Onderwijs
Vanaf het begin van hun verblijf in Nederland in 1951 verkeerden Molukse leerlingen in een ongunstige startpositie in het onderwijs. Dit werd met name veroorzaakt door het lage onderwijsniveau van hun ouders die in Nederlands-Indië hooguit enkele jaren Nederlandstalig onderwijs hadden gehad. In de beginperiode was het beleid in Nederland er dan ook op gericht de Molukkers geheel Nederlandstalig onderwijs te geven en hen intensief te begeleiden om zo hun onderwijspositie te verbeteren. Aan volwassen Molukkers in de woonoorden werden geen mogelijkheden geboden hun onderwijsniveau te verhogen (Straver, 2005).
Sinds eind jaren vijftig van de vorige eeuw zijn diverse onderzoeken gedaan om de prestaties in het onderwijs van Molukse leerlingen in Nederland in beeld te brengen. Keer op keer bleek dat de achterstanden van Molukse leerlingen hardnekkig waren en dat verbeteringen in de onderwijspositie van opeenvolgende generaties Molukse leerlingen moeizaam verliepen. Onderzoeken uit de jaren 1950 en 1970 toonden een sterke oververtegenwoordiging van Molukse leerlingen in het lager beroepsonderwijs aan en een sterke ondervertegenwoordiging op het havo/vwo. Begin jaren 1990 waren weliswaar enige positieve tendensen te zien in de onderwijspositie van Molukkers (daling van het aantal drop-outs, afname van de oververtegenwoordiging in het lager beroepsonderwijs en de ondervertegenwoordiging op het havo/vwo). Tegelijkertijd bleef de onderwijspositie van Molukse leerlingen nog steeds (ver) achter bij die van Nederlandse leerlingen. Die achterstand werd in de twee decennia die volgden niet ingehaald (Gijsberts en Merens, 2004).
Veenman constateerde in 2001 nog steeds een oververtegenwoordiging van Molukse leerlingen op de mavo en een ondervertegenwoordiging op het havo/vwo, niet alleen ten opzichte van Nederlandse leerlingen maar ook ten opzichte van Surinamers en Antillianen. Verrassend was bovendien dat de kleinkinderen van Molukse migranten het niet beter maar juist iets slechter deden dan de groep Molukkers als geheel.
Ook de schooluitval onder Molukkers bleek aanzienlijk en hoger dan onder andere groepen, met name onder mannen. Tunjanan en Veenman (2009) concludeerden dat de onderwijsprestaties van Molukkers achterbleven bij leerlingen met een Nederlandse achtergrond en ook bij leerlingen met een andere migratieachtergrond. Opnieuw werd vastgesteld dat de kleinkinderen van Molukse migranten nog steeds slechter scoorden dan de kinderen van Molukse migranten.
In deze paragraaf wordt beschreven of deze achterstandsituatie op onderwijsgebied onder Molukse leerlingen nog steeds zichtbaar is en hoe de onderwijsprestaties van personen van Molukse afkomst zich verhouden tot die van personen met een Nederlandse achtergrond.
Daarbij wordt achtereenvolgens gekeken naar het aandeel jongeren dat zonder startkwalificatie de school verlaat, de hoogst behaalde opleiding en het aandeel leerlingen dat onderwijs volgt op havo/vwo. Er zal telkens een vergelijking worden gemaakt tussen Molukse jongeren en jongeren met een Nederlandse achtergrond. Tevens worden verschillende generaties Molukkers met elkaar vergeleken. Ten slotte wordt geprobeerd door middel van een decompositieanalyse eventuele verschillen tussen Nederlandse en Molukse jongeren te verklaren aan de hand van verschillen in achtergrondkenmerken.
Molukkers vaker van school zonder startkwalificatie
Veenman en Martens constateerden in 1993 dat het percentage drop-outs (leerlingen die het voortgezet onderwijs niet afmaakten) onder Molukse jongeren hoger lag dan onder Nederlandse jongeren. Dat verschil kwam bijna geheel op het conto van de mannen, onder vrouwen was er nauwelijks verschil.
De achterstand van Molukse leerlingen ten opzichte van Nederlandse leerlingen wordt ook nu nog teruggezien op het gebied van voortijdig schoolverlaten. Het aandeel voortijdig schoolverlaters uit het mbo onder mannen jonger dan 23 jaar is nog steeds een stuk hoger dan onder vrouwen. Dit wordt overigens zowel onder Molukkers als onder personen met een Nederlandse achtergrond waargenomen.
Rond de 20 procent van de Molukse mannen en 14 procent van de Molukse vrouwen heeft in de vijf schooljaren 2012/’13 tot en met 2016/’17 het onderwijs verlaten zonder startkwalificatie.noot1 Onder mannen en vrouwen met een Nederlandse achtergrond was dit respectievelijk 12 en 8 procent. Opvallend is dat de kleinkinderen van Molukse migranten het nauwelijks beter doen dan de kinderen van Molukse migranten.
| Achtergrond | Vrouwen | Mannen |
|---|---|---|
| Moluks, kleinkinderen | 14 | 20 |
| Moluks, kinderen | 14 | 21 |
| Nederlands | 8 | 12 |
| 1)Is minimaal 1 keer voortijdig schoolverlater geweest in schooljaren 2012/'13 tot en met 2016/'17. | ||
Kleinkinderen van Molukse migranten minder vaak hoog opgeleid dan kinderen van Molukse migranten
Hier wordt een opmerkelijk verschijnsel gezien dat ook al uit eerdere studies naar voren kwam: de jongere generatie doet het wat betreft opleiding niet beter dan de oudere generatie en de achterstand die de kinderen van Molukse migranten hebben op personen met een Nederlandse achtergrond in dezelfde leeftijdscategorie wordt door de kleinkinderen van Molukse migranten niet ingehaald. Zo bedraagt het aandeel hoogopgeleiden onder de kinderen van Molukse migranten van 25 tot 45 jaar 32 procent in 2017.noot2 Onder leeftijdsgenoten van de kleinkinderen van Molukse migranten is 28 procent hoogopgeleid. Voor zowel kinderen als kleinkinderen van Molukse migranten geldt dat zij veel minder vaak hoogopgeleid zijn dan personen met een Nederlandse achtergrond. In 2017 was het aandeel hoogopgeleiden van 25- tot 45‑jarige personen met een Nederlandse achtergrond ruim 42 procent.
Uit een studie van Veenman uit 2001 kwam iets soortgelijks naar voren. Het gerealiseerde onderwijsniveau van de kleinkinderen van Molukse migranten (jongeren van 15–30 jaar) bleef ook toen achter bij dat van de groep Molukkers als geheel.
| Achtergrond | Moluks, kinderen | Moluks, kleinkinderen | Nederlands |
|---|---|---|---|
| Laag | 19 | 20 | 14 |
| Midden | 49 | 52 | 44 |
| Hoog | 32 | 28 | 42 |
| 1)Exclusief onderwijsvolgenden | |||
Kinderen en kleinkinderen van Molukse migranten in leerjaar 3 minder vaak naar havo/vwo dan kinderen met Nederlandse achtergrond
Kinderen en kleinkinderen van Molukse migranten zijn in vergelijking met leerlingen zonder migratieachtergrond in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs ondervertegenwoordigd op havo/vwo. Daarbij zijn relatief weinig verschillen tussen de kinderen en kleinkinderen van Molukse migranten te constateren: respectievelijk 37 en 38 procent volgde in de periode 2012/’13 tot en met 2016/’17 voortgezet onderwijs op havo- of vwo-niveau. Wel volgen kinderen van Molukse migranten wat vaker onderwijs op vwo-niveau dan de kleinkinderen.
Ook in het aandeel leerlingen op havo/vwo blijft het verschil met leerlingen met een Nederlandse achtergrond groot, waar ruim 45 procent onderwijs op dit niveau volgt. De achterstand ten opzichte van personen met een Nederlandse achtergrond die ook onder 25- tot 45‑jarigen is geconstateerd blijft dus voortbestaan. Vrouwen doen het onder alle generaties Molukkers beter dan mannen, iets wat ook wordt gezien bij personen met een Nederlandse achtergrond.
Specifieke informatie over het bereiken van havo/vwo-niveau in het derde leerjaar naar generatie is uit eerdere onderzoeken niet voorhanden. Wel concludeerden Martens en Veenman (1993) dat de instroom in havo/vwo in 1990 van Molukse jongeren van 15 tot 30 jaar ver achterbleef bij die van Nederlandse jongeren van dezelfde leeftijd (respectievelijk 10 en 40 procent).
| Achtergrond | Praktijkonderwijs | Vmbo | Havo | Vwo |
|---|---|---|---|---|
| Moluks, kinderen | 3 | 59 | 18 | 20 |
| Moluks, kleinkinderen | 2 | 61 | 21 | 16 |
| Nederlands | 2 | 53 | 22 | 23 |
Verschillen in aandeel havo/vwo-leerlingen verklaard
Molukse jongeren volgen in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs minder vaak havo/vwo-niveau dan leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Voor de totale Molukse leerlingenpopulatie geldt dat in de periode 2012/’13 tot en met 2016/’17 36,8 procent in het derde leerjaar op havo/vwo zat. Dat was 8,0 procentpunt minder dan leerlingen met een Nederlandse achtergrond. De vraag is echter in hoeverre dit verschil kan worden toegeschreven aan verschillen in achtergrondkenmerken tussen Molukse leerlingen en leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Middels decompositieanalyse kan worden bepaald welke achtergrondkenmerken een rol spelen in het te verklaren deel van het verschil tussen Molukse leerlingen en leerlingen met een Nederlandse achtergrond. In dit onderzoek wordt hierbij gekeken naar achtergrondkenmerken zoals leeftijd, onderwijsniveau van de moeder, gezinskenmerken (ouderlijke structuur en huishoudinkomen) en woonkenmerken (stedelijkheid woongemeente en woonachtig in gemeente met Molukse wijk). Omdat het aantal Molukse leerlingen op het voortgezet onderwijs beperkt is, zijn de gegevens van vijf jaar gecombineerd (2012/’13 tot en met 2016/’17). Als gevolg hiervan kan geen uitsplitsing worden gemaakt naar generatie en beperkt de analyse zich tot de totale groep Molukkers die in de onderzoeksperiode in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs heeft gezeten.
| Verschil | Getal |
|---|---|
| Feitelijk | 8,0 |
| Gecorrigeerd | 3,6 |
Leeswijzer decompositieanalyse leerjaar 3 havo/vwo
Het aandeel Molukse leerlingen op havo/vwo bedroeg in de periode 2012/’13 tot en met 2016/’17 36,8 procent van alle Molukse leerlingen in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs. Onder leerlingen met een Nederlandse achtergrond bedroeg dit 44,9 procent. Het verschil tussen deze groepen in aandeel leerlingen op havo/vwo was 8,0noot3 procentpunt. Dit verschil wordt 55 procent kleiner wanneer er wordt gecorrigeerd voor bovengenoemde achtergrondkenmerken. Dat betekent dat het aandeel Molukse leerlingen op havo/vwo veel hoger zou liggen als zij dezelfde achtergrondkenmerken zouden hebben als de leerlingen met een Nederlandse achtergrond. In dat geval zou het aandeel Molukse leerlingen op havo/vwo 41,3 procent bedragen. Het verschil in aandeel havo/vwo-leerlingen met een Nederlandse achtergrond is dan nog slechts 3,6 procentpunt.
Verschil in bereiken havo/vwo-niveau in leerjaar 3 grotendeels verklaard door opleiding moeder en thuissituatie
Na correctie voor achtergrondkenmerken wordt het verschil in het aandeel Molukse leerlingen en leerlingen met een Nederlandse achtergrond op havo/vwo teruggebracht tot 3,6 procentpunt. Dit gecorrigeerde verschil is 55 procent kleiner dan het feitelijke verschil. Wanneer de totale Molukse groep dezelfde achtergrondkenmerken zou hebben als de groep met een Nederlandse achtergrond, zou het aandeel Molukse leerlingen op havo/vwo 41,3 procent bedragen, in plaats van de feitelijke 36,8 procent. Van de verschillen die kunnen worden verklaard, zijn vooral verschillen in onderwijsniveau van de moeder bepalend. Moeders van Molukse leerlingen hebben gemiddeld een lager onderwijsniveau dan moeders van leerlingen zonder migratieachtergrond. Bekend is dat kinderen van hoogopgeleide ouders relatief vaak doorstromen naar hogere onderwijsniveaus op het voortgezet onderwijs (Van Spijker e.a., 2017). Wanneer de moeders van Molukse leerlingen gemiddeld hetzelfde onderwijsniveau zouden hebben als de moeders van Nederlandse leerlingen, zou het aandeel leerlingen op havo/vwo 2,5 procentpunt hoger liggen dan daadwerkelijk het geval is. Ook verschillen in gezinsstructuur dragen bij aan het lagere aandeel leerlingen op havo/vwo. Zoals in hoofdstuk 1 al is gebleken, groeien Molukse jongeren vaker op in een eenoudergezin dan Nederlandse leerlingen. Wanneer de gezinsstructuur voor Molukse leerlingen hetzelfde zou zijn als voor leerlingen van Nederlandse afkomst, zou het aandeel Molukse leerlingen op havo/vwo 1,2 procentpunt hoger liggen dan het feitelijke aandeel. Ook het feit dat de Molukse leerlingen in leerjaar 3 gemiddeld wat ouder zijn dan leerlingen met een Nederlandse achtergrond – mogelijk zijn zij vaker blijven zitten in eerdere jaren – speelt een rol in het verschil in het aandeel op havo/vwo. Het al dan niet wonen in een gemeente met een Molukse wijk draagt nauwelijks bij aan het verschil in havo/vwo-leerlingen.
Conclusie
Personen van Molukse komaf hebben een minder gunstige onderwijspositie dan personen van Nederlandse komaf. Jonge Molukkers volgen minder vaak onderwijs op havo- of vwo-niveau en verlaten vaker het onderwijs zonder startkwalificatie dan jongeren met een Nederlandse komaf. Ook hebben Molukkers gemiddeld een lager onderwijsniveau dan hun leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond. Daarbij valt op dat de jongere generaties een overwegend minder gunstige onderwijs positie innemen dan de oudere generaties Molukkers. Zo hebben kleinkinderen van Molukse migranten minder vaak een hoog onderwijsniveau dan de kinderen van Molukse migranten.
Uit de decompositieanalyse van het aandeel leerlingen van het voortgezet onderwijs op havo of vwo blijkt dat 55 procent van het verschil kan worden verklaard door verschillen in achtergrondkenmerken tussen personen van Molukse en Nederlandse komaf. Het lager onderwijsniveau van de moeder en de ongunstige gezinskenmerken van Molukse leerlingen spelen een belangrijke rol in het verklaren van het lagere aandeel havo- of vwo-leerlingen.
Noten
Een diploma van havo, vwo of mbo niveau 2 of hoger geeft een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt.
Vanwege de beschikbaarheid van gegevens zijn de analyses over onderwijsniveau beperkt tot de kinderen en kleinkinderen van Molukse migranten van 25 tot en met 45 jaar.
Dat dit verschil niet 8,1 procentpunt bedraagt heeft te maken met afrondingen.