Bevindingen per indicator

Om een volledig beeld te krijgen van de woningmarktontwikkelingen rondom het Groningenveld, is zowel gekeken naar de ontwikkeling van verkoopprijzen, als die van vijf verkoopbaarheidsindicatoren: de verhouding tussen vraag- en verkoopprijs, het aandeel verkochte en te koop staande woningen en de verkoop en te-koopduur. De belangrijkste uitkomsten per indicator staan in deze paragraaf centraal.

3.1Verkoopprijs

De verkoopprijs is met behulp van een zogeheten kenmerkenmodel onderzocht. De gemeten verkoopprijs is door middel van dit model gecorrigeerd voor verschillende woningkenmerken. Deze correctie voorkomt dat een ontwikkeling wordt gemeten die is veroorzaakt doordat in het ene kwartaal woningen met andere kenmerken worden verkocht dan in het andere kwartaal.

De ontwikkeling van de verkoopprijs is, net als de andere indicatoren, uitgedrukt in indexcijfers die in het derde kwartaal van 2012 (het kwartaal van de grote beving bij Huizinge) op 100 zijn gesteld. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer een indexcijfer 110 zou bedragen in het tweede kwartaal van 2019, de indicator ten opzichte van het derde kwartaal van 2012 met tien procent is toegenomen. Een indexcijfer van 97 in het tweede kwartaal van 2019 zou juist duiden op een daling van drie procent ten opzichte van het derde kwartaal van 2012. Door gebruik te maken van indexcijfers kan gemakkelijker worden vergeleken of het referentiegebied en de risicobieden zich sinds het derde kwartaal van 2012 anders ontwikkelen.

De verkoopprijs neemt in alle onderzoeksgebieden toe in de periode vanaf het derde kwartaal van 2012 tot en met het tweede kwartaal van 2019. Van de risicogebieden verschilt alleen het risicogebied met hoge schade-intensiteit significant van het referentiegebied. In het referentiegebied is de toename van de verkoopprijs 19,9 procent terwijl dit in het risicogebied met hoge schade-intensiteit 13,3 procent is. De toenames in het risicogebied met lage en gemiddelde schade-intensiteit zijn respectievelijk 20,1 en 15,6 procent en niet significant verschillend van het referentiegebied.

Grafiek 3.1 laat zien is dat het, in vergelijking met het referentiegebied, langer duurt voordat de verkoopprijzen zijn gaan stijgen in het risicogebied met hoge schade-intensiteit. Terwijl in het referentiegebied de prijzen na het tweede kwartaal van 2013 toenemen, beginnen zij pas na het eerste kwartaal van 2014 te stijgen in het risicogebied met hoge schade-intensiteit. Daarnaast lijken de verkoopprijzen aan het einde van de onderzoeksperiode wat sneller te stijgen in het referentiegebied.

Voor zowel het risico- als het referentiegebied geldt een significant verschil tussen het krimp- en niet-krimpgebied. De gebieden zonder krimp kennen een grotere toename. Zo steeg de verkoopprijs in het risicogebied zonder krimp 19,8 procent en in het gebied met krimp 13,4 procent. Voor het referentiegebied bedragen deze stijgingen 21,9 en 16,1 procent.

3.2Prijsverhouding

Zowel in alle risicogebieden als in het referentiegebied ligt de prijsverhouding halverwege 2019 hoger dan in het derde kwartaal van 2012. Dit houdt in dat de verkoopprijs dichter bij de vraagprijs is komen te liggen. De toename van de prijsverhouding is in het referentiegebied 11,8 procent en in de risicogebieden met lage, gemiddelde en hoge schade-intensiteit respectievelijk 10,8, 8,5 en 8,2 procent. Alleen de ontwikkelingen in de risicogebieden met gemiddelde en hoge schade-intensiteit verschillen hiermee significant van het referentiegebied.

Bij de vergelijking van de gebieden met en zonder krimp worden geen significante verschillen gevonden. Dat geldt zowel voor het risicogebied als het referentiegebied. Ook hier is in alle gebieden de verkoopprijs dichter bij de vraagprijs komen te liggen.

Mogelijk is het prijssegment eveneens van invloed op de verkoopbaarheid van woningen. Daarom is voor alle verkoopbaarheidsindicatoren een aparte uitsplitsing gemaakt naar woningen in het hoge en lage segment. In deze samenvatting worden de uitkomsten met betrekking tot segment alleen besproken als er sprake is van een significant verschil.

Woningen in het lage en hoge segment verschillen significant van elkaar bij de ontwikkeling van de prijsverhouding. Zowel in het risico- als het referentiegebied stijgt de prijsverhouding van woningen in het hoge segment sneller. Zo is de toename van de prijsverhouding in het risicogebied 7,6 procent voor woningen in het lage segment en 13,3 procent voor woningen in het hoge segment.

In grafiek 3.2 wordt de ontwikkeling van de prijsverhouding voor het risicogebied niet geïndexeerd weergegeven. Hieruit blijkt dat de prijsverhouding voor woningen in het hoge segment in de eerste periode na de aardbeving in Huizinge voor verkopers significant minder gunstig was. Doordat de stijging van de prijsverhouding sterker is voor woningen in het hoge segment, is dit aan het einde van de periode niet langer het geval. De hardere stijging van de prijsverhouding van woningen in het hoge segment heeft er dus niet zozeer voor gezorgd dat deze verhouding momenteel gunstiger is in dat segment, maar dat de achterstand ten opzichte van woningen in het lage segment is ingelopen.

3.3Verkochte woningen

In alle onderzoeksgebieden is er een toename in het aandeel verkochte woningen. De drie risicogebieden verschillen hierbij niet significant van het referentiegebied. De toename in het referentiegebied is 119,9 procent. De toenames in de risicogebieden met lage, gemiddelde en hoge schade-intensiteit zijn respectievelijk 141,8, 145,0 en 97,8 procent.

In het referentiegebied is het aandeel verkochte woningen redelijk stabiel vanaf 2018 en er lijkt nu zelfs een lichte daling te zijn. Dit geldt ook voor het risicogebied met hoge schade-intensiteit. Daarentegen is er in zowel het risicogebied met lage als het risicogebied met gemiddelde schade-intensiteit nog steeds een stijging te zien in het aandeel verkochte woningen. Het aandeel verkochte woningen in het risicogebied met lage schade-intensiteit lijkt nu zelfs hoger dan in het referentiegebied, zie grafiek 3.3.

Zowel in het risicogebied als in het referentiegebied is er geen significant verschil in ontwikkeling tussen de gebieden met en zonder krimp. In alle gebieden is er een toename van het aandeel verkochte woningen. Tegelijkertijd ligt het aandeel verkochte woningen wel hoger in het gebied met krimp dan in het gebied zonder krimp. Dit geldt zowel in het risicogebied als het referentiegebied. Hoewel het absolute aandeel verkochte woningen dus wel verschilt, geldt dat niet voor de ontwikkeling van het aandeel verkochte woningen. Voor meer detail hierover zie deel 2.

Wel is er in beide gebieden een significant verschil in ontwikkeling tussen woningen in het lage en hoge segment. De toename in het aantalnoot1 verkochte woningen bij woningen in het hoge segment is significant sterker dan de toename bij de woningen in het lage segment.

3.4Te koop staande woningen

Ten opzichte van het derde kwartaal van 2012 is het aandeel te koop staande woningen in het tweede kwartaal van 2019 in alle onderzoeksgebieden gedaald. De daling is met 72,3 procent het grootst in het referentiegebied. Er is alleen een significant verschil tussen het referentiegebied en het risicogebied met hoge schade-intensiteit. De dalingen in het risicogebied met lage, gemiddelde en hoge schade-intensiteit zijn respectievelijk 69,1, 70,2 en 65,1 procent.

Het verloop waarmee deze dalingen tot stand komen, verschilt echter tussen de gebieden. Grafiek 3.4 illustreert dit voor het referentiegebied en risicogebied met gemiddelde schade-intensiteit. Terwijl het aandeel te koop staande woningen in het referentiegebied al vanaf het begin van de onderzoeksperiode daalt, komt deze daling pas veel later op gang in het risicogebied met gemiddelde schade-intensiteit. Deze is echter wel sterker, waardoor de achterstand ten opzichte van het referentiegebied wordt ingelopen. Net als in het referentiegebied ligt het aandeel te koop staande woningen hier inmiddels onder de 1 procent.

Alleen in het risicogebied is er een significant verschil in de afname van het aandeel te koop staande woningen tussen het gebied met krimp en het gebied zonder krimp. In dit gebied is de afname in het gebied met krimp minder sterk dan in het gebied zonder krimp.

3.5Verkoopduur

In alle risicogebieden en het referentiegebied is er sprake van een afname van de verkoopduur vanaf het derde kwartaal van 2012 tot en met het tweede kwartaal van 2019. De afname is met 81,1 procent het grootst in het referentiegebied, maar de drie risicogebieden verschillen niet significant van het referentiegebied. De afname is het risicogebied met lage schade-intensiteit ligt het dichtst bij met 81,0 procent. In de andere twee risicogebieden, met gemiddelde en hoge schade-intensiteit, zijn de afnames respectievelijk 70,2 en 69,0 procent.

In grafiek 3.5 is het mediane aantal dagen weergegeven dat het duurt voordat een woning verkocht is in het referentiegebied en in het risicogebied met gemiddelde schade-intensiteit. Te zien is dat de verkoopduur in het risicogebied met gemiddelde schade-intensiteit in het derde kwartaal van 2012 lager is dan in het referentiegebied, namelijk 218 dagen in het referentiegebied en 181 dagen in het specifieke risicogebied. Echter, de verkoopduur neemt in dit risicogebied langer toe dan in het referentiegebied waardoor de verkoopduur na het derde kwartaal van 2013 hoger ligt dan in het referentiegebied. De laatste tijd daalt de verkoopduur juist weer en ook sterker dan in het referentiegebied. Het verschil tussen beide gebieden wordt daardoor weer kleiner. Zo is de mediane verkoopduur in het tweede kwartaal van 2019 in het referentiegebied 43 dagen en in het risicogebied met gemiddelde schade-intensiteit 56 dagen.

Alleen in het referentiegebied is er een significant verschil in ontwikkeling tussen het gebied met krimp en het gebied zonder krimp.noot2 Hier is in het gebied met krimp de daling minder sterk dan in het gebied zonder krimp. In het risicogebied is dit niet het geval. Tussen woningen in het lage en hoge segment zijn er geen significante verschillen in ontwikkeling.

3.6Te-koopduur

In alle onderzoeksgebieden neemt de te-koopduur af in de periode vanaf het derde kwartaal van 2012 tot en met het tweede kwartaal van 2019. Wel is deze afname significant sterker in het referentiegebied dan in de risicogebieden met gemiddelde en hoge schade-intensiteit. In het referentiegebied is de afname 57,3 procent terwijl dat dit in het risicogebied met gemiddelde en hoge schade-intensiteit respectievelijk 16,7 procent en 36,3 procent is. Het risicogebied met lage schade-intensiteit verschilt niet significant van het referentiegebied. De afname van de te-koopduur is daar 46,5 procent.

Absoluut gezien ligt de mediane te-koopduur in het risicogebied met lage schade-intensiteit, met 225 dagen, in het tweede kwartaal van 2019 eveneens dicht bij de te-koopduur van het referentiegebied, waar de te-koopduur 199 dagen is. Het aantal dagen voor het risicogebied met gemiddelde en hoge schade-intensiteit ligt een stuk hoger, met 371 en 277 dagen.

In zowel het risico- als het referentiegebied zijn er significante verschillen in ontwikkeling tussen gebieden met en zonder krimp. In de gebieden met krimp is de afname significant minder sterk dan in de gebieden zonder krimp. Vooral in het risicogebied is er een groot verschil in afname. Zo is daar in het gebied met krimp een afname van 11,1 procent te zien, terwijl dit in het gebied zonder krimp 60,7 procent is. De absolute te-koopduren liggen in de gehele periode eveneens hoger in de gebieden met krimp dan in de gebieden zonder krimp.

Zowel in het risicogebied als het referentiegebied is er ook een significant verschil tussen woningen in het lage en het hoge segment. De afname van de te-koopduur is bij woningen in het hoge segment in beide gebieden hoger. Zo is in het risicogebied de afname bij woningen in het lage segment 7,0 procent en bij woningen in het hoge segment 51,4 procent.

Grafiek 3.6 laat het aantal dagen dat een woning te koop staat zien van woningen in het lage en hoge segment in het risicogebied. Hier is te zien dat de te-koopduur in het derde kwartaal van 2012 hoger is voor woningen in het hoge segment en dat de te-koopduur voor deze woningen lange tijd harder stijgt. Omdat na het derde kwartaal van 2014 alleen voor woningen in het hoge segment een sterke daling wordt ingezet, is hun te-koopduur na het vierde kwartaal van 2016 juist lager dan van woningen in het lage segment. In het tweede kwartaal van 2019 staan woningen in het hoge segment 116 dagen korter te koop dan woningen in het lage segment.

Noten

De ontwikkeling van de verkochte woningen in het hoge en lage segment is berekend met behulp van NVM data. Daarnaast gaat het bij segment om het aantal verkochte woningen en niet het aandeel. Hierdoor kunnen deze cijfers iets afwijken van de overige ontwikkelingscijfers. Zie het eerder gepubliceerde methoderapport voor meer informatie over de uitsplitsing naar segment.

Het verschil is significant bij een marge van 90%.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Hanneke Posthumus

Fleur Gommans

Manon Joosten

Britt Peeters

Naomi Schalken

Lotte Schoot

Met medewerking van

Thomas de Jonge

Remco Kaashoek

Pim Ouwehand

Frank Pijpers

Erna van der Wal

Eindredactie

Emmy Willems-Pijnenborg