Foto omschrijving: Bezoekers zitten op het terras van Eye, het filmuseum aan het IJ in Amsterdam-Noord.

Belastingen

In dit hoofdstuk komt de druk van belastingen, volksverzekeringen en overige premies op het bruto-inkomen aan bod. Hoe varieert deze druk voor huishoudens met verschillende welvaartsniveaus? Hoe groot is het belastingvoordeel uit heffingskortingen en uit de hypotheekrenteaftrek? Tot slot komen indirecte belastingen aan bod. Welk deel van het inkomen zijn huishoudens hieraan kwijt en hoeveel btw betalen huishoudens gemiddeld over hun uitgaven?

10.1Belastingdruk

Druk op het bruto inkomen in 2017 weer toegenomen

Huishoudens in Nederland betalen belasting over hun bruto inkomen als werknemer, de winst als zelfstandige, een uitkering en hun vermogen. De belasting bestaat uit de inkomstenbelasting (met daarop een voorheffing in de vorm van loonbelasting en dividendbelasting) en de premies voor de volksverzekeringen AOW, Anw en Wlz (voorheen AWBZ). Daarnaast drukken premies voor verzekeringen tegen werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid en pensioenpremies op het bruto inkomen, evenals premies voor zorg- en ziektekostenverzekeringen.

De druk van inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen en overige premies op het bruto inkomen bedroeg in 2017 gemiddeld 38,6 procent. Over iedere 100 euro aan bruto inkomen is gemiddeld 38,60 euro verschuldigd aan belastingen en premies en blijft 61,40 euro over om te besteden. Sinds 2013 is de gemiddelde druk gedaald door een daling van de verschuldigde pensioenpremie en een stijging van het gemiddelde bruto inkomen. De stijging van de druk in 2017 komt vrijwel geheel voor rekening van een relatief hogere inkomstenbelasting.

10.1.1Druk van inkomstenbelasting, volksverzekeringen en overige premies

2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017*
% van bruto inkomen
Inkomstenbelasting 10,2 10,2 10,2 10,6 11,9 11,5 12,4
Premie volksverzekeringen
(AOW, Anw, AWBZ/Wlz)
8,7 8,6 8,8 8,3 7,5 7,3 7,1
Inkomstenbelasting en volksverzekeringen 18,9 18,8 19,0 18,9 19,4 18,8 19,5
 
Premie werknemersverzekeringen 4,9 5,1 4,9 5,2 5,3 5,5 5,5
Premie pensioenverzekering
(excl. AOW, Anw)
8,4 8,3 8,4 7,8 6,5 6,2 6,4
Inkomensafhankelijke Zvw premie 4,3 4,5 4,7 4,4 4,2 4,2 4,1
Kosten basisverzekering Zvw (incl. gebruik verplicht eigen risico en verminderd met zorgtoeslag) 2,8 2,9 2,9 2,8 3,0 3,0 3,1
Overige premies 20,4 20,8 20,9 20,2 19,0 18,9 19,1
 
Inkomstenbelasting, volksverzekeringen en overige premies 39,3 39,6 39,9 39,1 38,4 37,7 38,6

Bijna helft van het bruto inkomen kwijt aan belastingen en premies

Wanneer huishoudens hun inkomen besteden aan goederen en diensten, betalen ze in veel gevallen ook indirect belastingen aan de overheid. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de belasting op toegevoegde waarde (btw), via accijnzen op alcohol, tabak en brandstoffen en via de energiebelasting. In het geval van accijnzen en energiebelasting is er sprake van dubbele belasting: de btw wordt geheven over het bedrag waarin de betreffende accijns of energiebelasting ook al is verdisconteerd (zie paragraaf 10.4).

Daarnaast betalen huishoudens belastingen en heffingen die door gemeenten en waterschappen worden geheven. Voorbeelden zijn de onroerendezaakbelasting (ozb), de afvalstoffenheffing en de zuiveringsheffing. De hoogte van de lokale belastingen en heffingen is afhankelijk van de woonsituatie (huurwoning of eigen woning) en verschillen per gemeente en waterschap.

In 2015, het meest recente jaar met gegevens over indirecte belastingen, waren huishoudens in totaal gemiddeld 47,6 procent van hun bruto inkomen kwijt aan belastingen en premies: 38,4 procent aan inkomstenbelasting en premies en daarbovenop 9,2 procent aan indirecte en lokale belastingen en heffingen.

9% van bruto inkomen huishouden gaat op aan indirecte en lokale belastingen Buitenvorm Binnenvorm

Daarbij varieert de totale belasting- en premiedruk tussen huishoudens onderling. Wanneer huishoudens op volgorde van hun welvaartsniveau worden ingedeeld in tien even grote groepen, blijkt dat de druk voor huishoudens in de tweede 10%-groep het laagst is. De druk neemt per groep toe en is het hoogst voor huishoudens in de negende welvaartsgroep. De afzonderlijke druk van de inkomstenbelasting en premies neem toe naarmate de welvaart stijgt, vanwege het principe van heffing naar draagkracht (zie paragraaf 10.2). De druk als gevolg van indirecte belastingen neemt juist af bij stijgende welvaart. De hoogte van de indirecte belastingen is namelijk direct afhankelijk van het uitgavenniveau. Het deel van het inkomen dat huishoudens uitgeven neemt af naarmate het inkomen hoger is.

Welvaartsgroepen

In dit hoofdstuk worden huishoudens ingedeeld op basis van een welvaartsmaat waarin zowel informatie over het inkomen als over het vermogen van huishoudens wordt gebruikt. De rangschikkingen van huishoudens naar hoogte van het inkomen en van het vermogen zijn hierbij het uitgangspunt. De welvaart van een huishouden is vastgesteld als de som van het cumulatieve aandeel in inkomen en het cumulatieve aandeel in vermogen. Op grond van deze optelling zijn huishoudens vervolgens uitgesmeerd over de welvaartsladder. Het resultaat hiervan is dat huishoudens in de laagste (1e) welvaartsgroep een laag inkomen én een laag vermogen hebben. Naarmate het inkomen of vermogen hoger is wordt een huishouden in een hogere groep ingedeeld. Huishoudens in de hoogste (10e) welvaartsgroep hebben een hoog inkomen én een hoog vermogen. Door gebruik te maken van deze welvaartsmaat wordt een realistischer beeld van de gemiddelde belastingdruk gepresenteerd voor de opeenvolgende groepen huishoudens dan wanneer alleen inkomen in beschouwing wordt genomen. Zo wordt de laagste groep op deze manier niet vertekend door vermogende zelfstandigen met een incidenteel verlies.

Voor huishoudens in de laagste welvaartsgroep is de totale belasting- en premiedruk op het bruto inkomen hoger dan in de tweede welvaartsgroep. In de laagste groep komen relatief veel zelfstandigen en studenten voor met zeer lage inkomens, terwijl ze wel diverse noodzakelijke uitgaven moeten doen. Hun uitgaven zijn in doorsnee beduidend hoger dan hun inkomen. Daardoor zijn de indirecte belastingen en heffingen relatief hoog in vergelijking met het inkomen.

De druk voor huishoudens in de hoogste welvaartsgroep is lager dan in de negende welvaartsgroep. Zo bestaat de hoogste groep voor een deel uit vermogende AOW’ers die weliswaar veel inkomstenbelasting verschuldigd zijn, maar geen premies voor AOW en pensioen meer hoeven te betalen. Daarnaast bevat deze groep relatief veel ondernemers. Ook zij betalen veel inkomstenbelasting, maar vaak weinig tot geen premies voor inkomensverzekeringen en private pensioenen. Hun vangnetten bouwen zij op in hun eigen bedrijf.

10.2Drukverlichting door heffingskortingen

Heffingskorting draagt bij aan draagkrachtprincipe

Heffing naar draagkracht is een van de principes van het belastingstelsel. Het houdt in dat iemand meer belasting moet betalen naarmate zijn inkomen of vermogen hoger is. Dit principe is in de inkomstenbelasting onder meer vormgegeven door een systeem om inkomens te splitsen in maximaal vier schijven met oplopende tarieven. Meer nog dan die tariefdifferentiatie leveren de heffingskortingen een bijdrage aan de heffing naar draagkracht.

Voor huishoudens met het laagste welvaartsniveau (zowel een laag inkomen als een laag vermogen) zou de druk zonder heffingskortingen 25 procent zijn. Voor de huishoudens met de hoogste welvaart zou deze bruto druk 32,9 procent zijn. De belastingschijven zorgen dus voor een drukverschil van bijna 8 procentpunt. Door de heffingskortingen kwamen deze percentages in 2017 netto uit op 9,2 procent voor de laagste welvaartsgroep en op 29,3 procent voor de hoogste groep, een drukverschil van 20 procentpunt. De heffingskortingen verhogen het drukverschil dus met meer dan 12 procentpunt.

Sinds 2011 is het verschil in netto heffing tussen de laagste en de hoogste groep groter geworden. In 2011 bedroeg het verschil ruim 16 procentpunt. Zowel de bruto heffing als de heffingskortingen droegen hieraan bij. Zo is voor de meer vermogende huishoudens de heffing over de eigen woning en vermogen in box 3 toegenomen en zijn heffingskortingen (meer) inkomensafhankelijk geworden.

Belang arbeidskorting neemt toe

De totale bruto heffingskorting is toegenomen van 5300 euro per huishouden in 2011 tot 6 duizend euro in 2017. De korting bedroeg in de periode 2011–2017 steeds ongeveer 30 procent van de berekende bruto heffing en ruim 8 procent van het bruto inkomen. De samenstelling van de korting is wel sterk veranderd in die jaren. Er is een verschuiving van algemene korting naar specifieke kortingen. Het belang van arbeidskorting, ouderenkorting en combinatiekorting nam flink toe. Andere kortingen namen in belang af of werden zelfs afgeschaft, zoals de ouderschapsverlofkorting en de alleenstaande ouderkorting die werd overgeheveld naar de regeling van het kindgebonden budget.

De algemene heffingskorting is de belangrijkste heffingskorting. Tot en met 2013 was het belang zelfs 61 procent. Sinds 2014 is de algemene heffingskorting echter inkomensafhankelijk geworden. Hierdoor kregen inkomens vanaf ongeveer 20 duizend euro steeds minder korting. In 2017 is het belang van de korting daardoor gedaald tot 47 procent van de totale heffingskorting.

Het belang van de arbeidskorting is daarentegen juist toegenomen. In 2011 was deze 26 procent van de totale korting. In 2013 daalde dit naar 24 procent. In dat jaar werd de korting voor hogere inkomens meer en sterker inkomensafhankelijk afgebouwd. Sindsdien is zowel de korting als de inkomensafhankelijke afbouw sterk toegenomen. Per saldo steeg de arbeidskorting voor inkomens rond de 20 duizend meer dan 1500 euro; voor de hoogste inkomens was dat minder dan 500 euro. Al met al steeg het belang van de arbeidskorting naar 39 procent van het totaal in 2017.

Het belang van de ouderenkortingen nam sinds 2011 met bijna 3 procentpunt toe tot 8,4 procent van het totaal. De ouderenkorting voor de lagere inkomens nam namelijk sterk toe, en de hogere inkomens kregen vanaf 2013 voor het eerst ook een korting al werd die gedeeltelijk wel weer afgebouwd.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting werd met name in 2012 en 2016 verhoogd waardoor het relatieve belang iets toenam. In 2017 was dit bijna 5 procent, waar het in 2011 nog minder dan vier procent was.

Uitbetaalde heffingskorting steeds meer beperkt

De bruto berekende heffing wordt verminderd met de berekende heffingskorting, maar nooit met meer dan de heffing zelf. Personen met weinig of geen inkomen kunnen daardoor mogelijk een deel van de heffingskorting niet benutten. Maar in sommige gevallen wordt de korting toch (gedeeltelijk) uitbetaald. Dit kan voor zover de partner wel voldoende heffing betaalt. Slechts een deel van de heffingskortingen komt voor uitbetaling in aanmerking. Het gaat momenteel om algemene heffingskorting, arbeidskorting, combinatiekorting en levensloopverlofkorting. In 2017 kregen bijna 1,1 miljoen huishoudens heffingskorting uitbetaald.

Sinds 2009 wordt de uitbetaling van de algemene heffingskorting stapsgewijs afgebouwd. Tot en met 2011 viel echter 90 procent onder een uitzondering (geboren voor 1972 of met een kind tot zes jaar). Vanaf 2012 geldt de uitzondering alleen nog voor personen geboren voor 1963, waardoor in 2012 de uitzondering nog maar voor ruim de helft van de gevallen gold. Sindsdien is dit verder gedaald tot 34 procent in 2017.

Voor de belastingbetalers waarvan de uitbetaling wordt afgebouwd, wordt in vijftien jaar een steeds groter deel van het bedrag niet meer uitgekeerd. In 2011 was dit 20 procent. Doordat een groot gedeelte van de ontvangers uitgezonderd was, had dit maar een klein effect op de gemiddelde uitbetaling die uit kwam op ongeveer 1450 euro. In 2017 is het afbouwpercentage verder toegenomen tot 60 procent. Doordat er steeds meer wordt afgebouwd en minder mensen zijn uitgezonderd is de gemiddelde uitbetaling in 2017 gedaald tot 850 euro.

De uitbetaling wordt in de volgende jaren verder ingeperkt doordat (door natuurlijk verloop) steeds minder personen onder de uitgezonderde populatie vallen, en doordat vanaf 2019 bovendien ook de arbeidskorting en combinatiekorting zonder uitzondering en in dezelfde mate als de algemene heffingskorting worden afgebouwd. Vanaf 2023 wordt er daarom alleen nog algemene heffingskorting uitbetaald aan personen die voor 1963 zijn geboren.

10.3Belastingvoordeel aftrek eigen woning

Aftrek daalt door lagere rente

De eigen woning valt, anders dan de meeste andere vermogenscomponenten, in box 1 van de inkomstenbelasting. Het inkomen uit de eigen woning dat in box 1 wordt belast is het zogenaamde eigenwoningforfait, een percentage van de WOZ-waarde. Kosten van de lening voor de woning mogen daarentegen van het inkomen worden afgetrokken, dit is bekend als de hypotheekrenteaftrek.

Sinds 2005 is er bovendien een aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. Deze aftrek is een kwijtschelding van het eigenwoningforfait voor zover die groter is dan de betaalde rente. Per saldo levert de woning daardoor geen of een verlagende bijdrage aan het belastbare inkomen. Vanaf 2019 wordt deze regeling stapsgewijs weer afgeschaft.

In 2017 bedroeg de totale fiscale aftrek van eigenwoningbezitters 30,1 miljard euro, waarvan 28,3 miljard bestond uit hypotheekrenteaftrek. De overige 1,8 miljard was aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. De aftrek verdubbelde tussen 2000 en 2012 van 17 miljard euro tot ruim 34 miljard euro. Daarna is de totale aftrek echter met circa 4 miljard euro gedaald door de lagere hypotheekrente. Het eigenwoningforfait daarentegen groeide sinds 2000 van 4,3 miljard naar 8,4 miljard.

Voordeel aftrek is 13,1 miljard

Over de 8,4 miljard aan eigenwoningforfait was in 2017 ruim 3,6 miljard euro aan belasting verschuldigd. De aftrek van de hypotheekrente en aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (in totaal 30,1 miljard euro) leverde daarentegen een belastingvoordeel op van 13,1 miljard euro. Per saldo verlaagde de eigen woning het belastbaar inkomen dus met 21,7 miljard euro, hetgeen resulteerde in een belastingteruggave van 9,5 miljard euro.

Gemiddeld had een huishouden met een eigen woning een fiscale aftrek van 570 euro per maand. Dit resulteerde in een maandelijks belastingvoordeel van gemiddeld 250 euro. Het belastingvoordeel liep op van 130 euro in de decielgroep met de laagste welvaart naar 300 euro in de tiende en hoogste groep. De heffing in de laagste groep werd hierdoor gehalveerd. Hogere welvaartsgroepen hadden weliswaar meer voordeel in euro’s, maar dit had relatief steeds minder effect op de heffing.

Meeste profijt voor grootste belastingbetalers

In totaal profiteerden in 2017 bijna 4,4 miljoen huishoudens van de aftrek eigen woning. Dit betreft 56,9 procent van alle Nederlandse huishoudens. Sinds 2005, toen de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld werd ingevoerd, is dit aandeel met 3,1 procentpunt gestegen. Huishoudens met een hoge welvaart hebben veel vaker een eigen woning dan die met een laag welvaartsniveau. Ruim 5 procent van de huishoudens in de laagste welvaartsgroep had in 2017 voordeel van de aftrek voor de eigen woning. In de hoogste groep had bijna 96 procent van de huishoudens voordeel van de aftrek. Door het grote aandeel huishoudens met een eigen woning en het gemiddeld hoge bedrag aan heffingsvoordeel, kwam 39 procent van het totale belastingvoordeel van 13,1 miljard euro terecht bij de twee hoogste welvaartsgroepen. Ook met inachtneming van het belastingvoordeel betaalden deze huishoudens bijna 56 procent van de totale inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.

10.4Indirect betaalde btw over bestedingen

Huishoudens besteden 40 procent aan producten met basistarief btw

De resultaten van het Budgetonderzoek bieden inzicht in de hoogte van de gemiddelde bestedingen van diverse typen huishoudens en in hun bestedingspatronen. De bestedingen zijn inclusief de indirect betaalde belastingen. Wanneer de bestede bedragen aan afzonderlijke goederen en diensten gecombineerd worden met actuele btw- en accijnstarieven, is het mogelijk om de betaalde indirecte belastingen afzonderlijk te ramen.

Nederland kent drie btw-tarieven: 21%, 9% en 0%. Het 21%-tarief wordt ook wel het basistarief genoemd. Dat houdt in dat over alle goederen en diensten in principe 21% btw wordt berekend, tenzij de Belastingdienst expliciet heeft aangegeven dat er een ander tarief geldt. Over bijna al het eten en drinken dat voor mensen is bestemd, wordt het lage tarief van 9% btw berekend, net als voor een keur aan diensten, zoals de fietsenmaker, de kapper en het openbaar vervoer. Tot 2019 bedroeg het lage tarief 6%. Het 0%-tarief geldt voor grensoverschrijdende goederen en diensten. Daarnaast zijn bepaalde goederen en diensten vrijgesteld van btw, waaronder de verhuur van onroerend goed en formele kinderopvang.

Uit het meest recente Budgetonderzoek (2015) blijkt dat huishoudens gemiddeld 40 procent van hun totale bestedingen uitgeven aan producten met het basistarief van 21% btw. Daarnaast besteden ze gemiddeld 36 procent aan producten die vrijgesteld zijn van btw, met als belangrijkste categorieën de woninghuur voor huurders, de economische huurwaarde voor woningeigenaren, en de uitgaven aan kinderopvang voor huishoudens met kinderen. Echter, naarmate de welvaart van huishoudens hoger is, geven ze relatief meer uit aan producten met het basistarief en gemiddeld minder aan vrijgestelde producten en betalen ze dus relatief meer btw. De huishoudens met de laagste welvaart geven gemiddeld 33 procent uit aan producten met het basistarief, de groep met de hoogste welvaart gemiddeld 43 procent. Het aandeel in de bestedingen van producten met het lage tarief is vrijwel constant over alle welvaartsgroepen.

Verhoging lage btw-tarief kost 10 tot 30 euro per maand extra

Huishoudens in de laagste welvaartsgroep betaalden in 2015 gemiddeld 7,3 procent btw over hun bestedingen. Als het lage btw-tarief van 9% al in 2015 van kracht was geweest, dan had dit de huishoudens in de laagste welvaartsgroep gemiddeld 120 euro per jaar extra gekost en waren ze 7,9 procent btw over hun bestedingen kwijt geweest. Huishoudens in de hoogste welvaartsgroep zouden 370 euro btw per jaar extra kwijt zijn. In plaats van 8,7 procent zouden zij dan gemiddeld 9,3 procent btw over hun bestedingen moeten betalen.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Koos Arts

Wim Bos

Marion van den Brakel

Kai Gidding

Daniël Herbers

Reinder Lok

Jasper Menger

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Jan Walschots

Eindredactie

Marion van den Brakel en Ferdy Otten