Windenergie

Windenergie is een zeer zichtbare vorm van hernieuwbare energie. Windmolens staan vooral in de kustprovincies, omdat het daar het meeste waait. Ook op zee staan molens. De bijdrage van windenergie aan het totale eindverbruik van hernieuwbare energie in Nederland was 21 procent in 2019.

Ontwikkelingen

Het opgestelde vermogen voor windenergie is in 2019, net als in 2018, licht gegroeid en stond einde jaar op 4 500 megawatt, waarvan ongeveer 960 megawatt op zee. Ook in 2019 werden op zee geen nieuwe windparken in gebruik genomen. Op land werd voor 160 megawatt aan vermogen bijgeplaatst en voor ongeveer 70 megawatt afgebroken. Per saldo nam het vermogen op land toe met ongeveer 90 megawatt.

De elektriciteitsproductie (genormaliseerd) is in 2019 met 7 procent gestegen naar 11 miljard kWh. Wind op zee was ook in 2019 goed voor bijna een derde van de totale elektriciteitsproductie uit wind. Die productie werd behaald met iets meer dan een vijfde van de in totaal opgestelde Nederlandse capaciteit voor windenergie.

4.0.1 Opgesteld vermogen windenergie (MW)
Op land Op zee
'00 447 0
'01 486 0
'02 672 0
'03 905 0
'04 1075 0
'05 1224 0
'06 1453 108
'07 1641 108
'08 1921 228
'09 1994 228
'10 2009 228
'11 2088 228
'12 2205 228
'13 2485 228
'14 2637 228
'15 3033,84 357
'16 3300,103 957
'17 3244,993 957
'18 3436 957
'19** 3527,158 957

Financiële ondersteuning van de overheid heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van windenergie. In augustus 2006 sloot de minister van Economische Zaken de destijds belangrijkste subsidieregeling, de Regeling Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP), vanwege de grote populariteit en daaruit voortvloeiende financiële verplichtingen. De ondersteuning voor toen bestaande en ingediende projecten bleef bestaan en in 2017 hebben de laatste projecten het einde van de looptijd van die ondersteuning bereikt (RVO, 2017e). Als opvolger van de MEP werd in april 2008 een nieuwe subsidieregeling voor nieuwe windmolens gestart: de Regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE, vanaf 2011 SDE+).

4.0.2Hernieuwbare energie uit wind

Aantal windmolens Vermogen Elektriciteitsproductie Effect
bijgeplaatst uit gebruik genomen opgesteld1) bijgeplaatst uit gebruik genomen opgesteld1) niet genormaliseerd genormaliseerd2) vermeden verbruik fossiele primaire energie vermeden emissie CO2
MW mln kWh TJ kton
Totaal
2000 47 9 1 291 38 2 447 829 744 6 745 481
2005 125 69 1 710 166 17 1 224 2 067 2 034 18 348 1 264
2010 28 27 1 973 30 15 2 237 3 993 4 503 38 320 2 583
2015 191 144 2 171 583 58 3 391 7 550 6 917 60 218 4 691
 
2016 248 88 2 331 923 57 4 257 8 170 8 364 73 216 5 462
2017 64 125 2 270 84 139 4 202 10 569 9 642 82 374 6 022
2018 66 18 2 318 207 16 4 393 10 549 10 030 82 553 5 836
2019** 49 46 2 321 159 68 4 484 11 508 10 774 86 793 6 136
 
Op land
2016 98 88 2 042 323 57 3 300 5 901 6 041 53 907 4 021
2017 64 125 1 981 84 139 3 245 6 869 6 267 54 196 3 962
2018 66 18 2 029 207 16 3 436 6 918 6 578 54 381 3 845
2019** 49 46 2 032 159 68 3 527 7 935 7 429 58 387 4 128
 
Op zee
2016 150 0 289 600 0 957 2 269 2 323 19 309 1 440
2017 0 0 289 0 0 957 3 700 3 375 28 178 2 060
2018 0 0 289 0 0 957 3 630 3 452 28 172 1 992
2019** 0 0 289 0 0 957 3 573 3 345 28 407 2 008

Bron:CBS

1)Aan einde verslagjaar.

2)Volgens de methode uit de EU-richtlijn voor hernieuwbare energie.

De windmolens op zee produceren meer elektriciteit per eenheid vermogen dan de windmolens op land. Daar staat tegenover dat windmolens op zee duurder zijn. De hogere opbrengst per eenheid vermogen van wind op zee woog lange tijd niet op tegen de hogere kosten per eenheid vermogen en per eenheid geproduceerde elektriciteit was wind op zee dan ook duidelijk duurder dan wind op land (Lensink et al., 2012).

Echter, dit beeld is de laatste paar jaar drastisch veranderd. Medio 2016 werd een bod van 7,27 cent per kilowattuur (Dong Energy; Ørsted ) en eind 2016 een nog lager bod van 5,45 cent (het consortium Shell, Van Oord, Eneco en Mitsubishi/DGE) op een tender voor windparken geaccepteerd (Rijksoverheid, 2016). De uit te keren subsidie is genoemd bod minus de jaarlijks achteraf vastgestelde gemiddelde marktprijs voor elektriciteit. Beide worden overtroffen door Nuon/Vattenfall die in maart 2018 een tender won voor de vergunning om zonder subsidie een windpark te bouwen op kavels I en II van de locatie Hollandse Kust (Rijksoverheid, 2018a). Dit is weer door Vattenfall (nieuwe naam voor Nuon) herhaald in juli 2019 dat in het zelfde windenergiegebied de tender wint voor kavels III en IV (Rijksoverheid, 2019a). Eind juli 2020 heeft het consortium Crosswind (Shell en Eneco) eveneens een tender gewonnen voor een subsidieloos windpark in de locatie Hollandse Kust (noord) (Rijksoverheid, 2020). Dit wordt dus het derde subsidieloze windpark op zee; wel is het zo dat voor de nieuwe windparken op zee de landelijke netbeheerder de kosten draagt voor de aansluiting van de windparken op het landelijk stroomnet.

4.0.3Hernieuwbare energie uit wind en elektriciteitsproductie per capaciteit

Elektriciteitsproductie Productiefactor1) Vollasturen2) Elektriciteitsproductie per rotoroppervlak3)
mln kWh % uren kWh per m2
Totaal
2010 3 994 21 1 797 798
2011 5 100 26 2 242 1 000
2012 4 982 24 2 115 946
2013 5 627 24 2 136 943
2014 5 797 24 2 103 921
2015 7 550 27 2 382 1 032
2016 8 170 23 2 045 830
2017 10 569 29 2 515 1 006
2018 10 548 28 2 456 973
2019** 11 508 29 2 580 1 013
 
Op land
2010 3 315 19 1 661 740
2011 4 298 24 2 099 939
2012 4 193 22 1 968 884
2013 4 856 23 2 013 891
2014 5 049 23 1 996 875
2015 6 420 26 2 247 986
2016 5 901 21 1 845 794
2017 6 869 24 2 116 908
2018 6 918 24 2 075 877
2019** 7 935 26 2 265 943
 
Op zee
2010 679 34 2 980 1 280
2011 802 40 3 515 1 512
2012 789 39 3 462 1 488
2013 771 39 3 382 1 454
2014 748 37 3 282 1 411
2015 1 130 41 3 592 1 387
2016 2 269 32 2 812 928
2017 3 700 44 3 866 1 257
2018 3 630 43 3 793 1 233
2019** 3 573 43 3 733 1 214

Bron:CBS

1)De productiefactor is gedefinieerd als de daadwerkelijke productie gedeeld door de maximale productie berekend op basis van het vermogen aan het einde van elke maand. Deze factor wordt ook wel capaciteitsfactor genoemd.

2)Het aantal vollasturen is het aantal uur dat de windmolens op de maximale capaciteit zouden moeten draaien om de gerealiseerde productie te halen. Het aantal vollasturen is recht evenredig met de productiefactor.

3)Berekend als het gemiddelde van de maandelijkse elektriciteitsproductie per rotoroppervlak aan het einde van de maand. Daarbij is gewogen met het aantal dagen per maand en de rotoroppervlak aan het einde van de maand.

4.0.4Windenergie op land naar ashoogte

Aantal turbines1) Vermogen1) Rotoroppervlak1) Elektriciteits-productie Productiefactor2) Productie per rotoroppervlak2)
2017 MW 1000 m2 mln kWh % KWh per m2
tot en met 30 m 86 10 26 16 17 585
31–50 m 560 320 791 587 21 752
51–70 m 596 765 1 721 1 312 19 746
71–95 m 354 838 2 077 1 924 25 905
meer dan 95 m 385 1 311 2 990 3 031 27 1 056
 
Totaal 1 981 3 245 7 605 6869 24 908
 
2018
tot en met 30 m 85 10 26 15 17 562
31–50 m 553 318 784 544 20 693
51–70 m 594 772 1 716 1 260 19 733
71–95 m 374 908 2 277 1 866 25 871
meer dan 95 m 423 1 429 3 395 3 233 27 1 005
 
Totaal 2 029 3 436 8 199 6 918 24 877
 
2019**
tot en met 30 m 85 10 26 16 19 625
31–50 m 544 312 768 584 21 762
51–70 m 576 757 1 667 1 321 20 772
71-95 m 372 899 2 266 2 102 26 917
meer dan 95 m 455 1 550 3 788 3 912 30 1 081
 
Totaal 2 032 3 527 8 515 7 935 26 943

Bron:CBS

1)Aan einde verslagjaar.

2)Berekend als het gemiddelde van de maandelijkse elektriciteitsproductie per vermogen of per rotoroppervlak aan het einde van de maand. Daarbij is gewogen met het aantal dagen per maand en het vermogen of het rotoroppervlak aan het einde van de maand.

Op grotere hoogte van het maaiveld staat meer wind dan op het maaiveldniveau. Daardoor produceren hoge molens per eenheid vermogen (in de tabel opgenomen als productiefactor) over het algemeen meer windenergie.

Door de jaren heen worden steeds meer grote en dus hoge molens bijgeplaatst en kleine molens afgebroken. Maar ook in de andere categorieën windmolens met een ashoogte van 31 tot en met 95 meter lijkt bijna geen groei meer plaats te vinden. Sinds 2015 neemt het totale opgestelde vermogen van de grootste molens met een ashoogte groter dan 95 meter wel gestaag toe.

4.0.5Windenergie naar provincie

2018 2019** 2020
aantal turbines1) vermogen1) elektriciteits-productie productie-factor aantal turbines1) vermogen1) elektriciteits-productie productie-factor afgesproken vermogen
MW mln kWh % MW mln kWh % MW
Groningen 218 447 975 25 219 450 1 054 27 855,5
Friesland 302 196 408 24 303 197 444 26 530,5
Drenthe 9 22 . . 9 22 . . 285,5
Overijssel 17 43 71 19 25 61 92 23 85,5
Flevoland 640 1 198 2 483 24 625 1 175 2 589 25 1 390,5
Gelderland 39 82 153 21 39 82 163 23 230,5
Utrecht 16 34 78 26 16 34 83 28 65,5
Noord-Holland 274 310 577 21 260 313 678 24 685,5
Zuid-Holland 158 375 671 23 171 437 1 021 28 735,5
Zeeland 239 505 999 25 245 519 1 270 28 570,5
Noord-Brabant 111 212 439 24 114 225 472 25 470,5
Limburg 6 13 . . 6 13 . . 95,5
 
Totaal op land 2 029 3 436 6 918 24 2 032 3 527 7 935 26 6 000

Bron:CBS, Monitor Wind op land RVO

1)Aan einde verslagjaar.

De meeste windmolens staan in de kuststreek. Dat is niet verwonderlijk, gezien het grotere windaanbod. Bij de plaatsing van de windmolens is het windaanbod echter niet de enige factor. Ook de beleving van de inpasbaarheid in het landschap speelt een belangrijke rol. Dat verklaart waarom in Flevoland de meeste windmolens staan, ondanks de minder gunstige windcondities in deze provincie ten opzichte van de kuststreek (SenterNovem, 2005).

Begin 2013 zijn afspraken gemaakt tussen Rijk en IPO/provincies over de bijdragen per provincie aan de totale opgestelde capaciteit van windmolens op land; afgesproken is dat in 2020 in totaal 6000 megawatt staat opgesteld. In de Monitor Wind op land publiceert RVO (2020c) in provinciale overzichten wat de stand is en wat de plannen zijn om de bijdrage te halen.

Methode

Het vermogen is bepaald aan de hand van een CBS-database met alle windmolenprojecten. De basis voor deze database is de windmonitor die de KEMA tot en met 2002 heeft bijgehouden. Elk jaar vernieuwt het CBS deze database op basis van gegevens uit de administraties van CertiQ en van RVO. De vermogens per aansluitpunt zijn gecontroleerd op plausibiliteit door te vergelijken met de elektriciteitsproductiegegevens van CertiQ. Het moment van het in en uit gebruik nemen van een molen is bepaald aan de hand van de elektriciteitsproductiegegevens van CertiQ, in combinatie met openbare gegevens op internet en Windstats.

Tussen de uitkomsten van het CBS over het opgestelde windenergievermogen en die van andere bronnen, zoals de Monitor Wind op land en Windstats.nl, treden soms verschillen op. Doorgaans worden deze veroorzaakt door verschillen in het moment van in of uit gebruik nemen van windmolens of (delen van) windmolenparken.

Sinds 2016 is met name in de provincie Groningen een groot aantal kleine windmolens geplaatst; in de meeste gevallen bij landbouwbedrijven voor stroomproductie voor eigen gebruik. In 2019 betreft het in totaal circa 200 windmolens met per stuk een vermogen van 50 kilowatt of kleiner en met een gezamenlijk vermogen van drie megawatt; deze molens staan geregistreerd bij CertiQ. Gezien de geringe omvang in totaal en om praktische redenen worden deze molens niet in de statistiek meegenomen.

De elektriciteitsproductie is berekend aan de hand van de administratie achter de certificaten voor de Garanties van Oorsprong van CertiQ. Daarnaast is er een bijschatting gemaakt voor windparken waarvan de productie niet bij CertiQ bekend is. Deze schatting is gemaakt op basis van het vermogen en de gemiddelde productiefactor en bedroeg 2,5 GWh in 2019. Voor de jaren 1998–2001 is voor de elektriciteitsproductie gebruik gemaakt van gegevens van het groenlabelsysteem van EnergieNed, voor 1996 en 1997 van de windmonitor van de KEMA en voor de jaren tot en met 1995 van CBS-gegevens.

Voor de berekening van het aandeel hernieuwbare energie volgens de bruto eindverbruikmethode uit de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie wordt de elektriciteitsproductie uit wind genormaliseerd. De methode is vastgelegd in deze richtlijn en komt er op neer dat de elektriciteitsproductie wordt berekend door het gemiddelde van het vermogen aan het begin en het vermogen aan het einde van het jaar te vermenigvuldigen met de gemiddelde elektriciteitsproductie per eenheid vermogen van de afgelopen vijf jaar.

De onzekerheid in de CBS-cijfers over de elektriciteitsproductie uit windenergie in 2019 wordt geschat op 2 procent.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Maria José Linders

André Meurink

Glenn Muller

Reinoud Segers