Export levert Nederlandse bevolking 2,5 miljoen voltijdbanen op in 2019

Foto omschrijving: Werknemers die de hoogoven op breuken controleren

Nederlandse verdiensten aan internationale handel

Auteurs: Tom Notten, Leen Prenen, Khee Fung Wong

272 miljard euro Nederlandse exportverdiensten in 2019 waarvan 125 miljard euro goederen van Nederlandse makelij, 35 miljard euro wederuitvoer van goederen en 112 miljard euro dienstenexport. Nederlandse exportverdiensten (2019) Totale export Nederland € 0,40 (60%) Wederuitvoer € 0,13 (87%) € 261 mld € 35 mld Goederen NL makelij € 0,54 (46%) € 232 mld € 125 mld Dienstenexport € 0,62 (38%) € 181 mld € 112 mld Exportverdiensten Toegevoegde waarde per euro export (importgehalte) Exportwaarde € 272 mld € 675 mld

Internationale handel in goederen en diensten is van groot belang voor een kleine open economie als die van Nederland. Maar liefst een derde van ons bbp wordt verdiend door het uitvoeren van goederen en diensten. Daarnaast levert het exporteren van goederen en leveren van diensten aan het buitenland 2,5 miljoen voltijdbanen op voor de Nederlandse bevolking, zowel direct bij exporterende bedrijven als indirect bij toeleveranciers van deze exporteurs. Hoeveel bedraagt de uitvoer van Nederlandse makelij, wederuitvoer en dienstenuitvoer en voor welk bedrag aan goederen en diensten hebben Nederlandse bedrijven ingevoerd om deze uitvoer te verwezenlijken? Hoeveel toegevoegde waarde en werkgelegenheid levert de export Nederland op, en wat is de trend in deze cijfers? Hoe variëren de toegevoegde waarde en werkgelegenheid tussen de verschillende bedrijfstakken? Aan de uitvoer naar welke landen wordt het meest verdiend en van welk exportland zijn de meeste voltijdbanen afhankelijk?

2.1Belangrijkste bevindingen

In voorgaande edities van Nederland Handelsland is naar voren gekomen dat de uitvoer van goederen en diensten een belangrijke bron van inkomsten is voor de Nederlandse economie. In 2019noot1 bedroeg de Nederlandse uitvoer van goederen en diensten 675,2 miljard euro.noot2 Dit is bijna 20 miljard meer dan in 2018, een stijging van 3 procent. Niettemin liep de groei in 2019 verder vertraging op. In 2017 groeide de bruto exportwaarde nog met 9,3 procent en in 2018 met 6,5 procent. Geopolitieke onzekerheden in 2019, zoals de onzekerheid vanwege de Brexit en het handelsconflict tussen de Verenigde Staten en China, waren verantwoordelijk voor een aanhoudende vertraging van de groei van economische activiteiten in de wereldeconomie (OESO, 2019). Nederlandse bedrijven, die relatief sterk afhankelijk zijn van internationale handel (zie bijvoorbeeld Lammertsma & Notten, 2019; Aerts et al., 2020), ondervinden ook de gevolgen van zulke mondiale schokken, zowel in hun handel met deze landen als via de (internationale) waardeketen waar ze mee verbonden zijn. De wederuitvoer en de dienstenuitvoer kenden beide wel een sterke groei van respectievelijk 6,5 en 6,3 procent. De uitvoer van goederen van Nederlandse makelij nam daarentegen af met 2,3 procent. Dit is vooral toe te schrijven aan een forse daling van de uitvoer van elektrotechnische machines en apparaten (Mares, 2020).

De Nederlandse economie hield in 2019 ruim 271,7 miljard euro aan toegevoegde waardenoot3 over aan de export van goederen en diensten, een stijging van 4 procent ten opzichte van 2018. De exportverdiensten waren in 2019 goed voor 33,5 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Daarmee bevindt deze bijdrage zich, net als in de laatste jaren, om en nabij één derde van het bbp.

De industrie genereerde de hoogste toegevoegde waarde dankzij de export (vooral dankzij de export van goederen van Nederlandse makelij). Daarbij ging het met name om de voedings- en genotmiddelenindustrie, de machine-industrie en de chemische industrie. Na de industrie is het de bedrijfstak handel die het meest overhoudt aan de export, gevolgd door de bedrijfstak zakelijke dienstverlening (vooral dankzij de export van diensten). De samenstelling van de toegevoegde waarde per bedrijfstak is daarmee in het algemeen vrijwel identiek aan die van 2018, met enkele belangrijke uitzonderingen. Ten opzichte van 2018 verdiende de delfstoffenwinning in 2019 fors minder aan de export van goederen en diensten. De sterke groei van de export van diensten en wederuitvoer zorgde voor een flinke groei in de exportverdiensten van de zakelijke dienstverlening en de groothandel. Ook de industrie hield in 2019 meer over aan de export dan een jaar geleden. De machine-industrie en farmaceutische industrie hadden baat bij een sterke stijging van de export van goederen van Nederlandse makelij, maar de elektrotechnische industrie, de auto- en aanhangwagenindustrie, de chemische industrie en de basismetalenindustrie hielden in 2019 een stuk minder over aan de export ten opzichte van 2018.

Het grootste deel van bovengenoemde toegevoegde waarde is te danken aan de export naar Duitsland. Op ruime afstand volgen de verdiensten aan de export naar het Verenigd Koninkrijk, België, Frankrijk en de Verenigde Staten. Voor de meeste exportbestemmingen verdiende Nederland meer aan de goederenexport dan aan de uitvoer van diensten. Belangrijke uitzonderingen op dit patroon zijn de export naar de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Zwitserland en Ierland; daar was een belangrijker aandeel voor uitvoer van diensten weggelegd.

Nederland importeerde in 2019 voor 590,7 miljard euro aan goederen en diensten uit het buitenland (een stijging van 3 procent ten opzichte van een jaar eerder). Het merendeel van deze import, zo’n 68 procent, betrof invoer die verbruikt wordt voor de Nederlandse export. Daarbij kan het gaan om invoer voor wederuitvoer, of invoer die verder gebruikt wordt om goederen en diensten voor het buitenland te produceren. In 2019 was minder dan een derde van de geïmporteerde goederen en diensten bestemd voor de binnenlandse finale vraag (vooral binnenlandse consumptie en investeringen).

In 2019 waren bijna 2,5 miljoen voltijdbanen in Nederland direct en indirect verbonden aan de export van goederen en diensten, oftewel bijna 32 procent van het totale Nederlandse arbeidsvolume. Net als in 2018 leverde de export voor de bedrijfstak zakelijke dienstverlening de meeste werkgelegenheid op, gevolgd door de industrie, handel en vervoer en informatiediensten. Van die 2,5 miljoen banen waren er 1,5 miljoen in de bedrijfstakken die goederen en diensten exporteren, en 1,0 miljoen bij toeleveranciers van de exporterende bedrijven. Gedreven door de sterke stijging van de dienstenexport, groeide de directe werkgelegenheid dankzij de export ten opzichte van 2018 met 4,5 procent, oftewel een stijging van 65 duizend banen. De indirecte werkgelegenheid dankzij de export bleef ten opzichte van 2018 nagenoeg gelijk.

2.2Bijdrage van de export aan het bbp

In 2019 exporteerde Nederland voor 675,2 miljard euro aan goederen en diensten naar het buitenland. Figuur 2.2.1 toont dat deze bruto exportwaarde bestaat uit de som van de uitvoer van in Nederland geproduceerde goederen, de wederuitvoer en de dienstenuitvoer. De wederuitvoer bestaat uit goederen die Nederland importeert en vrijwel zonder bewerking ook weer exporteert, waarbij de goederen in Nederlands eigendom zijn geweest. Ten opzichte van 2018 groeide de bruto exportwaarde met 19,7 miljard euro, een toename van 3 procent. Daarmee liep de groei in 2019 verder vertraging op. In 2017 groeide de bruto exportwaarde nog met 9,3 procent en in 2018 met 6,5 procent.

2.2.1 Bruto exportwaarde per exportcategorie, 2015-2019 (mld euro)
Uitvoer Nederlandse makelij Wederuitvoer Dienstenuitvoer
2019 232,5 261,5 181,2
2018 239,3 245,6 170,5
2017 227,5 233,3 154,8
2016 209,5 211,4 142,5
2015 212,1 206,3 152

Wederuitvoer heeft hoogste bruto exportwaarde

Het merendeel van de bruto exportwaarde kwam voort uit de uitvoer van goederen, waarvan 232,5 miljard euro bestond uit uitvoer van Nederlandse makelij en 261,5 miljard euro uit wederuitvoer.noot4 De dienstenuitvoer heeft, met een waarde van 181,2 miljard euro, een kleiner aandeel.noot5 De waarde van de wederuitvoer en de dienstenuitvoer groeiden met respectievelijk 6,5 procent en 6,3 procent, terwijl de bruto uitvoerwaarde van goederen van Nederlandse makelij met 2,3 procent slonk. Volgens Mares (2020) komt dat vooral doordat de uitvoer van elektrotechnische machines en apparaten (bijvoorbeeld consumentenelektronica) lager was dan in 2018. In 2019 was er wel een stijging van de Nederlandse export van machines en apparaten, chemische en aardolieproducten. De wederuitvoer kende ook op de middellange termijn de sterkste groei. Tussen 2015 en 2019 nam de wederuitvoer jaarlijks gemiddeld met 6,1 procent toe, de dienstenuitvoer gemiddeld met 4,5 procent per jaar en de uitvoer van goederen van Nederlandse makelij met 2,3 procent.

Dienstenuitvoer meest lucratief

Nederland is een actieve deelnemer aan internationale waardeketens en dit wordt weerspiegeld door een hoge mate van afhankelijkheid van buitenlandse inputs om de eigen productie van goederen en diensten voor het buitenland te realiseren (zie bijvoorbeeld Lammertsma & Notten, 2019; Aerts et al., 2020). Denk daarbij aan grondstoffen en halffabricaten die zijn verwerkt in Nederlandse exportproducten, de benodigde invoer voor wederuitvoer en aan buitenlandse dienstverleners die de Nederlandse export faciliteren. Om te bepalen wat Nederland verdient aan de export dient op de bruto exportwaarde het verbruik van de benodigde ingevoerde goederen en diensten in mindering te worden gebracht. Nederland verdiende gemiddeld 40 cent aan iedere euro export van goederen en diensten in 2019. Tussen de exportcategorieën verschillen de verdiensten per euro export echter aanzienlijk, zie figuur 2.2.2. Aan de export van diensten hield Nederland in 2019 met 62 cent per euro het meest over. Voor de export van Nederlandse makelij was dit 54 cent per euro en voor wederuitvoer 13 cent. Bij wederuitvoer moeten naast de ingevoerde goederen (die het land in vrijwel onbeperkte staat weer verlaten) ook de ingevoerde goederen en diensten die werden ingezet om de wederuitvoer te faciliteren in mindering worden gebracht op de wederuitvoerwaarde om de verdiensten per euro export te berekenen. De verdiensten per euro export bleven voor alle type export door de jaren heen relatief stabiel.

2.2.2 Verdiensten per euro export, naar type export, 2015-2019 (cent verdiensten per euro export)
2015 2016 2017 2018 2019
Uitvoer Nederlandse makelij 52,5 53,3 52,1 51,3 53,6
Wederuitvoer 13,7 14,1 13,9 13,5 13,3
Dienstenuitvoer 64,1 65,3 64,2 61,8 61,9
€ 271,7 miljard werd er in Nederland aan de export van goederen en diensten verdiend in 2019 Buitenvorm Binnenvorm

Verdiensten aan export afgelopen jaren stabiel rond één derde van het bbp

Na aftrek van verwerkte ingevoerde goederen en diensten bedroegen de Nederlandse exportverdiensten in 2019 271,7 miljard euro, een stijging van 4 procent ten opzichte van 2018 (zie figuur 2.2.3). De exportverdiensten waren daarmee goed voor 33,5 procent van het bbp, zie figuur 2.2.4. De laatste jaren is het aandeel van de exportverdiensten in het bbp vrij constant gebleven, rond één derde van het bbp (Lammertsma & Notten, 2019; Aerts et al., 2020). De uitvoer van goederen van Nederlandse makelij bracht volgens figuur 2.2.3 met 124,7 miljard euro het meeste op, gevolgd door de dienstenexport met 112,1 miljard euro en de wederuitvoer met 34,8 miljard euro.

€ 124,7 miljard verdiende Nederland aan de uitvoer van producten van Nederlandse makelij in 2019
2.2.3 Verdiensten per bestedingscategorie, 2015-2019 (mld euro)
Uitvoer Nederlandse makelij Wederuitvoer Dienstenuitvoer Binnenlandse bestedingen
2015 111,4 28,3 97,5 452,8
2016 111,7 29,7 93 473,9
2017 118,5 32,5 99,3 487,8
2018 122,7 33,1 105,4 512,8
2019 124,7 34,8 112,1 538,6
2.2.4 Aandeel van bestedingscategorieën (waaronder export) in het bbp, 2019
bla aandeel
Uitvoer Nederlandse makelij 15,4
Wederuitvoer 4,3
Dienstenuitvoer 13,8
Binnenlandse bestedingen 66,5

Industrie houdt het meest over aan export

De verdiensten aan de export verschillen per bedrijfstak. Figuur 2.2.5 laat zien dat de industrie dankzij de export de hoogste toegevoegde waarde genereert met 65,3 miljard euro. Het overgrote deel van deze toegevoegde waarde kwam voort uit de uitvoer van goederen van Nederlandse makelij. Door het exporteren van zelfgeproduceerde goederen of door toelevering aan bedrijfstakken die vervolgens goederen van Nederlandse makelij exporteren werd door de industrie voor 56,4 miljard euro aan toegevoegde waarde gecreëerd. Aan (het bijdragen aan) de uitvoer van (ondersteunende) diensten werd door de industrie nog een additionele 7,1 miljard euro verdiend. De meeste toegevoegde waarde dankzij de export door de industrie slaat neer bij de voedings- en genotmiddelenindustrie (12,6 miljard euro) gevolgd door de chemische industrie (11,0 miljard euro) en de machine-industrie (10,5 miljard euro), zie figuur 2.2.6. Industriële bedrijfstakken die meer toegevoegde waarde genereren door binnenlandse bestedingen (bijv. aankopen door Nederlandse consumenten) dan door export, zijn de bouwmaterialenindustrie, de meubelindustrie en de hout-, papier- en grafische industrie.

In de industrie werd er in 2019 circa 2,3 miljard euro meer verdiend aan de export dan in 2018, vooral door de export van goederen van Nederlandse makelij. Dit kwam vooral door een toename bij de machine-industrie (0,9 miljard meer dan in 2018) en de farmaceutische industrie (0,4 miljard meer dan in 2018). De elektrotechnische industrie, de auto- en aanhangwagenindustrie, de chemische industrie en de basismetalenindustrie verdienden in 2019 juist minder aan de export dan in 2018. Dit hangt mogelijk samen met de forse productiekrimp van de Duitse industrie in 2019. De Duitse industrie is namelijk sterk geïntegreerd in internationale productieketens waaraan volgens OESO-cijfers ook de genoemde industriële bedrijfstakken, die in 2019 met afnemende exportverdiensten te maken hadden, toeleveren (CBS, 2019a; Cremers et al., 2020).

Bijna driekwart van toegevoegde waarde uit de industrie dankzij export

Maar liefst 74 procent van de totale toegevoegde waarde van de industrie kwam voort uit het exporteren van goederen en diensten. Alleen de delfstoffenwinning en de landbouw, bosbouw en visserij creëren relatief meer toegevoegde waarde dankzij de export (respectievelijk 85 procent en 78 procent). Bedrijven actief in de delfstoffenwinning exporteerden in 2019 voor 3,8 miljard euro en bedrijven in de landbouw, bosbouw en visserij voor 12,5 miljard euro. De exportverdiensten van deze twee bedrijfstakken worden ook gedomineerd door de export van Nederlandse makelij.

Helft toegevoegde waarde in de handel dankzij export

Na de industrie genereert de handel (vooral de groothandel) de meeste toegevoegde waarde dankzij de export met 50,6 miljard euro. De groothandel treedt niet alleen zelf op als exporteur, maar is ook een belangrijke toeleverancier voor exporterende bedrijven in de aanvoerketen van andere bedrijfstakken. Ook is het de enige bedrijfstak waarbij de wederuitvoer een grote rol speelt bij de totale verdiensten van de bedrijfstak. De dienstenuitvoer speelt juist een grote rol bij de exportverdiensten van de zakelijke dienstverlening, vervoer en opslag (transport en logistiek) en informatie en communicatie.

Zakelijke dienstverlening en groothandel groeimotors

De samenstelling van de toegevoegde waarde per bedrijfstak blijkt in 2019 (zie figuur 2.2.5) grotendeels overeen te komen met het beeld uit 2018 (Aerts et al., 2020), met enkele uitzonderingen. Zo verdiende de delfstoffenwinning ruim 1,7 miljard euro minder (–‍27 procent) aan de export van goederen en diensten dan in 2018 als gevolg van het terugschroeven van de aardgaswinning (CBS, 2019b; CBS, 2020). Daarbij ging het om een forse daling van de toegevoegde waarde verbonden aan de export van goederen van Nederlandse makelij. Gedreven door de sterke stijging van de dienstenexport hield de zakelijke dienstverlening in 2019 ruim 3,1 miljard euro meer over dan een jaar eerder. Verder bleken de export van diensten en de wederuitvoer de aanjagers te zijn van de groei van de exportverdiensten voor de groothandel. Deze bedrijfstak verdiende in 2019 ruim 2,6 miljard meer aan de export dan in 2018.

Horeca, overheid, bouw en financiële dienstverlening verdienen meer aan binnenlandse markt

Bedrijfstakken zoals de horeca, de bouw, financiële dienstverlening en onroerend goed zijn vooral gericht op de binnenlandse markt, waardoor het aandeel van de export in de totale toegevoegde waarde van deze bedrijfstakken lager is. Het openbaar bestuur, onderwijs, gezondheidszorg en cultuur en recreatie zijn eveneens vooral nationale aangelegenheden, waarbij weinig afhankelijkheid optreedt van de buitenlandse vraag.

2.2.5 Samenstelling toegevoegde waarde per bedrijfstak, 2019 (mld euro)
Bedrijfstak Uitvoer Nederlandse makelij Wederuitvoer Dienstenuitvoer Binnenlandse bestedingen
Landbouw, bos-
bouw, visserij
9,8 0,2 0,4 2,9
Delfstoffenwinning 3,4 0,1 1,1 0,8
Industrie 56,4 1,8 7,1 23,1
Energie-
voorziening,
waterbedrijven,
afvalbeheer
3,5 0,3 1 9,1
Bouw 0,8 0,2 2,6 32,1
Handel 20,9 20,4 9,3 49,2
Vervoer en opslag 4,5 2,5 16,5 10,3
Horeca 0,4 0,1 3,2 11,7
Informatie en communicatie 2,3 0,9 15,9 17,3
Financiële
dienstverlening,
verhuur
en handel van
onroerend goed
4,2 1,2 9,9 83,8
Zakelijke dienstverlening 14,6 4,8 36,5 56,1
Openbaar
bestuur, onder-
wijs, gezond-
heidszorg
1,1 0,3 2,3 148,5
Cultuur, recreatie, overige diensten 0,5 0,1 2 14,3
2.2.6 Samenstelling toegevoegde waarde per industriële bedrijfstak, 2019 (mld euro)
Uitvoer Nederlandse makelij Wederuitvoer Dienstenuitvoer Binnenlandse bestedingen
Voedings-, genotmiddelenindustrie 11,7 0,2 0,7 4,6
Textiel-, kleding-, lederindustrie 0,8 0 0 0,3
Hout-, papier-, grafische industrie 2,2 0,1 0,5 1,8
Aardolie-industrie 1,1 0 0,1 0,2
Chemische industrie 9,7 0,1 1,2 0,8
Farmaceutische industrie 2,2 0,1 0,2 0,5
Rubber- en kunststofproductindustrie 2,1 0 0,2 0,8
Bouwmaterialenindustrie 0,7 0 0,1 1,5
Basismetaalindustrie 1,6 0 0,1 0,4
Metaalproductenindustrie 3,5 0,2 0,8 3,3
Elektrotechnische industrie 3,3 0,4 0,4 0,5
Elektrische apparatenindustrie 1,7 0,2 0,5 0,8
Machine-industrie 9,7 0,1 0,7 2,4
Auto- en aanhangwagenindustrie 2,1 0 0,1 0,4
Overige transportmiddelenindustrie 1,1 0 0,1 0,3
Meubelindustrie 0,4 0 0 1
Overige industrie en reparatie 2,5 0,2 1,5 3,7

Meeste exportverdiensten aan Duitsland

De export van goederen en diensten naar Duitsland leverde Nederland in 2019 ruim 51,2 miljard euro op (zie figuur 2.2.7), goed voor 6,3 procent van het bbp. Daarmee is Duitsland niet alleen de belangrijkste exportpartner gemeten naar exportwaarde, maar ook naar exportverdiensten. De top-5 bestaat verder uit het Verenigd Koninkrijk (28,0 miljard euro of 3,5 procent van het bbp), België (24,3 miljard euro of 3,0 procent), Frankrijk (18,3 miljard euro of 2,3 procent) en de Verenigde Staten (17,0 miljard euro of 2,1 procent). Met 17 procent is het aandeel van wederuitvoer in de verdiensten aan Duitsland relatief groot. Denk daarbij bijvoorbeeld aan consumentenelektronica, speelgoed en kleding die door een Nederlands bedrijf uit China wordt ingevoerd en vervolgens wordt doorverkocht aan Duitsland. Nederland is een belangrijk scharnierpunt tussen uit Azië en Amerika ingevoerde goederen die het Europese achterland als wederuitvoer bereiken (Franssen et al., 2020). Dat is terug te zien in het aandeel van de wederuitvoer in de Nederlandse exportverdiensten aan Frankrijk, Spanje, Italië en Polen, dat voor deze landen om en nabij de 18–19 procent in de totale exportverdiensten schommelt. Bij verder weg gelegen bestemmingen zoals de Verenigde Staten en China is het aandeel van de wederuitvoer in de Nederlandse exportverdiensten veel kleiner.

2.2.7 Top-10 bestemmingen uitvoer op basis van exportverdiensten, 2019 (mld euro)
Uitvoer Nederlandse makelij Wederuitvoer Dienstenuitvoer
Duitsland 23,5 8,8 18,9
Verenigd Koninkrijk 8,9 3,1 16,0
België 12,2 3,5 8,6
Frankrijk 8,4 3,4 6,5
Verenigde Staten 7,3 1,0 8,7
Italië 4,5 1,6 3,1
Spanje 3,2 1,4 2,8
China 4,6 0,4 1,4
Zwitserland 1,6 0,5 3,7
Polen 2,7 1,1 1,8

In de top-10 van belangrijkste bestemmingen gemeten naar exportverdiensten staan verder ook Italië, Spanje, China, Zwitserland en Polen. Terwijl de totale exportverdiensten tussen 2015 en 2019 gemiddeld met 2,5 procent toenamen, groeiden de verdiensten aan China jaarlijks gemiddeld met 6,7 procent, aan Polen met 6,4 procent en aan Spanje met 6,2 procent. De exportverdiensten aan Zwitserland namen juist af: jaarlijks gemiddeld met 6,2 procent. Dit werd veroorzaakt door een afname van de dienstenuitvoer, die op zijn beurt werd gedreven door een sterke daling van de ontvangen vergoedingen voor het gebruik van intellectueel eigendom.

Diensten cruciaal in de exportverdiensten aan het VK, de VS, Ierland en Zwitserland

Naar de meeste landen voert Nederland een hoger bedrag aan goederen uit dan aan diensten. Dat patroon is ook zichtbaar bij de exportverdiensten: voor de meeste landen vallen deze bij de goederenexport hoger uit dan bij de dienstenexport. Belangrijke uitzonderingen hierop zijn de exportverdiensten aan het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Zwitserland en Ierland. De exportverdiensten aan het Verenigd Koninkrijk kwamen voor 57 procent voor rekening van de dienstenuitvoer, zoals zakelijke diensten of vervoersdiensten. Bij de Verenigde Staten was dat 51 procent en bij Zwitserland 64 procent. Ierland, dat net buiten de top-10 valt, spant de kroon; 72 procent van de 4,7 miljard euro aan exportverdiensten komt dankzij export van diensten. Deze verdiensten hangen voornamelijk samen met ontvangen betalingen voor het gebruik van intellectueel eigendom (royalty’s).

Bijdrage van de uitvoer aan de bbp-groei onder de loep

Omdat ongeveer één derde van het bruto binnenlands product voortkomt uit de uitvoer van goederen en diensten, wordt de export veelvuldig bestempeld als de groeimotor van de Nederlandse economie. Figuur 2.2.8 toont de groeibijdragen van de verschillende uitvoercategorieën aan de volumemutatie van het bbp. In 2019 groeide de Nederlandse economie met 1,7 procent. De uitvoer van goederen en diensten droeg daar 0,7 procentpunt aan bij, de overige 1 procentpunt kwam voor rekening van binnenlandse bestedingen zoals huishoudelijke consumptie, overheidsbestedingen en investeringen. De bijdrage van de uitvoer aan de bbp-groei kwam voornamelijk door de uitvoer van diensten (0,6 procentpunt). Wederuitvoer droeg in 2019 voor 0,1 procentpunt bij aan de volumegroei van het bbp. De uitvoer van Nederlandse makelij droeg niet positief noch negatief bij aan de volumegroei van het bbp.

Bijdrage export aan volumegroei van het bbp: de internationale methode vis-à-vis de voor invoer gecorrigeerde methode

Het bbp volgens finale bestedingen is gelijk aan de som van de finale consumptie, investeringen en de uitvoer van goederen en diensten minus de invoer van goederen en diensten (handelssaldo). Om de bijdrage van het handelssaldo aan de volumegroei van het bbp te bepalen, wordt de bijdrage van de invoer afgetrokken van die van de uitvoer (dit is de internationaal afgesproken methode voor het samenstellen van de Nationale Rekeningen). Het CBS is voornemens een Statline tabel te publiceren met de bijdrage van finale bestedingscategorieën aan de volumegroei van het bbp volgens deze internationale methode. In 2019 droeg het handelssaldo negatief bij aan de economische groei (Mares, 2020). De internationaal afgesproken methode onderschat echter de bijdrage van de uitvoer aan het bbp en overschat de bijdrage van binnenlandse bestedingen. Dat komt doordat de internationaal afgesproken methode er geen rekening mee houdt dat voor binnenlandse bestedingen ook goederen en diensten worden ingevoerd. Om een nauwkeuriger beeld te krijgen van de groeibijdrage per type export worden in dit hoofdstuk cijfers over de bijdrage aan de volumegroei van het bbp gepresenteerd waarbij de invoer wordt toegerekend aan alle finale bestedingscategorieën. Dat gebeurt met behulp van input-output analyse volgens de door Kranendonk en Verbruggen (2008) ontwikkelde methode.

Met uitzondering van het jaar 2017, blijkt de uitvoer van goederen en diensten tussen 2016 en 2019 minder te hebben bijgedragen aan de volumegroei van het bbp dan de binnenlandse bestedingen. Van de drie typen export had de dienstenuitvoer het grootste aandeel in groeibijdrage van de uitvoer, behalve in 2016, toen de dienstenuitvoer een sterke krimp vertoonde en daardoor een negatieve invloed had op de economische groei. De bijdrage van de dienstenuitvoer werd gedreven door de uitvoer van zakelijke diensten en computerdiensten. Opvallend is dat de bijdrage van de uitvoer van goederen van Nederlandse makelij door de jaren afneemt. Dat is voornamelijk toe te schrijven aan een afnemende uitvoer van aardgas als gevolg van het terugschroeven van de aardgaswinning. Ook de positieve groeibijdrage van de wederuitvoer kent de afgelopen jaren een vertraging.

2.2.8 Bijdrage van de uitvoer aan de economische groei 2016-2019 (%-punt bbp-groei)
jaar Bbp-groei Binnenlandse bestedingen Dienstenuitvoer Wederuitvoer Uitvoer van Nederlandse makelij
2016 2,2 2,2 -0,7 0,2 0,5
2017 2,9 1,2 0,8 0,3 0,6
2018 2,4 1,4 0,6 0,1 0,3
2019 1,7 1 0,6 0,1 0

2.3Het belang van de import van goederen en diensten

Steeds meer import (uiteindelijk) bestemd voor export

De invoer van goederen en diensten bedroeg 590,7 miljard euro in 2019, zie figuur 2.3.1. De invoer van goederen en diensten kende een vergelijkbare groei als de export van goederen en diensten: 3 procent. Met een waarde van 403,5 miljard euro was circa 68 procent van de invoer van goederen en diensten in 2019 bestemd voor de uitvoer van goederen en diensten, ofwel als invoer voor wederuitvoer, ofwel als ingevoerde grondstoffen, halffabricaten en ondersteunende diensten die verwerkt zijn in de export van goederen en diensten. In 2015 was dit aandeel nog 64 procent. Van deze invoer ingezet voor de uitvoer bestond 213,7 miljard euro uit invoer voor wederuitvoer.noot6

68% van de totale invoer wordt gebruikt voor de export van goederen en diensten

Bijna 190 miljard aan invoer van goederen en diensten was in 2019 bestemd voor binnenlandse bestedingen: 95,6 miljard euro voor huishoudelijke consumptie, 72,0 miljard euro voor investeringen en 19,6 miljard euro voor overheidsconsumptie.

2.3.1 Gebruik invoer van goederen en diensten, 2015-2019 (mld euro)
Uitvoer Nederlandse makelij Wederuitvoer Dienstenuitvoer Binnenlandse bestedingen
2019 107,8 226,6 69,1 187,2
2018 116,6 212,5 65,2 179,6
2017 109 200,8 55,5 170,9
2016 97,9 181,6 49,4 162,1
2015 100,7 178 54,5 185,4

Figuur 2.3.2 geeft per exportcategorie het invoergehalte oftewel het aandeel van geïmporteerde goederen en diensten in de exportwaarde. Deze indicator staat ook wel bekend als een maat voor verticale specialisatie. Hoe hoger het invoergehalte, hoe hoger de mate van integratie in internationale waardeketens (Hummels et al., 2001). Voor de totale export van goederen en diensten in 2019 was het invoergehalte 59,8 procent; in 2015 was dit nog 1,4 procentpunt lager. Voor de dienstenexport is het minst aan import nodig, met 38,1 procent van de exportwaarde, maar dit aandeel is wel stijgend, want in 2015 was dit nog 35,9 procent. De uitvoer van Nederlandse makelij bestond in 2019 voor 46,4 procent uit verwerkte ingevoerde goederen en diensten. Dit is 2,3 procentpunt minder dan in 2018. Bij de wederuitvoer, een groot aandeel van de totale uitvoerwaarde, was het importgehalte 86,7 procent. Bij binnenlandse bestedingen was het invoergehalte 25,8 procent in 2019, waarbij het invoergehalte van huishoudelijke bestedingen 27,0 procent bedroeg, overheidsbestedingen 9,9 procent en investeringen 41,8 procent. In hoofdstuk 6 van deze publicatie wordt dieper ingegaan op het gebruik van de invoer.

2.3.2 Importgehalte per exportcategorie, 2015-2019 (%)
2015 2018 2019
Uitvoer Nederlandse makelij 47,5 48,7 46,4
Wederuitvoer 86,3 86,5 86,7
Dienstenuitvoer 35,9 38,2 38,1

2.4Werkgelegenheid die samenhangt met de export

Een derde werkgelegenheid in Nederland hangt samen met export

De export van goederen en diensten creëert banen voor de inwoners van Nederland. Deze banen kunnen onderverdeeld worden in banen die direct samenhangen met de export, bijvoorbeeld bij de exporterende branche zelf, en indirecte banen, bij toeleveranciers van exporteurs. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de schoonmaakploeg die voor een exporterend bedrijf werkt (indirecte werkgelegenheid) en de laborant die bij het exporterende bedrijf zelf werkt (directe werkgelegenheid). De infographic hieronder laat zien dat de export van goederen en diensten in Nederland circa 2,5 miljoen directe en indirecte voltijdbanen (vte) opleverde.noot7 Zo’n 32 procent van de totale werkgelegenheid in Nederland kan daarmee toegeschreven worden aan de export. De uitvoer van Nederlandse makelij was in 2019 goed voor 14 procent van de totale werkgelegenheid in Nederland, de uitvoer van diensten voor eenzelfde percentage, terwijl de wederuitvoer iets meer dan 4 procent voor haar rekening nam. In figuur 2.4.1 is voor 2019 te zien hoe de 2,5 miljoen voltijdbanen worden gegenereerd door de verschillende soorten uitvoer en in hoeverre het om directe of indirecte banen ging. Als we 2019 vergelijken met 2015, zien we voor alle soorten banen een stijging, behalve voor de indirecte werkgelegenheid die samenhangt met de export van Nederlandse makelij en voor de indirecte werkgelegenheid dankzij de wederuitvoer. Bij deze categorieën is een lichte daling is te zien. De grootste stijging komt voor bij de directe werkgelegenheid die gecreëerd wordt door de dienstenexport, en weerspiegelt daarmee de verdere verdienstelijking van de Nederlandse economie.

1,5 miljoen directe en 1 miljoen indirecte voltijdbanen dankzij export uitgesplitst naar goederen van Nederlandse makelij, wederuitvoer van goederen en dienstenexport in 2019. Werkgelegenheid (vte) dankzij export (2019) 577 dzd 70 dzd 2,5 mln Wederuitvoer 709 dzd 201 dzd Diensten e xpo r t Goederen NL makelij Voltijdbanen dankzij export 492 dzd 227 dzd Wederuitvoer 380 dzd Dienstenexport Goederen NL makelij 1,5 mln Directe voltijdbanen exporterende branche 1 mln Indirecte voltijdbanen leveranciers, inputs 102 dzd
32% van de totale werkgelegenheid is te danken aan de export van goederen en diensten Buitenvorm Binnenvorm

Meeste directe werkgelegenheid door export van diensten

In 2019 leverde de export van goederen en diensten 1,5 miljoen vte’s aan directe werkgelegenheid op. Hierin leverde de uitvoer van diensten de meeste banen op, circa 709 duizend. De uitvoer van producten van Nederlandse makelij was goed voor circa 577 duizend vte’s en de wederuitvoer voor circa 201 duizend banen. De uitvoer van diensten leverde in 2019 niet alleen de meeste directe banen op, deze werkgelegenheid groeide met 6 procent ook het hardst ten opzichte van 2018. De directe werkgelegenheid door uitvoer van Nederlandse makelij en door wederuitvoer nam met 3 procent iets minder snel toe in 2019.

Meeste indirecte werkgelegenheid door uitvoer van producten van Nederlandse makelij

Naast de directe banen zijn er ook nog 974 duizend voltijdbanen indirect betrokken bij het productieproces van goederen en verlening van diensten ten behoeve van de export. Denk hierbij aan werkgelegenheid bij toeleverende bedrijven zoals de landbouw, bedrijven die verpakkingsmaterialen produceren of diensten leveren zoals schoonmaak, arbeidsbemiddeling of internetdiensten. De uitvoer van producten van Nederlandse makelij leverde de meeste indirecte banen op, namelijk meer dan de helft van de totale indirecte werkgelegenheid. In 2019 kwam dat neer op 492 duizend voltijdbanen. De uitvoer van diensten leverde 380 duizend indirecte banen op en de wederuitvoer circa 102 duizend banen. Met 780 duizend vte’s kwam het merendeel van de indirecte werkgelegenheid dankzij de export terecht bij dienstverlenende bedrijfstakken. De meeste indirecte werkgelegenheid lag bij uitzendbureaus en arbeidsbemiddeling, juridisch en managementadvies en de groothandel.

Meeste werkgelegenheid door de export bij de zakelijke dienstverlening

In bepaalde sectoren hangt een groot deel van de werkgelegenheid samen met de export, andere sectoren zijn er qua werkgelegenheid amper afhankelijk van. De export leverde de meeste werkgelegenheid op voor de zakelijke dienstverlening. Ook de industrie, handel, en de bedrijfstakken vervoer en opslag en informatie en communicatie hebben baat bij de export van goederen en diensten. De landbouw en de industrie zijn voor hun werkgelegenheid in relatieve zin het meest afhankelijk van de export. Dat is vooral omdat er zelf wordt geëxporteerd in deze bedrijfstakken. De werkgelegenheid in de zakelijke dienstverlening is voor iets minder dan de helft afhankelijk van de export, maar het merendeel van de aan export gerelateerde werkgelegenheid is indirect, wat betekent dat deze banen er zijn vanwege de toeleveringen aan andere exporterende bedrijfstakken. Het openbaar bestuur, onderwijs en gezondheidszorg en de culturele en recreatieve sectoren zijn wat betreft werkgelegenheid juist weinig afhankelijk van de export.

2.4.1 Werkgelegenheid dankzij export per bedrijfstak, 2019 (dzd vte)
Directe werkgelegenheid dankzij export Indirecte werkgelegenheid dankzij export Werkgelegenheid dankzij binnenlandse bestedingen
Landbouw, bosbouw, visserij 102 34 39
Delfstoffenwinning 6 1 1
Industrie 447 38 257
Energievoorziening, waterbedrijven, afvalbeheer 7 14 39
Bouw 25 23 442
Handel 327 100 693
Vervoer en opslag 186 45 127
Horeca 50 21 233
Informatie en communicatie 129 36 135
Financiële dienstverlening, verhuur en handel van onroerend goed 24 25 205
Zakelijke dienstverlening 294 435 848
Openbaar bestuur, onderwijs, gezondheidszorg 14 26 1958
Cultuur, recreatie, overige diensten 25 26 301

Meeste aan export gerelateerde werkgelegenheid dankzij Duitsland

Het aantal Nederlandse voltijdbanen dat samenhangt met de export volgt hetzelfde patroon als de exportverdiensten. Ook hier bestaat de top-3 uit Duitsland (472 duizend voltijdbanen), gevolgd door het Verenigd Koninkrijk (264 duizend voltijdbanen) en België (216 duizend voltijdbanen). Dezelfde landen vormen ook de top-10, alleen is bij de toegevoegde waarde Zwitserland nummer 9 en Polen nummer 10, terwijl bij de werkgelegenheid Polen nummer 9 is en Zwitserland nummer 10. De werkgelegenheid dankzij wederuitvoer is aanzienlijk voor Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Polen. Bij bestemmingen waar de export van Nederlandse makelij een relatief grote rol speelt in de exportverdiensten ontstaat ook een relatief hoge werkgelegenheid dankzij dit type export, zoals bij de export naar België, Italië en Polen, maar vooral door de export naar China. De werkgelegenheid dankzij de dienstenuitvoer is relatief hoog bij exportbestemmingen als het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en vooral Zwitserland.

2.4.2 Werkgelegenheid dankzij export naar land, top-10, 2019 (dzd vte)
Uitvoer Nederlandse makelij Wederuitvoer Dienstenuitvoer
Duitsland 204 77 192
Verenigd Koninkrijk 81 27 156
België 100 31 85
Frankrijk 74 29 63
Verenigde Staten 64 9 80
Italië 37 14 29
Spanje 28 12 26
China 41 3 14
Polen 25 10 18
Zwitserland 14 4 33

2.5Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Aerts, N., Notten, T., Prenen, L., Rooyakkers, J. & Wong, K. F. (2020). Nederlandse verdiensten aan internationale handel. In: M. Jaarsma & A. Lammertsma (Red.), Nederland Handelsland 2020: Export, investeringen & werkgelegenheid. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2015). De in- en uitvoercijfers van het CBS. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2019a). Auto-export naar VS levert Nederland half miljard op. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2019b). 2018: eerste handelstekort in aardgas. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2020). Minder steenkool en meer aardgas verbruikt in 2019. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Cremers, D., Notten, T., Prenen, L., Rud, I. & Wong, K. F. (2020). Nederlands-Duitse handel in mondiale waardeketens. In: S. Creemers, M. Jaarsma & A. Lammertsma (Red.), Internationaliseringsmonitor 2020, eerste kwartaal: Duitsland. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Franssen, L., Lemmers, O., Prenen, L. & Wong, K. F. (2020). Het Verenigd Koninkrijk afhankelijker van Europese Unie dan eerder gedacht. Economische Statistische Berichten, 105(4786), 268–271.

Hummels, D., Ishi, J. & Yi, K.-M. (2001). The nature and growth of vertical specialization in world trade. Journal of International Economics54(1), 75–96.

Kranendonk, H. & Verbruggen, J. (2008). Decomposition of GDP Growth in Some European Countries and the United States. De Economist, 156(3), 295–306.

Lammertsma, A. & Notten, T. (2019). Nederlandse verdiensten aan internationale handel. In: M. Jaarsma & A. Lammertsma (Red.), Nederland Handelsland 2019: Export, investeringen en werkgelegenheid. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Mares, A. (2020). De Nederlandse economie in 2019. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

OESO (2019). Economic Outlook: Weak trade and investment threaten long-term growth.

Noten

De cijfers over 2015, 2016, 2017 en 2018 zijn definitief, die over 2019 zijn voorlopig. De 2019 cijfers over de toegevoegde waarde en werkgelegenheid dankzij de export in de coronabox zijn wel definitief en wijken dus af van de 2019 cijfers die in dit hoofdstuk gepresenteerd worden.

De cijfers zoals ze in dit hoofdstuk gepresenteerd worden, zijn gebaseerd op cijfers van de Nationale Rekeningen. In hoofdstuk 4 en 5 worden cijfers uit de bronstatistiek Internationale Handel in Goederen gebruikt. De bronstatistiek hanteert andere concepten dan de Nationale Rekeningen; zo gaat de bronstatistiek uit van grensoverschrijdend goederenverkeer en is economisch eigendom leidend voor de Nationale Rekeningen. Ook de integratie in de Nationale Rekeningen levert additionele verschillen op. Hierdoor zijn de cijfers in dit hoofdstuk niet rechtstreeks te vergelijken met die in hoofdstuk 4 en 5. Zie voor meer informatie over deze verschillen ‘De in- en uitvoercijfers van het CBS’ (CBS, 2015).

Als we in dit hoofdstuk spreken over de toegevoegde waarde gerelateerd aan de export, bedoelen we de som van toegevoegde waarde en het saldo van product gebonden belastingen en subsidies verbonden aan de export. Dat is iets ruimer dan de gebruikelijke toegevoegde waarde die gerealiseerd is door Nederlandse bedrijfstakken, en heeft als voordeel dat het vergelijking met het bbp mogelijk maakt.

Elders in deze publicatie, bijvoorbeeld in hoofdstuk 4 en 5, wordt aangegeven dat de wederuitvoer iets minder dan de helft van de goederenexport vormt. De cijfers zoals ze in dit hoofdstuk gepresenteerd worden, zijn gebaseerd op cijfers van de Nationale Rekeningen. Voor de Nationale Rekeningen staat het eigendomscriterium centraal, wat betekent dat bepaalde transacties in het buitenland tot de Nederlandse in- en uitvoer kunnen worden gerekend ook als de verhandelde goederen fysiek niet in Nederland zijn geweest. Mede hierdoor is de omvang van de wederuitvoer in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 6 groter dan de omvang van de export van Nederlandse makelij.

De in dit hoofdstuk genoemde cijfers over de dienstenexport zijn gebaseerd op de Nationale Rekeningen. Hoofdstuk 4 van deze publicatie geeft ook informatie over de export van diensten, bezien vanuit de bronstatistiek. Deze twee cijfers wijken van elkaar af. Enerzijds ontstaan inconsistenties door de manier waarop de Nationale Rekeningen en de bronstatistiek om moeten gaan met Bijzondere Financiële instellingen. Anderzijds confronteren de Nationale Rekeningen cijfers over de dienstenhandel met andere bronstatistieken, waarbij inconsistenties tussen bronnen kunnen leiden tot aanpassingen van de broncijfers om tot een consistent beeld van de gehele economie te komen. Ook de focus op continuïteit bij de Nationale Rekeningen leidt tot niveauafwijkingen tussen de bronstatistiek en de Nationale Rekeningen. Dit wordt in een revisiejaar weer herijkt.

In totaal werd er voor 226,6 miljard euro aan invoer gebruikt om de wederuitvoer mogelijk te maken. 213,7 miljard euro was de waarde van de ingevoerde goederen (die het land in vrijwel onbeperkte staat weer verlaten) en de overige 12,9 miljard aan invoer bestond uit goederen en diensten die werden ingezet om de wederuitvoer te faciliteren.

Bij de bepaling van het arbeidsvolume in voltijdequivalenten (vte’s) over een periode wordt zowel rekening gehouden met de begin- en einddatum van een baan als met de wekelijkse arbeidsduur. Omdat veel mensen in deeltijd werken, sommigen maar een deel van het jaar en sommigen meerdere banen hebben, is het aantal individuele banen hoger dan het aantal in vte’s.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Anne-Peter Alberda

Arjen Berkenbos (DNB)

Chris de Blois

Timon Bohn

Sarah Creemers

Hans Draper

Eva Hagendoorn (DNB)

Marjolijn Jaarsma

Bart Loog

Tom Notten

Tim Peeters

Leen Prenen

Janneke Rooyakkers

Khee Fung Wong

Redactie

Sarah Creemers

Marjolijn Jaarsma

Janneke Rooyakkers

Eindredactie

Sarah Creemers

Marjolijn Jaarsma

Dankwoord

We danken de volgende collega’s voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van Nederland Handelsland:

Deirdre Bosch

Elijah Cats

Dennis Cremers

Frans Dinnissen

Loe Franssen

Daniël Herbers

Richard Jollie

Irene van Kuijk

Rik van Roekel

Carla Sebo-Ros

Roos Smit

Sandra Vasconcellos

Gaby de Vet

Roger Voncken

Karolien van Wijk

Hendrik Zuidhoek

We danken ook de volgende medewerkers van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor hun feedback op een eerdere versie van Nederland Handelsland:

Laurens den Hartog

Harry Oldersma