Brede welvaart gelijk verdeeld?

Foto omschrijving: Mensen protesteren met spandoeken tegen het toeslagenschandaal

Verdeling van brede welvaart

Hier wordt informatie over de verdeling van brede welvaart uit het kernhoofdstuk Brede-welvaarttrends verder uitgediept. De brede welvaart is in Nederland niet gelijk verdeeld over verschillende bevolkingsgroepen. Vooral naar migratieachtergrond en onderwijsniveau zijn er veel verschillen. Laagopgeleiden en mensen met een migratieachtergrond, zowel westers als niet-westers, hebben een lagere brede welvaart en hoogopgeleiden en mensen zonder migratieachtergrond juist een hogere.

Op individueel niveau is te zien dat gunstige en ongunstige uitkomsten, vanuit het oogpunt van brede welvaart, zich soms stapelen bij dezelfde personen. Ongunstige uitkomsten stapelen zich daarbij vaak op bij mensen met een niet-westerse migratieachtergrond, bij laagopgeleiden en bij 65- tot 75‑jarigen. Positieve uitkomsten stapelen zich het vaakst op bij mensen met een hoog onderwijsniveau en bij mensen in de leeftijd van 45 tot 65 jaar.

Ten opzichte van 2019 is de verdeling van de brede welvaart in grote lijnen niet veranderd. Wel zijn jongere leeftijdsgroepen, de 75‑plussers en hoogopgeleiden er relatief iets op achteruitgegaan.

Inleiding

In hoofdstuk 1 wordt een beeld geschetst van de brede welvaart in Nederland als geheel. Omdat dat beeld grotendeels gebaseerd is op totalen en gemiddelden van de Nederlandse bevolking is niet zichtbaar welke groepen een relatief hogere of lagere brede welvaart hebben. Daarom wordt hier ingegaan op de verdeling van de brede welvaart over bevolkingsgroepen. Dat gebeurt in een twee delen:

  • De paragraaf Indicatoren beschrijft voor 13 indicatoren, verdeeld over acht thema’s, hoe de verdeling over groepen is per indicator van brede welvaart: eerst de situatie in 2021 en vervolgens bij welke groepen de indicator zich sinds 2019 relatief gunstig of juist ongunstig heeft ontwikkeld.
  • De paragraaf Stapeling kijkt of gunstig of ongunstige uitkomsten bij brede-welvaarts-indicatoren zich stapelen bij dezelfde individuen, en zo ja: in welke groepen die stapeling het meest voorkomt. Ook hier kijken we eerst naar de situatie in 2021 en vervolgens naar veranderingen ten opzichte van 2019.

Selectie van indicatoren en bevolkingsgroepen

Dit hoofdstuk beschrijft de verdeling van de brede welvaart ‘hier en nu’ over bevolkingsgroepen, zoveel mogelijk met data voor 2021. De gebruikte indicatoren staan in de tabel hieronder. De keuze van indicatoren is zoveel mogelijk gebaseerd op de indicatoren uit het ‘Hier en nu’-dashboard van de monitor: de acht thema’s die daar worden gebruikt zijn ook hier terug te vinden. Zie ook de Technische toelichting.

Indicatoren voor verdeling van brede welvaart
Thema ‘hier en nu’ Indicator voor verdeling
Welzijn Tevredenheid met het leven
Materiële welvaart Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen*
Vermogen*
Gezondheid Ervaren gezondheid
Arbeid en vrije tijd Nettoarbeidsparticipatie
Tevredenheid met werk
Tevredenheid met vrije tijd
Wonen Tevredenheid met de woning
Samenleving Vrijwilligerswerk
Vertrouwen in mensen
Vertrouwen in instituties
Veiligheid Slachtofferschap van criminaliteit
Milieu Last van milieuproblemen in woonomgeving

* Cijfers over 2020, omdat er geen cijfers over 2021 beschikbaar zijn

Bevolkingsgroepen worden in dit hoofdstuk onderscheiden op basis van persoonskenmerken die gangbaar zijn in de literatuur: geslacht, leeftijd, onderwijsniveau (laag, middelbaar en hoognoot1) en migratieachtergrondnoot2 (Nederlands, westers, niet-westers). Uiteraard zijn dit niet de enige kenmerken die bepalend kunnen zijn voor brede welvaart.

Kleurcodes en analyses

De monitor gebruikt kleuren om de uitkomsten van verschillende indicatoren te vergelijken. Hier wordt voor 13 indicatoren gekeken of bevolkingsgroepen afwijken van het landelijk gemiddelde en of er verschillen zijn tussen mannen en vrouwen.

Voor indicatoren gebaseerd op enquêtes is gekeken of de afwijking statistisch significant is (p<0,05). De indicatoren voor materiële welvaart (inkomen en vermogen) zijn gebaseerd op integrale gegevens: daar is een afwijking van het gemiddelde van meer dan 5 procent gebruikt als criterium.

De betekenis van de kleuren is:
Groen
De betreffende bevolkingsgroep is op dit terrein welvarender dan gemiddeld.
Grijs
De betreffende bevolkingsgroep wijkt op dit terrein niet betekenisvol af van het gemiddelde.
Rood
De betreffende bevolkingsgroep is op dit terrein minder welvarend dan gemiddeld.

De kleuren hebben slechts een signaalfunctie en houden nadrukkelijk geen normatieve duiding in. De monitor geef aan hoe verschillende bevolkingsgroepen in Nederland er op de verschillende aspecten van brede welvaart feitelijk voorstaan, en of hun welvaart afwijkt van het gemiddelde. Het is aan politiek en beleid om op basis van deze informatie te komen tot afwegingen en beleidsconclusies.

De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond kunnen samenhangen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie kan hier rekening mee worden gehouden. Daarom zijn voor de 13 Indicatoren ook gestandaardiseerde cijfers bepaald. Als statistisch significante verschillen op basis van die gestandaardiseerde cijfers anders zijn dan die op basis van de oorspronkelijke analyse wordt dit vermeld in de tekst.

Bij elke indicator kijken we ook naar groepen die zich sinds 2019 relatief gunstig of ongunstig hebben ontwikkeld. Daarbij wordt de ontwikkeling van een groep afgezet tegen de ontwikkeling van het totaalcijfer, en worden statistisch significantenoot3 verschillen vermeld in de tekst.

De analyse van de stapeling van gunstige c.q. ongunstige uitkomsten kijkt op individueel niveau of deze stapeling plaatsvindt. Dat doen we aan de hand van negen indicatoren verdeeld over zes thema’s. Per persoon wordt het aantal gunstige en ongunstige uitkomsten voor die indicatoren bepaald. De groep mensen die bij zeven of meer indicatoren een gunstige brede welvaartsuitkomst heeft, wordt de bovenkant van de verdeling genoemd. De groep mensen met minimaal drie ongunstige uitkomsten is dan de onderkant van de verdeling. Vervolgens kijken we bij welke groepen – naar geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond – er veel of weinig stapeling van gunstige of ongunstige uitkomsten voorkomt.

Samenvattend beeld

De analyses over de verdeling van de brede welvaart leveren voor 13 indicatoren inzicht op over de situatie in 2021 (voor materiële welvaart 2020) en de ontwikkeling sinds 2019 voor bevolkingsgroepen naar geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond. Daarnaast ontstaat een beeld van of en hoe gunstige en ongunstige uitkomsten stapelen bij individuen en wat de kenmerken van die individuen zijn.

Indicatoren: situatie in 2021

Op basis van de 13 geselecteerde indicatoren zien we dat brede welvaart sterk samenhangt met migratieachtergrond en onderwijsniveau, maar zien we ook kleinere verschillen naar leeftijd en geslacht.

  • Geslacht. Bij de meeste indicatoren is er geen verschil tussen mannen en vrouwen. Bij drie indicatoren is de situatie bij mannen gunstiger dan bij vrouwen, bij één indicator is dat andersom.
  • Leeftijd. Ten opzichte van het gemiddelde doen leeftijdsgroepen van 45 tot 75 jaar het relatief vaak goed. Bij de jongere leeftijdsgroepen tot 35 jaar zijn er juist relatief veel ongunstige uitkomsten.
  • Onderwijsniveau. Er zijn grote verschillen naar onderwijsniveau. Bij laag en middelbaar opgeleiden zien we maar weinig positieve uitkomsten. Laagopgeleiden hebben juist vaak (negen keer) een ongunstige uitkomst. Hoogopgeleiden komen bij 10 van de 13 indicatoren bovengemiddeld uit.
  • Migratieachtergrond. De grootste verschillen in brede welvaart zijn zichtbaar als we kijken naar verschillende herkomstgroepen. De groep met een niet-westerse migratieachtergrond ligt op alle 13 indicatoren onder het gemiddelde. Ook bij de groep met een westerse migratieachtergrond is het beeld minder goed, met acht indicatoren beneden gemiddeld en geen enkele bovengemiddeld. De groep zonder migratieachtergrond heeft daarentegen 12 keer een positieve score op een indicator.

Als de cijfers voor de indicatoren worden gestandaardiseerd, om rekening te houden met de onderlinge samenhang tussen geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond, blijven de bovenstaande conclusies grotendeels in stand. Er treden wel enkele verschuivingen op. Zo wordt het beeld voor de leeftijdsgroep 15 (of 18) tot 25 jaar wat positiever. Het beeld voor de laagopgeleiden wordt juist (nog) wat negatiever. Naar geslacht en migratieachtergrond verandert het beeld op basis van gestandaardiseerde cijfers niet of nauwelijks. De standaardisatie kon worden uitgevoerd voor 12 van de 13 indicatoren. Bij de indicator over vermogen bleek dit niet mogelijk.

Indicatoren: veranderingen tussen 2019 en 2021

Als we kijken naar de gehele bevolking zijn de 13 indicatoren veranderd sinds 2019. Bij elke indicator is voor elke bevolkingsgroep gekeken of de ontwikkeling van die groep gunstiger of ongunstiger was dan de gemiddelde ontwikkeling voor de gehele bevolking. Meestal was dit niet het geval, maar een enkele keer was wel een afwijkende ontwikkeling te zien:

  • Geslacht. Voor mannen en vrouwen waren er geen afwijkende ontwikkelingen
  • Leeftijd. Bij de leeftijdsgroepen tot 35 jaar was de ontwikkeling een aantal keer relatief ongunstig. Bij de leeftijdsgroepen van 35 tot 75 jaar waren zowel enkele relatief gunstige als ongunstige ontwikkelingen. Bij de groep vanaf 75 jaar hadden relatief ongunstige ontwikkelingen de overhand.
  • Onderwijsniveau. Voor elk onderwijsniveau was het aantal relatief gunstige en relatief ongunstige ontwikkelingen, naast alle gevallen van geen afwijkende ontwikkelingen, ongeveer in evenwicht.
  • Migratieachtergrond. Bij de groep met een niet-westerse migratieachtergrond waren er twee relatief ongunstige ontwikkelingen tegen geen enkele relatief positieve ontwikkelingen. De positie van deze groep, die qua brede welvaart toch al slecht was, is dus nog verder achteruitgegaan sinds 2019.

Ook al is er geen significant relatief gunstige/ongunstige ontwikkeling kan een cijfer sinds 2019 veranderd zijn. Dat geldt zowel voor de totaalcijfers als de cijfers per groep. De precieze cijfers, per onderzoeksjaar, per indicator en per bevolkingsgroep zijn te vinden in de Datatabel Verdeling.

Indicatoren: overzicht

De figuur hieronder geeft in één beeld een overzicht van de verdeling van de brede welvaart in 2021 (2020 voor inkomen en vermogen) en de relatieve ontwikkelingen sinds 2019. De bolletjes geven per indicator aan waar een bevolkingsgroep een significant hogere (groen) of lagere (rood) welvaart heeft dan het landelijk gemiddelde. Een grijs bolletje betekent dat er geen verschil met het gemiddelde. De ruitjes geven aan of het cijfer van een bevolkingsgroep zich sinds 2019 bij een indicator gunstiger (groen) of ongunstiger (rood) heeft ontwikkeld dan het nationale gemiddelde.

Verdeling van brede welvaart in meest recente jaar en relatieve ontwikkeling sinds 2019
De bolletjes geven per indicatoren aan waar bevolkingsgroepen een significant hogere (groen) of lagere (rood) welvaart hebben dan het landelijke gemiddelde (grijs). De ruitjes geven aan of het cijfer van een bevolkingsgroep zich sinds 2019 bij een indicator gunstiger (groen) of ongunstiger (rood) heeft ontwikkeld dan het nationale gemiddelde.
Gesorteerd op kleur
Gesorteerd op indicator
LegendaMeest recente jaarRelatieve ontwikkeling sinds 2019

Geslacht

Mannen, Slachtofferschap van criminaliteit: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Mannen, Tevredenheid met het leven: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Mannen, Tevredenheid met werk: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Mannen, Tevredenheid met vrije tijd: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Mannen, Tevredenheid met de woning: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Mannen, Vrijwilligerswerk: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Mannen, Vertrouwen in instituties: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Mannen, Last van milieuproblemen in woonomgeving: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Mannen, Ervaren gezondheid: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Mannen, Nettoarbeidsparticipatie: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Mannen, Vertrouwen in mensen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Mannen, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: onvoldoende data(kwaliteit) in 2020, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.
Mannen, Vermogen: onvoldoende data(kwaliteit) in 2020, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.
Vrouwen, Ervaren gezondheid: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Vrouwen, Nettoarbeidsparticipatie: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Vrouwen, Vertrouwen in mensen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Vrouwen, Tevredenheid met het leven: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Vrouwen, Tevredenheid met werk: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Vrouwen, Tevredenheid met vrije tijd: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Vrouwen, Tevredenheid met de woning: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Vrouwen, Vrijwilligerswerk: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Vrouwen, Vertrouwen in instituties: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Vrouwen, Last van milieuproblemen in woonomgeving: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Vrouwen, Slachtofferschap van criminaliteit: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Vrouwen, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: onvoldoende data(kwaliteit) in 2020, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.
Vrouwen, Vermogen: onvoldoende data(kwaliteit) in 2020, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.

Leeftijd

Jonger dan 25, Tevredenheid met het leven: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Jonger dan 25, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Jonger dan 25, Vermogen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Jonger dan 25, Tevredenheid met vrije tijd: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Jonger dan 25, Tevredenheid met de woning: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Jonger dan 25, Slachtofferschap van criminaliteit: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Jonger dan 25, Tevredenheid met werk: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Jonger dan 25, Vrijwilligerswerk: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Jonger dan 25, Vertrouwen in mensen: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Jonger dan 25, Ervaren gezondheid: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Jonger dan 25, Nettoarbeidsparticipatie: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Jonger dan 25, Vertrouwen in instituties: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Jonger dan 25, Last van milieuproblemen in woonomgeving: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
25 tot 35, Vermogen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
25 tot 35, Tevredenheid met werk: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
25 tot 35, Tevredenheid met vrije tijd: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
25 tot 35, Tevredenheid met de woning: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
25 tot 35, Vrijwilligerswerk: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
25 tot 35, Slachtofferschap van criminaliteit: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
25 tot 35, Tevredenheid met het leven: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
25 tot 35, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
25 tot 35, Vertrouwen in instituties: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
25 tot 35, Last van milieuproblemen in woonomgeving: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
25 tot 35, Ervaren gezondheid: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
25 tot 35, Nettoarbeidsparticipatie: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.
25 tot 35, Vertrouwen in mensen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
35 tot 45, Vermogen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, gunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
35 tot 45, Tevredenheid met vrije tijd: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
35 tot 45, Tevredenheid met de woning: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
35 tot 45, Slachtofferschap van criminaliteit: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
35 tot 45, Tevredenheid met het leven: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
35 tot 45, Ervaren gezondheid: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
35 tot 45, Tevredenheid met werk: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
35 tot 45, Vertrouwen in instituties: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
35 tot 45, Last van milieuproblemen in woonomgeving: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
35 tot 45, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
35 tot 45, Nettoarbeidsparticipatie: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.
35 tot 45, Vrijwilligerswerk: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
35 tot 45, Vertrouwen in mensen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
45 tot 55, Ervaren gezondheid: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
45 tot 55, Tevredenheid met vrije tijd: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, gunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
45 tot 55, Slachtofferschap van criminaliteit: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
45 tot 55, Tevredenheid met het leven: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
45 tot 55, Tevredenheid met de woning: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
45 tot 55, Vertrouwen in mensen: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
45 tot 55, Last van milieuproblemen in woonomgeving: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
45 tot 55, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
45 tot 55, Vermogen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
45 tot 55, Nettoarbeidsparticipatie: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.
45 tot 55, Tevredenheid met werk: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
45 tot 55, Vrijwilligerswerk: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
45 tot 55, Vertrouwen in instituties: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, gunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
55 tot 65, Ervaren gezondheid: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
55 tot 65, Vertrouwen in instituties: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
55 tot 65, Last van milieuproblemen in woonomgeving: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
55 tot 65, Tevredenheid met vrije tijd: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
55 tot 65, Vrijwilligerswerk: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
55 tot 65, Vertrouwen in mensen: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
55 tot 65, Tevredenheid met het leven: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
55 tot 65, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
55 tot 65, Vermogen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
55 tot 65, Nettoarbeidsparticipatie: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.
55 tot 65, Tevredenheid met werk: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, gunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
55 tot 65, Tevredenheid met de woning: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
55 tot 65, Slachtofferschap van criminaliteit: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
65 tot 75, Ervaren gezondheid: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
65 tot 75, Nettoarbeidsparticipatie: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.
65 tot 75, Vertrouwen in instituties: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
65 tot 75, Last van milieuproblemen in woonomgeving: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
65 tot 75, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
65 tot 75, Vertrouwen in mensen: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
65 tot 75, Tevredenheid met het leven: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
65 tot 75, Vermogen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
65 tot 75, Tevredenheid met werk: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, gunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
65 tot 75, Tevredenheid met vrije tijd: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
65 tot 75, Tevredenheid met de woning: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
65 tot 75, Vrijwilligerswerk: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
65 tot 75, Slachtofferschap van criminaliteit: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
75 en ouder, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
75 en ouder, Ervaren gezondheid: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, gunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
75 en ouder, Vrijwilligerswerk: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
75 en ouder, Vertrouwen in mensen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
75 en ouder, Vertrouwen in instituties: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
75 en ouder, Tevredenheid met het leven: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
75 en ouder, Vermogen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
75 en ouder, Tevredenheid met vrije tijd: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
75 en ouder, Tevredenheid met de woning: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
75 en ouder, Slachtofferschap van criminaliteit: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
75 en ouder, Last van milieuproblemen in woonomgeving: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
75 en ouder, Nettoarbeidsparticipatie: onvoldoende data(kwaliteit) in 2021, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.
75 en ouder, Tevredenheid met werk: onvoldoende data(kwaliteit) in 2021, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.

Onderwijsniveau

Laag, Tevredenheid met het leven: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Laag, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Laag, Vermogen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Laag, Ervaren gezondheid: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, gunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Laag, Nettoarbeidsparticipatie: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Laag, Tevredenheid met werk: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Laag, Vrijwilligerswerk: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Laag, Vertrouwen in mensen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Laag, Vertrouwen in instituties: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, gunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Laag, Tevredenheid met de woning: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Laag, Last van milieuproblemen in woonomgeving: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Laag, Tevredenheid met vrije tijd: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Laag, Slachtofferschap van criminaliteit: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Middelbaar, Vermogen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Middelbaar, Tevredenheid met werk: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Middelbaar, Vertrouwen in mensen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Middelbaar, Vertrouwen in instituties: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Middelbaar, Last van milieuproblemen in woonomgeving: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Middelbaar, Tevredenheid met het leven: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Middelbaar, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Middelbaar, Ervaren gezondheid: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Middelbaar, Tevredenheid met vrije tijd: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Middelbaar, Tevredenheid met de woning: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Middelbaar, Vrijwilligerswerk: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Middelbaar, Nettoarbeidsparticipatie: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Middelbaar, Slachtofferschap van criminaliteit: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, gunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Hoog, Tevredenheid met vrije tijd: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Hoog, Slachtofferschap van criminaliteit: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, gunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Hoog, Tevredenheid met de woning: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Hoog, Tevredenheid met het leven: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Hoog, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Hoog, Vermogen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Hoog, Ervaren gezondheid: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Hoog, Nettoarbeidsparticipatie: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, gunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Hoog, Tevredenheid met werk: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Hoog, Vrijwilligerswerk: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Hoog, Vertrouwen in mensen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Hoog, Vertrouwen in instituties: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Hoog, Last van milieuproblemen in woonomgeving: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.

Migratieachtergrond

Nederlands, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Nederlands, Tevredenheid met het leven: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Nederlands, Vermogen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Nederlands, Ervaren gezondheid: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Nederlands, Nettoarbeidsparticipatie: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.
Nederlands, Tevredenheid met werk: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Nederlands, Tevredenheid met vrije tijd: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Nederlands, Tevredenheid met de woning: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Nederlands, Vrijwilligerswerk: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Nederlands, Vertrouwen in mensen: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Nederlands, Vertrouwen in instituties: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Nederlands, Slachtofferschap van criminaliteit: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Nederlands, Last van milieuproblemen in woonomgeving: hogere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, gunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Westers, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Westers, Vermogen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Westers, Nettoarbeidsparticipatie: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.
Westers, Tevredenheid met werk: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, gunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Westers, Tevredenheid met de woning: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Westers, Vrijwilligerswerk: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Westers, Slachtofferschap van criminaliteit: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Westers, Last van milieuproblemen in woonomgeving: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Westers, Tevredenheid met het leven: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Westers, Ervaren gezondheid: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Westers, Tevredenheid met vrije tijd: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Westers, Vertrouwen in mensen: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Westers, Vertrouwen in instituties: welvaart wijkt niet af van het nationaal gemiddelde in2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Niet-westers, Tevredenheid met het leven: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Niet-westers, Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Niet-westers, Vermogen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2020, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Niet-westers, Ervaren gezondheid: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Niet-westers, Nettoarbeidsparticipatie: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek.
Niet-westers, Tevredenheid met werk: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Niet-westers, Tevredenheid met vrije tijd: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Niet-westers, Tevredenheid met de woning: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Niet-westers, Vrijwilligerswerk: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Niet-westers, Vertrouwen in mensen: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Niet-westers, Vertrouwen in instituties: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, niet gunstiger of ongunstiger dan de ontwikkeling van nationale gemiddelde.
Niet-westers, Slachtofferschap van criminaliteit: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.
Niet-westers, Last van milieuproblemen in woonomgeving: lagere welvaart dan het nationaal gemiddelde in 2021, ongunstiger dan ontwikkeling van het nationale gemiddelde.

Stapeling: situatie in 2021

De stapelingsanalyse kijkt op individueel niveau hoe gunstige en ongunstige uitkomsten, gezien vanuit brede welvaart, zich opstapelen bij dezelfde personen en wat de kenmerken van die personen zijn. Daarbij komen negen indicatoren aan bod.

De bovenkant van de verdeling – de groep die bij zeven of meer indicatoren een gunstige brede welvaart heeft – bestaat uit 25,7 procent van de volwassen bevolking. De onderkant – drie of meer ongunstige uitkomsten – omvat 18,2 procent van de bevolking. Bij de deelpopulaties zien we de volgende verschillen:

  • Geslacht. Tussen mannen en vrouwen is er een beperkt verschil in stapeling van gunstige uitkomsten. Mannen zitten daarbij iets vaker aan de bovenkant van de verdeling.
  • Leeftijd. Mensen in de leeftijd 45 tot 65 jaar zitten relatief vaak aan de bovenkant van de verdeling. Bij 65‑plussers is dat juist veel minder vaak het geval. Een stapeling van ongunstige uitkomsten komt relatief vaak voor bij 65 tot 75‑jarigen
  • Onderwijsniveau. Hier zijn grote verschillen zichtbaar. Stapeling van ongunstige uitkomsten komt veel voor bij laagopgeleiden: 31,9 procent. Stapeling van gunstige uitkomsten kom juist veel voor bij hoogopgeleiden: 38,9 procent.
  • Migratieachtergrond. Ook hier zijn er verschillen, waarbij stapeling van ongunstige uitkomsten relatief veel (33,4 procent) voorkomt bij mensen met een niet-westerse migratieachtergrond en stapeling van gunstige uitkomsten het meest te zien is bij mensen zonder migratieachtergrond.

Als we rekening houden met de onderlinge samenhang tussen geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond blijkt onderwijsniveau het meest relevant voor het aantal indicatoren waarop mensen een gunstige of ongunstige uitkomst hebben. Daarna volgen migratieachtergrond en leeftijd. Migratieachtergrond hangt daarbij iets sterker samen met het aantal ongunstige indicatoren en leeftijd met het aantal gunstige indicatoren. Geslacht is het minst van belang.

Percentage van iedere bevolkingsgroep dat aan de bovenkant, in het midden of aan de onderkant van de verdeling van de brede welvaart zit, 2021

Geslacht

18,0%
54,6%
27,4%
18,5%
57,6%
23,9%

Leeftijd

19,3%
53,8%
26,9%
18,2%
57,4%
24,4%
15,6%
58,0%
26,4%
17,5%
48,2%
34,4%
18,0%
48,4%
33,7%
26,1%
56,7%
17,2%
11,7%
79,9%
8,4%

Hoogstbehaalde opleidingsniveau

31,9%
58,1%
10,1%
17,5%
60,0%
22,5%
10,2%
50,9%
38,9%

Migratieachtergrond

15,7%
56,3%
28,0%
19,7%
58,3%
22,0%
33,4%
53,1%
13,6%

Stapeling: ontwikkelingen ten opzichte van 2019

In vergelijking met 2019 is de groep aan de bovenkant van de verdeling iets groter geworden en de groep aan de onderkant juist iets kleiner. Kijken we naar de diverse bevolkingsgroepen dan valt op dat het aandeel jongeren (tot 45 jaar) bovenin de verdeling is afgenomen. Bij de 45- tot 75‑jarigen is dit aandeel juist relatief sterk toegenomen. Bij onderwijsniveau is een relatief ongunstige ontwikkeling te zien bij de hoogopgeleiden, maar omdat deze groep een goede uitgangpositie had, komt een stapeling van gunstige uitkomsten ook in 2021 toch nog relatief veel voor. Naar migratieachtergrond valt op dat er in 2021 een groter deel van de groep met een niet-westerse migratieachtergrond is verschoven naar het midden van de verdeling. Uit deze groep behoren in 2021 beduidend minder mensen tot zowel de bovenkant als de onderkant van de verdeling.

Indicatoren

Welzijn

Subjectief welzijn – het welbevinden van de bevolking – is een belangrijk aspect van brede welvaart omdat het sterk verweven is met de kwaliteit van leven.noot4 Informatie over het welbevinden van mensen geeft inzicht in hoe zij hun eigen leven waarderen, los van objectieve maatstaven zoals inkomen of positie op de arbeidsmarkt.

In de periode 2013–2019 was gemiddeld 88 procent van de personen van 18 jaar of ouder gelukkig en 85 procent tevreden met het leven.noot5 Het aandeel dat ongelukkig of ontevreden is met het leven was gemiddeld 3 procent. Voor meer informatie over het welzijn van de Nederlandse bevolking is te vinden op StatLine.noot6

Tevredenheid met het leven

Situatie in 2021

In 2021 zei 83,6 procent van de volwassenen tevreden te zijn met zijn of haar leven, 13,0 procent was niet tevreden en niet ontevreden en een relatief kleine groep van 3,3 procent zei ontevreden met het leven te zijn.noot7

  • De jongste groep is minder vaak tevreden met het leven dan de Nederlandse bevolking als geheel. Daarentegen zijn 55- tot 75‑jarigen vaker dan gemiddeld tevreden met het leven.
  • Laagopgeleiden zijn minder vaak dan gemiddeld tevreden met het leven, hoogopgeleiden juist bovengemiddeld vaak.
  • Mensen met een Nederlandse achtergrond zijn bovengemiddeld vaak tevreden over het leven, mensen met een niet-westerse migratieachtergrond minder vaak dan gemiddeld.

Geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over de tevredenheid met het leven blijven de bovenstaande bevindingen grotendeels in stand, echter:

  • Als we de 25- tot 35‑jarigen corrigeren voor de ongelijke samenstelling naar geslacht, onderwijsniveau en migratieachtergrond ten opzichte van de andere leeftijdsgroepen, dan blijken ze minder dan gemiddeld tevreden te zijn met het leven. Het verschil in de niet gestandaardiseerde cijfers hangt dus samen met de specifieke samenstelling van de groep 25- tot 35‑jarigen naar bovengenoemde kenmerken.
Veranderingen tussen 2019 en 2021

Het aandeel mensen dat tevreden is met het leven is in 2021 3,7 procentpunt lager dan in 2019. Vergeleken met die verandering voor de gehele bevolking heeft de volgende groep zich anders ontwikkeld:

  • 18- tot 25‑jarigen: deze groep ontwikkelde zich sinds 2019 relatief ongunstig. In 2021 was het aandeel tevredenen met het leven in deze groep ruim 9 procentpunt lager dan in 2019.
Hoeveel mensen zijn tevreden met het leven?
Situatie in 2021
Totaal 83,6
Geslacht .
Man 83,3
Vrouw 84
Leeftijd .
18 tot 25 76,9
25 tot 35 81,9
35 tot 45 84,5
45 tot 55 82,7
55 tot 65 86,4
65 tot 75 87,2
75 jaar en ouder 84,5
Hoogst behaald onderwijsniveau .
Laag 80,1
Middelbaar 83,4
Hoog 86,1
Migratieachtergrond .
Nederlandse achtergrond 84,9
Westerse achtergrond 84,1
Niet-westerse achtergrond 75,4

Materiële welvaart

Iemands financiële situatie is van belang voor meerdere aspecten van zijn of haar leven. Een hoger welvaartsniveau biedt meer kansen en keuzemogelijkheden, bijvoorbeeld op het terrein van wonen, sociale activiteiten en gezondheid. Daarnaast zorgt een goede financiële positie voor meer zekerheid. Het mediane gestandaardiseerd besteedbaar inkomen en het mediane vermogen worden hier als indicatoren voor de materiële welvaart gebruikt.noot8 Het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen is een goede maat om welvaartsniveaus van huishoudens onderling te kunnen vergelijken omdat het gecorrigeerd is voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden.

Maar materiële welvaart is meer dan alleen het inkomen. Het wordt ook bepaald door de bestedingen van het huishouden en het al dan niet kunnen beschikken over vermogensbuffers. Het samenspel van transacties in inkomen, bestedingen en vermogen is bepalend voor de (materiële) welvaartspositie van personen en huishoudens. Met het besteedbaar inkomen betalen huishoudens hun uitgaven. Wordt het inkomen niet helemaal uitgegeven dan kunnen huishoudens sparen en hun vermogen vergroten; kunnen ze niet alles bekostigen uit hun inkomen, dan moeten ze ontsparen en wordt hun vermogen kleiner.

De CBS-rapporten over armoede en uitsluitingnoot9 en materiële welvaartnoot10 geven meer gedetailleerde informatie over de financiële situatie van huishoudens in Nederland.

Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen

Situatie in 2020

In 2020 bedroeg het mediane inkomen van huishoudens in Nederland 28,6 duizend euro. Het gemiddelde inkomen was hoger: 32,4 duizend euro. Het rekenkundig gemiddelde ligt hoger dan de mediaan doordat inkomens aan de bovenkant van de inkomensladder het gemiddelde naar boven trekken. Om de invloed van die hoge inkomens te beperken, wordt hierna steeds het mediane inkomen beschreven.

  • Hoe hoog het inkomen van een huishouden is, is mede afhankelijk van hoe oud de hoofdkostwinner is. Jongere huishoudens hebben over het algemeen minder te besteden: de volwassenen in deze huishoudens staan nog aan het begin van hun carrière. Het mediane inkomen in de groep tot 25 jaar ligt duidelijk onder het gemiddelde. Vervolgens loopt het mediane inkomen op met de leeftijd. Huishoudens met een 35- tot 65‑jarige hoofdkostwinner hebben meer dan gemiddeld te besteden. Als mensen met pensioen gaan neemt het inkomen weer wat af: 75‑plus-huishoudens hebben minder dan gemiddeld te besteden.
  • Onderwijsniveau laat ook een duidelijke relatie zien met de hoogte van het inkomen. Hoe hoger opgeleid de hoofdkostwinner is, hoe hoger het mediane inkomen.
  • Het mediane inkomen van huishoudens met een niet-westerse hoofdkostwinner is relatief laag, en hoofdkostwinners met een westerse migratieachtergrond hebben ook minder dan gemiddeld ter beschikking. Huishoudens met een Nederlandse achtergrond hebben het meest te besteden.

De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in elk van de leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over het mediane inkomen blijven bovenstaande bevindingen grotendeels in stand, echter: als wordt gecorrigeerd voor de ongelijke samenstelling naar leeftijd, geslacht en onderwijsniveau, komt het mediane inkomen van de groep met een Nederlandse achtergrond fors boven het gemiddelde uit. Bij de groep met een westerse migratieachtergrond wijkt het dan niet langer substantieel af van het gemiddelde.

Veranderingen tussen 2019 en 2021

Het mediane inkomen was voor de bevolking van 2020 2,5 procent hoger dan voor de bevolking van 2019.noot11 Bij geen enkele groep (naar leeftijd, opleidingsniveau of migratieachtergrond) was de ontwikkeling van de mediaan van 2019 op 2020 substantieel anders dan die van de gehele bevolking.

Hoe hoog is het mediane inkomen van huishoudens?
Situatie in 2021
Totaal 28600
Leeftijd .
jonger dan 25 12000
25 tot 35 28700
35 tot 45 30400
45 tot 55 32800
55 tot 65 32900
65 tot 75 27200
75 jaar en ouder 22900
Hoogst behaald onderwijsniveau .
Laag 22000
Middelbaar 27900
Hoog 36500
Migratieachtergrond .
Nederlandse achtergrond 30000
Westerse achtergrond 26500
Niet-westerse achtergrond 21100

Vermogen

Vermogen is het saldo van bezittingen en schulden.noot12 Op 1 januari 2020 kwam het gezamenlijke vermogen van de 7,9 miljoen Nederlandse huishoudens uit op 1 830 miljard euro: tegenover 2 696 miljard euro aan gezamenlijke bezittingen stond 866 miljard aan gezamenlijke schulden. Het doorsneevermogen van Nederlandse huishoudens bedroeg 64,6 duizend euro, 11,6 duizend euro meer dan een jaar eerdernoot13 vooral door de almaar stijgende huizenprijzen. Prijsstijgingen en -dalingen van woningen hebben grote invloed op het vermogen van huishoudens. Bijna zes op de tien huishoudens hadden in 2020 een eigen woning, en deze vormde met 57 procent van de bezittingen het grootste vermogensbestanddeel. Daarna volgen bank- en spaartegoeden en aanmerkelijk belang in vennootschappen. De hypotheekschuld is de grootste schuldenpost. Het vermogen is sinds 2019 weer boven het niveau van 2008, het jaar waarin de financiële crisis uitbrak.

Situatie in 2020
  • Hoe ouder, hoe hoger het vermogen. Jonge mensen aan het begin van hun arbeidscarrière verdienen relatief weinig, kunnen weinig geld opzijzetten en nemen vaak een flinke schuldenlast op zich als zij een huis kopen. Met gezinsuitbreiding komen extra kosten en wordt het moeilijker om vermogen op te bouwen. De jongste huishoudens hadden begin 2020 dan ook geen vermogen opgebouwd. Naarmate de hoofkostwinner ouder wordt, wordt de financiële positie ook merkbaar beter. Meer werkervaring en beter betaalde functies verhogen het arbeidsinkomen, en ook nalatenschappen dragen in de levensloop bij aan een verdere vermogensopbouw. Tegelijkertijd wordt vaak een steeds groter deel van de hypotheek afgelost. Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd vallen de oudere huishoudens weliswaar terug in inkomen, maar zij zijn wel vaak woningbezitter en hebben ook relatief vaak nagenoeg hun hypotheek afgelost. De groep van 75 jaar en ouder was minder vermogend dan de voorgaande leeftijdsgroep: de aanvullende pensioenen zijn een stuk lager dan bij de 65 tot 75‑jarigen en het woningbezit is ook lager.
  • In 2020 hadden huishoudens met een laagopgeleide hoofdkostwinner gemiddeld relatief weinig vermogen en huishoudens met een hoogopgeleide hoofdkostwinner juist veel.
  • Huishoudens waarvan de hoofdkostwinner een Nederlandse achtergrond heeft, hadden in doorsnee een bovengemiddeld vermogen. In huishoudens met een hoofdkostwinner met een migratieachtergrond is dat aanzienlijk lager.

De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Standaardisatie van de cijfers over het mediane vermogen bleek niet goed mogelijk. Daarom worden hier geen uitspraken gedaan over de vraag of de hierboven beschreven bevindingen na standaardisatie in stand blijven.

Het doorsneevermogen loopt ook op met het stijgen van het besteedbaar inkomen: van 0,7 duizend euro in de eerste inkomensdecielgroep naar 342,5 duizend euro in de tiende en hoogste inkomensgroep. Van het totale vermogen van Nederlandse huishoudens was 4 procent in handen van de laagste-inkomensgroep, terwijl de hoogste inkomensgroep over 36 procent beschikte.

Veranderingen tussen 2019 en 2021

Het mediane vermogen was – gemiddeld voor de bevolking – 22 procent hoger in 2020 dan in 2019.

Vergeleken met die verandering in het cijfer voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:

  • Het mediane vermogen van de huishoudens met een hoofdkostwinner van 35 tot 45 jaar ontwikkelde zich relatief gunstig, met een stijging van 36 procent. Huishoudens met hoofdkostwinners ouder dan 45 jaar zagen hun mediane vermogen juist minder dan gemiddeld toenemen. Overigens was ook bij deze oudere huishoudens wel overal sprake van een toename.
  • Zowel bij huishoudens met een laag- als met een hoogopgeleide kostwinner nam het mediane vermogen minder dan gemiddeld toe.
  • Bij huishoudens met een hoofdkostwinner zonder migratieachtergrond en huishoudens met een kostwinner met westerse migratieachtergrond nam het mediane vermogen minder dan gemiddeld toe.
Hoe hoog is het mediane vermogen van huishoudens?
Situatie in 2021
Totaal 64600
Leeftijd .
jonger dan 25 0
25 tot 35 8900
35 tot 45 48000
45 tot 55 94300
55 tot 65 145500
65 tot 75 177300
75 jaar en ouder 130600
Hoogst behaald onderwijsniveau .
Laag 18400
Middelbaar 59500
Hoog 140700
Migratieachtergrond .
Nederlandse achtergrond 98500
Westerse achtergrond 20600
Niet-westerse achtergrond 1300

Gezondheid

Het welzijn van mensen hangt sterk samen met hun gezondheid: een slechte gezondheid gaat vaak samen met een lager welzijn en kan zorgen voor problemen op het gebied van bijvoorbeeld werk, sociaal leven en wonen.noot14 Hier wordt het oordeel over de eigen gezondheid – de ervaren gezondheid – als indicator voor gezondheid gebruikt. Meer informatie over de gezondheid van de Nederlandse bevolking is te vinden op StatLine.noot15

Ervaren gezondheid

Situatie in 2021

Hoe mensen over hun eigen gezondheid denken is een goede indicator voor de algemene gezondheidstoestand. Concreet gaat het om het percentage dat de eigen gezondheid als goed of zeer goed beoordeelt. In 2021 vond 80,5 procent van de Nederlandse bevolking de eigen gezondheid goed of zeer goed.

  • Relatief meer mannen dan vrouwen hebben een (zeer) goede ervaren gezondheid. Er zijn ook meer vrouwen dan mannen met langdurige aandoeningen, lichamelijke beperkingen en belemmeringen door pijn.noot16
  • Het percentage mensen dat de eigen gezondheid als (zeer) goed ervaart neemt af met het ouder worden. Tot en met de leeftijdsgroep van 25 tot 35 jaar oordelen mensen vaker dan gemiddeld positief; mensen in de leeftijdsgroepen vanaf 45 jaar juist minder vaak. Ouderen hebben ook vaker gezondheidsklachten zoals langdurige aandoeningen, lichamelijke beperkingen en belemmeringen door pijn.noot17
  • Hoogopgeleidennoot18 rapporteren vaker dan gemiddeld een (zeer) goede gezondheid. Laagopgeleiden komen ruim onder het gemiddelde uit.
  • Mensen met een Nederlandse achtergrond zijn vaker dan gemiddeld positief over de eigen gezondheid. Mensen met een niet-westerse migratieachtergrond zijn dat juist minder vaak.

De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Mensen met een lager onderwijsniveau zijn bijvoorbeeld gemiddeld ouder dan hoogopgeleiden. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers is het verschil in ervaren gezondheid tussen hoog- en laagopgeleiden kleiner. Maar ook op basis van gestandaardiseerde cijfers blijft de ervaren gezondheid van laagopgeleiden relatief laag en die van hoogopgeleiden relatief hoog. Ook de andere hierboven beschreven statistisch significante verschillen tussen groepen blijven na standaardisatie bestaan.

Veranderingen tussen 2019 en 2021

In 2021 was het aandeel mensen dat de eigen gezondheid als goed of zeer goed beschrijft 1,8 procentpunt hoger dan in 2019. Vergeleken met die ontwikkeling voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:

  • Bij personen van 15 tot 35 jaar was de ontwikkeling ongunstiger. In deze groepen daalde het percentage met een als (zeer) goed ervaren gezondheid zelfs. Bij ouderen vanaf 75 ontwikkelde de ervaren gezondheid zich juist relatief goed, een toename van bijna 8 procentpunt.noot19
  • De ervaren gezondheid van laagopgeleiden ontwikkelde zich relatief gunstig, met een toename van 4,5 procentpunt. Bij hoogopgeleiden was de ontwikkeling relatief ongunstig: een daling van 1 procentpunt.
Hoeveel mensen vinden hun gezondheid (zeer) goed?
Situatie in 2021
Totaal 80,5
Geslacht .
Man 82,2
Vrouw 78,8
Leeftijd .
jonger dan 15 97
15 tot 25 85,9
25 tot 35 84,7
35 tot 45 81,6
45 tot 55 77,9
55 tot 65 73
65 tot 75 70,8
75 jaar en ouder 62,9
Onderwijsniveau .
Laag 67,8
Middelbaar 80,2
Hoog 86,6
Migratieachtergrond .
Nederlandse achtergrond 81,5
Westerse achtergrond 78
Niet-westerse achtergrond 77,1

Arbeid en vrije tijd

Werk is belangrijk voor mensen, omdat ze hiermee inkomen verdienen en deelnemen aan de samenleving. Naast het hebben van betaald werk zijn ook arbeidsomstandigheden en de balans tussen werk en vrije tijd van belang. Bij dit thema komen de nettoarbeidsparticipatie en de tevredenheid met het werk aan bod, alsmede de tevredenheid met over de hoeveelheid vrije tijd. Het CBS-rapport over de arbeidsmarkt bevat meer informatie over de arbeidsmarktsituatie van de Nederlandse bevolkingnoot20 en SDG 8.2.

Nettoarbeidsparticipatie

De nettoarbeidsparticipatie is het aandeel van de werkzame beroepsbevolking – mensen die betaald werk hebben – in de bevolking. De gegevens over nettoarbeidsparticipatie hebben betrekking op de bevolking van 15 tot 75 jaar.

Situatie in 2021

In 2021 had 70,4 procent van de bevolking van 15 tot 75 jaar betaald werk. Hierbij gaat het om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur, dus inclusief deeltijdbanen.

  • In 2021 was de nettoarbeidsparticipatie van mannen hoger dan die van vrouwen.
  • De nettoarbeidsparticipatie was het hoogst onder 25- tot 55‑jarigen. Onder jongeren van 15 tot 25 jaar en 55- tot 65‑jarigen was het lager, maar nog altijd bovengemiddeld. Van de 65- tot 75‑jarigen is het grootste deel gepensioneerd.
  • Onder hoog- en middelbaar opgeleiden was de nettoarbeidsparticipatie hoger dan gemiddeld. Laagopgeleiden hadden een lager dan gemiddelde participatie.
  • Mensen met een Nederlandse achtergrond hadden vergeleken met het gemiddelde een hogere nettoarbeidsparticipatie. Bij personen met een migratieachtergrond lag de nettoarbeidsparticipatie onder het gemiddelde. Dit gold sterker voor de mensen met een niet- westerse migratieachtergrond dan voor mensen met een westerse migratieachtergrond.

De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers blijven dezelfde groepen in dezelfde richting verschillen van het landelijk gemiddelde.

Veranderingen tussen 2019 en 2021noot21

Ondanks een afname aan het begin van de coronacrisis, steeg de nettoarbeidsparticipatie tussen 2019 en 2021 van 70,0 naar 70,4 procent. Vergeleken met die ontwikkeling voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:

  • Bij jongeren van 15 tot 25 jaar was de ontwikkeling relatief ongunstig: de nettoarbeidsparticipatie was in 2021 iets lager dan in 2019.
  • Onder hoogopgeleiden nam de arbeidsparticipatie in deze periode relatief sterk toe. Daarentegen was de arbeidsparticipatie van laag-noot22 en middelbaar opgeleiden in 2021 nog lager dan in 2019.
Hoeveel mensen hebben betaald werk?
Situatie in 2021
Totaal 70,4
Geslacht .
Man 74,3
Vrouw 66,5
Leeftijd .
15 tot 25 71,7
25 tot 35* 87,1
35 tot 45* 85,6
45 tot 55* 85,1
55 tot 65* 71,4
65 tot 75* 14,4
Hoogst behaald onderwijsniveau .
Laag 52,8
Middelbaar 72,9
Hoog 80,9
Migratieachtergrond .
Nederlandse achtergrond* 72,1
Westerse achtergrond* 68,6
Niet-westerse achtergrond* 63,2
* relatieve ontwikkeling niet te bepalen als gevolg van herontwerp brononderzoek

Tevredenheid met werk

Situatie in 2021

In 2021 was 79,0 procent van alle werknemersnoot23 van 15 tot 75 jaar tevreden met hun werk. Dit blijkt uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) van CBS en TNO.

  • Werknemers van 25 tot 35 jaar waren wat minder vaak dan gemiddeld tevreden met hun werk. Werknemers van 45 tot 55 jaar, 55 tot 65 jaar en met name die van 65 tot 75 jaar waren juist vaker dan gemiddeld tevreden.
  • Hoogopgeleide werknemers waren bovengemiddeld tevreden met hun werk. Laag- en middelbaar opgeleide werknemers zaten juist onder het gemiddelde.
  • Werknemers met een Nederlandse achtergrond waren vaker dan gemiddeld tevreden met hun werk. Bij werknemers met een westerse en niet-westerse migratieachtergrond was dat juist minder dan gemiddeld het geval.

De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk alle in leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden. Op basis van de gestandaardiseerde cijfers blijven de hierboven beschreven conclusies over verschillen tussen groepen allemaal in stand.

Veranderingen tussen 2019 en 2021

In het algemeen waren meer werknemers tevredenheid met hun werk in 2021 (79,0 procent) dan in 2019 (77,9 procent). Vergeleken met die ontwikkeling in het cijfer voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:

  • De werktevredenheid van werknemers tussen de 25 en 35 jaar deze nam in deze periode iets af. Bij 55- tot 65‑jarige en 65- tot 75‑jarige werknemers nam de tevredenheid met het werk tussen 2019 en 2021 juist sterker toe dan gemiddeld.
  • De toename in de werktevredenheid was eveneens relatief sterk bij mensen met een westerse migratieachtergrond. Daarentegen was deze bij personen met een Nederlandse achtergrond juist wat minder sterk dan gemiddeld.
Hoeveel mensen zijn tevreden met het werk?
Situatie in 2021
Totaal 79
Geslacht .
Man 78,9
Vrouw 79
Leeftijd .
15 tot 25 78,2
25 tot 35 75,2
35 tot 45 79,1
45 tot 55 80,4
55 tot 65 80,6
65 tot 75 88,4
Hoogst behaald onderwijsniveau .
Laag 76,7
Middelbaar 78,3
Hoog 81
Migratieachtergrond .
Nederlandse achtergrond 80,6
Westerse achtergrond 75,3
Niet-westerse achtergrond 71,6

Tevredenheid met vrije tijd

Situatie in 2021

In 2021 was 76,1 procent van de volwassenen in Nederland tevreden met hoeveel vrije tijd ze hadden, 7,3 procent was hier ontevreden mee en 16,6 procent was tevreden noch ontevreden.

  • Mensen van verschillende leeftijden oordelen verschillend over hun vrije tijd. Mensen van 18 tot 55 jaar zijn minder vaak dan gemiddeld tevreden met hun vrije tijd, terwijl 65‑plussers juist vaker dan gemiddeld tevreden zijn, met name de 65‑ tot 75‑jarigen.
  • Laagopgeleiden zijn vaker dan gemiddeld tevreden met de hoeveelheid vrije tijd, hoogopgeleiden minder vaak. Dit verschil hangt samen met verschillen in leeftijd en arbeidsduur: hoogopgeleiden zijn gemiddeld jonger en werken meer uren.
  • Mensen met een Nederlandse achtergrond zijn meer dan gemiddeld content met de beschikbare vrije tijd, mensen met een niet-westerse migratieachtergrond minder dan gemiddeld.

De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers kan hiermee rekening gehouden worden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over de tevredenheid met de vrije tijd blijven de hierboven beschreven bevindingen voor leeftijdsgroepen en groepen met verschillende migratieachtergrond in stand, echter:

  • Als voor de groepen laag- en hoogopgeleiden gecorrigeerd wordt voor de ongelijke samenstelling naar geslacht, leeftijd en migratieachtergrond, blijkt de tevredenheid met de vrije tijd niet langer af te wijken van het gemiddelde. Bij hoogopgeleiden speelt mee dat er onder hen relatief veel jongeren zijn, die relatief ontevreden zijn met de hoeveelheid vrije tijd. Onder laagopgeleiden zijn juist relatief veel ouderen, die relatief tevreden zijn met de hoeveelheid vrije tijd. De verschillen in de tevredenheid met de vrije tijd blijken sterker samen te hangen met leeftijd dan met opleidingsniveau.
Veranderingen tussen 2019 en 2021

Het totale aandeel mensen dat aangeeft tevreden te zijn met de hoeveelheid vrije tijd is 2021 1,9 procentpunt hoger dan in 2019. Vergeleken met die verandering voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:

  • 45- tot 55‑jarigen: in deze groep ontwikkelde de tevredenheid met de hoeveelheid vrije tijd zich sinds 2019 relatief gunstig, met een toename van ruim 5 procentpunt.
  • Personen van 75 jaar of ouder: in deze groep ontwikkelde de tevredenheid met de hoeveelheid vrije tijd zich sinds 2019 ongunstig, met een daling van bijna 3 procentpunt.
Hoeveel mensen zijn tevreden met de hoeveelheid vrije tijd?
Situatie in 2021
Totaal 76,1
Geslacht .
Man 75,9
Vrouw 76,4
Leeftijd .
18 tot 25 69,9
25 tot 35 68,6
35 tot 45 67
45 tot 55 72,4
55 tot 65 77,3
65 tot 75 93,6
75 jaar en ouder 89,1
Hoogst behaald onderwijsniveau .
Laag 81,1
Middelbaar 75,7
Hoog 74,1
Migratieachtergrond .
Nederlandse achtergrond 77,9
Westerse achtergrond 76,8
Niet-westerse achtergrond 64,6

Wonen

Hoe mensen wonen is belangrijk voor hun kwaliteit van leven. Het gaat dan bijvoorbeeld om sociale cohesie in de buurt, buurtvoorzieningen en ook kenmerken van de woning zelf. Omdat tevredenheid hierover positief samenhangt met welzijn kijken we hier naar hoe tevreden mensen zijn met hun woning.noot24

Tevredenheid met de woning

Situatie in 2021

In 2021 was 85,6 procent van de volwassenen tevreden met hun woning, 9,1 procent was niet tevreden en niet ontevreden en de overige 5,3 procent was ontevreden. Huurders zijn minder vaak tevreden dan woningeigenaren.noot25

  • Volwassenen tot 45 jaar zijn minder vaak dan gemiddeld tevreden met hun woning, met het laagste aandeel onder de 25- tot 35‑jarigen. Mensen vanaf 55 jaar zijn juist vaker dan gemiddeld content met hun woning.
  • Personen met een Nederlandse achtergrond zijn vaker dan gemiddeld tevreden met hun woning. Mensen met een migratieachtergrond, zowel westers als niet-westers, zijn minder vaak dan gemiddeld tevreden.

De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over de tevredenheid met de woning, blijven de bovenstaande bevindingen in stand, echter:

  • Als voor de groepen laag- en hoogopgeleiden gecorrigeerd wordt voor de ongelijke samenstelling naar geslacht, leeftijd en migratieachtergrond dan blijken deze groepen wel af te wijken van het gemiddelde: laagopgeleiden zijn dan minder vaak dan gemiddeld tevreden met de woning; hoogopgeleiden juist vaker. In de ongecorrigeerde cijfers wijken deze groepen niet af van het gemiddelde omdat lager opgeleiden gemiddeld ouder zijn en hoger opgeleiden juist jonger.
Veranderingen tussen 2019 en 2021

Het totale aandeel mensen dat aangeeft tevreden te zijn met de woning was in 2021 1,9 procentpunt lager dan in 2019. Geen enkele bevolkingsgroep week substantieel af van die ontwikkeling van het totaalcijfer.

Hoeveel mensen zijn tevreden met de woning?
Situatie in 2021
Totaal 85,6
Geslacht .
Man 85,3
Vrouw 86
Leeftijd .
18 tot 25 80,8
25 tot 35 75,6
35 tot 45 81,8
45 tot 55 86,6
55 tot 65 90,8
65 tot 75 92,4
75 jaar en ouder 92,4
Hoogst behaald onderwijsniveau .
Laag 86,4
Middelbaar 85,7
Hoog 85,7
Migratieachtergrond .
Nederlandse achtergrond 88
Westerse achtergrond 82,5
Niet-westerse achtergrond 73,3

Samenleving

Het thema samenleving omvat indicatoren op het gebied van participatie en vertrouwen, beide pijlers van sociale cohesie. Vertrouwen is van belang voor mensen afzonderlijk, maar ook voor de samenleving als geheel. Voor het individu draagt vertrouwen bij aan een hoger welbevinden: het is prettiger om omgeven te worden door mensen en instellingen die men vertrouwt.noot26 Binnen de samenleving betekent vertrouwen vaak dat mensen meer geneigd zijn samen te werken en anderen te helpen.noot27

Vrijwilligerswerk

Situatie in 2021

In 2021 zei 38,9 procent van de Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder in het voorafgaande jaar tenminste één keer vrijwilligerswerk voor een organisatie of vereniging te hebben gedaan. Net als in eerdere jaren wordt het meeste vrijwilligerswerk gedaan bij sportverenigingen, scholen, in de verzorging, bij jeugdverenigingen en de kerk.noot28

  • Mensen van 25 tot 35 jaar en 75‑plussers doen minder vrijwilligerswerk dan gemiddeld. Mensen van 35 tot 55 jaar en van 65 tot 75 jaar doen dit juist meer dan gemiddeld.
  • Hoogopgeleiden doen vaker dan gemiddeld vrijwilligerswerk; laagopgeleiden juist minder dan gemiddeld.
  • Personen met een Nederlandse achtergrond doen vaker dan gemiddeld vrijwilligerswerk terwijl mensen met een migratieachtergrond dit minder dan gemiddeld doen.

De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over het doen van vrijwilligerswerk blijven bovenstaande bevindingen grotendeels in stand, echter:

  • Als voor de groep van 15- tot 25‑jarigen wordt gecorrigeerd voor de ongelijke samenstelling naar geslacht, onderwijsniveau en migratieachtergrond ten opzichte van de andere leeftijdsgroepen, dan blijkt deze groep meer dan gemiddeld vrijwilligerswerk te doen. Dit verschil is niet zichtbaar in de ongecorrigeerde cijfers doordat in de groep van 15 tot 25 jaar relatief veel mensen zitten met een laag onderwijsniveau (omdat ze nog geen opleiding hebben afgerond) en mensen met een niet-westerse migratieachtergrond. In deze groepen doen relatief weinig mensen vrijwilligerswerk.
Veranderingen tussen 2019 en 2021

Het totale aandeel mensen dat aangeeft vrijwilligerswerk te hebben gedaan is in 2021 7,8 procentpunt lager dan in 2019. Deze daling kan (deels) het gevolg zijn van corona en de daaraan gerelateerde beperkende maatregelen. Vergeleken met die verandering in het cijfers voor de gehele bevolking ontwikkelde geen enkele groep zich substantieel anders.

Hoeveel mensen doen vrijwilligerswerk?
Situatie in 2021
Totaal 38,9
Geslacht .
Man 38,8
Vrouw 39
Leeftijd .
15 tot 25 38,1
25 tot 35 30,8
35 tot 45 44,5
45 tot 55 44,6
55 tot 65 39,2
65 tot 75 43,6
75 jaar en ouder 27,3
Hoogst behaald onderwijsniveau .
Laag 26,8
Middelbaar 39
Hoog 48,9
Migratieachtergrond .
Nederlandse achtergrond 41,5
Westerse achtergrond 32,7
Niet-westerse achtergrond 28,8

Vertrouwen in mensen

Situatie in 2021

Van de Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder had in 2021 ongeveer twee derde vertrouwen in de medemens, de rest vond dat je in de omgang met anderen niet voorzichtig genoeg kan zijn.

  • Mannen hebben vaker vertrouwen in anderen dan vrouwen.
  • Van de verschillende leeftijdsgroepen hebben de 75‑plussers minder dan gemiddeld vertrouwen in andere mensen. Mensen in de leeftijd van 25 tot 45 jaar hebben juist vaker vertrouwen in anderen dan gemiddeld.
  • Hoogopgeleiden hebben bovengemiddeld vaak vertrouwen in de medemens. Middelbaar opgeleiden en vooral laagopgeleiden hebben dit vertrouwen juist minder dan gemiddeld.
  • Personen met een Nederlandse achtergrond hebben relatief vaak vertrouwen in anderen. Mensen met een niet-westerse migratieachtergrond hebben dit vertrouwen juist minder vaak.

De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over het vertrouwen in andere mensen verandert het hierboven beschreven beeld voor de volgende groepen:

  • Als gecorrigeerd wordt voor de ongelijke samenstelling naar geslacht, onderwijsniveau en migratieachtergrond in elk van de leeftijdsgroepen, dan blijkt dat 15- tot 25‑jarigen vaker dan gemiddeld vertrouwen in andere mensen hebben. Dit verschil is niet zichtbaar in de ongecorrigeerde cijfers doordat in de groep van 15 tot 25 jaar relatief veel mensen zitten met een laag onderwijsniveau (omdat ze nog geen opleiding hebben afgerond) en mensen met een niet-westerse migratieachtergrond. In deze groepen is het vertrouwen in anderen relatief laag. De leeftijdsgroepen van 25 tot 45 jaar blijken op basis van gecorrigeerde cijfers juist niet meer bovengemiddeld vaak te vertrouwen in andere mensen. Daar speelt mee dat er in deze leeftijdsgroep relatief veel hoogopgeleiden zijn, een groep waarbinnen er veel vertrouwen is in anderen.
  • Als voor mensen met een westerse migratieachtergrond rekening gehouden wordt met de samenstelling naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau, hebben zij – net als mensen met een niet-westerse migratie achtergrond – minder vaak dan gemiddeld vertrouwen in andere mensen. Dit verschil is niet zichtbaar in de ongecorrigeerde cijfers doordat in de groep mensen met een westerse migratieachtergrond relatief veel 35- tot 45‑jarigen en hoogopgeleiden zitten, groepen waarin een bovengemiddeld percentage mensen vertrouwen heeft in de ander.
Veranderingen tussen 2019 en 2021

Het totale aandeel mensen dat aangeeft vertrouwen te hebben in andere mensen is in 2021 4,5 procentpunt hoger dan in 2019.

Vergeleken met die verandering voor de gehele bevolking ontwikkelde geen enkele groep zich substantieel anders.

Hoeveel mensen hebben vertrouwen in anderen?
Situatie in 2021
Totaal 66,3
Geslacht .
Man 68,5
Vrouw 64,1
Leeftijd .
15 tot 25 66,9
25 tot 35 69,8
35 tot 45 70
45 tot 55 68,6
55 tot 65 66,1
65 tot 75 63,4
75 jaar en ouder 55,4
Hoogst behaald onderwijsniveau .
Laag 48,6
Middelbaar 62,9
Hoog 83
Migratieachtergrond .
Nederlandse achtergrond 69,2
Westerse achtergrond 63
Niet-westerse achtergrond 51,2

Vertrouwen in instituties

Situatie in 2021

Hier meten we hoeveel mensen vertrouwen hebben in de politie, rechters en de Tweede Kamer. Gemiddeld had 66,9 procent van de 15‑plussers in 2021 vertrouwen in deze drie instituties. Dit is niet het percentage dat in alle drie instituties vertrouwen heeft, maar het gemiddelde over de drie instituties. Het vertrouwen in de politie en in rechters was met 79 procent het hoogste. Het vertrouwen in de Tweede Kamer was met 42 procent duidelijk lager. Meer informatie over institutioneel vertrouwen is te vinden op StatLine.noot29

  • Oudere mensen hebben minder vertrouwen in instituties dan jongeren: in de leeftijdsgroepen vanaf 55 jaar lag het vertrouwen in instituties onder het gemiddelde. 15- tot 25‑jarigen en 45- tot 55‑jarigen hadden juist meer dan gemiddeld vertrouwen in instituties.
  • Hoogopgeleiden hebben bovengemiddeld vaak vertrouwen in instituties. Middelbaar opgeleiden en laagopgeleiden hebben hier minder vaak vertrouwen in.
  • Mensen met een niet-westerse migratieachtergrond hebben minder dan gemiddeld vertrouwen in instituties. Mensen zonder migratieachtergrond hebben dat vertrouwen juist meer dan gemiddeld.

De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over het vertrouwen in instituties veranderen de verbanden met leeftijd als volgt:

  • Als gecorrigeerd wordt voor de niet-gelijke samenstelling in geslacht, onderwijsniveau en migratieachtergrond in elk van de leeftijdsgroepen, blijkt het vertrouwen in instituties voor 45- tot 55‑jarigen niet langer bovengemiddeld en voor 55- tot 65‑jarigen en 75‑plussers niet langer onder gemiddeld. Met name bij de 75‑plussers speelt mee dat er onder hen relatief veel laagopgeleiden zijn, waardoor het institutionele vertrouwen in de ongecorrigeerde cijfers lager uitkomt.
Veranderingen tussen 2019 en 2021

Het totale aandeel mensen dat vertrouwen heeft in instituties is in 2021 3,8 procentpunt hoger dan in 2019. Vergeleken met die verandering in het cijfer voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:

  • 25- tot 35‑jarigen en 35- tot 45‑jarigen: deze groepen ontwikkelden zich minder gunstig. Bij hen veranderde het vertrouwen in instituties nauwelijks, terwijl het vertrouwen in instituties gemiddeld toenam.
  • 45 tot 55‑jarigen: bij deze groep ontwikkelde het vertrouwen in instituties zich juist relatief gunstig, met een toename van bijna 8 procentpunt.
  • Laagopgeleiden: deze groep kende een relatief gunstige ontwikkeling; het vertrouwen nam toe met bijna 7 procentpunt.
  • Hoogopgeleiden: deze groep had met een vertrouwenstoename van 1 procentpunt een relatief minder grote toename dan landelijk gemiddeld.
Hoeveel mensen hebben vertrouwen in instituties?
Situatie in 2021
Totaal 66,9
Geslacht .
Man 66,3
Vrouw 67,4
Leeftijd .
15 tot 25 73,2
25 tot 35 68,3
35 tot 45 68,7
45 tot 55 69,7
55 tot 65 64,5
65 tot 75 59,6
75 jaar en ouder 61,7
Hoogst behaald onderwijsniveau .
Laag 60
Middelbaar 63,4
Hoog 75,3
Migratieachtergrond .
Nederlandse achtergrond 67,6
Westerse achtergrond 64,6
Niet-westerse achtergrond 64

Veiligheid

Veiligheid en veiligheidsgevoelens spelen een rol in het kader van brede welvaart. Slachtoffers van criminaliteit kunnen – naast lichamelijke – ook financiële of emotionele schade oplopen die de kwaliteit van leven negatief beïnvloedt.noot30 Voor meer informatie over slachtofferschap, de gevolgen daarvan en veiligheidsbeleving van de Nederlandse bevolking, zie de Veiligheidsmonitor van het CBS.noot31

Slachtofferschap van criminaliteit

Situatie in 2021

In 2021 zei 17,1 procent van de Nederlandse bevolking van 15 jaar en ouder slachtoffer te zijn geweest van criminaliteit in de twaalf voorafgaande maanden. Daarbij gaat het om gewelds-, vermogens-, en vandalismedelicten. Vermogensdelicten waren hiervan het meest voorkomend (9,0 procent); vernielingen (6,0 procent) en geweld (5,2 procent) kwamen minder vaak voor. Bij de indicator slachtofferschap van criminaliteit gaat het niet om cybercriminaliteit.

  • Mannen zijn iets vaker slachtoffer van criminaliteit dan vrouwen.
  • Het percentage slachtoffers van criminaliteit neemt af naarmate de leeftijd toeneemt. Het percentage mensen in de leeftijdsgroepen tot 55 jaar dat slachtoffer is geweest is hoger dan gemiddeld, terwijl dit in de leeftijdsgroepen vanaf 55 jaar lager is. In de leeftijdsgroepen 15 tot 25 jaar en 25 tot 35 jaar worden de meeste slachtoffers gerapporteerd, bij de 75‑plussers de minste.
  • Het percentage slachtoffers van criminaliteit is hoger dan gemiddeld onder hoopopgeleiden en lager onder middelbaar en laagopgeleiden.
  • Mensen met een Nederlandse achtergrond geven minder vaak dan gemiddeld aan slachtoffer van criminaliteit te zijn geweest. Mensen met een migratieachtergrond, zowel westers als niet-westers, zijn relatief vaak slachtoffer.

De kenmerken geslacht, leeftijd, onderwijsniveau en migratieachtergrond hangen samen. Het percentage hoogopgeleiden is bijvoorbeeld niet gelijk in alle leeftijdsgroepen. Door standaardisatie van de cijfers wordt hiermee rekening gehouden: er wordt gecorrigeerd voor de ongelijkheid in het voorkomen van bovenstaande kenmerken. Op basis van gestandaardiseerde cijfers over het slachtofferschap van criminaliteit blijven de bovenstaande bevindingen in stand.

Wel blijkt het hoge percentage slachtoffers onder mensen met een niet-westerse migratieachtergrond na standaardisatie wat lager. Deze groep bevat relatief veel jongeren en jongeren zijn vaker slachtoffer. Maar ook op basis van de gestandaardiseerde cijfers zijn mensen met een niet-westerse migratieachtergrond nog bovengemiddeld vaak slachtoffer van criminaliteit.

Veranderingen tussen 2019 en 2021

Het totale aandeel mensen dat aangeeft slachtoffer te zijn geweest van criminaliteit is in 2021 3,7 procentpunt lager dan in 2019.noot32 Vergeleken met die verandering in het cijfer voor de gehele bevolking hebben de volgende groepen zich afwijkend ontwikkeld:

  • Het percentage 75‑plussers dat slachtoffer was daalde minder: met 2,5 procentpunt. Daar moet echter bij vermeld worden dat het slachtofferschap binnen deze groep al relatief laag was.
  • Onderwijsniveau: afname in het slachtofferschap was bij laagopgeleiden relatief minder: 1,2 procentpunt. Bij middelbaar en hoogopgeleiden was de ontwikkeling juist relatief gunstig met dalingen van 4,7 en 5,7 procentpunt.
  • Niet-westerse migratieachtergrond: bij deze groep, die in 2019 ook al relatief vaak slachtoffer was van criminaliteit, was de daling in het slachtofferschap met 1,6 procentpunt relatief gering.