Hoe gaat het met de vogels in de stedelijke omgeving?
Van de 83 vogelsoorten die in steden en dorpen voorkomen, gaan er meer soorten achteruit dan vooruit. Zo gaan merel en huismus in populatie-omvang achteruit, terwijl putter en ooievaar toenemen binnen bebouwd gebied. De indicator ‘vogels van stedelijk gebied’ geeft de gemiddelde trend weer van deze 83 soorten. Deze is in de periode 2007–2020 met iets meer dan 6 procent afgenomen.
Het CBS berekent trends in de omvang van de populatie en het verspreidingsgebied van een groot aantal planten- en diersoorten uit de Nederlandse natuur. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van waarnemingen die voornamelijk verzameld zijn door vrijwilligers, maar deels ook door professionele waarnemers. Door de trends in samenhang te bekijken ontstaat een redelijk compleet beeld van de toestand en de ontwikkeling van de Nederlandse natuur. Sinds 2007 worden vogels in de stedelijke omgeving van Nederland geteld door middel van het Meetnet Urbane Soorten (MUS)noot1 van Sovon Vogelonderzoek Nederland. Van 83 vogelsoorten zijn voldoende gegevens beschikbaar om een trend voor vogels van het stedelijk gebied te berekenen.
| Waarneming | Trend | Onzekerheid trend (low) | Onzekerheid trend (high) | |
|---|---|---|---|---|
| 2007 | 99,41 | 100 | 97,17-10284 | 97,17-10284 |
| 2008 | 103,87 | 101,21 | 99,51-10296 | 99,51-10296 |
| 2009 | 98,76 | 101,91 | 100,56-10339 | 100,56-10339 |
| 2010 | 101,7 | 102,05 | 100,57-10358 | 100,57-10358 |
| 2011 | 104,08 | 101,44 | 99,92-1029 | 99,92-1029 |
| 2012 | 100,92 | 100,49 | 98,93-10198 | 98,93-10198 |
| 2013 | 97,69 | 99,17 | 97,67-10067 | 97,67-10067 |
| 2014 | 96,7 | 98,63 | 97,22-10008 | 97,22-10008 |
| 2015 | 98,67 | 97,9 | 96,31-9945 | 96,31-9945 |
| 2016 | 98,74 | 96,01 | 94,6-975 | 94,6-975 |
| 2017 | 95,2 | 94,26 | 92,82-9569 | 92,82-9569 |
| 2018 | 89,03 | 93,32 | 92,05-9463 | 92,05-9463 |
| 2019 | 89,5 | 92,92 | 91,58-9429 | 91,58-9429 |
| 2020 | 96,9 | 93,42 | 91,28-9539 | 91,28-9539 |
| Bron: CBS, NEM (Sovon) | ||||
| 1) Exclusief exoten | ||||
Slechtvalk verovert bebouwd Nederland
De vogelsoorten van het stedelijk gebied kunnen worden ingedeeld in vijf groepen naar type leefgebied: vogels kenmerkend voor bebouwing (bijvoorbeeld huismus, slechtvalk), bos en park (zanglijster, grote bonte specht), struik en struweel (winterkoning, nachtegaal), open groen (grutto en ooievaar), en water en moeras (ijsvogel, blauwe reiger).
Vogels die sterk geassocieerd worden met bebouwing, zoals gierzwaluw en huismus, gaan als groep vooruit (20 procent). Dat komt echter door de sterke toename van slechts één soort: de slechtvalk. Zonder deze soort zou de gemiddelde trend juist dalen; huismus, kauw, spreeuw en Turkse tortel nemen in aantal af. De slechtvalk komt uit een diep dal en wordt bij zijn herstel geholpen door speciale nestkasten op hoge gebouwen.
| Open groen | Open groen onzekerheid trend (low) | Open groen onzekerheid trend (high) | Water en moeras | Water en moeras onzekerheid trend (low) | Water en moeras onzekerheid trend (high) | Bebouwing | Bebouwing onzekerheid trend (low) | Bebouwing onzekerheid trend (high) | Bos/Park | Bos/Park onzekerheid trend (low) | Bos/Park onzekerheid trend (high) | Struik/Struweel | Struik/Struweel onzekerheid trend (low) | Struik/Struweel onzekerheid trend (high) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2007 | 100 | 92,06-10813 | 92,06-10813 | 100 | 93,87-10601 | 93,87-10601 | 100 | 89,98-1096 | 89,98-1096 | 100 | 95,82-10411 | 95,82-10411 | 100 | 94,53-10552 | 94,53-10552 |
| 2008 | 106,04 | 101,24-11109 | 101,24-11109 | 102,71 | 98,98-10664 | 98,98-10664 | 103,79 | 97,34-10957 | 97,34-10957 | 98,84 | 96,22-10149 | 96,22-10149 | 98,66 | 95,45-10198 | 95,45-10198 |
| 2009 | 109,41 | 105,06-11397 | 105,06-11397 | 105,91 | 102,59-10935 | 102,59-10935 | 106,5 | 101,51-11169 | 101,51-11169 | 97,66 | 95,36-10014 | 95,36-10014 | 96,67 | 94,1-9939 | 94,1-9939 |
| 2010 | 110,51 | 106,03-11537 | 106,03-11537 | 109,19 | 105,64-1126 | 105,64-1126 | 108,31 | 103,11-11404 | 103,11-11404 | 96,3 | 93,88-9895 | 93,88-9895 | 94,19 | 91,5-9705 | 91,5-9705 |
| 2011 | 108,19 | 103,96-11257 | 103,96-11257 | 113,2 | 109,88-11656 | 109,88-11656 | 108,85 | 103,84-11424 | 103,84-11424 | 94,57 | 92,28-9702 | 92,28-9702 | 90,73 | 87,92-936 | 87,92-936 |
| 2012 | 104,93 | 100,63-10951 | 100,63-10951 | 116,7 | 113,3-11998 | 113,3-11998 | 108,78 | 103,87-11376 | 103,87-11376 | 92,86 | 90,32-955 | 90,32-955 | 87,36 | 84,52-9015 | 84,52-9015 |
| 2013 | 103,71 | 99,59-10838 | 99,59-10838 | 116,43 | 113,01-11976 | 113,01-11976 | 108,64 | 104,39-1131 | 104,39-1131 | 90,94 | 88,48-9334 | 88,48-9334 | 85,61 | 82,75-8841 | 82,75-8841 |
| 2014 | 103,57 | 99,19-10775 | 99,19-10775 | 117,46 | 114,02-12108 | 114,02-12108 | 109,2 | 105,02-11349 | 105,02-11349 | 89,9 | 87,68-9221 | 87,68-9221 | 83,39 | 80,89-8592 | 80,89-8592 |
| 2015 | 102,66 | 98,28-10704 | 98,28-10704 | 118,66 | 114,81-12262 | 114,81-12262 | 110 | 105,24-11518 | 105,24-11518 | 88,91 | 86,64-9125 | 86,64-9125 | 80,32 | 77,72-8302 | 77,72-8302 |
| 2016 | 97,3 | 93,13-10127 | 93,13-10127 | 120,83 | 117,4-12429 | 117,4-12429 | 110,26 | 105,99-11503 | 105,99-11503 | 87,73 | 85,53-8991 | 85,53-8991 | 74,28 | 71,92-7688 | 71,92-7688 |
| 2017 | 92,24 | 88,19-9623 | 88,19-9623 | 123,2 | 120,13-12638 | 120,13-12638 | 111,13 | 107,1-11566 | 107,1-11566 | 86,28 | 84,11-8848 | 84,11-8848 | 69,26 | 66,7-7208 | 66,7-7208 |
| 2018 | 89,7 | 86,17-9321 | 86,17-9321 | 125,7 | 122,86-12858 | 122,86-12858 | 113,54 | 110,03-11726 | 110,03-11726 | 84,26 | 82,36-8624 | 82,36-8624 | 67,06 | 64,72-6959 | 64,72-6959 |
| 2019 | 88,69 | 84,82-9243 | 84,82-9243 | 128,22 | 125,2-13142 | 125,2-13142 | 117,21 | 113,49-12089 | 113,49-12089 | 81,96 | 79,85-8411 | 79,85-8411 | 66,59 | 64,25-6903 | 64,25-6903 |
| 2020 | 90,14 | 84,4-9591 | 84,4-9591 | 130,36 | 125,85-13535 | 125,85-13535 | 122,55 | 116,47-12874 | 116,47-12874 | 79,54 | 76,14-8289 | 76,14-8289 | 68,74 | 65 - 72 | 65 - 72 |
| Bron: CBS, NEM (Sovon) | |||||||||||||||
Meer watervogels, minder vogels in stedelijk groen
Watervogels, zoals grauwe gans, krakeend en kleine mantelmeeuw, gaan in dorpen en steden als groep vooruit: de gemiddelde trend is met 30 procent gestegen sinds 2007. Vogels die kenmerkend zijn voor bossen en parken (–20 procent), open groen (–10 procent) en struik en struweel (–30 procent) gaan binnen de stedelijke omgeving juist flink achteruit.
Bronnen
Compendium voor de Leefomgeving – Fauna van stedelijk gebied
De vragen
- Hoe komt het CBS aan de cijfers?
- Hoeveel fietsen we gemiddeld per week?
- Wie werken het vaakst in deeltijd?
- Hoeveel mensen bezochten Bonaire per cruiseschip?
- Zijn we tevreden over onze woning?
- Kunnen jonge vrouwen rustig over straat?
- Wat doen 65‑plussers online?
- Hoeveel windmolens staan er in Nederland?
- Hoe ver is het fietsen naar school?
- Hoeveel musea zijn er?
- Hoeveel elektriciteit in Caribisch Nederland komt uit hernieuwbare bronnen?
- Hoeveel volwassenen hebben overgewicht?
- Hoeveel vrachtschepen meren aan in de zeehavens?
- Waar luisterden we naar in 1953?
- Hoe oud worden mensen in Nederland?
- Waar gingen we in 1947 met vakantie?
- Hoeveel vis wordt aan wal gebracht?
- Waar zijn inwoners van Nederland geboren?
- Waar geven we ons geld aan uit?
- Hoe oud zijn vrouwen als ze moeder worden?
- Hoeveel kaas produceren we?
- Hoe worden goederen door Nederland vervoerd?
- Hoeveel slachtoffers maakt online criminaliteit?
- Wat spreken mensen thuis vooral?
- Hoeveel winkels zijn er?
- Hoeveel bier exporteert Nederland?
- Hoe vaak maken we een kippenvelmoment mee?
- Hoeveel koeien grazen er in de wei?
- Welke studierichting volgen studenten?
- Hoe lang zijn Nederlanders?
- Hoe gaat het met de vogels in de stedelijke omgeving?
- Waar werken de meeste mensen?
- Wat voor kleur heeft onze auto?
- Hoe gaat het CBS om met je privacy?
Noten
Meetnet Urbane Soorten (MUS)
Binnen het Meetnet Urbane Soorten (MUS) wordt de aantalsontwikkeling gevolgd van alle broedvogelsoorten van de stedelijke omgeving. De term ‘stedelijke omgeving’ wordt breed opgevat, en omvat naast steden en dorpen ook parken, bedrijven- en industrieterreinen, volkstuincomplexen en sportterreinen. Vrijwilligers kiezen een beschikbaar postcodegebied en identificeren en tellen alle vogels op 8–12 meetpunten binnen dat gebied. Op elk meetpunt wordt exact 5 minuten geteld. Het meetnet richt zich op alle broedvogelsoorten inclusief exoten als halsbandparkiet, nijlgans en stadsduif. In de indicator zijn deze exoten buiten beschouwing gelaten.