Verdeling van brede welvaart
Hier wordt informatie over de verdeling van brede welvaart uit het kernhoofdstuk Brede-welvaarttrends verder uitgediept. De brede welvaart is in Nederland niet gelijk verdeeld over verschillende bevolkingsgroepen. Vooral naar migratieachtergrond en onderwijsniveau zijn er veel verschillen. Laagopgeleiden en mensen met een migratieachtergrond, zowel westers als niet-westers, hebben een lagere brede welvaart en hoogopgeleiden en mensen zonder migratieachtergrond juist een hogere.
Op individueel niveau is te zien dat gunstige en ongunstige uitkomsten, vanuit het oogpunt van brede welvaart, zich soms stapelen bij dezelfde personen. Ongunstige uitkomsten stapelen zich daarbij vaak op bij mensen met een niet-westerse migratieachtergrond, bij laagopgeleiden en bij 65- tot 75‑jarigen. Positieve uitkomsten stapelen zich het vaakst op bij mensen met een hoog onderwijsniveau en bij mensen in de leeftijd van 45 tot 65 jaar.
Ten opzichte van 2019 is de verdeling van de brede welvaart in grote lijnen niet veranderd. Wel zijn jongere leeftijdsgroepen, de 75‑plussers en hoogopgeleiden er relatief iets op achteruitgegaan.
Inleiding
In hoofdstuk 1 wordt een beeld geschetst van de brede welvaart in Nederland als geheel. Omdat dat beeld grotendeels gebaseerd is op totalen en gemiddelden van de Nederlandse bevolking is niet zichtbaar welke groepen een relatief hogere of lagere brede welvaart hebben. Daarom wordt hier ingegaan op de verdeling van de brede welvaart over bevolkingsgroepen. Dat gebeurt in een twee delen:
- De paragraaf Indicatoren beschrijft voor 13 indicatoren, verdeeld over acht thema’s, hoe de verdeling over groepen is per indicator van brede welvaart: eerst de situatie in 2021 en vervolgens bij welke groepen de indicator zich sinds 2019 relatief gunstig of juist ongunstig heeft ontwikkeld.
- De paragraaf Stapeling kijkt of gunstig of ongunstige uitkomsten bij brede-welvaarts-indicatoren zich stapelen bij dezelfde individuen, en zo ja: in welke groepen die stapeling het meest voorkomt. Ook hier kijken we eerst naar de situatie in 2021 en vervolgens naar veranderingen ten opzichte van 2019.
Selectie van indicatoren en bevolkingsgroepen
Dit hoofdstuk beschrijft de verdeling van de brede welvaart ‘hier en nu’ over bevolkingsgroepen, zoveel mogelijk met data voor 2021. De gebruikte indicatoren staan in de tabel hieronder. De keuze van indicatoren is zoveel mogelijk gebaseerd op de indicatoren uit het ‘Hier en nu’-dashboard van de monitor: de acht thema’s die daar worden gebruikt zijn ook hier terug te vinden. Zie ook de Technische toelichting.
| Thema ‘hier en nu’ | Indicator voor verdeling |
|---|---|
| Welzijn | Tevredenheid met het leven |
| Materiële welvaart | Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen* |
| Vermogen* | |
| Gezondheid | Ervaren gezondheid |
| Arbeid en vrije tijd | Nettoarbeidsparticipatie |
| Tevredenheid met werk | |
| Tevredenheid met vrije tijd | |
| Wonen | Tevredenheid met de woning |
| Samenleving | Vrijwilligerswerk |
| Vertrouwen in mensen | |
| Vertrouwen in instituties | |
| Veiligheid | Slachtofferschap van criminaliteit |
| Milieu | Last van milieuproblemen in woonomgeving |
* Cijfers over 2020, omdat er geen cijfers over 2021 beschikbaar zijn
Bevolkingsgroepen worden in dit hoofdstuk onderscheiden op basis van persoonskenmerken die gangbaar zijn in de literatuur: geslacht, leeftijd, onderwijsniveau (laag, middelbaar en hoognoot1) en migratieachtergrondnoot2 (Nederlands, westers, niet-westers). Uiteraard zijn dit niet de enige kenmerken die bepalend kunnen zijn voor brede welvaart.
Kleurcodes en analyses
De monitor gebruikt kleuren om de uitkomsten van verschillende indicatoren te vergelijken. Hier wordt voor 13 indicatoren gekeken of bevolkingsgroepen afwijken van het landelijk gemiddelde en of er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen.
Voor indicatoren gebaseerd op enquêtes is gekeken of de afwijking statistisch significant is (p<0,05). De indicatoren voor materiële welvaart (inkomen en vermogen) zijn gebaseerd op integrale gegevens: daar is een afwijking van het gemiddelde van meer dan 5 procent gebruikt als criterium.
| De betekenis van de kleuren is: |
|---|
| Groen |
| De betreffende bevolkingsgroep is op dit terrein welvarender dan gemiddeld. |
| Grijs |
| De betreffende bevolkingsgroep wijkt op dit terrein niet betekenisvol af van het gemiddelde. |
| Rood |
| De betreffende bevolkingsgroep is op dit terrein minder welvarend dan gemiddeld. |
De kleuren hebben slechts een signaalfunctie en houden nadrukkelijk geen normatieve duiding in. De monitor geef aan hoe verschillende bevolkingsgroepen in Nederland er op de verschillende aspecten van brede welvaart feitelijk voorstaan, en of hun welvaart afwijkt van het gemiddelde. Het is aan politiek en beleid om op basis van deze informatie te komen tot afwegingen en beleidsconclusies.
De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond kunnen samenhangen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie kan hier rekening mee worden gehouden. Daarom zijn voor de 13 Indicatoren ook gestandaardiseerde cijfers bepaald. Als statistisch significante verschillen op basis van die gestandaardiseerde cijfers anders zijn dan die op basis van de oorspronkelijke analyse wordt dit vermeld in de tekst.
Bij elke indicator kijken we ook naar groepen die zich sinds 2019 relatief gunstig of ongunstig hebben ontwikkeld. Daarbij wordt de ontwikkeling van een groep afgezet tegen de ontwikkeling van het totaalcijfer, en worden statistisch significantenoot3 verschillen vermeld in de tekst.
De analyse van de stapeling van gunstige c.q. ongunstige uitkomsten kijkt op individueel niveau of deze stapeling plaatsvindt. Dat doen we aan de hand van negen indicatoren verdeeld over zes thema’s. Per persoon wordt het aantal gunstige en ongunstige uitkomsten voor die indicatoren bepaald. De groep mensen die bij zeven of meer indicatoren een gunstige brede welvaartsuitkomst heeft, wordt de bovenkant van de verdeling genoemd. De groep mensen met minimaal drie ongunstige uitkomsten is dan de onderkant van de verdeling. Vervolgens kijken we bij welke groepen – naar geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond – er veel of weinig stapeling van gunstige of ongunstige uitkomsten voorkomt.
Samenvattend beeld
De analyses over de verdeling van de brede welvaart leveren voor 13 indicatoren inzicht op over de situatie in 2021 (voor materiële welvaart 2020) en de ontwikkeling sinds 2019 voor bevolkingsgroepen naar geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond. Daarnaast ontstaat een beeld van of en hoe gunstige en ongunstige uitkomsten stapelen bij individuen en wat de kenmerken van die individuen zijn.
Indicatoren: situatie in 2021
Op basis van de 13 geselecteerde indicatoren zien we dat brede welvaart sterk samenhangt met migratieachtergrond en onderwijsniveau, maar zien we ook kleinere verschillen naar leeftijd en geslacht.
- Geslacht. Bij de meeste indicatoren is er geen verschil tussen mannen en vrouwen. Bij drie indicatoren is de situatie bij mannen gunstiger dan bij vrouwen, bij één indicator is dat andersom.
- Leeftijd. Ten opzichte van het gemiddelde doen leeftijdsgroepen van 45 tot 75 jaar het relatief vaak goed. Bij de jongere leeftijdsgroepen tot 35 jaar zijn er juist relatief veel ongunstige uitkomsten.
- Onderwijsniveau. Er zijn grote verschillen naar onderwijsniveau. Bij laag en middelbaar opgeleiden zien we maar weinig positieve uitkomsten. Laagopgeleiden hebben juist vaak (negen keer) een ongunstige uitkomst. Hoogopgeleiden komen bij 10 van de 13 indicatoren bovengemiddeld uit.
- Migratieachtergrond. De grootste verschillen in brede welvaart zijn zichtbaar als we kijken naar verschillende herkomstgroepen. De groep met een niet-westerse migratieachtergrond ligt op alle 13 indicatoren onder het gemiddelde. Ook bij de groep met een westerse migratieachtergrond is het beeld minder goed, met acht indicatoren beneden gemiddeld en geen enkele bovengemiddeld. De groep zonder migratieachtergrond heeft daarentegen 12 keer een positieve score op een indicator.
Als de cijfers voor de indicatoren worden gestandaardiseerd, om rekening te houden met de onderlinge samenhang tussen geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond, blijven de bovenstaande conclusies grotendeels in stand. Er treden wel enkele verschuivingen op. Zo wordt het beeld voor de leeftijdsgroep 15 (of 18) tot 25 jaar wat positiever. Het beeld voor de laagopgeleiden wordt juist (nog) wat negatiever. Naar geslacht en migratieachtergrond verandert het beeld op basis van gestandaardiseerde cijfers niet of nauwelijks. De standaardisatie kon worden uitgevoerd voor 12 van de 13 indicatoren. Bij de indicator over vermogen bleek dit niet mogelijk.
Indicatoren: veranderingen tussen 2019 en 2021
Als we kijken naar de gehele bevolking zijn de 13 indicatoren veranderd sinds 2019. Bij elke indicator is voor elke bevolkingsgroep gekeken of de ontwikkeling van die groep gunstiger of ongunstiger was dan de gemiddelde ontwikkeling voor de gehele bevolking. Meestal was dit niet het geval, maar een enkele keer was wel een afwijkende ontwikkeling te zien:
- Geslacht. Voor mannen en vrouwen waren er geen afwijkende ontwikkelingen
- Leeftijd. Bij de leeftijdsgroepen tot 35 jaar was de ontwikkeling een aantal keer relatief ongunstig. Bij de leeftijdsgroepen van 35 tot 75 jaar waren zowel enkele relatief gunstige als ongunstige ontwikkelingen. Bij de groep vanaf 75 jaar hadden relatief ongunstige ontwikkelingen de overhand.
- Onderwijsniveau. Voor elk onderwijsniveau was het aantal relatief gunstige en relatief ongunstige ontwikkelingen, naast alle gevallen van geen afwijkende ontwikkelingen, ongeveer in evenwicht.
- Migratieachtergrond. Bij de groep met een niet-westerse migratieachtergrond waren er twee relatief ongunstige ontwikkelingen tegen geen enkele relatief positieve ontwikkelingen. De positie van deze groep, die qua brede welvaart toch al slecht was, is dus nog verder achteruitgegaan sinds 2019.
Ook al is er geen significant relatief gunstige/ongunstige ontwikkeling kan een cijfer sinds 2019 veranderd zijn. Dat geldt zowel voor de totaalcijfers als de cijfers per groep. De precieze cijfers, per onderzoeksjaar, per indicator en per bevolkingsgroep zijn te vinden in de Datatabel Verdeling.
Indicatoren: overzicht
De figuur hieronder geeft in één beeld een overzicht van de verdeling van de brede welvaart in 2021 (2020 voor inkomen en vermogen) en de relatieve ontwikkelingen sinds 2019. De bolletjes geven per indicator aan waar een bevolkingsgroep een significant hogere (groen) of lagere (rood) welvaart heeft dan het landelijk gemiddelde. Een grijs bolletje betekent dat er geen verschil met het gemiddelde. De ruitjes geven aan of het cijfer van een bevolkingsgroep zich sinds 2019 bij een indicator gunstiger (groen) of ongunstiger (rood) heeft ontwikkeld dan het nationale gemiddelde.
Geslacht
Leeftijd
Onderwijsniveau
Migratieachtergrond
Stapeling: situatie in 2021
De stapelingsanalyse kijkt op individueel niveau hoe gunstige en ongunstige uitkomsten, gezien vanuit brede welvaart, zich opstapelen bij dezelfde personen en wat de kenmerken van die personen zijn. Daarbij komen negen indicatoren aan bod.
De bovenkant van de verdeling – de groep die bij zeven of meer indicatoren een gunstige brede welvaart heeft – bestaat uit 25,7 procent van de volwassen bevolking. De onderkant – drie of meer ongunstige uitkomsten – omvat 18,2 procent van de bevolking. Bij de deelpopulaties zien we de volgende verschillen:
- Geslacht. Tussen mannen en vrouwen is er een beperkt verschil in stapeling van gunstige uitkomsten. Mannen zitten daarbij iets vaker aan de bovenkant van de verdeling.
- Leeftijd. Mensen in de leeftijd 45 tot 65 jaar zitten relatief vaak aan de bovenkant van de verdeling. Bij 65‑plussers is dat juist veel minder vaak het geval. Een stapeling van ongunstige uitkomsten komt relatief vaak voor bij 65 tot 75‑jarigen
- Onderwijsniveau. Hier zijn grote verschillen zichtbaar. Stapeling van ongunstige uitkomsten komt veel voor bij laagopgeleiden: 31,9 procent. Stapeling van gunstige uitkomsten kom juist veel voor bij hoogopgeleiden: 38,9 procent.
- Migratieachtergrond. Ook hier zijn er verschillen, waarbij stapeling van ongunstige uitkomsten relatief veel (33,4 procent) voorkomt bij mensen met een niet-westerse migratieachtergrond en stapeling van gunstige uitkomsten het meest te zien is bij mensen zonder migratieachtergrond.
Als we rekening houden met de onderlinge samenhang tussen geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond blijkt onderwijsniveau het meest relevant voor het aantal indicatoren waarop mensen een gunstige of ongunstige uitkomst hebben. Daarna volgen migratieachtergrond en leeftijd. Migratieachtergrond hangt daarbij iets sterker samen met het aantal ongunstige indicatoren en leeftijd met het aantal gunstige indicatoren. Geslacht is het minst van belang.
Geslacht
Leeftijd
Hoogstbehaalde opleidingsniveau
Migratieachtergrond
Stapeling: ontwikkelingen ten opzichte van 2019
In vergelijking met 2019 is de groep aan de bovenkant van de verdeling iets groter geworden en de groep aan de onderkant juist iets kleiner. Kijken we naar de diverse bevolkingsgroepen dan valt op dat het aandeel jongeren (tot 45 jaar) bovenin de verdeling is afgenomen. Bij de 45- tot 75‑jarigen is dit aandeel juist relatief sterk toegenomen. Bij onderwijsniveau is een relatief ongunstige ontwikkeling te zien bij de hoogopgeleiden, maar omdat deze groep een goede uitgangpositie had, komt een stapeling van gunstige uitkomsten ook in 2021 toch nog relatief veel voor. Naar migratieachtergrond valt op dat er in 2021 een groter deel van de groep met een niet-westerse migratieachtergrond is verschoven naar het midden van de verdeling. Uit deze groep behoren in 2021 beduidend minder mensen tot zowel de bovenkant als de onderkant van de verdeling.
Indicatoren
Welzijn
Subjectief welzijn – het welbevinden van de bevolking – is een belangrijk aspect van brede welvaart omdat het sterk verweven is met de kwaliteit van leven.noot4 Informatie over het welbevinden van mensen geeft inzicht in hoe zij hun eigen leven waarderen, los van objectieve maatstaven zoals inkomen of positie op de arbeidsmarkt.
In de periode 2013–2019 was gemiddeld 88 procent van de personen van 18 jaar of ouder gelukkig en 85 procent tevreden met het leven.noot5 Het aandeel dat ongelukkig of ontevreden is met het leven was gemiddeld 3 procent. Voor meer informatie over het welzijn van de Nederlandse bevolking is te vinden op StatLine.noot6
Tevredenheid met het leven
Situatie in 2021
In 2021 zei 83,6 procent van de volwassenen tevreden te zijn met zijn of haar leven, 13,0 procent was niet tevreden en niet ontevreden en een relatief kleine groep van 3,3 procent zei ontevreden met het leven te zijn.noot7
- De jongste groep is minder vaak tevreden met het leven dan de Nederlandse bevolking als geheel. Daarentegen zijn 55- tot 75‑jarigen vaker dan gemiddeld tevreden met het leven.
- Laagopgeleiden zijn minder vaak dan gemiddeld tevreden met het leven, hoogopgeleiden juist bovengemiddeld vaak.
- Mensen met een Nederlandse achtergrond zijn bovengemiddeld vaak tevreden over het leven, mensen met een niet-westerse migratieachtergrond minder vaak dan gemiddeld.
Geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over de tevredenheid met het leven blijven de bovenstaande bevindingen grotendeels in stand, echter:
- Als we de 25- tot 35‑jarigen corrigeren voor de ongelijke samenstelling naar geslacht, onderwijsniveau en migratieachtergrond ten opzichte van de andere leeftijdsgroepen, dan blijken ze minder dan gemiddeld tevreden te zijn met het leven. Het verschil in de niet gestandaardiseerde cijfers hangt dus samen met de specifieke samenstelling van de groep 25- tot 35‑jarigen naar bovengenoemde kenmerken.
Veranderingen tussen 2019 en 2021
Het aandeel mensen dat tevreden is met het leven is in 2021 3,7 procentpunt lager dan in 2019. Vergeleken met die verandering voor de gehele bevolking heeft de volgende groep zich anders ontwikkeld:
- 18- tot 25‑jarigen: deze groep ontwikkelde zich sinds 2019 relatief ongunstig. In 2021 was het aandeel tevredenen met het leven in deze groep ruim 9 procentpunt lager dan in 2019.
| Situatie in 2021 | |
|---|---|
| Totaal | 83,6 |
| Geslacht | . |
| Man | 83,3 |
| Vrouw | 84 |
| Leeftijd | . |
| 18 tot 25 | 76,9 |
| 25 tot 35 | 81,9 |
| 35 tot 45 | 84,5 |
| 45 tot 55 | 82,7 |
| 55 tot 65 | 86,4 |
| 65 tot 75 | 87,2 |
| 75 jaar en ouder | 84,5 |
| Hoogst behaald onderwijsniveau | . |
| Laag | 80,1 |
| Middelbaar | 83,4 |
| Hoog | 86,1 |
| Migratieachtergrond | . |
| Nederlandse achtergrond | 84,9 |
| Westerse achtergrond | 84,1 |
| Niet-westerse achtergrond | 75,4 |
Materiële welvaart
Iemands financiële situatie is van belang voor meerdere aspecten van zijn of haar leven. Een hoger welvaartsniveau biedt meer kansen en keuzemogelijkheden, bijvoorbeeld op het terrein van wonen, sociale activiteiten en gezondheid. Daarnaast zorgt een goede financiële positie voor meer zekerheid. Het mediane gestandaardiseerd besteedbaar inkomen en het mediane vermogen worden hier als indicatoren voor de materiële welvaart gebruikt.noot8 Het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen is een goede maat om welvaartsniveaus van huishoudens onderling te kunnen vergelijken omdat het gecorrigeerd is voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden.
Maar materiële welvaart is meer dan alleen het inkomen. Het wordt ook bepaald door de bestedingen van het huishouden en het al dan niet kunnen beschikken over vermogensbuffers. Het samenspel van transacties in inkomen, bestedingen en vermogen is bepalend voor de (materiële) welvaartspositie van personen en huishoudens. Met het besteedbaar inkomen betalen huishoudens hun uitgaven. Wordt het inkomen niet helemaal uitgegeven dan kunnen huishoudens sparen en hun vermogen vergroten; kunnen ze niet alles bekostigen uit hun inkomen, dan moeten ze ontsparen en wordt hun vermogen kleiner.
De CBS-rapporten over armoede en uitsluitingnoot9 en materiële welvaartnoot10 geven meer gedetailleerde informatie over de financiële situatie van huishoudens in Nederland.
Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen
Situatie in 2020
In 2020 bedroeg het mediane inkomen van huishoudens in Nederland 28,6 duizend euro. Het gemiddelde inkomen was hoger: 32,4 duizend euro. Het rekenkundig gemiddelde ligt hoger dan de mediaan doordat inkomens aan de bovenkant van de inkomensladder het gemiddelde naar boven trekken. Om de invloed van die hoge inkomens te beperken, wordt hierna steeds het mediane inkomen beschreven.
- Hoe hoog het inkomen van een huishouden is, is mede afhankelijk van hoe oud de hoofdkostwinner is. Jongere huishoudens hebben over het algemeen minder te besteden: de volwassenen in deze huishoudens staan nog aan het begin van hun carrière. Het mediane inkomen in de groep tot 25 jaar ligt duidelijk onder het gemiddelde. Vervolgens loopt het mediane inkomen op met de leeftijd. Huishoudens met een 35- tot 65‑jarige hoofdkostwinner hebben meer dan gemiddeld te besteden. Als mensen met pensioen gaan neemt het inkomen weer wat af: 75‑plus-huishoudens hebben minder dan gemiddeld te besteden.
- Onderwijsniveau laat ook een duidelijke relatie zien met de hoogte van het inkomen. Hoe hoger opgeleid de hoofdkostwinner is, hoe hoger het mediane inkomen.
- Het mediane inkomen van huishoudens met een niet-westerse hoofdkostwinner is relatief laag, en hoofdkostwinners met een westerse migratieachtergrond hebben ook minder dan gemiddeld ter beschikking. Huishoudens met een Nederlandse achtergrond hebben het meest te besteden.
De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in elk van de leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over het mediane inkomen blijven bovenstaande bevindingen grotendeels in stand, echter: als wordt gecorrigeerd voor de ongelijke samenstelling naar leeftijd, geslacht en onderwijsniveau, komt het mediane inkomen van de groep met een Nederlandse achtergrond fors boven het gemiddelde uit. Bij de groep met een westerse migratieachtergrond wijkt het dan niet langer substantieel af van het gemiddelde.
Veranderingen tussen 2019 en 2021
Het mediane inkomen was voor de bevolking van 2020 2,5 procent hoger dan voor de bevolking van 2019.noot11 Bij geen enkele groep (naar leeftijd, opleidingsniveau of migratieachtergrond) was de ontwikkeling van de mediaan van 2019 op 2020 substantieel anders dan die van de gehele bevolking.
| Situatie in 2021 | |
|---|---|
| Totaal | 28600 |
| Leeftijd | . |
| jonger dan 25 | 12000 |
| 25 tot 35 | 28700 |
| 35 tot 45 | 30400 |
| 45 tot 55 | 32800 |
| 55 tot 65 | 32900 |
| 65 tot 75 | 27200 |
| 75 jaar en ouder | 22900 |
| Hoogst behaald onderwijsniveau | . |
| Laag | 22000 |
| Middelbaar | 27900 |
| Hoog | 36500 |
| Migratieachtergrond | . |
| Nederlandse achtergrond | 30000 |
| Westerse achtergrond | 26500 |
| Niet-westerse achtergrond | 21100 |
Vermogen
Vermogen is het saldo van bezittingen en schulden.noot12 Op 1 januari 2020 kwam het gezamenlijke vermogen van de 7,9 miljoen Nederlandse huishoudens uit op 1 830 miljard euro: tegenover 2 696 miljard euro aan gezamenlijke bezittingen stond 866 miljard aan gezamenlijke schulden. Het doorsneevermogen van Nederlandse huishoudens bedroeg 64,6 duizend euro, 11,6 duizend euro meer dan een jaar eerdernoot13 vooral door de almaar stijgende huizenprijzen. Prijsstijgingen en -dalingen van woningen hebben grote invloed op het vermogen van huishoudens. Bijna zes op de tien huishoudens hadden in 2020 een eigen woning, en deze vormde met 57 procent van de bezittingen het grootste vermogensbestanddeel. Daarna volgen bank- en spaartegoeden en aanmerkelijk belang in vennootschappen. De hypotheekschuld is de grootste schuldenpost. Het vermogen is sinds 2019 weer boven het niveau van 2008, het jaar waarin de financiële crisis uitbrak.
Situatie in 2020
- Hoe ouder, hoe hoger het vermogen. Jonge mensen aan het begin van hun arbeidscarrière verdienen relatief weinig, kunnen weinig geld opzijzetten en nemen vaak een flinke schuldenlast op zich als zij een huis kopen. Met gezinsuitbreiding komen extra kosten en wordt het moeilijker om vermogen op te bouwen. De jongste huishoudens hadden begin 2020 dan ook geen vermogen opgebouwd. Naarmate de hoofkostwinner ouder wordt, wordt de financiële positie ook merkbaar beter. Meer werkervaring en beter betaalde functies verhogen het arbeidsinkomen, en ook nalatenschappen dragen in de levensloop bij aan een verdere vermogensopbouw. Tegelijkertijd wordt vaak een steeds groter deel van de hypotheek afgelost. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd vallen de oudere huishoudens weliswaar terug in inkomen, maar zij zijn wel vaak woningbezitter en hebben ook relatief vaak nagenoeg hun hypotheek afgelost. De groep van 75 jaar en ouder was minder vermogend dan de voorgaande leeftijdsgroep: de aanvullende pensioenen zijn een stuk lager dan bij de 65 tot 75‑jarigen en het woningbezit is ook lager.
- In 2020 hadden huishoudens met een laagopgeleide hoofdkostwinner gemiddeld relatief weinig vermogen en huishoudens met een hoogopgeleide hoofdkostwinner juist veel.
- Huishoudens waarvan de hoofdkostwinner een Nederlandse achtergrond heeft, hadden in doorsnee een bovengemiddeld vermogen. In huishoudens met een hoofdkostwinner met een migratieachtergrond is dat aanzienlijk lager.
De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Standaardisatie van de cijfers over het mediane vermogen bleek niet goed mogelijk. Daarom worden hier geen uitspraken gedaan over de vraag of de hierboven beschreven bevindingen na standaardisatie in stand blijven.
Het doorsneevermogen loopt ook op met het stijgen van het besteedbaar inkomen: van 0,7 duizend euro in de eerste inkomensdecielgroep naar 342,5 duizend euro in de tiende en hoogste inkomensgroep. Van het totale vermogen van Nederlandse huishoudens was 4 procent in handen van de laagste-inkomensgroep, terwijl de hoogste inkomensgroep over 36 procent beschikte.
Veranderingen tussen 2019 en 2021
Het mediane vermogen was – gemiddeld voor de bevolking – 22 procent hoger in 2020 dan in 2019.
Vergeleken met die verandering in het cijfer voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:
- Het mediane vermogen van de huishoudens met een hoofdkostwinner van 35 tot 45 jaar ontwikkelde zich relatief gunstig, met een stijging van 36 procent. Huishoudens met hoofdkostwinners ouder dan 45 jaar zagen hun mediane vermogen juist minder dan gemiddeld toenemen. Overigens was ook bij deze oudere huishoudens wel overal sprake van een toename.
- Zowel bij huishoudens met een laag- als met een hoogopgeleide kostwinner nam het mediane vermogen minder dan gemiddeld toe.
- Bij huishoudens met een hoofdkostwinner zonder migratieachtergrond en huishoudens met een kostwinner met westerse migratieachtergrond nam het mediane vermogen minder dan gemiddeld toe.
| Situatie in 2021 | |
|---|---|
| Totaal | 64600 |
| Leeftijd | . |
| jonger dan 25 | 0 |
| 25 tot 35 | 8900 |
| 35 tot 45 | 48000 |
| 45 tot 55 | 94300 |
| 55 tot 65 | 145500 |
| 65 tot 75 | 177300 |
| 75 jaar en ouder | 130600 |
| Hoogst behaald onderwijsniveau | . |
| Laag | 18400 |
| Middelbaar | 59500 |
| Hoog | 140700 |
| Migratieachtergrond | . |
| Nederlandse achtergrond | 98500 |
| Westerse achtergrond | 20600 |
| Niet-westerse achtergrond | 1300 |
Gezondheid
Het welzijn van mensen hangt sterk samen met hun gezondheid: een slechte gezondheid gaat vaak samen met een lager welzijn en kan zorgen voor problemen op het gebied van bijvoorbeeld werk, sociaal leven en wonen.noot14 Hier wordt het oordeel over de eigen gezondheid – de ervaren gezondheid – als indicator voor gezondheid gebruikt. Meer informatie over de gezondheid van de Nederlandse bevolking is te vinden op StatLine.noot15
Ervaren gezondheid
Situatie in 2021
Hoe mensen over hun eigen gezondheid denken is een goede indicator voor de algemene gezondheidstoestand. Concreet gaat het om het percentage dat de eigen gezondheid als goed of zeer goed beoordeelt. In 2021 vond 80,5 procent van de Nederlandse bevolking de eigen gezondheid goed of zeer goed.
- Relatief meer mannen dan vrouwen hebben een (zeer) goede ervaren gezondheid. Er zijn ook meer vrouwen dan mannen met langdurige aandoeningen, lichamelijke beperkingen en belemmeringen door pijn.noot16
- Het percentage mensen dat de eigen gezondheid als (zeer) goed ervaart neemt af met het ouder worden. Tot en met de leeftijdsgroep van 25 tot 35 jaar oordelen mensen vaker dan gemiddeld positief; mensen in de leeftijdsgroepen vanaf 45 jaar juist minder vaak. Ouderen hebben ook vaker gezondheidsklachten zoals langdurige aandoeningen, lichamelijke beperkingen en belemmeringen door pijn.noot17
- Hoogopgeleidennoot18 rapporteren vaker dan gemiddeld een (zeer) goede gezondheid. Laagopgeleiden komen ruim onder het gemiddelde uit.
- Mensen met een Nederlandse achtergrond zijn vaker dan gemiddeld positief over de eigen gezondheid. Mensen met een niet-westerse migratieachtergrond zijn dat juist minder vaak.
De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Mensen met een lager onderwijsniveau zijn bijvoorbeeld gemiddeld ouder dan hoogopgeleiden. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers is het verschil in ervaren gezondheid tussen hoog- en laagopgeleiden kleiner. Maar ook op basis van gestandaardiseerde cijfers blijft de ervaren gezondheid van laagopgeleiden relatief laag en die van hoogopgeleiden relatief hoog. Ook de andere hierboven beschreven statistisch significante verschillen tussen groepen blijven na standaardisatie bestaan.
Veranderingen tussen 2019 en 2021
In 2021 was het aandeel mensen dat de eigen gezondheid als goed of zeer goed beschrijft 1,8 procentpunt hoger dan in 2019. Vergeleken met die ontwikkeling voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:
- Bij personen van 15 tot 35 jaar was de ontwikkeling ongunstiger. In deze groepen daalde het percentage met een als (zeer) goed ervaren gezondheid zelfs. Bij ouderen vanaf 75 ontwikkelde de ervaren gezondheid zich juist relatief goed, een toename van bijna 8 procentpunt.noot19
- De ervaren gezondheid van laagopgeleiden ontwikkelde zich relatief gunstig, met een toename van 4,5 procentpunt. Bij hoogopgeleiden was de ontwikkeling relatief ongunstig: een daling van 1 procentpunt.
| Situatie in 2021 | |
|---|---|
| Totaal | 80,5 |
| Geslacht | . |
| Man | 82,2 |
| Vrouw | 78,8 |
| Leeftijd | . |
| jonger dan 15 | 97 |
| 15 tot 25 | 85,9 |
| 25 tot 35 | 84,7 |
| 35 tot 45 | 81,6 |
| 45 tot 55 | 77,9 |
| 55 tot 65 | 73 |
| 65 tot 75 | 70,8 |
| 75 jaar en ouder | 62,9 |
| Onderwijsniveau | . |
| Laag | 67,8 |
| Middelbaar | 80,2 |
| Hoog | 86,6 |
| Migratieachtergrond | . |
| Nederlandse achtergrond | 81,5 |
| Westerse achtergrond | 78 |
| Niet-westerse achtergrond | 77,1 |
Arbeid en vrije tijd
Werk is belangrijk voor mensen, omdat ze hiermee inkomen verdienen en deelnemen aan de samenleving. Naast het hebben van betaald werk zijn ook arbeidsomstandigheden en de balans tussen werk en vrije tijd van belang. Bij dit thema komen de nettoarbeidsparticipatie en de tevredenheid met het werk aan bod, alsmede de tevredenheid met over de hoeveelheid vrije tijd. Het CBS-rapport over de arbeidsmarkt bevat meer informatie over de arbeidsmarktsituatie van de Nederlandse bevolkingnoot20 en SDG 8.2.
Nettoarbeidsparticipatie
De nettoarbeidsparticipatie is het aandeel van de werkzame beroepsbevolking – mensen die betaald werk hebben – in de bevolking. De gegevens over nettoarbeidsparticipatie hebben betrekking op de bevolking van 15 tot 75 jaar.
Situatie in 2021
In 2021 had 70,4 procent van de bevolking van 15 tot 75 jaar betaald werk. Hierbij gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur, dus inclusief deeltijdbanen.
- In 2021 was de nettoarbeidsparticipatie van mannen hoger dan die van vrouwen.
- De nettoarbeidsparticipatie was het hoogst onder 25- tot 55‑jarigen. Onder jongeren van 15 tot 25 jaar en 55- tot 65‑jarigen was het lager, maar nog altijd bovengemiddeld. Van de 65- tot 75‑jarigen is het grootste deel gepensioneerd.
- Onder hoog- en middelbaar opgeleiden was de nettoarbeidsparticipatie hoger dan gemiddeld. Laagopgeleiden hadden een lager dan gemiddelde participatie.
- Mensen met een Nederlandse achtergrond hadden vergeleken met het gemiddelde een hogere nettoarbeidsparticipatie. Bij personen met een migratieachtergrond lag de nettoarbeidsparticipatie onder het gemiddelde. Dit gold sterker voor de mensen met een niet- westerse migratieachtergrond dan voor mensen met een westerse migratieachtergrond.
De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers blijven dezelfde groepen in dezelfde richting verschillen van het landelijk gemiddelde.
Veranderingen tussen 2019 en 2021noot21
Ondanks een afname aan het begin van de coronacrisis, steeg de nettoarbeidsparticipatie tussen 2019 en 2021 van 70,0 naar 70,4 procent. Vergeleken met die ontwikkeling voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:
- Bij jongeren van 15 tot 25 jaar was de ontwikkeling relatief ongunstig: de nettoarbeidsparticipatie was in 2021 iets lager dan in 2019.
- Onder hoogopgeleiden nam de arbeidsparticipatie in deze periode relatief sterk toe. Daarentegen was de arbeidsparticipatie van laag-noot22 en middelbaar opgeleiden in 2021 nog lager dan in 2019.
| Situatie in 2021 | |
|---|---|
| Totaal | 70,4 |
| Geslacht | . |
| Man | 74,3 |
| Vrouw | 66,5 |
| Leeftijd | . |
| 15 tot 25 | 71,7 |
| 25 tot 35* | 87,1 |
| 35 tot 45* | 85,6 |
| 45 tot 55* | 85,1 |
| 55 tot 65* | 71,4 |
| 65 tot 75* | 14,4 |
| Hoogst behaald onderwijsniveau | . |
| Laag | 52,8 |
| Middelbaar | 72,9 |
| Hoog | 80,9 |
| Migratieachtergrond | . |
| Nederlandse achtergrond* | 72,1 |
| Westerse achtergrond* | 68,6 |
| Niet-westerse achtergrond* | 63,2 |
| * relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek | |
Tevredenheid met werk
Situatie in 2021
In 2021 was 79,0 procent van alle werknemersnoot23 van 15 tot 75 jaar tevreden met hun werk. Dit blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) van CBS en TNO.
- Werknemers van 25 tot 35 jaar waren wat minder vaak dan gemiddeld tevreden met hun werk. Werknemers van 45 tot 55 jaar, 55 tot 65 jaar en met name die van 65 tot 75 jaar waren juist vaker dan gemiddeld tevreden.
- Hoogopgeleide werknemers waren bovengemiddeld tevreden met hun werk. Laag- en middelbaar opgeleide werknemers zaten juist onder het gemiddelde.
- Werknemers met een Nederlandse achtergrond waren vaker dan gemiddeld tevreden met hun werk. Bij werknemers met een westerse en niet-westerse migratieachtergrond was dat juist minder dan gemiddeld het geval.
De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk alle in leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden. Op basis van de gestandaardiseerde cijfers blijven de hierboven beschreven conclusies over verschillen tussen groepen allemaal in stand.
Veranderingen tussen 2019 en 2021
In het algemeen waren meer werknemers tevredenheid met hun werk in 2021 (79,0 procent) dan in 2019 (77,9 procent). Vergeleken met die ontwikkeling in het cijfer voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:
- De werktevredenheid van werknemers tussen de 25 en 35 jaar deze nam in deze periode iets af. Bij 55- tot 65‑jarige en 65- tot 75‑jarige werknemers nam de tevredenheid met het werk tussen 2019 en 2021 juist sterker toe dan gemiddeld.
- De toename in de werktevredenheid was eveneens relatief sterk bij mensen met een westerse migratieachtergrond. Daarentegen was deze bij personen met een Nederlandse achtergrond juist wat minder sterk dan gemiddeld.
| Situatie in 2021 | |
|---|---|
| Totaal | 79 |
| Geslacht | . |
| Man | 78,9 |
| Vrouw | 79 |
| Leeftijd | . |
| 15 tot 25 | 78,2 |
| 25 tot 35 | 75,2 |
| 35 tot 45 | 79,1 |
| 45 tot 55 | 80,4 |
| 55 tot 65 | 80,6 |
| 65 tot 75 | 88,4 |
| Hoogst behaald onderwijsniveau | . |
| Laag | 76,7 |
| Middelbaar | 78,3 |
| Hoog | 81 |
| Migratieachtergrond | . |
| Nederlandse achtergrond | 80,6 |
| Westerse achtergrond | 75,3 |
| Niet-westerse achtergrond | 71,6 |
Tevredenheid met vrije tijd
Situatie in 2021
In 2021 was 76,1 procent van de volwassenen in Nederland tevreden met hoeveel vrije tijd ze hadden, 7,3 procent was hier ontevreden mee en 16,6 procent was tevreden noch ontevreden.
- Mensen van verschillende leeftijden oordelen verschillend over hun vrije tijd. Mensen van 18 tot 55 jaar zijn minder vaak dan gemiddeld tevreden met hun vrije tijd, terwijl 65‑plussers juist vaker dan gemiddeld tevreden zijn, met name de 65‑ tot 75‑jarigen.
- Laagopgeleiden zijn vaker dan gemiddeld tevreden met de hoeveelheid vrije tijd, hoogopgeleiden minder vaak. Dit verschil hangt samen met verschillen in leeftijd en arbeidsduur: hoogopgeleiden zijn gemiddeld jonger en werken meer uren.
- Mensen met een Nederlandse achtergrond zijn meer dan gemiddeld content met de beschikbare vrije tijd, mensen met een niet-westerse migratieachtergrond minder dan gemiddeld.
De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers kan hiermee rekening gehouden worden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over de tevredenheid met de vrije tijd blijven de hierboven beschreven bevindingen voor leeftijdsgroepen en groepen met verschillende migratieachtergrond in stand, echter:
- Als voor de groepen laag- en hoogopgeleiden gecorrigeerd wordt voor de ongelijke samenstelling naar geslacht, leeftijd en migratieachtergrond, blijkt de tevredenheid met de vrije tijd niet langer af te wijken van het gemiddelde. Bij hoogopgeleiden speelt mee dat er onder hen relatief veel jongeren zijn, die relatief ontevreden zijn met de hoeveelheid vrije tijd. Onder laagopgeleiden zijn juist relatief veel ouderen, die relatief tevreden zijn met de hoeveelheid vrije tijd. De verschillen in de tevredenheid met de vrije tijd blijken sterker samen te hangen met leeftijd dan met opleidingsniveau.
Veranderingen tussen 2019 en 2021
Het totale aandeel mensen dat aangeeft tevreden te zijn met de hoeveelheid vrije tijd is 2021 1,9 procentpunt hoger dan in 2019. Vergeleken met die verandering voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:
- 45- tot 55‑jarigen: in deze groep ontwikkelde de tevredenheid met de hoeveelheid vrije tijd zich sinds 2019 relatief gunstig, met een toename van ruim 5 procentpunt.
- Personen van 75 jaar of ouder: in deze groep ontwikkelde de tevredenheid met de hoeveelheid vrije tijd zich sinds 2019 ongunstig, met een daling van bijna 3 procentpunt.
| Situatie in 2021 | |
|---|---|
| Totaal | 76,1 |
| Geslacht | . |
| Man | 75,9 |
| Vrouw | 76,4 |
| Leeftijd | . |
| 18 tot 25 | 69,9 |
| 25 tot 35 | 68,6 |
| 35 tot 45 | 67 |
| 45 tot 55 | 72,4 |
| 55 tot 65 | 77,3 |
| 65 tot 75 | 93,6 |
| 75 jaar en ouder | 89,1 |
| Hoogst behaald onderwijsniveau | . |
| Laag | 81,1 |
| Middelbaar | 75,7 |
| Hoog | 74,1 |
| Migratieachtergrond | . |
| Nederlandse achtergrond | 77,9 |
| Westerse achtergrond | 76,8 |
| Niet-westerse achtergrond | 64,6 |
Wonen
Hoe mensen wonen is belangrijk voor hun kwaliteit van leven. Het gaat dan bijvoorbeeld om sociale cohesie in de buurt, buurtvoorzieningen en ook kenmerken van de woning zelf. Omdat tevredenheid hierover positief samenhangt met welzijn kijken we hier naar hoe tevreden mensen zijn met hun woning.noot24
Tevredenheid met de woning
Situatie in 2021
In 2021 was 85,6 procent van de volwassenen tevreden met hun woning, 9,1 procent was niet tevreden en niet ontevreden en de overige 5,3 procent was ontevreden. Huurders zijn minder vaak tevreden dan woningeigenaren.noot25
- Volwassenen tot 45 jaar zijn minder vaak dan gemiddeld tevreden met hun woning, met het laagste aandeel onder de 25- tot 35‑jarigen. Mensen vanaf 55 jaar zijn juist vaker dan gemiddeld content met hun woning.
- Personen met een Nederlandse achtergrond zijn vaker dan gemiddeld tevreden met hun woning. Mensen met een migratieachtergrond, zowel westers als niet-westers, zijn minder vaak dan gemiddeld tevreden.
De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over de tevredenheid met de woning, blijven de bovenstaande bevindingen in stand, echter:
- Als voor de groepen laag- en hoogopgeleiden gecorrigeerd wordt voor de ongelijke samenstelling naar geslacht, leeftijd en migratieachtergrond dan blijken deze groepen wel af te wijken van het gemiddelde: laagopgeleiden zijn dan minder vaak dan gemiddeld tevreden met de woning; hoogopgeleiden juist vaker. In de ongecorrigeerde cijfers wijken deze groepen niet af van het gemiddelde omdat lager opgeleiden gemiddeld ouder zijn en hoger opgeleiden juist jonger.
Veranderingen tussen 2019 en 2021
Het totale aandeel mensen dat aangeeft tevreden te zijn met de woning was in 2021 1,9 procentpunt lager dan in 2019. Geen enkele bevolkingsgroep week substantieel af van die ontwikkeling van het totaalcijfer.
| Situatie in 2021 | |
|---|---|
| Totaal | 85,6 |
| Geslacht | . |
| Man | 85,3 |
| Vrouw | 86 |
| Leeftijd | . |
| 18 tot 25 | 80,8 |
| 25 tot 35 | 75,6 |
| 35 tot 45 | 81,8 |
| 45 tot 55 | 86,6 |
| 55 tot 65 | 90,8 |
| 65 tot 75 | 92,4 |
| 75 jaar en ouder | 92,4 |
| Hoogst behaald onderwijsniveau | . |
| Laag | 86,4 |
| Middelbaar | 85,7 |
| Hoog | 85,7 |
| Migratieachtergrond | . |
| Nederlandse achtergrond | 88 |
| Westerse achtergrond | 82,5 |
| Niet-westerse achtergrond | 73,3 |
Samenleving
Het thema samenleving omvat indicatoren op het gebied van participatie en vertrouwen, beide pijlers van sociale cohesie. Vertrouwen is van belang voor mensen afzonderlijk, maar ook voor de samenleving als geheel. Voor het individu draagt vertrouwen bij aan een hoger welbevinden: het is prettiger om omgeven te worden door mensen en instellingen die men vertrouwt.noot26 Binnen de samenleving betekent vertrouwen vaak dat mensen meer geneigd zijn samen te werken en anderen te helpen.noot27
Vrijwilligerswerk
Situatie in 2021
In 2021 zei 38,9 procent van de Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder in het voorafgaande jaar tenminste één keer vrijwilligerswerk voor een organisatie of vereniging te hebben gedaan. Net als in eerdere jaren wordt het meeste vrijwilligerswerk gedaan bij sportverenigingen, scholen, in de verzorging, bij jeugdverenigingen en de kerk.noot28
- Mensen van 25 tot 35 jaar en 75‑plussers doen minder vrijwilligerswerk dan gemiddeld. Mensen van 35 tot 55 jaar en van 65 tot 75 jaar doen dit juist meer dan gemiddeld.
- Hoogopgeleiden doen vaker dan gemiddeld vrijwilligerswerk; laagopgeleiden juist minder dan gemiddeld.
- Personen met een Nederlandse achtergrond doen vaker dan gemiddeld vrijwilligerswerk terwijl mensen met een migratieachtergrond dit minder dan gemiddeld doen.
De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over het doen van vrijwilligerswerk blijven bovenstaande bevindingen grotendeels in stand, echter:
- Als voor de groep van 15- tot 25‑jarigen wordt gecorrigeerd voor de ongelijke samenstelling naar geslacht, onderwijsniveau en migratieachtergrond ten opzichte van de andere leeftijdsgroepen, dan blijkt deze groep meer dan gemiddeld vrijwilligerswerk te doen. Dit verschil is niet zichtbaar in de ongecorrigeerde cijfers doordat in de groep van 15 tot 25 jaar relatief veel mensen zitten met een laag onderwijsniveau (omdat ze nog geen opleiding hebben afgerond) en mensen met een niet-westerse migratieachtergrond. In deze groepen doen relatief weinig mensen vrijwilligerswerk.
Veranderingen tussen 2019 en 2021
Het totale aandeel mensen dat aangeeft vrijwilligerswerk te hebben gedaan is in 2021 7,8 procentpunt lager dan in 2019. Deze daling kan (deels) het gevolg zijn van corona en de daaraan gerelateerde beperkende maatregelen. Vergeleken met die verandering in het cijfers voor de gehele bevolking ontwikkelde geen enkele groep zich substantieel anders.
| Situatie in 2021 | |
|---|---|
| Totaal | 38,9 |
| Geslacht | . |
| Man | 38,8 |
| Vrouw | 39 |
| Leeftijd | . |
| 15 tot 25 | 38,1 |
| 25 tot 35 | 30,8 |
| 35 tot 45 | 44,5 |
| 45 tot 55 | 44,6 |
| 55 tot 65 | 39,2 |
| 65 tot 75 | 43,6 |
| 75 jaar en ouder | 27,3 |
| Hoogst behaald onderwijsniveau | . |
| Laag | 26,8 |
| Middelbaar | 39 |
| Hoog | 48,9 |
| Migratieachtergrond | . |
| Nederlandse achtergrond | 41,5 |
| Westerse achtergrond | 32,7 |
| Niet-westerse achtergrond | 28,8 |
Vertrouwen in mensen
Situatie in 2021
Van de Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder had in 2021 ongeveer twee derde vertrouwen in de medemens, de rest vond dat je in de omgang met anderen niet voorzichtig genoeg kan zijn.
- Mannen hebben vaker vertrouwen in anderen dan vrouwen.
- Van de verschillende leeftijdsgroepen hebben de 75‑plussers minder dan gemiddeld vertrouwen in andere mensen. Mensen in de leeftijd van 25 tot 45 jaar hebben juist vaker vertrouwen in anderen dan gemiddeld.
- Hoogopgeleiden hebben bovengemiddeld vaak vertrouwen in de medemens. Middelbaar opgeleiden en vooral laagopgeleiden hebben dit vertrouwen juist minder dan gemiddeld.
- Personen met een Nederlandse achtergrond hebben relatief vaak vertrouwen in anderen. Mensen met een niet-westerse migratieachtergrond hebben dit vertrouwen juist minder vaak.
De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over het vertrouwen in andere mensen verandert het hierboven beschreven beeld voor de volgende groepen:
- Als gecorrigeerd wordt voor de ongelijke samenstelling naar geslacht, onderwijsniveau en migratieachtergrond in elk van de leeftijdsgroepen, dan blijkt dat 15- tot 25‑jarigen vaker dan gemiddeld vertrouwen in andere mensen hebben. Dit verschil is niet zichtbaar in de ongecorrigeerde cijfers doordat in de groep van 15 tot 25 jaar relatief veel mensen zitten met een laag onderwijsniveau (omdat ze nog geen opleiding hebben afgerond) en mensen met een niet-westerse migratieachtergrond. In deze groepen is het vertrouwen in anderen relatief laag. De leeftijdsgroepen van 25 tot 45 jaar blijken op basis van gecorrigeerde cijfers juist niet meer bovengemiddeld vaak te vertrouwen in andere mensen. Daar speelt mee dat er in deze leeftijdsgroep relatief veel hoogopgeleiden zijn, een groep waarbinnen er veel vertrouwen is in anderen.
- Als voor mensen met een westerse migratieachtergrond rekening gehouden wordt met de samenstelling naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau, hebben zij – net als mensen met een niet-westerse migratie achtergrond – minder vaak dan gemiddeld vertrouwen in andere mensen. Dit verschil is niet zichtbaar in de ongecorrigeerde cijfers doordat in de groep mensen met een westerse migratieachtergrond relatief veel 35- tot 45‑jarigen en hoogopgeleiden zitten, groepen waarin een bovengemiddeld percentage mensen vertrouwen heeft in de ander.
Veranderingen tussen 2019 en 2021
Het totale aandeel mensen dat aangeeft vertrouwen te hebben in andere mensen is in 2021 4,5 procentpunt hoger dan in 2019.
Vergeleken met die verandering voor de gehele bevolking ontwikkelde geen enkele groep zich substantieel anders.
| Situatie in 2021 | |
|---|---|
| Totaal | 66,3 |
| Geslacht | . |
| Man | 68,5 |
| Vrouw | 64,1 |
| Leeftijd | . |
| 15 tot 25 | 66,9 |
| 25 tot 35 | 69,8 |
| 35 tot 45 | 70 |
| 45 tot 55 | 68,6 |
| 55 tot 65 | 66,1 |
| 65 tot 75 | 63,4 |
| 75 jaar en ouder | 55,4 |
| Hoogst behaald onderwijsniveau | . |
| Laag | 48,6 |
| Middelbaar | 62,9 |
| Hoog | 83 |
| Migratieachtergrond | . |
| Nederlandse achtergrond | 69,2 |
| Westerse achtergrond | 63 |
| Niet-westerse achtergrond | 51,2 |
Vertrouwen in instituties
Situatie in 2021
Hier meten we hoeveel mensen vertrouwen hebben in de politie, rechters en de Tweede Kamer. Gemiddeld had 66,9 procent van de 15‑plussers in 2021 vertrouwen in deze drie instituties. Dit is niet het percentage dat in alle drie instituties vertrouwen heeft, maar het gemiddelde over de drie instituties. Het vertrouwen in de politie en in rechters was met 79 procent het hoogste. Het vertrouwen in de Tweede Kamer was met 42 procent duidelijk lager. Meer informatie over institutioneel vertrouwen is te vinden op StatLine.noot29
- Oudere mensen hebben minder vertrouwen in instituties dan jongeren: in de leeftijdsgroepen vanaf 55 jaar lag het vertrouwen in instituties onder het gemiddelde. 15- tot 25‑jarigen en 45- tot 55‑jarigen hadden juist meer dan gemiddeld vertrouwen in instituties.
- Hoogopgeleiden hebben bovengemiddeld vaak vertrouwen in instituties. Middelbaar opgeleiden en laagopgeleiden hebben hier minder vaak vertrouwen in.
- Mensen met een niet-westerse migratieachtergrond hebben minder dan gemiddeld vertrouwen in instituties. Mensen zonder migratieachtergrond hebben dat vertrouwen juist meer dan gemiddeld.
De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over het vertrouwen in instituties veranderen de verbanden met leeftijd als volgt:
- Als gecorrigeerd wordt voor de niet-gelijke samenstelling in geslacht, onderwijsniveau en migratieachtergrond in elk van de leeftijdsgroepen, blijkt het vertrouwen in instituties voor 45- tot 55‑jarigen niet langer bovengemiddeld en voor 55- tot 65‑jarigen en 75‑plussers niet langer onder gemiddeld. Met name bij de 75‑plussers speelt mee dat er onder hen relatief veel laagopgeleiden zijn, waardoor het institutionele vertrouwen in de ongecorrigeerde cijfers lager uitkomt.
Veranderingen tussen 2019 en 2021
Het totale aandeel mensen dat vertrouwen heeft in instituties is in 2021 3,8 procentpunt hoger dan in 2019. Vergeleken met die verandering in het cijfer voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:
- 25- tot 35‑jarigen en 35- tot 45‑jarigen: deze groepen ontwikkelden zich minder gunstig. Bij hen veranderde het vertrouwen in instituties nauwelijks, terwijl het vertrouwen in instituties gemiddeld toenam.
- 45 tot 55‑jarigen: bij deze groep ontwikkelde het vertrouwen in instituties zich juist relatief gunstig, met een toename van bijna 8 procentpunt.
- Laagopgeleiden: deze groep kende een relatief gunstige ontwikkeling; het vertrouwen nam toe met bijna 7 procentpunt.
- Hoogopgeleiden: deze groep had met een vertrouwenstoename van 1 procentpunt een relatief minder grote toename dan landelijk gemiddeld.
| Situatie in 2021 | |
|---|---|
| Totaal | 66,9 |
| Geslacht | . |
| Man | 66,3 |
| Vrouw | 67,4 |
| Leeftijd | . |
| 15 tot 25 | 73,2 |
| 25 tot 35 | 68,3 |
| 35 tot 45 | 68,7 |
| 45 tot 55 | 69,7 |
| 55 tot 65 | 64,5 |
| 65 tot 75 | 59,6 |
| 75 jaar en ouder | 61,7 |
| Hoogst behaald onderwijsniveau | . |
| Laag | 60 |
| Middelbaar | 63,4 |
| Hoog | 75,3 |
| Migratieachtergrond | . |
| Nederlandse achtergrond | 67,6 |
| Westerse achtergrond | 64,6 |
| Niet-westerse achtergrond | 64 |
Veiligheid
Veiligheid en veiligheidsgevoelens spelen een rol in het kader van brede welvaart. Slachtoffers van criminaliteit kunnen – naast lichamelijke – ook financiële of emotionele schade oplopen die de kwaliteit van leven negatief beïnvloedt.noot30 Voor meer informatie over slachtofferschap, de gevolgen daarvan en veiligheidsbeleving van de Nederlandse bevolking, zie de Veiligheidsmonitor van het CBS.noot31
Slachtofferschap van criminaliteit
Situatie in 2021
In 2021 zei 17,1 procent van de Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder slachtoffer te zijn geweest van criminaliteit in de twaalf voorafgaande maanden. Daarbij gaat het om gewelds-, vermogens-, en vandalismedelicten. Vermogensdelicten waren hiervan het meest voorkomend (9,0 procent); vernielingen (6,0 procent) en geweld (5,2 procent) kwamen minder vaak voor. Bij de indicator slachtofferschap van criminaliteit gaat het niet om cybercriminaliteit.
- Mannen zijn iets vaker slachtoffer van criminaliteit dan vrouwen.
- Het percentage slachtoffers van criminaliteit neemt af naarmate de leeftijd toeneemt. Het percentage mensen in de leeftijdsgroepen tot 55 jaar dat slachtoffer is geweest is hoger dan gemiddeld, terwijl dit in de leeftijdsgroepen vanaf 55 jaar lager is. In de leeftijdsgroepen 15 tot 25 jaar en 25 tot 35 jaar worden de meeste slachtoffers gerapporteerd, bij de 75‑plussers de minste.
- Het percentage slachtoffers van criminaliteit is hoger dan gemiddeld onder hoopopgeleiden en lager onder middelbaar en laagopgeleiden.
- Mensen met een Nederlandse achtergrond geven minder vaak dan gemiddeld aan slachtoffer van criminaliteit te zijn geweest. Mensen met een migratieachtergrond, zowel westers als niet-westers, zijn relatief vaak slachtoffer.
De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over het slachtofferschap van criminaliteit blijven de bovenstaande bevindingen in stand.
Wel blijkt het hoge percentage slachtoffers onder mensen met een niet-westerse migratieachtergrond na standaardisatie wat lager. Deze groep bevat relatief veel jongeren en jongeren zijn vaker slachtoffer. Maar ook op basis van de gestandaardiseerde cijfers zijn mensen met een niet-westerse migratieachtergrond nog bovengemiddeld vaak slachtoffer van criminaliteit.
Veranderingen tussen 2019 en 2021
Het totale aandeel mensen dat aangeeft slachtoffer te zijn geweest van criminaliteit is in 2021 3,7 procentpunt lager dan in 2019.noot32 Vergeleken met die verandering in het cijfer voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:
- Het percentage 75‑plussers dat slachtoffer was daalde minder: met 2,5 procentpunt. Daar moet echter bij vermeld worden dat het slachtofferschap binnen deze groep al relatief laag was.
- Onderwijsniveau: afname in het slachtofferschap was bij laagopgeleiden relatief minder: 1,2 procentpunt. Bij middelbaar en hoogopgeleiden was de ontwikkeling juist relatief gunstig met dalingen van 4,7 en 5,7 procentpunt.
- Niet-westerse migratieachtergrond: bij deze groep, die in 2019 ook al relatief vaak slachtoffer was van criminaliteit, was de daling in het slachtofferschap met 1,6 procentpunt relatief gering.
| Situatie in 2021 | |
|---|---|
| Totaal | 17,1 |
| Geslacht | . |
| Man | 17,9 |
| Vrouw | 16,4 |
| Leeftijd | . |
| 15 tot 25 | 23,7 |
| 25 tot 35 | 22,6 |
| 35 tot 45 | 18,8 |
| 45 tot 55 | 17,8 |
| 55 tot 65 | 14,5 |
| 65 tot 75 | 10,4 |
| 75 jaar en ouder | 8,6 |
| Hoogst behaald onderwijsniveau | . |
| Laag | 15,2 |
| Middelbaar | 16,7 |
| Hoog | 19 |
| Migratieachtergrond | . |
| Nederlandse achtergrond | 15,9 |
| Westerse achtergrond | 19,1 |
| Niet-westerse achtergrond | 22,4 |
Milieu
Milieuvervuiling in de omgeving kan gezondheidsproblemen veroorzaken en een negatief effect hebben op de kwaliteit van leven.noot33 In 2017 gaf ruim de helft van de volwassenen in Nederland aan dat zij lucht, bodem en water sterk vervuild vinden. Ook zei 85 procent zich zorgen te maken over het milieu; meer dan de helft hiervan zei zich zorgen te maken over het milieu in de eigen omgeving.noot34 De indicator die we hier gebruiken is het ervaren van last van vervuiling in de woonomgeving.
Last van milieuproblemen in woonomgeving
Situatie in 2021
In 2021noot35 gaf 15,9 procent van de Nederlandse bevolking aan last te hebben van vervuiling in de woonomgeving. Daarbij gaat het specifiek om vervuiling of andere milieuproblemen, zoals rook, stof, stank of vervuild water.
- Jongeren tot 15 jaar geven minder vaak dan gemiddeld aan dat ze last hebben van milieuvervuiling, evenals 75‑plussers. Mensen in de leeftijd van 55 tot 75 jaar hebben hier juist vaker last van dan gemiddeld.
- Mensen met een middelbaar onderwijsniveaunoot36 geven vaker dan gemiddeld aan last te hebben van vervuiling. Mensen met een hoog onderwijsniveau geven dit juist minder vaak dan gemiddeld aan.
- Mensen met een Nederlandse achtergrond rapporteren minder dan gemiddeld last te hebben van milieuvervuiling in de woonomgeving. Mensen met migratieachtergrond (westers of niet-westers) ervaren juist relatief vaak vervuiling.
De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over het last hebben van milieuproblemen in de woonomgeving blijven bovenstaande bevindingen grotendeels in stand, echter:
- Bij de groep van 15 tot 25‑jarigen treedt een kleine verschuiving op waardoor deze groep op basis van gestandaardiseerde cijfers net minder dan gemiddeld last heeft van milieuvervuiling in de woonomgeving.
- Bij de groep hoogopgeleiden is er ook een kleine verandering als rekening gehouden wordt met de samenstelling naar geslacht, leeftijd en migratieachtergrond, waardoor die groep op basis van gestandaardiseerde cijfers niet langer afwijkt van het gemiddelde.
Veranderingen tussen 2019 en 2021
Het totale aandeel mensen dat aangeeft last te hebben van vervuiling in de woonomgeving is in 2021 0,9 procentpunt hoger dan in 2019. Vergeleken met die verandering voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:
- 15 tot 25‑jarigen: deze groep ontwikkelde zich sinds 2019 relatief ongunstig met een toename van de gerapporteerde milieuhinder van 2,6 procentpunt.
- Mensen zonder migratieachtergrond: deze groep ontwikkelde zich sinds 2019 relatief gunstig met een kleiner dan gemiddelde toename van de ervaren milieuhinder van 0,6 procentpunt.
- Mensen met een niet-westers migratieachtergrond: deze groep ontwikkelde zich sinds 2019 relatief ongunstig: last van milieuproblemen in de woonomgeving werd 2,8 procentpunt vaker gemeld.
| Situatie in 2021 | |
|---|---|
| Totaal | 15,9 |
| Geslacht | . |
| Man | 15,8 |
| Vrouw | 16,1 |
| Leeftijd | . |
| jonger dan 15 | 13,9 |
| 15 tot 25 | 15 |
| 25 tot 35 | 16,6 |
| 35 tot 45 | 15,1 |
| 45 tot 55 | 16,8 |
| 55 tot 65 | 19,3 |
| 65 tot 75 | 17,3 |
| 75 jaar en ouder | 12,2 |
| Onderwijsniveau | . |
| Laag | 15,8 |
| Middelbaar | 16,8 |
| Hoog | 15,4 |
| Migratieachtergrond | . |
| Nederlandse achtergrond | 14,9 |
| Westerse achtergrond | 17,9 |
| Niet-westerse achtergrond | 20,1 |
Stapeling van gunstige en ongunstige uitkomsten
In voorgaande paragrafen hebben we gekeken we hoe de brede welvaart ‘hier en nu’ van verschillende bevolkingsgroepen op afzonderlijke indicatoren afwijkt van die voor de totale bevolking. Als een bevolkingsgroep op een indicator gemiddeld lager dan de totale bevolking scoort, betekent dat echter niet dat alle mensen in deze groep laag scoren op deze indicator. Gemiddeld is bijvoorbeeld 84 procent van de mensen tevreden met het leven, terwijl dit onder laagopgeleiden 80 procent is. Hoewel dit lager is dan gemiddeld, zijn ook de meeste laagopgeleiden tevreden.
Daarnaast is het zo dat niet alle mensen die lager dan gemiddeld scoren op een van die indicatoren dat ook doen op andere indicatoren waar hun groep gemiddeld lager scoort dan het totaal. Het is echter wel mogelijk dat gunstige of ongunstige uitkomsten van afzonderlijke indicatoren vaker voorkomen bij dezelfde mensen. Dit roept de vraag op of gunstige en ongunstige uitkomsten evenwichtig gespreid zijn over alle personen in een bevolkingsgroep, of dat telkens dezelfde mensen boven- en benedengemiddeld scoren. In dat laatste geval is sprake van een stapeling – of cumulatie – van gunstige of ongunstige uitkomsten. Die stapeling van (on)gunstige uitkomsten brengen we in beeld door een selectie van indicatoren voor de brede welvaart ‘hier en nu’ tezamen te bekijken. Als (on)gunstige uitkomsten zich opstapelen bij bepaalde groepen, kijken we in welke mate deze stapeling voorkomt en wat de kenmerken zijn van de personen bij wie dit voorkomt.
De gegevens over hoeveel gunstige en ongunstige uitkomsten zich stapelen op individueel niveau zijn gebaseerd op het CBS-onderzoek Sociale samenhang & Welzijn, met hieraan gekoppeld cijfers uit de Integrale Inkomens- en Vermogensstatistiek. Per persoon is bepaald hoe hij of zij ‘scoort’ op diverse indicatoren van brede welvaart. De indicatoren die daarbij geselecteerd zijn, vallen onder de acht thema’s van brede welvaart ‘hier en nu’.
Het uitgangspunt is om voor elk van de acht thema’s tenminste één indicator mee te nemen. In de praktijk is dat gelukt voor zes van de acht thema’s, waarbij voor de thema’s ‘materiële welvaart’ en ‘samenleving’ in overleg met inhoudelijke experts twee indicatoren zijn meegenomen. Het thema ‘arbeid en vrije tijd’ betreft twee onderwerpen en wordt ook met twee indicatoren beschreven. In totaal zijn er dan negen indicatoren, die staan weergegeven in onderstaande tabel waarin ook staat aangegeven wanneer een uitkomst als gunstig of als ongunstig wordt gezien. De indicatorenset is niet helemaal vergelijkbaar met de beschrijving van stapeling van gunstige en ongunstige uitkomsten in eerdere edities van deze monitor. Wel zijn, voor vergelijkingsdoeleinden, enkele analyses herhaald voor het referentiejaar 2019. Uitgebreidere informatie is te vinden in de Technische toelichting.
| Thema | Indicator | Ongunstig | Midden | Gunstig |
|---|---|---|---|---|
| Subjectief welzijn | Tevredenheid met het leven | Score 1–4 | Score 5–6 | Score 7–10 |
| Materiële welvaart | Gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen | Laagste 20%–groep | Middelste 3 20%–groepen | Hoogste 20%–groep |
| Vermogen van huishouden | Laagste 20%–groep | Middelste 3 20%–groepen | Hoogste 20%–groep | |
| Gezondheid | Ervaren gezondheid | Minder dan goed | - | Goed of zeer goed |
| Arbeid en vrije tijd | Arbeidsparticipatie | Heeft geen betaald werk, jonger dan 75 jaar | Heeft geen betaald werk, 75 jaar en ouder | Heeft betaald werk |
| Tevredenheid met de hoeveelheid vrije tijd | Score 1–4 | Score 5–6 | Score 7–10 | |
| Wonen | Tevredenheid met de woning | Score 1–4 | Score 5–6 | Score 7–10 |
| Samenleving | Vertrouwen in mensen | Heeft geen vertrouwen | - | Heeft wel vertrouwen |
| Vertrouwen in instituties (politie, rechters, Tweede Kamer) | Vertrouwen in geen van de drie instituties | Vertrouwen in een of twee instituties | Vertrouwen in alle drie instituties |
Situatie in 2021
Gemiddeld hadden mensen in 2021 op 5,3 van de negen indicatoren een gunstige en op 1,4 indicatoren een ongunstige uitkomst. De groep mensen die bij zeven of meer indicatoren een gunstige brede-welvaartsuitkomst heeft, wordt hier de bovenkant van de verdeling genoemd. Deze groep beslaat 25,7 procent van de bevolking. De groep mensen met minimaal drie ongunstige uitkomsten wordt hier de onderkant van de verdeling genoemd; 18,2 procent van de bevolking behoort tot deze groep. De rest van de mensen (56,1 procent) vormt het midden van de verdeling.
Door aanpassingen in de indicatorenset en de afbakening van de boven- en onderkant van de verdeling zijn cumulatiecijfers uit eerdere edities van deze monitor niet een op een vergelijkbaar met de cijfers uit deze editie. Als de nieuwe selectie en afbakening toegepast wordt op de data van 2019, blijkt dat de groep mensen voor wie gunstige uitkomsten samenkomen iets groter is geworden (nu 25,7 procent tegen 24,7 procent in 2019). De groep mensen bij wie de ongunstige uitkomsten zich opstapelen is kleiner geworden (nu 18,2 procent tegen 20,1 procent in 2019).
We hebben eerder gezien dat zowel het onderwijsniveau als de migratieachtergrond van mensen sterk samenhangt met het hebben van een boven- of benedengemiddelde welvaart. De verschillen tussen leeftijdsgroepen zijn kleiner, en ook de verschillen tussen mannen en vrouwen blijken relatief klein. Hieronder wordt voor dezelfde bevolkingsgroepen beschreven in hoeverre er sprake is van cumulatie van (on)gunstige uitkomsten bij individuele personen binnen die groepen.
Geslacht
Leeftijd
Hoogstbehaalde opleidingsniveau
Migratieachtergrond
— Onderwijsniveau. Bij de stapeling van gunstige en ongunstige uitkomsten blijken de verschillen tussen onderwijsniveaus groot. Van de hoogopgeleiden behoort 39 procent tot de bovenkant van de verdeling met een hoge brede welvaart, tegenover 23 procent van de middelbaar opgeleiden en 10 procent van de laagopgeleiden. Laagopgeleiden zitten vaker aan de onderkant van de verdeling; dat geldt voor 32 procent. Onder middelbaar en hoogopgeleiden liggen die aandelen met respectievelijk 17 en 10 procent beduidend lager. De stapeling van gunstige uitkomsten concentreert zich dus sterk bij hoogopgeleiden, terwijl de stapeling van ongunstige uitkomsten vooral voorkomt bij laagopgeleiden. Dit beeld komt overeen met eerdere jaren. Laagopgeleiden scoren met name relatief vaak ongunstig op vertrouwen in anderen, gezondheid en het hebben van betaald werk.
— Migratieachtergrond. Kijken we naar de stapeling van gunstige en ongunstige uitkomsten bij mensen van verschillende achtergronden, dan zien we een meer genuanceerd beeld dan uit de eerdere beschrijving naar voren komt. Mensen met een niet-westerse migratieachtergrond zitten weliswaar relatief vaak onderin (33 procent) en minder vaak bovenin de verdeling (14 procent), maar de verschillen met mensen met een Nederlandse en met een westerse achtergrond zijn kleiner dan op basis van de afzonderlijke indicatoren. De stapeling van ongunstige uitkomsten komt onder mensen met een niet-westerse migratieachtergrond met name voor bij de eerste generatie en minder bij de tweede. Met name op vermogen, vertrouwen in anderen en inkomen scoort de niet-westerse groep relatief vaak ongunstig.
— Leeftijd. Mensen in de leeftijd van 45 tot 65 jaar zitten relatief vaak aan de bovenkant van de verdeling: bij iets meer dan een derde van hen komen gunstige uitkomsten samen. Dat is boven het gemiddelde van 26 procent. Bij 65‑plussers is dat juist veel minder vaak het geval: voor 17 procent van de 65- tot 75‑jarigen en 8 procent van de 75‑plussers stapelen gunstige uitkomsten zich. In laatstgenoemde groep stapelen ongunstige uitkomsten zich echter ook minder vaak dan gemiddeld: 12 procent tegenover gemiddeld 18 procent. Dit betekent dat relatief veel 75‑plussers in de middengroep zitten: 80 procent van hen heeft minder dan drie ongunstige uitkomsten, maar ook minder dan zeven gunstige uitkomsten. Een stapeling van ongunstige uitkomsten is wel te zien bij 65 tot 75‑jarigen, bij wie dit voor 26 procent het geval is (tegen 18 procent gemiddeld). Mensen van 65 jaar en ouder hebben logischerwijs minder vaak betaald werk, maar scoren ook relatief vaak ongunstig op gezondheid. Daar staat tegenover dat zij minder vaak ongunstig scoren op vermogen.
— Geslacht. Mannen zitten iets vaker bovenin de verdeling (27 procent) dan vrouwen (24 procent). Onderin komt bij mannen en vrouwen met 18 procent de stapeling van ongunstige uitkomsten vrijwel even vaak voor. Dit betekent dat vrouwen iets vaker dan mannen in de middengroep zitten, waarin geen stapeling van gunstige of ongunstige uitkomsten het geval is. Vrouwen scoren met name minder vaak dan mannen gunstig op het hebben van betaald werk, inkomen en vertrouwen in anderen, al zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen minder groot dan tussen de verschillen naar andere kenmerken.
De kenmerken van de bevolking die in dit hoofdstuk worden beschreven hangen deels met elkaar samen. Zo zijn bijvoorbeeld mensen met een niet-westerse migratieachtergrond doorgaans relatief jong en ook vaker laagopgeleid, en zijn ouderen vaker laagopgeleid in vergelijking met de totale bevolking. Als we rekening houden met onderlinge samenhang van kenmerken blijkt onderwijsniveau het meest van belang voor het aantal indicatoren waarop mensen een gunstige of ongunstige uitkomst hebben. Daarna volgen migratieachtergrond en leeftijd. Migratieachtergrond hangt daarbij iets sterker samen met het aantal ongunstige indicatoren en leeftijd met het aantal gunstige indicatoren. Geslacht is het minst van belang.
Niet alleen de kenmerken van de bevolking, ook de indicatoren hangen deels met elkaar samen. Inkomen en vermogen correleren bijvoorbeeld, maar ook de ervaren gezondheid en het al dan niet hebben van betaald werk hangen samen. Als we rekening houden met de onderlinge samenhang tussen indicatoren blijkt gezondheid het meest bepalend voor het aantal gunstige uitkomsten. Vervolgens is het hebben van betaald werk van belang en hangt daarna de tevredenheid met de woning ook sterk samen met het aantal gunstige uitkomsten. Gezondheid en het hebben van werk zijn eveneens de meest bepalende indicatoren voor het aantal ongunstige uitkomsten. Als derde is ook het vertrouwen in anderen van belang voor het aantal ongunstige uitkomsten.
Voor verschillende bevolkingsgroepen zijn specifieke indicatoren relatief meer of minder van belang in het aantal (on)gunstige uitkomsten dan gemiddeld. Voor 45‑minners is de tevredenheid met de hoeveelheid vrije tijd bepalender voor het aantal gunstige uitkomsten dan voor andere leeftijdsgroepen en de tevredenheid met de woning juist iets minder. Voor 75‑plussers is dit het geval voor vermogen, dat sterker dan in andere leeftijdsgroepen samenhangt met het aantal gunstige uitkomsten en het al dan niet hebben van betaald werk juist minder sterk.
Waar gezondheid en het hebben van werk gemiddeld de meest bepalende indicatoren zijn voor het aantal ongunstige uitkomsten, is voor 75‑plussers het hebben van werk relatief minder van belang. Daarnaast hangt voor 25- tot 65‑jarigen de tevredenheid met de woning vaker dan bij andere leeftijdsgroepen samen met het aantal ongunstige factoren. Voor bevolkingsgroepen met een migratieachtergrond is de tevredenheid met de woning ook relatief bepalender voor het aantal ongunstige uitkomsten dan voor mensen zonder migratieachtergrond.
Veranderingen tussen 2019 en 2021
Door een aanpassing in de selectie van de indicatoren en de bijgestelde afbakening van de boven- en onderkant van de verdeling, zijn cumulatiecijfers uit eerdere edities van deze monitor niet een op een vergelijkbaar met de cijfers uit deze editie. Om de ontwikkeling in stapeling wel inzichtelijk te maken, is de nieuwe indicatorselectie en afbakening ook toegepast op de data uit referentiejaar 2019. Hieruit is op te maken dat 1 procentpunt meer personen in de bovenkant van de verdeling vallen (25,7 procent in 2021 tegen 24,7 procent in 2019). De groep aan de onderkant is 1,8 procentpunt kleiner geworden.
Als we kijken naar de ontwikkeling voor de verschillende leeftijdsgroepen, dan zien we dat het deel van de 18- tot 45‑jarigen in de bovenkant van de verdeling 1 à 2 procentpunt kleiner is geworden. Voor 18- tot 35‑jarigen is ook het aandeel mensen aan onderkant van de verdeling gedaald, waarmee een grotere groep dan in 2019 in het midden van de verdeling valt. Onder de 45- tot 75‑jarigen is juist de bovenkant van de verdeling gegroeid, met 3 à 4 procentpunt. In deze leeftijdsgroep vallen minder mensen in de onderkant van de verdeling, waarbij met name de daling van 4 procentpunt voor de groep van 55 tot 75 jaar opvalt.
Bij de verschillende onderwijsniveaus zien we dat de ontwikkeling relatief ongunstig was voor hoogopgeleiden: minder van hen zitten in de bovenkant van de verdeling in 2021. Deze groep had echter wel een goede uitgangpositie. Het aandeel middelbaar opgeleiden in de onderkant van de verdeling is gedaald met 2 procentpunt, terwijl de middengroep vergelijkbaar is toegenomen. Het aandeel laagopgeleiden in de onderkant van de verdeling is eveneens gedaald (1 procentpunt), maar in deze groep staat daar een groei van de bovenkant tegenover. Hoewel de verschillen in het voorkomen van stapeling van (on)gunstige uitkomsten naar opleidingsniveau groot blijven, zijn de laag- en middelbaaropgeleiden wel iets dichter naar de hoogopgeleiden geschoven.
Bij migratieachtergrond valt op dat in 2021 beduidend meer mensen met een niet-westerse achtergrond in het midden van de verdeling vallen (8 procentpunt). Dit komt omdat in deze groep zowel de onderkant van de verdeling beduidend kleiner is geworden – met 5 procentpunt – en het aandeel mensen in de bovenkant ook gedaald is, met 3 procentpunt. Voor mensen met een westerse migratieachtergrond is een vergelijkbare verschuiving richting de middengroep te zien, maar van kleinere omvang. Voor mensen met een Nederlandse achtergrond is de bovenkant van de verdeling in 2021 met 2 procentpunt toegenomen ten opzichte van 2019.
| Bovenkant | Midden | Onderkant | |
|---|---|---|---|
| Totaal | 1,0% | 0,9% | –1,8% |
| Mannen | 0,0% | 0,4% | –0,4% |
| Vrouwen | 1,9% | 1,4% | –3,3% |
| 18–24 | –1,7% | 2,9% | –1,1% |
| 25–34 | –0,6% | 2,0% | –1,4% |
| 35–44 | –1,9% | 1,3% | 0,6% |
| 45–54 | 4,7% | –3,3% | –1,3% |
| 55–64 | 2,7% | 1,2% | –3,9% |
| 65–74 | 2,8% | 1,4% | –4,2% |
| 75+ | –0,3% | 1,3% | –0,9% |
| Laag | 1,1% | 0,2% | –1,3% |
| Middelbaar | 0,1% | 1,7% | –1,8% |
| Hoog | –1,5% | 1,2% | 0,3% |
| Nederlands | 1,8% | –0,5% | –1,2% |
| Westers | –0,5% | 3,4% | –2,9% |
| Niet-westers | –2,6% | 7,8% | –5,2% |
Noten
Voor het onderwijsniveau is gebruik gemaakt van de Standaard Onderwijsindeling 2016 in drie niveaus. Laag onderwijsniveau omvat groep 1 t/m 8 van het (speciaal) basisonderwijs, de eerste 3 leerjaren van havo/vwo, alle leerwegen van het vmbo en de entree-opleiding (mbo 1). Middelbaar onderwijsniveau omvat de bovenbouw van havo/vwo, de basisberoepsopleiding (mbo 2), de vakopleiding (mbo 3) en de middenkader- en specialistenopleidingen (mbo 4). Hoog onderwijsniveau omvat de associate degree, de hbo- en wo-bachelor, de hbo- en wo-masters en wo-doctorsopleidingen.
Meer informatie over (de afbakening van) migratieachtergrond is hier te vinden. Het CBS heeft in februari 2022 een nieuwe indeling naar herkomst geïntroduceerd. Deze nieuwe indeling wordt de komende tijd geleidelijk verwerkt in de CBS-statistieken en publicaties. In de Monitor Brede Welvaart 2022 wordt nog gebruik gemaakt van de oude indeling in migratieachtergrond (Nederland, westerse migratieachtergrond, niet-westerse migratieachtergrond). Meer informatie over de nieuwe indeling is hier te vinden: CBS introduceert nieuwe indeling bevolking naar herkomst
Bij de indicatoren over materiele welvaart (inkomen en vermogen) is er sprake van een relatief gunstig/ongunstige ontwikkeling al de ontwikkeling van een groep 2 of meer procentpunten afwijkt van de ontwikkeling van het totaal.
Diener, E en E. Suh, 1997, Measuring Quality of Life: Economic, Social and Subjective Indicators. Social Indicators Research, 40 (1–2), blz. 189–216.
Beuningen, J. van, en M. Akkermans, 2020, Regionale verschillen in geluksbeleving en tevredenheid met het leven in 2013–2019. Statistische Trends, Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
CBS, 2022, Welzijn; kerncijfers, persoonskenmerken. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
De tevredenheid met het leven wordt gemeten op een schaal van 1-10, waarbij een score van 7 of hoger als ‘tevreden’ wordt gezien. Een score van 4 of lager wordt gezien als ‘ontevreden’ (zie Beuningen, J. van, K. van der Houwen en L. Moonen, 2014, Measuring well-being. An analysis of different response scales. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire).
Omdat deze indicatoren worden gemeten op het niveau van huishoudens, wordt hier gekeken naar de kenmerken van de hoofdkostwinner van het huishouden. Daarom worden er ook hier geen cijfers voor mannen en vrouwen apart weergegeven.
CBS, 2019, Armoede en sociale uitsluiting 2019. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
CBS, 2020, Materiële welvaart in Nederland 2020. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
Om een goed vergelijk mogelijk te maken zijn hierbij de cijfers over 2019 uitgedrukt in prijzen van 2020.
Bezittingen zijn financiële bezittingen (banktegoeden en effecten), onroerend goed, aanmerkelijk belang en ondernemingsvermogen. Schulden omvatten onder meer schulden ten behoeve van een eigen woning, studieschulden en consumptief krediet. Medio 2021 is een verbeterslag doorgevoerd waarbij onder meer de meting van het aanmerkelijk belang in vennootschappen is verbeterd. Ook zijn nu de opgebouwde tegoeden in spaar- en beleggingshypotheken in het vermogen verdisconteerd. De verbeterslag is teruggelegd in de tijd (tot 2011). In deze en navolgende edities wordt verslag gedaan van de gereviseerde vermogensspecificaties.
Aanspraken op pensioen of lijfrente zijn ook als vermogen te beschouwen. Omdat een huishouden niet vrij kan beschikken over deze aanspraken zijn deze niet in de vermogensdefinitie opgenomen.
Om een goed vergelijk mogelijk te maken zijn hierbij de cijfers over 2019 uitgedrukt in prijzen van 2020.
CBS, 2016, Gezondheid, relaties en werk belangrijker voor geluk dan geld. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
CBS, 2022, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken, (geraadpleegd op 16-3-2022).
CBS, 2022, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken, (geraadpleegd op 16-3-2022).
CBS, 2022, Gezondheid en zorggebruik; persoonskenmerken, (geraadpleegd op 16-3-2022).
Bij het bepalen van het onderwijsniveau is voor personen van 25 jaar of ouder uitgegaan van het hoogst behaalde onderwijsniveau. Bij personen van 15 tot en met 24 jaar is het gebaseerd op het hoogst gevolgde onderwijsniveau. Voor 12 tot en met 14 jarigen is het onderwijsniveau niet goed te bepalen en is het niveau daarom op ‘onbekend’ gezet. Voor kinderen tot 12 jaar is het onderwijsniveau gebaseerd op het hoogst behaalde niveau van de ouder(s)/verzorger(s).
De cijfers over ervaren gezondheid hebben betrekking op mensen in particuliere huishoudens. Personen in instellingen zijn niet betrokken in het achterliggende onderzoek. Dat geldt dus ook voor de 75-plussers. Van alle Nederlanders woonde 98,5 procent in 2021 in een particulier huishouden. Onder 75-plussers was dat 92,8 procent.
CBS, 2022, De arbeidsmarkt in cijfers 2021. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
Als gevolg van een herontwerp van het brononderzoek kan niet voor alle groepen een vergelijking gemaakt worden tussen 2019 en 2021.
Mensen van wie het onderwijsniveau onbekend is zijn hierbij meegeteld bij de groep laagopgeleiden
Voor de tevredenheid met het werk zijn geen cijfers voor de totale groep werkenden (inclusief zelfstandigen) beschikbaar.
Beuningen, J. van, 2018, Woning en woonomgeving gerelateerd aan tevredenheid met het leven. Statistische Trends, Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
CBS, 2019, Huurders minder tevreden met woning. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire; CBS, 2019, Woontevredenheid; kenmerken woningen, regio’s. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
Schmeets, H., en J. Exel, 2020, Vertrouwen, maatschappelijk onbehagen en pessimisme. Statistische trends. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire;
Schmeets, H., 2018, Participatie op de kaart. Statistische Trends, Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire;
CBS, 2019, Vertrouwen in Europa en politiek stijgt. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
OECD, 2017, OECD Guidelines on Measuring Trust. OECD Publishing, Parijs.
Schmeets, H. en J. Arends, 2020, Vrijwilligerswerk en welzijn. Statistische Trends, Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
CBS, 2022, Vertrouwen in mensen en in organisaties; persoonskenmerken. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
Lamet, W. en K. Wittebrood, 2009, Nooit meer dezelfde. Gevolgen van misdrijven voor slachtoffers. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
CBS, 2022, Veiligheidsmonitor 2021. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
Door een herontwerp in de bronenquête (Veiligheidsmonitor) zijn de cijfers van 2021 en 2019 niet zomaar te vergelijken. Voor het totaalcijfer over traditioneel slachtofferschap is voor het jaar 2019 een omrekenfactor berekend, waardoor het cijfer te vergelijken is met dat van 2021. Voor de verdelingsanalyse in deze monitor Brede Welvaart is die omrekenfactor ook toegepast op de 2019-cijfers van alle deelgroepen. Er is dus niet voor alle deelgroepen een eigen omrekenfactor bepaald.
OECD, 2017, How’s life? 2017: Measuring Well-being. OECD Publishing, Parijs.
WHO, 2018, How air pollution is destroying our health. World Health Organization. (geraadpleegd op 4-2-2020)
CBS, 2018, Meer mensen vinden milieu sterk vervuild. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
De waarneming liep van maart tot en met mei.
Bij personen jonger dan 16 jaar is het onderwijsniveau gebaseerd op dat van de ouder(s)/verzorger(s).