online zoeken naar informatie over gezondheid; 79 procent van de personen in deze leeftijdsgroep deed dit in 2019. Van de Nederlanders van 45 tot 65 jaar zocht bijna drie kwart online gezondheidsinformatie; van de jongeren van 12 tot 25 jaar deed 65 procent dit. Ouderen gebruikten het internet minder vaak om informatie over gezondheid op te zoeken (65- tot 75-jarigen: 63 procent; 75‑plussers: 36 procent). Het aandeel personen dat op internet gezondheidsinformatie zoekt, was onder hoogopgeleide Nederlanders (84 procent) groter dan onder middelbaaropgeleiden (71 procent). Onder middelbaaropgeleiden was dat weer groter dan onder laagopgeleiden (53 procent).

Nederlanders voorop in de EU met online gezondheidsinformatie zoeken

Nederlanders en Finnen lopen voorop bij het gebruik van internet bij het zoeken van informatie over gezondheid (figuur 3.3.3). Volgens de Europese onderzoeksmethode deed 74 procent van de Nederlanders van 16 tot 75 jaar dit in 2019. Finland scoorde nipt hoger: 76 procent. Het gemiddelde van de EU was 55 procent.

3.3.3 Online gezondheidsinformatie zoeken, EU-28, 2019 (% van personen van
16 tot 75 jaar)
Online gezondheidsinformatie zoeken
Finland 76
Nederland 74
Cyprus 69
Denemarken 67
Verenigd Koninkrijk 67
Duitsland 66
Kroatië 63
Zweden 62
Malta 62
Litouwen 61
Spanje 60
Hongarije 60
Estland 60
Luxemburg 58
Ierland 57
Tsjechië 56
EU-28 55
Oostenrijk 53
Slowakije 53
Frankrijk 50
Griekenland 50
België 49
Portugal 49
Slovenië 48
Letland 48
Polen 47
Italië 35
Roemenië 31
Bulgarije 30
Bron: Eurostat.

Ruim kwart maakt afspraak online

In 2019 gebruikte 28 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder het internet om een afspraak te maken met een huisarts of medisch specialist. In 2014 deed 14 procent dat. Het waren vooral 25- tot 45‑jarigen die online een afspraak maakten met een zorgverlener (35 procent). Onder 45‑tot 65-jarigen en 65‑plussers was het aandeel respectievelijk 28 en 21 procent. Van de jongeren van 12 tot 25 jaar maakte 23 procent een medische afspraak via internet.

Of mensen via internet een afspraak maken met een zorgverlener verschilt sterk naar opleidingsniveau. Zo was het percentage hoogopgeleiden (36 procent) dat online een afspraak maakt bijna twee keer zo hoog als bij laagopgeleiden (19 procent). Middelbaaropgeleiden zaten hier met 28 procent weer tussenin. Er is op dit punt weinig verschil tussen mannen en vrouwen.

Meer informatie over online afspraken maken met zorgdienstverleners is opgenomen in deze StatLine-tabel.

Internet belangrijke nieuwsbron

In 2019 las 70 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder online nieuws (tabel 3.3.4). Dit aandeel is ten opzichte van 2014 gestegen, toen nog 52 procent online nieuwsberichten, -bladen of kranten las of downloadde. Van de 18- tot 65‑jarigen las meer dan drie kwart nieuws via internet in 2019. Jongeren van 12 tot 18 deden dit veel minder vaak: 45 procent. Ook onder 75‑plussers was het aandeel dat op internet nieuws leest veel lager dan gemiddeld (34 procent).

3.3.4Nieuwsberichten, kranten, nieuwsbladen op internet lezen of downloaden, 2019

% van personen vanaf 12 jaar
Totaal 70
 
Geslacht
Man 74
Vrouw 66
 
Opleidingsniveau
Lager onderwijs 50
Middelbaar onderwijs 74
Hoger onderwijs 87
 
% van personen
Leeftijd
12 tot 25 jaar 63
waaronder
12 tot 18 jaar 45
18 tot 25 jaar 77
25 tot 45 jaar 81
45 tot 65 jaar 77
65 tot 75 jaar 62
75 jaar of ouder 34

Bron:CBS

Overheidswebsites: vooral om informatie te zoeken

In 2019 maakte drie kwart van de Nederlanders gebruik van een overheidswebsite (tabel 3.3.5). Hieronder vallen zowel websites van overheidsinstanties (bijvoorbeeld voor burgerzaken of sociale voorzieningen) als websites van andere publieke organisaties, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen. Dit aandeel is gelijk aan dat van 2018. Nederlanders waren op overheidswebsites vooral op zoek naar informatie: 70 procent in 2019. Verder downloadde 48 procent documenten en 53 procent stuurde documenten via internet terug. Meer mensen raadpleegden websites van overheidsinstanties (70 procent) dan die van andere publieke instanties (55 procent).

3.3.5Gebruik van overheidswebsites, 20191)

Totaal2) Overheidsinstanties Andere publieke instanties
% van personen vanaf 12 jaar
Totaal 75 70 55
 
Informatie zoeken 70 64 50
Documenten downloaden 48 44 27
Documenten terugsturen 53 47 29

Bron:CBS

1)In de twaalf maanden voorafgaand aan het onderzoek.

2)Overheidswebsites omvatten zowel websites van overheidsinstanties (zoals voor burgerzaken, sociale voorzieningen of officiële documenten) als die van andere publieke instanties (zoals waterleveranciers, gezondheids- of onderwijsinstellingen).

Overheidswebsites werden het vaakst gebruikt door 25- tot 45‑jarigen; 86 procent van de personen in deze leeftijdsgroep had dit in 2019 gedaan (figuur 3.3.6). Hoogopgeleiden gebruikten overheidswebsites vaker dan middelbaar- of laagopgeleiden: 92 procent van de hoogopgeleiden bezocht dergelijke sites, terwijl dat onder laagopgeleiden 52 procent was. Mannen (80 procent) hebben vaker via internet contact met overheidsinstanties en andere publieke instanties dan vrouwen (71 procent).

3.3.6 Gebruik van overheidswebsites, 2019 (% van personen
vanaf 12 jaar)
Gebruik van overheidswebsites
Totaal 75
Geslacht .
Man 80
Vrouw 71
Leeftijd .
12 tot 25 jaar 67
25 tot 45 jaar 86
45 tot 65 jaar 82
65 tot 75 jaar 71
75 jaar of ouder 40
Opleidingsniveau .
Laag 52
Middelbaar 82
Hoog 92

Steeds vaker televisie via internet

Het online televisiekijken heeft de laatste jaren een hoge vlucht genomen. 62 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder keek in 2019 televisie via internet (figuur 3.3.7). In 2014 was dat nog 46 procent. Televisiekijken via internet is even populair onder 12- tot 25‑jarigen als onder 25- tot 45‑jarigen. Van de mensen in deze leeftijdscategorieën keek respectievelijk 75 en 74 procent in 2019 televisie via internet. Onder 75‑plussers was dit 20 procent. Mannen keken vaker internet-tv dan vrouwen.

Ook muziek/spelletjes (af)spelen via internet of downloaden is toegenomen: van 58 procent in 2014 naar 72 procent in 2019. Onder jongeren is deze activiteit zeer populair: 94 procent van de 12- tot 25‑jarigen deed dat in 2019.

3.3.7 Gebruik van online TV, spelletjes/muziek, 2019 (%)
TV Spelletjes/muziek
Totaal
(12 jaar of ouder)
62 72
12 tot 25 jaar 75 94
25 tot 45 jaar 74 86
45 tot 65 jaar 63 68
65 tot 75 jaar 47 51
75 jaar of ouder 20 31

3.4Diensten op internet: cloud-computing en internetbankieren

Internetbankieren is gemeengoed onder Nederlanders. Ook wordt steeds vaker gebruikgemaakt van cloud-computing. Deze paragraaf beschrijft in welke mate deze diensten worden gebruikt.

49 procent gebruikt cloud-computing

In 2019 maakte bijna de helft van alle Nederlanders van 12 jaar of ouder gebruik van cloud-computing. Het gebruik van cloud-computing is toegenomen. In 2014 was dit nog niet een derde (tabel 3.4.1). Deze ontwikkeling hangt samen met de opkomst van smartphones en tablets die tegenwoordig vaak automatisch back-ups maken van bijvoorbeeld foto’s of andere bestanden van de gebruiker. Het percentage jongeren (12 tot 25 jaar) dat gebruikmaakt van cloud-computing is drie keer zo hoog als het percentage ouderen (65‑plussers: 22 procent). Het aandeel hoogopgeleiden (62 procent) dat gebruikmaakt van cloud-diensten is beduidend groter dan van laagopgeleiden (37 procent). Van de mannen maakte 53 procent van cloud-computing gebruik tegen 45 procent van de vrouwen.

3.4.1Gebruik van cloud-computing, naar persoonskenmerken1)

2014 2015 2016 2017 2018 2019
% van personen vanaf 12 jaar
Totaal 31 33 40 46 45 49
 
Geslacht
Man 34 37 44 48 49 53
Vrouw 28 30 36 43 41 45
 
Opleidingsniveau
Lager onderwijs 19 22 27 33 32 37
Middelbaar onderwijs 31 34 42 47 47 50
Hoger onderwijs 45 48 54 60 58 62
 
% van personen
Leeftijd
12 tot 25 jaar 44 46 55 63 64 68
25 tot 45 jaar 43 45 52 59 58 61
45 tot 65 jaar 26 29 35 42 40 45
65 tot 75 jaar 16 17 23 24 23 29
75 jaar of ouder 4 8 9 12 11 12

Bron:CBS

1)Bestanden opgeslagen op internet in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek.

Cloud-computing

Cloud-computing is een dienst om bestanden en informatie via internet op te slaan en te delen. Vanaf 2014 zijn in de enquête ‘ICT-gebruik van huishoudens en personen’ enkele vragen opgenomen over cloud-computing. Hieronder vallen diensten die gebruikers de mogelijkheid bieden om bestanden op te slaan op internet: in de ‘cloud’. Deze bestanden komen dan terecht op servers van bedrijven die deze diensten aanbieden. Dit kan bijvoorbeeld met behulp van programma’s zoals Dropbox, Apple iCloud, Google Drive of Microsoft OneDrive. Het gaat daarbij in eerste instantie om het opslaan, maar het is ook mogelijk om deze bestanden vanuit de cloud met anderen te delen.

Internetbankieren onverminderd populair

In 2019 internetbankierde 84 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder (figuur 3.4.2). In 2014 deed 76 procent dat. Bijna alle personen tussen de 25 en 45 jaar maken gebruik van internetbankieren: 95 procent van hen deed online bankzaken in 2019. Van de 75‑plussers internetbankierde bijna de helft. Mannen (86 procent) deden vaker aan internetbankieren dan vrouwen (82 procent). Hoog- en middelbaaropgeleiden (respectievelijk 96 en 92 procent) maken vaker gebruik van internetbankieren dan laagopgeleiden (66 procent).

3.4.2 Internetbankieren, 2019 (% van personen
vanaf 12 jaar)
Internetbankieren
Totaal 84
Geslacht .
Man 86
Vrouw 82
Leeftijd .
12 tot 25 jaar 80
25 tot 45 jaar 95
45 tot 65 jaar 90
65 tot 75 jaar 78
75 jaar of ouder 47
Opleidingsniveau .
Laag 66
Middelbaar 92
Hoog 96

Nederland koploper met internetbankieren in de EU

Nederland heeft, samen met Denemarken en Finland, het hoogste percentage inwoners van 16 tot 75 jaar dat internetbankiert in de EU. In 2019 deed 91 procent van de Nederlanders, Denen en Finnen zijn bankzaken online, tegen gemiddelde 58 procent in de EU (figuur 3.4.3). Inwoners van Roemenië en Bulgarije internetbankieren nauwelijks (minder dan 10 procent).

3.4.3 Internetbankieren, EU-28, 2019 (% van personen van
16 tot 75 jaar)
Internetbankieren
Nederland 91
Denemarken 91
Finland 91
Zweden 84
Estland 81
Verenigd Koninkrijk 78
Letland 72
Luxemburg 71
België 71
Tsjechië 68
Ierland 67
Frankrijk 66
Litouwen 65
Oostenrijk 63
Duitsland 61
EU-28 58
Spanje 55
Slowakije 55
Malta 54
Slovenië 47
Polen 47
Hongarije 47
Kroatië 46
Portugal 42
Cyprus 41
Italië 36
Griekenland 31
Bulgarije 9
Roemenië 8
Bron: Eurostat.

3.5Online winkelen

Nederlanders kopen steeds vaker en meer via internet. Het aandeel Nederlanders dat online aankopen doet, is verder gestegen ten opzichte van 2017. In 2019 kocht 79 procent van de Nederlanders van 12 jaar of ouder iets via internet, in 2017 was dat 76 procent en in 2015 nog 70 procent. Deze paragraaf gaat specifiek in op dit onderwerp. Vergelijkingen worden vanaf 2015 gedaan omdat alle variabelen voor online aankopen vanaf 2015 zijn gemeten.

Online winkelen

Onder online winkelen vallen aankopen via een internetbrowser of een app. Producten die via SMS of e-mail zijn gekocht, tellen niet mee als online aankopen.

Het onderzoek ‘ICT-gebruik van huishoudens en personen’ gebruikt voor het onderwerp online winkelen verschillende referentieperiodes. Zo bestaat er een onderscheid tussen:

  • recente e-shoppers: mensen die in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek online aankopen hebben gedaan, en
  • minder recente e-shoppers: mensen die alleen meer dan drie maanden voor het onderzoek online aankopen hebben gedaan.

Dit onderscheid is bijvoorbeeld gemaakt in figuur 3.5.1. Daarnaast is bij sommige vragen in het onderzoek ‘de afgelopen twaalf maanden’ als referentieperiode gebruikt. In alle gevallen is de gehanteerde referentieperiode bij de betreffende cijfers genoemd.

Toename recente e-shoppers

De groei van het aantal Nederlanders dat online winkelt, komt mede doordat het aantal recente e-shoppers de laatste jaren sterk is toegenomen. Recente e-shoppers hebben in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek online aankopen gedaan. In 2019 behoorde 64 procent tot deze groep, vier jaar eerder was dat 10 procentpunt lager (figuur 3.5.1). Van de 11,8 miljoen online shoppers in 2019 deden 9,5 miljoen een online aankoop in de afgelopen drie maanden. Ruim 1 op de tien Nederlanders – dat zijn ongeveer 1,6 miljoen mensen – gaf aan nog nooit iets online gekocht te hebben. Hun aandeel is afgenomen: in 2015 was het 15 procent.

3.5.1 Online aankopen (% van personen vanaf 12 jaar)
jaar Totaal online aankopen Recente e-shoppers1)
2015 70 54
2016 73 57
2017 76 62
2018 78 64
2019 79 64
1)In de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek online aankopen gedaan.
11,8 miljoen Nederlanders winkelden in 2019 online Buitenvorm Binnenvorm

Veel e-shoppers in Nederland

Nederland kent relatief meer e-shoppers dan veel andere EU-landen. In Nederland winkelde 81 procent van de 16- tot 75‑jarigen in 2019 online; het EU-gemiddelde bedroeg 63 procent. In onder andere het Verenigd Koninkrijk (87 procent), Denemarken (84 procent) en Zweden (82 procent) is online winkelen nog populairder dan in Nederland.

Cijfers over e-shoppen voor meer Europese landen zijn opgenomen in deze Eurostat-tabel.

E-shoppen populair onder 25- tot 45‑jarigen

Vooral 25- tot 45‑jarigen kopen graag via internet: in 2019 kocht 92 procent van hen online goederen of diensten (figuur 3.5.2). Het aandeel e-shoppers onder 25- tot 45‑jarigen is niet veel meer gegroeid in de afgelopen jaren. In 2015 bedroeg het al 88 procent. Onder 12- tot 25‑jarigen nam het aandeel e-shoppers ook niet erg sterk meer toe. De groei concentreerde zich vooral bij Nederlanders boven de 45 jaar. Het aandeel online kopers is het sterkst gestegen bij de 65- tot 75‑jarigen: van 45 procent in 2015 naar 63 procent in 2019. Van de 45- tot 65‑jarigen kocht 85 procent online in 2019, tegen 72 procent in 2015. Voor 75‑plussers gold dat 17 procent online aankopen deed in dat jaar; in 2019 was dat gestegen naar 30 procent.

3.5.2 Online aankopen, naar leeftijd (%)
2015 2019
Totaal 70 79
12 tot 25 jaar 77 86
25 tot 45 jaar 88 92
45 tot 65 jaar 72 85
65 tot 75 jaar 45 63
75 jaar of ouder 17 30

Tussen hoog- en laagopgeleiden bestaan grote verschillen wat betreft online winkelen. Van de hoogopgeleiden winkelde 93 procent online in 2019. Onder laagopgeleiden bedroeg dit aandeel 61 procent. Mannen zijn actievere e-shoppers dan vrouwen. In 2019 winkelde 82 procent van de mannen online. Bij vrouwen was het aandeel 77 procent.

Vooral kleding en sportartikelen gekocht via internet

Online shoppers kochten in 2019 het vaakst kleding of sportartikelen (55 procent), reizen en vakanties (52 procent) en kaartjes voor evenementen (47 procent). Maaltijden bestellen bij een restaurant, fastfoodketen of een organisatie die maaltijden bezorgt, werd door 35 procent gedaan.

De grootste groei is te zien in de categorieën levensmiddelen, cosmetica of schoonmaak en huishoudelijke goederen en apparaten. Van alle goederen en diensten die online aangeschaft worden, is de verkoop van films of muziek en kaartjes voor evenementen het minst gestegen (figuur 3.5.3).

3.5.3 Soort online aankopen (% van personen
vanaf 12 jaar)
Goederen 2019 2015
Kleding of sportartikelen 55 42
Reizen en accommodatie 52 40
Kaartjes voor evenementen 47 45
Huishoudelijke goederen of apparaten 38 24
Levensmiddelen, cosmetica of schoonmaak 31 15
Boeken, tijdschriften of kranten 31 28
Soft-/ hardware, elektronica 30 25
Film, muziek 17 15
Medicijnen 9 5

Vooral aankopen binnen Nederland

Van de personen die in de twaalf maanden voorafgaand aan het onderzoek online iets hebben aangeschaft, kocht de overgrote meerderheid goederen en diensten bij Nederlandse webwinkels: 94 procent. Twee op de vijf kocht (ook) goederen of diensten uit andere EU-landen. Een op de drie kocht producten (ook) uit andere delen van de wereld.

Vaker en voor meer geld

Niet alleen doen steeds meer mensen online aankopen, ook de aankoopfrequentie ligt de laatste jaren hoger. 23 procent van de Nederlanders kocht in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek drie, vier of vijf keer iets via internet. Dat was in 2015 nog 20 procent. Bijna een vijfde kocht meer dan zes keer online; dat was 10 procent in 2015.

Ook het aankoopbedrag is hoger. Het bedrag dat op internet werd besteed lag het vaakst tussen 100 en 500 euro; 26 procent van de Nederlanders deed dit jaar aankopen in die prijsklasse. In 2015 was dat 21 procent. 5 procent kocht voor duizend euro of meer online (figuur 3.5.4).

Mannen kopen vaker online en geven gemiddeld ook meer geld uit. 10 procent van de mannen kocht meer dan tien keer iets online in de drie maanden voorafgaand aan het onderzoek, tegen 8 procent van de vrouwen. Ook had 15 procent van de mannen en 9 procent van de vrouwen in die periode in totaal vijfhonderd euro of meer uitgegeven.

3.5.4 Uitgaven aan online aankopen (% van personen
vanaf 12 jaar)
Jaar Geen euro/weet niet Minder dan 50 euro 50 tot 100 euro 100 tot 500 euro 500 tot 1000 euro 1000 euro of meer
2019 40 8 14 26 7 5
2015 47 9 14 21 6 3

Problemen bij aankopen: helft online shoppers heeft klachten

Van de Nederlanders die in 2019 online winkelden, heeft de helft klachten. Het aandeel Nederlanders dat problemen ondervond met online shoppen is toegenomen. In 2015 had 40 procent klachten met online aankopen. Te late levering van de bestelde producten is de meest genoemde klacht: een derde (34 procent) klaagde hierover (figuur 3.5.5). In 2015 was dat nog minder dan een kwart (23 procent). Op de tweede en derde plaats van de meest genoemde klachten volgden technische problemen bij het bestellen of betalen (14 procent) en het ontvangen van verkeerde of beschadigde goederen (13 procent). In 2015 ondervonden e-shoppers deze twee klachten, met respectievelijk 12 en 9 procent, minder. Moeilijkheden bij het vinden van informatie over garantie, het indienen van een klacht en geen leveringen in Nederland werd genoemd door rond 8 procent van de e-shoppers. Het percentage dat zich slachtoffer voelde van digitale koopfraude, omdat goederen of diensten niet werden geleverd, is nauwelijks veranderd.

3.5.5 Ondervonden problemen bij online winkelen (% van personen
vanaf 12 jaar)
Problemen 2019 2015
Totaal 51 40
Te late levering 34 23
Technische problemen 14 12
Verkeerde of beschadigde goederen geleverd 13 9
Niet vinden van informatie over garantie 9 7
Indienen van een klacht was moeilijk 8 6
Geen goederen of diensten in Nederland 7 4
De uiteindelijke kosten waren hoger 3 3
Fraude, bijv. geen levering of misbruik van creditcard 3 2
Ander probleem 5 5

Soms liever naar de winkel

Zo’n 2,2 miljoen Nederlanders kochten in het jaar voorafgaande aan het onderzoek niets online. 80 procent gaf de voorkeur aan een winkel bezoeken, bijvoorbeeld om het product in het echt te zien. Bijna drie op de tien was bezorgd over de veiligheid en privacy en wilde geen creditcard- of persoonlijke gegevens afgeven. Ruim een kwart zei niet te weten hoe het moet.

3.6Digitale vaardigheden

Digitale vaardigheden worden steeds belangrijker in de samenleving. Wie niet om kan gaan met een computer of internet, heeft bijvoorbeeld minder mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Daarnaast kan op sociaal gebied een gebrek aan digitale vaardigheden leiden tot minder contacten. Wie geen smartphone kan bedienen, onderhoudt bijvoorbeeld minder gemakkelijk contacten via sociale media. Deze paragraaf beschrijft de digitale vaardigheden van Nederlanders.

Meten van digitale vaardigheden

Vier ‘deelindicatoren’ beschrijven de digitale vaardigheden op een specifiek gebied. Het gaat om de gebieden informatie, communicatie, computers/online diensten, en software. Activiteiten die respondenten al dan niet hebben uitgevoerd, bepalen hun score op deze deelindicatoren: geen/weinig vaardigheden, basisvaardigheden, of meer dan basisvaardigheden. Naast de deelindicatoren geeft een ‘totaalindicator’ informatie over de algehele digitale vaardigheden. De score op de totaalindicator wordt afgeleid van de deelindicatoren. Alle EU-landen passen dezelfde methode toe, waardoor de uitkomsten van Nederland Europees vergelijkbaar zijn.

Nederlanders in Europese kopgroep digitale vaardigheden

Samen met Finland behoort Nederland tot de Europese landen met het grootste aandeel inwoners dat vaardig is met het gebruik van internet, computer en software (digitale vaardigheden). De helft van de 16- tot 75‑jarige Nederlanders en Finnen had in 2019 meer dan basis digitale vaardigheden, tegen 33 procent gemiddeld in de EU (figuur 3.6.1). Nederlanders worden steeds digitaal vaardiger. In 2015 had nog maar 43 procent meer dan basis digitale vaardigheden. De digitale vaardigheid van de Nederlandse bevolking was altijd hoger dan gemiddeld in de EU.

3.6.1 Meer dan basis digitale vaardigheden, EU-28, 2019 (% van personen van
16 tot 75 jaar)
Landen score
Nederland 50
Finland 50
Denemarken 49
Verenigd Koninkrijk 49
Zweden 46
Duitsland 39
Oostenrijk 39
Malta 38
Estland 37
Luxemburg¹⁾ 36
Spanje 36
Kroatië 35
België 34
Ierland 34
EU-28 33
Portugal 32
Litouwen 32
Frankrijk 31
Slovenië 31
Tsjechië¹⁾ 26
Cyprus 25
Hongarije 25
Letland¹⁾ 24
Griekenland 23
Italië¹⁾ 22
Polen 21
Bulgarije 11
Roemenië 10
Slowakije²⁾ .
Bron: Eurostat.
1)Methodebreuk.
2)Geen gegevens.

Het laagst is het aandeel inwoners met meer dan basis digitale vaardigheden in Oost-Europese landen als Roemenië en Bulgarije (10–11 procent). Ook Italië, Griekenland en Polen scoren op dit punt veel lager (rond 20 procent) dan het EU-gemiddelde.

Meeste vaardigheden op deelgebied ‘informatie’, minste op ‘software’

Op het deelgebied ‘informatie’ was het aandeel Nederlanders in 2019 met meer dan basis digitale vaardigheden groter (89 procent) dan op de andere deelgebieden (figuur 3.6.2). Het gaat daarbij om bijvoorbeeld informatie opzoeken via internet maar ook om bestanden verplaatsen en foto’s opslaan in de cloud. Het EU-gemiddelde was hier 71 procent.

3.6.2 Meer dan basis digitale vaardigheden, deelindicatoren, 2019 (% van personen van
16 tot 75 jaar)
Vaardigheden Nederland EU-28
Informatie 89 71
Communicatie 83 67
Computers/online diensten 81 59
Software 55 41
Bron: Eurostat.

Ook op het deelgebied ‘communicatie’ (zoals e-mailen, bellen via internet en sociale netwerken gebruiken) en ‘computers/online diensten’ (zoals online winkelen, apps installeren en een cursus volgen via internet) had respectievelijk 83 en 81 procent van de Nederlanders vaardigheden die het basisniveau ontstijgen. Het EU-gemiddelde was 67 procent voor ‘communicatie’ en 59 procent voor ‘computers/online diensten’.

‘Software’ is een wat lastiger deelgebied voor veel Nederlanders en Europeanen. Op dit terrein beschikte 55 procent van de Nederlanders over meer dan basisvaardigheden. Het EU-gemiddelde was 41 procent. Dit deelgebied omvat onder andere het gebruik van kantoorsoftware zoals programma’s voor tekstverwerking en spreadsheets. Ook zelf computerprogramma’s schrijven in een programmeertaal behoort tot dit deelgebied.

Bijna acht op de tien jongeren hebben meer dan basis digitale vaardigheden

Van de jongeren in de leeftijd van 16 tot 25 jaar had 78 procent meer dan basis digitale vaardigheden (figuur 3.6.3). Wat mensen kunnen met internet en computers verschilt sterk naar leeftijd en opleiding. Zo is het percentage Nederlanders met meer dan basis digitale vaardigheden bij jongeren ruim vier keer zo hoog als bij ouderen. Onder ouderen in de leeftijd van 65 tot 75 jaar was dit aandeel 18 procent. Van de hoogopgeleiden had 68 procent digitale vaardigheden boven het basisniveau. Dit aandeel is ruim twee keer zo groot als onder de laagopgeleiden (30 procent). De verschillen in digitale vaardigheden tussen mannen en vrouwen zijn kleiner. Het aandeel mannen met meer dan basisvaardigheden bedroeg 54 procent, tegen 45 procent onder de vrouwen.

3.6.3 Meer dan basis digitale vaardigheden van Nederlanders, naar leeftijd (% )
Vaardig 2019 2015
Totaal 50 43
16 tot 25 jaar 78 71
25 tot 35 jaar 66 57
35 tot 45 jaar 58 50
45 tot 55 jaar 48 37
55 tot 65 jaar 30 28
65 tot 75 jaar 18 12
Bron: Eurostat.

3.7Bezorgdheid over internetveiligheid

De laatste paragraaf van dit hoofdstuk gaat over internetveiligheid.

Bijna 6 op de 10 vermijdt internetactiviteit vanwege zorgen om veiligheid

In 2019 maakte 58 procent van de bevolking van 12 jaar of ouder zich zorgen om de veiligheid op internet, en zag daarom af van sommige online activiteiten (figuur 3.7.1). Zo liet ruim een derde deel het plaatsen van persoonlijke informatie op sociale netwerksites (37 procent) en het gebruiken van een openbaar wifi-netwerk of hotspot (35 procent) achterwege. Daarnaast heeft ruim een kwart (26 procent) software, apps, spelletjes, muziek of andere databestanden niet gedownload vanwege zorgen om de veiligheid. Een op de vijf heeft om deze reden wel eens afgezien van een online aankoop, 13 procent van internetbankieren en 8 procent van communiceren met de overheid.

3.7.1 Activiteiten vermeden vanwege bezorgdheid om veiligheid op internet, 2019 (% van personen
vanaf 12 jaar)
Categorie 2019
Totaal 58
Persoonlijke informatie
plaatsen op netwerksites
37
Gebruik openbaar
wifi-netwerk
35
Downloaden
databestanden
26
Online aankopen 20
Internetbankieren 13
Communiceren
met overheid
8

Vooral last van phishing en pharming

Hoewel 58 procent zich zorgen maakte om de internetveiligheid, ondervond 39 procent daadwerkelijk problemen in 2019 (figuur 3.7.2). Van de bevolking had 35 procent last van valse e-mails of berichten die mensen naar een valse website lokken (phishing). Verder werd 10 procent ongemerkt omgeleid naar een valse website met het verzoek persoonlijke informatie achter te laten (pharming).

In veel mindere mate hadden mensen last van het hacken van hun e-mail of socialemedia-account (3 procent), fraude met betaalkaarten of creditcards (2 procent), misbruik van persoonlijke gegevens (2 procent) of online identiteitsfraude (1 procent). Twee procent van de bevolking had financiële schade van een online incident, waaronder online identiteitsfraude, phishing of pharming.

3.7.2 Ervaren problemen op internet, 2019 (% van personen
vanaf 12 jaar)
Problemen probleem ervaren
Totaal 39
Phishing 35
Pharming 10
Hacken van
accounts
3
Kinderen naar
ongepaste site
3
Creditcardfraude 2
Computervirus 2
Misbruik persoonlijke
gegevens
2
Online identiteis-
fraude
1

Minder frequente en minder vaardige internetgebruikers ondervinden de minste problemen

Minder frequente internetgebruikers ondervonden het minst vaak veiligheidsproblemen op internet. Zo had 18 procent van de mensen die minder dan wekelijks online waren, last van veiligheidsincidenten gehad, tegen 43 procent van de mensen die dagelijks internet gebruikten.

Ook digitale vaardigheid speelt een rol. Minder digitaal vaardige mensen rapporteerden minder incidenten dan digitaal vaardigen, te weten 23 procent en 50 procent (figuur 3.7.3). Daarnaast hebben lager opgeleiden, jongeren (12 tot 25 jaar) en ouderen (65 jaar of ouder) minder veiligheidsincidenten meegemaakt dan hoger opgeleiden en 25- tot 65‑jarigen.

Minder frequente internetgebruikers, minder digitaal vaardige mensen, laagopgeleiden en mensen van 65 jaar of ouderen maken zich de minste zorgen over internetveiligheid.

3.7.3 Internetincidenten ervaren, 2019 (% van personen
vanaf 12 jaar)
Beschrijving incident ervaren
Onderwijsniveau .
Laag 26
Middelbaar 41
Hoog 51
Digitale
vaardigheden
.
Laag 23
Basis 41
Meer dan basis 50
Frequentie
internetgebruik
.
Minder dan
een keer per week
18
Minimaal een
keer per week
25
Dagelijks 43

Meesten voelen zich veilig op internet

Ondanks dat 58 procent van de bevolking aangeeft dat het vanwege de bezorgdheid om de veiligheid van sommige internetactiviteiten afziet, zegt 68 procent zich veilig te voelen bij het gebruik van internet. Slechts 4 procent voelt zich onveilig, 28 procent voelt zich niet veilig of onveilig.

De ruime meerderheid van degenen die zich veilig voelen op het internet is dagelijks online, heeft meer dan basis digitale vaardigheden en is jong (12 tot 25 jaar).

Noten

Mobiel internet: gebruik van mobiele apparaten op andere plekken dan thuis of op het werk.

Onder sociale media worden direct messaging zoals WhatsApp, sociale netwerken zoals Facebook, online discussiefora, weblogs en professionele netwerken zoals LinkedIn verstaan.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Judit Arends-Tóth

Nico Heerschap

Ron de Heij

Raymond Kleingeld

Bart Klijs

Rik van Roekel

Overige bijdragen

John Bechholz

Hugo de Bondt

Linda Bruls

David Gies

Cor Kragt

Ilham Malkaoui

Eelco van Vliet

Eric Wassink

Eindredactie

Ron de Heij