Foto omschrijving: Reizigers in een lege vertrekhal.

Gevolgen corona­pandemie voor economie en arbeidsmarkt

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de regionale gevolgen van de coronacrisis voor de economie en de arbeidsmarkt. Om te kijken of er een relatie bestaat met de pandemie zelf, wordt eerst stilgestaan bij regionale verschillen in de sterftecijfers (paragraaf 4.1). In paragaaf 4.2 komen regionale verschillen in de bbp-ontwikkeling aan de orde. In 4.3 worden regionale verschillen in de reactie van de arbeidsmarkt benoemd, aan de hand van zowel de werkzame als de werkloze beroepsbevolking. In 4.4 komen de faillissementen aan bod. Zo veel mogelijk zijn de cijfers besproken per COROP-plusgebied en provincie. Uitzondering daarop zijn de regionale cijfers over de arbeidsmarkt waar enkel cijfers beschikbaar zijn op provincieniveau en voor de vier grootste gemeenten.

4.1Corona raakt tijdens eerste golf vooral Limburg en Noord-Brabant

Vanaf februari kreeg ook Nederland te maken met de wereldwijde coronapandemie. Half maart ging Nederland in een gedeeltelijke lockdown om verdere verspreiding van het virus te beperken. Om te zien hoe zwaar een regio is getroffen door het virus zou gekeken moeten worden naar het aantal besmettingen. Deze cijfers zijn per regio niet voorhanden. Daarom zijn sterftecijfers gebruikt als benadering voor het aantal besmettingen om te zien hoe zwaar een regio direct getroffen is als gevolg van het coronavirus.

In de eerste golf van de corona-epidemie sloeg het virus vooral in Limburg en Noord-Brabant toe. In de periode van 2 maart tot en met 4 oktober 2020 stierven hier respectievelijk 20 en 18 procent meer mensen dan in dezelfde periode een jaar eerder. Dat het virus juist in deze provincies toesloeg, wordt toegeschreven aan het in februari gevierde carnaval (LUMC). Lokaal sloeg het virus ook in andere provincies toe, bijvoorbeeld in Overijssel. Vooral Kampen, Zwartewaterland en Ommen werden relatief hard geraakt. Daarnaast werd in Zuid-Holland de regio Drechtsteden meer getroffen dan omliggende regio’s en in Noord-Holland Alkmaar en omgeving. Het noorden van Nederland werd aanzienlijk minder geraakt door de coronapandemie. In Groningen en Fryslân waren de sterftecijfers nauwelijks hoger dan in dezelfde periode in 2019.

4.1.1 Sterfte, week 10 tot en met week 40 2020 (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
Regio Week 10 tot en met week 40 2020
Limburg 20,5
Noord-Brabant 17,7
Zuid-Holland 12,2
Noord-Holland 10,1
Gelderland 10,1
Overijssel 8,8
Utrecht 7,4
Flevoland 6,9
Drenthe 6,2
Zeeland 5,5
Fryslân 1,0
Groningen 0,2
.
Rotterdam 22,8
Den Haag 14,6
Amsterdam 11,6
Utrecht (gemeente) 7,9

De gedeeltelijke lockdown die Nederland half maart inging duurde ruim twee maanden. De horeca ging dicht, net als musea, theaters en kapperszaken. Gedurende deze periode werden verschillende financiële steunmaatregelen in het leven geroepen om zoveel mogelijk banen en inkomens te beschermen en de gevolgen op te vangen voor (zelfstandig) ondernemers. Vanaf juni ging de horeca, culturele instellingen en film- theater- en concertzalen weer open, waarbij een maximum aantal bezoekers gold. Een aantal branches blijft nog gesloten, zoals discotheken en nachtclubs.

Vanaf eind september werden aangescherpte maatregelen afgekondigd om de opkomende verspreiding van het virus terug te dringen. De gevolgen van deze tweede golf en de gedeeltelijke lockdown zullen zichtbaar zijn in de (nog niet beschikbare) economische en arbeidsmarktcijfers over het vierde kwartaal van 2020.

4.1.2 Groei sterfte week 11 tot en met week 40 2020
Corop plus Sterfte
Achterhoek 6,1
Aggl.'s-Gravenhage excl. Zoetermeer 10,3
Agglomeratie Haarlem 11,9
Agglomeratie Leiden en Bollenstreek 11,2
Alkmaar en omgeving 18,7
Almere 3,9
Amsterdam 10,4
Arnhem/Nijmegen 7,8
Delft en Westland 10,2
Delfzijl en omgeving -7,8
Drechtsteden 22,4
Edam-Volendam en omgeving 7,1
Flevoland-Midden 11,3
Haarlemmermeer en omgeving 1,6
Het Gooi en Vechtstreek 10,6
IJmond 11,2
Kop van Noord-Holland 2,2
Midden-Limburg 20,0
Midden-Noord-Brabant 17,8
Noord-Drenthe 10,1
Noord-Friesland -0,9
Noord-Limburg 19,6
Noordoostpolder en Urk 4,1
Noord-Overijssel 18,5
Oost-Groningen -4,0
Oost-Zuid-Holland 6,8
Overig Agglomeratie Amsterdam 16,0
Overig Groningen 3,4
Overig Groot-Rijnmond 16,6
Overig Noordoost-Noord-Brabant 40,6
Overig Zeeland 8,8
Overig Zuidoost-Zuid-Holland -5,5
Rijnmond 14,7
Stadsgewest Amersfoort 5,3
Stadsgewest 's-Hertogenbosch 11,1
Stadsgewest Utrecht 9,0
Twente 2,5
Utrecht-West 5,5
Veluwe 13,4
West-Noord-Brabant 7,7
Zaanstreek 17,5
Zeeuwsch-Vlaanderen -1,4
Zoetermeer 7,8
Zuid-Limburg 21,0
Zuidoost-Drenthe 5,7
Zuidoost-Friesland 4,8
Zuidoost-Noord-Brabant 18,6
Zuidoost-Utrecht 6,7
Zuidwest-Drenthe 1,3
Zuidwest-Friesland 0,0
Zuidwest-Gelderland 16,2
Zuidwest-Overijssel 16,2

4.2Regionale economische krimp

Grootste economische krimp ooit gemeten

De gevolgen van de lockdown en de maatregelen om het virus verder in te dammen hebben ook hun weerslag op de Nederlandse economie. In het derde kwartaal kromp de economie met 2,7 procent vergeleken met het derde kwartaal van 2019. De economische krimp was minder sterk dan in het tweede kwartaal toen de krimp nog 9,4 procent bedroeg. Dit was de grootste krimp ooit gemeten sinds het begin van de metingen in 1995. Tot dan toe was de grootste gemeten krimp in het tweede kwartaal van 2009 met 4,6 procent. In het eerste kwartaal van 2020 bedroeg de afname van de toegevoegde waarde in de Nederlandse economie 0,2 procent ten opzichte van een jaar eerder. Met deze krimp kwam een eind aan een periode van 26 kwartalen op rij met groei.

In het eerste kwartaal zat Nederland alleen in de laatste weken in een gedeeltelijke lockdown. Toen hadden onder meer het vliegverkeer, reisorganisaties en de goederenexport al wel last van de pandemie.

Het CBS publiceerde voor het eerst regionale kwartaalcijfers op basis van een nieuwe methode in augustus. Omdat deze ramingen omgeven zijn met een grotere onzekerheid, worden de cijfers weergegeven in klassen met een bandbreedte van 1 procent voor het derde kwartaal, 2 procent voor het tweede kwartaal en 1 procent voor het eerste kwartaal van 2020. De percentages betreffen de economische groei ten opzichte van een jaar eerder.

4.2.1Verandering toegevoegde waarde ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder (%)

  1e kwartaal 2020 2e kwartaal 2020 3e kwartaal 2020
Nederland –0,2 –9,4 –2,7
       
Noord-Holland –1 tot 0 –14 tot –12 Lager dan –5
Groningen Lager dan –2 –10 tot –8 –4 tot –3
Limburg –1 tot 0 –12 tot –10 –2 tot –1
Fryslân –1 tot 0 –10 tot –8 –2 tot –1
Drenthe –1 tot 0 –10 tot –8 –2 tot –1
Overijssel 0 tot 1 –10 tot –8 –2 tot –1
Zeeland –1 tot 0 –10 tot –8 –2 tot –1
Zuid-Holland 0 tot 1 –8 tot –6 –2 tot –1
Noord-Brabant 0 tot 1 –8 tot –6 –2 tot –1
Utrecht 0 tot 1 –8 tot –6 –2 tot –1
Gelderland 0 tot 1 –10 tot –8 –1 tot 0
Flevoland 1 of hoger –8 tot –6 –1 tot 0

Krimp sterkst in Noord-Holland

Het eerste kwartaal was er in de helft van de provincies al sprake van economische krimp. In de regio Haarlemmermeer was de krimp al meer dan 2 procent. Overig Groningen kende dat kwartaal een vergelijkbare krimp, maar deze hing samen met de verminderde gaswinning.

4.2.2 Economische groei, 2e kwartaal 2020
Regio_naam Verandering toegevoegde waarde
Oost-Groningen -8 tot -6%
Delfzijl e.o. -6% of hoger
Overig Groningen -10 tot -8%
Noord-Fryslân -10 tot -8%
Zuidwest-Fryslân -10 tot -8%
Zuidoost-Fryslân -10 tot -8%
Noord-Drenthe -10 tot -8%
Zuidoost-Drenthe -10 tot -8%
Zuidwest-Drenthe -10 tot -8%
Noord-Overijssel -10 tot -8%
Zuidwest-Overijssel -10 tot -8%
Twente -10 tot -8%
Veluwe -8 tot -6%
Achterhoek -10 tot -8%
Aggl. Arnhem/Nijmegen -10 tot -8%
Zuidwest-Gelderland -8 tot -6%
Utrecht-West -8 tot -6%
Stadsgewest Amersfoort -8 tot -6%
Stadsgewest Utrecht -8 tot -6%
Zuidoost-Utrecht -8 tot -6%
Kop van Noord-Holland -8 tot -6%
Alkmaar e.o. -10 tot -8%
IJmond -14 tot -12%
Agglomeratie Haarlem -12 tot -10%
Zaanstreek -10 tot -8%
Amsterdam -14 tot -12%
Overig Agglomeratie Amsterdam -10 tot -8%
Edam-Volendam e.o. -10 tot -8%
Haarlemmermeer e.o. Lager dan -14%
Het Gooi en Vechtstreek -10 tot -8%
Agglomeratie Leiden en Bollenstreek -10 tot -8%
Agglomeratieês-Gravenhage (Excl. Zoetermeer) -8 tot -6%
Zoetermeer -8 tot -6%
Delft en Westland -8 tot -6%
Oost-Zuid-Holland -8 tot -6%
Rijnmond -8 tot -6%
Overig Groot-Rijnmond -8 tot -6%
Drechtsteden -8 tot -6%
Overig Zuidoost-Zuid-Holland -10 tot -8%
Zeeuwsch-Vlaanderen -8 tot -6%
Overig Zeeland -10 tot -8%
West-Noord-Brabant -8 tot -6%
Midden-Noord-Brabant -12 tot -10%
Stadsgewest ês-Hertogenbosch -8 tot -6%
Overig Noordoost-Noord-Brabant -8 tot -6%
Zuidoost-Noord-Brabant -8 tot -6%
Noord-Limbug -10 tot -8%
Midden-Limburg -10 tot -8%
Zuid-Limburg -12 tot -10%
Almere -6% of hoger
Flevoland-Midden -10 tot -8%
Noordoostpolder en Urk -8 tot -6%

In het tweede kwartaal werden alle provincies hard geraakt door de coronacrisis. De economische krimp was overal minstens 6 procent ten opzichte van een jaar eerder. De economie in Noord-Holland werd het hardst getroffen; de krimp bedroeg daar 12 tot 14 procent. Binnen deze provincie kromp de economie in Haarlemmermeer met ruim een kwart het sterkst. Deze regio is voor een groot deel afhankelijk van de luchtvaart en hieraan gerelateerde diensten. Daarnaast werden ook Amsterdam en IJmond economisch flink getroffen (–14 tot –12 procent). In Limburg was de economische krimp het sterkst in Zuid-Limburg (–12 tot –10 procent). De horeca en de zorg hebben een belangrijk aandeel in de krimp in Amsterdam, IJmond en Zuid-Limburg. Per saldo zijn in de zorg minder diensten geleverd omdat vanwege corona veel afspraken en operaties zijn uitgesteld. Datzelfde gold ook voor Midden Noord-Brabant waar de krimp 10 tot 12 procent bedroeg.

4.2.3 Economische groei, 3e kwartaal 2020
Regio_naam Verandering toegevoegde waarde
Oost-Groningen -1 tot 0%
Delfzijl e.o. -2 tot -1%
Overig Groningen -5 tot -4%
Noord-Fryslân -3 tot -2%
Zuidwest-Fryslân -2 tot -1%
Zuidoost-Fryslân -2 tot -1%
Noord-Drenthe -2 tot -1%
Zuidoost-Drenthe -3 tot -2%
Zuidwest-Drenthe -1 tot 0%
Noord-Overijssel -2 tot -1%
Zuidwest-Overijssel -2 tot -1%
Twente -2 tot -1%
Veluwe -1 tot 0%
Achterhoek -2 tot -1%
Aggl. Arnhem/Nijmegen -2 tot -1%
Zuidwest-Gelderland -2 tot -1%
Utrecht-West -1 tot 0%
Stadsgewest Amersfoort -2 tot -1%
Stadsgewest Utrecht -2 tot -1%
Zuidoost-Utrecht -1 tot 0%
Kop van Noord-Holland -2 tot -1%
Alkmaar e.o. -2 tot -1%
IJmond -2 tot -1%
Agglomeratie Haarlem -3 tot -2%
Zaanstreek -1 tot 0%
Amsterdam lager dan -5%
Overig Agglomeratie Amsterdam -3 tot -2%
Edam-Volendam e.o. -2 tot -1%
Haarlemmermeer e.o. lager dan -5%
Het Gooi en Vechtstreek -3 tot -2%
Agglomeratie Leiden en Bollenstreek -2 tot -1%
Agglomeratieês-Gravenhage (Excl. Zoetermeer) -2 tot -1%
Zoetermeer -2 tot -1%
Delft en Westland -2 tot -1%
Oost-Zuid-Holland -1 tot 0%
Rijnmond -2 tot -1%
Overig Groot-Rijnmond -1 tot 0%
Drechtsteden -2 tot -1%
Overig Zuidoost-Zuid-Holland -2 tot -1%
Zeeuwsch-Vlaanderen -2 tot -1%
Overig Zeeland -1 tot 0%
West-Noord-Brabant -2 tot -1%
Midden-Noord-Brabant -2 tot -1%
Stadsgewest ês-Hertogenbosch -2 tot -1%
Overig Noordoost-Noord-Brabant -2 tot -1%
Zuidoost-Noord-Brabant -2 tot -1%
Noord-Limbug -3 tot -2%
Midden-Limburg -1 tot 0%
Zuid-Limburg -2 tot -1%
Almere -1 tot 0%
Flevoland-Midden -1 tot 0%
Noordoostpolder en Urk -2 tot -1%

De krimp was in het derde kwartaal aanzienlijk minder groot dan in het tweede kwartaal. Wel bleef de krimp groot in Noord-Holland waar de economie meer dan 5 procent kleiner was vergeleken met het derde kwartaal van 2019. Dit hangt samen met het feit dat de luchtvaart in Haarlemmermeer nog steeds relatief weinig passagiers vervoerde. Ook in de toeristische trekpleister Amsterdam hield de economische malaise aan. In de meeste andere provincies veerde de economie het derde kwartaal weer wat terug en was de krimp kleiner dan 2 procent. Groningen vormde daarop een uitzondering met 3 tot 4 procent krimp. Deze provincie heeft in 2020 te maken met een lagere gaswinning ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar waardoor het economisch beeld wat vertroebelt.

4.3Arbeidsmarkt

Werkzame beroepsbevolking

De werkzame beroepsbevolking nam in het derde kwartaal van 2020 met 0,3 procent toe (seizoengecorrigeerd) ten opzichte van het voorgaande kwartaal. Dat waren 28 duizend werkenden meer dan in het tweede kwartaal van 2020. In totaal hadden 8,9 miljoen mensen van 15 tot 75 jaar betaald werk in het derde kwartaal van 2020.

Al sinds het derde kwartaal van 2014 was er elk kwartaal een stijging in het aantal werkenden. Van het eerste naar het tweede kwartaal van 2020 nam het aantal werkenden voor het eerst af met 173 duizend.

4.3.1 Werkzame beroepsbevolking (15 tot 75 jaar), seizoengecorrigeerd (x 1 000)
Werkzame beroepsbevolking
2015 Eerste kwartaal, 2015 8278
2015 Tweede kwartaal, 2015 8293
2015 Derde Kwartaal, 2015 8302
2015 Vierde kwartaal, 2015 8303
2016 Eerste kwartaal, 2016 8327
2016 Tweede kwartaal, 2016 8380
2016 Derde Kwartaal, 2016 8431
2016 Vierde kwartaal, 2016 8472
2017 Eerste kwartaal, 2017 8515
2017 Tweede kwartaal, 2017 8550
2017 Derde Kwartaal, 2017 8608
2017 Vierde kwartaal, 2017 8647
2018 Eerste kwartaal, 2018 8693
2018 Tweede kwartaal, 2018 8744
2018 Derde Kwartaal, 2018 8804
2018 Vierde kwartaal, 2018 8857
2019 Eerste kwartaal, 2019 8904
2019 Tweede kwartaal, 2019 8938
2019 Derde Kwartaal, 2019 8963
2019 Vierde kwartaal, 2019 9006
2020 Eerste kwartaal, 2020 9052
2020 Tweede kwartaal, 2020 8879
2020 Derde Kwartaal, 2020 8907

Voor de vergelijking van provincies zijn geen seizoengecorrigeerde cijfers beschikbaar. Daarom is gekeken naar de jaar-op-jaarontwikkeling van de werkzame beroepsbevolking. In de meeste provincies nam de werkzame beroepsbevolking in het derde kwartaal dit jaar af vergeleken met dezelfde periode in 2019. Alleen in Flevoland, Gelderland, Zeeland en Groningen bleef het aantal werkenden (vrijwel) gelijk. In Drenthe en Fryslân nam de werkzame beroepsbevolking het sterkst af, met respectievelijk 1,6 en 1,5 procent vergeleken met dezelfde periode een jaar eerder.

Van de vier grote steden was de afname van het aantal werkenden het grootst in ‘s‍-‍Gravenhage (–‍2,3 procent). In Rotterdam en Utrecht hadden (vrijwel) evenveel mensen betaald werk in het derde kwartaal van 2020 vergeleken met dezelfde periode een jaar eerder.

4.3.2 Werkzame beroepsbevolking (15 tot 75 jaar), 3e kwartaal 2020 (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
Regio Ontwikkeling werkzame beroepsbevolking 3e kwartaal 2020
Flevoland 0,5
Gelderland 0,2
Zeeland 0
Groningen 0
Utrecht -0,3
Noord-Brabant -0,4
Noord-Holland -0,9
Limburg -0,9
Zuid-Holland -1
Overijssel -1,2
Fryslân -1,5
Drenthe -1,6
.
Rotterdam 0,3
Utrecht (gemeente) 0
Amsterdam -0,6
Den Haag -2,3

Werkloosheid toegenomen

In het derde kwartaal van 2020 waren er 419 duizend werklozen (seizoengecorrigeerd) in Nederland. Dat waren er 70 duizend meer dan in het vorige kwartaal. De werkloosheid als percentage van de beroepsbevolking nam toe van 3,8 procent het tweede kwartaal van 2020 naar 4,5 procent het derde kwartaal van 2020.

Het aantal werklozen nam van het eerste naar het tweede en het tweede naar het derde kwartaal van 2020 sterk toe. Daarvoor nam de werkloosheid sinds 2014 nog vrijwel voortdurend af. Overigens zette in het derde kwartaal van 2020 weer een lichte daling van de werkloosheid in. Een werkloze is een persoon van 15 tot 75 jaar zonder betaald werk, die recent naar werk heeft gezocht en daarvoor direct beschikbaar is. Regionaal zijn er geen seizoengecorrigeerde werkloosheidscijfers, daarom is gekozen om de cijfers te vergelijken met dezelfde periode een jaar eerder.

In alle provincies nam de werkloosheid toe ten opzichte van het derde kwartaal van 2019. Het sterkst was de toename in het werkloosheidspercentage in Noord-Holland met 1,4 procentpunt. Daarop volgen Zuid-Holland en Drenthe met beiden een stijging van 1,2 procentpunt.

De vier grootste gemeenten hadden het derde kwartaal van 2020 meer werklozen dan hetzelfde kwartaal in 2019. In Rotterdam, ’s-Gravenhage en Amsterdam was de werkloosheid hoger dan gemiddeld in Nederland. Het laagst was de werkloosheid in Utrecht.

4.3.3 Werkloosheid (% beroepsbevolking)
Regio's Derde kwartaal 2020 Derde kwartaal 2019
Zuid-Holland 4,8 3,6
Noord-Holland 4,7 3,3
Flevoland 4,7 3,6
Groningen 4,7 4
Limburg 4,2 3,2
Fryslân 4,1 3,2
Utrecht 4 3
Drenthe 4 2,8
Noord-Brabant 4 3
Overijssel 4 3,1
Gelderland 3,8 2,9
Zeeland 3,6 2,8
. .
Rotterdam 6,8 5,3
Amsterdam 6,1 4,1
Den Haag 6,1 4,7
Utrecht (gemeente) 4 3,4

Spanning op de arbeidsmarkt

De spanning op de arbeidsmarkt is de verhouding tussen het aantal openstaande vacatures en het aantal werklozen. Hoe hoger het aantal vacatures per werkloze, hoe krapper de arbeidsmarkt is en dus hoe hoger de spanning. Na een jarenlange economische groei bereikte de spanning op de arbeidsmarkt een hoogtepunt in het tweede kwartaal van 2019. Vooral tussen het eerste en het tweede kwartaal van 2020 nam het aantal vacatures per 100 werklozen sterk af, namelijk van 81 naar 57 (seizoengecorrigeerd). In het derde kwartaal waren er 51 vacatures per 100 werklozen.

Voor de regionale spanning op de arbeidsmarkt is gekeken naar de jaar-op-jaar­ontwikkelingen omdat er geen seizoengecorrigeerde cijfers naar regio voorhanden zijn. In alle regio’s nam de spanning op de arbeidsmarkt het derde kwartaal dit jaar af vergeleken met dezelfde periode een jaar eerder. Noord-Holland, Zeeland en Utrecht spanden de kroon. In Noord-Holland nam het aantal vacatures per 100 werklozen af van 108 naar 55 het derde kwartaal van 2020. Het aantal vacatures in Noord-Holland nam het sterkst af, terwijl het aantal werklozen het sterkst toenam van alle provincies. Ook in Utrecht en Zeeland nam de spanning op de arbeidsmarkt bijna even sterk af als in Noord-Holland. Wel bleef de spanning in deze twee provincies het hoogst.

4.3.4 Spanning op de arbeidsmarkt (aantal vacatures per 100 werklozen)
Regio's Derde kwartaal 2020 Derde kwartaal 2019
Utrecht 69 121
Zeeland 64 116
Noord-Brabant 59 103
Gelderland 57 95
Overijssel 56 94
Noord-Holland 55 108
Limburg 52 93
Drenthe 52 89
Zuid-Holland 48 84
Fryslân 44 70
Flevoland 40 73
Groningen 39 63

Faillissementen

De klap die de economie heeft gekregen is nog niet terug te zien in het aantal faillissementen. In Nederland werden 1 957 bedrijven en instellingen (inclusief eenmanszaken) failliet verklaard in maart tot en met september 2020. Dat zijn 233 faillissementen minder dan in dezelfde periode een jaar eerder. In maart tot en met september 2019 nam het aantal faillissementen vergeleken met dezelfde maanden een jaar eerder nog toe. Een mogelijke verklaring van het uitblijven van de stijging van het aantal faillissementen vormen de financiële noodregelingen van de overheid: deze zijn erop gericht dat bedrijven die zwaar getroffen worden door de coronacrisis niet omvallen.

4.3.5 Aantal faillissementen van bedrijven en instellingen
(incl. eenmanszaken), maart tot en met september 2020 (% verandering t.o.v. een jaar eerder)
Regio's Maart tot en met september 2020
Nederland -10,6
.
Fryslân 17,3
Groningen 9,8
Noord-Holland 9,3
Zeeland -3,3
Gelderland -8,3
Noord-Brabant -9,5
Zuid-Holland -14,7
Limburg -14,9
Flevoland -15,5
Drenthe -21,1
Overijssel -24
Utrecht -38,2

In de meeste regio’s nam het aantal faillissementen in maart tot en met september 2020 af vergeleken met dezelfde periode een jaar eerder. Uitzonderingen hierop waren Fryslân, Groningen en Noord-Holland. Een jaar eerder hadden de meeste provincies juist een stijgend aantal faillissementen.

4.3.6 Faillissementen maart tot en met september 2020
COROP Ontwikkeling faillissementen
Oost-Groningen (CR) -6
Delfzijl en omgeving (CR) 25
Overig Groningen (CR) 26
Noord-Fryslân (CR) 17
Zuidwest-Fryslân (CR) 25
Zuidoost-Fryslân (CR) 9
Noord-Drenthe (CR) -4
Zuidoost-Drenthe (CR) -53
Zuidwest-Drenthe (CR) 125
Noord-Overijssel (CR) -18
Zuidwest-Overijssel (CR) -50
Twente (CR) -20
Veluwe (CR) 6
Achterhoek (CR) -16
Arnhem/Nijmegen (CR) 8
Zuidwest-Gelderland (CR) -45
Utrecht (CR) -38
Kop van Noord-Holland (CR) 42
Alkmaar en omgeving (CR) -4
IJmond (CR) 0
Agglomeratie Haarlem (CR) 0
Zaanstreek (CR) -4
Groot-Amsterdam (CR) 27
Het Gooi en Vechtstreek (CR) -50
Agglomeratie Leiden en Bollenstreek (CR) 3
Agglomeratie 's-Gravenhage (CR) -22
Delft en Westland (CR) -20
Oost-Zuid-Holland (CR) -34
Groot-Rijnmond (CR) -1
Zuidoost-Zuid-Holland (CR) -46
Zeeuwsch-Vlaanderen (CR) -11
Overig Zeeland (CR) 0
West-Noord-Brabant (CR) 1
Midden-Noord-Brabant (CR) -10
Noordoost-Noord-Brabant (CR) -26
Zuidoost-Noord-Brabant (CR) -3
Noord-Limburg (CR) -35
Midden-Limburg (CR) 6
Zuid-Limburg (CR) -13
Flevoland (CR) -16

4.5Conclusie

Afgemeten aan sterftecijfers over de periode maart tot en met september zijn de regio’s Limburg en Noord-Brabant het meest getroffen door het virus. De gedeeltelijke lockdown leidde echter vooral tot een economische krimp in Noord-Holland. In deze provincie steeg de werkloosheid het sterkst met 1,4 procentpunt naar 4,7 procent van de beroepsbevolking in het derde kwartaal van 2020. Ook nam het aantal vacatures per 100 werklozen nam daar het sterkst af van alle provincies. Verder steeg het aantal faillissementen er iets ten opzichte van de periode maart tot en met september 2019. Na Noord-Holland had Groningen de grootste economische krimp in het derde kwartaal van 2020. Dit had deels te maken met de vermindering van de gaswinning.

In de andere provincies is de relatie tussen de economische krimp en de ontwikkeling op de arbeidsmarkt minder sterk. Zo was de economische krimp het minst groot in Flevoland, terwijl daar de werkloosheid toch ruim één procentpunt hoger lag in het derde kwartaal vergeleken met dezelfde periode in 2019. Daarmee is het werkloosheidspercentage gelijk aan dat van Noord-Holland.

Opvallend is dat de faillissementen van bedrijven en instellingen (inclusief eenmanszaken) in de periode maart tot en met september 2020 in vrijwel alle provincies zijn afgenomen. Dit zou te maken kunnen hebben met de maatregelen die de overheid heeft getroffen om bedrijven financieel te ondersteunen gedurende de crisis.

4.6Literatuur

Open literatuurlijst

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Edgar Angus

Charlotte Brand

Paul Couzy

Annelie Hakkenes-Tuinman

Lieneke Hoeksma

Richard Jollie

Michel van Kooten

Hans Langenberg

Nico Mens

Mark Ramaekers

Luuk Schreven

Sidney Vergouw

Lona Verkooijen

Karolien van Wijk