Brede welvaart houdbaar?

Foto omschrijving: Man inspecteert zwaar beschadigd Gronings huis

Brede-welvaarttrends

In het maatschappelijke debat over welvaart is het bbp vaak een dominante economische indicator. Welvaart gaat echter over meer dan alleen economie. Mensen hechten ook veel waarde aan zaken als goede gezondheid, kwalitatief hoogstaand onderwijs, sociale contacten, culturele identiteit, betrouwbare politiek en goed bestuur. Met het meten van brede welvaart wordt inzichtelijk gemaakt hoe Nederland ervoor staat op deze aspecten. Ook heeft Nederland zich gecommitteerd aan de duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) die voor 2030 gehaald moeten worden. Deze doelen geven een concrete en beleidsmatige invulling aan het begrip brede welvaart.

Daarnaast vragen politici, beleidsmakers, bedrijven en burgers zich steeds vaker af of het huidige welvaartsniveau op lange termijn wel houdbaar is. De keuzes die we in Nederland maken, kunnen bovendien gevolgen hebben voor de brede welvaart van mensen in andere landen. Er is dan ook een grote maatschappelijke behoefte aan goede informatie over welvaart in een breder perspectief. In deze Monitor presenteert het CBS een verzameling indicatoren die niet alleen de relevante aspecten van brede welvaart op een systematische manier in kaart brengt, maar ook een beeld geeft van de voortgang van Nederland op de SDG’s.

De in dit hoofdstuk gepresenteerde brede-welvaarttrends zijn gebaseerd op een relatief beperkt aantal indicatoren. Alleen zo kan de lezer een beknopt en hanteerbaar overzicht van de stand van het land gegeven worden. Achter ieder van die indicatoren gaan echter tal van nuances schuil, die wegvallen als we alleen de aandacht richten op de brede-welvaarttrends.

De aspecten waarop de brede welvaart wordt gemeten sluiten nauw aan bij de verschillende elementen van de 17 SDG’s. Ook de SDG-agenda richt zich op een balans tussen de ontwikkeling van de mens, het milieu en de economie ten behoeve van een toekomstbestendige samenleving. De SDG’s worden op het niveau van concrete subdoelen gemeten. De SDG-indicatoren bieden dan ook veel informatie die het inzicht in de onderliggende trends van brede welvaart versterkt. Daarom zijn in deze editie de indicatoren voor de SDG’s uit hoofdstuk 4 in de beschrijving van brede welvaart geïntegreerd. Hierdoor worden indicatoren meer in hun hun onderlinge samenhang gepresenteerd, en wordt de SDG-agenda – voor Nederland een belangrijk beleidskader – uitdrukkelijk in de analyse van de brede welvaart betrokken.

2.0.1Koppeling van de SDG's aan enkele overkoepelende brede-welvaartthema's
Figuur die laat zien hoe de SDG’s gekoppeld zijn aan de overkoepelende thema’s biosfeer, maatschappij en economie.BiosfeerBiosfeerMaatschappijMaatschappijEconomieEconomie
Figuur die laat zien hoe de SDG’s gekoppeld zijn aan de overkoepelende thema’s biosfeer, maatschappij en economie.BiosfeerBiosfeerMaatschappijMaatschappijEconomieEconomie

Bij de beschrijving van de brede-welvaarttrends worden steeds de kernindicatoren gepresenteerd zoals dat ook in eerdere edities gebeurde. Nu worden deze echter beschreven in de context van de in bovenstaande figuur vermelde SDG’s. Figuur 2.0.1 laat zien dat de langetermijnwelvaart van de mens gestoeld is op een gezonde biosfeer en het welzijn van de mens. Economie, hoewel in deze figuur bovenaan geplaatst, is dan ook niet het enige aspect van welvaart dat telt. De plaatsing van de economie bovenaan is veel meer een uitdrukking van het feit dat de economie op een gezonde manier in de samenleving en de biosfeer geworteld moet zijn. Dit inzicht komt ook terug in de transitieliteratuur, waarin onder andere Kemp et al. (2016) spreken over de noodzaak tot ‘re-embedding’ van de economie in zowel de samenleving als in de natuur. Alleen dan kan de economie voor een duurzame materiële welvaart en werkgelegenheid zorgen, en is een goede kwaliteit van leven van mensen in brede zin mogelijk. Hierbij gaat het uitdrukkelijk om het opbouwen van de brede welvaart waarvan alle maatschappelijke groepen kunnen profiteren. Ten slotte is van belang dat de ecologische grenzen worden gerespecteerd. Er is maar één aarde, waar we als huidige en volgende generaties zorgvuldig mee moeten omgaan; een zorgvuldige vormgeving van het sociaal-economisch bestel moet dan ook rekening houden met de planetaire grenzen. De worteling van economische groei in samenleving en ecologie vormt het hart van de SDG-agenda. Naast SDG 12 (verantwoorde consumptie en productie), komt deze thematiek in veel andere SDG’s terug.

Dit hoofdstuk sluit af met een paragraaf over schokbestendigheid. Het is voor het eerst dat dit thema in de Monitor aan bod komt. De coronacrisis heeft ons bewust gemaakt van de kwetsbaarheid van onze manier van leven. Een schok van deze omvang raakt vele dimensies van de brede welvaart. Het is niet de eerste crisis van de 21e eeuw (denk bijvoorbeeld aan de kredietcrisis), en het zal niet de laatste zijn. De vraag is dan ook in welke mate Nederland in staat is om een volgende grote schok op te vangen. Een nieuw dashboard over schokbestendigheid moet meer inzicht geven hierover. Het dashboard dat in deze editie van de Monitor wordt gepresenteerd is een eerste experimentele uitwerking van dit thema.

2.1Selectie van thema’s en indicatoren

Doel van de Monitor, en in het bijzonder dit hoofdstuk, is om aan te geven hoe Nederland ervoor staat met betrekking tot de brede welvaart ‘hier en nu’, ‘later’ en ‘elders’. Hiervoor is een set indicatoren gebruikt waarvoor data beschikbaar waren of konden worden gemaakt. Niet voor alle aspecten van brede welvaart zijn de ideale indicatoren voorhanden. De indicatoren die hier worden gepresenteerd zijn geselecteerd aan de hand van het conceptuele raamwerk van het CES-meetsysteem van de UNECE (UNECE, 2014). De selectie van indicatoren en de statistische methoden waarmee de dashboards zijn samengesteld worden beschreven in de toelichting bij deze Monitor (CBS, 2021a). Waar cijfers speciaal zijn gemaakt ten behoeve van de Monitor is dit in de betreffende dashboards aangegeven met een noot (A). Deze cijfers geven een eerste indicatie. In hoofdstuk 2 heeft het CBS voor deze editie van de Monitor voor de volgende indicatoren jaarcijfers voor 2020 geraamd om het politieke debat te faciliteren. Het gaat hier om versnelde ramingen die speciaal voor deze publicatie zijn gemaakt zijn. In aanvulling daarop zijn nu ook eerste voorlopige uitkomsten van de Natuurlijk Kapitaalrekeningen opgenomen.

  • De indicatoren met betrekking tot de gezonde levensverwachting van mannen en vrouwen in het hier en nu’-dashboard.
  • De indicatoren met betrekking fosfor- en stikstofoverschot, cumulatieve CO2‑emissies, en de gezonde levensverwachting van mannen en vrouwen in het ‘later’-dashboard.
  • Groen-blauwe ruimte (exclusief reguliere landbouw) betreft eerste voorlopige uitkomsten uit de Natuurlijk Kapitaalrekeningen.
  • een aantal invoerindicatoren (invoer uit de LDC’s, invoer van mineralen, metalen, niet-metaal-mineralen en biomassa) en de grondstoffen- en broeikasgasvoetafdruk in het ‘elders’-dashboard.
  • De broeikasvoetafdruk en de groen-blauwe ruimte (exclusief reguliere landbouw) in dashboard ‘schokbestendigheid’.

Kleurcodes

De Monitor gebruikt kleuren om de resultaten van verschillende indicatoren vergelijkbaar te maken. Voor iedere indicator wordt gekeken naar (de richting van) de middellangetermijntrend in Nederland (2013–2020) en naar de positie van Nederland in de EU-27 in het meest recente jaar met voldoende observaties.

Voor trends is de betekenis van kleuren: Voor posities is de betekenis van kleuren:
Groen Groen
De trend beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een stijging van de brede welvaart. Nederland staat in het bovenste kwartiel van de EU-ranglijst.
Grijs Grijs
De trend stijgt of daalt niet significant. (In de dashboards is deze kleur weggelaten.) Nederland staat in het midden van de EU-ranglijst.
Rood Rood
De trend beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een daling van de brede welvaart. Nederland staat in het onderste kwartiel van de EU-ranglijst.

Bij het bepalen van de kleurcodes is alleen gekeken naar de eerste-orde-effecten. Zo is een stijging van de individuele consumptie in de eerste orde goed voor de consument. In de tweede orde kan hogere consumptie echter gepaard gaan met bijvoorbeeld milieuvervuiling, obesitas, waterverbruik en CO2‑uitstoot in andere landen.

De kleurcode geeft de lezer het signaal dat hij of zij goed moet kijken naar het fenomeen waarvoor de indicator een indicatie geeft: er is blijkbaar iets aan de hand. Wanneer Nederland voor een indicator bijvoorbeeld een trend heeft die zich beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een daling van de brede welvaart en binnen Europa een positie in het laagste kwartiel heeft, dan wordt dit in de Monitor als een ‘rode’ trend en een ‘rode’ positie aangegeven. Voor een volledig groene indicator geldt: daar gaat blijkbaar iets goed.

De kleuraanduidingen hebben slechts een signaalfunctie. Er is nadrukkelijk geen sprake van een normatieve duiding. De Monitor geeft aan hoe Nederland er voorstaat op uiteenlopende aspecten van brede welvaart, en toont hierbij de afruilen waar we als samenleving mee worden geconfronteerd. Het is aan politiek en beleid om afwegingen te maken en beleidsconclusies te trekken. Speciaal voor deze Monitor is voor een aantal indicatoren een voorlopige raming gemaakt voor 2020. Deze eerste indicatie kan op een later moment nog worden bijgesteld.

Betekenis van noten in de dashboards:

  1. Het CBS heeft voor de Monitor Brede Welvaart een jaarcijfer voor het meest recente jaar geraamd om het politieke debat te faciliteren. Dit is een voorlopige eerste berekening.
  2. Bij deze indicator zijn binnen de periode 2013–2020 niet genoeg datapunten beschikbaar om een trend te kunnen berekenen.
  3. Datakwaliteit onvoldoende voor trendbepaling.
  4. Eerste voorlopige uitkomsten uit de Natuurlijk Kapitaalrekeningen (NKR).
  5. Deze indicator krijg in hoofdstuk 4 bij SDG 17, i.t.t. hoofdstuk 2 BWT-wiel ‘elders’, wel een welvaartsduiding. Deze indicator is in de SDG-agenda gedefinieerd. Iedere SDG-indicator heeft een gewenste richting. Meer uitgaven wordt vanuit dit perspectief gezien als stijgende welvaart.

2.2Brede welvaart ‘hier en nu’

Voor brede welvaart is niet alleen de actuele stand van belang, maar ook de middellangetermijnontwikkeling, oftewel de trend, en de kortetermijnontwikkeling, oftewel de meest recente jaarmutatie. In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op:

  • de trendmatige ontwikkeling in de periode 2013–2020;
  • de meest recente jaarlijkse veranderingen;
  • de positie van Nederland op de EU-ranglijst in het meest recente jaar waarvoor internationale data beschikbaar zijn.

In het ‘hier en nu’-dashboard worden acht grote thema’s onderscheiden. Hieronder wordt aangegeven wat het belang is van die verschillende thema’s in het licht van brede welvaart. Ook worden de belangrijkste SDG’s bij ieder thema vermeld.

  • Subjectief welzijn. In bespiegelingen over de brede welvaart staat welzijn centraal. Welzijn is hier gedefinieerd als de mate waarin mensen tevreden zijn met hun leven.
  • Materiële welvaart (SDG’s 1, 8, 9, 10, 12). De materiële welvaart wordt gevormd door het inkomen dat mensen te besteden hebben, en de goederen en diensten die zij daarmee kunnen kopen om invulling en kleur te kunnen geven aan hun leven.
  • Gezondheid (SDG 3). Gezondheid is bepalend voor de kwaliteit van leven. Een (chronische) ziekte beperkt iemands mogelijkheden om deel te nemen aan de samenleving. De levenskwaliteit wordt ook in belangrijke mate bepaald door gezonde voeding. Een van de grootste problemen op dat vlak is momenteel overgewicht.
  • Arbeid en vrije tijd (SDG’s 4, 8, 9). Brede welvaart hangt voor veel mensen sterk af van het hebben van passend en betaald werk. Daar staat tegenover dat vrije tijd grote invloed heeft op de levenskwaliteit die mensen ervaren. Werk en vrije tijd moeten dan ook in balans zijn. Een goede opleiding is daarbij essentieel om goede mogelijkheden op de arbeidsmarkt te hebben.
  • Wonen (SDG 11). Een goed dak boven het hoofd is een eerste levensbehoefte. Nederlanders geven een substantieel deel van hun inkomen uit aan hun huisvesting.
  • Samenleving (SDG’s 1, 5, 10). Een samenleving waaraan iedereen kan deelnemen en waarin mensen kunnen vertrouwen op elkaar en op instituties als de overheid en het rechtssysteem vormt ook een onderdeel van brede welvaart. Ook de omvang van sociale contacten en daarmee de mate waarin mensen in het maatschappelijk leven participeren, is een belangrijk welvaartsaspect.
  • Veiligheid (SDG’s 11, 16). Misdaad grijpt direct in op de kwaliteit van leven van slachtoffers. Zowel het feitelijke risico op slachtofferschap als het gevoel van (on)veiligheid doen ertoe.
  • Milieu (SDG’s 2, 6, 7, 13, 14, 15). Schone lucht, schoon water, gezonde natuur en een bodem zonder gif zijn belangrijke levensbehoeften. Hoge fijnstofconcentraties in de lucht kunnen tot ernstige gezondheidsklachten leiden, zoals astma en COPD. In een dichtbevolkt land als Nederland is het ook belangrijk dat bepaalde gebieden er primair zijn voor de natuur, zodat flora en fauna zich daar kunnen handhaven en zich goed kunnen ontwikkelen.
2.2.1   Brede welvaart 'hier en nu'

Subjectief welzijn

84,8%
2e
66,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
48,0%
3e

Materiële welvaart

€ 27 500
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
6e
€ 24 789
6e

Gezondheid

66,5
15e
65,9
21e
51,1%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
10e

Arbeid en vrije tijd

0,9%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
7e
68,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
1e
34,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e
76,4%
6e
4,09
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
79,2%
7e

Wonen

85,1%
18e
87,5%
8e

Samenleving

71,2%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
2e
1,56
4e
69,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
63,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
43,3%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
43,8%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
1e

Veiligheid

1,4%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
13,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
14e

Milieu

20,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
73,5%
15e
139
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
83
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
71,4%
10,4
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
8e
14,2%
18e

De brede welvaart ‘hier en nu’ vertoont evenals in de afgelopen edities van de Monitor overwegend stabiele of zelfs groene trends over de laatste acht jaar.

Samenvattend beeld

Voor de thema’s subjectief welzijn, materiële welvaart, wonen en veiligheid laten de indicatoren een stabiele of stijgende welvaart zien. Bij de thema’s gezondheid, arbeid en vrije tijd, samenleving en milieu is het beeld meer gemengd. Hier kleuren bij ieder thema één of twee indicatoren rood.

Voor ieder van de acht thema’s wordt nu meer in detail gekeken hoe de brede welvaart ‘hier en nu’ zich heeft ontwikkeld. Per thema worden eerst de indicatoren besproken die in het dashboard groen of rood kleuren. Daarna worden deze ontwikkelingen geplaatst in de bredere context van indicatoren uit de SDG-agenda, die leidend is in hoofdstuk 4.

Als eerste wordt gekeken naar het subjectief welzijn, ofwel de manier waarop mensen zelf hun kwaliteit van leven beleven.

Subjectief welzijn

  • Tevredenheid met het leven: deze tevredenheid wordt gemeten als het percentage van de bevolking van Nederland van 18 jaar en ouder dat tevreden is met het leven (score van 7–10 als antwoord op de vraag ‘Kunt u op een schaal van 1–10 aangeven in welke mate u tevreden bent met het leven dat u nu leidt. Een 1 staat voor volledig ontevreden en 10 voor volledig tevreden?’). In de trendperiode van de vorige Monitor (2012–2019) was nog sprake van een significant stijgende trend van de tevredenheid met het leven (groen). Deze trend is in de huidige meting, over 2013–2020, omgeslagen, en is nu stabiel (grijs). Voorts blijkt dat de tevredenheid met het leven in 2020 met 2,5 procentpunt is afgenomen, naar 84,8 procent.
  • Persoonlijke welzijnsindex: deze index wordt gemeten met behulp van twaalf indicatoren die acht verschillende dimensies van brede welvaart beschrijven. Voor elke dimensie is een score bepaald en de scores zijn vervolgens samengebracht in één cijfer. Deze maatstaf geeft aan welk percentage van de bevolking het betreffende aspect van welvaart of welzijn een cijfer van 7 of hoger geeft (op een schaal van 1–10). De acht scores zijn ieder met een gelijk gewicht gewogen. In 2013, het startjaar van de meting, gaf 55,6 procent van de bevolking een cijfer van 7 of hoger aan hun welbevinden. Dit aandeel is gestegen tot 66,2 procent in 2020, de middellangetermijntrend is groen. Overigens is de persoonlijke welzijnsindex in 2020 met 1,5 procentpunt gestegen ten opzichte van 2019.

Los van deze belangrijke informatie over de manier waarop mensen zelf hun kwaliteit van leven ervaren, is het ook belangrijk hoe de verschillende aspecten van brede welvaart zich in meer objectieve zin hebben ontwikkeld. Hierbij wordt in het dashboard brede welvaart ‘hier en nu’ gekeken naar een aantal thema’s, die worden behandeld in de volgorde zoals die in figuur 2.0.1 zijn gepresenteerd. Als eerste wordt gekeken naar de economische indicatoren voor het thema materiële welvaart.

Belangrijke aspecten van de brede welvaart ‘hier en nu’ zijn gerelateerd aan economie. Boven alles is een goed functionerende economie nodig om in de materiële basisbehoeften (voedsel, kleding, medische zorg, onderwijs etc.) te voorzien. Wel is het belangrijk dat de economie op een gezonde manier geworteld is in de samenleving en de biosfeer, zoals figuur 2.0.1 ook laat zien.

Materiële welvaart

  • Mediaan besteedbaar inkomen: het betreft hier het inkomen per huishouden (voor prijsontwikkeling gecorrigeerd, uitgedrukt in constante prijzen van 2019). Bij de berekening wordt gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van huishoudens. De mediaan is het middelste getal wanneer alle getallen van laag naar hoog worden gesorteerd. Het volume van dit inkomen is gestegen van 25 016 euro in 2013 tot 27 500 euro in 2019, de trend is groen.
  • Individuele consumptie: deze indicator betreft de zogenoemde werkelijke individuele consumptie, dat zijn consumptiegoederen en -diensten die huishoudens verwerven. Deze zijn inclusief goederen en diensten gefinancierd door de overheid en instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens (IZWH) die vervolgens als sociale overdrachten in natura aan de huishoudens worden geleverd. Deze laatste omvatten vooral uitgaven van de overheid voor gezondheid, onderwijs en sociale bescherming. Collectieve overheidsuitgaven aan bijvoorbeeld defensie of algemeen bestuur zijn niet inbegrepen. Het gaat om de waarde van de consumptie per inwoner (voor prijsverandering gecorrigeerd, uitgedrukt in prijzen van 2015). Bij deze indicator is er sprake van een trendomslag. In de trendperiode van de vorige Monitor (2012–2019) was nog sprake van een groene trend, nu, voor de periode 2013–2020, is deze grijs.

Allereerst is het vanuit een brede welvaartsoptiek belangrijk te kijken in hoeverre huishoudens weten te profiteren van economische groei. De Commissie Stiglitz-Sen-Fitoussi pleitte er daarom reeds in 2009 voor om niet langer het bruto binnenlands product (bbp), maar de inkomens of het consumptieniveau van huishoudens als maatstaf voor materiële welvaart te gebruiken (Stiglitz et al. 2009).

In de berichtgeving over brede welvaart werd vorig jaar geconstateerd dat de groei van de inkomens en consumptie van huishoudens de afgelopen vijfentwintig jaar sterk is achtergebleven bij de bbp-groei. Ditzelfde beeld kan ook dit jaar worden geschetst. Het volume van het bbp per hoofd van de bevolking was in 2019 bijna 9,7 procent groter dan aan het begin van de trendperiode in 2013, dat van de werkelijke individuele consumptie 5,4 procent. Wel kan voor 2020 een belangrijke ontwikkeling worden geconstateerd. Terwijl het bbp per hoofd van de bevolking daalde met 4,3 procent, trof de economische krimp die ten gevolge van de coronacrisis optrad de huishoudens waarschijnlijk minder hard. Cijfers over het mediaan besteedbaar inkomen zijn voor 2020 helaas nog niet voor handen. Er was het afgelopen jaar in elk geval een cao-loonstijging die duidelijk uitging boven de inflatie. De eerste uitkomsten van de nationale rekeningen wijzen op een groei van het reëel beschikbaar inkomen van huishoudens met 2,4 procent; ondanks de coronacrisis is dit een grotere stijging dan in 2019. Ondanks deze voortgaande inkomensgroei is het volume van de individuele consumptie per inwoner in 2020 met 5,7 procent gedaald. Nog los van verminderde consumptiemogelijkheden als gevolg van lockdownmaatregelen, mag verwacht worden dat consumenten in deze onzekere tijd hun uitgavenpatroon gematigd hebben. De cijfers over het consumentenvertrouwen laten over het afgelopen jaar een sterke daling zien.

De kernindicatoren voor materiële welvaart vertonen een nauwe samenhang met indicatoren zoals die in SDG’s 8, 9, 10 en 12 zijn opgenomen. SDG 8 (dashboard 2) betreft het bewerkstelligen van waardig werk voor iedereen, vooral voor kwetsbare groepen, in goede arbeidsomstandigheden. Werk is belangrijk: zo verdienen mensen geld, doen ze mee aan de samenleving en krijgen ze vaak een groter gevoel van eigenwaarde. De vraag of ze aan werk kunnen komen en blijven, en of ze daarmee genoeg kunnen verdienen is voor veel mensen belangrijk. Ze willen bovendien kunnen werken onder goede arbeids­omstandig­heden, relevante en interessante taken hebben en een goede balans hebben tussen werk en privé. Ook vrije tijd geeft zin aan het leven, door ontspanning, sociale contacten en persoonlijke ontwikkeling.

SDG 9 (dashboard 2) is gericht op versterking en verduurzaming van het bedrijfsleven en de toegang van kleine bedrijven tot hoogwaardige markten en financiering. Voor de Nederlandse context zijn indicatoren toegevoegd die (beleids-)relevant zijn voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) en bedrijvigheid in ontwikkelde landen als Nederland. Mvo heeft overigens ook raakvlakken met andere SDG’s: toegang tot krediet voor kleinere bedrijven, aandacht voor werknemers, verduurzaming van productieprocessen, en inclusieve en duurzame (inter)nationale waardenketens van inkoop tot afnemers. In Nederland zijn vooral de relaties tussen bedrijven en werknemers, de rol van het midden- en kleinbedrijf (mkb) en de grote bedrijven, en duurzame productieprocessen en producten van belang.

Vanuit een brede welvaartsoptiek is het van belang dat de economische ontwikkeling zo wordt vormgegeven dat deze duurzaam is. Dit betekent dat planetaire grenzen van de biosfeer worden gerespecteerd, dat de economische ontwikkeling de kwaliteit van leven ten goede komt, en dat daarbij alle groepen in de samenleving profiteren van deze welvaartstoename. De SDG-agenda besteedt bijzondere aandacht aan de ecologische en sociale randvoorwaarden waarbinnen de economie zich moet ontwikkelen. Hierbij wordt uitdrukkelijk geprobeerd om de mogelijke synergieën tussen economische, sociaal-maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen te benutten. Daarnaast wordt uitdrukkelijk aangegeven hoe de negatieve gevolgen van economische groei moeten worden ingeperkt. Door te kijken hoe de diverse SDG-indicatoren zich ontwikkelen, kan worden nagegaan in hoeverre onze samenleving op weg is de 2030‑doelen te halen.

In de overige thema’s van het ‘hier en nu’-dashboard worden de sociaal-maatschappelijke en ecologische aspecten van de brede welvaart uiteraard uitgebreider besproken. Ook in SDG’s 8, 9 en 12, die meer op de economie zijn toegespitst, staan echter doelstellingen gericht op het verenigen van economische groei met sociaal-maatschappelijke en ecologische vooruitgang. Een aantal indicatoren in SDG’s 9 en 12 geeft aan dat Nederland steeds efficiënter met zijn grondstoffen omgaat. Zo is er sprake van een trendmatige daling van de energie-intensiteit en broeikasgasintensiteit van de economie, en neemt de grondstoffenproductiviteit toe. Hierbij moeten wel twee kanttekeningen worden geplaatst. Eerst is hier slechts sprake van een relatieve ontkoppeling van economische groei en milieudruk. In tijden van sterke economische groei zal, ondanks de toegenomen grondstofefficiëntie, de milieudruk toch toenemen. Daarnaast is ook belangrijk in hoeverre de economische activiteit van Nederland tot een milieudruk in andere landen leidt (zo laat SDG 8 dashboard 1 zien dat de grondstoffenvoetafdruk van Nederland fors is). Deze thema’s worden in de dashboards brede welvaart ‘later’ en ‘elders’ verder uitgediept.

Naast de ecologische impact, verdienen ook de sociaal-maatschappelijke gevolgen van economische groei aandacht. Zo laat SDG 10 (dashboard 1) zien dat de inkomensongelijkheid en de relatieve armoede in Nederland over de afgelopen trendperiode (2013–2020) stabiel zijn. Het mediane inkomen van huishoudens blijkt bij hoogopgeleiden significant boven en bij mensen in de leeftijd van 35–64 jaar boven het nationaal gemiddelde te liggen (groen). Duidelijk beneden het gemiddelde scoren de mensen jonger dan 25 jaar en de laagopgeleiden. Het mediaan vermogen van huishoudens (SDG 1) heeft een stijgende trend. Voor het eerst geeft de Monitor van dit jaar ook informatie over de verdeling van het mediaan vermogen van huishoudens. Voor de mensen ouder dan 45 jaar kleurt deze indicator groen. Ook voor de 75‑plussers, die op het vlak van het mediane inkomen rood scoorden, is het vermogen dus significant bovengemiddeld. De groepen tot 25 jaar en van 25–44 jaar scoren daarentegen benedengemiddeld. Evenals bij de inkomensindicator scoren de hoogopgeleiden voor wat betreft het vermogen bovengemiddeld (groen). Zowel de middelbaar- als laagopgeleiden geven een rode score te zien. Ten slotte valt de categorie migranten (zowel met westerse als niet-westerse achtergrond) op. Bij de mediane inkomens springen deze niet specifiek naar voren, terwijl deze migranten voor wat betreft het vermogen significant lager dan gemiddeld scoren (rood). Bij de mensen met een Nederlandse achtergrond scoort deze indicator groen.

Gezondheid

Bij het thema gezondheid onder brede welvaart ‘hier en nu’ zijn er geen groene trends gemeten.

  • De trend van de gezonde levensverwachting van mannen en van vrouwen is stabiel. In deze Monitor is gekozen voor de variant van de levens­verwachting (bij geboorte) in als goed of zeer goed ervaren gezondheid. In 2020 was de sterfte onder invloed van de coronapandemie 10 procent hoger dan op grond van de sterfte in eerdere jaren en demografische ontwikkelingen verwacht kon worden. Dit leidde tot een daling van de levensverwachting. De waardering van de eigen gezondheid was echter bijzonder groot. Door deze combinatie kwam de gezonde levensverwachting in 2020 bij zowel de mannen als de vrouwen flink hoger uit dan in 2019.
  • Overgewicht (SDG 2.2.2): het overgewicht wordt gemeten als het percentage van de bevolking van 20 jaar en ouder met een ‘body mass index’ (BMI) van 25 kg/m2 of hoger. Dit aandeel is toegenomen van 48,2 procent in 2013 tot 51,1 procent in 2020. De trend is stijgend, en dus rood, maar in 2020 is het percentage volwassenen met overgewicht nauwelijks verder toegenomen.

SDG 3 streeft naar een goede gezondheid voor mensen van alle leeftijden. Het voorkómen van voortijdige sterfte veroorzaakt door slechte zorg voor moeder en kind maakt hier deel van uit, net als het aanpakken van lichamelijke ziektes en psychische problemen. Het Nederlandse beleid richt zich op het nog verder terugdringen van neonatale sterfte en kindersterfte. Verder focust het beleid op algemene preventie van overdraagbare ziekten. Daarnaast is er speciale aandacht voor niet-overdraagbare ziekten, onder meer door in te zetten op preventie en verbeterde toegang tot de geestelijke gezondheidszorg. De maatregelen uit het Nationaal Preventieakkoord op het gebied van roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik dragen hieraan bij. Bij preventie en behandeling van overmatig gebruik van verslavende middelen zet Nederland in op het voorkomen van gebruik en de bestrijding van daar vaak mee samengaande criminaliteit (CBS, 2021b).

De indicatoren voor SDG 3 (goede gezondheid en welzijn) geven een meer gedetailleerd beeld van het thema gezondheid dan het thema gezondheid in hoofdstuk 2 ‘hier en nu’. De overheidsuitgaven aan gezondheidszorg (als percentage van het bbp) zijn de laatste jaren trendmatig gedaald, maar voor 2020 zijn hierover nog geen cijfers beschikbaar. Voor deze indicator staat Nederland in de middelste regionen op de EU-ranglijst. Het aantal gewerkte uren in de zorg is de laatste jaren stabiel, en behoort tot het hoogste in de EU.

Naast de stabiele gezonde levensverwachting voor mannen en vrouwen in de laatste jaren zijn er minder gunstige ontwikkelingen op gezondheidsgebied: een stijgende trend bij het percentage mensen met overgewicht, oplopende wachttijden voor specialistische zorg en een trendmatige daling bij de vaccinatiegraad voor mazelen. Verder voelt een steeds groter deel van de bevolking zich psychisch niet gezond. Hier staat wel een aantal positieve trends tegenover. Het percentage van de bevolking ouder dan 12 jaar dat rookt, is trendmatig gedaald. Ook is het percentage mensen dat bij het dagelijks functioneren ernstige langdurige beperkingen door gezondheidsproblemen ervaart trendmatig gedaald. De trend is omgeslagen van stabiel naar groen; voor deze indicator neemt Nederland bovendien een hoge positie op de EU-ranglijst in. De ervaren gezondheid in Nederland vertoonde in eerdere metingen een dalende trend; die is nu stabiel geworden.

Arbeid en vrije tijd

  • Langdurige werkloosheid. Het percentage van de beroepsbevolking dat langer dan één jaar werkloos is, bedroeg in 2013 2,5 procent; dit is gedaald tot 0,9 procent in 2020. De trend is omgeslagen van neutraal naar groen.
  • Nettoarbeidsparticipatie: deze indicator meet het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale leeftijdsgroep 15–74 jaar (beroeps- en niet-beroepsbevolking). Dit was 65,4 procent in 2013 en is gestegen tot 68,4 procent in 2020.
  • Hoogopgeleide bevolking: de bijdrage van onderwijs aan de brede welvaart wordt hier gemeten aan de hand van het percentage hoogopgeleiden in de bevolking; dat wil niet zeggen dat andere vormen van opleiding, zoals beroepsopleidingen en vakmanschap, voor de brede welvaart niet belangrijk zijn. Wel is het duidelijk dat hoogopgeleide mensen over het algemeen een hogere welvaart bereiken op veel maatschappelijke terreinen (zie hoofdstuk 3). De hoogopgeleide bevolking wordt gemeten als het percentage van de bevolking van 15–74 jaar dat succesvol een hbo- of universitaire opleiding heeft afgerond. Dit  steeg van 28,3 procent in 2013 tot 34,2 procent in 2020.
  • Tevredenheid met de vrije tijd: deze tevredenheid wordt gemeten als het percentage van de bevolking van 18 jaar en ouder dat tevreden of zeer tevreden is met de hoeveelheid vrije tijd die ze hebben. Bij deze indicator is sprake van een trendomslag. Werd in de vorige Monitor een dalende trend geconstateerd – mensen bleken steeds minder tevreden met de hoeveelheid vrije tijd te zijn – nu is deze stabiel. In 2020 is er sprake van een significante stijging van de tevredenheid met de vrije tijd.
  • Tijdverlies door files en vertraging: deze maatstaf van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid voor congestie op het hoofdwegennet wordt uitgedrukt in het aantal voertuigverliesuren per inwoner. Dit cijfer steeg van 2,6 uur in 2013 naar 4,1 uur in 2019. De trend is stijgend en rood. Voor deze indicator zijn nog geen 2020‑cijfers beschikbaar, maar het volume van het verkeer op het hoofdwegennet was door de coronamaatregelen wel fors kleiner, met minder files en vertraging tot gevolg.
  • Tevredenheid met het werk (werknemers): deze indicator wordt gemeten als het percentage van de werknemers van 15–74 jaar dat (zeer) tevreden is met het werk. De tevredenheid is in 2020 met 1,3 procentpunt toegenomen, naar 79,2 procent.

Het thema arbeid en vrije tijd speelt ook in de SDG-agenda een voorname rol. SDG 8 (dashboard 2) laat zien dat het thema arbeid zich in Nederland over een breed front trendmatig positief ontwikkelt. Terwijl de werkloosheid, de langdurige werkloosheid en het onbenut arbeidspotentieel trendmatig dalen, vindt er over de periode 2013–2020 een significante stijging plaats van de vacaturegraad (vacatures per duizend banen) en van de nettoarbeidsparticipatie. In de vorige Monitor waren er aanwijzingen voor een afruil tussen de toegenomen arbeidsparticipatie en een afgenomen tevredenheid met de vrije tijd. In 2020 is hier duidelijk een verandering opgetreden: terwijl de nettoarbeidsparticipatie in 2020 met 68,4 procent tegen 68,8 procent iets lager was dan in 2019, vertoont de tevredenheid met de vrije tijd een significante toename. Deze verbeterde van 74,2 procent in 2019 naar 76,4 procent in 2020; de trend sloeg om van rood naar stabiel.

Zorgen over baanbehoud bij werknemers dalen trendmatig, al was het percentage dat zich zorgen maakte (17,7) in 2020 wel 1,2 procentpunt hoger dan in 2019. De enige ongunstige trend binnen deze SDG treedt op bij de psychische vermoeidheid door werk bij werknemers: deze steeg van 14,4 procent in het eerste jaar van de meting, 2014, tot 15,7 procent in 2020. Deze vermoeidheid was overigens in 2020 beduidend minder dan in 2019 (17,0 procent). Met uitzondering van de gemiddelde arbeidsduur per week (hier neemt Nederland in 2019 een 25e plaats op de EU-ranglijst in), bevindt Nederland zich voor het merendeel van de indicatoren in de Europese voorhoede.

SDG 9 (dashboard 1) heeft ook raakvlakken met het thema arbeid en vrije tijd in het ‘hier en nu’-dashboard. Deze SDG richt zich op een toegankelijke infrastructuur, en mobiliteit voor iedereen. Het gaat hier behalve over de fysieke infrastructuur (die al sterk ontwikkeld is in Nederland) ook over de mobiliteit van personen en vrachtvervoer. Mobiliteit en infrastructuur stellen mensen in staat om te werken, contacten te onderhouden en hun vrije tijd in te vullen. Een deel van de personenmobiliteit betreft verkeer van en naar het werk. Mobiliteit heeft echter ook nadelige effecten voor samenleving en milieu, onder andere tijdverlies als gevolg van files, onveiligheid in het verkeer en druk op het milieu.

Files en vertragingen zijn een grote bron van ergernis in Nederland. De cijfers in SDG 9 (dashboard 1) laten zien dat het tijdverlies door drukte op het hoofdwegennet in voertuigverliesuren per inwoner trendmatig is gestegen van 2,6 in 2013 tot 4,1 in 2019. In 2020 was dit tijdverlies waarschijnlijk veel minder als gevolg van het vele thuiswerken om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan.

SDG 4 streeft naar goed onderwijs voor iedereen. Adequate en toegankelijke scholing zijn voor mensen in alle leeftijds­categorieën en in alle levensfasen van belang, van voorschoolse educatie en basisonderwijs tot beroeps- en hoger onderwijs, en daarna via het ‘leven lang leren’. Vaardigheden van leerlingen en de bevolking als geheel kunnen worden gerelateerd aan de kwaliteit van het genoten onderwijs. Onderwijs zorgt er bovendien voor dat de huidige en toekomstige werkenden over de vaardigheden beschikken die zij nodig hebben om te functioneren in een kennisintensieve omgeving. Ook deze SDG heeft derhalve raakvlakken met het thema arbeid en vrije tijd.

Voor wat betreft het opleidingsniveau geeft SDG 4 (kwaliteitsonderwijs) een aantal belangrijke inzichten. Het percentage voortijdige schoolverlaters daalt trendmatig, en een steeds groter deel van de bevolking van 25–64 jaar geeft aan onderwijs te hebben gevolgd in de vier weken voorafgaande aan het onderzoek (SDG indicator 4.3.1: leven lang leren). Voor het percentage kinderen in voorschoolse educatie is de trend omgeslagen van dalend naar stabiel, terwijl Nederland voor deze indicator in de Europese voorhoede vertoeft. Ook het opleidings- en vaardigenhedenniveau van de Nederlandse bevolking is naar Europese maatstaven hoog te nomen, al zijn deze cijfers niet heel recent.

Wonen

De trendmatige ontwikkelingen van zowel de kwaliteit van woningen als de tevredenheid met de woning zijn stabiel. Ook in 2020 is geen sprake van significante veranderingen in het ‘hier en nu’-dashboard. Meer informatie geeft SDG11, die zich richt op duurzaam wonen en leven in steden en gemeenschappen. De focus van dashboard 1 van SDG 11 ligt op adequate huisvesting. Een groot deel van het leven speelt zich af in en rond onze woning. Brede welvaart is dan ook gebaat bij het hebben van kwalitatief goede, passende, veilige en betaalbare woonruimte. Naast gebondenheid aan de werklocatie en sociale relaties, bepaalt het aanbod van geschikte en betaalbare woningen in hoge mate waar mensen wonen. Beweging op de woningmarkt is belangrijk voor starters en doorstromers. Daarnaast heeft de beleving van het woongenot en de woonlasten ook een duidelijk effect op brede welvaart.

Dashboard 1 van SDG 11 laat zien dat het aantal beschikbare woningen trendmatig is toegenomen. Wel is een toenemend aantal mensen te klein behuisd (hoewel dit probleem naar Europese maatstaven niet heel groot is). In 2019 stond Nederland voor deze indicator op de vierde plaats op de EU-27‑ranglijst). Het beeld van de woonkosten is minder positief. De werkelijke woninghuur (volgens de HICP geharmoniseerde consumentenprijsindex), de uitgaven aan de aanschaf en bezit van koopwoningen, de mediane ratio verkoopprijs/vraagprijs alsmede de gemiddelde hypotheekschuld van huishoudens hebben alle een stijgende trend. De totale woonquote van huur- en koopwoningen (de uitgaven als percentage van het besteedbaar inkomen) is echter de laatste jaren trendmatig gedaald; de trend is omgeslagen van grijs naar groen. Wel blijkt dat deze woonquote naar Europese maatstaven hoog is (Nederland staat op de 23plaats in de EU-27 in 2019). Ook de ontwikkeling van de ervaren woonlasten is positief. Deze lasten worden in de loop van de periode 2013–2020 als steeds minder problematisch ervaren. Nederland bevindt zich hier in de Europese kopgroep (derde van de EU-27 in 2019).

Voor wat betreft de tevredenheid met de woonomgeving is het beeld niet eenduidig. Vergeleken met andere landen ervaren Nederlanders veel onaangenaamheden in de buurt (25e plaats van de EU-27 in 2019), terwijl Nederland qua tevredenheid met de woonomgeving een eerste plek op de EU-ranglijst inneemt (deze vergelijking betreft overigens een relatief oud cijfer, te weten voor 2013).

Samenleving

Het thema samenleving in het ‘hier en nu’-dashboard wordt gedekt met zes indicatoren:

  • Vertrouwen in instituties (SDG 16.6.2): dit vertrouwen wordt gemeten als het percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat voldoende vertrouwen heeft in instituties (score van 6 of hoger op een schaal van 1–10). Hierbij worden drie instituties meegenomen: de Tweede Kamer, politie en rechters. Het percentage van de bevolking dat vertrouwen heeft in deze instituties steeg van 56 procent in 2013 tot 69,5 procent in 2020. Opvallend genoeg is het vertrouwen in instituties ook in het pandemiejaar 2020 sterk gegroeid. Vooral het vertrouwen in de Tweede Kamer is vorig jaar fors toegenomen (van 39,2 procent in 2019 naar 52,4 procent in 2020).
  • Vertrouwen in mensen: ook hier is de trend opwaarts. Het gaat om het percentage van mensen van 15 jaar en ouder dat stelt dat mensen in het algemeen te vertrouwen zijn. Dit aandeel was in 2013 58,3 procent en in 2020 63,0 procent.
  • Ontwikkeling normen en waarden: dit wordt door het SCP gemeten als het percentage van de bevolking van 18 jaar en ouder dat vindt dat de normen en waarden vooruit zijn gegaan of gelijk zijn gebleven. Over de trendperiode van de vorige Monitor werd nog een stabiele trend geconstateerd. Nu is deze stijgend. Het percentage dat positief oordeelt over de normen en waarden in Nederland is gestegen van 37,3 procent in 2013 tot 43,3 procent in 2019. Cijfers over 2020 zijn nog niet voorhanden.
  • Contact met familie, vrienden of buren: deze contacten worden gemeten als het percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat gemiddeld minstens één keer per week om sociale redenen familie, vrienden of buren ontmoet. Dit aandeel is gedaald van 74,3 procent in 2013 tot 71,2 procent in 2020. Het afgelopen jaar is deze vorm van sociaal contact duidelijk afgenomen, met 1,0 procentpunt. Dit hangt ongetwijfeld samen met de beperkte mate waarin mensen als gevolg van de coronamaatregelen bij elkaar konden komen.
  • Vrijwilligerswerk: het gaat hierbij om het percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat in de voorafgaande 12 maanden vrijwilligerswerk heeft verricht voor organisaties of verenigingen. Het kan daarbij gaan om bestuurlijk werk of andere activiteiten. Dit aandeel is gedaald van 49,1 procent in 2013 tot 43,8 procent in 2020. Evenals bij het contact met familie, vrienden of buren het geval was, is ook hier in 2020 sprake geweest van een significante daling, met 2,9 procentpunt.

De SDG-agenda besteedt grote aandacht aan de mate waarin mensen in de samenleving participeren, met speciale aandacht voor de vraag of alle groepen gelijke kansen hebben tot deelname aan het maatschappelijk verkeer. Deze maatschappelijke participatie is van groot belang vanwege het sociaal kapitaal dat hier wordt opgebouwd, namelijk het vertrouwen dat burgers in elkaar en in instituties hebben en de normen en waarden die hierdoor breder gedeeld kunnen worden.

SDG 1 is gericht op de afname van armoede in al haar vormen. Dit betreft zowel financiële aspecten als de impact van armoede op het leven van mensen. De SDG-agenda vraagt speciale aandacht voor sociale bescherming, gelijke economische rechten en weerbaarheid van arme en kwetsbare groepen. De armoede­problematiek in Nederland is van een andere orde dan die in de allerarmste landen van de wereld, maar ook hier lopen mensen risico op (relatieve) armoede. Daarom zijn voor de Nederlandse context meerdere indicatoren toegevoegd aan het dashboard van SDG 1. In het rijksbeleid ligt de nadruk op het voorkomen en tegengaan van armoede en problematische schulden, met speciale aandacht voor kinderen die in armoede leven (CBS, 2021b). De problematiek is door de coronacrisis extra actueel. Armoede en schulden worden versneld aangepakt door gemeenten en maatschappelijke organisaties, en met coronagerelateerde steunpakketten als TOZO, NOW en TONK.

Het beeld dat SDG 1 schetst is gemengd. Voor een deel onderstreept het de positieve conclusies die onder het thema materiële welvaart werden vermeld. Op inkomensvlak is er sprake van een trendmatige stijging (van zowel het gemiddeld als het mediaan besteedbaar inkomen). Daarnaast neemt ook het mediaan vermogen van huishoudens trendmatig toe. Voor deze indicatoren zijn nog geen cijfers over 2020 beschikbaar.

Naast deze positieve ontwikkelingen kan worden geconstateerd dat het percentage huishoudens dat moet rondkomen met een langdurig laag inkomen (in de jaren 2013–2019) trendmatig is gestegen. Ook is het aantal daklozen tussen 2013 en 2020 trendmatig toegenomen. Het armoederisico van de minderjarigen (het percentage dat deel uitmaakt van een gezin met een laag inkomen) is overigens gedaald. Het risico op armoede en sociale uitsluiting vertoont een stabiele ontwikkeling; Nederland stond voor deze indicator in 2019 op een zesde plaats in de EU-27. Verder is er sprake van een trendmatige daling van het percentage mensen dat zich veel zorgen maakt over de financiële toekomst. Opvallend genoeg is ook in 2020 deze financiële zorg over de toekomst verder gedaald.

Het beeld van de verdeling van de brede welvaart komt uitvoerig in hoofdstuk 3 aan bod. Kort samengevat blijkt dat de brede welvaart het sterkst samenhangt met onderwijsniveau en migratieachtergrond. De groep laagopgeleiden komt op relatief veel indicatoren lager dan gemiddeld uit. Voor de groep hoogopgeleiden is dit juist andersom: zij scoren op veel indicatoren bovengemiddeld op brede welvaart. Persoonskenmerken als leeftijd, geslacht, onderwijsniveau en migratieachtergrond zijn niet onafhankelijk van elkaar. Zo zijn mensen met een niet-westerse migratieachtergrond gemiddeld genomen vrij jong en zijn ze ook vrij vaak laagopgeleid. Ouderen zijn ook relatief vaak laagopgeleid. Het verschil in cumulatie van gunstige dan wel ongunstige uitkomsten is het grootst tussen laag- en hoogopgeleiden. Dit is ook het geval als rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang tussen de verschillende persoonskenmerken. Na onderwijsniveau zijn leeftijd en migratieachtergrond het meest onderscheidend. Geslacht speelt de kleinste rol.

SDG 5 streeft naar gelijke behandeling van mannen en vrouwen en een gelijk­waardige positie in de samenleving. Hiervoor moet een eind komen aan de achterstand van vooral vrouwen en meisjes op allerlei terreinen: dwang en geweld, werk en zorg, en invloed in het openbare leven.

Wanneer naar de verdeling van de brede welvaart tussen mannen en vrouwen wordt gekeken, dan laten de cijfers van SDG 5 (gendergelijkheid) zien dat het opleidingsniveau van zowel mannen als vrouwen en hun economische zelfstandigheid zijn toegenomen. Daarnaast is het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen (waarbij vrouwen in het nadeel zijn) trendmatig afgenomen. In 2020 bedraagt het verschil in uurloon tussen mannen en vrouwen 13,7 procent. Als er breder wordt gekeken dan alleen naar de economische kant van gendergelijkheid, blijkt het beeld gemengder. Zo is het aandeel van vrouwen in het parlement trendmatig gedaald, en behoort het aandeel vrouwen dat deelneemt aan het hoger onderwijs tot de laagste in Europa (23e in de EU-27 in 2018). Overigens studeren er meer vrouwen dan mannen; de trend is omgeslagen van stabiel naar stijgend (groen). Met het aandeel vrouwen in managementposities neemt Nederland vergeleken met andere Europese landen een middenpositie in (22e in de EU27 in 2019). Wel is hier sprake van een groene, stijgende trend terwijl deze voorheen stabiel (grijs) was. Na de verkiezingen op 17 maart 2021 is overigens het aantal vrouwen dat gekozen is in de nieuwe Tweede Kamer toegenomen naar 59, een aandeel van 39 procent. De verdeling van de brede welvaart over mannen en vrouwen wordt in hoofdstuk 3 nader toegelicht. De verschillen blijken gering te zijn. Bij vijf indicatoren komen mannen positiever uit dan vrouwen, in drie gevallen is dat andersom. Bij de overige indicatoren is er geen verschil. Op individueel niveau komt cumulatie van gunstige uitkomsten ook iets meer voor bij mannen dan bij vrouwen en cumulatie van ongunstige uitkomsten iets minder.

SDG 10 betreft het verminderen van ongelijkheid binnen en tussen landen. De sociale samenhang binnen landen wordt bevorderd door vermindering van sociale en economische ongelijkheid, en vergroting van kansen en inclusie van alle mensen. Voor de Nederlandse beleidscontext zijn veel indicatoren toegevoegd. Dashboard 10.1 is gericht op sociale samenhang, inclusie en gelijkheid. Sociale samenhang is onontbeerlijk voor het goed functioneren van een samenleving. De sociale infrastructuur, zoals familieverbanden, buren, vrienden, verenigingen en hulp en ondersteuning, vormt hiervan de basis. Mensen moeten in staat zijn hieraan mee te doen, zodat ze zich deel van een groep kunnen voelen. Een bijzondere plaats in dit alles wordt ingenomen door migratievraagstukken.

Dashboard 10.1 toont dat maatschappelijke participatie trendmatig daalt voor indicatoren zoals contact met familie vrienden of buren, deelname aan verenigingen en vrijwilligerswerk. Vooral in 2020 is er – ongetwijfeld onder invloed van de lockdownmaatregelen – sprake van een sterke en significante terugval in maatschappelijke participatie. Wel neemt Nederland op dit vlak een hoge positie op de EU-ranglijsten in. De hoge maatschappelijke participatie vertaalt zich ook in een hoge mate van vertrouwen van burgers in elkaar en in de belangrijkste instituties, alsmede in het onderschrijven van belangrijke normen en waarden. In 2020 is vooral het vertrouwen in instituties (met name in de Tweede Kamer) beduidend hoger.

Veiligheid

Het thema veiligheid in het ‘hier en nu’-dashboard wordt gedekt met twee indicatoren.

  • Vaak onveilig voelen in de buurt (SDG 16.1.4): deze indicator heeft betrekking op het percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat zich vaak onveilig voelt in de eigen buurt. Dit percentage is gedaald van 1,8 in 2013 naar 1,4 in 2019. Deze cijfers zijn ontleend aan de tweejaarlijks gepubliceerde Veiligheidsmonitor. Voor 2020 zijn er geen nieuwe cijfers gepubliceerd.
  • Slachtofferschap van misdaad (SDG’s 11.7.2 en 16.1.3): gemeten als het percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat als privépersoon slachtoffer van misdaad is geweest. Cybercrime is in deze cijfers overigens niet inbegrepen. Het slachtofferschap van misdaad daalde van 19,8 procent in 2013 tot 13,7 procent in 2019. Ook hier is de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor de bron en zijn er geen cijfers voor 2020.

Meer aspecten van veiligheid worden behandeld in SDG 16. Deze SDG richt zich onder meer op het bevorderen van een vreedzame en veilige samenleving. De cijfers uit SDG 16 (dashboard 1) laten zien dat het aantal politiebeambten per 100 duizend inwoners een dalende (rode) trend heeft. Ook de aantallen geregistreerde misdrijven en het slachtofferschap van misdrijven dalen, daar is de trend echter groen omdat dit gunstig is vanuit het perspectief van brede welvaart.

Milieu

Het laatste thema in het ‘hier en nu’-dashboard is milieu.

  • Beheerde natuur in Natuur Netwerk Nederland (NNN): natuur wordt in Nederland na 2011 beschermd binnen het NNN. Dit is het netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuur, waaronder zowel de nationale parken als de Natura 2000‑gebieden vallen, alsook agrarisch natuurbeheer en terrein aangekocht voor natuurontwikkeling. In 2013 besloeg het areaal van het NNN 17,3 procent van het Nederlandse landoppervlak. In 2019 is dit aandeel 20,7 procent. De trend is stijgend, en past bij de ambitie om in 2027 minimaal 80 duizend hectare extra natuur te hebben gerealiseerd vergeleken met 2011.
  • Stedelijke blootstelling aan het fijnste fijnstof (PM2,5) (SDG 11.6.2): deze blootstelling aan fijnstof wordt uitgedrukt in het aantal microgram per m3. Fijnstof is schadelijk voor de gezondheid en leidt vooral tot een verslechtering van de conditie van mensen met hart- en longaandoeningen. De blootstelling aan dit fijnste fijnstof daalde van 14,0 procent in 2013 naar 10,4 procent in 2019, de trend is groen.
  • Fauna van zoetwater en moeras: deze indicator beschrijft de trend in populaties of verspreiding (afhankelijk van de soort) van fauna kenmerkend voor zoetwater en moeras. De indicator is opgebouwd uit onderliggende cijfers over 136 inheemse soorten: zoogdieren (5 soorten), broedvogels (29 soorten), vissen (30 soorten), amfibieën (14 soorten), libellen (57 soorten) en vlinders (1 soort). Deze indicator is een index met als basis 1990=100. Na vanaf 1990 jarenlang te zijn gestegen, is deze index gedaald van 144,1 in 2013 tot 139,1 in 2019.
  • Fauna van het land: deze indicator omvat 213 inheemse soorten zoogdieren (26 soorten), broedvogels (130 soorten), reptielen (7 soorten) en vlinders (50 soorten) die op het land voorkomen. Ook bij deze fauna-indicator is de trend rood.
  • Milieuproblemen: hier gaat het om het percentage van de bevolking van 16 jaar en ouder dat milieuproblemen ervaart. Dit percentage is in de laatste jaren stabiel gebleven, en Nederland neemt op dit gebied een middenpositie op de EU-ranglijst in. Opvallend genoeg is het percentage milieuproblemen in 2020 significant gedaald.

De SDG-agenda benoemt natuurlijk een brede waaier van milieuproblemen, die grotendeels bij de ‘later’-dimensie onder de noemer van natuurlijk kapitaal worden besproken. Voor wat betreft de brede welvaart ‘hier en nu’ geeft SDG 2 belangrijke informatie over voedselkwaliteit. Zo neemt het aandeel biologische landbouw in de periode 2013–2020 trendmatig toe (hoewel dit percentage naar Europese maatstaven nog altijd laag is), worden er per miljoen euro landbouwproductievolume minder chemische gewasbeschermingsmiddelen gebruikt (dit gebruik behoort ook tot de laagste in Europa) en daalt het antibioticagebruik in de veehouderij trendmatig. Het marktaandeel van biologisch voedsel is de laatste jaren duidelijk gestegen; eenzelfde ontwikkeling is zichtbaar bij vlees met een duurzaamheidskeurmerk.

SDG 14 richt zich op de bescherming van zeeën en oceanen, en op duurzaam gebruik van mariene hulpbronnen. Zeewater bedekt ongeveer driekwart van de planeet en vormt het grootste ecosysteem ter wereld. De toenemende negatieve effecten van klimaatverandering, overbevissing en vervuiling vormen een bedreiging voor de intrinsieke waarde van het ecosysteem zelf en voor het gebruik dat er van gemaakt wordt. SDG 15 betreft bescherming, herstel en duurzaam beheer van alle vormen van leven op het land.

Bescherming en herstel van ecosystemen en biodiversiteit kunnen de weer­baarheid versterken tegen toenemende bevolkingsdruk, intensivering van landgebruik en klimaat­verandering. Gezonde ecosystemen staan aan de basis van processen die grote invloed hebben op de brede welvaart, zoals de beschikbaarheid van schoon water en schone lucht, de aanwezig­heid van insecten voor bestuiving van planten en de mogelijkheden voor ontspanning, recreatie en educatie. Natuur heeft een intrinsieke waarde voor de brede welvaart ‘hier en nu’ en voor toekomstige generaties. Het is tegelijkertijd een kritieke factor: als ecosystemen eenmaal verwoest zijn kan de schade onherstelbaar blijken.

Voor wat betreft de staat van de natuur en ecosystemen, laat SDG 14 (leven in het water) zien dat de trends stabiel zijn en dat Nederland voor wat betreft de Clean Water Index in 2020 een gemiddelde score laat zien (16e van de EU27 in 2020). SDG 15 (leven op het land) presenteert indicatoren die aandacht geven aan de staat van de natuur en biodiversiteit op het land. Zoals gezegd neemt het percentage van het totale land dat valt onder de noemer van beheerde natuur in NNN trendmatig toe. Andere indicatoren uit het dashboard van SDG 15 geven echter een somberder beeld van dit thema. Zo neemt de groen-blauwe ruimte (exclusief reguliere landbouw) per inwoner trendmatig af. Dit areaal per inwoner omvat groene en/of natuurlijke gebieden zowel in de stad als op het platteland, exclusief de reguliere landbouw en met uitzondering van de Noordzee. Ook drie biodiversiteitsindicatoren, te weten de rode-lijstindicator, de eerder genoemde fauna van het land en de index voor boerenlandvogels, dalen trendmatig. Naar Europese maatstaven is de staat van de landnatuur en biodiversiteit ook niet goed te noemen. Het percentage natuur en bosgebieden behoort tot de laagste in Europa en het overschot aan stikstof per hectare cultuurgrond is het hoogste van alle 19 EU-landen waarvoor cijfers beschikbaar zijn.

Trendomslagen

Bij zes indicatoren in het dashboard ‘hier en nu’ heeft er een trendomslag plaatsgevonden. Bij drie indicatoren is er een omslag in positieve richting. In de trendperiode van de vorige Monitor (2012–2019) waren de trends voor ‘langdurige werkloosheid’ en ‘normen en waarden’ stabiel. Deze stabiele (grijze) trends zijn nu, in de trendperiode 2013–2020, omgeslagen in groene trends. Voor ‘tevredenheid met vrije tijd’ is de voorheen rode trend omgeslagen naar een stabiele trend. In al deze gevallen is er sprake van vooruitgang vanuit een brede welvaartsoptiek. De indicatoren ‘tevredenheid met het leven’, ‘individuele consumptie’ en ‘kwaliteit van zwemwater binnenwater’ laten echter een achteruitgang zien: was de trendmatige ontwikkeling voor deze indicatoren voorheen nog groen, nu is deze omgeslagen naar stabiel (grijs).

Posities op de EU-ranglijst

Hieronder wordt aangegeven wat het niveau van brede welvaart ‘hier en nu’ in Nederland is in vergelijking met de 26 andere landen in de EU. Het Verenigd Koninkrijk maakt met ingang van deze Monitor geen deel meer uit van de vergelijking. Waar mogelijk is Nederland met alle EU-lidstaten vergeleken (aangegeven met de EU-27); waar niet voor alle landen (recente) data beschikbaar waren, is de vergelijking uitgevoerd met minder lidstaten.

Voor de volgende indicatoren staat Nederland hoog op de Europese ranglijst.

Thema subjectief welzijn:

  • Tevredenheid met het leven: 2e van 23 landen (2018)
  • Ervaren regie over het eigen leven: 3e van 27 landen (2017)

Thema materiële welvaart:

  • Mediaan besteedbaar inkomen: 6e van 27 landen (2019)
  • Individuele consumptie: 6e van 27 landen (2019)

Thema arbeid en vrije tijd:

  • Langdurige werkloosheid; 7van 27 landen (2019)
  • Nettoarbeidsparticipatie: 1e van 27 landen (2019)
  • Tevredenheid met vrije tijd: 6e van 27 landen (2018)
  • Tevredenheid met werk: 7e van 27 landen (2017)

Thema samenleving:

  • Contact met familie, vrienden of buren: 2e van 23 landen (2018). Bij de internationale vergelijking gaat het niet om buren maar om collega’s die je sociaal ontmoet.
  • Inspraak en verantwoordingsplicht: 4e van 27 landen (2019)
  • Vertrouwen in instituties (SDG 16.6.2): 3e van 23 landen (2018)
  • Vertrouwen in mensen: 3e van 23 (2018)
  • Vrijwilligerswerk: 1e van 27 (2015)

Bij de volgende indicator staat Nederland laag op de Europese ranglijst:

Thema gezondheid:

  • Gezonde levensverwachting vrouwen (SDG 3.4.1): 21e van 27 landen (2018). (Mannen nemen Europees gezien bij gezonde levensverwachting een middenpositie in).

Alle informatie over de brede-welvaarttrends ‘hier en nu’ wordt samengevat in figuur 2.2.2.

Uitleg brede-welvaarttrends (BWT)

De binnenste ring van de brede-welvaarttrends (BWT) geeft informatie over de middellangetermijntrend (gebaseerd op beschikbare datapunten in de jaren 2013–2020). De buitenste ring geeft de gemiddelde mutatie in het laatste verslagjaar ten opzichte van het voorgaande jaar. Wijs in de figuur een indicator aan om te zien wat daar is gemeten. Doorklikken geeft meer informatie over de ontwikkeling in Nederland en de positie ten opzichte van de andere EU-landen. Waar mogelijk zijn tijdreeksen opgenomen vanaf 1995.

Voor trends en voor de meest recente jaarlijkse mutaties is de betekenis van kleuren: Voor posities is de betekenis van kleuren:
GROEN GROEN
de indicator beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een stijging van de brede welvaart. Nederland staat in het bovenste kwartiel van de EU-ranglijst.
GRIJS GRIJS
de indicator stijgt of daalt niet significant. Nederland staat in het midden van de EU-ranglijst.
ROOD ROOD
de indicator beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een daling van de brede welvaart. Nederland staat in het onderste kwartiel van de EU-ranglijst.
2.2.2   Brede-welvaarttrends (BWT): hier en nu
BredeWelvaartTrendsHier en Nu-4,3%Bruto binnenlandsproductPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20205e van 27PositiefNegatiefKlik voor meer informatie-2,5%ptSubjectief welzijnTevredenheid methet levenPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20202e van 23NeutraalNegatiefKlik voor meer informatie+1,5%ptSubjectief welzijnPersoonlijkewelzijnsindexMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-2020PositiefNeutraalKlik voor meer informatie+0,5%ptSubjectief welzijnErvaren regie overhet eigen levenPositie in EU in 2017Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-20193e van 27NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie+1,9%Materiële welvaartMediaan besteedbaarinkomenPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-20196e van 27PositiefNeutraalKlik voor meer informatie-5,7%Materiële welvaartIndividueleconsumptiePositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20206e van 27NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie+2,6%GezondheidGezonde levensverwachtingmannenPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202015e van 27NeutraalPositiefKlik voor meer informatie+4,3%GezondheidGezonde levensverwachtingvrouwenPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202021e van 27NeutraalPositiefKlik voor meer informatie+0,1%ptGezondheidOvergewicht Positie in EU in 2016Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202010e van 27NegatiefNeutraalKlik voor meer informatie-0,1%ptArbeid en vrije tijdLangdurigewerkloosheidPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20207e van 27PositiefNeutraalKlik voor meer informatie-0,4%ptArbeid en vrije tijdNettoarbeidsparticipatie Positie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20201e van 27PositiefNeutraalKlik voor meer informatie+1,7%ptArbeid en vrije tijdHoogopgeleidebevolkingPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202010e van 27PositiefNeutraalKlik voor meer informatie+2,2%ptArbeid en vrije tijdTevredenheid metvrije tijdPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20206e van 27NeutraalPositiefKlik voor meer informatie+6,2%Arbeid en vrije tijdTijdverlies door filesen vertragingMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-2019NegatiefNeutraalKlik voor meer informatie+1,3%ptArbeid en vrije tijdTevredenheid metwerk (werknemers)Positie in EU in 2017Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20207e van 27NeutraalPositiefKlik voor meer informatie-0,1%ptWonenKwaliteit vanwoningenPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202018e van 27NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie0,0%ptWonenTevredenheid metwoningPositie in EU in 2017Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20208e van 27NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie-1,0%ptSamenlevingContact met familie,vrienden of burenPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20202e van 23NegatiefNegatiefKlik voor meer informatie-2,0%SamenlevingInspraak enverantwoordingsplichtPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-20194e van 27NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie+6,4%ptSamenlevingVertrouwen ininstitutiesPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20203e van 23PositiefPositiefKlik voor meer informatie+1,2%ptSamenlevingVertrouwen inmensenPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20203e van 23PositiefNeutraalKlik voor meer informatie-3,4%ptSamenlevingOntwikkeling normenen waardenMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-2019PositiefNeutraalKlik voor meer informatie-2,9%ptSamenlevingVrijwilligerswerk Positie in EU in 2015Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20201e van 27NegatiefNegatiefKlik voor meer informatie0,0%ptVeiligheidVaak onveilig voelenin de buurtMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2017-2019PositiefPositiefKlik voor meer informatie-0,8%ptVeiligheidSlachtofferschap vanmisdaadPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2017-201914e van 23PositiefPositiefKlik voor meer informatie+0,1%ptMilieuBeheerde natuurin NNNMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-2019PositiefNeutraalKlik voor meer informatie-0,3%ptMilieuKwaliteit vanzwemwater binnenwaterenPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202015e van 25NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie-0,8%MilieuFauna van zoetwateren moerasMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-2019NegatiefNeutraalKlik voor meer informatie-0,9%MilieuFauna vanhet landMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-2019NegatiefNeutraalKlik voor meer informatie+1,6%ptMilieuStikstofdepositie enlandnatuurMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2017-2018NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie-11,9%MilieuStedelijke blootstelling aanfijnstof (PM2,5)Positie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-20198e van 26PositiefNeutraalKlik voor meer informatie-0,8%ptMilieuMilieuproblemen Positie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202018e van 27NeutraalPositiefKlik voor meer informatie
Sluit dit thema
Positie in EUDe balken geven de positie aan van Neder-land in de Europese Unie per indicator.Onderin EU-ranglijstBovenin EU-ranglijstMiddenpositieLegendaGeen databbpper hoofdbevolkingSubjectiefwelzijnMateriëleWelvaartWonenVeiligheidGezondheidArbeid en vrije tijdMilieuSamenleving0201030405060708091011121413151621171819202223242527262829303101 Tevredenheid met het leven / 02 Persoonlijke welzijnsindex / 03 Ervaren regie over het eigen leven / 04 Mediaan besteedbaar inkomen / 05 Individuele consumptie / 06 Gezonde levensverwachting mannen / 07 Gezonde levensverwachting vrouwen / 08 Overgewicht / 09 Langdurige werkloosheid / 10 Nettoarbeidsparticipatie / 11 Hoogopgeleide bevolking / 12 Tevredenheid met vrije tijd / 13 Tijdverlies door files en vertraging / 14 Tevredenheid met werk (werknemers) / 15 Kwaliteit van woningen / 16 Tevredenheid met woning / 17 Contact met familie vrienden of buren / 18 Inspraak en verantwoordingsplicht / 19 Vertrouwen in instituties / 20 Vertrouwen in mensen / 21 Ontwikkeling normen en waarden / 22 Vrijwilligerswerk / 23 Vaak onveilig voelen in de buurt / 24 Slachtofferschap van misdaad / 25 Beheerde natuur in NNN / 26 Kwaliteit van zwemwater binnenwateren / 27 Fauna van zoetwater en moeras / 28 Fauna van het land / 29 Stikstofdepositie en landnatuur / 30 Stedelijke blootstelling aan fijnstof (PM2,5) / 31 MilieuproblemenStijging Brede Welvaart Geen veranderingDaling Brede Welvaart Onvoldoende data(kwaliteit)Langjarige trend (8 jaar)Mutatie (laatste jaar)Legenda

2.3Brede welvaart ‘later’

In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de trendmatige ontwikkeling van de brede welvaart ‘later’ in de periode 2013–2020, de meest recente jaarlijkse veranderingen en de positie van Nederland op de EU-ranglijst in het meest recente jaar waarvoor internationale data beschikbaar zijn. Eerst wordt stilgestaan bij wat er onder brede welvaart ‘later’ wordt verstaan.

Brede welvaart ‘later’ gaat over de hulpbronnen die volgende generaties nodig hebben om minimaal een zelfde niveau van welvaart te kunnen bereiken als de huidige generatie. De keuzes die alle Nederlanders gezamenlijk ‘hier en nu’ maken hebben consequenties voor de volgende Nederlandse generaties. Om de kwaliteit van leven op peil te houden zijn allerlei hulpbronnen nodig, hier aangeduid als ‘kapitaal’. We onderscheiden daarbij economisch, natuurlijk, menselijk en sociaal kapitaal. Het is belangrijk dat de hoeveelheid kapitaal per inwoner op de langere termijn minimaal constant is.

Economisch kapitaal omvat de machines en werktuigen, de ICT, het kenniskapitaal en de infrastructuur die nodig zijn voor het opbouwen van materiële welvaart en het genereren van economische groei. Het gaat hier om fysieke kapitaalgoederen die vooral voor het economisch proces van belang zijn. Ook het kenniskapitaal, onder andere gevoed door de investeringen in onderzoek en ontwikkeling, is belangrijk voor het functioneren van de Nederlandse economie. Schuld wordt gezien als negatief economisch kapitaal. Hiertegenover staat het vermogen van huishoudens.

Natuurlijk kapitaal omvat verschillende typen hulpbronnen. Het gaat niet alleen om grondstoffenvoorraden (voor Nederland vooral fossiele energiedragers zoals aardolie en aardgas), maar ook om de kwaliteit van natuur en milieu. Hieronder vallen onder meer de biodiversiteit (gemeten aan de hand van fauna van zoetwater en moeras en fauna van het land, die gezien kunnen worden als maatstaven voor soortenrijkdom), de algemene kwaliteit van de atmosfeer (samenhangend met CO2‑emissies) en de lokale kwaliteit van bodem, water en lucht. Ook capaciteit van hernieuwbare vormen van energie wordt onder het natuurlijk kapitaal geschaard, omdat hiermee zowel de intering op niet-hernieuwbare energiebronnen als de uitstoot van broeikasgassen kan worden tegengegaan.

Bij het menselijk kapitaal staat de factor arbeid centraal. Hierbij gaat het niet alleen om het aantal gewerkte uren, maar ook om de kwaliteit van het arbeidspotentieel in termen van opleidingsniveau en gezondheid.

Het sociaal kapitaal ten slotte weerspiegelt de kwaliteit van sociale verbanden in de samenleving. In navolging van de CES-Recommendations van de UNECE wordt sociaal kapitaal gemeten als de omvang van het vertrouwen dat burgers hebben in elkaar en in de belangrijkste instituties (UNECE, 2014). De literatuur over sociaal kapitaal benadrukt dat naast het vertrouwen van alle burgers, ook moet worden gekeken naar vertrouwen tussen verschillende groepen. Dit wordt in de Monitor afgemeten aan de indicator over discriminatiegevoelens. Deze beschrijft in hoeverre mensen zich onderdeel voelen van bepaalde groepen in de samenleving die ervaren dat zij niet volledig aan het maatschappelijk proces kunnen deelnemen of in hun hoedanigheid niet volledig worden geaccepteerd.

2.3.1   Brede welvaart 'later'

Economisch kapitaal

€ 146,00
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
7e
€ 10,74
5e
€ 101 459
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
22e
€ 49 800
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

Natuurlijk kapitaal

964,3
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
18e
20,7%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
907,6
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
1,2
12e
176,4
19e
83
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
139
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
5,1%
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
69
8e
10,4
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
8e
7,7
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
13e

Menselijk kapitaal

762,3
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
18e
34,2%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
10e
65,9
21e
66,5
15e

Sociaal kapitaal

63,0%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e
8,7%
17e
69,5%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
3e

In dit dashboard staat voor iedere indicator achtereenvolgens het meest recente cijfer voor Nederland, de trend in de periode 2013–2020, en een grafiek van de EU-ranglijst met de positie van Nederland in de EU-27.

Hieronder worden de belangrijkste trendmatige ontwikkelingen van de brede welvaart ‘later’ in de periode 2013–2020 beschreven.

Samenvattend beeld

Bij menselijk kapitaal en sociaal kapitaal laten alle indicatoren een stabiele tot stijgende trend zien. Bij economisch en natuurlijk kapitaal is het beeld gemengd, al naar gelang naar welk type van hulpbronnen wordt gekeken.

Economisch kapitaal

Hier zijn opvallende ontwikkelingen bij drie indicatoren.

  • Fysieke kapitaalgoederenvoorraad: deze betreft materiële activa die langer dan een jaar in het productieproces worden gebruikt. De fysieke kapitaalgoederenvoorraad is gewaardeerd in constante prijzen 2015 en wordt uitgedrukt als de waarde van de kapitaalgoederen­voorraad per gewerkt uur. In cultuur gebrachte activa zijn inbegrepen. Gewerkte uren betreft het totale aantal uren dat werknemers en/of zelfstandigen gedurende de verslagperiode werkelijk hebben gewerkt. Niet-gewerkte uren wegens verlof of ziekte tellen dus niet mee. De trend bij deze kapitaalindicator is rood. Het aantal gewerkte uren is tot en met 2019 flink toegenomen, meer dan het volume van de kapitaalgoederenvoorraad zelf, wat bij deze indicator tot een trenddaling leidt.
  • Gemiddelde schuld per huishouden: Nederlandse huishoudens hadden in 2019 gemiddeld iets meer dan een ton aan schuld. De trend is stijgend (omgeslagen van neutraal naar rood) en Nederland staat hiermee onderin de EU-ranglijst (22e van 24). Tegenover de schulden staan het spaargeld van huishoudens (chartaal geld en deposito’s) en hun niet-financiële bezittingen, zoals een woning.
  • Mediaan vermogen van huishoudens: hier is de trend stijgend, en groen omdat dit vanuit oogpunt van brede welvaart een gunstige ontwikkeling is. Op 1 januari 2019 was het mediane vermogen 49,8 duizend euro. De toename komt vooral doordat koopwoningen in waarde bleven stijgen.

Het economisch kapitaal bestaat uit de componenten fysiek kapitaal (SDG 8, dashboard 1) en kenniskapitaal (vooral SDG 9, dashboard 3). De thematiek rondom financiële houdbaarheid komt in SDG 10 aan de orde (dashboard 2)

SDG 8 (dashboard 1) gaat onder andere in op het duurzamer en efficiënter maken van economische groei (met aandacht voor innovatie, ondernemerschap en milieu). Opvallend is het naar Europese maatstaven relatief lage niveau van de bruto-investeringen in materiële activa. Bij het aantal gewerkte uren per inwoner neemt Nederland een middenpositie in. De kracht van de Nederlandse economie ligt duidelijk op het vlak van de arbeidsproductiviteit. Deze vorm van productiviteit, gemeten in termen van bruto toegevoegde waarde per gewerkt uur, is in vergelijking met andere Europese landen hoog en hangt nauw samen met de hoogontwikkelde kenniseconomie. SDG 9 (dashboard 3) focust op kennis, die essentieel is voor het verhogen van economische prestaties en het vinden van oplossingen voor grote maatschappelijke problemen. Kennis kan worden omgezet in nieuwe technologieën en processen waarmee productieprocessen en producten kunnen worden verbeterd en verduurzaamd. Daarnaast heeft kennis sociaal-culturele en intrinsieke waarde. Van belang in dit verband is het investeren in kennis door publieke en private partijen, het uitbreiden van ICT en andere technologie en het vergroten van de kenniskapitaalgoederen­voorraad. Toegang tot het internet is essentieel voor de toegang tot kennis. SDG 9 laat zien dat Nederland voor een groot aantal innovatie-indicatoren een hoge positie op de EU-ranglijst inneemt. Daarnaast zijn de bruto-investeringen in materiële vaste activa en het gewerkte aantal uren in speur- en ontwikkelingswerk (R&D) trendmatig toegenomen. Ook kan worden geconstateerd dat de toegang tot financiering voor het mkb trendmatig is verbeterd (SDG 9, dashboard 2).

Een laatste aspect van het economisch kapitaal dat in de SDG-agenda wordt belicht betreft de financiële houdbaarheid. SDG 10 (dashboard 2) beschrijft de financiële houdbaarheid van onze welvaart en de financiële situatie van huishoudens. Zowel collectief als individueel worden schulden en vermogens opgebouwd. De financiële verplichtingen van overheid en huishoudens hebben effect op de brede welvaart van volgende generaties. Financiële systemen kunnen kwetsbaar blijken als ze worden geconfronteerd met vergrijzing, economische crises en globalisering, en met veranderingen in solidariteit tussen generaties en tussen bevolkingsgroepen.

SDG 10 (dashboard 2) geeft inzicht in de verhouding tussen het werkende en het niet-werkende deel van de bevolking. De grijze druk (verhouding tussen 65‑plussers en 20–64‑jarigen) en de groene druk (verhouding tussen jongeren onder de 20 en 20–64‑jarigen) ontwikkelen zich – vooral in het afgelopen decennium – beide ongunstig voor houdbaarheid van brede welvaart op langere termijn. Nederland bevindt zich binnen de EU bij groene druk wel in de bovenste groep EU-landen.

Pensioenvermogen dat is opgebouwd via pensioenfondsen is niet vrijelijk beschikbaar en niet overdraagbaar. Het draagt wel bij aan de financiële zekerheid van huishoudens. Het geraamde pensioenvermogen is daarom als indicator toegevoegd aan het tweede dashboard van SDG 10. Het pensioenvermogen is geschat op basis van onder meer de levensverwachting en het verwachte rendement op de ingelegde pensioenpremie (gecorrigeerd voor inflatie). Het bedroeg in 2018 ruim 160 duizend euro gemiddeld per huishouden. Zou het pensioenvermogen bij hun overig vermogen opgeteld worden, dan komt het overeen met bijna de helft van het totale vermogen van huishoudens.

De dekkingsgraad van de pensioenfondsen, ofwel de verhouding van bezittingen (pensioenvermogen) en verplichtingen (pensioenaanspraken van alle deelnemers) geeft een indruk of de fondsen in staat zijn huidige en toekomstige pensioenen uit te keren. De actuele dekkingsgraad kwam in het vierde kwartaal van 2020 uit op 100,3 procent, tegen 104,0 procent eind 2019. De trend van deze indicator is stijgend en rood door de vergrijzing in combinatie met de ontwikkeling van de waarde van de beleggingen.

Bij de indicator pensioenaanspraken is de trend omgeslagen van groen naar neutraal. Het te verwachten pensioen uit werk (geschat met het mediane brutopensioeninkomen van personen van 65–74 jaar) was in 2020 51 procent van het inkomen uit werk (benaderd door het mediane bruto-inkomen uit werk van 50–59 jarigen). Het gaat alleen om pensioen opgebouwd tijdens het werkzame leven, dus exclusief overheidspensioenvoorzieningen (de eerste pijler).

Tegenover de schulden staan het spaargeld van huishoudens (chartaal geld en deposito’s) en hun niet-financiële bezittingen, zoals een woning. Nederlandse huishoudens hadden in 2019 gemiddeld iets meer dan een ton aan schuld. De trend is stijgend (omgeslagen van neutraal naar rood) en Nederland staat hiermee onderin de EU-ranglijst (22e van 24 in 2019). Huishoudens met een lening voor een woning hebben gemiddeld een hypotheekschuld van bijna twee ton (in 2019). De hoogte van deze schulden neemt trendmatig toe (rood). Voor spaargeld is de trend neutraal; Nederland neemt in 2019 met gemiddeld 55 duizend euro per huishouden een middenpositie in binnen Europa.

De overheidsschuld als percentage van het bbp, ook wel de schuldquote genoemd, lag eind 2019 op nog geen 49 procent. Daarmee lag deze belangrijke indicator voor de toestand van de overheidsfinanciën bijna 20 procentpunt lager dan op de top in 2014. Het zorgde voor een relatief gunstige uitgangspositie toen coronamaatregelen (vooral de NOW en de TOZO) de uitgaven in 2020 sterk lieten oplopen. Eind 2020 bedroeg de schuldquote 54,5 procent van het bbp, waarmee de middellangetermijntrend dalend blijft. De formele Europese norm voor de overheidsschuld is maximaal 60 procent van het bbp.

Natuurlijk kapitaal

Bij natuurlijk kapitaal zijn er enkele trends die gunstig zijn vanuit het perspectief van brede welvaart, maar ook een aantal ongunstige.

  • Opgesteld vermogen hernieuwbare elektriciteit: in dit opgesteld vermogen worden wind-, water- en zonne-energie meegenomen. Capaciteit voor opwekking van elektriciteit uit biomassa is niet in de berekeningen meegenomen. Het in Nederland opgestelde vermogen voor hernieuwbare elektriciteit is in de trendperiode 2013–2020 toegenomen van 202 naar 964 megawatt per miljoen inwoners. Vooral de laatste jaren is de groei uitzonderlijk: in 2020 was het vermogen 43 procent groter dan in 2019. In 2019 bezette Nederland voor deze indicator echter de 18e positie van 27 EU-landen. Bij deze indicator gaat het om het opgestelde vermogen, niet om de daadwerkelijke opwekking van energie. Met name bij zonne-energie is dit laatste aanmerkelijk kleiner dan het potentiële vermogen.
  • Beheerde natuur in Natuur Netwerk Nederland (NNN): natuur wordt in Nederland sinds 2011 beschermd binnen het NNN. Dit is het netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuur, waaronder zowel de nationale parken als de Natura 2000‑gebieden vallen, alsook agrarisch natuurbeheer en terrein aangekocht voor natuurontwikkeling. In 2013 besloeg het areaal van het NNN 17,3 procent van het Nederlandse landoppervlak. In 2019 is dit aandeel 20,7 procent. De trend is stijgend, wat past bij de ambitie om in 2027 minimaal 80 duizend hectare extra natuur te hebben gerealiseerd vergeleken met 2011.
  • Stedelijke blootstelling aan fijnstof (PM2,5): ook gunstig is de gestage en trendmatige afname van de stedelijke achtergrondconcentratie van fijnstof. Fijnstof is een verzamelbegrip en duidt op zwevende deeltjes in de lucht. In deze Monitor is de fijnere fractie van fijnstof opgenomen, namelijk PM2,5. Dit bestaat uit deeltjes met een diameter kleiner dan 2,5 micrometer.
  • Groen-blauwe ruimte, exclusief reguliere landbouw: dit is een nieuwe indicator. Berekend per inwoner heeft dit oppervlak een dalende (rode) trend. Het totale areaal van deze ruimte in Nederland in hectare is tussen 2015 en 2018 overigens wel iets toegenomen, vrijwel geheel door akkers en grasland met een vorm van agrarisch natuurbeheer. De groei van deze percelen maskeert de afname in omvang van een groot aantal andere landschapseenheden als heggen, bomenrijen en hagen, en van bos.
  • Fauna van zoetwater en moeras: deze indicator beschrijft de trend in populaties of verspreiding (afhankelijk van de soort) van fauna kenmerkend voor zoetwater en moeras. De indicator is opgebouwd uit onderliggende cijfers over 136 inheemse soorten: zoogdieren (5 soorten), broedvogels (29 soorten), vissen (30 soorten), amfibieën (14 soorten), libellen (57 soorten) en vlinders (1 soort). Deze indicator is een index met als basis 1990=100. Na vanaf 1990 jarenlang te zijn gestegen, is deze index gedaald van 144,1 in 2013 tot 139,1 in 2019. De trend is rood.
  • Fauna van het land. In deze indicator zijn 213 inheemse soorten zoogdieren (26 soorten), broedvogels (130 soorten), reptielen (7 soorten) en vlinders (50 soorten) opgenomen die op het land voorkomen. Ook bij deze fauna-indicator is de trend rood.
  • Oppervlaktewater van goede chemische kwaliteit: de chemische water­kwaliteit (op basis van 53 chemische stoffen of groepen van stoffen) is verslechterd, de trend is rood. De kwaliteit wordt beoordeeld volgens de systematiek van de Europese Kaderrichtlijn Water.noot1 Het CBS rekent deze data in de Natuurlijk Kapitaalrekeningen om naar het percentage oppervlaktewater met een goede kwaliteit. Hoewel heel veel kleine waterlichamen voldoen aan de norm, voldoet qua oppervlak maar een relatief klein deel van het Nederlandse water.
  • Cumulatieve CO2‑emissies: het thema klimaatverandering zou idealiter in kaart worden gebracht met behulp van cijfers over de CO2‑concentratie in de atmosfeer. Zulke concentratiecijfers zijn moeilijk te verkrijgen; daarbij is het ook lastig na te gaan wat de bijdrage van Nederland is aan het CO2‑probleem. Daarom is besloten de cumulatieve CO2‑uitstoot van Nederland te berekenen vanaf het begin van de eerste industriële revolutie. Daartoe is de jaarlijkse uitstoot die vanaf 1860 is opgetreden bij elkaar opgeteld. Dit is een cijfer dat uiteraard niet kan dalen. Het is echter in de Monitor opgenomen om de historische omvang van de CO2‑problematiek te laten zien. De cumulatieve CO2‑uitstoot is gestegen van 7,5 ton per inwoner in 2013 tot 7,7 ton in 2020.

Kanttekeningen bij de cumulatieve CO2‑emissies per inwoner

De indicator cumulatieve CO2‑emissies per inwoner in het dashboard ‘later’ betreft de vanaf het begin van de industriële revolutie (hiervoor is 1860 genomen als startjaar) gecumuleerde CO2‑emissies. Elk jaar wordt de som berekend van de jaarlijkse CO2 die is uitgestoten tot dan toe en gedeeld door de bevolkingsomvang vanaf 1860 tot heden. Deze over de lange termijn gecumuleerde uitstoot is uiteraard van belang. Deze beïnvloedt immers de kwaliteit van de atmosfeer en draagt daarmee – naar alle waarschijnlijkheid – bij aan de opwarming van de aarde.

Recente emissiereeksen tonen in hoeverre de historische trend van stijgende uitstoot (en concentratie) van CO2 wordt gekeerd. Deze indicator (totale broeikasgasemissies berekend volgens de IPCC-voorschriften) maakt deel uit van SDG 13 (klimaatactie) in hoofdstuk 4. De jaarlijkse broeikasgasuitstoot op Nederlands grondgebied per hoofd van de bevolking (SDG 13.2.1) neemt gestaag af. In 2013 en 2020 ging het respectievelijk om 11,5 en 9,5 ton CO2‑equivalenten per inwoner.

In 2020 is de totale broeikasgasuitstoot 24,5 procent lager dan die in 1990, conform een eerste berekening (maart 2021) door het CBS en RIVM/Emissieregistratie. Dit benadert de Urgenda-doelstelling: een afname van minimaal 25 procent (1990–2020). Het verschil is klein en ligt binnen de onzekerheidsbandbreedte van de broeikasgasemissies. De Urgenda-reductie is overigens een doelstelling voor het totaal van de emissies, en niet voor de uitstoot per inwoner.

Natuurlijk kapitaal is een breed thema dat in veel SDG’s terugkeert.

Hierbij kunnen we de volgende componenten onderscheiden: energieverbruik en klimaatverandering (SDG’s 7 en 13), kwaliteit van bodem, water en lucht; emissies en afval (SDG’s 6, 11 en 12) en natuur en ecosystemen (SDG’s 14, 15).

SDG 7 focust onder andere op verduurzaming en energie-efficiëntie.

Het energieverbruik, omgerekend in kg olie-equivalenten per inwoner, ligt in Nederland naar Europese maatstaven hoog (23e van de EU-27 in 2019), maar de energie wordt wel steeds efficiënter gebruikt (de energie-intensiteit vertoont een dalende en daarmee groene trend). Daarnaast neemt de werkgelegenheid in de duurzame energiesector trendmatig toe en is het opgesteld vermogen van hernieuwbare energie gegroeid. Het aandeel van hernieuwbare energie in het totale energieverbruik stijgt, hoewel dit percentage naar Europese maatstaven nog altijd laag is (25e van de EU-27 in 2019).

SDG 13 is gericht op de aanpak van door mensen veroorzaakte klimaatverandering. Hoewel er nog een weg te gaan is voordat de klimaatdoelen van het Parijs Akkoord zijn behaald, is er de laatste jaren vooruitgang geboekt. Dit heeft deels te maken met de hierboven genoemde verbeteringen op het gebied van energieverbruik. Daarnaast laat SDG 13 een toename van de overheidsuitgaven aan klimaatmitigatie zien (dit zijn maatregelen die de omvang en/of snelheid van de opwarming van de aarde beperken). De broeikasgasintensiteit van de economie (uitgedrukt in kg CO2‑equivalenten per euro bbp) vertoont een dalende, en daarmee groene, trend. Verder zijn de broeikasgasemissies per inwoner de afgelopen jaren trendmatig gedaald, hoewel de broeikasgasuitstoot naar Europese maatstaven nog steeds hoog is. Nederland nam in 2018 een 23e plaats in op de EU-27 ranglijst.

Voor wat betreft de thematiek rond kwaliteit van bodem, water en lucht (emissies en afval), richt SDG 6 zich op water. De waterstress (het percentage zoetwater dat onttrokken wordt aan de beschikbare waterbronnen) vertoont een groene trend. De waterkwaliteit staat overigens wel onder druk. Het percentage oppervlaktewater van goede chemische kwaliteit is de laatste jaren trendmatig gedaald.

SDG 12 concentreert zich op de transitie naar een circulaire economie met minder afhankelijkheid van grondstoffen. De cijfers in dit dashboard laten zien dat zowel de trend van de totale hoeveelheid gemeentelijk afval als het aandeel gerecycled gemeentelijk afval groen is en dat het aandeel van de milieusector in het bbp trendmatig is toegenomen.

Ook gunstig is de toename van de grondstoffenproductiviteit (uitgedrukt in euro’s bbp per kg materiaalverbruik). Voor deze indicator staat Nederland in de Europese voorhoede. SDG 11 (dashboard 2) is er onder andere op gericht om de lokale leefomgeving duurzaam te maken. Hier staat een groot aantal indicatoren op groen. De emissies van verzurende stoffen dalen, terwijl ook de stedelijke blootstelling aan de fijnere fractie van fijnstof is afgenomen. Verder behoren de overheidsuitgaven aan milieubescherming tot de hoogste in Europa (tweede van 24 EU-landen in 2019).

Ten slotte richt het natuurlijk kapitaal zich op de kwaliteit van de natuur en ecosystemen. SDG 14 spitst zich toe op de bescherming van zeeën en oceanen, en op duurzaam gebruik van mariene hulpbronnen. Zeewater bedekt ongeveer driekwart van de planeet en vormt het grootste ecosysteem ter wereld. De toenemende negatieve effecten van klimaatverandering, overbevissing en vervuiling vormen een bedreiging voor de intrinsieke waarde van het ecosysteem zelf en voor het gebruik dat er van gemaakt wordt. SDG 15 betreft bescherming, herstel en duurzaam beheer van alle vormen van leven op het land. Bescherming en herstel van ecosystemen en biodiversiteit kunnen de weer­baarheid versterken tegen toenemende bevolkingsdruk, intensivering van landgebruik en klimaat­verandering.

Gezonde ecosystemen staan aan de basis van processen die grote invloed hebben op de brede welvaart, zoals de beschikbaarheid van schoon water en schone lucht, de aanwezig­heid van insecten voor bestuiving van planten en de mogelijkheden voor ontspanning, recreatie en educatie. Natuur heeft een intrinsieke waarde voor de brede welvaart ‘hier en nu’ en voor toekomstige generaties. Het is tegelijkertijd een kritieke factor: als ecosystemen eenmaal verwoest zijn kan de schade onherstelbaar blijken.

Voor wat betreft de staat van de natuur en ecosystemen, laat SDG 14 (leven in het water) zien dat de trends stabiel zijn en dat Nederland voor de Clean Water Index in 2020 een gemiddelde score laat zien (16e van de EU-27 in 2020). SDG 15 (leven op het land) presenteert indicatoren gericht op de staat van de natuur en biodiversiteit op het land. Zoals gezegd neemt het percentage van het totale land dat valt onder de noemer van beheerde natuur in NNN trendmatig toe. Een aantal andere indicatoren uit het dashboard van SDG 15 geeft echter een somberder beeld van dit thema. Zo neemt de groen-blauwe ruimte (exclusief reguliere landbouw) per inwoner trendmatig af. Dit areaal omvat groene en/of natuurlijke gebieden zowel in de stad als op het platteland, exclusief de reguliere landbouw en met uitzondering van de Noordzee. Ook drie biodiversiteitsindicatoren, te weten de rode- lijstindicator, de fauna van het land en de index voor boerenlandvogels, dalen trendmatig. Naar Europese maatstaven is de staat van de landnatuur en biodiversiteit ook niet goed te noemen. Het percentage natuur en bosgebieden behoort tot de laagste in Europa en het overschot aan stikstof per hectare cultuurgrond is het hoogste van alle 19 EU-landen waarvoor cijfers beschikbaar zijn.

Menselijk kapitaal

Bij menselijk kapitaal zijn er twee groene trends; deze wijzen op een vergroting van de brede welvaart.

  • Gewerkte uren: dit wordt gemeten als het totale aantal uren dat zelfstandigen en werknemers werkelijk hebben gewerkt in een jaar gedeeld door de omvang van de bevolking in personen. Dit aantal is gestegen van 735 uur in 2013 tot 762 in 2020. Het aantal gewerkte uren nam in 2020 wel significant af, in 2019 ging het nog om 795 uur.
  • Hoogopgeleide bevolking: het feit dat de bijdrage van onderwijs aan de brede welvaart hier wordt gemeten aan de hand van de relatieve omvang van de hoogopgeleide bevolking wil niet zeggen dat andere vormen van opleiding, zoals beroepsopleidingen en vakmanschap, voor de brede welvaart niet relevant zijn. Wel is het duidelijk dat hoogopgeleide mensen over het algemeen een hogere welvaart bereiken op tal van maatschappelijke terreinen (zie hoofdstuk 3). De hoogopgeleide bevolking wordt gemeten als het percentage van de bevolking van 15–74 jaar dat succesvol een hbo- of wo-opleiding heeft afgerond. Dit  steeg van 28,3 procent in 2013 tot 34,2 procent in 2020.

Menselijk kapitaal kijkt naar hoe de mens, vanuit een economisch oogpunt, kan bijdragen aan de welvaart. Deze kapitaalvorm valt uiteen in drie componenten. Allereerst wordt er gekeken naar het arbeidsvolume: het totaal aantal gewerkte uren in de samenleving. Naast deze kwantitatieve maat, wordt ook naar de kwaliteit van de arbeid gekeken. Hierbij wordt aandacht besteed aan de gezondheid en aan het opleidingsniveau en de vaardigheden van de beroepsbevolking.

SDG 8 (dashboard 2) laat zien dat het thema arbeid zich in Nederland over een breed front trendmatig positief ontwikkelt. Terwijl de werkloosheid, de langdurige werkloosheid en het onbenut arbeidspotentieel trendmatig dalen, vindt er over de periode 2013–2020 een trendmatige stijging plaats van de vacaturegraad (het aantal vacatures per duizend banen) en van de nettoarbeidsparticipatie. De enige ongunstige trend binnen deze SDG treedt op bij de psychische vermoeidheid door werk (bij werknemers). Het percentage van de werknemers dat vermoeid is door werk steeg van 14,4 procent in het eerste jaar van de meting, 2014, tot 15,7 procent in 2020. Deze vermoeidheid was overigens in 2020 wel beduidend minder dan in 2019 (17,0 procent). Met uitzondering van de gemiddelde arbeidsduur per week (hier neemt Nederland in 2019 een 25e plaats op de EU-ranglijst in), bevindt Nederland zich voor het merendeel van de indicatoren in de Europese voorhoede.

Voor de onderwijscomponent van menselijk kapitaal kan worden gekeken naar SDG 4. Over het opleidingsniveau geeft SDG 4 (kwaliteitsonderwijs) een aantal belangrijke inzichten. Het percentage voortijdige schoolverlaters daalt trendmatig, terwijl een steeds groter deel van de bevolking van 25–64 jaar per jaar zegt een vorm van scholing te hebben gevolgd in de vier weken voorafgaande aan het onderzoek (SDG indicator 4.3.1: leven lang leren). Bij de participatie in voorschoolse educatie is de trend omgeslagen van dalend naar stabiel, terwijl Nederland voor deze indicator in de Europese voorhoede vertoeft. Ook het opleidings- en vaardigenheden niveau van de Nederlandse bevolking is naar Europese maatstaven hoog te noemen, al zijn deze cijfers niet heel recent.

Ook de gezondheid heeft zich de afgelopen periode goed ontwikkeld. De gezonde levensverwachting vertoont een stabiele trend voor zowel mannen als vrouwen. Het percentage van de bevolking ouder dan 12 jaar dat rookt, is gedaald. Daarnaast is het percentage mensen dat bij het dagelijks functioneren ernstige langdurige beperkingen door gezondheidsproblemen ervaart afgenomen. De trend is omgeslagen van stabiel naar groen; voor deze indicator neemt Nederland bovendien een hoge positie op de EU-ranglijst in. De ervaren gezondheid in Nederland vertoonde in eerdere metingen een dalende trend. Nu is sprake van een stabiele trend. Hier staat tegenover dat een steeds groter deel van de bevolking zich psychisch niet gezond voelt.

Sociaal kapitaal

Bij sociaal kapitaal is het beeld positief: hier zijn twee groenkleurende trends en Nederland heeft een hoge positie binnen de EU.

  • Vertrouwen in instituties (SDG 16.6.2): dit vertrouwen wordt gemeten als het percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat voldoende vertrouwen heeft in instituties (score van 6 of hoger op een schaal van 1–10). Hierbij worden drie instituties meegenomen: de Tweede Kamer, politie en rechters. Het percentage van de bevolking dat vertrouwen heeft in deze instituties steeg van 56 procent in 2013 tot 69,5 procent in 2020. Opvallend genoeg is het vertrouwen in instituties ook in het pandemiejaar 2020 sterk gegroeid. Vooral het vertrouwen in de Tweede Kamer is vorig jaar fors toegenomen (van 39,2 procent in 2019 naar 52,4 procent in 2020).
  • Vertrouwen in mensen: ook hier is de trend opwaarts. Het gaat om het percentage mensen van 15 jaar en ouder dat stelt dat mensen in het algemeen te vertrouwen zijn. Dit aandeel was in 2013 58,3 procent en in 2020 63,0 procent.

Het sociaal kapitaal van de samenleving wordt gevormd door het sociaal contact dat mensen met elkaar hebben, en het interpersoonlijk vertrouwen dat hierdoor hopelijk wordt opgebouwd. Ook het vertrouwen van mensen in instituties vormt een belangrijk bestanddeel van sociaal kapitaal.

Vooral in SDG 10 (dashboard 1), dat is gericht op sociale samenhang, inclusie en gelijkheid, staat belangrijke informatie over sociaal kapitaal. Sociale samenhang is onontbeerlijk voor het goed functioneren van een samenleving. De sociale infrastructuur, zoals familieverbanden, buren, vrienden, verenigingen en hulp en ondersteuning vormt hiervan de basis. Mensen moeten in staat zijn hieraan mee te doen, zodat ze zich deel van een groep kunnen voelen. Een bijzondere plaats in dit alles wordt ingenomen door migratievraagstukken.

SDG 10 toont dat maatschappelijke participatie trendmatig daalt voor indicatoren zoals contact met familie, vrienden of buren, deelname aan verenigingen en vrijwilligerswerk. Vooral in 2020 is er – ongetwijfeld onder invloed van de lockdownmaatregelen – sprake van een sterke en significante terugval in maatschappelijke participatie. Wel neemt Nederland op dit vlak een hoge positie op de EU-ranglijsten in. Deze hoge maatschappelijke participatie vertaalt zich ook in een hoge mate van vertrouwen dat burgers in elkaar en in de belangrijkste instituties hebben, alsmede in het onderschrijven van belangrijke normen en waarden. In 2020 is vooral het vertrouwen in instituties (met name in de Tweede Kamer) beduidend gestegen.

Trendomslagen

Bij twee indicatoren in het ‘later’-dashboard is de trend omgeslagen in een richting die vanuit de optiek van brede welvaart ongunstig is. Het gaat om de kenniskapitaalgoederenvoorraad en de gemiddelde schuld per huishouden. Bij de kenniskapitaalgoederenvoorraad was de trend berekend over de trendperiode van de vorige Monitor (2012–2019) groen; op basis van de beschikbare datapunten in de jaren 2013–2020, is dit nu een stabiele trend geworden. Bij de gemiddelde schuld van huishoudens slaat de trend om van grijs naar rood.

Posities op de EU-ranglijst

Hieronder wordt aangegeven wat het niveau van brede welvaart ‘later’ in Nederland is in vergelijking met andere landen in de EU. Waar mogelijk is Nederland met alle EU-lidstaten vergeleken (aangegeven met de EU-27), waar niet voor alle landen (recente) data beschikbaar waren, is vergeleken met minder lidstaten. Het Verenigd Koninkrijk maakt met ingang van deze Monitor geen deel meer uit van de vergelijking.

Met sociaal kapitaal neemt Nederland een gemiddelde tot hoge positie in op de EU-ranglijst. Bij economisch, menselijk en natuurlijk kapitaal is daarentegen sprake van een gemiddelde tot lage score. Voor het natuurlijk kapitaal zien we deze relatief lage scores in hoofdstuk 4 ook terug bij SDG 7 (betaalbare en duurzame energie), SDG 13 (klimaatactie) en SDG 15 (leven op het land).

Meer specifiek kijkend naar de indicatoren binnen de verschillende thema’s, staat Nederland bij de volgende indicatoren hoog op de Europese ranglijst.

Thema economisch kapitaal:

Alleen bij dit thema zijn er posities in de kopgroep:

  • Vertrouwen in mensen: 3e van 23 landen (2018).
  • Vertrouwen in instituties: 3e van 23 landen (2018).

Voor de volgende indicatoren staat Nederland laag op de Europese ranglijst:

Thema economisch kapitaal:

  • Gemiddelde schuld per huishouden: 22e van 24 landen (2019)

Thema natuurlijk kapitaal:

  • Stikstofoverschot: 19e van 19 landen (2017).
  • Cumulatieve CO2‑emissies: 13e van 16 landen (2018).

Thema menselijk kapitaal:

  • Gezonde levensverwachting vrouwen (SDG 3.4.1): 21e van 27 landen (2018).

Alle informatie over de brede welvaart ‘later’ wordt samengevat in figuur 2.3.2.

Uitleg brede-welvaarttrends (BWT)

De binnenste ring van de brede-welvaarttrends (BWT) geeft informatie over de middellangetermijntrend (gebaseerd op beschikbare datapunten in de jaren 2013–2020). De buitenste ring geeft de gemiddelde mutatie in het laatste verslagjaar ten opzichte van het voorgaande jaar. Wijs in de figuur een indicator aan om te zien wat daar is gemeten. Doorklikken geeft meer informatie over de ontwikkeling in Nederland en de positie ten opzichte van de andere EU-landen. Waar mogelijk zijn tijdreeksen opgenomen vanaf 1995.

Voor trends en voor de meest recente jaarlijkse mutaties is de betekenis van kleuren: Voor posities is de betekenis van kleuren:
Groen Groen
de indicator beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een stijging van de brede welvaart. Nederland staat in het bovenste kwartiel van de EU-ranglijst.
Grijs Grijs
de indicator stijgt of daalt niet significant. Nederland staat in het midden van de EU-ranglijst.
Rood Rood
de indicator beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een daling van de brede welvaart. Nederland staat in het onderste kwartiel van de EU-ranglijst.
2.3.2   Brede-welvaarttrends (BWT): later
BredeWelvaartTrendsLater-4,3%Bruto binnenlandsproductPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20205e van 27PositiefNegatiefKlik voor meer informatie-0,5%Economisch kapitaalFysiekekapitaalgoederenvoorraadPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-20197e van 12NegatiefNeutraalKlik voor meer informatie-1,0%Economisch kapitaalKenniskapitaal-goederenvoorraadPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-20195e van 12NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie+0,2%Economisch kapitaalGemiddelde schuldper huishoudenPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-201922e van 24NegatiefNeutraalKlik voor meer informatie+29,1%Economisch kapitaalMediaan vermogenvan huishoudensMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-2019PositiefNeutraalKlik voor meer informatie+43,5%Natuurlijk kapitaalOpgesteld vermogenhernieuwbare elektriciteitPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202018e van 27PositiefPositiefKlik voor meer informatie+0,1%ptNatuurlijk kapitaalBeheerde natuurin NNNMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-2019PositiefNeutraalKlik voor meer informatie-0,4%Natuurlijk kapitaalGroen-blauwe ruimte, exclusiefreguliere landbouwMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2015-2018NegatiefNegatiefKlik voor meer informatie-70,0%Natuurlijk kapitaalFosforoverschot Positie in EU in 2017Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202012e van 18NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie+12,4%Natuurlijk kapitaalStikstofoverschot Positie in EU in 2017Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202019e van 19NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie-0,9%Natuurlijk kapitaalFauna vanhet landMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-2019NegatiefNeutraalKlik voor meer informatie-0,8%Natuurlijk kapitaalFauna van zoetwateren moerasMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-2019NegatiefNeutraalKlik voor meer informatie+1,3%ptNatuurlijk kapitaalOppervlaktewater van goedechemische kwaliteitMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-2020NegatiefNeutraalKlik voor meer informatie+16,4%Natuurlijk kapitaalOnttrekkinggrondwaterPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2017-20188e van 15NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie-11,9%Natuurlijk kapitaalStedelijke blootstelling aanfijnstof (PM2,5)Positie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-20198e van 26PositiefNeutraalKlik voor meer informatie+1,3%Natuurlijk kapitaalCumulatieveCO2-emissiesPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202013e van 16NegatiefNeutraalKlik voor meer informatie-4,1%Menselijk kapitaalGewerkteurenPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202018e van 27PositiefNegatiefKlik voor meer informatie+1,7%ptMenselijk kapitaalHoogopgeleidebevolkingPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202010e van 27PositiefNeutraalKlik voor meer informatie+4,3%Menselijk kapitaalGezonde levensverwachtingvrouwenPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202021e van 27NeutraalPositiefKlik voor meer informatie+2,6%Menselijk kapitaalGezonde levensverwachtingmannenPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202015e van 27NeutraalPositiefKlik voor meer informatie+1,2%ptSociaal kapitaalVertrouwen inmensenPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20203e van 23PositiefNeutraalKlik voor meer informatie+0,6%ptSociaal kapitaalDiscriminatiegevoelens Positie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2016-201817e van 23NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie+6,4%ptSociaal kapitaalVertrouwen ininstitutiesPositie in EU in 2018Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20203e van 23PositiefPositiefKlik voor meer informatie
Sluit dit thema
bbpper hoofdbevolkingPositie in EUDe balken geven de positie aan van Nederland in de Europese Unie per indicator.Onderin EU-ranglijstBovenin EU-ranglijstMiddenpositieLegendaGeen dataEconomischkapitaal02010304Natuurlijkkapitaal0506070809101112131415Menselijkkapitaal16171819Sociaalkapitaal202122Stijging Brede Welvaart Geen veranderingDaling Brede Welvaart Onvoldoende data(kwaliteit)Langjarige trend (8 jaar)Mutatie (laatste jaar)Legenda01 Fysieke kapitaalgoederenvoorraad / 02 Kenniskapitaalgoederenvoorraad / 03 Gemiddelde schuld per huishouden / 04 Mediaan vermogen van huishoudens / 05 Opgesteld vermogen hernieuwbare elektriciteit / 06 Beheerde natuur in NNN / 07 Groen-blauwe ruimte, exclusief reguliere landbouw / 08 Fosforoverschot / 09 Stikstofoverschot / 10 Fauna van het land / 11 Fauna van zoetwater en moeras / 12 Oppervlaktewater van goede chemische kwaliteit / 13 Onttrekking grondwater / 14 Stedelijke blootstelling aan fijnstof (PM2,5) / 15 Cumulatieve CO2-emissies / 16 Gewerkte uren / 17 Hoogopgeleide bevolking / 18 Gezonde levensverwachting vrouwen / 19 Gezonde levensverwachting mannen / 20 Vertrouwen in mensen / 21 Discriminatiegevoelens / 22 Vertrouwen in instituties

2.4Brede welvaart ‘elders’

In deze paragraaf wordt een overzicht gegeven van de trendmatige ontwikkeling van de brede welvaart ‘elders’ in de periode 2013–2020, de meest recente jaarlijkse veranderingen en de positie van Nederland op de EU-ranglijst in het meest recente jaar waarvoor internationale data beschikbaar zijn. Eerst wordt stilgestaan bij de opbouw van het ‘elders’-dashboard.

De manier waarop Nederland ‘hier en nu’ zijn brede welvaart opbouwt, heeft ook gevolgen voor mensen in andere landen. Het dashboard brede welvaart ‘elders’ beschrijft welke effecten het streven naar welvaart hier heeft op de rest van de wereld. In navolging van de CES-Recommendations (UNECE, 2014) worden daarom de stromen van inkomens en hulpbronnen tussen Nederland en het buitenland in kaart gebracht.

Dit dashboard besteed bijzondere aandacht aan de 47 allerarmste ontwikkelingslanden, de ‘least developed countries’ (LDC’s). Met deze nadruk op de armste landen worden de aanbevelingen van het Brundtland-rapport (WCED, 1987) gevolgd, de studie die het meetsysteem van brede welvaart in de Monitor inspireerde. Dit rapport betoogt dat de brede welvaart in de wereld alleen duurzaam in stand kan worden gehouden, als die tussen noord en zuid gelijker verdeeld wordt. Deze thematiek vormt ook een wezenlijk aspect van de agenda van de SDG’s. Ook hier staat centraal hoe de allerarmste landen in 2030 een hoger niveau van brede welvaart kunnen bereiken, en wat de rijkere landen kunnen doen om dit proces van welvaartsstijging te ondersteunen.

In de CES-Recommendations wordt duurzame ontwikkeling een kwestie van rechtvaardige verdeling genoemd. Hierbij gaat het niet alleen om een rechtvaardige verdeling van de welvaart tussen de huidige generatie en de volgende generaties in Nederland, maar ook om een rechtvaardige verdeling tussen de hoge-inkomenslanden en de armere landen. In dit verband wordt overigens nadrukkelijk vermeld dat de Monitor de belangrijkste stromen van inkomens en hulpbronnen alleen in kaart brengt; wat daarin wenselijk of rechtvaardig is, is aan politiek en samenleving om te bepalen. De Monitor biedt de cijfers om dat debat te kunnen voeren.

Over het algemeen wordt deze ‘elders’-benadering niet in de beschrijving van de brede welvaart betrokken. De meeste landen beperken zich tot een vergelijking van de manier waarop de brede welvaart zich ‘hier en nu’ ontwikkelt, en hoe het verbruik van vooral niet-hernieuwbare hulpbronnen de welvaart in de toekomst onder druk zet. Het is overigens goed te begrijpen dat in de meeste landen zo’n perspectief ontbreekt: er zijn tot op heden weinig indicatoren beschikbaar om de stroom van inkomens en hulpbronnen tussen landen – en op mondiale schaal – goed te beschrijven.

De CES-Recommendations laten dit ook zien. De ’elders’-dimensie kan pas werkelijk goed worden weergegeven als we naast de stromen van inkomens, ook alle stromen van kapitaal (natuurlijk, economisch, menselijk en sociaal kapitaal) kunnen beschrijven. Daarnaast is het van essentieel belang goed inzicht te krijgen in de ecologische voetafdruk die Nederland in de rest van de wereld achterlaat.

Bij de invoercijfers voor grondstoffen moet worden opgemerkt dat deze inclusief wederuitvoer zijn. Dat betekent dat bepaalde goederen die na een kleine bewerking in Nederland te hebben ondergaan direct naar andere landen worden geëxporteerd ook in de cijfers zitten. Hierdoor kan volgens sommige onderzoekers een te somber beeld worden geschetst van de milieudruk die Nederland op de rest van de wereld legt. Hierbij kunnen twee kanttekeningen worden geplaatst. Ten eerste is het niet zo dat Nederland hier economisch in het geheel geen baat bij heeft: de op- en overslagactiviteiten van met name de Rotterdamse haven en de vervoerssector profiteren immers sterk van deze wederuitvoer. Ten tweede heeft het CBS een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd om te kijken of Nederland ook na een voorlopige correctie voor wederuitvoer nog steeds de lage positie op de EU-ranglijst inneemt, zoals al jaren gerapporteerd (Langenberg en Smits, 2015). Dan blijkt dat ook na een dergelijke correctie, Nederland nog altijd (per hoofd van de bevolking) een grote importeur van niet-hernieuwbare hulpbronnen is. Het zou het mooiste zijn als de invoercijfers gecorrigeerd zouden kunnen worden voor wederuitvoer. Dit blijkt in technisch opzicht vooralsnog heel lastig te zijn.

Ook in deze editie van de Monitor ligt de nadruk op de stromen van inkomens (thema handel en hulp) en het gebruik dat Nederland maakt van het natuurlijk kapitaal van andere landen (thema milieu en grondstoffen).

2.4.1   Brede welvaart 'elders'

Handel en hulp

€ 24 321
€ 14 631
€ 625,00
€ 2 954
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
€ 5 849
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
€ 131,00
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
€ 165,00
2e
0,6%
5e
1,6%
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
4e

Milieu en grondstoffen

12,2
27e
56,6
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
2,2
25e
13,1
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
2,4
23e
2,1
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart
5,2
De langjarige trend wijst op een daling van de brede welvaart
26e
18,7
0,611
7,5
14,4
De langjarige trend wijst op een stijging van de brede welvaart

In dit dashboard staat voor iedere indicator achtereenvolgens het meest recente cijfer voor Nederland, de middellangetermijntrend in de periode 2013–2020, een grafiek van de EU-ranglijst en de positie van Nederland in de EU.

Onder het thema handel en hulp wordt gekeken naar de wijze waarop Nederland een positieve bijdrage kan leveren aan de brede welvaart van andere landen. Hierbij wordt in navolging van het Brundtland-rapport speciaal gedacht aan de inkomensstromen tussen Nederland en de LDC’s.

De invoer van Nederland uit ontwikkelingslanden wordt verondersteld een positieve invloed te hebben op de welvaart van deze handelspartners: deze handel brengt werkgelegenheid en inkomens met zich mee voor producenten en handelaren daar. Uiteraard hangt het er wel vanaf in welke producten er wordt gehandeld. Als het gaat om de invoer van niet-hernieuwbare hulpbronnen, dan kan die vanuit een ecologische optiek kritischer worden bekeken. (Dat aspect van handel wordt in het thema milieu en grondstoffen beschreven.) De invoer is onderscheiden naar een aantal werelddelen. Hierdoor kan worden nagegaan of de handel met de Global South geïntensiveerd is of niet. De manier waarop de westerse wereld (Global North) economisch verbonden is met de ontwikkelingslanden (Global South) is immers een belangrijk onderwerp in het Brundtland-rapport.

Andere manieren om de welvaart in ontwikkelingslanden positief te beïnvloeden zijn overdrachten van migranten naar hun land van herkomst en ontwikkelingshulp. Een toename van deze financiële stromen wordt in het dashboard als groen weergegeven.

Sommige vormen van handel kunnen vanuit een welvaartsoptiek kritischer worden bekeken. Het gaat dan vooral om de invoer van grondstoffen. Het thema milieu en grondstoffen gaat na in hoeverre Nederland druk legt op het milieu of de grondstofvoorraden van andere landen. Zoals gezegd, handel wordt in principe gezien als welvaartbevorderend (zie het thema handel en hulp). Als hierdoor echter de voorraad natuurlijk kapitaal daalt, dan is dat – net als in het ‘later’-dashboard – potentieel ongunstig voor de ontwikkeling van de brede welvaart op de langere termijn. Daarnaast is het van belang te weten welke voetafdruk Nederland in de rest van de wereld achterlaat. In theorie is het mogelijk dat Nederland aan allerlei duurzaamheidsnormen voldoet, maar de vervuilende activiteiten naar ‘elders’ verplaatst en bijvoorbeeld producten importeert die op een zeer milieuonvriendelijke manier zijn geproduceerd.

Waarom is het belangrijk specifiek aandacht te besteden aan de import van natuurlijke hulpbronnen uit de LDC’s? Vooral in veel Afrikaanse landen leidt deze handel in natuurlijke hulpbronnen tot problemen die de brede welvaart daar kunnen verlagen. De opbrengsten van de export vanuit met name Afrika worden overwegend consumptief besteed en komen vaak vooral een kleine elite ten goede. Bij hoge prijzen voor grondstoffen worden arbeid en kapitaal steeds meer ingezet in de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen. Dit draagt bij aan een eenzijdige economische structuur. In de literatuur wordt in dit verband gewezen op de zogenaamde ‘resource curse’ (Sachs en Warner, 1995; Venables, 2016).

Verder blijkt dat er een sterke relatie bestaat tussen enerzijds de mate waarin landen voor hun economische groei afhankelijk zijn van natuurlijke hulpbronnen, en anderzijds de mate van maatschappelijke ongelijkheid, corruptie en het optreden van spanningen in de samenleving. Het bestaan van een dergelijke ‘resource curse’ is overigens niet onvermijdelijk: Botswana en Chili zijn voorbeelden van landen waar de opbrengsten uit de uitvoer van natuurlijke hulpbronnen aan brede lagen van de bevolking ten goede zijn gekomen (Clark, 2011).

Hieronder worden de belangrijkste trendmatige ontwikkelingen van de brede welvaart ‘elders’ in de periode 2013–2020 beschreven.

Samenvattend beeld

Het thema ‘handel en hulp’ laat een stabiele tot positieve ontwikkeling zien. Bij de uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking is de trend stabiel, die van de overdrachten is stijgend. Bij het thema ‘milieu en grondstoffen’ is het beeld gemengd. Drie indicatoren laten een groene trend zien, twee kleuren er rood.

Handel en hulp

Bij het thema handel en hulp zijn er vier stijgende (groene) middellangetermijntrends. De volgende indicatoren ontwikkelen zich in de richting van meer brede welvaart:

  • Invoer van goederen uit Amerika: hier gaat het om de waarde in euro’s (lopende prijzen) van de uit landen in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika ingevoerde goederen per hoofd van de bevolking. In de periode 2013–2020 is deze invoer gestegen van 2 654 euro tot 2 954 euro per inwoner. De middellangetermijntrend is omgeslagen van stabiel in de periode 2012–2019 naar groen in de periode 2013–2020.
  • Invoer van goederen uit Azië: waarde in euro’s (lopende prijzen) van de uit Aziatische landen ingevoerde goederen per hoofd van de bevolking. In de periode 2013–2020 is deze invoer gestegen van 4 781 euro naar 5 849 euro per inwoner.
  • Invoer van goederen uit Oceanië: waarde in euro’s (lopende prijzen) van de uit Oceanië ingevoerde goederen per hoofd van de bevolking. In de periode 2013–2020 is deze invoer gestegen van 80 tot 131 euro per inwoner.
  • Overdrachten door migranten vanuit Nederland naar mensen uit hun land van herkomst. Dit bedrag is uitgedrukt als percentage van het bruto nationaal inkomen en is gestegen van 1,1 procent in 2013 naar 1,6 procent in 2019. Bij het percentage overdrachten past een flinke kanttekening in verband met een aantal meetproblemen. De indicator betreft overdrachten van lonen en salarissen verdiend door niet-ingezetenen, maar deze cijfers bevatten mogelijk ook geldstromen van particuliere beleggers. Tot de landen met het hoogste percentage overdrachten behoren Luxemburg en, in mindere mate, Malta en Cyprus. Fiscale voordelen kunnen mede van invloed zijn. Verder kunnen niet-ingezetenen die langer dan twaalf maanden in een land wonen, moeilijk onderscheiden worden en worden overdrachten via niet-officiële instanties niet gemeten. In hoeverre deze meetproblemen de cijfers beïnvloeden is niet duidelijk, omdat het betaalverkeer per land sterk verschilt.

Milieu en grondstoffen

Bij dit thema ontwikkelen drie indicatoren zich gunstig vanuit het perspectief van brede welvaart en twee ongunstig:

  • Invoer fossiele brandstoffen uit LDC’s: deze handelscijfers worden ontleend aan de ‘material flow accounts’ en zijn uitgedrukt in kg per inwoner. De invoer daalde van 124,1 kg in 2013 tot 56,6 kg in 2020, waarmee er relatief minder aanspraak is gemaakt op het natuurlijk kapitaal van de LDC’s. De trend is nu groen, waar deze voorheen stabiel was.
  • Invoer van niet-metaalmineralen uit LDC’s: deze invoer is afgenomen van 7,0 kg in 2013 naar 2,1 kg per inwoner in 2020. Ook hier is de trend omgeslagen van stabiel naar groen.
  • De uit LDC’s ingevoerde hoeveelheid metalen in kg per hoofd van de bevolking is toegenomen van 3,8 kg per inwoner in 2013 naar 13,1 kg in 2020.
  • Invoer biomassa (totaal, uit alle landen): deze invoer is uitgedrukt in de hoeveelheid biomassa en afgeleide producten van vooral organisch materiaal, in tonnen per inwoner. Het kan verbazing wekken dat de invoer van biomassa in de Monitor vanuit een brede-welvaartsoptiek als onwenselijk wordt gezien. Immers, is het niet veel beter als Nederland biomassa importeert dan fossiele brandstoffen? Dat is zeker zo, maar ook met de invoer van biomassa maakt Nederland aanspraak op de natuurlijke hulpbronnen elders in de wereld. Daarnaast is het niet altijd duidelijk of deze biomassa ook daadwerkelijk op een duurzame wijze is voortgebracht. De hoeveelheid geïmporteerde biomassa is gestegen van 4,8 ton per inwoner in 2013 tot 5,2 ton in 2020.
  • Broeikasgasvoetafdruk: de broeikasgasvoetafdruk, een maatstaf voor de totale broeikasgas­emissies ten behoeve van de Nederlandse consumptie, kwam in 2020 uit op 14,4 ton CO2‑equivalenten per inwoner. Dit is duidelijk minder dan in 2019, de daling was 8,2 procent. De trend is dalend (groen).

Nederland is nog steeds een van de weinige landen die in de beschrijving van de brede welvaart en duurzaamheid expliciet aandacht besteedt aan de ‘elders’-dimensie; en dat, terwijl belangrijke duurzaamheidsvraagstukken een mondiaal karakter hebben (denk aan het klimaatprobleem en de biodiversiteitsverliezen). De SDG-agenda is natuurlijk een mondiaal initiatief. Met name SDG 17 benadrukt het belang van de vorming en het behoud van partnerschappen om daarmee de andere 16 doelstellingen te bereiken. Internationale samenwerking is essentieel om de capaciteit en middelen vrij te maken om de duurzame ontwikkelingsagenda uit te voeren. Dit vereist samenhangend beleid, een coöperatieve omgeving en nieuwe mondiale partnerschappen.

Het gaat er bij SDG 17 om welk effect ontwikkelingen in Nederland op andere landen hebben; op basis hiervan worden de kleuren groen, grijs en rood in het dashboard toegekend. Helaas zijn voor de meeste subdoelen in SDG 17 geen goed meetbare indicatoren voorhanden. Zo is een aantal doelen gericht op de ontwikkeling van beleidsinstrumenten om de duurzame ontwikkeling in andere landen te ondersteunen. Het Nederlandse beleid dekt het grootste deel van SDG 17 en is grotendeels onderdeel van het Nederlandse buitenlands beleid, in het bijzonder BHOS-beleid (buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking). Voor dit beleid, en de doelen die hier zijn geformuleerd, kunnen geen indicatoren in de klassieke zin van het woord worden opgesteld, maar wordt per land aangegeven in hoeverre zulke beleidsinstrumenten al dan niet bestaan. SDG 17 kan dan ook niet op eenzelfde manier worden beschreven als de eerdere SDG’s. Het blijft lastig om SDG 17 beter meetbaar te maken. Hier worstelen ook statistische bureaus in andere landen mee. Het is en blijft de wens van het CBS om deze SDG met aanvullende indicatoren beter in kaart te brengen.

Trendomslagen

In het ‘elders’-dashboard is voor zeven indicatoren sprake van een trendomslag, bij vijf in een positieve richting.

Bij het thema handel en hulp blijkt de middellangetermijntrend voor de waarde van de ‘invoer van goederen uit Afrika’ omgeslagen van rood naar grijs: de dalende trend over de periode 2012–2019 is over de periode 2013–2020 bezien een stabiele geworden. Bij de waarde van de ‘invoer van goederen uit Amerika’ is de trend inmiddels verbeterd van stabiel naar stijgend (groen). Ook dit wijst op een toename van de brede welvaart. Bij de waarde van de ‘totale invoer uit de LDC’s per inwoner’ is de middellangetermijntrend nu stabiel (grijs), waar deze voorheen stijgend (groen) was. Dit betekent een verslechtering.

Bij het thema milieu en grondstoffen was er bij de hoeveelheid ‘invoer van metalen’ (uit de hele wereld) een verbetering doordat de trend omsloeg van rood (in dit geval stijgend) naar stabiel. Ook bij de hoeveelheid ‘invoer van fossiele energiedragers uit LDC’s’ en ‘invoer van niet-metaal mineralen uit LDC’s’ was de ontwikkeling gunstig. Hier sloeg de middellangetermijntrend om van stabiel over de periode 2012–2019, naar groen (want dalend) over de periode 2013–2020.

Bij één indicator voor dit thema betekende de trendomslag een verslechtering vanuit het perspectief van brede welvaart: bij de hoeveelheid ‘invoer van niet-metaal mineralen’ (uit de hele wereld) is de middellangetermijntrend over 2013–2020 stabiel, waar deze voorheen dalend was en daarmee groen kleurde.

Posities op de EU-ranglijst

Hieronder wordt beschreven wat het niveau van brede welvaart ‘elders’ voor Nederland is in vergelijking met de andere landen in de EU-27.

Voor wat betreft de waarde van de ‘totale invoer uit LDC’s’, ‘ontwikkelingshulp’ en ‘overdrachten’ uit thema handel en hulp staat Nederland bovenaan in de EU-ranglijst. Voor het thema ‘milieu en grondstoffen’ staat Nederland juist onderin deze lijst, mede doordat Nederland met zijn wereldhaven een grote importeur van grond- en hulpstoffen is.

Meer specifiek kijkend naar de indicatoren binnen de verschillende thema’s, staat Nederland voor de volgende indicatoren hoog op de Europese ranglijst:

Thema handel en hulp:

  • Totale invoer uit LDC’s (SDG 17.11.1): 2e van 26 landen (2019)
  • Ontwikkelingshulp (SDG 17.2.1): 5e van 26 landen (2019)
  • Overdrachten (SDG 17.3.2): 4e van 27 landen (2019)

Voor een aantal indicatoren laat Nederland, als grote importeur, een lage score op de EU-ranglijst zien:

Thema milieu en grondstoffen:

  • Invoer fossiele energiedragers: 27e van 27 landen (2019)
  • Invoer metalen: 25e van 27 landen (2019)
  • Invoer niet-metaal mineralen: 23e van 27 landen (2019)
  • Invoer biomassa: 26e van 27 landen (2019)

Alle informatie over de brede welvaart ‘elders’ wordt samengevat in figuur 2.4.2.

Uitleg brede-welvaarttrends (BWT)

De binnenste ring van de brede-welvaarttrends (BWT) geeft informatie over de middellangetermijntrend (gebaseerd op beschikbare datapunten in de jaren 2013–2020). De buitenste ring geeft de gemiddelde mutatie in het laatste verslagjaar ten opzichte van het voorgaande jaar. Wijs in de figuur een indicator aan om te zien wat daar is gemeten. Doorklikken geeft meer informatie over de ontwikkeling in Nederland en de positie ten opzichte van de andere EU-landen. Waar mogelijk zijn tijdreeksen opgenomen vanaf 1995.

Voor trends en voor de meest recente jaarlijkse mutaties is de betekenis van kleuren: Voor posities is de betekenis van kleuren:
Groen Groen
de indicator beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een stijging van de brede welvaart. Nederland staat in het bovenste kwartiel van de EU-ranglijst.
Grijs Grijs
de indicator stijgt of daalt niet significant. Nederland staat in het midden van de EU-ranglijst.
Rood Rood
de indicator beweegt in de richting die wordt geassocieerd met een daling van de brede welvaart. Nederland staat in het onderste kwartiel van de EU-ranglijst.
2.4.2   Brede-welvaarttrends (BWT): elders
BredeWelvaartTrendsElders-4,3%Bruto binnenlandsproductPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20205e van 27PositiefNegatiefKlik voor meer informatie-8,3%Handel en hulpInvoer vangoederen totaalMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-2020NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie-9,7%Handel en hulpInvoer van goederenuit EuropaMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-2020NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie-11,1%Handel en hulpInvoer van goederenuit AfrikaMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-2020NeutraalNegatiefKlik voor meer informatie-5,1%Handel en hulpInvoer van goederenuit AmerikaMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-2020PositiefNeutraalKlik voor meer informatie-5,0%Handel en hulpInvoer van goederenuit AziëMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-2020PositiefNeutraalKlik voor meer informatie+0,6%Handel en hulpInvoer van goederenuit OceaniëMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-2020PositiefNeutraalKlik voor meer informatie-5,8%Handel en hulpTotale invoeruit LDC'sPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-20202e van 26NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie0,0%ptHandel en hulpOntwikkelingshulp Positie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-20195e van 26NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie+0,2%ptHandel en hulpOverdrachten Positie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-20194e van 27PositiefNeutraalKlik voor meer informatie-8,2%Milieu en grondstoffenInvoer fossieleenergiedragersPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202027e van 27NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie+20,3%Milieu en grondstoffenInvoer fossiele energiedragersuit LDC'sMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-2020PositiefNegatiefKlik voor meer informatie-5,5%Milieu en grondstoffenInvoermetalenPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202025e van 27NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie-37,4%Milieu en grondstoffenInvoer metalenuit LDC'sMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-2020NegatiefPositiefKlik voor meer informatie-3,7%Milieu en grondstoffenInvoer niet-metaalmineralenPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202023e van 27NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie-10,6%Milieu en grondstoffenInvoer niet-metaal mineralenuit LDC'sMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-2020PositiefNeutraalKlik voor meer informatie+2,5%Milieu en grondstoffenInvoerbiomassaPositie in EU in 2019Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-202026e van 27NegatiefNeutraalKlik voor meer informatie+9,5%Milieu en grondstoffenInvoer biomassauit LDC'sMiddellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-2020NeutraalNegatiefKlik voor meer informatie+0,9%Milieu en grondstoffenLandvoetafdruk Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2013-2017Niet meetbaarNeutraalKlik voor meer informatie-5,2%Milieu en grondstoffenGrondstoffenvoetafdruk Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2018-2019NeutraalNeutraalKlik voor meer informatie-8,2%Milieu en grondstoffenBroeikasgasvoetafdruk Middellangetermijntrend (2013-2020)Ontwikkeling in 2019-2020PositiefNeutraalKlik voor meer informatie
Sluit dit thema
Positie in EUDe balken geven de positie aan van Nederland in de Europese Unie per indicator.Onderin EU-ranglijstBovenin EU-ranglijstMiddenpositieLegendaGeen databbpper hoofdbevolkingHandel en hulp08091007Milieu en grondstoffen1112131416151719182021010203040605Stijging Brede Welvaart Geen veranderingDaling Brede Welvaart Onvoldoende data(kwaliteit)Langjarige trend (8 jaar)Mutatie (laatste jaar)Legenda