Maatschappij - Cijfers
Gezondheid en zorg
Sinds begin jaren tachtig is de gezonde levensverwachting, vanaf het moment van geboorte, van mannen toegenomen van gemiddeld 60 jaar in 1981 naar 65 jaar in 2017. Onder vrouwen nam de gezonde levensverwachting niet toe. In 1981 was deze gemiddeld ruim 62 jaar, iets hoger dan de gezonde levensverwachting van mannen, en in 2017 was deze bijna 64 jaar. De gezonde levensverwachting is het aantal jaren dat iemand nog te leven heeft met een als goed ervaren gezondheid.
Vanaf 2001 daalt het aandeel rokers onder de bevolking van 12 jaar of ouder. In 2001 rookte 33 procent van de 12‑plussers, in 2018 is dat gedaald naar 21 procent. Het aandeel zware rokers, mensen die twintig sigaretten of meer per dag roken, is afgenomen van 10 procent naar 3 procent.
In 2018 gebruikte 3 procent van de bevolking van 12 jaar of ouder wel eens een elektronische sigaret (e-sigaret). Van de mensen van 75 jaar of ouder gebruikt nauwelijks iemand de e-sigaret.
In 2018 voldoet 40 procent van de bevolking van 18 jaar of ouder aan het advies van de Gezondheidsraad over het drinken van alcohol: drink niet, of minder dan één glas alcoholhoudende drank per dag. De overige 60 procent drinkt gemiddeld meer dan één glas per dag. Twintigers voldoen het minst vaak aan deze richtlijn, 28 procent van hen drinkt niet of maximaal één glas per dag (72 procent drinkt meer dan één glas per dag). Ouderen vanaf 70 jaar voldoen met 54 procent het vaakst aan de richtlijn.
Volwassenen met een body mass index (BMI) van 30 (kg/m2) of hoger hebben ernstig overgewicht (obesitas). Obesitas komt nu drie keer zo vaak voor onder de bevolking van 20 jaar of ouder dan begin jaren tachtig (van 5 procent naar 15 procent). Obesitas kan worden onderverdeeld in drie klassen: klasse 1 (BMI van 30 tot 35), klasse 2 (35 tot 40) en klasse 3 (40 of hoger). Obesitas klasse 1 komt het vaakst voor. Deze vorm van obesitas is ook het sterkst toegenomen, van ruim 4 procent in 1981 naar 11 procent in 2018. Ook het aandeel mensen met obesitas klasse 2 of 3 is gestegen. Deze vormen van obesitas kwamen begin jaren tachtig nog zelden voor.
In 2017 kreeg bijna 13 procent van de mannen en ruim 10 procent van de vrouwen door de apotheek een cholesterolverlagend middel verstrekt. Tien jaar eerder was dat voor zowel mannen als vrouwen nog een kwart lager. Vanaf 2012 stijgt het aantal mensen dat deze middelen krijgt minder snel dan voor die tijd. Cholesterolverlagers werden het meest verstrekt aan 75- tot 85‑jarigen, bijna 45 procent van hen kreeg deze geneesmiddelen. Op alle leeftijden is het aandeel mannen dat cholesterolverlagers krijgt hoger dan het aandeel vrouwen. (Bron: CBS, Zorginstituut)
In 2017 overleden 45 duizend mensen aan kanker en 38 duizend mensen aan hart- en vaatziekten. Vanaf 2016 overlijden meer vrouwen aan kanker dan aan hart- en vaatziekten. Bij mannen was dat tien jaar eerder al zo. In de periode 1970–2017 is de sterfte aan hart- en vaatziekten sterk afgenomen, met ruim 70 procent (hierbij is rekening gehouden met verschillen in de leeftijdssamenstelling van de bevolking). Sterfte aan kanker steeg tot eind jaren tachtig nog onder mannen, maar daalde vervolgens. Onder vrouwen daalt het overlijden aan kanker over de hele linie langzaam, van 290 naar 236 per 100 duizend vrouwen.
In 2014 waren er voor het eerst meer vrouwelijke dan mannelijke huisartsen aan het werk. In 2017 waren er 6 855 vrouwenlijke en 5 570 mannelijke huisartsen. Twintig jaar geleden was nog een kwart van de huisartsen een vrouw. Vrouwelijke huisartsen zijn gemiddeld een stuk jonger dan hun mannelijke collega’s. In 2017 is 59 procent jonger dan 45 jaar. Van de mannelijke huisartsen is 28 procent nog geen 45 jaar. Een derde van alle mannelijke huisartsen is 60 jaar of ouder, onder vrouwelijke artsen is dat 8 procent. De komende jaren zal de huisarts steeds vaker een vrouw zijn.
Sinds 2015 regelt de Wet Langdurige Zorg de zorg voor kwetsbare ouderen en mensen met een beperking die permanent zorg of toezicht nodig hebben. In 2017 bedroegen de kosten hiervan gemiddeld 56 duizend euro per persoon met langdurige zorg. Bij mensen tot 70 jaar ging het vooral om gehandicaptenzorg. Bij ouderen (70‑plus) ging het vooral om verpleging en verzorging, gemiddeld wat goedkopere vormen van langdurige zorg. Deze kosten hebben betrekking op zorg die ‘in natura’ wordt geleverd, dat wil zeggen tijdens een verblijf in een instelling, of als intensieve thuiszorg. Zorg die wordt betaald uit een persoonsgebonden budget valt hier niet onder.
Begin jaren tachtig duurde een ziekenhuisopname gemiddeld nog bijna twee weken. Het gaat hier om opnamen op een verpleegafdeling met minimaal één verpleegdag. Tot 2012 nam de verpleegduur voortdurend af. De laatste jaren treedt geen verdere verlaging op, en is de verpleegduur gemiddeld 5,2 dagen. Ouderen liggen nog steeds het langst in het ziekenhuis, maar de daling van de opnameduur was in die groep het grootst. Begin jaren tachtig verbleven 65‑plussers gemiddeld nog drie weken in het ziekenhuis, tegenwoordig verlaten ook zij het ziekenhuis doorgaans binnen een week.