Maatschappij
Cijfers - Onderwijs
In Nederland heeft bijna 40 procent van de 15- tot 75-jarigen een havo- of vwo-diploma of een afgeronde mbo-opleiding op niveau 2, 3 of 4. Deze groep middelbaaropgeleiden is al jaren de grootste groep en blijft door de jaren heen in omvang vrij stabiel. Het aandeel dat een hbo- of wo-studie heeft afgerond groeit daarentegen en kwam in 2017 uit op 30 procent. Daarnaast heeft bijna 29 procent basisonderwijs, vmbo, havo-, vwo-onderbouw of mbo-1 als hoogst behaald onderwijsniveau.
In schooljaar 2017/’18 zaten bijna 1,5 miljoen leerlingen in het (speciaal) basisonderwijs of op een speciale school voor basisonderwijs. Het aantal leerlingen in dit basisonderwijs daalt en die daling zal volgens de bevolkingsprognose van het CBS de komende jaren doorzetten. Vooral het aantal leerlingen in het reguliere basisonderwijs nam de afgelopen jaren af. Het aantal kinderen dat naar het speciaal basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs gaat, lijkt zich te stabiliseren en kwam in 2017/’18 uit op 64 duizend.
In het schooljaar 2017/’18 zaten bijna 956 duizend leerlingen in het voortgezet onderwijs (exclusief praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs). Van alle leerlingen in het derde leerjaar zat gemiddeld 47,5 procent op de havo of het vwo. Vooral in de Randstad en in en om universiteitssteden is het percentage havo-/vwo-scholieren hoger dan gemiddeld. In Bloemendaal, Heemstede en Oegstgeest zit meer dan 80 procent van de leerlingen op de havo of het vwo. In sommige gemeenten in het noorden van het land is het percentage havo-/vwo-leerlingen minder dan 35 procent.
Het aantal leerlingen in het mbo laat een golfbeweging zien. Na enkele jaren van daling nam in het studiejaar 2016/’17 het aantal leerlingen in het mbo weer iets toe. Ook in het studiejaar 2017/’18 zette de stijging door, zowel onder mannen als vrouwen. Mannen zijn in het mbo in de meerderheid. Verder nam vooral het aandeel leerlingen dat koos voor een beroepsopleidende leerweg (bol) toe. In het hoger onderwijs vertoont het aantal studenten al veel langer een stijgende trend. In het hbo en het wo zijn vrouwen in de meerderheid.
Vrouwen kiezen in het beroeps- of wetenschappelijk onderwijs vooral voor studies in de richting gezondheidszorg en welzijn. Zowel in het mbo, het hbo als het wo staan deze richtingen in de top 3 van vrouwelijke studenten. Het gaat bijvoorbeeld om verpleeg- en verloskunde, maatschappelijk werk en geneeskunde. Bij mannen staan studies op het gebied van techniek, industrie en bouwkunde in de top 3. De studierichtingen recht, administratie en handel zijn populair bij zowel vrouwen als mannen. Dat geldt ook voor studies op het gebied van dienstverlening. De lerarenopleiding op het hbo staat bij vrouwen net wel in de top 3, maar bij mannen net niet. Vrouwen die studeren aan de universiteit kiezen het vaakst voor een studie op het gebied van journalistiek, gedrag en maatschappij, zoals psychologie en sociologie.
De uitgaven aan onderwijs bedroegen 42,9 miljard euro in 2016. Aan het voortgezet en basisonderwijs wordt het meest uitgegeven. Dit zijn ook de sectoren met de meeste leerlingen. In het voortgezet onderwijs stegen de uitgaven in tien jaar met 31 procent tot 10,9 miljard euro in 2016. De uitgaven aan het basisonderwijs groeiden met 14 procent tot 9,8 miljard euro in 2016.
De uitgaven van de overheid aan het onderwijs namen de afgelopen jaren toe en kwamen in 2016 uit op 38,7 miljard euro. Het aandeel van de onderwijsuitgaven in het bbp ligt vrij stabiel rond 5,3 procent. Van de totale uitgaven van de overheid in 2016 neemt het onderwijs 12,6 procent voor zijn rekening. Dat percentage is iets hoger dan in voorgaande jaren.