Foto omschrijving: Iemand keert portemonnaie om die leeg blijkt.

Koopkracht­ontwikkeling en inkomensdynamiek

Bij de koopkrachtontwikkeling gaat het om de jaar-op-jaar verandering in inkomen bij personen. In 2017 is de koopkracht van de Nederlandse bevolking ten opzichte van 2016 gestegen. Welke groepen gingen er wel en welke niet op vooruit? Wat betekent de koopkrachtverandering voor de positie die personen hebben op de inkomensladder? Maken veel personen flinke sprongen op de inkomensladder of is de inkomensdynamiek beperkt?

4.1Koopkrachtontwikkeling

Koopkracht in 2017 licht toegenomen

De (dynamische) koopkracht (zie kader ‘Dynamische versus statische koopkrachtontwikkeling’) van de Nederlandse bevolking nam in 2017 met 0,5 procent toe. Deze ontwikkeling was minder gunstig dan in 2016, toen de koopkracht in doorsnee met 3,0 procent toenam. Een belangrijke oorzaak hiervan was dat de reële loonstijging in 2017 nihil was: hoewel de cao-lonen met gemiddeld 1,4 procent toenamen, stegen de consumentenprijzen gemiddeld evenveel.

Sinds 2014 laat de koopkracht weer een positieve trend zien. De koopkrachtdaling in de jaren 2010–2013 als gevolg van de economische crisis stond in schril contrast met de groei van de koopkracht in de periode 2001–2009, waarbij alleen in 2005 sprake was van een lichte daling.

Dynamische versus statische koopkrachtontwikkeling

De dynamische koopkrachtontwikkeling is bepaald als de, aan ieder lid van het huishouden toegekende, procentuele verandering in het waargenomen gestandaardiseerde besteedbare huishoudensinkomen dat gecorrigeerd is voor de prijsontwikkeling. Voor de koopkrachtontwikkeling van een groep is uitgegaan van de mediaan (de middelste van de naar grootte gerangschikte koopkrachtontwikkeling van personen uit deze groep). Positieve en negatieve uitschieters hebben dan nauwelijks invloed op de uitkomst (Bos, 2007). De dynamische koopkracht kan door allerlei oorzaken veranderen. Het inkomen verandert bijvoorbeeld door een algemene loonsverhoging, een promotie, het aanvaarden van (ander) werk of pensionering. Een wijziging in de samenstelling van het huishouden (een kind gaat het huis uit, partners scheiden, etc.) leidt eveneens tot een inkomensverandering. Daarnaast wordt de koopkracht beïnvloed door de prijsontwikkeling en veranderingen in de inkomstenbelasting. Al deze veranderingen zijn in de hier gepresenteerde dynamische koopkrachtcijfers verdisconteerd.

De statische koopkrachtontwikkeling is de koopkrachtverandering als gevolg van factoren waarop de burger zelf geen invloed heeft, zoals een cao-loonstijging, de prijsontwikkeling, maar ook beleidsmaatregelen van de overheid die de burger in zijn portemonnee merkt. Bij de statische koopkrachtontwikkeling worden waargenomen inkomens door het Centraal Planbureau doorberekend naar verwachtingen in het actuele jaar en het daaropvolgende jaar (zie CPB, 2018). De dynamische koopkrachtwikkeling daarentegen is volledig gebaseerd op feitelijke inkomenswaarnemingen en loopt daarmee in de tijd achter op de ramingen van de statische koopkracht.

De dynamische koopkrachtontwikkeling lag in de jaren 1997–2017 gemiddeld 0,8 procentpunt boven de statische koopkrachtontwikkeling. Bij de bepaling van de statische koopkrachtontwikkeling is immers geen rekening gehouden met incidentele beloningen of inkomensmutaties als gevolg van verandering van arbeidsmarktpositie. In tijden dat het beter gaat met de economie, ondervinden veel mensen een stijging van hun koopkracht. Niet alleen gaan lonen en uitkeringen dan vaak wat meer omhoog, maar ook is er bijvoorbeeld meer betaald overwerk en vinden mensen gemakkelijker hun eerste, of een beter betaalde baan. De feitelijke koopkrachtontwikkeling ligt hierdoor doorgaans wat hoger dan de statische koopkrachtontwikkeling. In slechtere tijden, zoals tijdens de recente economische crisis, gaan veel mensen er wegens de ongunstige arbeidsmarkt in inkomen op achteruit. De dynamische en statische koopkrachtontwikkeling liggen dan juist dichter bij elkaar.

Koopkracht gepensioneerden in 2017 gedaald

Gepensioneerden hadden, net als in eerdere jaren, in 2017 nadeel van het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen. Samen met de relatief hoge inflatie leidde dit voor hen tot een koopkrachtdaling van 0,3 procent. In 2016 was de inflatie zeer laag en nam de koopkracht van gepensioneerden nog met 0,8 procent toe.

Werknemers profiteerden het meest van de stijging van de koopkracht in 2017. In doorsnee gingen zij er 1,4 procent op vooruit. Deze verbetering kwam mede door fiscale maatregelen zoals de verruiming van de arbeidskorting.

Figuur 4.1.2 presenteert informatie over koopkrachtontwikkeling met behulp van boxplots. De boxplots laten zien hoe de koopkrachtontwikkeling binnen een groep huishoudens is verdeeld. De belangrijkste waarde is de mediaan: voor de helft van de groep stijgt de koopkracht meer dan deze waarde, voor de andere helft minder. De balk omvat de helft van de personen in de groep, waarbij voor een kwart de koopkrachtontwikkeling lager is dan de mediaan en voor een kwart hoger. De staarten markeren de grenzen waarbinnen 90 procent van de personen valt.

040102 4.1.2 Spreiding koopkrachtontwikkeling bij gelijkblijvende inkomensbron % k oopk r achtontwikkeling % k oopk r achtontwikkeling 2016 2017 60 50 40 30 20 10 0 –10 –20 –30 –40 60 50 40 30 20 10 0 –10 –20 –30 –40 W erknemer Gepensionee r de T otale be v olking Z elfstandige Bijstandsont v anger Arbeidsongeschikte Mediaan 4,9 5,2 1,5 1,4 0,8 3,0 1,4 0,7 0,7 0,2 –0,3 0,5

Koopkracht werkenden gestegen na economische crisis

De koopkracht van werknemers was in 2017 ruim 15 procent hoger dan in 2008. Deze groei is pas ingezet vanaf 2014, na afloop van de economische crisis. Tijdens de crisisjaren 2009 tot en met 2013 was de koopkracht van werknemers vrijwel constant. Zelfstandigen hadden tijdens de crisis zelfs te maken met dalende koopkracht, maar daarna profiteerden ook zij van grote koopkrachtstijgingen. Werkenden weten in economisch gunstige tijden hun inkomenspositie vaak te verbeteren en gaan er in slechtere tijden alleen sterk op achteruit als zij bijvoorbeeld hun baan verliezen.

De koopkracht van gepensioneerden was in 2013 op het dieptepunt van de crisis 6 procent lager dan in 2008. Ondanks de economisch betere tijden daarna is dit koopkrachtverlies de laatste jaren nauwelijks hersteld, vooral doordat gepensioneerden hun inkomenssituatie niet meer kunnen veranderen. Hun koopkracht is daardoor sterk afhankelijk van de indexering van de AOW en aanvullende pensioenen en van fiscale maatregelen.

Meer koopkracht voor ouderen met weinig inkomen naast AOW

De koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden hangt mede af van de hoogte van hun aanvullend inkomen naast de AOW-uitkering. In 2017 nam de koopkracht van gepensioneerden met een beperkt aanvullend inkomen tot 10 duizend euro per jaar licht toe. Het betreft in dit geval een kwart van alle gepensioneerden, waarbij het aanvullend inkomen kan bestaan uit huurtoeslag en/of een klein aanvullend pensioen. De koopkracht van gepensioneerden met een aanvullend inkomen vanaf 20 duizend euro per jaar, daalde met 1,0 procent. Deze groep omvat de helft van alle gepensioneerden en heeft sinds het uitbreken van de economische crisis het meest last van het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen. Hierdoor was hun koopkracht in 2017 bijna 12 procent minder dan in 2008.

Doordat veel gepensioneerden in de periode 2012–2017 een koopkrachtdaling ondervonden, nam hun gemiddelde koopkracht (berekend als het gestandaardiseerde besteedbare huishoudensinkomen, gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling) in deze periode af. Zo hadden personen die in 1947 geboren zijn, in 2012, toen zij voor het eerst AOW ontvingen, gemiddeld een koopkracht van 30 duizend euro. Vijf jaar later, in 2017, bedroeg de koopkracht van deze groep 28,8 duizend euro. Een belangrijke oorzaak van deze daling is dat de groei van aanvullende pensioenen in afgelopen jaren achterbleef op de prijsstijging.

Wel meer koopkracht voor nieuwe generatie ouderen

Personen die in 2017 met pensioen gingen, hadden gemiddeld meer koopkracht dan degenen die eerder met pensioen gingen. Zo hadden personen in de leeftijd van 70 jaar in 2017 een koopkracht van gemiddeld 28,8 duizend euro. In 2012 hadden personen van deze leeftijd minder koopkracht (27,1 duizend euro). Jongere generaties ouderen zijn in de regel hoger opgeleid dan oudere generaties, waardoor ze meer aanvullend pensioen hebben opgebouwd. Bovendien hebben vrouwen tegenwoordig vaker een eigen aanvullend pensioen opgebouwd dan in het verleden (zie hoofdstuk 3). Daarnaast hebben nieuwe generaties ouderen vaak meer vermogen opgebouwd en genieten ze daaruit meer inkomen.

De koopkrachtverschillen tussen opeenvolgende generaties zijn zichtbaar tot een leeftijd van 80 jaar. 80‑plussers hadden in 2017 nagenoeg evenveel koopkracht als in 2012.

Koopkrachtontwikkeling verschilt tussen gemeenten

In 2017 had de gemeente Renswoude de sterkste koopkrachtgroei met 1,4 procent en kende de gemeente Rozendaal de minst voorspoedige ontwikkeling met een doorsnee koopkrachtdaling van 0,5 procent. De regionale koopkrachtontwikkeling in 2017 vertoont hetzelfde beeld als in 2016: in gemeenten met relatief veel paren met kinderen en werkenden was de koopkrachttoename het grootst, terwijl in gemeenten met een relatief hoog aantal welgestelde gepensioneerden de koopkracht het minst toenam of zelfs daalde.

4.1.8Gemeenten met hoogste en laagste koopkrachtontwikkeling, 2017*

Koopkrachtontwikkeling
%
Totaal Nederland 0,5
 
Renswoude 1,4
Neder-Betuwe 1,2
Lopik, Staphorst 1,1
Bunschoten, Rijssen-Holten, Zwartewaterland 1,0
 
Blaricum, Bloemendaal, Schiermonnikoog, Wassenaar −0,2
Gooise Meren, Laren, Vlieland −0,3
Rozendaal −0,5

4.2Dynamiek op de inkomensladder

Elk jaar maakt 5 procent van de mensen een grote sprong vooruit

De spreiding in koopkrachtontwikkelingen gaat gepaard met verschuivingen in de inkomensverdeling. Personen komen daarbij op een lagere of hogere sport van de inkomensladder terecht dan voorheen. Voor het merendeel van de bevolking blijft deze verschuiving beperkt. Zo nam in de periode 2012–2017 gemiddeld 59 procent van de bevolking van jaar tot jaar een min of meer gelijke (relatieve) positie in de inkomensverdeling in: van het ene op het andere jaar schoven zij hooguit 5 percentielen (zie kader) voor- of achteruit. Anderzijds maakte jaarlijks 5 procent van de bevolking een grote sprong omhoog op de inkomensladder: ten minste 20 procent van de bevolking werd in inkomen voorbijgestreefd. Een iets grotere groep zakte jaarlijks minimaal 20 percentielen.

Relatieve inkomenspositie bepaald via percentielen

De relatieve positie die personen in de inkomensverdeling innemen, is hier vastgesteld met behulp van percentielen. De bevolking is naar hoogte van (gestandaardiseerd besteedbaar) inkomen verdeeld in percentielgroepen; elk percentielgroep omvat precies één procent van de bevolking. In de eerste 1%-groep zitten mensen met de laagste inkomens, in de honderdste en laatste 1%-groep personen met de hoogste inkomens. De inkomensontwikkeling in euro die nodig is om in een hogere percentielgroep te komen is niet over het hele traject gelijk. Vooral aan de onder- en bovenkant van de inkomensladder is de afstand tussen twee opeenvolgende percentielen groot.

Mobiliteit binnen de inkomensverdeling is hier gemeten door steeds voor twee al dan niet opeenvolgende jaren na te gaan tot welke 1%-groep een persoon behoorde. Het aantal percentielen dat iemand voor- of achteruit is gegaan, is daarbij vastgesteld als het verschil tussen de positie van een persoon op de inkomensladder van het ene en het andere jaar.

Koopkrachtveranderingen over een langere periode vertonen een aanzienlijk grotere spreiding dan de mutaties van jaar op jaar. Immers, naarmate er meer tijd verstrijkt, ondervindt een groter deel van de bevolking een wijziging in persoonlijke omstandigheden en daarmee in hun koopkracht. De inkomensmobiliteit tussen twee verder uit elkaar liggende jaren is dan ook veel groter dan tussen twee opeenvolgende jaren. Zo namen slechts ruim 3 op 10 mensen in 2017 een min of meer een gelijke inkomenspositie in als in 2012. In die periode daalde 14 procent flink af op de inkomensladder: ten minste 20 procent van de bevolking moesten zij voorbij laten gaan. Een even grote groep zag zijn relatieve inkomenspositie tussen 2012 en 2017 sterk verbeteren.

Vooral ouderen dalen op de inkomensladder

De mobiliteit op de inkomensladder verschilt sterk per leeftijd. De inkomensmobiliteit van inwonende kinderen is bijvoorbeeld verbonden met die van hun ouder(s), maar wanneer kinderen het ouderlijk huis verlaten (al dan niet om te gaan studeren) nemen ze relatief vaak een lagere inkomenspositie in dan voorheen. Het vinden van een (betere) baan, het krijgen van een hoger loon op grond van ervaring en het door samenwonen of huwen additionele inkomen van de partner leiden ertoe dat personen hun koopkracht zien stijgen. Hierdoor verbeteren betrekkelijk veel 25- tot 55‑jarigen hun relatieve inkomenspositie. In de leeftijdsgroep vanaf 55 jaar raken steeds meer mensen afhankelijk van een uitkering, waardoor het aantal personen met een daling op de inkomensladder in deze groep weer toeneemt. De koopkrachtontwikkeling van 65‑plussers bleef in de periode 2012–2017 duidelijk achter bij die van de overige groepen. Hierdoor hadden bijna 8 op de 10 65‑plussers te maken met een daling op de inkomensladder.

Ruim helft top 10 procent heeft ook vijf jaar later topinkomen

Een aanvullend beeld van inkomensdynamiek ontstaat wanneer de positie op de inkomensladder in verschillende jaren in een overgangstabel tegen elkaar wordt afgezet. Om dit beeld inzichtelijk te maken zijn de percentielgroepen samengevoegd tot 10%-groepen. Het is vanzelfsprekend dat personen die het laagst op de inkomensladder staan een grote kans hebben een sprong omhoog maken: hun relatieve positie kan alleen maar gelijk blijven of beter worden. Zo bevond 56 procent van de personen van de laagste 10%-groep in 2012 zich vijf jaar later in een groep met een hoger inkomen.

040203 4.2 . 3 O ve r g a n g e n t u ss e n 1 0 % - g r o e p e n v a n h e t g e s t a n da a r d i s e e r d i n ko m e n I n k o m e n s p o s i t i e i n 2 0 1 7 ( 1 0 % - g r o e p ) T o t a a l 1 e 2 e 3 e 4 e 5 e 6 e 7 e 8 e 9 e 1 0 e I n k o me n s p o s i t i e i n % 2 0 1 2 ( 1 0 % - g r o e p ) 1 e ( l a a g i n k o m e n ) 4 4 1 9 9 7 5 4 3 3 3 3 10 0 2 e 1 9 3 8 1 7 9 6 4 3 2 2 1 10 0 3 e 9 1 8 2 9 1 7 1 0 6 4 3 2 1 10 0 4 e 6 8 1 8 2 3 1 8 1 1 7 5 3 2 10 0 5 e 5 5 9 1 8 2 0 1 7 1 1 7 4 2 10 0 6 e 4 4 6 1 0 1 7 2 0 1 8 1 2 7 3 10 0 7 e 4 3 4 7 1 0 1 7 2 0 1 8 1 2 5 10 0 8 e 3 2 3 5 7 1 1 1 8 2 3 2 0 9 10 0 9 e 3 2 2 3 4 7 1 0 1 9 2 9 2 0 10 0 1 0 e ( h o o g i n k o m e n ) 4 1 2 2 3 3 5 8 1 8 5 4 10 0 T o t a a l 10 0 10 0 10 0 10 0 10 0 10 0 10 0 10 0 10 0 10 0

Op vergelijkbare wijze hebben personen in de 10%-groep met de hoogste inkomens een verhoogde kans om te dalen op de inkomensladder. Niettemin behoorde 54 procent van deze groep niet alleen in 2012, maar ook in 2017 tot de hoogste inkomens. In de middelste inkomensgroepen is de meeste mobiliteit: bijna 8 op de 10 personen in de 4e tot 7e inkomensgroep zaten vijf jaar later in een andere groep.

Meeste pensioenontvangers omlaag op inkomensladder

De exacte verandering in positie op de inkomensladder per persoon kan in beginsel voor de hele bevolking in een figuur worden weergegeven. Onderstaande puntenwolk beeldt voor alle personen die vanaf 2012 pensioen ontvingen en in 2017 nog in leven waren de verandering in (relatieve) inkomenspositie tussen 2012 en 2017 uit.

Artboard 1 4.2.4 M o b il i t e i t v an p e n s i o e n o n t v a n g e r s 1) o p d e i n k o m e n s l ad d e r , 2.4 2012-2017