Foto omschrijving: Vrouw fotografeert man met kind bij reling met daarachter zee. Andere volwassene en reiger kijken toe.

Bereik van de welvaarts­statistieken

Dit hoofdstuk bevat een beknopte toelichting op het onderwerp van deze publicatie: de welvaartspositie van (groepen van) personen en huishoudens in Nederland. Het inkomen, de bestedingen en het vermogen waarmee dit in beeld gebracht wordt, komen hier aan de orde. Hoe verhouden deze financiële gegevens van huishoudens zich tot elkaar?

1.1Welvaart: een breed begrip

Welvaart wordt doorgaans gedefinieerd als de mate waarin behoeften met schaars beschikbare middelen worden bevredigd. De behoeften betreffen de primaire levensbehoeften zoals een onderdak, voedsel en kleding en bij toenemende welvaart luxe goederen en diensten als vervoersmiddelen en vakanties. Naast materiële wensen hebben mensen ook behoefte aan een veilige en schone leefomgeving, bescherming van eigendomsrechten, vrije tijd en zo meer. Veel goederen en diensten worden door bedrijven (in binnen- en buitenland) aan huishoudens geleverd, maar in bepaalde gevallen neemt ook de overheid de productie voor haar rekening, zoals bij het openbaar bestuur, de handhaving van de openbare orde, de zorg en het onderwijs.

Hoe ontstaat welvaart en hoe wordt deze verdeeld?

Welvaart wordt verkregen in het economische proces waarin naast de bevolking onder meer bedrijven en de overheid een rol spelen. Bij de productie van goederen en diensten bij de overheid en in bedrijven genereren huishoudens met de inzet van hun arbeid en kapitaal inkomen (primaire inkomensverdeling).

De overheid speelt een rol bij de herverdeling van het inkomen. Zo ontvangen huishoudens die wegens werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid of ouderdom zelf geen of onvoldoende inkomen genereren, een uitkering of pensioen. Daarnaast ondersteunt de overheid de groep met een zwakke inkomenspositie met diverse toeslagen. Het geld hiervoor krijgt de overheid door directe of indirecte (bijvoorbeeld via pensioenfondsen) inning van premies en belastingen. Uit deze herverdeling resulteert voor huishoudens het besteedbaar inkomen (secundaire inkomensverdeling). Met deze middelen betalen huishoudens hun bestedingen. Wordt het inkomen niet volledig uitgegeven of is er juist een tekort, dan wordt het verschil als een besparing aan het vermogen toegevoegd respectievelijk als een ontsparing op het vermogen in mindering gebracht.

Ten slotte draagt de overheid via gesubsidieerde of vrij beschikbaar gestelde goederen en diensten bij tot een herverdeling van de welvaart. Het gaat daarbij om individualiseerbare goederen en diensten zoals onderwijs en zorg (tertiaire verdeling) en zuiver collectieve goederen als de instandhouding en uitbreiding van infrastructuur waarvan het profijt moeilijk aan personen is toe te rekenen (quartaire verdeling).

S0101

Welvaartsmaatstaven

De materiële welvaartspositie van huishoudens wordt hier in kaart gebracht aan de hand van het besteedbaar inkomen, de bestedingen en (de veranderingen in) het vermogen. De afbakening van deze begrippen is – enkele uitzonderingen daargelaten – conform de internationale aanbevelingen hieromtrent (zie bijvoorbeeld OECD, 2013).

Andere factoren die de welvaart bepalen (zoals tertiair inkomen), blijven wegens het ontbreken van gegevens buiten beeld. In aanvulling op gegevens over (de verdeling van) de feitelijke welvaart publiceert het CBS ook informatie over hoe huishoudens hun financiële situatie beoordelen en hoe zij deze voor de nabije toekomst inschatten (zie CBS, 2018a). Mensen hechten niet alleen veel waarde aan materiële welvaart, maar ook aan zaken als een goede gezondheid, sociale contacten, een prettige woonomgeving en het kunnen vertrouwen op het openbaar bestuur. Diverse van deze aspecten zijn opgenomen in de Monitor Brede Welvaart (CBS, 2018b).

Inkomen

Het CBS publiceert informatie over de vorming en (her)verdeling van het inkomen. Het primair inkomen is het inkomen dat in de economie gevormd is. Na herverdeling door heffing van premies en belastingen aan de ene kant en verstrekking van uitkeringen en toeslagen aan de andere kant resulteert het besteedbaar inkomen. Dit vormt het uitgangspunt voor de beschrijving van de inkomensverdeling en de koopkrachtontwikkeling door het CBS.

S0102

Het totale inkomen van een huishouden is gelijk aan het besteedbaar inkomen aangevuld met ontvangen sociale voorzieningen in natura en het profijt van collectieve goederen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau brengt regelmatig het profijt van de overheid in kaart (zie Olsthoorn, Pommer, Ras, Van der Torre en Wildeboer Schut, 2017). Ook het CBS heeft uitkomsten gepubliceerd over de verdeling van sociale voorzieningen in natura over bevolkingsgroepen (zie Bruil en Koymans, 2014).

Bestedingen

Op basis van enquêtegegevens van het Budgetonderzoek worden de bestedingen en het bestedingspatroon voor diverse groepen van huishoudens in kaart gebracht. De bestedingen aan goederen en diensten zijn ingedeeld naar functie: goederen en diensten die in een bepaalde behoefte voorzien, zijn in dezelfde groep ingedeeld. Zo vallen de uitgaven aan benzine of openbaar vervoer in de groep ‘vervoer’, de uitgaven aan smartphones in de groep ‘communicatie’ en die aan televisies in ‘recreatie en cultuur’. De bestedingsbedragen zijn inclusief de indirecte belastingen, zoals belasting op toegevoegde waarde (btw) en accijnzen. Om de totale druk van belastingen te kunnen bepalen worden de indirecte belastingen daarnaast ook afzonderlijk geraamd.

Vermogenstransacties

Naast de periodieke in beginsel regelmatig terugkerende inkomsten en uitgaven, kunnen huishoudens incidenteel te maken krijgen met grote ontvangsten en uitgaven. Deze worden niet als een inkomen of een besteding beschouwd, maar worden geboekt als een vermogenstransactie. Voorbeelden hiervan zijn erfenissen en schenkingen. Ook de aan- en verkoop van de eigen woning worden als een vermogenstransactie geteld.

Het positieve verschil tussen het besteedbaar inkomen en de bestedingen (de besparing) of een negatief verschil (de ontsparing) draagt eveneens bij aan het saldo van de vermogensmutatie. De vermogenspositie van huishoudens wordt ten slotte ook bepaald door een waardeverandering van de vermogensbestanddelen in de loop van het jaar. Het CBS heeft geen statistiek die een omvattend beeld geeft van de vermogenstransacties voor diverse bevolkingsgroepen.

Vermogen

Het vermogen bestaat uit het saldo van bezittingen en schulden. De bezittingen zijn onder meer samengesteld uit tegoeden op bank- en spaarrekeningen, aandelenbezit, de eigen woning en het ondernemingsvermogen van zelfstandigen. De hypotheekschuld die rust op de eigen woning, is veruit de belangrijkste post bij de schulden van huishoudens. In de informatie die het CBS verstrekt over het vermogen ontbreken vooralsnog de tegoeden die zijn opgebouwd bij een spaar- of beleggingshypotheek.

Terwijl het inkomen, de bestedingen en de vermogenstransacties stromen zijn die over een heel kalenderjaar gemeten worden, heeft het vermogen betrekking op de stand aan het begin van het jaar. De mutatie in het vermogen tussen twee opeenvolgende jaren volgt uit het saldo van de vermogenstransacties.

Aanspraken

Met de premies die personen betalen (of die hun werkgever voor hen afdraagt), bouwen zij een aanspraak op toekomstige uitkeringen op. Bij (sociale) verzekeringen tegen loonverlies door werkloosheid en arbeidsongeschiktheid wordt die aanspraak doorgaans niet gekwantificeerd. De waarde ervan is daarvoor te onzeker. Bovendien gaat het hier om een omslagstelsel (lopende uitkeringen worden betaald uit lopende premies) en niet om kapitaaldekking. Bij de ouderdoms- en nabestaandenverzekeringen ligt dit anders. Rekening houdend met de gemiddelde levensverwachting kan hieraan een waarde worden toegekend. Zolang geen pensioen uitgekeerd wordt, stijgt de aanspraak jaarlijks op grond van de premie-inleg, maar deze is ook afhankelijk van het beleggingsresultaat van het pensioenfonds. Over de pensioenaanspraken kan een huishouden in het algemeen niet vrijelijk beschikken. Het is als het ware ‘geblokkeerd’ vermogen, totdat de gerechtigde voldoet aan de voorwaarden voor een uitkering. De aanspraken op sociale zekerheid zijn daarom niet als een onderdeel van het vermogen, maar als een afzonderlijke post opgenomen. Het CBS publiceert over de waarde van opgebouwde AOW-aanspraken (ofschoon deze niet door kapitaal gedekt zijn) en de werkgerelateerde pensioenaanspraken. Beide statistieken worden momenteel herzien.

Onderzoekspopulatie, standen en stromen

De beschrijving van welvaart in een gegeven jaar heeft betrekking op de bevolking in Nederland naar de stand van 1 januari van dat jaar (vóór de recente herziening van de Inkomensstatistiek werd uitgegaan van de bevolkingsstand ultimo het jaar, zie Bijlage C). Voor deze populatie worden (de stroom van) het inkomen, de bestedingen en de vermogenstransacties over het gehele jaar, en de stand van het vermogen per 1 januari van het jaar vastgesteld.

In de gepubliceerde cijfers over de welvaartspositie is de bevolking in instellingen, inrichtingen en tehuizen buiten beschouwing gelaten, omdat de besteding van hun inkomen grotendeels vastligt (denk aan de verzorgingsbijdrage van tehuisbewoners).

Equivalentieschaal en consumentenprijsindex

Huishoudens verschillen in omvang en samenstelling. Het besteedbaar inkomen waar een alleenstaande goed van rond komt, kan voor een gezin met kinderen een krap budget zijn. Om het inkomen van de verschillende huishoudens onderling vergelijkbaar te maken, past het CBS equivalentiefactoren toe. Het inkomen kan ook wegens inflatie aangepast worden. Door prijsstijgingen krijgen huishoudens immers minder waar voor hun geld. Om het inkomen uit uiteenlopende jaren vergelijkbaar te maken, wordt het gecorrigeerd met de consumentenprijsindex. Zowel de gebruikte equivalentieschaal (bijlage A) als de consumentenprijsindex (bijlage B) zijn conceptueel afgestemd op de definitie van bestedingen.

Besteedbaar versus beschikbaar inkomen

In de Welvaartsstatistieken ligt de nadruk op de verdeling van inkomen, bestedingen en vermogen over de diverse bevolkingsgroepen. Huishoudens zijn hierbij naar uiteenlopende kenmerken gedetailleerd zoals samenstelling van het huishouden, hoogte van het inkomen, bron van het inkomen en regio. De Nationale rekeningen bevatten voor de sector huishoudens eveneens uitkomsten voor diverse welvaartsbegrippen, maar het gaat hier vooral om het totaalbedrag.

Als bijvoorbeeld het inkomen uit beide statistieken onder de loep genomen wordt, dan blijkt dat het besteedbaar inkomen uit de Inkomensstatistiek voor alle huishoudens tezamen en het beschikbaar inkomen voor de sector huishoudens uit de Nationale rekeningen niet met elkaar overeen komen.

Dit heeft diverse oorzaken.

  • In de eerste plaats is er een verschil in populatie. Het besteedbaar inkomen betreft het inkomen van personen in particuliere huishoudens die aan het eind (reeks 2000–2014) dan wel begin (reeks vanaf 2011) van het jaar tot de Nederlandse bevolking behoren, terwijl het beschikbaar inkomen betrekking heeft op alle personen die gedurende het jaar in Nederland waren. In het besteedbaar inkomen ontbreekt dus het inkomen van personen die in een instelling, inrichting of tehuis verbleven en van degenen die in de loop van het jaar overleden of geëmigreerd (reeks 2000–2014) dan wel geboren of geïmmigreerd (reeks vanaf 2011) zijn.
  • In de tweede plaats zijn er verschillen in de definitie van het inkomensbegrip. Zo worden de diensten van banken die tot uitdrukking komen in een hogere rentevoet over leningen dan over tegoeden, in de Nationale rekeningen als een besteding van huishoudens opgevat, terwijl in de Inkomensstatistiek de feitelijk betaalde en ontvangen rente hiervoor niet aangepast worden.
  • Ten derde zijn er ook verschillen doordat het besteedbaar inkomen niet volledig waargenomen wordt. Zo ontbreekt in het besteedbaar inkomen bijvoorbeeld het saldo van inkomensoverdrachten van huishoudens van en naar het buitenland, terwijl dit saldo wel in het beschikbaar inkomen is verdisconteerd.
  • Tot slot is er een verschil in waarneming. Het besteedbaar inkomen is waargenomen bij personen (het gaat dan vooral om gegevens van de Belastingdienst), terwijl het beschikbaar inkomen mede berust op totaalbedragen van onder meer bedrijven (loonkosten), uitkeringsinstanties en pensioenfondsen (uitkeringen, AOW en pensioen).

De herziening van de Inkomensstatistiek (met name de opwaardering van de economische huurwaarde, zie Bijlage C) heeft geleid tot een halvering van de relatieve kloof tussen beide begrippen: tussen 2011 en 2014 bedroeg deze voor de oude reeks gemiddeld 15 procent en voor de nieuwe reeks 7 procent.

1.2Een kijkje in de portemonnee van huishoudens

In deze publicatie worden de meest actuele uitkomsten besproken voor de diverse welvaartsmaatstaven. Deze paragraaf schetst voor 2015 een samenvattend overzicht van de beschikbare financiële gegevens van huishoudens in Nederland. Hierbij zijn de bijna 7,6 miljoen huishoudens naar hoogte van het gestandaardiseerd inkomen (zie bijlage A) in vijf (kwintiel)groepen van gelijke omvang verdeeld.

De laagste inkomens zijn voor hun levensbehoeften relatief vaak afhankelijk van een uitkering, terwijl loon verreweg de belangrijkste bron vormt voor de groep met het hoogste inkomen. De hoogste inkomens hadden in 2015 gemiddeld genomen 5,4 maal zoveel te besteden als de laagste inkomens, maar moesten anderzijds gemiddeld met 1,4 maal zoveel mensen van het inkomen rondkomen. Na correctie voor omvang en samenstelling van het huishouden (zie bijlage A) was hun inkomen gemiddeld 4,5 maal zo hoog als dat van de laagste inkomens.

1.2.1Inkomen per huishouden, 2015

Totaal 20%-groep van gestandaardiseerd inkomen
1e 2e 3e 4e 5e
Onderzoekspopulatie (1.1.2015) x 1 000
Huishoudens 7 569 1 514 1 514 1 514 1 514 1 514
Personen 16 528 2 665 2 955 3 465 3 693 3 751
 
Inkomenstransacties 1 000 euro
1 Inkomen uit arbeid 39,8 5,9 16,3 34,2 53,7 88,6
2 Inkomen uit eigen onderneming 6,4 0,6 1,5 3,3 6,0 20,6
3 Inkomen uit vermogen 1,8 0,0 0,7 1,2 1,1 5,8
4 Primair inkomen 47,9 6,6 18,5 38,7 60,7 115,1
 
5 Uitkering inkomensverzekeringen 12,4 5,7 13,4 12,8 13,2 17,1
6 Uitkering sociale voorzieningen 2,0 5,6 1,7 1,2 0,9 0,7
7 Ontvangen gebonden overdrachten 0,4 1,2 0,7 0,1 0,0 0,0
8 Ontvangen inkomensoverdrachten 0,1 0,0 0,1 0,1 0,1 0,1
9 Bruto inkomen 62,9 19,1 34,3 52,9 75,0 133,0
 
10 Betaalde inkomensoverdrachten 0,1 0,0 0,0 0,0 0,1 0,3
11 Premie inkomensverzekeringen 10,3 1,9 4,3 9,0 14,4 22,0
12 Premie ziektekostenverzekeringen 6,4 2,2 4,1 6,3 8,5 10,8
13 Belastingen op inkomen en vermogen 7,5 1,0 1,4 3,2 6,7 25,1
14 Besteedbaar inkomen 38,6 13,9 24,6 34,3 45,4 74,8
 
Gestandaardiseerd inkomen 27,1 11,2 18,8 24,3 31,0 50,4

De verschillen tussen de totale bestedingen van huishoudens voor de verschillende inkomensgroepen zijn minder groot dan bij het inkomen. De hoogste inkomens besteedden in 2015 met gemiddeld 51 200 euro 2,6 maal zoveel als de laagste inkomens die gemiddeld 20 000 euro uitgaven. Dit verschil is minder groot dan bij het inkomen mede doordat zich onder de laagste inkomens ook zelfstandigen bevinden met een incidenteel laag inkomen die hun bestedingen hebben afgestemd op hun (hogere) inkomsten over een langere periode.

1.2.2Bestedingen per huishouden, 2015

Totaal 20%-groep van gestandaardiseerd inkomen
1e 2e 3e 4e 5e
Onderzoekspopulatie (1.1.2015) x 1 000
Huishoudens 7 569 1 514 1 514 1 514 1 514 1 514
Personen 16 528 2 665 2 955 3 465 3 693 3 751
 
Bestedingstransacties 1 000 euro
Bestedingen, totaal 33,8 20,0 25,5 32,9 39,2 51,2
waaronder indirecte belastingen 4,9 2,6 3,6 4,8 5,8 7,4
%
Bestedingen 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0
Huisvesting, water en energie 31,5 39,9 36,8 32,7 30,0 26,1
Voedings- en genotmiddelen 14,0 16,4 16,2 14,6 13,7 11,9
Vervoer 12,9 7,4 9,2 11,9 13,6 16,9
Recreatie en cultuur 9,6 7,3 8,4 9,6 9,9 11,0
Restaurants en hotels 5,9 4,4 4,4 5,2 6,2 7,5
Stoffering en huishoudelijke apparaten 5,4 3,6 5,2 5,4 5,5 6,1
Kleding en schoeisel 4,7 4,2 4,1 4,6 5,1 5,0
Communicatie 3,4 4,4 4,0 3,5 3,3 2,6
Overige bestedingen 12,6 12,4 11,7 12,5 12,7 12,9

Gemiddeld genomen heeft de 20 procent met de laagste inkomens in 2015 ruim 6 duizend euro meer uitgegeven dan ze aan besteedbaar inkomen ontvingen. De hoogste inkomens konden daarentegen gemiddeld bijna 24 duizend euro opzij leggen. In de laagste inkomensgroep gaat het deels om zelfstandigen die interen op hun vermogen, deels ook om zelfstandig wonende studenten die hun levensonderhoud voor een deel financieren door het aangaan van een studieschuld. Bedacht moet worden dat de besparingen niet direct waargenomen zijn, maar het verschil vormen van het besteedbaar inkomen en de bestedingen die uit twee verschillende statistieken afkomstig zijn. Deze zijn weliswaar op elkaar afgestemd, maar eventuele meetfouten komen tot uitdrukking in de besparingen.

€ 23 600 gespaard door hoogste inkomens Buitenvorm Binnenvorm

Tot de vermogenstransacties behoren onder meer ook nalatenschappen en verkrijgingen. De gemiddelde nalatenschap bedroeg in 2015 bijna 120 duizend euro. Gemiddeld over alle huishoudens kwam dit neer op een bedrag van 1 800 euro.

1.2.3Vermogen(stransacties) per huishouden, 2015

Totaal 20%-groep van gestandaardiseerd inkomen
1e 2e 3e 4e 5e
Onderzoekspopulatie (1.1.2015) x 1 000
Huishoudens 7 569 1 514 1 514 1 514 1 514 1 514
Personen 16 528 2 665 2 955 3 465 3 693 3 751
 
Vermogenstransacties 1 000 euro
waaronder
Besparingen 4,8 −6,1 −0,9 1,4 6,2 23,6
Nalatenschap (−) 1,8 2,2 1,2 1,4 1,3 2,7
Schenking, betaald (−) 0,4 0,2 0,1 0,2 0,2 1,3
Verkrijging 1,2 0,5 0,6 0,9 1,3 2,5
waaronder erfbelasting (−) 0,1 0,1 0,1 0,1 0,1 0,3
Schenking, ontvangen 0,4 0,2 0,1 0,3 0,4 1,1
waaronder schenkbelasting (−) 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,1
 
Vermogen (stand per 1.1.2015)
Vermogen (1−2) 144,9 44,5 58,8 106,8 145,9 368,2
 
1 Bezittingen 250,1 73,1 100,8 199,2 279,8 597,8
1.1 Financiële bezittingen 55,3 23,2 25,1 37,2 52,6 138,4
1.1.1 Bank- en spaartegoeden 39,0 15,1 21,6 30,9 41,9 85,4
1.1.2 Effecten 16,3 8,1 3,6 6,3 10,8 52,9
1.2 Onroerend goed 161,1 35,6 69,0 150,0 205,5 345,5
1.2.1 Eigen woning 140,5 29,3 63,5 139,8 189,2 280,5
1.2.2 Onroerend goed, overig 20,6 6,2 5,5 10,2 16,3 64,9
1.3 Ondernemingsvermogen 7,2 3,3 1,9 3,6 6,3 21,0
1.4 Aanmerkelijk belang 21,5 6,9 2,5 5,7 11,7 80,7
1.5 Overige bezittingen 5,0 4,0 2,2 2,7 3,7 12,2
 
2 Schulden 105,3 28,5 42,0 92,4 133,9 229,5
2.1 Hypotheekschuld eigen woning 90,4 20,9 37,5 85,5 123,5 184,4
2.2 Studieschulden 1,7 2,4 1,3 1,4 1,6 1,8
2.3 Schulden, overig 13,2 5,3 3,2 5,5 8,9 43,3
 
Pensioenaanspraken1) . . . . . .

1)Gegevens over 2015 voor huishoudensgroepen zijn momenteel niet beschikbaar.

In de laagste drie kwintielgroepen lag het aantal nalatenschappen een stuk hoger, doordat deze relatief veel ouderen bevatten. Bij de huishoudens die tot de 40 procent met het hoogste inkomen behoorden, kwamen nalatenschappen minder vaak voor, maar het ging daarbij wel gemiddeld om een aanzienlijk hoger bedrag. Bij de verkrijgingen zijn de ontvangers juist voor het merendeel in de twee hoogste kwintielgroepen te vinden. Het gemiddeld ontvangen bedrag loopt tussen de verschillende inkomensgroepen minder sterk uiteen dan bij de nalatenschappen het geval is. De gemiddelde verkrijging bedroeg na aftrek van erfbelasting 60 000 euro, gemiddeld over alle huishoudens was dit ruim 1 000 euro. Bij schenkingen (het gaat hier uitsluitend om schenkingen uit de registratie van de belastingdienst) is dit gemiddelde met 400 euro nog een stuk lager. De te betalen schenkbelasting is hier steeds bij de ontvanger van de schenking geboekt.

De vermogens van de inkomensgroepen lopen uiteen. Bij de laagste inkomens ging het begin 2015 om gemiddeld bijna 45 duizend euro, terwijl de hoogste inkomens konden beschikken over 368 duizend euro. Het vermogen is echter ongelijk verdeeld. Zo had de helft van de huishoudens in de laagste inkomenskwintielgroep een vermogen van ten hoogste duizend euro. Veel zelfstandigen met een laag of negatief inkomen beschikten wel over een substantieel vermogen. Mede door hen kwam het vermogen voor de laagste 20‑procentsgroep gemiddeld aanmerkelijk hoger uit.

1.3Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Bruil, A. en M. Koymans (2014). Measuring inequalities in the Dutch household sector. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.

CBS (2018a). Armoede en sociale uitsluiting 2018. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

CBS (2018b). Monitor Brede Welvaart 2018. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.

OECD (2013). OECD Framework for Statistics on the Distribution of Household Income, Consumption and Wealth. OECD Publishing, Parijs.

Olsthoorn, M, Pommer, E., Ras, M., van der Torre, A. en Wildeboer Schut, J.M. (2017). Voorzieningen verdeeld, Profijt van de overheid. Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Koos Arts

Wim Bos

Marion van den Brakel

Kai Gidding

Daniël Herbers

Reinder Lok

Jasper Menger

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Jan Walschots

Eindredactie

Marion van den Brakel en Ferdy Otten