Foto omschrijving: Vluchtelingen van het asielzoekerscentrum Ter Apel wachten op de bus.

Asielaanvraag en opvang

In dit hoofdstuk wordt de instroom van asielzoekers in de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2022 besproken. Achtereenvolgens komen de omvang en de samenstelling van de groep, het verkrijgen van een verblijfsvergunning en gezinshereniging aan de orde. De laatste paragraaf besteedt aandacht aan een specifieke groep, de alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s).

2.1Instroom

Hoge jaarlijkse instroom COA-opvang sinds 2021

Ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder zijn er in de eerste helft van 2022 9 500 meer asielzoekers in het COA ingestroomd. Dat is in lijn met de forse toename van asielzoekers in 2021, na een relatief lage instroom in 2020. Ook nareizende familieleden die zijn ingestroomd via COA-opvang worden meegeteld. In 2014 zijn er 27 duizend asielzoekers via COA-opvanglocaties naar Nederland gekomen, in 2015 54 duizend, in 2016 31 duizend, in 2017 36 duizend, in 2018 30 duizend, in 2019 eveneens 30 duizend, in 2020 22 duizend, in 2021 34 duizend en in de eerste helft van 2022 19 duizend. De afname in met name de eerste helft van 2020 is een gevolg van de coronacrisis. Zo werden in tal van herkomstlanden en ook in Nederland grensmaatregelen ingevoerd, maar ook konden asielgehoren en rechterlijke uitspraken niet plaatsvinden en werden asielzoekers in noodopvang geplaatst in plaats van in de COA-opvang. In Ter Apel heeft de identificatie en registratie tijdelijk stilgelegen en konden asielaanvragen niet worden ingediend. Vanaf eind april 2020 werden voor veel tijdelijke maatregelen langzaam aan weer versoepelingen doorgevoerdnoot1 noot2 waardoor de instroom in de COA-opvang weer toenam.

2.1.1 Ingestroomde asielzoekers in COA-opvang naar nationaliteit, 2014 tot en met eerste helft 2022
Categorie 1 Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije Overig/onbekend
Eerste helft 2022 8190 370 1390 895 215 1295 6220
2021 15295 1035 3265 2025 370 3075 9370
2020 7585 760 610 2490 460 1415 8875
2019 7005 800 670 3285 1660 1325 15125
2018 7240 1115 770 4750 2035 1365 12940
2017 17960 1540 490 4800 870 515 9900
2016 12775 1210 1135 2985 955 310 11960
2015 29695 3350 2680 7895 2035 60 8565
2014 13260 1080 615 3960 550 50 7270

2.2Nationaliteiten

Meer asielzoekers uit Jemen en Turkije

In alle jaren zijn Syriërs veruit de grootste groep onder asielzoekers die instroomden bij de asielopvang van het COA. De figuur laat zien dat in 2014 en 2015 ongeveer de helft van de ingestroomde asielzoekers de Syrische nationaliteitnoot3 heeft. In 2018 en 2019 is het aandeel Syrische asielzoekers gedaald naar een kwart om vervolgens via een derde in 2020 weer te stijgen naar 44 procent in 2021 en de eerste helft van 2022. Tot en met 2020 betreft de op één na grootste groep die met de Eritrese nationaliteit. In 2021 en 2022 is dat die met de Afghaanse nationaliteit.noot4 Vooral in 2018 en 2019 zien we meer instroom vanuit destijds veilige landennoot5 zoals Marokko en Algerije. Vanaf 2020 is de toename van asielverzoeken van Jemenieten opvallend. Dit heeft waarschijnlijk te maken met een ernstig verslechterde humanitaire situatie in Jemen als gevolg van het voortdurende conflict tussen het leger van de officiële regering van Hadi en de Houthi’s.noot6 Dit lijkt geen tijdelijke ontwikkeling: Jemen staat in 2022 op de vierde plek qua instroom in de COA-opvang. Ook het aantal Turken dat asiel aanvraagt in Nederland is vooral sinds 2018noot7 en 2019 sterk toegenomen. De redenen waarom asielverzoeken toenemen, variëren per land. Dit kan te maken hebben met zaken als een verslechterde veiligheidssituatie (Nigeria), onzekere politieke situaties in combinatie met een slechte economische situatie (Algerije) of veranderingen in de dienstplicht (Marokko).noot8 In Turkije lopen aanhangers van de islamitische geestelijke Fethulla Gülen net als critici van de regering, een grote kans om vervolgd te worden door de Turkse overheid.noot9 Door de coronacrisis is de neergang van de economie in veel herkomstlanden nog groter geworden.noot10 noot11 Coronamaatregelen en reisrestricties in Nederland en in transitlanden hadden vooral in 2020 een dempend effect op het aantal asielverzoeken. Deze maatregelen en restricties werden in het begin van 2021 weer losgelaten.noot12

2.2.1Top vijf van nationaliteiten van ingestroomde asielzoekers in COA-opvang, 2014 tot en met eerste helft 2022
2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 Eerste helft 2022
1 Syrië 13 260 Syrië 29 695 Syrië 12 775 Syrië 17 960 Syrië 7 240 Syrië 7 005 Syrië 7 585 Syrië 15 295 Syrië 8 190
2 Eritrea 3 960 Eritrea 7 895 Eritrea 2 985 Eritrea 4 800 Eritrea 4 750 Eritrea 3 285 Eritrea 2 490 Afghanistan 3 265 Afghanistan 1 390
3 Somalië 1 295 Irak 3 350 Albanië 1 655 Irak 1 540 Iran 2 035 Nigeria 2 235 Turkije 1 415 Turkije 3 075 Turkije 1 295
4 Irak 1 080 Afghanistan 2 680 Marokko 1 265 Marokko 940 Turkije 1 365 Iran 1 660 Algerije 1 130 Eritrea 2 025 Jemen 1 240
5 Afghanistan 615 Iran 2 035 Joegoslavië 1 230 Iran 870 Algerije 1 240 Turkije 1 325 Jemen 1 015 Jemen 1 785 Eritrea 895

Bron:CBS.

2.3Nareis

Aandeel nareizigers varieert

Sinds 2014 zijn er bijna 66 duizend nareizigers via COA naar Nederland gekomen. De figuur laat zien dat het grootste deel bestaat uit instroom van nareizigers van Eritreeërs en Syriërs: twee derde van alle nareizigers sinds 2014 betreft Syriërs, bij nog eens zestien procent gaat het om Eritreeërs. Het aandeel nareizigers in de totale instroom verschilt sterk per nationaliteit. Zo betreft 31 procent van de ingestroomde Syrische asielzoekers in de eerste helft van 2022 een nareiziger terwijl dat onder Afghanen maar drie procent is.

Van alle ingestroomde asielzoekers was aanvankelijk een steeds groter aandeel nareiziger. Van alle instromers in 2014 gaat het om 15 procent van alle asielzoekers. Dit percentage stijgt via 17 procent in 2015 en 32 procent in 2016 naar 40 procent in 2017. Daarna daalde het aandeel via 21 procent in 2018 naar 14 procent in 2019. In 2020 is het aandeel weer licht gestegen naar 20 procent, terwijl het aandeel in 2021 weer verder is opgelopen naar 27 procent. In de eerste helft van 2022 is het met 18 procent gedaald naar ongeveer het niveau van 2015.

In absolute aantallen is het aantal nareizigers afgenomen. In 2017 kwamen 14 460 nareizigers naar Nederland, in 2018 was dit met 6 400 nareizigers meer dan gehalveerd. In de eerste helft van 2022 kwamen 3 295 nareizigers naar Nederland.

2.3.1 Ingestroomde asielzoekers in COA-opvang, 2014 tot en met eerste helft 2022 onderscheiden naar wel/geen nareis en nationaliteit, Syrië
Jaar van instroom in COA-opvang Geen nareis, Syrië Nareis, Syrië
2014 10715 2550
2015 21685 8010
2016 4485 8295
2017 7865 10095
2018 4820 2420
2019 5525 1480
2020 5725 1860
2021 8985 6310
Eerste helft 2022 5635 2555

2.4Leeftijd/geslacht

Aandeel jonge mannen relatief groot

De meeste asielzoekers zijn jong. Ruim driekwart van de asielzoekers is jonger dan 35 jaar (dit geldt voor alle jaren). Ongeveer de helft van alle asielzoekers uit 2014 en 2015 is op het moment van aankomst in Nederland jonger dan 25 jaar. Van de asielzoekers uit 2016 en 2017 is dat bijna 60 procent; in de periode 2018 tot en met de eerste helft van 2022 is dat weer ongeveer de helft. Ter vergelijking: van de Nederlandse bevolking op 1 januari 2022 is 28 procent jonger dan 25 jaar en 41 procent is jonger dan 35 jaar. Het aandeel mannen onder asielzoekers is van 68 procent in het cohort 2014 gedaald naar 56 procent in het cohort 2017 en vervolgens weer gestegen naar 67 procent in het cohort 2020. Onder instromers in de eerste helft van 2022 bedraagt het percentage mannen 66 procent.

2.4.1 Ingestroomde asielzoekers in COA-opvang naar cohort-jaar, leeftijd en geslacht (%)
Mannen, eerste helft 2022 Vrouwen, eerste helft 2022 Mannen, 2014 Vrouwen, 2014 Mannen, 2017 Vrouwen, 2017
80 jaar of ouder -0,01 0,05 -0,03 0,05 -0,03 0,04
75 tot 80 jaar -0,03 0,06 -0,06 0,1 -0,05 0,07
70 tot 75 jaar -0,09 0,09 -0,14 0,13 -0,1 0,12
65 tot 70 jaar -0,25 0,2 -0,26 0,24 -0,25 0,17
60 tot 65 jaar -0,51 0,31 -0,38 0,32 -0,52 0,3
55 tot 60 jaar -0,94 0,6 -0,83 0,52 -0,94 0,7
50 tot 55 jaar -1,66 0,96 -1,48 0,73 -1,6 1,42
45 tot 50 jaar -3,03 1,44 -2,85 1,06 -2,11 1,73
40 tot 45 jaar -3,81 2,19 -4,47 1,64 -2,46 2,6
35 tot 40 jaar -5,25 2,73 -6,56 2,26 -3,27 3,35
30 tot 35 jaar -7,26 3,12 -8,99 3,44 -5 4,15
25 tot 30 jaar -10,05 3,58 -11,51 4,13 -6,63 4,44
20 tot 25 jaar -10,34 3,37 -10,42 3,84 -7,14 4,59
15 tot 20 jaar -10,5 3,69 -7,71 2,99 -8,11 4,26
10 tot 15 jaar -4,52 3,81 -3,47 2,77 -5,38 4,81
5 tot 10 jaar -4,34 3,62 -3,85 3,69 -6,22 5,69
0 tot 5 jaar -3,74 3,84 -4,62 4,46 -6,04 5,68

Weer meer mannen uit Syrië

Uit Syrië en Eritrea zijn het in 2014 en 2015 vooral mannen die bij COA-opvang binnenkomen. In die jaren bestaat twee derde van alle Syrische asielzoekers uit mannen, in 2016 is dat 44 procent en daarna is het aandeel mannen weer toegenomen tot 68 procent in 2020. In 2021 en in de eerste helft van 2022 bedraagt het percentage ongeveer 64. Vooral in 2016, 2017 en in 2021 is het aandeel vrouwen en ook het aandeel jonge kinderen wat hoger dan in de andere jaren. Dit komt vooral doordat het aandeel nareizigers onder Syriërs in deze jaren hoger is. Deze groep nareizigers bestaat voor een groter deel uit vrouwen en kinderen dan de groep mensen die in Nederland een eerste asielaanvraag doet (de referenten). In de periode 2018–2020 neemt het aandeel vrouwen en kinderen onder Syrische asielzoekers weer af. Een vergelijking van de piramides tussen 2014, 2017 en 2022 laat duidelijk zien dat de asielverzoeken in 2014 vooral jongvolwassen mannen betroffen, die in 2017 vooral vrouwen en kinderen (nareizigers) terwijl er in de eerste helft van 2022 sprake is van een iets evenwichtiger verdeling tussen mannen en vrouwen, waarbij wel de groep 15 tot 20‑jarige mannen opvalt.

2.4.2 Ingestroomde Syrische asielzoekers in COA-opvang naar cohort-jaar, leeftijd en geslacht (%)
Mannen, eerste helft 2022 Vrouwen, eerste helft 2022 Mannen, 2017 Vrouwen, 2017 Mannen, 2014 Vrouwen, 2014
80 jaar of ouder -0,01 0,02 -0,05 0,04 -0,03 0,07
75 tot 80 jaar -0,04 0,04 -0,05 0,08 -0,04 0,08
70 tot 75 jaar -0,07 0,07 -0,09 0,11 -0,07 0,09
65 tot 70 jaar -0,23 0,15 -0,31 0,14 -0,23 0,11
60 tot 65 jaar -0,5 0,31 -0,79 0,31 -0,41 0,26
55 tot 60 jaar -1,21 0,68 -1,18 0,84 -1,03 0,48
50 tot 55 jaar -2,04 1,21 -2,11 2,07 -2,13 0,71
45 tot 50 jaar -3,3 1,51 -2,38 2,49 -4,25 1,25
40 tot 45 jaar -4,13 2,38 -1,97 3,44 -5,97 1,76
35 tot 40 jaar -4,64 2,88 -1,98 4,05 -8,04 2,32
30 tot 35 jaar -5,64 2,65 -2,25 4,47 -10,17 3,25
25 tot 30 jaar -7,05 3,04 -2,32 4,39 -10,98 3,09
20 tot 25 jaar -8,12 3,64 -3,33 5,55 -8,17 2,45
15 tot 20 jaar -11,3 4,12 -5,73 5,45 -6,25 2,42
10 tot 15 jaar -5,75 4,8 -7,19 6,51 -3,81 2,86
5 tot 10 jaar -5,25 4,43 -7,93 7,44 -4,54 4,19
0 tot 5 jaar -4,26 4,52 -6,62 6,33 -4,34 4,19

2.5Huishoudenssamenstelling

Minder alleenstaande mannen uit Syrië, minder kinderen uit Eritrea

Bijna de helft van alle asielzoekers die in 2014 en 2015 in Nederland zijn aangekomen, kwam als alleenstaande asielzoeker bij het COA binnen. In 2016 en 2017 daalde dit aandeel respectievelijk naar 35 en 31 procent. Dit aandeel is vervolgens weer gestegen naar bijna 50 procent in 2020. In de eerste helft van 2022 bedraagt het percentage 44 procent, hetzelfde aandeel als in 2012. In absolute zin werden in 2014 ruim 13 duizend alleenstaande asielzoekers opgevangen. Dit aantal steeg in 2015 naar bijna 25 duizend alleenstaande asielzoekers. In de periode 2016–2020 schommelde het aantal tussen de 11 en 13 duizend, in 2021 waren het er ruim 15 duizend terwijl het in de eerste helft van 2022 om 8,3 duizend alleenstaanden ging. Van alle alleenstaande asielzoekers is grofweg 10 procent minderjarig. Alleenstaand betekent hier overigens dat deze asielzoekers als alleenstaande zijn opgevangen. Het is goed mogelijk dat (een deel van) deze asielzoekers wel een partner of gezin (tijdelijk) hebben achtergelaten.

Een deel van de asielzoekers is gekomen in gezinsverband (als kind of ouder in een gezin met kinderen); in 2014 bijna 40 procent. Dit percentage loopt op naar bijna 60 procent in 2017. Dit aandeel is daarna weer gedaald naar 46 procent in 2021 en 45 procent in de eerste helft van 2022. Het kan hierbij gaan om asielzoekers die met hun gezin in Nederland arriveren, maar ook om nareizigers die zich in de asielopvang bij hun familieleden voegen. Vooral asielzoekers met een Eritrese nationaliteitnoot13 komen steeds vaker dan voorheen in gezinsverband (54 procent in 2021 en 43 procent in de eerste helft van 2022, ten opzichte van 10 procent in 2014) naar Nederland. Tussen 2014 en 2021 is het aandeel kinderen onder ingestroomde Eritreeërs toegenomen van 7 naar 37 procent. In de eerste helft van 2022 daalde dit percentage naar 29. Er zijn maar weinig asielzoekers die met partner zonder kinderen in Nederland arriveren (2 tot 5 procent). Ter vergelijking: van de Nederlandse bevolking leeft op 1 januari 2022 26 procent met partner zonder kinderen.

2.5.1 Ingestroomde asielzoekers in COA-opvang naar plaats in het huishouden en nationaliteit, 2014, 2017 en eerste helft 2022
nationaliteittabel instroomcohort Alleenstaand, meerderjarig Alleenstaand, minderjarig Kind in een gezin met ouder(s) Partner in paar met kinderen Partner in paar zonder kinderen Ouder in eenoudergezin Overig lid gezin Onbekend
Syrië '14, Syrië 5690 175 3575 1410 385 605 1065 355
Syrië '17, Syrië 2195 145 9070 2795 410 1990 425 930
Syrië '22, Syrië 2540 410 3130 925 105 490 305 275
Irak '14, Irak 470 10 320 95 35 65 50 35
Irak '17, Irak 485 25 610 175 30 95 45 75
Irak '22, Irak 100 5 100 55 15 10 65 20
Afghanistan '14, Afghanistan 220 35 170 75 40 35 30 15
Afghanistan '17, Afghanistan 145 45 160 40 20 30 20 30
Afghanistan '22, Afghanistan 185 55 665 310 50 40 25 60
Eritrea '14, Eritrea 2710 500 270 30 90 115 50 190
Eritrea '17, Eritrea 1150 510 1860 105 35 680 125 335
Eritrea '22, Eritrea 225 200 260 65 5 55 55 30
Iran '14, Iran 290 5 90 40 45 40 20 20
Iran '17, Iran 370 10 195 105 65 65 15 40
Iran '22, Iran 95 0 45 25 25 15 5 10
Turkije* '14, Turkije* . . . . . . . .
Turkije* '17, Turkije* . . . . . . . .
Turkije* '22, Turkije* . . . . . . . .
Overig/onbekend '14, Overig/onbekend 2740 195 2090 650 270 510 540 275
Overig/onbekend '17, Overig/onbekend 5445 395 1800 810 420 365 280 385
Overig/onbekend '22, Overig/onbekend 3565 285 1030 425 250 205 230 235
* Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije een vertekend beeld. Deze nationaliteit is daarom in deze figuur weggelaten. In het dashboard vindt u wel de cijfers voor Turkije.

2.6COA verhuizingen

Aantal verhuizingen in COA-opvang neemt voor recente cohorten iets toe

Figuur 2.6.1 laat zien hoe vaak asielzoekers gemiddeld zijn verhuisdnoot14 tussen opvang­locaties, uitgesplitst naar instroomcohort en aantal maanden na instroom in een COA-opvanglocatie. Personen uit het instroomcohort 2014 zijn na zes maanden gemiddeld 1,7 keer verhuisd. Mensen uit de instroomcohorten tot en met 2019 verhuisden grofweg steeds iets minder vaak in de eerste zes maanden na instroom in een opvanglocatie dan de voorgaande instroomcohorten maar de recente instroomcohorten (2020 en 2021) laten een kentering zien: mensen uit die cohorten verhuisden gemiddeld juist weer iets vaker dan eerdere cohorten. Het gemiddeld aantal verhuizingen na zes maanden van instroomcohort 2021 ligt met 1,0 weer op hetzelfde niveau als van instroomcohort 2016. Syriërs en Eritreeërs ingestroomd in 2014 verhuisden in de eerste zes maanden wat vaker (gemiddeld bijna twee keer) dan bijvoorbeeld Afghanen en Irakezen (gemiddeld iets meer dan één keer), maar voor de instroomcohorten van 2017 en later is dit verschil verdwenen. Mensen ingestroomd in 2015 en 2016 verhuisden binnen anderhalf jaar vaker dan mensen die in 2014 zijn ingestroomd. Dit komt vermoedelijk doordat eind 2016 en begin 2017 verschillende COA-opvanglocaties (vooral tijdelijke crisisnoodopvanglocaties opgericht in 2015) werden gesloten en de bewoners om die reden moesten verhuizen.noot15 Asielzoekers die in 2017 en 2019 bij COA-opvang zijn ingestroomd verhuisden juist minder vaak binnen anderhalf jaar.

2.6.1 Gemiddeld aantal verhuizingen tijdens verblijf in COA-opvang, naar instroomcohort en aantal maanden na instroom
Aantal maanden na instroom in COA-opvang 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022
3 0,83 0,54 0,43 0,38 0,4 0,28 0,62 0,63 0,61
6 1,65 1,18 0,98 0,74 0,85 0,4 0,81 1 .
12 1,85 2,27 1,82 1,18 1,58 0,79 1,24 1,44 .
18 1,79 2,63 2,27 1,53 1,91 1,14 1,55 . .
24 1,8 2,79 2,41 1,74 2,09 1,39 1,79 . .
30 2,05 2,88 2,48 1,86 2,27 1,62 . . .
36 2,16 3,17 2,62 2,08 2,49 1,87 . . .
42 2,33 3,38 2,81 2,38 2,71 . . . .
48 2,42 3,57 2,94 2,57 2,97 . . . .
54 2,44 3,82 3,24 2,88 . . . . .
60 2,71 4,04 3,24 3,04 . . . . .
66 2,95 4,13 3,44 . . . . . .
72 3,36 4,31 . . . . . . .
78 3,81 . . . . . . . .

2.7Verblijfssituatienoot16

Dalende aandelen met vergunning na 12 maanden, maar in 2020 weer sprake van een stijging

Van de Syriërs en Eritreeërs die in 2014 t/m 2018 in de asielopvang van het COA zijn ingestroomd, heeft na twaalf maanden ruim 90 procent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit is veel hoger dan onder de groep statushouders met andere nationaliteitennoot17, waar dit cijfer na twaalf maanden tussen de 20 en 78 procent ligt. Voor de asielzoekers uit Irak, Afghanistan, Iran en Turkije die in 2017 zijn ingestroomd zijn de percentages opvallend gestegen vergeleken met asielzoekers die in de jaren daarvoor instroomden. Voor de Afghaanse instromers uit 2018 geldt dit ook. Deze stijging heeft zeer waarschijnlijk te maken met het hogere aandeel nareizigers in de betreffende instroom­cohorten (zie figuur 2.3.1): zij hebben vaak al een verblijfsvergunning op het moment van aankomst in Nederland. Een tweede verklaring is dat dit te maken heeft met een meer selectieve migratiestroom uit deze landen, waarvoor de kans op een toekenning van de verblijfsvergunning wat hoger is. Voor de meeste groepen is het aandeel met verblijfs­vergunning binnen twaalf maanden voor cohort 2018 maar met name voor cohort 2019 wat lager dan voor de voorgaande cohorten. Dit is mogelijk een effect van de opgelopen achterstanden bij de IND, waarvoor in april 2020 een speciale taskforce is opgericht met het doel achterstallige asielaanvragen weg te werken.noot18 In juli 2021 was het merendeel van de achterstallige asielaanvragen weggewerkt.noot19 In 2020 zien we voor alle nationaliteiten behalve de Eritrese weer een stijging van het aandeel met een verblijfsvergunning binnen twaalf maanden.

2.7.1 Asielzoekers ingestroomd in COA-opvang naar aandeel met verblijfsvergunning op 12 maanden na instroom en naar instroomcohort (%)
2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
Syrië 98,3 97,4 96,6 97,2 93,3 70,8 89,3
Irak 59,2 39,0 49,8 79,1 51,6 35,0 57,2
Afghanistan 68,0 27,5 33,8 58,7 78,2 49,9 58,9
Eritrea 96,8 98,1 96,6 96,2 86,7 86,6 84,7
Iran 73,1 30,8 32,0 64,0 20,1 8,3 32,7
Turkije 28,6 27,8 24,9 75,4 45,9 47,6 90,6
Overig/onbekend 65,6 54,4 51,6 57,6 45,6 25,2 46,1

Na zeven-en-een-half jaar nog 240 asielzoekers zonder vergunning in COA-opvang

Van het instroomcohort 2014 verblijven na 90 maanden nog steeds 240 personen in de opvang zonder een vergunning. Dit betekent echter niet dat de IND hun aanvraag nog niet heeft afgehandeld. Na een afwijzing blijven sommigen in de opvang in afwachting van vertrek, of in afwachting van een uitspraak op beroep. Ook kunnen mensen na een afwijzing opnieuw een asielaanvraag indienen (tweede of volgende aanvraag), bijvoorbeeld wanneer er iets is veranderd in hun situatie, of omdat er nieuwe informatie is over het land van herkomst. Een groot deel van deze mensen zal geen verblijfsvergunning krijgen. Een aanzienlijk deel van de asielzoekers is bovendien inmiddels vertrokken uit de COA-opvang (of overleden). Wanneer we met deze laatste groep (vertrokken of overleden) rekening houden, zien we dat van het instroomcohort 2014 na 90 maanden nog 1,1 procent (ofwel de eerder genoemde 240 personen) zonder een verblijfsvergunning in de COA-opvang verblijven. Dit percentage is nauwelijks lager dan in de vorige rapportage werd gevonden (1,3 procent) hetgeen inhoudt dat er in het meest recente jaar nauwelijks meer vergunningen zijn verleend aan mensen uit dit instroomcohort. Van het instroomcohort 2015 verblijven er na 78 maanden nog 675 personen (1,6 procent) in de COA-opvang zonder een verblijfsvergunning. Voor meer dan de helft bestaat deze groep uit personen met een Iraakse of Afghaanse nationaliteit. Van het instroomcohort 2016 verblijven na 66 maanden nog 430 personen in de COA-opvang zonder verblijfsvergunning (2,3 procent). Voor dit instroomcohort bestaat deze groep voor de helft uit personen met ‘overige’ nationaliteiten. Van het instroomcohort 2017 zijn er na 54 maanden nog 615 personen in de COA-opvang zonder een verblijfsvergunning (2,3 procent). Van het instroomcohort 2018 ten slotte, zijn er na 42 maanden nog 1470 personen in de COA-opvang zonder een verblijfsvergunning (7,6 procent).

De snelheid waarmee asielzoekers een verblijfsvergunning krijgen verschilt sterk per nationaliteit. Zo zien we dat bijna alle (98 procent) Syriërs en Eritreeërs van het instroomcohort 2014 binnen anderhalf jaar een verblijfsvergunning hebben gekregen. Dit is veel sneller dan asielzoekers uit de overige hier gepresenteerde landen: vergelijkbare aandelen met een verblijfsvergunning werden voor asielzoekers uit Afghanistan, Irak en Iran pas na ongeveer zes jaar bereikt. Dit heeft vooral te maken met de kansen dat asielzoekers uit de verschillende landen hun asielverzoek gehonoreerd krijgen. Binnen zes maanden heeft al 92 procent van de Syriërs en 83 procent van de Eritreeërs uit instroomcohort 2014 een verblijfsvergunning. Voor Syriërs die in 2017 zijn ingestroomd, verlopen de procedures nog steeds snel: van hen had 91 procent al binnen zes maanden een verblijfsvergunning. Voor de instroomcohorten 2018 t/m 2020 zijn de aandelen met verblijfsvergunning binnen een half jaar lager: van de in 2018 ingestroomde Syriërs heeft 68 procent binnen een half jaar een verblijfsvergunning ontvangen, van de in 2019 ingestroomde Syriërs was dit 48 procent en van instroomcohort 2020 was dit 43 procent. Voor alle nationaliteiten geldt een soortgelijke trend: van cohort 2017 had 79 procent binnen zes maanden een verblijfs­vergunning, dit aandeel daalde in de jaren daarna tot 50 procent voor cohort 2021. De recent lagere aandelen met een verblijfsvergunningen worden vermoedelijk veroorzaakt door de eerder genoemde opgelopen achterstanden bij de IND.

2.7.2 Asielzoekers ingestroomd in COA-opvang in 2014 naar aandeel zonder verblijfsvergunning en op aantal maanden na instroom (exclusief vertrokken/overleden) (%)
Aantal maanden na instroom in COA-opvang Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije* Overig/onbekend
3 52,5 67,4 67,2 88,7 77,3 . 73,6
6 8,3 54,1 50,1 17,1 55,4 . 56,1
12 1,7 40,8 32 3,2 26,9 . 34,4
18 0,6 33,7 22,5 2 17 . 25,5
24 0,2 21,4 18,3 1,4 12,6 . 19,1
30 0,1 16,5 14,4 1,1 10,4 . 15,6
36 0,1 11,9 10,1 1 9,7 . 12,4
42 0,1 9,3 7,8 0,9 4,8 . 10,3
48 0,1 9,4 5,2 1 3,9 . 9,7
54 0,1 6,8 4,3 1 3,9 . 8,9
60 0,1 5,3 3,8 0,9 3,1 . 8,1
66 0,1 4,5 4,1 0,7 2,4 . 7,3
72 0,1 3,1 3,4 0,6 2,4 . 6,1
78 0,1 2,7 3,5 0,6 2,9 . 5
84 0,1 2,6 3,1 0,7 2,9 . 4,4
90 0,1 3,2 3,1 0,7 2 . 4,4
* Vanwege kleine aantallen geven de gegevens voor Turkije een vertekend beeld. Deze nationaliteit is daarom in deze figuur weggelaten. In het dashboard vindt u wel de cijfers voor Turkije.

Vaker een eigen woning voor Eritreeërs ingestroomd in 2016 en 2017 door meer nareis

Van de in 2014 ingestroomde Syriërs had 70 procent na twaalf maanden een eigen woonruimte, veel meer dan de overige nationaliteiten waarbij dit aandeel varieerde van 12 procent voor Turken tot 45 procent voor Eritreeërs. Voor met name die laatste groep is in de jaren daarna, 2016 en 2017, de woonsituatie aanmerkelijk verbeterd. Van de Eritreeërs die zijn ingestroomd in 2016 en 2017 had zo’n 80 procent na twaalf maanden een eigen woonruimte. Voor Syriërs die in 2016 en 2017 zijn ingestroomd nam het aandeel met een eigen woning na twaalf maanden verder toe tot 87 procent. De verbeterde situatie komt doordat een aanzienlijk deel van de asielzoekers in de recentere jaren nareiziger was. De referent wacht het langst, de nareizigers korter. In 2018 is het aandeel nareizigers afgenomen en daarmee daalden ook de aandelen met een eigen woonruimte binnen een jaar (71 procent voor de Syriërs en 73 procent voor de Eritreeërs). Vooral alleenstaanden moeten lang wachten op woonruimte. Een deel van deze groep wacht nog op nareis van familieleden, waardoor nog niet altijd duidelijk is welk type woning nodig is.noot20 Van de Eritreeërs die zijn ingestroomd in 2018 t/m 2020 verblijft een relatief groot aandeel na twaalf maanden nog zonder verblijfsvergunning in COA-opvang (respectievelijk 12, 13 en 14 procent), in de voorgaande instroomcohorten was dit maximaal 4 procent. Ook onder Syriërs in de cohorten 2018–2020 is een relatief groot aandeel dat na twaalf maanden nog zonder verblijfsvergunning in COA-opvang verblijft: zes procent in 2018 en negen procent in 2020, in de jaren daarvoor was dit aandeel hooguit drie procent. Deze stijging wordt vermoedelijk veroorzaakt door de (inmiddels weggewerkte) achterstanden bij de IND en door een afnemend aandeel nareizigers.

2.7.3 Eritrese asielzoekers ingestroomd in COA-opvang naar instroomcohort en naar verblijfssituatie op 12 maanden na instroom
Jaar van instroom in COA-opvang Zelfstandig in gemeente In COA met verblijfsvergunning In COA zonder verblijfsvergunning Vertrokken (of tijdelijk geen adres) Overleden
2014 1780 1895 120 160 0
2015 4790 2710 145 245 0
2016 2370 230 90 300 0
2017 3890 355 170 385 5
2018 3470 235 570 470 5
2019 2475 215 420 165 5
2020 1755 160 345 225 0

Afghanen uit recente jaren minder vaak een eigen woning

De woonsituatie van Afghanen laat sinds 2014 een wisselend beeld zien. Tot en met 2018 verbeterde de woonsituatie van Afghanen aanzienlijk: van het cohort 2018 had 62 procent na 12 maanden een eigen woonruimte, vier keer zoveel als het cohort 2015 waarvoor dat aandeel 14 procent bedroeg. In dezelfde periode daalde het aandeel Afghanen dat nog zonder verblijfsvergunning in COA-opvang verbleef van 60 procent voor cohort 2015 naar 18 procent voor cohort 2018. Met ingang van het instroomcohort 2019 is deze trend gekeerd: 37 procent verblijft na twaalf maanden in een COA-opvanglocatie zonder een verblijfs­vergunning. Voor Afghanen geldt dat, ten opzichte van bijvoorbeeld Syriërs en Eritreeërs, de eerste asielaanvraag relatief vaak wordt afgewezen. Zij dienen relatief vaak een herhaalde asielaanvraag in, waardoor zij in totaal vaak langer in een opvanglocatie verblijven. Tegelijkertijd zien we een stijging in het aandeel Afghanen dat vertrekt: 17 procent van de instroomcohorten 2014 en 2018 is na twaalf maanden weer vertrokken, dit aandeel is in 2019 en 2020 gestegen naar respectievelijk 26 en 31 procent. Dit kan erop wijzen dat zich met name in het cohort 2018 meer nareizigers bevinden en/of dat er zich vooral Afghanen bevinden met goede kansen op toekenning van een asielaanvraag. Vertrokken betekent hier dat mensen niet meer via de registers in beeld zijn. Het betekent niet per se dat zij Nederland hebben verlaten.

2.7.4 Afghaanse asielzoekers ingestroomd in COA-opvang naar instroomcohort en naar verblijfssituatie op 12 maanden na instroom
Jaar van instroom in COA-opvang Zelfstandig in gemeente In COA met verblijfsvergunning In COA zonder verblijfsvergunning Vertrokken (of tijdelijk geen adres) Overleden
2014 260 85 160 110 0
2015 380 225 1600 475 0
2016 225 65 575 265 0
2017 165 30 135 155 0
2018 480 20 140 130 0
2019 205 45 245 175 0
2020 190 55 175 190 0

2.8Nareis en (reguliere) gezinshereniging

Minder nareis en meer vertrek onder recente cohorten

Van alle asielzoekers (exclusief nareizigers) uit 2014 heeft 21 procent binnen tweeënhalf jaar familieleden laten overkomen via de nareisregeling en 9 procent via reguliere gezinshereniging. Dat er meer familieleden komen via de nareisregeling komt doordat er bij reguliere gezinshereniging strengere eisen gelden dan bij nareis.noot21 Deze percentages lopen terug naar 2 tot 7 procent voor de asielzoekers die zijn ingestroomd in de periode 2016 t‍/‍m 2019. Tegelijkertijd geldt voor alle nationaliteiten gezamenlijk dat, in vergelijking met de instroomcohorten 2014 en 2015, een groot aandeel van de cohorten 2016 t/m 2019 na 30 maanden weer is vertrokken: 42 tot 55 procent, ruim twee keer zoveel als de cohorten 2014 en 2015. Dit betreft voor een belangrijk deel asielzoekers van wie de asielaanvraag is afgewezen. Voor de cohorten 2017–2019 is het aandeel vertrokken vergeleken met cohort 2016 weer wat afgenomen, wat waarschijnlijk samenhangt met de instroom van mensen met meer kansrijke asielverzoeken.

2.8.1 Gezinsvorming- en hereniging onder asielzoekers (exclusief nareizigers) naar instroomcohort, 30 maanden na instroom in opvanglocatie COA (%)
2014 2015 2016 2017 2018 2019
Overleden -0,2 -0,1 -0,1 -0,1 -0,1 -0,1
Vertrokken -21,5 -22,7 -54,9 -41,6 -42,9 -43,6
Geboorte kind in Nederland 10,3 8,1 4,2 5,4 4,8 4,1
Overige gezinsherening/vorming door immigratie partner/kinderen 9,4 6,4 2,4 2,9 2,2 1,6
Nareizigers 21,2 20,3 3,9 4,3 5,6 7,2
Geen wijziging in gezinssituatie 49,7 50,9 36,9 48,9 47,0 44,7

Onder Syriërs zijn de percentages asielzoekers die familieleden hebben laten overkomen aanzienlijk hoger dan de hiervoor genoemde: het percentage Syrische asielzoekers dat in 2014 is ingestroomd en een nareiziger heeft laten overkomen is na tweeënhalf jaar 36 procent terwijl 13 procent familieleden liet overkomen via reguliere gezins­hereniging. Ook onder Syriërs lopen deze aandelen terug voor jongere instroom­cohorten. Van de Syriërs die in 2015 in COA zijn ingestroomd, heeft 34 procent na tweeënhalf jaar een nareiziger laten overkomen, en voor de instroomcohorten 2016 en 2017 bedraagt dit 7 à 8 procent. Cohort 2018 laat echter een kentering zien in deze daling: 17 procent van dit cohort heeft een nareiziger laten overkomen, een aandeel dat voor cohort 2019 verder toeneemt tot een kwart. Onder Syrische asielzoekers is het aandeel dat na tweeënhalf jaar is vertrokken minder sterk toegenomen dan voor de totale populatie asielzoekers. Van de instroomcohorten 2014 en 2015 vertrok 8 procent, van de cohorten daarna vertrok 9 tot 13 procent.

2.8.2 Gezinsvorming- en hereniging onder Syrische asielzoekers (exclusief nareizigers) naar instroomcohort, 30 maanden na instroom in opvanglocatie COA (%)
2014 2015 2016 2017 2018 2019
Overleden -0,2 -0,1 -0,3 -0,1 -0,2 -0,3
Vertrokken -7,8 -7,7 -12,7 -10,3 -12,6 -9
Geboorte kind in Nederland 13,4 10,4 8,4 7,9 8 4,6
Overige gezinsherening/vorming door immigratie partner/kinderen 13,2 9,4 5 4,8 5,7 3,8
Nareizigers 36,4 33,8 7,8 7 17,1 24,8
Geen wijziging in gezinssituatie 48,5 51,8 70,6 75,2 63,5 61

2.9Alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s)

In deze paragraaf wordt de groep alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s) gemonitord. Zoals aangegeven in de populatiebeschrijving bestaat deze groep, naast de jongeren die via COA zijn ingestroomd, ook uit jongeren die niet via COA zijn binnengekomen maar onder de verantwoordelijkheid van NIDOS vallen. In de periode 2014 tot en met de eerste helft van 2022 hebben in totaal ruim 18 duizend jongeren gebruik gemaakt van de speciale regeling voor amv’s. Van deze groep zijn ruim 16 duizend ingestroomd via COA. Dit betekent dat iets meer dan 11 procent van de amv’s uitsluitend onder de verantwoordelijk­heid van NIDOS valt. Bijna 60 procent van de amv’s bestaat uit Syriërs (31 procent) en Eritreeërs (28 procent). Vooral in 2015 werd veel gebruik gemaakt van deze regeling (4 500 nieuwe amv’s). Ook in de recentere cohorten is een opleving van het aantal amv’s te zien: in de eerste helft van 2022 zijn er bijna 1 500 jongeren die nieuw onder deze regeling vallen.

2.9.1 Vestiging van alleenstaande minderjarige vreemdelingen in een Nederlandse gemeente naar nationaliteit, 2014 tot en met eerste helft 2022
Categorie 1 Syrië Irak Afghanistan Eritrea Iran Turkije Overig/onbekend
Eerste helft 2022 510 35 65 260 0 10 660
2021 1160 140 195 335 5 5 845
2020 500 25 55 120 5 0 525
2019 340 70 60 160 20 0 720
2018 215 75 40 680 25 0 745
2017 210 50 80 685 5 0 685
2016 310 40 215 815 20 5 545
2015 1975 145 560 1385 30 5 400
2014 420 20 35 610 10 0 365

Twee derde van de amv’s is 15 tot 18 jaar oud

Verreweg de meeste amv’s zijn 15, 16 of 17 jaar oud: 67 procent van alle amv’s sinds 2014 valt in deze leeftijdsklasse. In de vroegere cohorten (2014–2016) lag dat percentage met 75 procent wat hoger dan in de cohorten daarna (rond de 57 procent), in de eerste helft van 2022 is dit aandeel weer gestegen naar 72 procent. Nog eens 16 procent valt in de leeftijdscategorie 10 t/m 14 jaar. Erg jonge amv’s komen weinig voor: slechts 1 procent is jonger dan vijf jaar. Het betreft de leeftijd op het moment dat we een persoon voor het eerst kunnen volgen. Ongeveer 80 procent van de amv's is man.

2.9.2 Alleenstaande minderjarige vreemdelingen naar leeftijd op moment van vestiging in Nederland, 2014 tot en met eerste helft 2022
Categorie 0 tot 5 jaar 5 tot 10 jaar 10 tot 15 jaar 15 tot 18 jaar 18 tot 25 jaar 25 tot 30 jaar
Eerste helft 2022 5 25 235 1105 155 10
2021 25 90 550 1640 365 15
2020 15 50 240 685 235 15
2019 30 45 245 775 265 15
2018 35 40 230 1030 430 15
2017 20 50 200 1035 395 20
2016 20 55 270 1475 120 15
2015 35 170 780 3450 65 5
2014 20 85 235 1030 80 5

Ook onder amv’s minder nareis en meer vertrek onder recente cohorten

Van alle amv’s uit 2014 heeft 28 procent binnen tweeënhalf jaar familieleden laten overkomen via de nareisregeling en 18 procent via reguliere gezinshereniging. Dat er meer familieleden komen via de nareisregeling komt doordat er bij reguliere gezinshereniging strengere eisen gelden dan bij nareis.noot22 Deze percentages lopen terug naar 19, respectievelijk 6 procent voor de amv’s die zijn ingestroomd in 2019 maar liggen wel duidelijker hoger dan voor de totale instroom van asielzoekers in COA (zie paragraaf 2.8.1). Evenals voor de totale instroom van asielzoekers in COA geldt ook voor amv’s dat een groot aandeel van de cohorten 2016 t/m 2019 na 30 maanden weer is vertrokken: 32 tot 48 procent, ongeveer drie keer zoveel als de cohorten 2014 en 2015. Dit betreft voor een belangrijk deel asielzoekers van wie de asielaanvraag is afgewezen.

2.9.3 Gezinsvorming- en hereniging onder alleenstaande minderjarige vreemdelingen naar vestigingscohort, 30 maanden na vestiging (%)
2014 2015 2016 2017 2018 2019
Overleden 0,0 0,0 -0,1 -0,1 0,0 0,0
Vertrokken -11,6 -14,0 -32,1 -47,7 -43,7 -46,4
Geboorte kind in Nederland 3,1 1,8 2,4 1,6 1,6 0,8
Overige gezinsherening/vorming door immigratie partner/kinderen 18,0 10,4 8,2 4,2 3,0 5,6
Nareizigers 28,2 37,3 20,9 14,4 11,9 18,5
Geen wijziging in gezinssituatie 50,8 44,5 42,4 36,1 42,0 31,8

2.10Dashboard

Naast deze rapportage is er een interactief dashboard, met daarin nog meer cijfers over de opvang van asielzoekers. In dit dashboard kunt u zelf kiezen over welke onderwerpen en voor welke nationaliteitennoot23 u cijfers (visueel) gepresenteerd wilt zien.

Noten

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Het aantal verhuizingen is bepaald door het adres op de eerste dag van de maand te vergelijken met het adres een maand eerder. Mensen kunnen op deze manier berekend maximaal één keer per maand verhuizen. Daarmee worden deze cijfers op een andere wijze gegenereerd dan het COA dat doet als onderdeel van de Rapportage Vreemdelingenketen over verhuisbewegingen van minderjarige kinderen die onderdeel zijn van een gezin.

In figuren 2.7.1 en 2.7.2 zijn de aandelen berekend op de populatie exclusief degenen die zijn vertrokken of overleden, in figuren 2.7.3 en 2.7.4 zijn de aandelen berekend op de populatie inclusief degenen die zijn vertrokken of overleden. Deze keuze hangt samen met de besproken onderwerpen.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Nationaliteit wordt afgeleid van geboorteland, land van herkomst of de oorspronkelijke nationaliteit indien de nationaliteit onbekend of inmiddels Nederlands is.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Zoë Driessen

Evelien Ebenau (projectleider)

Corina Huisman

Han Nicolaas

Isidora Stolwijk

Stephan Verschuren

Dankwoord

We danken de medewerkers van de volgende instanties voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van het Asielcohorten onderzoek:

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)

Nidos

Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV)

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC)

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er achteraf enkele onvolkomenheden geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Datum: 31 januari 2025

In figuur 2.5.1 over huishoudsamenstelling waren voor nationaliteit ‘overig/onbekend’ voor cohortjaar 2014 en 2017 ten onrechte verkeerde cijfers weergegeven. Dit figuur is hersteld met de juiste cijfers.
 
Dit was het oorspronkelijke figuur:

[ Ontbreekt! ]

 
Dit is het nieuwe figuur:
[ Ontbreekt! ]

Ook is een correctie gedaan in de tekst over baankenmerken, betreffende de soort baan (werknemer/uitzendkracht/oproepkracht). Hierin is ten onrechte geen rekening gehouden met de categorie ‘overig’. De categorie ‘overig’ bestaat uit de werkvormen stagiaire, DGA (directeur/grootaandeelhouder) en WSW-er (Wet Sociale Werkvoorziening). De cijfers in de teksten hierover in paragraaf 3.9 en 4.4 zijn hier nu op aangepast.
 
De betreffende originele tekst in 3.9 was:
Statushouders aanvankelijk vaak als oproepkracht aan het werk
In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. Van cohort 2014 werkt een half tot tweeëneenhalf jaar na het verkrijgen van hun vergunning ongeveer een derde als oproepkracht, 10 tot 15 procent werkt als uitzendkracht en het overige deel is werknemer. Het aandeel dat als oproepkracht werkt daalt tot ongeveer 17 procent na vijf jaar en blijft daarna vrij stabiel. Het aandeel dat als uitzendkracht aan de slag gaat neemt geleidelijk toe tot 30 procent na 4–5 jaar en daalt vervolgens tot 22 procent.
 
Dit is nu aangepast naar:
Statushouders aanvankelijk vaak als oproepkracht aan het werk
In het begin van hun werkzame carrière werken statushouders in verhouding vaak als oproepkracht. Van cohort 2014 werkt een half tot tweeëneenhalf jaar na het verkrijgen van hun vergunning ongeveer een derde als oproepkracht, 8 tot 17 procent werkt als uitzendkracht, 2 tot 4 procent behoort tot de groep overig (stagiaire, DGA of WSW-er) en het overige deel is werknemer. Het aandeel dat als oproepkracht werkt daalt tot ongeveer 17 procent na vijf jaar en blijft daarna vrij stabiel. Het aandeel dat als uitzendkracht aan de slag gaat neemt geleidelijk toe tot 30 procent na 4 jaar en daalt vervolgens tot 21 procent.
 
De betreffende originele tekst in 4.4 was:
Een derde werkt als werknemer, de overige werkende Oekraïners werken als oproepkracht of uitzendkracht.
 
Dit is nu aangepast naar:
Een derde werkt als werknemer, de overige werkende Oekraïners werken met name als oproepkracht of uitzendkracht.
 

Datum: 8 februari 2024

Tijdens het maken van de update voor voorjaar 2024 is gebleken dat er personen missen in de data vanuit COA, en dat dit ook al het geval was in de levering voor de update van 2023 (maar niet eerder). In de uitstroom van personen uit COA-locaties in de eerste helft van 2022 is een deel van de populatie niet aangeleverd, waaronder in ieder geval de uitstroom van jongeren onder de 18 jaar. Voor het dashboard en de rapportage Asiel en Integratie 2023 betekent dit dat er momenteel geen conclusies getrokken kunnen worden over de uitstroom uit COA en de instroom/bezetting van COA in het eerste halfjaar van 2022. Met betrekking tot de verblijfssituatie na instroom in COA worden nu personen die onterecht niet zijn meegeleverd in de uitstroombestanden gerekend als ‘in COA’, terwijl ze eigenlijk tot een van de andere categorieën behoren. Bij de kenmerken die de situatie van een persoon weergeven X maanden na uitstroom uit COA, wordt deze groep onterecht buiten beschouwing gelaten.
 
Het cohort eerste halfjaar 2022 binnen het opvang-deel is daarmee nog niet volledig betrouwbaar en is hersteld (en aangevuld met een nieuw jaar) in deze publicatie: Asiel en integratie 2024 – Cohortonderzoek asielzoekers en statushouders.
 
Daarnaast is een kleine correctie gedaan op de indicator ‘aantal verschillende banen’ onder de baankenmerken. In gevallen waarin iemand voor de duur van meerdere maanden terug gaat naar een eerdere baan wordt ten onrechte een lager aantal banen geteld dan het daadwerkelijke aantal verschillende banen. Er was dus sprake van een kleine onderschatting. Dit is hersteld en geeft voor de meeste aandelen geen verschillen.
 
Oorspronkelijke tekst
Het aantal banen dat een statushouder in zijn loopbaan bekleedt neemt geleidelijk toe. Tot ongeveer twee jaar na het verkrijgen van de vergunning heeft driekwart van de statushouders één baan gehad, 1 op de 5 heeft dan al twee banen gehad. Na verloop van tijd stijgt het aandeel dat 3 of meer banen heeft gehad. Uiteindelijk, dat wil zeggen 90 maanden na het verkrijgen van de vergunning, heeft bijna 20 procent van cohort 2014 3 banen gehad, 14 procent heeft 4 banen gehad terwijl 29 procent 5 of meer verschillende banen heeft gehad.
 
Vernieuwde tekst
Het aantal banen dat een statushouder in zijn loopbaan bekleedt neemt geleidelijk toe. Tot ongeveer twee jaar na het verkrijgen van de vergunning heeft driekwart van de statushouders één baan gehad, 1 op de 5 heeft dan al twee banen gehad. Na verloop van tijd stijgt het aandeel dat 3 of meer banen heeft gehad. Uiteindelijk, dat wil zeggen 90 maanden na het verkrijgen van de vergunning, heeft bijna 20 procent van cohort 2014 3 banen gehad, 15 procent heeft 4 banen gehad terwijl 30 procent 5 of meer verschillende banen heeft gehad.