Foto omschrijving: Curator praat met clienten over de kunstwerken die om hen heen staan.

Armoede en risicogroepen

Het CBS monitort het armoederisico van huishoudens en personen aan de hand van de lage-inkomensgrens. Hoe heeft het (langdurige) armoederisico zich vanaf het begin van deze eeuw ontwikkeld? Welke zijn de belangrijkste risicogroepen? En hoe staat het met het armoederisico van minderjarige kinderen?

Armoederisico in 2017 toegenomen

In 2017 hadden 599 duizend huishoudens een inkomen onder de lage-inkomensgrens, 27 duizend meer dan in 2016. Het aandeel huishoudens met een armoederisico steeg daarmee van 7,9 naar 8,2 procent.

Over een langere periode gezien is het risico op armoede tussen 2000 en het begin van de economische crisis in 2009 flink afgenomen. Onder invloed van een zwakke conjunctuur nam het aandeel met een laag inkomen tussen 2002 en 2005 wel licht toe, maar in 2006 en 2007 bloeide de economie weer op, daalde de werkloosheid en ging de koopkracht flink omhoog. De economische crisis heeft deze positieve ontwikkeling teniet gedaan en in vier jaar tijd nam het aantal huishoudens met een laag inkomen fors toe. In 2014 herstelde de economie, de werkloosheid begon te dalen en de koopkracht steeg voor het eerst weer. Deze positieve ontwikkelingen hebben zich in de hierop volgende jaren voortgezet en het aandeel huishoudens met een laag inkomen daalde sindsdien tot 7,9 procent in 2016. In 2017 trok het cijfer evenwel weer aan. De stijging komt vooral voor rekening van Syrische vluchtelingen die inmiddels een verblijfsvergunning hebben ontvangen maar merendeels afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering.

600 000 huishoudens met armoederisico Buitenvorm Binnenvorm

Lage-inkomensgrens

De lage-inkomensgrens weerspiegelt een vast koopkrachtbedrag in de tijd en wordt jaarlijks dus alleen voor de prijsontwikkeling aangepast. De grens van dit (netto) inkomen is afgeleid van het bijstandsniveau voor een alleenstaande in 1979, toen dit in koopkracht het hoogst was. Voor meerpersoonshuishoudens is deze grens met behulp van equivalentiefactoren aangepast aan omvang en samenstelling van het huishouden. Om de besteedbare ruimte van huishoudens aan de onderkant van de inkomensverdeling optimaal vergelijkbaar te houden, wordt in het onderliggende inkomen de huurtoeslag niet meegeteld. Hiermee wordt bewerkstelligd dat huishoudens die volledig afhankelijk zijn van de bijstand, ongeacht of ze nu wel of niet huurtoeslag ontvangen, per definitie tot de groep met een laag inkomen behoren. In de reguliere Inkomensstatistiek wordt de huurtoeslag (een gebonden overdracht) wel tot het inkomen gerekend. Omdat de lage-inkomensgrens alleen voor de prijsontwikkeling wordt geïndexeerd, is dit criterium bij uitstek geschikt voor vergelijkingen in de tijd. In 2017 bedroeg de grens op maandbasis 1 040 euro voor een alleenstaande, 1 380 euro voor een alleenstaande ouder met één kind en 1 960 euro voor een paar met twee kinderen. Huishoudens die ten minste vier jaar achtereen moesten rondkomen van een laag inkomen zijn als langdurig laag aangemerkt.

Doelpopulatie

De inkomensgegevens hebben betrekking op huishoudens waarvan de hoofdkostwinner gedurende het gehele jaar een inkomen had. Studentenhuishoudens en bewoners van instellingen, inrichtingen en tehuizen zijn buiten beschouwing gelaten. In 2017 bestond de doelpopulatie uit 7,3 miljoen huishoudens.

Herziening van de Inkomensstatistiek

Een herziening van de Inkomensstatistiek vanaf statistiekjaar 2011 (zie bijlage C) heeft geleid tot een neerwaartse bijstelling van het aantal huishoudens met een laag inkomen. Deze bijstelling bedraagt gemiddeld voor de jaren waarvoor zowel gegevens van de oude als nieuwe reeks beschikbaar zijn, bijna 100 duizend huishoudens (1,4 procentpunt).

5.1.1Huishoudens met een (langdurig) laag inkomen

Totaal Laag inkomen Langdurig laag inkomen
x 1 000 % x 1 000 %
Reeks 2000−2014
2000* 6 99 754 11,8 309 5,4
2001 6 480 627 9,7 252 4,4
2002 6 539 596 9,1 227 3,9
2003 6 545 641 9,8 224 3,8
2004 6 573 618 9,4 207 3,5
 
2005 6 615 652 9,9 209 3,5
2006 6 704 593 8,8 196 3,3
2007 6 768 515 7,6 172 2,8
2008 6 843 515 7,5 163 2,6
2009 6 901 527 7,6 157 2,5
 
2010 6 909 514 7,4 149 2,4
2011 6 980 571 8,2 154 2,4
2012 7 045 656 9,3 169 2,6
2013 7 053 728 10,3 193 3,0
2014 7 095 713 10,1 219 3,4
 
Reeks 2011 e.v
2011 7 009 482 6,9
2012 7 066 562 8,0
2013 7 112 630 8,9
2014 7 128 608 8,5 185 2,7
 
2015 7 172 590 8,2 209 3,1
2016 7 240 572 7,9 221 3,2
2017* 7 319 599 8,2 227 3,3
2018 (raming) 7 387 595 8,1 . .
2019 (raming) 7 442 557 7,5 . .

Bron:2000-2017: CBS, Inkomensstatistiek; 2018-2019: CPB (2018).

Pas in 2019 verbetering verwacht

Op verzoek van het CBS heeft het Centraal Planbureau (CPB, 2018) ramingen gemaakt voor 2018 en 2019 van het aantal huishoudens met een laag inkomen. Deze ramingen wijzen erop dat het aandeel huishoudens met kans op armoede in 2018 met 8,1 procent vrijwel stabiel blijft, maar in 2019 daalt tot 7,5 procent. In dat jaar zullen dan volgens de raming 557 duizend huishoudens een laag inkomen hebben, 8 duizend minder dan in 2018.

Langdurig armoederisico blijft oplopen

Van de 599 duizend huishoudens die in 2017 een laag inkomen hadden, moesten er 227 duizend al ten minste vier jaar achtereen van een laag inkomen rondkomen. Daarmee komt het aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen uit op 3,3 procent en dat zijn er 6 duizend meer dan in 2016. Sinds 2011 is sprake van een voortdurende stijging van het aantal huishoudens met een langdurig laag inkomen. De toename komt voornamelijk doordat meer huishoudens langdurig afhankelijk zijn van een bijstandsuitkering. Veel huishoudens die door toedoen van de economische crisis toentertijd onder de streep zijn terecht gekomen, hebben zich hieraan nog niet weten te onttrekken.

5.2Sociaaleconomische risicogroepen

Bijstandsontvangers lopen het meeste risico op armoede

Bijna drie kwart van de huishoudens die voornamelijk van een bijstandsuitkering of een verwante sociale voorziening (bijvoorbeeld een Wajong-uitkering) moesten rondkomen, had in 2017 een laag inkomen. Bij deze bijstandontvangers had een laag inkomen bovendien betrekkelijk vaak een langdurig karakter. Ook onder ontvangers van een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering lag het aandeel huishoudens met een laag inkomen met respectievelijk 17,0 en 20,3 procent ruim boven het gemiddelde.

Van alle huishoudens met een overdrachtsinkomen als belangrijkste inkomensbron, hebben de pensioenontvangers de meest gunstige positie. Van hen had 3,5 procent in 2017 een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Eén op de 100 pensioenhuishoudens had een langdurig laag inkomen. Het betreft dan merendeels huishoudens met een onvolledige AOW-opbouw en geen of weinig aanvullend pensioen.

Tussen 2011 en 2013 is het risico op armoede voor ontvangers van een uitkering gestegen. Bij bijstandsontvangers steeg het percentage huishoudens met een laag inkomen in twee jaar tijd met 12 procentpunt. Bij arbeidsongeschikten bedroeg de toename bijna 5 procentpunt en bij werklozen 2,5 procentpunt. Bijstandsontvangers profiteerden echter niet van het herstel dat vanaf 2014 intrad: het aandeel met een laag inkomen lag in 2017 zelfs iets hoger dan in 2013. Deze stagnatie had tot gevolg dat het aandeel bijstandshuishoudens met een langdurig laag inkomen tussen 2014 en 2017 sterk toenam, en wel met bijna 9 procentpunt tot 44,5 procent.

Ook huishoudens met vooral inkomen uit werk lopen risico

Van de huishoudens met vooral inkomen als werknemer in 2017 had 2,1 procent een laag inkomen. Dat is een kwart van het landelijk gemiddelde van 8,2 procent. Het risico op een langdurig laag inkomen bij deze werknemers bedroeg slechts 0,5 procent. Bij zelfstandigen moest in 2017 evenwel 1 op de 10 huishoudens rondkomen van een laag inkomen. Het gaat dan om zelfstandigen die slechts een geringe winst boekten of met een verlies te kampen hadden. Een lage winst bij ondernemers (of een laag loon bij werknemers) is niet altijd de enige oorzaak van een laag inkomen. Negatieve inkomsten uit vermogen, zoals betaalde hypotheekrente, kunnen ook een rol spelen (Bos, 2013). Over het algemeen heeft een laag inkomen bij zelfstandigen geen langdurig karakter. Slechts 2,2 procent had in 2017 vier jaar of langer een laag inkomen. Bij zowel werknemers- als ondernemershuishoudens liep het armoederisico sinds 2013 terug, maar bleef het risico op langdurige armoede onveranderd.

Bijstandsontvangers grootste groep onder de langdurig lage inkomens

Huishoudens van uitkerings- en pensioenontvangers vormen de meerderheid in zowel de groep met een laag inkomen als de groep met een langdurig laag inkomen. Bijstandsontvangers (inclusief de verwante sociale voorzieningen) waren in 2017 goed voor meer dan 52 procent van de huishoudens met een laag inkomen en bijna 66 procent van de huishoudens met een langdurig laag inkomen. Ten opzichte van 2014 betekent dit een stijging van respectievelijk 6,8 en 4,4 procentpunt.

Minder risico bij hogere opleiding

Van de huishoudens met een hoogopgeleide hoofdkostwinner had 3,6 procent in 2017 een laag inkomen. Dit is minder dan bij middelbaar (7 procent) en vooral laagopgeleiden (14,2 procent). Vergelijkbare verschillen doen zich voor bij huishoudens met een langdurig laag inkomen. Het risico op langdurige armoede nam in de periode 2014–2017 bij elk van de onderwijsniveaus toe. Bij de laagopgeleiden ging de stijging het hardst.

5.3Demografische risicogroepen

Armoederisico onder eenoudergezinnen het hoogst, maar daalt wel

Een laag inkomen kwam met 22 procent in 2017 het meest voor bij eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen. Wel lag het aandeel bijna 1 procentpunt lager dan in 2016. Deze daling is afwijkend van de ontwikkeling in de meeste andere risicogroepen waar in 2017 juist sprake was van een opnieuw oplopend risico. Na 2013, toen het armoederisico als gevolg van de economische crisis een hoogtepunt bereikte (bijna 30 procent), daalde het armoederisico van eenoudergezinnen met minderjarige kinderen. De daling houdt mede verband met een belangrijke verandering in de kindregelingen: vanaf 2015 krijgen alleenstaande ouders een extra hoog kindgebonden budget waardoor met name werkende alleenstaande ouders vaker dan voorheen boven de kritische grens uitkomen. Ondanks de verbeteringen geldt nog steeds dat eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen relatief vaak langdurig in een weinig rooskleurige inkomenspositie verkeren. In 2017 had 7,9 procent van hen al minstens vier jaar achtereen een laag inkomen. Het risico op langdurige armoede bleef in deze groep vrijwel onveranderd sinds 2014.

Van alle huishoudenstypen zijn de laagste risico’s voorbehouden aan paren zonder kinderen in de AOW-leeftijd. Van hen had 1,7 procent in 2017 een inkomen onder de lage-inkomensgrens en 0,6 procent een langdurig laag inkomen.

Langdurig armoederisico het hoogst bij alleenstaanden onder AOW-leeftijd

Alleenstaanden onder de AOW-leeftijd staan op de tweede plek in de rangorde van huishoudens met een hoog armoederisico: 21 procent in 2017. Dat betekent een stijging van bijna 2 procentpunt ten opzichte van 2016 en zelfs een iets hoger percentage dan in 2013, het piekjaar in de economische crisis. Ruim 1 op de 10 alleenstaanden onder de AOW-leeftijd ging in 2017 langdurig gebukt onder een laag inkomen. Daarmee staat deze groep aan kop als het gaat om langdurige armoedeproblematiek. Bovendien is bij hen de kans op een langdurig laag inkomen sinds 2014 stijgende. Het aandeel dat al ten minste vier jaar van een laag inkomen moet rondkomen lag in 2017 2,4 procentpunt hoger dan in 2014. Het merendeel van de alleenstaanden met een armoederisico moet voornamelijk van een bijstandsuitkering rondkomen. De ontwikkeling van het (langdurige) armoederisico van alleenstaanden onder de AOW-leeftijd loopt dan ook synchroon met de ontwikkeling van de risico’s bij bijstandsontvangers.

Minder kinderen langdurig in armoede

In totaal leefden in 2017 ruim 277 duizend minderjarige kinderen in een huishouden met een laag inkomen, duizend minder dan het jaar ervoor. De vanaf 2014 dalende trend in het risico op kinderarmoede zet daarmee niet overtuigend door. Bijna 110 duizend kinderen maakten al zeker vier jaar deel uit van een huishouden met een laag inkomen. Dit waren er 5 duizend minder dan in 2016. Procentueel komt dit overeen met een daling van 3,7 naar 3,5 procent. Ruim 4 van de 10 kinderen met een langdurig armoederisico leefden in een eenoudergezin. Het merendeel (63 procent) van de kinderen in langdurige armoede maakte deel uit van een bijstandsgezin.

Alleenstaanden onder AOW leeftijd bepalend voor omvang armoedeproblematiek

Onder eenoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen is het armoederisico weliswaar het grootst (en het risico op langdurige armoede het op een na grootst), maar de bijdrage van deze groep aan de omvang van de gehele armoedeproblematiek in Nederland is relatief beperkt. Dat komt omdat het aantal eenoudergezinnen met minderjarige kinderen in Nederland met 274 duizend in 2017 verhoudingsgewijs klein is. Het aantal alleenstaanden onder de AOW-leeftijd is met ruim 1,6 miljoen aanzienlijk groter, zodat het relatief hoge aandeel van deze groep met een armoederisico doorslaggevend is in het totale aantal huishoudens met armoedeproblematiek. Van alle huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens in 2017 kwam 57 procent voor rekening van alleenstaanden onder de AOW-leeftijd, van de bijna 227 duizend huishoudens met een langdurig laag inkomen was dat 64 procent.

Risico op armoede onder 55- tot 65‑jarigen verder toegenomen

De hoogte van het huishoudensinkomen en daarmee het risico op armoede varieert per levensfase. Zo stijgt het arbeidsinkomen aanvankelijk op grond van werk, werkervaring en het aanvaarden van beter betaalde functies. Op latere leeftijd, tussen 55 en 65 jaar, raken echter steeds meer mensen door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid afhankelijk van een uitkering. In deze leeftijdsgroep is het aandeel met een armoederisico dan ook wat hoger. Met de pensionering verbetert de inkomenssituatie voor velen doordat het (volledige) AOW-pensioen boven de lage-inkomensgrens uitkomt. Bovendien hebben de meeste ouderen naast de AOW nog aanvullend pensioen en inkomsten uit vermogen. De 65‑plussers lopen van alle leeftijdsgroepen dan ook het minst risico op (langdurige) armoede.

Wat opvalt is dat ook vanaf 2014, dus na de economische crisis, onder de huishoudens tussen 55 en 65 jaar het aandeel met een (langdurig) laag inkomen is blijven stijgen. In deze leeftijdsgroep liep het aandeel met een laag inkomen op van 9,3 procent in 2014 naar 10,4 procent in 2017 en het aandeel met tenminste vier jaar een laag inkomen liep op van 4,4 procent naar 5,5 procent, zie StatLine. Ondanks de aantrekkende economie is in de periode 2014–2017 onder de 55- tot 65‑jarigen een toenemend aantal economisch inactief geworden en voor een deel onder de kritische inkomensgrens terecht gekomen. En eenmaal aan de zijlijn lijkt het lastig weer in het arbeidsproces terug te komen, getuige het toenemende aandeel ouderen dat langdurig afhankelijk blijft van een uitkering en daarmee in toenemende mate langdurig van een laag inkomen moet rondkomen.

050304 % leeftijd hoofd k ostwinner 5.3.4 H u i s h oud e n s m e t ( l a n g d ur i g) ar m oe d er i s ic o, 2017* Laag in k omen Langdurig laag in k omen 25 30 35 40 45 50 55 60 65 70 75 80 85 0 5 10 15 P ensionering

Met een niet-westerse achtergrond grootste armoederisico

Ruim een kwart van de huishoudens met een hoofdkostwinner met een niet-westerse migratieachtergrond had in 2017 een laag inkomen. Onder huishoudens met een hoofdkostwinner met een Nederlandse achtergrond was dat bijna 6 procent. Met een hoofdkostwinner met een westerse migratieachtergrond was het armoederisico bijna 10 procent. Bij huishoudens met een niet-westerse achtergrond houdt het lage inkomen het vaakst langdurig aan: 12 procent had langdurig een laag inkomen, tegen ruim 2 procent van de Nederlandse en 4 procent van de andere westerse huishoudens.

Bovengemiddeld armoederisico bij huishoudens met Oost-Europese herkomst

Zowel binnen huishoudens met een westerse als niet-westerse migratieachtergrond verschillen de armoederisico’s sterk per land. Westerse huishoudens met een Duitse, Belgische, Britse of Indonesische herkomst hebben minder vaak een laag inkomen dan die met een Poolse, Bulgaarse of Roemeense achtergrond. Arbeidsmigranten met een Oost- Europese achtergrond doen meestal laaggeschoold werk, terwijl degenen met een West- Europese herkomst vaak (hoogopgeleide) kenniswerkers zijn. Met bijna 30 procent lopen huishoudens met een Bulgaarse achtergrond een relatief groot risico op armoede. Zij kampen bovendien betrekkelijk vaak met langdurige armoede, net als huishoudens van Roemeense herkomst. Wel gaat het om kleine groepen: ongeveer 1 op de 400 huishoudens in Nederland heeft een Bulgaarse of Roemeense achtergrond.

Van de niet-westerse huishoudens lopen Surinaamse minste risico

Van de grootste groepen in Nederland met een niet-westerse migratieachtergrond heeft de Marokkaanse met bijna 28 procent het vaakst een laag inkomen. Dat is meer dan een gemiddeld huishouden met een niet-westerse achtergrond. Ook een langdurig laag inkomen komt het vaakst voor onder huishoudens van Marokkaanse herkomst. Bij huishoudens met een Antilliaanse achtergrond lag het armoederisico op een kwart, met een Turkse achtergrond was het 22 procent. Bij huishoudens met een Surinaamse herkomst was het armoederisico met 18 procent het kleinst en is het lage inkomen het minst vaak van langdurige aard. Dit hangt samen met een relatief hoge arbeidsdeelname onder personen met een Surinaamse migratieachtergrond.

Meeste vluchtelinghuishoudens lopen risico op armoede

Bijna 53 procent van de vluchtelinghuishoudens heeft een laag inkomen, ruim 6 keer zo vaak als gemiddeld in Nederland. Bij huishoudens met een hoofdkostwinner van Syrische of Eritrese komaf is dat zelfs circa 80 procent. Ook Somalische huishoudens liepen veel risico op armoede: het betrof twee derde van de huishoudens met deze herkomst. Huishoudens van Iraanse afkomst lopen van alle vluchtelingenhuishoudens met 33 procent het minste risico op armoede. In huishoudens met een hoofdkostwinner met een Eritrese of Somalische migratieachtergrond houdt een laag inkomen het vaakst langdurig aan, gevolgd door Irakese en Syrische huishoudens. Wel is het aantal huishoudens met een Eritrese achtergrond in Nederland beperkt.

Vrijwel alle Syrische en Eritrese risicohuishoudens in bijstand

Het merendeel van huishoudens met een Eritrese, Syrische of Somalische achtergrond die een laag inkomen hebben, ontvangt bijstand. Van de niet-westerse huishoudens met armoederisico moest 65 procent in 2017 van voornamelijk een bijstandsuitkering of andere sociale voorziening rondkomen. Met een Somalische achtergrond was dat 88 procent, met een Syrische of Eritrese rond 95 procent. Onder lage-inkomenshuishoudens met een hoofdkostwinner van Turkse of Marokkaanse herkomst was het aandeel bijstandsontvangers minder dan gemiddeld (respectievelijk 47 en 56 procent). Daarentegen kwam een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering bij deze groepen relatief vaak voor. Ook onder westerse huishoudens ging risico op armoede het vaakst samen met bijstand. Maar vaker nog dan bij niet-westerse risicohuishoudens was bij Nederlandse en andere westerse huishoudens loon of winst de voornaamste inkomensbron. Vooral risicohuishoudens met een Poolse, Bulgaarse of Roemeense migratieachtergrond haalden dikwijls het meeste inkomen uit werk: respectievelijk 56, 72 en 64 procent.

Armoederisico eerste generatie migranten in 2017 gestegen

Het risico op armoede bij huishoudens met een hoofdkostwinner van niet-westerse komaf uit de eerste generatie is in 2017 groter dan bij de tweede generatie. De tweede generatie is gemiddeld hoger opgeleid en heeft daardoor betere kansen op de arbeidsmarkt. Tijdens de economische crisis nam het risico op armoede het meest toe onder niet-westerse huishoudens, vooral onder die van de eerste generatie. Mensen met een niet-westerse migratieachtergrond zijn gemiddeld genomen betrekkelijk jong. Doordat ze vaker flexbanen hebben, raken ze in economisch mindere tijden sneller hun baan kwijt, waardoor de conjunctuur een belangrijke rol speelt in hun risico op armoede.

Terwijl het armoederisico in de tweede generatie vanaf 2014 voortdurend afnam, steeg het van 2016 op 2017 in de eerste generatie. De meeste vluchtelingen die een verblijfsvergunning kregen, deden beroep op de bijstand. In combinatie met de grote toestroom uit Syrië tijdens de vluchtelingencrisis, nam hierdoor het aandeel huishoudens met een laag inkomen in de eerste generatie toe. De groep Syrische huishoudens met een armoederisico groeide van 10 duizend (76 procent) in 2016 naar 18 duizend (79 procent) in 2017. Huishoudens uit andere vluchtelinglanden hadden in 2017 minder vaak een laag inkomen dan in 2016. Zo nam onder Eritrese huishoudens het armoederisico af van 83 naar 80 procent. De vluchtelingcrisis speelde vooral in 2015 en komt daarom (nog) niet tot uitdrukking in de cijfers over langdurige armoede.

5.4Armoederisico in gemeenten

Grootste armoederisico in Groningen

Per gemeente liep het aandeel huishoudens met een laag inkomen in 2017 uiteen van 2,1 tot 15,4 procent. De top tien van gemeenten met het hoogste aandeel huishoudens met een laag inkomen werd aangevoerd door Groningen (15,4 procent), gevolgd door Rotterdam (15,1 procent). Amsterdam stond op de derde plaats met een aandeel van 14,2 procent, gevolgd door Arnhem met 14,0 procent en Den Haag op de vijfde plaats met 13,8 procent. De overige gemeenten in de top tien zijn: Enschede, Heerlen, Nijmegen, Leeuwarden en Kerkrade. Utrecht ontbreekt in de top tien: in deze stad lag het aandeel huishoudens met een laag inkomen op 10,2 procent. Dat dit aandeel vergeleken met de andere drie grote steden betrekkelijk laag is, komt doordat in Utrecht naar verhouding weinig huishoudens met een niet-westerse herkomst wonen, een groep die doorgaans een hoog risico op armoede kent. Wel ligt ook in Utrecht het aandeel huishoudens met een laag inkomen boven het landelijk gemiddelde van 8,2 procent.

De laagste percentages huishoudens met risico op armoede zijn vooral te vinden in kleinere gemeenten. In de top tien van 2017 stonden Rozendaal (2,1 procent) en Montfoort (3,3 procent) aan kop.

Ook meeste langdurige armoede in Groningen

In Groningen was de kans op langdurige armoede met een aandeel van 7,6 procent meer dan 2 keer zo groot als gemiddeld in Nederland (3,4 procent). Groningen werd op de voet gevolgd door Rotterdam (7,3 procent) en Amsterdam (7 procent). De gemeenten Rozendaal en Montfoort hadden in 2017 het kleinste aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen.

Specifiek gemeentelijk armoedebeleid

Aanvullend op het landelijke beleid treffen sommige gemeenten specifieke maatregelen ter bestrijding van armoede in hun gemeente. Het betreft ook regelingen buiten de bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag om. De regelingen zijn nogal divers, veelal incidenteel en soms (beperkt) structureel. Eventuele inkomensprofijten als gevolg van deze aanvullende regelingen zijn niet in het inkomen en dus ook niet in de regionale specificaties van het (langdurig) armoederisico verdisconteerd.

5.4.1Tien gemeenten1) met het hoogste en laagste aandeel huishoudens met een (landurig) laag inkomen, 2017*

Laag inkomen Langdurig laag inkomen
Gemeente Gemeente
 
Hoogste aandeel % Hoogste aandeel %
1 Groningen 15,4 1 Groningen 7,6
2 Rotterdam 15,1 2 Rotterdam 7,3
3 Amsterdam 14,2 3 Amsterdam 7,0
4 Arnhem 14,0 4 Arnhem 6,4
5 ‘s-Gravenhage 13,8 5 Heerlen 6,2
6 Enschede 12,9 6 ‘s-Gravenhage 6,1
7 Heerlen 12,6 7 Enschede 5,8
8 Nijmegen 12,5 8 Nijmegen 5,7
9 Leeuwarden 12,1 9 Leeuwarden 5,5
10 Kerkrade 11,5 10 Kerkrade 5,4
 
Laagste aandeel Laagste aandeel
1 Rozendaal 2,1 1 Rozendaal 0,5
2 Montfoort 3,3 2 Montfoort 0,8
3 Renswoude 3,5 3 Haaren 0,8
4 Zoeterwoude 3,5 4 Sint Anthonis 0,8
5 Binnenmaas 3,5 5 Alphen-Chaam 0,8
6 Korendijk 3,5 6 Reusel-De Mierden 0,9
7 Heerde 3,6 7 Nieuwkoop 0,9
8 Woudenberg 3,6 8 Scherpenzeel 0,9
9 Edam-Volendam 3,6 9 Binnenmaas 1,0
10 Cromstrijen 3,6 10 Korendijk 1,0

1)Gemeentelijke indeling van 1-1-2018.

Vooral in noordoosten van Nederland risicogemeenten

Een groot aandeel huishoudens met een laag inkomen komt niet alleen voor in grotere gemeenten, maar ook in kleinere gemeenten in met name het noordoosten van het land. Ook in Zuid-Limburg is in enkele gemeenten een groot armoederisico. In het westen van het land zijn er, buiten de grote steden, relatief weinig gemeenten met een bovengemiddeld aandeel huishoudens met een laag inkomen.

5.5Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Bos, W. (2013). Kans op armoede bij huishoudens met werk. Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 29(1), 87–94.

CPB (2018). Raming aantal personen/huishoudens onder de lage inkomensgrens. CPB-notitie.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Koos Arts

Wim Bos

Marion van den Brakel

Kai Gidding

Daniël Herbers

Reinder Lok

Jasper Menger

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Jan Walschots

Eindredactie

Marion van den Brakel en Ferdy Otten