Slachtofferschap criminaliteit

In dit hoofdstuk staat centraal de mate waarin de inwoners van Nederland persoonlijk en als burger in een periode van 12 maanden geconfronteerd worden met een of meer vormen van criminaliteit.noot1 noot2 Zowel het percentage slachtoffers als het aantal delicten waarmee deze slachtoffers te maken krijgen worden gepresenteerd. Het betreft niet alleen de ‘traditionele’ criminaliteit, zoals geweld en diefstal, maar ook ‘cybercrime’, dat wil zeggen vormen van criminaliteit waarvan personen via internet of via andere digitale media slachtoffer kunnen worden. Ook de melding en aangifte van traditionele criminaliteit en cybercrime door slachtoffers bij de politie komen aan de orde.

Meer cijfers over slachtofferschap en ondervonden delicten zijn opgenomen in de StatLinetabellen Slachtofferschap delicten; regio en Ondervonden delicten; regio en de tabellen Slachtofferschap delicten; kenmerken en Ondervonden delicten; kenmerken.

4.1Traditionele criminaliteit

Slachtofferschap traditionele criminaliteit

In 2019 is 14 procent van de Nederlanders slachtoffer geweest van een of meerdere gewelds-, vermogens- of vandalismedelicten; een percentage dat lager ligt dan in 2017 (15 procent) en 2012 (20 procent). In de meeste gevallen ging het om een vermogensdelict, gevolgd door vandalismedelicten en ten slotte geweldsdelicten.

Twee procent van de Nederlanders is in 2019 slachtoffer geweest van een of meerdere geweldsdelicten. Dit is vergelijkbaar met 2017, maar iets lager dan in 2012. Geweldsdelicten kunnen worden onderscheiden naar de mate waarin daadwerkelijk geweld is gebruikt, of daarmee alleen is gedreigd, en of de dader(s) (vermeende) seksuele bedoelingen hadden.noot3 Bijna anderhalf procent van de bevolking werd in 2019 slachtoffer van een geweldsdelict waarbij alleen sprake was van bedreiging. 0,6 procent van de bevolking werd geconfronteerd met mishandeling. Van geweld met seksuele bedoelingen werd 0,1 procent van de bevolking slachtoffer. Het aandeel slachtoffers in de drie onderscheiden categorieën is in vergelijking met 2017 weinig veranderd. Ten opzichte van 2012 zijn over het algemeen lichte dalingen zichtbaar in het slachtofferschap van bedreiging en mishandeling.

14% is slachtoffer van traditionele criminaliteit Buitenvorm Binnenvorm

In totaliteit is 9 procent van de Nederlanders in 2019 slachtoffer geweest van een of meer vermogensdelicten. Dat is minder dan in 2017 (10 procent) en in 2012 (13 procent). Van de onderscheiden vormen van vermogensdelicten komt fietsdiefstal in 2019 het meest voor: bijna 3 procent is hiervan slachtoffer geweest. Met woninginbraak of een poging daartoe is bijna 2 procent geconfronteerd; van diefstal uit of vanaf een auto (bijvoorbeeld autoradio, tas, spiegel, wieldoppen) en van (poging tot) zakkenrollerij/beroving is telkens ongeveer anderhalf procent slachtoffer geweest. Van autodiefstal is 0,1 procent in 2019 slachtoffer geweest en van diefstal van een ander voertuig zoals een brommer of scooter 0,4 procent. Ruim 2 procent heeft te maken gehad met andere, niet nader genoemde vormen van diefstal.

In vergelijking met 2017 en 2012 is het slachtofferschap van (poging tot) inbraak, fietsdiefstal, diefstal uit of vanaf de auto en overige vormen van diefstal afgenomen. Het slachtofferschap van autodiefstal, diefstal van andere voertuigen en (poging tot) zakkenrollerij verschilt niet met 2017, maar ligt wel iets lager dan in 2012.

In totaliteit is 5 procent van de Nederlanders in 2019 slachtoffer geweest van een of meer vandalismedelicten. Dit is lager dan in 2017 (ruim 5 procent) en 2012 (8 procent). Van vernielingen aan voertuigen is, net als in 2017, ruim 3 procent slachtoffer geweest. Met overige vormen van vernieling, bijvoorbeeld aan huis of tuin, kreeg 2 procent te maken. In 2017 lag dit aandeel iets lager. Zowel voor vernielingen aan voertuigen als voor overige vernielingen geldt dat het aandeel slachtoffers iets is afgenomen ten opzichte van  2012.

Aantal delicten traditionele criminaliteit

Het aantal gewelds-, vermogens- en vandalismedelicten samen bedroeg in 2019 24 per 100 inwoners. Evenals het aandeel slachtoffers, is dit ook minder dan in 2017 (27 per 100) en 2012 (36 per 100).

Het aantal ondervonden geweldsdelicten bedroeg ruim 3 per 100 inwoners in 2019. Dit cijfer is vergelijkbaar met 2017, maar iets lager dan in 2012. Van de drie onderscheiden categorieën van geweldsdelicten laat mishandeling een vergelijkbare ontwikkeling zien. Het aantal ondervonden delicten van bedreiging en seksuele delicten is niet veranderd over de tijd.

Het aantal vermogensdelicten bedroeg 13 per 100 inwoners in 2019. Dit aantal is wat gedaald ten opzichte van 2017 (15 per 100 inwoners) en 2012 (20 per 100 inwoners). Wanneer gekeken wordt naar het aantal delicten bij de verschillende vormen van vermogenscriminaliteit zijn vergelijkbare, afnemende trends zichtbaar, met uitzondering van autodiefstal.

Het aantal vandalismedelicten bedroeg bijna 8 per 100 inwoners in 2017. Ook dit aantal is afgenomen ten opzichte van 2017 (ruim 8 per 100) en 2012 (12 per 100). Het aantal ondervonden delicten in de categorie vernielingen aan voertuigen bedroeg in 2019 5 per 100 inwoners. Van overige vormen van vernieling, bijvoorbeeld aan huis of tuin, is dit 2 per 100. Zowel voor vernielingen aan voertuigen als voor overige vernielingen geldt dat het aantal delicten is afgenomen ten opzichte van 2012. Het aantal ondervonden delicten van overige vernielingen ligt in 2019 ook iets lager dan in 2017. In het geval van vernielingen aan voertuigen is er geen wezenlijk verschil tussen 2017 en 2019.

Over de periode 2005–2019 laat de ontwikkeling van slachtofferschap van traditionele criminaliteit een gunstig beeld zien. Het totale slachtofferpercentage vertoont een duidelijk dalende trend. Deze daling was het sterkst in de periode 2005–2008, maar na een korte stijging tussen 2008 en 2009 is ook daarna sprake van een dalende tendens. In de afgelopen twee jaar is het slachtofferschap verder gedaald. Het slachtofferschap van vermogensdelicten is van 2008 tot 2013 min of meer stabiel gebleven, maar de laatste jaren is ook bij deze delictvorm weer sprake van een forse afname.

Het sterkst afgenomen sinds 2005 is het slachtofferschap van vermogensdelicten. Dit is met 56 procent gedaald (indexcijfer 2019 = 44), gevolgd door vandalisme (indexcijfer = 46) en geweldsmisdrijven (indexcijfer = 60). In totaliteit is het slachtofferschap van criminaliteit sinds 2005 met 50 procent gedaald (indexcijfer 2019 = 50).

Slachtofferschap traditionele criminaliteit naar leeftijd

Het slachtofferschap van criminaliteit varieert naar leeftijd. Jongere leeftijdsgroepen zijn vaker slachtoffer dan oudere. In totaliteit zijn 15–24‑jarigen met 17 procent en 25–44‑jarigen met 16 procent twee keer zo vaak slachtoffer dan 65‑plussers (8 procent). Bij vermogensdelicten en vooral geweldsdelicten zijn de leeftijdsverschillen relatief nog groter. Alleen bij vandalisme bestaat een ander beeld. Hier zijn de 25–44‑jarigen en 45–64‑jarigen vaker slachtoffer dan de ouderen én jongeren.

Slachtofferschap traditionele criminaliteit naar politieregio

Binnen de tien regionale eenheden varieert het aandeel inwoners dat aangeeft zelf slachtoffer te zijn geweest van veelvoorkomende criminaliteit in 2019 van 11 procent in Oost-Nederland tot 23 procent in Amsterdam. Bij de basisteams loopt het slachtofferschapspercentage uiteen van 6 procent in basisteams Vechtdal en Achterhoek-Oost tot 35 procent in basisteam Centrum-Burgwallen.

In tabellenbijlage II is weergegeven in welke regionale eenheden, politiedistricten en basisteams het slachtofferschap van traditionele criminaliteit – rekening houdend met de betrouwbaarheidsmarges rond de uitkomsten – hoger of lager is dan het landelijke gemiddelde. Zo is het slachtofferschapspercentage hoger dan gemiddeld in de regionale eenheden Midden-Nederland, Amsterdam, Den Haag en Rotterdam, en is het slachtofferschapspercentage lager dan gemiddeld in de eenheden Noord-Nederland, Oost-Nederland, Zeeland – West-Brabant en Oost-Brabant.

Slachtofferschap traditionele criminaliteit naar 70 000+ gemeente

Het aandeel dat in 2019 slachtoffer is geweest van een of meerdere delicten is met 17 procent in de 70 000+ gemeenten groter dan landelijk gemiddeld (14 procent; zie figuur 4.1.1). Daarbij is het slachtofferschap met 21 procent duidelijk het hoogst in de G4. In de G40 is 15 procent van de inwoners eenmaal of vaker slachtoffer geweest van een delict en in de overige 70 000+ gemeenten is dit 12 procent.

Het aandeel slachtoffers in de 70 000+ gemeenten is in 2019 wat lager dan in 2017, toen dit 19 procent bedroeg. Ook binnen de G40 en de overige 70 000+ gemeenten is een daling in het slachtofferschap zichtbaar. Dit geldt niet voor de G4.

Op het niveau van de 52 afzonderlijke 70 000+ gemeenten varieert het aandeel inwoners dat zelf slachtoffer is geweest van traditionele criminaliteit in 2019 van 9 procent in Meierijstad tot 25 procent in Amsterdam.

In tabellenbijlage III is weergegeven in welke 70 000+ gemeenten het slachtofferschaps­percentage – rekening houdend met de betrouwbaarheidsmarges rond de uitkomsten – hoger of lager is dan het gemiddelde van deze 70 000+ gemeenten. In de gemeenten Amsterdam, Haarlem, ’s Gravenhage en Utrecht is het aandeel slachtoffers hoger dan gemiddeld. Lager dan gemiddeld is dit aandeel in de gemeenten Alphen aan den Rijn, Apeldoorn, Breda, Deventer, Ede, Haarlemmermeer, Hengelo, Hoeksche Waard, Leidschendam-Voorburg, Meierijstad, Nissewaard, Purmerend, ’s Hertogenbosch, Súdwest Fryslân, Westland en Zoetermeer.

4.2Cybercrime

Vanaf 2012 wordt in de Veiligheidsmonitor naast slachtofferschap van ‘traditionele’ criminaliteit ook aandacht besteed aan slachtofferschap van cybercrime, dat wil zeggen criminaliteit die te maken heeft met internet of andere digitale informatiedragers.

Slachtofferschap cybercrime

In 2019 is 13 procent van de Nederlanders slachtoffer geweest van een of meerdere cybercrimedelicten; een aandeel dat iets hoger ligt dan in 2017 (11 procent) en 2012 (12 procent). Hacken komt het meest voor, gevolgd door koop- en verkoopfraude, cyberpesten en ten slotte identiteitsfraude.

De eerste vorm van cybercrime die is onderzocht is (digitale) identiteitsfraude, dat wil zeggen het zonder toestemming gebruiken van persoonsgegevens voor financieel gewin. In de context van cybercrime gaat het dan om ‘skimming’, het kopiëren van een bankpas of creditcard in een winkel of bij een pinautomaat, en om ‘phishing/pharming’, het kopiëren van betalingsinformatie via het internet, bijvoorbeeld via een gehackte computer of via een valse website.

In 2019 is 0,5 procent van de Nederlanders slachtoffer geweest van een of meer vormen van identiteitsfraude. Dit is iets meer dan in 2017 (0,4 procent) maar lager dan in 2012 (1,5 procent). De daling tussen 2012 en 2019 wordt voornamelijk veroorzaakt door de afname van skimming. Het aandeel Nederlanders dat hiervan slachtoffer werd, daalde van 1,1 procent in 2012 naar 0,1 procent in 2019. Het slachtofferschap van skimming veranderde in de afgelopen twee jaar niet, maar in 2019 zijn er wel iets meer slachtoffers van phishing/pharming dan in 2017. Het slachtofferschap van phishing/pharming verschilt echter niet tussen 2012 en 2019.

Een tweede vorm van cybercrime die is onderzocht is koop- en verkoopfraude via het internet. Hierbij gaat het om het niet leveren van gekochte goederen of diensten (koopfraude) en/of het niet betalen voor geleverde goederen of diensten (verkoopfraude).

In 2019 is 4,6 procent van de Nederlanders slachtoffer geweest van koop- en verkoopfraude. Dit is hoger dan in 2017 (3,9 procent) en 2012 (2,9 procent).

De toename wordt voornamelijk veroorzaakt door de stijging van koopfraude. Het aandeel Nederlanders dat hiervan slachtoffer is geweest, nam toe van 2,7 procent in 2012 naar 4,3 procent in 2019. Het slachtofferschap van verkoopfraude steeg licht tussen 2012 en 2019 van 0,2 procent naar 0,3 procent. Koopfraude komt dus veel meer voor dan verkoopfraude.

13% is slachtoffer van cybercrime Buitenvorm Binnenvorm

Bij hacken gaat het om het met kwade bedoelingen inbreken of inloggen op iemands computer, e-mailaccount, website of profielsite (bijvoorbeeld Facebook, Twitter). In 2019 is 5,5 procent van de Nederlanders slachtoffer geweest van deze vorm van cybercrime. Dit is iets meer dan in 2017 (4,9 procent), maar minder dan in 2012 (6,0 procent).

Onder cyberpesten, pesten via het internet, worden in de Veiligheidsmonitor verschillende verschijningsvormen geschaard, variërend van laster en stalken tot chantage/afpersing en bedreiging met geweld.

In 2019 is 4,2 procent van de Nederlanders slachtoffer geweest van een of meerdere vormen van cyberpesten. Dit is een toename ten opzichte van 2017 en 2012 (beide jaren 3,1 procent).

Laster, chantage en andere (dan de genoemde) vormen van cyberpesten komen met elk ongeveer 1 procent slachtoffers in 2019 het meest voor, gevolgd door stalken en bedreiging met geweld. In 2019 (1,0 procent) zijn er meer slachtoffers van chantage dan in de jaren daarvoor (in 2012 en 2017 beide 0,3 procent). Ook is er een lichte toename van het aandeel slachtoffers van andere (dan de genoemde) vormen van cyberpesten. In 2019 ging het om 1,3 procent en in 2012 en 2017 om 1,1 procent. De overige vormen van cyberpesten zijn niet veranderd.

Aantal delicten cybercrime

Het aantal ondervonden delicten op het gebied van cybercrime in totaliteit bedroeg 22 per 100 inwoners. Net als het aandeel slachtoffers van cybercrime, is dit hoger dan in 2017 (19 per 100) en 2012 (20 per 100).

Dit geldt eveneens voor het aantal ondervonden delicten van koop- en verkoopfraude en van cyberpesten. Het aantal delicten van koop- en verkoopfraude is toegenomen van 3,4 per 100 inwoners in 2012 naar 5,7 per 100 inwoners in 2019. Bij cyberpesten is een toename zichtbaar van 5,9 per 100 inwoners in 2012 naar 7,9 per 100 inwoners in 2019. Daarbij is het aantal delicten per 100 ongeveer twee keer zo groot als het percentage slachtoffers. Dit betekent dat slachtoffers van cyberpesten gemiddeld bijna 2 delicten meemaken, wat een relatief hoge frequentie is in vergelijking met andere vormen van slachtofferschap.

Het aantal delicten van identiteitsfraude bedroeg in 2019 0,6 per 100 inwoners. Dit is iets hoger dan in 2017 (0,4 per 100), maar minder dan in 2012 (1,6 per 100). Ook het aantal delicten van hacken is iets toegenomen tussen 2017 (7,5 per 100) en 2019 (8,2 per 100). Er is bij deze vorm van cybercrime echter geen verschil tussen 2012 en 2019. In de meeste gevallen heeft de hack plaatsgevonden door in te breken op een website of profielsite (3,2 delicten per 100 inwoners).

Slachtofferschap cybercrime naar leeftijd

Evenals het slachtofferschap van traditionele criminaliteit varieert het slachtofferschap van cybercrime naar leeftijd. Ook hier is het totaalbeeld dat jongere leeftijdsgroepen vaker slachtoffer zijn dan oudere. In totaliteit is in 2019 het aandeel 15–24‑jarige slachtoffers met 18 procent ongeveer 2,5 keer zo groot als het aandeel 65‑plussers (7 procent). Ook bij cyberpesten zien we dat jongere leeftijdsgroepen vaker slachtoffer zijn dan oudere. Bij koop- en verkoopfraude en bij hacken zijn naast 15–24‑jarigen ook 25–44‑jarigen relatief vaak slachtoffer. Bij identiteitsfraude is het beeld afwijkend: hier zijn jongeren minder vaak slachtoffer dan de oudere leeftijdsgroepen.

4.3Melding en aangifte

Melding en aangifte traditionele criminaliteit

Van alle gewelds- vermogens- en vandalismedelicten samen werd 32 procent in 2019 bij de politie gemeld. Dit is minder dan in 2017 (34 procent) en 2012 (38 procent). In 23 procent van de ondervonden delicten werd daadwerkelijk aangifte gedaan; dit is vergelijkbaar met 2017, maar minder dan in 2012 (29 procent).

In 2019 is 14 procent aangegeven via een proces-verbaal; 9 procent via internet. Het aandeel aangiften via een proces-verbaal is sinds 2012 teruggelopen; het aandeel via internet is niet wezenlijk veranderd.

Reden geen melding of aangifte traditionele criminaliteit

De belangrijkste reden om een ondervonden delict niet bij de politie te melden of aan te geven is ‘het helpt toch niets’. In 45 procent van de gevallen werd dit als hoofdmotief opgegeven. Daarna volgen de redenen ‘het was niet belangrijk’ (18 procent), ‘dit is geen zaak voor de politie’ (16 procent) en ‘geen zin of tijd voor gehad’ (12 procent). De overige redenen worden minder vaak genoemd. In ruim een op de tien gevallen zijn er ook nog andere niet nader gespecificeerde redenen voor het niet melden of aangifte doen.

Melding en aangifte cybercrime

Van alle gevallen van identiteitsfraude, koop- en verkoopfraude, hacken en cyberpesten samen is in 2019 ongeveer een op de acht (13 procent) gemeld bij de politie. Dit is vergelijkbaar met de jaren daarvoor.

Aangifte bij de politie werd in 2019 in ruim een op de twaalf gevallen (8 procent) gedaan. Ook dit is vergelijkbaar met voorgaande jaren. Het aandeel dat via internet werd aangegeven is in 2019 ongeveer even groot als het aandeel dat via een proces-verbaal werd aangegeven. Dit was in 2017 ook het geval. In 2012 was het aandeel aangiften van cybercrime via internet kleiner dan het aandeel aangiften via een proces-verbaal.

Noten

Het gaat over personen van 15 jaar en ouder. Gegevens over autodelicten (diefstal van of uit de auto) zijn afgeleid van personen van 18 jaar en ouder, maar gepercenteerd op het totale aantal personen van 15 jaar en ouder.

In dit hoofdstuk blijft dit slachtofferschap beperkt tot gebeurtenissen die burgers zelf en als privépersoon hebben meegemaakt.

Anders dan in eerdere edities is vanaf de VM 2012 niet gevraagd naar afzonderlijke slachtofferschappen van respectievelijk mishandeling, bedreiging en geweld met seksuele bedoelingen, maar naar slachtofferschap van geweld in het algemeen, waarbij (mits binnen 12 maanden) is doorgevraagd naar details van het laatste voorval.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Math Akkermans

Willem Gielen

Rianne Kloosterman

Kim Knoops

Ger Linden

Elke Moons

Met medewerking van

José Gouweleeuw

Jos Kickken

Ralph Meijers

Inge Muijs

Marie-José Poublon-Schijns