Meetprogramma’s
In de volgende achttien subhoofdstukken wordt de kwaliteit van alle NEM meetprogramma’s voor verschillende soortgroepen en typen monitoring in tekst, tabellen en figuren aangegeven. Ook worden aanbevelingen gedaan voor eventuele verbeteringen.
7.1Vleermuizen
Algemeen
Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten hebben een beschermde status op basis van bijlage II en/of IV van de Europese Habitatrichtlijn. Vanwege hun verborgen, nachtelijke levenswijze is het een lastig te volgen soortgroep. Binnen het NEM meetprogramma vleermuizen, bestaande uit drie meetonderdelen, worden voor twaalf van de achttien in Nederland voorkomende vleermuissoorten trends bepaald. Het meetonderdeel Wintertellingen Vleermuizen richt zich op zeven soorten die overwinteren in ‘klassieke’ ondergrondse winterslaapplaatsen, Zoldertellingen richt zich op twee soorten die in de zomer op zolders kunnen worden geteld, en de Vleermuis Transecttellingen op vier soorten die met behulp van akoestische waarnemingen op auto- en fietsroutes worden gemonitord.
Uitsluitend op verspreiding gericht onderzoek van vleermuizen vindt binnen het NEM niet plaats, maar binnen de lopende meetonderdelen voor aantalsmonitoring is het verzamelen van verspreidings-informatie wel één van de doelen. Dit levert ook voor de overige soorten en aanvullende locaties verspreidingsgegevens op. Daarnaast dragen ook waarnemingen van vleermuizen uit andere bronnen dan het NEM meetprogramma bij aan de kennis over verspreiding. Dit betreft onder meer onderzoek in het kader van ruimtelijk ingrepen, uitvliegtellingen van verblijfplaatsen, onderzoek naar vliegroutes, zenderonderzoek, zwerm- en migratiegedrag en incidentele waarnemingen in onder andere vleermuiskasten.
Voor alle meetonderdelen voor vleermuizen geldt:
Coördinatie: Zoogdierstichting (ZS)
Uitvoering: Vrijwilligers, ZS, CBS
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000‑gebieden en biotopen | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Eurobats: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, per biotoop, etc. | |
| Stadsnatuur: landelijke trends | |
Soorten
Binnen de beschikbare meetonderdelen kunnen niet alle Nederlandse vleermuissoorten worden gevolgd. De grote en kleine hoefijzerneus gelden nog als verdwenen uit Nederland. De mopsvleermuis was verdwenen, maar wordt sinds de zomer van 2017 weer regelmatig waargenomen in Zeeuws-Vlaanderen en in 2023 is in oostelijk Gelderland een kraamkolonie gevonden. Ook de grote hoefijzerneus wordt de laatste winters incidenteel waargenomen en vertoont in België een voorzichtige toename, zodat deze soort op termijn weer als vaste overwinteraar in kleine aantallen kan worden verwacht in Nederland. Vijf andere soorten – Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, kleine dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis – zijn (zeer) zeldzaam in Nederland of lastig herkenbaar, zodat er nog geen betaalbare, geschikte methode is om populatieontwikkelingen te kunnen volgen. Voor monitoring van de bosvleermuis heeft er in 2023 een pilot plaatsgevonden en Bechsteins vleermuis heeft als bijlage II-soort momenteel de volle aandacht binnen het Verbeterprogramma VHR-monitoring (VVM) van BIJ12, waarbij een eerste stap zal zijn om Natura 2000‑gebieden aan te wijzen ter bescherming van deze soort. Het volledige overzicht van de soorten en de kwaliteit van meetonderdelen is weergegeven in tabel 7.1.2.
Gegevens
Gegevensinwinning
Wintertellingen Vleermuizen
De voor mensen toegankelijke winterverblijfplaatsen van vleermuizen zoals mergelgroeven, kelders, bunkers en forten worden in de winter eenmalig bezocht, waarbij de aangetroffen soorten worden gedetermineerd en geteld. Met deze telling is de trend in het aantal overwinterende dieren te volgen van zeven soorten die in dergelijke klassieke ondergrondse verblijven hun winterslaap houden. Soorten die meer in ontoegankelijke, lastig te tellen verblijfplaatsen overwinteren, zoals boomholten, spouwmuren, of kerktorens, worden in dit meetnet onvoldoende aangetroffen om de aantallen te kunnen volgen. Tevens betreft het hier dus winterpopulaties, die vooral door seizoensmigratie, heel anders van samenstelling kunnen zijn dan de zomerpopulaties van deze soorten.
Zoldertellingen Vleermuizen
De grijze grootoorvleermuis en ingekorven vleermuis zijn zeldzame soorten vleermuizen die vooral in de drie zuidelijke provincies voorkomen. Ingekorven worden alleen in Limburg geteld, grijze grootoorvleermuizen in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. In de zomer hebben kraamgroepen van deze soorten een voorkeur voor ruime, warme verblijfsruimtes zoals zolders van kerken, kloosters en stallen. Door jaarlijkse tellingen op deze zolders en op locaties waar deze soorten nieuw kunnen verschijnen zijn de populatieontwikkelingen te volgen. Daarnaast worden door heel Nederland andere kerkzolders onderzocht op het voorkomen van vleermuizen, om voor alle gebouwbewonende soorten verspreidingsinformatie te verzamelen en om eventuele veranderingen van het verspreidingsgebied van grijze grootoorvleermuis en ingekorven vleermuis te kunnen detecteren.
Vleermuis Transecttellingen
Van vier algemene soorten (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis) worden de populatieontwikkelingen gevolgd door vaste routes (transecten) te rijden per auto, of soms per fiets, waarbij een automatische batdetector vleermuisgeluiden opneemt en de GPS coördinaten van deze waarnemingen vastlegt. Met de geluidskarakteristieken van de opnames kunnen de soorten worden gedetermineerd. Veranderingen in het aantal waarnemingen van een soort, gecorrigeerd voor de afgelegde afstand binnen een kilometerhok, zijn indicatief voor veranderingen in de populatiegrootte ter plekke. Deze tellingen leveren tevens locatiegegevens op, zodat ontwikkelingen in verspreiding kunnen worden gevolgd. Bij deze verspreidingstrends zouden in de toekomst losse batdetector-waarnemingen uit de Nederlandse Databank Flora en Fauna (NDFF) kunnen worden toegevoegd om zoveel mogelijk informatie over de verspreiding van deze soorten te verwerken. Naast de vier doelsoorten, levert dit meetonderdeel bovendien informatie op over de verspreiding van andere vleermuissoorten.
Gegevensverwerking
Bij de verwerking worden de gegevens gecontroleerd op consistentie, volledigheid, betrouwbaarheid en representativiteit. Aantalsgegevens worden jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort in principe berekend worden met behulp van het TRIM model in het package rtrim in het programma R. Bij trends in verspreiding op basis van de transecttellingen wordt ook met trefkansmodellen gewerkt, die worden berekend met JAGS via het programma R. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Trendgegevens van de wintertellingen zijn beschikbaar vanaf 1986 en van de zoldertellingen vanaf 1984. Bij de zoldertellingen wordt echter 1996 als startjaar aangehouden voor de grijze grootoorvleermuis en 2008 voor de ingekorven vleermuis i.v.m. de beperkte betrouwbaarheid van de tellingen gedurende de eerste jaren van het meetnet. De transecttellingen zijn gestart in 2013, maar 2015 wordt aangehouden als eerste jaar voor de analyses, omdat er in die eerste jaren nog niet genoeg transecten werden gereden om representatief voor Nederland te zijn.
De kwaliteit van een trend wordt beoordeeld op basis van de mogelijkheid om met de beschikbare gegevens betrouwbare langjarige trends te berekenen, binnen het verspreidingsgebied van de soort. Kort gezegd betekent dit dat de kwaliteit als niet goed of matig wordt beschouwd wanneer de trend van de gehele tijdreeks en/of die van de meest recente 12 jaar als ‘onzeker’ wordt beoordeeld.
| Soort | Beleidsstatus1) | Type monitoring | Meetonderdeel2) | Kwaliteit landelijke trend | Opmerkingen |
|---|---|---|---|---|---|
| Baardvleermuis3) | HR IV | aantal | WVL | goed | |
| Bechsteins vleermuis5)6) | HR II en IV | . | . | . | zeer zeldzaam in NL |
| Bosvleermuis | HR IV | . | . | . | zeer zeldzaam in NL |
| Brandts vleermuis3)6) | HR IV | . | . | . | zeldzaam in NL |
| Franjestaart | HR IV | aantal | WVL | goed | |
| Gewone dwergvleermuis | HR IV | aantal, verspreiding | VTT | goed | |
| Gewone grootoorvleermuis4) | HR IV | aantal | WVL | goed | |
| Grijze grootoorvleermuis4) | HR IV | aantal | ZVL | goed | |
| Grote hoefijzerneus6) | HR IV | . | . | . | zeer zeldzaam in NL |
| Ingekorven vleermuis | HR II en IV | aantal | ZVL, WVL | goed | |
| Kleine dwergvleermuis6) | HR IV | . | . | . | zeer zeldzaam in NL |
| Kleine hoefijzerneus5) | HR II en IV | . | . | . | verdwenen uit NL |
| Laatvlieger | HR IV | aantal, verspreiding | VTT | goed | |
| Mopsvleermuis5) | HR II en IV | . | . | . | zeer zeldzaam in NL |
| Meervleermuis | HR II en IV | aantal | WVL | goed | zomertrend niet bekend |
| Rosse vleermuis | HR IV | aantal, verspreiding | VTT | goed | |
| Ruige dwergvleermuis | HR IV | aantal, verspreiding | VTT | goed | |
| Tweekleurige vleermuis6) | HR IV | . | . | . | zeer zeldzaam in NL |
| Vale vleermuis | HR II en IV | aantal | WVL | goed | |
| Watervleermuis | HR IV | aantal | WVL | goed |
1)HR = Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage.
2)WVL = Wintertellingen, ZVL = Zoldertellingen, VTT = Transecttellingen.
3)Wintertellingen van baardvleermuis inclusief enkele moeilijk te onderscheiden Brandts vleermuizen.
4)Wintertellingen van gewone grootoorvleermuis inclusief enkele voorheen moeilijk te onderscheiden grijze grootoorvleermuizen.
5)HR II soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen, in verband met de mate van zeldzaamheid.
6)Soort wordt met enige regelmaat aangetroffen bij een van de meetonderdelen, maar te weinig voor structurele monitoring.
Natura 2000‑gebieden
Voor de ingekorven vleermuis, meervleermuis en vale vleermuis zijn specifieke Natura 2000-gebieden aangewezen ter bescherming van deze soorten. Een overzicht van de aangewezen gebieden en de kwaliteit van de monitoring is gegeven in tabel 7.1.3. De kwaliteit is beoordeeld op basis van de beschikbaarheid van telgegevens in de laatste drie jaar en de mogelijkheid om betrouwbare langjarige trends te berekenen.
Voor alle drie de soorten zijn er gebieden met mergelgroeven aangewezen vanwege de functie als winterverblijf. Van vale vleermuis is inmiddels ook een kraamverblijf binnen onze landsgrenzen gevonden en een verzoek is ingediend om Geuldal aan te wijzen als natuurgebied met een zomerverblijfplaats-functie voor deze soort. Daarmee kan de soort ook worden opgenomen als doelsoort in Zoldertellingen Vleermuizen en kunnen de populatieontwikkelingen worden gevolgd. Voor de ingekorven vleermuis is één Natura 2000‑gebied aangewezen vanwege de functie als kraamverblijf, Abdij Lilbosch & voormalig klooster Mariahoop. Voor meervleermuis zijn er nog achttien Natura 2000‑gebieden aangewezen vanwege de foerageerfunctie.
| Aangewezen HR-soorten/kwaliteit trend1) | ||
|---|---|---|
| Natura 2000‑gebied | goed | niet goed |
| Winterverblijf | ||
| Bemelerberg en Schiepersberg | InV, MeV, VaV | |
| Geuldal | InV, MeV, VaV | |
| Kennemerland-Zuid | MeV | |
| Meijendel en Berkheide | MeV | |
| Savelsbos | InV, MeV, VaV | |
| Sint Pietersberg en Jekerdal | InV, MeV, VaV | |
| Veluwe | MeV | |
| Zomerverblijf | ||
| Abdij Lilbosch cluster | InV | |
| Foerageerfunctie | ||
| Alde Feanen | MeV | |
| Biesbosch | MeV | |
| Botshol | MeV | |
| De Wieden | MeV | |
| Groote Wielen | MeV | |
| IJsselmeer | MeV | |
| Ilperveld cluster | MeV | |
| Markermeer en IJmeer | MeV | |
| Nieuwkoopse Plassen en De Haeck | MeV | |
| Oostelijke Vechtplassen | MeV | |
| Oudegaasterbrekken cluster | MeV | |
| Polder Westzaan | MeV | |
| Rijntakken | MeV | |
| Rottige Meenthe en Brandemeer | MeV | |
| Veluwerandmeren | MeV | |
| Weerribben | MeV | |
| Wormer en Jisper veld | MeV | |
| Zwarte meer | MeV | |
1)InV = Ingekorven vleermuis; MeV = meervleermuis; VaV = vale vleermuis.
Voortgang 2025
Aantalsmonitoring
De meetnetten voor aantalsmonitoring bevatten voldoende meetpunten om landelijk betrouwbare aantalstrends op te leveren voor twaalf soorten. Ook zijn er trends voor verschillende Natura 2000‑gebieden, hoewel lang niet alle gebieden en gebiedsfuncties even goed gemonitord worden.
Bij de wintertellingen is het niet kunnen tellen van afgekeurde groeves met een slechte bouwkundige staat een al langer bestaand – en vrijwel onoplosbaar – probleem. De Mijnbouwwet verbiedt het betreden van groeven ten behoeve van vleermuistellingen wanneer deze zijn afgekeurd vanwege een te slechte bouwkundige staat. In twee van de vier Natura 2000‑gebieden met groeves in Limburg zijn daardoor geen of slechts een beperkt aantal groeves waar op de normale wijze geteld kan worden, waardoor trendbepaling op lokaal niveau nauwelijks mogelijk is. Er zijn tot nu toe geen kosteneffectieve alternatieven gevonden voor deze tellingen. De provincie Limburg heeft wel een aantal groeves in het gebied Bemelerberg & Schiepersberg voldoende laten verbeteren, zodat hier in beperkte mate weer meer tellingen plaatsvinden. Voor het gebied Savelsbos blijft het probleem bestaan. De komende jaren steekt de Provincie Limburg substantieel budget in het ontwikkelen van alternatieve telmethodieken door middel van akoestische monitoring. Mogelijk dat dit op termijn een alternatieve methodiek oplevert.
Voor de zoldertellingen van de ingekorven vleermuis is de representativiteit van de telpunten en tellingen een blijvend punt van aandacht. Aangezien deze soort relatief zeldzaam is en slechts in een beperkt aantal verblijven voorkomt, dienen die zolders zoveel mogelijk te worden geteld. Omdat de ingekorven vleermuis vanaf 2008 ook is aangetroffen in andere, voorheen soms onbekende verblijven, is het mogelijk dat verblijven worden gemist en/of niet worden geteld binnen de voorgeschreven telperiode. De trendberekening is aangepast aan deze opsplitsing in kleine groepen, maar omdat de tijdreeksen niet goed op elkaar aansluiten blijft het lastig om exacte schattingen van de getelde populatie te maken. In verband met de statistische betrouwbaarheid gaat daarom de voorkeur uit naar het weergeven van de trend vanaf 2008 in de officiële resultaten.
Met betrekking tot de monitoring van de grijze grootoorvleermuis zijn in de provincies Noord-Brabant en Zeeland eerder veel tellers afgehaakt toen de soort zich al een tijdje niet had laten zien. Ook hebben tellers soms minder tijd voor vrijwillige monitoring, als gevolg van de groei van de markt voor betaald vleermuisonderzoek. Intensievere werving en vrijwilligersmanagement heeft echter afgelopen jaar geleid tot een toename in het aantal tellers en zal in 2026 worden voortgezet in beide provincies.
Voor de transecttellingen zijn met de nieuwbouw van het controlesysteem Cocon afgelopen jaar een aantal vernieuwingen doorgevoerd, zodat bijvoorbeeld ook afwijkingen in de gereden route goed kunnen worden verwerkt. De automatisering en statistische modellen blijven in ontwikkeling. In principe is het huidige aantal routes (103) voldoende voor betrouwbare en representatieve landelijke trends van de vier doelsoorten. Wat betreft de representativiteit waren de provincies Drenthe, Zeeland en Groningen eerder nog niet goed vertegenwoordigd in het meetnet, maar inmiddels worden ook in ieder van deze provincies enkele routes gereden. Ook in Twente heeft een nieuw team de routes weer opgepakt dit jaar. Nu is vooral het gebied Noord-Overijssel/Zuid-Drenthe nog enigszins ondervertegenwoordigd in vergelijking tot de rest van Nederland, en in mindere mate ook het gebied ten zuiden en oosten van Rotterdam en de kop van Noord-Holland/West-Friesland (Figuur 7.1.8).
Verder is het stedelijk gebied ondervertegenwoordigd bij Vleermuis Transecttellingen, maar de vleermuizenmonitoring onder de noemer VleerMUS van de Zoogdierstichting is specifiek gericht op het stedelijk gebied en kan in de toekomst informatie verschaffen over dit biotoop. Steeds meer gemeentes en provincies stellen deze akoestische monitoring verplicht bij het opstellen van een soortenmanagementplan (SMP-monitoring), waardoor het juridische en financiële implicaties gaat krijgen. VleerMUS is nog niet opgenomen in het NEM, maar sluit methodisch naadloos aan bij Vleermuis Transecttellingen en in 2025 zijn de tellingen in drie gemeentes reeds doorgerekend. Daarnaast is de huidige decentrale organisatie, waarbij elke provincie, gemeente of woningcorporatie een aparte opdracht moet verlenen voor hun stedelijke monitoring, niet erg efficiënt. Het verdient dus aanbeveling om de kwaliteitsborging van VleerMUS onder te brengen in het NEM.
Met gegevens van uitvliegtellingen van verblijfplaatsen van de meervleermuis kunnen berekeningen voor een zomerpopulatietrend worden uitgevoerd. Deze zomertrend schetst vooralsnog een veel negatiever beeld van de populatieontwikkelingen van deze soort dan de nog positieve wintertrend. Alhoewel de tellingen reeds vanaf begin jaren ’90 worden uitgevoerd, er voldoende meetpunten worden bezocht elk jaar, en er serieuze stappen zijn ondernomen met betrekking tot een invoerportaal en dataleveringen, zijn deze tellingen nog niet opgenomen als een officieel NEM meetnet.
Voor de meervleermuis zijn er in totaal achttien Natura 2000‑gebieden aangewezen met een foerageerfunctie (Tabel 7.1.3), maar monitoring in deze context heeft nog niet plaatsgevonden op reguliere basis. Wel zijn er pilots uitgevoerd met akoestische monitoring, zoals in het Natura 2000‑gebied Rijntakken, waar monitoring met vaste meetpunten langs de rivier is opgezet. Een power-analyse gebaseerd op inmiddels zes jaar aan data heeft laten zien dat deze genoeg zouden moeten zijn om in 10 jaar de ontwikkelingen op gebiedsniveau met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen. Het verdient aanbeveling om de methode van monitoring in alle gebieden zoveel mogelijk gelijk te trekken, opdat de uitkomsten ook landelijk goed vergelijkbaar worden. Akoestische monitoring lijkt hierbij de meest voor de hand liggende methodiek.
Een laatste punt van aandacht is dat de winterverblijfplaatsen in Het Nationale Park De Hoge Veluwe (onderdeel van Natura 2000‑gebied Veluwe) op één object na niet meer geteld worden. Bovendien kunnen de data mogelijk niet meer gebruikt worden binnen het NEM, terwijl deze nodig zijn voor een gebiedstrend van de bijlage II-soort meervleermuis. De provincie Gelderland is gewezen op hun wettelijke verplichting om de tellingen mogelijk te maken, of de data van de tellingen op een andere wijze te verzamelen en beschikbaar te maken, maar tot op heden zonder resultaat.
Het aantal meetpunten per meetonderdeel is weergegeven in figuur 7.1.4 en de ligging van de meetpunten is weergegeven in de figuren 7.1.6 tot en met 7.1.8.
| jaren | Aantal wintertellingen(x10) | Aantal zoldertellingen | Aantal VTT routes |
|---|---|---|---|
| '96 | 46 | 12 | . |
| '97 | 59 | 11 | . |
| '98 | 60 | 13 | . |
| '99 | 62 | 17 | . |
| '00 | 70 | 19 | . |
| '01 | 78 | 21 | . |
| '02 | 85 | 15 | . |
| '03 | 86 | 17 | . |
| '04 | 88 | 14 | . |
| '05 | 108 | 22 | . |
| '06 | 107 | 22 | . |
| '07 | 111 | 40 | . |
| '08 | 110 | 62 | . |
| '09 | 113 | 42 | . |
| '10 | 118 | 50 | . |
| '11 | 125 | 56 | . |
| '12 | 124 | 46 | . |
| '13 | 128 | 72 | 13 |
| '14 | 131 | 57 | 30 |
| '15 | 133 | 59 | 41 |
| '16 | 143 | 66 | 55 |
| '17 | 138 | 74 | 64 |
| '18 | 149 | 68 | 81 |
| '19 | 157 | 68 | 77 |
| '20 | 158 | 64 | 70 |
| '21 | 0 | 63 | 77 |
| '22 | 153 | 75 | 76 |
| '23 | 159 | 65 | 83 |
| '24 | 159 | 57 | 80 |
| '25 | 166 | . | . |
Verspreidingsmonitoring
Hoewel voor vleermuizen geen apart verspreidingsonderzoek wordt uitgevoerd, zijn er voor sommige soorten al veel verspreidingsgegevens beschikbaar, vooral uit de drie lopende projecten voor aantalsmonitoring. Zo kunnen landelijke verspreidingstrends van vier soorten bepaald worden aan de hand van de transecttellingen. Een landsdekkend overzicht voor alle soorten is echter niet mogelijk vanwege het gebrek aan verspreidingsinformatie van vooral zeldzame soorten. Op basis van de waarnemingen van soorten is in tabel 7.1.5 een overzicht gegeven van de stand van zaken voor de huidige HR-rapportageperiode (2024–2029).
Aangezien 2025 het tweede jaar is van deze nieuwe periode, is er momenteel nog relatief weinig ontwikkeling in deze cijfers te verwachten. Hierbij moet bovendien worden opgemerkt dat door de korte tijdspanne tussen dit rapport en het einde van het telseizoen, veel waarnemingen nog niet zullen zijn gevalideerd of verder verwerkt, zodat deze tabel achterloopt op de werkelijke situatie. Tenslotte, doordat het onderzoek naar zoogdieren veel variatie in methodieken kent en onderzoek naar de ene soort niet altijd onderzoeksinspanning voor de andere soort oplevert, kunnen de kosten per soort relatief hoog zijn om het gehele potentiële leefgebied te onderzoeken.
Uit tabel 7.1.5 blijkt dat de gegevensvoorziening het meest compleet is voor de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis. Deze soorten zijn in respectievelijk 87%, 64% en 57% van het potentiële verspreidingsgebied aangetroffen. In totaal zijn negen van de zeventien soorten in meer dan 30% van het potentieel leefgebied waargenomen, terwijl bij zeven (zeldzame) soorten de aanwezigheid in minder dan 15% van de hokken is bevestigd. Grijze grootoorvleermuis zit daar tussenin met 27%. De bijlage II-soorten Bechsteins vleermuis, ingekorven vleermuis, meervleermuis en vale vleermuis zijn in respectievelijk 6%, 30%, 35% en 11% van het potentieel leefgebied waargenomen.
| Potentieel leefgebied (10 x 10 km) | Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Baardvleermuis | 443 | 14 |
| Bechsteins vleermuis | 123 | 6 |
| Bosvleermuis | 319 | 13 |
| Brandts vleermuis | 198 | 3 |
| Franjestaart | 443 | 30 |
| Gewone dwergvleermuis | 466 | 87 |
| Gewone grootoorvleermuis | 449 | 57 |
| Grijze grootoorvleermuis | 94 | 27 |
| Ingekorven vleermuis | 47 | 30 |
| Kleine dwergvleermuis | 216 | 13 |
| Laatvlieger | 482 | 64 |
| Meervleermuis | 468 | 35 |
| Rosse vleermuis | 482 | 54 |
| Ruige dwergvleermuis | 482 | 53 |
| Tweekleurige vleermuis | 443 | 11 |
| Vale vleermuis | 124 | 11 |
| Watervleermuis | 482 | 38 |
Aandachtspunten
- Verder versterken van het vrijwilligersnetwerk voor tellingen van grijze grootoorvleermuizen op kerkzolders in Noord-Brabant en Zeeland (ZS).
- Opzetten en coördineren van monitoring van Natura 2000‑gebieden met een foerageerfunctie voor de meervleermuis (LVVN, provincies, ZS, CBS).
- Onderzoeken hoe en wanneer zomertellingen van meervleermuis kunnen worden opgenomen in het NEM (NEM stuurgroep).
- Onderzoeken hoe en wanneer de monitoring van VleerMUS kan worden opgenomen in het NEM (NEM stuurgroep).
- Onderzoeken hoe en wanneer vale vleermuis kan worden opgenomen als doelsoort in Zoldertellingen Vleermuizen (stuurgroep Natuurmonitoring en informatievoorziening).
- Bij afgesloten groeves zoeken naar geschikte alternatieven voor de huidige telmethode en opstarten van tellingen indien groeves weer toegankelijk worden (provincie Limburg, ZS, CBS).
- Zorgen voor de continuïteit van levering van gegevens van wintertellingen vleermuizen uit Natura 2000‑gebied Veluwe (provincie Gelderland, ZS, CBS).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving
Trends per soort met achtergrondinformatie: De Telganger.
Methodes en links naar handleidingen: Website Zoogdiervereniging
Informatie over de Zoogdierstichting: Website Zoogdiervereniging
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM



7.2Landzoogdieren en bruinvis
Algemeen
Op grond van wet- en regelgeving dienen ontwikkelingen in populatieaantallen en/of in de verspreiding van beschermde inheemse zoogdiersoorten te worden gevolgd. In het NEM meetprogramma ligt de nadruk op soorten van bijlage II, IV en V van de Europese Habitatrichtlijn (HR) en de typische soorten van habitattypen van HR bijlage I. Ook voor enkele niet-inheemse zoogdiersoorten (invasieve exoten) is op grond van regelgeving informatie nodig. Het NEM is ingericht op de monitoring van een aantal van deze soorten en op het daarmee samenstellen van de benodigde verplichte informatie over deze soorten. Waar dat zonder extra inspanning mogelijk is, wordt de monitoring niet beperkt tot deze soorten, maar wordt ook informatie verzameld over andere soorten.
In dit hoofdstuk worden voornamelijk landzoogdieren besproken en komt van de zeezoogdieren slechts één soort aan de orde, namelijk de bruinvis.
Voor alle deelprogramma’s (met uitzondering van de bruinvis) geldt:
Coördinatie: Zoogdierstichting (ZS)
Uitvoering: Vrijwilligers, ZS, Sovon, Rijkswaterstaat (RWS), Naturalis, duinbeheerders, waterschappen, CBS
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in verspreiding van soorten | |
| Habitatrichtlijn: aantallen en leefgebied van soorten van Bijlage V | |
| Indicatoren rijksbegroting | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Verspreiding van invasieve exoten | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Schadesoorten: landelijke trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, trends per biotoop etc. | |
Soorten
Het meetprogramma is gericht op de soorten van HR bijlagen II, IV en V en typische soorten van habitattypen van HR bijlage I. Daarnaast worden zoveel mogelijk gegevens verzameld van diverse soorten zonder beleidsstatus voor zover ze gemakkelijk in het NEM kunnen worden meegenomen. Het onderzoek van al deze soorten is gericht op het kunnen bepalen van trends in populatie-aantallen, trends in verspreiding en het huidige verspreidingsgebied, wat voor de verschillende meetdoelen vereist is. In tabel 7.2.2 staan de onderzochte soorten met hun beleidsstatus en de onderzoekskwaliteit vermeld.
Buiten de NEM meetprogramma’s om worden nog verschillende andere zoogdiersoorten onderzocht, waaronder ook enkele HR-soorten. Dit betreft bijvoorbeeld de zeezoogdieren gewone en grijze zeehond, die worden onderzocht in het kader van het programma Monitoring Waterstaatkundige Toestand des Lands (MWTL), in opdracht van RWS. En ook wordt onderzoek verricht naar hamster (LVVN/provincie Limburg), eikelmuis (provincie Limburg) en de wolf (BIJ12, in opdracht van provincies). Deze zoogdiersoorten komen daarom in deze rapportage (nog) niet of beperkt aan de orde. De wolf is inmiddels al een aantal jaren voortplantend in Nederland aanwezig. Ook over deze soort zal in het kader van de Habitatrichtlijn gerapporteerd moeten gaan worden, op landelijk niveau en bij aanwijzing van Natura 2000‑gebieden ook per gebied. Tenslotte zou er gerapporteerd moeten worden over de wilde kat (Felis sylvestris), die in het uiterste zuiden van Limburg voorkomt. De provincie Limburg heeft onderzoek naar deze soort gefinancierd en denkt inmiddels na over de mogelijkheden voor monitoring. In verband met de continuïteit, afstemming en efficiëntie van de metingen verdient het aanbeveling om de monitoring van alle HR-soorten in het NEM onder te brengen.
Het onderzoek naar invasieve exoten betreft vijf van de elf zoogdiersoorten van de Unielijst. De Unielijst is een door de EU opgestelde lijst van exoten waarover de lidstaten geacht worden te rapporteren. Voor vijf soorten is verspreidingsonderzoek opgezet: beverrat, muskusrat, muntjak, wasbeer en wasbeerhond. Monitoring van de andere zes soorten wordt vooralsnog niet nodig geacht, omdat die in Nederland niet of te beperkt voorkomen.
Gegevens
Gegevensinwinning
Aantalsmonitoring
De aantalsmonitoring is gericht op het verkrijgen van populatietrends van de soorten die onder de hiervoor genoemde meetdoelen vallen. Het bepalen van de absolute populatieomvang van de soorten is geen doel van de huidige zoogdiermonitoring en is daarmee ook niet mogelijk.
Voor berekening van populatietrends uit aantalsmonitoring zijn over het algemeen gestandaardiseerde tellingen noodzakelijk. Niet-gestandaardiseerde waarnemingen zijn niet bruikbaar, omdat er vaak geen nauwkeurige aantallen worden gemeld of omdat de gemelde aantallen onderling niet vergelijkbaar zijn door het gebruik van verschillende methodes en wisselende waarnemersinspanning.
Dagactieve zoogdieren
Enkele zoogdiersoorten die vooral tijdens de schemering of overdag actief zijn, worden tegelijk met broedvogels geteld door vrijwilligers van Sovon. Dit gebeurt in een deel van de telgebieden van het meetonderdeel BMP (in buitengebieden) en in MUS- (stedelijk gebied) en MAS-meetpunten (agrarisch gebied). De standaard BMP-tellingen worden uitgevoerd in vaste telgebieden van circa 50–200 hectare groot, die in het voorjaar meerdere keren worden bezocht. Voor konijn, haas, ree, vos, eekhoorn, egel en muskusrat resulteren deze tellingen in voldoende betrouwbare aantalstrends. Voor andere soorten zijn de gegevens alleen geschikt voor het in kaart brengen van de verspreiding. De door Sovon-tellers verzamelde zoogdiergegevens worden via de Zoogdierstichting aan het CBS geleverd.
Duinkonijnen
Voor konijnen zijn er tevens tellingen in de duinen, uitgevoerd door terreinbeheerders en gecoördineerd door de Zoogdierstichting. Tijdens inspectierondes in de avonduren in voor- en najaar worden vanuit de auto op meer dan 300 transecten de konijnen geteld die zichtbaar zijn in het licht van de koplampen.
Hazelmuis
Voor de hazelmuis zijn er tellingen van de goed herkenbare nestjes die deze dieren in de zomer en het najaar maken in de randen van structuurrijke bossen in Zuid-Limburg. Deze tellingen worden uitgevoerd door vrijwilligers van de Zoogdierstichting in ruim 50 vaste bosrand-transecten. Daarmee wordt vrijwel het gehele bekende verspreidingsgebied van deze soort geïnventariseerd.
Bruinvis
Voor bruinvis worden tellingen uit drie bronnen gebruikt: tellingen vanaf de kust (trektellen, Sovon), vliegtuigtellingen (RWS) en strandingen (Naturalis). Elk van deze bronnen levert een eigen trend, die overigens nog niet worden gecombineerd tot één trend voor de bruinvis.
De ligging van de meetpunten is weergegeven in de kaarten 7.2.6 t/m 7.2.9. Voor bruinvis geldt dat alleen de sinds 2020 aangepaste vliegtuigroute is weergegeven.
Verspreidingsonderzoek
Het verspreidingsonderzoek is voor landzoogdieren gericht op het vaststellen van de leefgebieden van de soorten enerzijds, en op het vaststellen van trends in de aan- of afwezigheid van de soorten op km-hokniveau anderzijds. Het volgen van de verspreiding is vaak eenvoudiger dan aantalsmonitoring en kan daarom een geschikt alternatief zijn voor soorten waarvoor aantalsmonitoring (nog) niet mogelijk of haalbaar is. Daarnaast kunnen verspreidingstrends op zichzelf ook waardevol zijn, omdat ze een ander aspect van de ontwikkeling van een soort weergeven.
Voor verspreidingsonderzoek zijn niet-gestandaardiseerde waarnemingen in bepaalde situaties wel bruikbaar. Waarnemingen uit o.a. de NDFF kunnen daarom soms bij de berekening van verspreidingstrends worden meegenomen. Er is echter vaak nog aanvullend onderzoek nodig om afdoende informatie te verkrijgen. Voor het vaststellen van de leefgebieden op het niveau van 10x10 km moet van alle potentiële leefgebieden de aan- of afwezigheid worden vastgesteld. Afwezigheid is echter alleen met redelijke zekerheid vast te stellen wanneer met een gestandaardiseerd protocol een hok goed is gemonitord. Bij zoogdieren is dat lastig, omdat de soorten zodanig verschillen dat daarvoor vaak aparte protocollen per soort nodig zijn, wat de benodigde meetinspanning per soort relatief groot maakt. Daarnaast hebben ze vaak een zodanig verborgen levenswijze dat intensief onderzoek nodig is om afwezigheid betrouwbaar genoeg te kunnen vaststellen.
Braakballen kerkuil
De verspreiding van (spits)muizen wordt onderzocht met behulp van braakballen van uilen. Daarbij wordt vooral gebruik gemaakt van braakballen van kerkuilen, omdat deze in het gehele land voorkomen en geen duidelijke voorkeur vertonen voor bepaalde muizensoorten. Braakballen worden op een groot aantal locaties in het land door vrijwilligers van uilenwerkgroepen verzameld, waarna ze via de Zoogdierstichting door vrijwillige ‘pluizers’ worden onderzocht op schedelresten van de verschillende muizensoorten. Na controle van de determinaties door medewerkers van de Zoogdierstichting worden de resultaten aan het CBS geleverd.
Noordse woelmuis
Aanvullend op het braakballen onderzoek, wordt de verspreiding van de noordse woelmuis in de daarvoor aangewezen Natura 2000‑gebieden door de provincies waar de soort voorkomt (Noord- en Zuid-Holland, Fryslân, Utrecht, Zeeland en Noord-Brabant) onderzocht met behulp van eDNA onderzoek. Dit onderzoek houdt in dat mogelijke woelmuizenkeutels worden verzameld, waarna met DNA-onderzoek wordt bepaald of deze van de noordse woelmuis afkomstig zijn, of van bijvoorbeeld de concurrerende aardmuis. Dit eDNA onderzoek past weliswaar onder verschillende NEM meetdoelen, maar valt – in afwachting van een besluit van de provincies – nog niet onder het NEM. De wijze en frequentie van inventariseren is momenteel niet gelijk tussen de provincies, dus het verdient aanbeveling om dit te standaardiseren.
Otter & bever
Medewerkers van waterschappen geven eens per jaar de actuele verspreiding van de bever door aan de Zoogdierstichting. Er is echter noch bij de Zoogdierstichting noch bij het CBS goed zicht op de frequentie en duur van veldbezoeken, het protocol, of nulwaarnemingen, wat maakt dat de kwaliteit van deze monitoring erg lastig in te schatten is. De verspreiding van otter wordt onderzocht door vrijwilligers van de Zoogdierstichting door 1–3x per jaar hun vaste locatie (brug of oever) op de aanwezigheid van ‘spraints’ (uitwerpselen van otters) te controleren. Tevens melden de waterschappen het als er voor het eerst in een gebied ottersporen (uitwerpselen e.d.) worden aangetroffen.
Bunzing & boommarter
De verspreiding van bunzing en boommarter wordt gemonitord op basis van waarnemingen in de NDFF, die voor ‘witte vlekken’ (hokken zonder meldingen) worden aangevuld met waarnemingen via cameravallen. De cameravallen worden steeds een aantal weken op potentieel voor deze soorten geschikte locaties geplaatst. In 2022 is geconcludeerd dat hiermee weliswaar de verspreiding op 10x10 km kan worden bepaald, maar dat daarmee (nog) geen trends kunnen worden bepaald. Er wordt momenteel gewerkt aan een vernieuwing van dit meetnet om beter zicht te krijgen op de bezetting binnen het bekende leefgebied en veranderingen hierin door de tijd.
Bruinvis
Voor de verspreiding van bruinvis worden bovenop de aantalsmonitoring geen aanvullende gegevens verzameld. Voor de HR rapportage wordt op basis van de beschikbare gegevens de verspreiding gemodelleerd.
Onderzoek invasieve exoten
Op de Unielijst van invasieve exoten staan elf zoogdiersoorten: muskusrat, beverrat, muntjak, wasbeer, wasbeerhond, Indische mangoeste, rode neusbeer en vier eekhoornsoorten Pallas’ eekhoorn, grijze eekhoorn, Amerikaanse voseekhoorn en Siberische grondeekhoorn.
Deze soorten komen niet allemaal in Nederland voor. Het onderzoek is dan ook primair gericht op de vijf eerstgenoemde soorten, ervan uitgaande dat het voor de overige zes soorten niet nodig is zolang zij afwezig zijn of zeer incidenteel of beperkt voorkomen. Het onderzoek is primair gericht op het in kaart brengen van verspreiding, is in 2018 gestart en wordt uitgevoerd in gebieden waar de kans op voorkomen van de soorten het grootst is. Voor wasbeer en wasbeerhond worden cameravallen geplaatst, voor muntjak worden transecten gereden met warmtebeeldcamera’s en voor muskusrat en beverrat worden de vangsten bij de Unie van Waterschappen (UVW) opgevraagd. Sinds 2023 worden er geen transecten met warmtebeeldcamera’s meer gereden voor de muntjak. In plaats daarvan loop het NEM Muntjak nu met 25 cameravallen in specifiek gebieden langs de grens met België waar dispersie verwacht wordt. Tot op heden zijn er geen muntjakken aangetroffen. Meldingen van deze soorten worden via de NDFF, met input uit o.a. waarneming.nl en telmee.nl, in de gaten gehouden om eventuele nieuwe vindplaatsen te achterhalen. Voor muntjak, wasbeer en exotische eekhoorns zijn op de website van de Zoogdierstichting ook meldpunten ingericht voor het melden van ‘losse waarnemingen’. Voor muskusratten kan ook een landelijke trend worden berekend met de gegevens uit Dagactieve Zoogdieren.
In bijlage 2 is in kaarten weergegeven welke 10x10 km-hokken sinds de start van de huidige rapportage periode (2025) zijn onderzocht en in welk van deze hokken de betreffende exoot is aangetroffen.
Gegevensverwerking
Bij de verwerking van de aantals- en verspreidingsgegevens wordt gecontroleerd op consistentie, volledigheid, betrouwbaarheid, representativiteit en mogelijke vertekening daardoor. Bij de dagactieve zoogdieren wordt gecorrigeerd voor mogelijke vertekening als gevolg van over- of onderbemonstering van bepaalde fysisch geografische regio’s.
Aantalsgegevens worden voor de meeste soorten jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort berekend worden met behulp van het TRIM model in het R-package rtrim. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Trendgegevens van de dagactieve zoogdieren zijn beschikbaar vanaf 1994 (vos, ree, egel, muskusrat), 1996 (eekhoorn) of 1997 (haas en konijn). Voor de duinkonijnen zijn er trends vanaf 1984 en voor de hazelmuis vanaf 1992. Voor de vliegtuigtellingen van de bruinvis zijn er trends beschikbaar vanaf 1991. Strandingsgegevens en trektelgegevens zijn ook van eerdere jaren beschikbaar.
Op basis van verspreidingsgegevens van inheemse soorten worden trends in de aan- of afwezigheid van de soorten op het niveau van 1x1 km-hokken of 5x5 km-hokken (‘uurhokken’) bepaald. Tevens worden de inventarisatiegegevens van de HR bijlage II & IV soorten verwerkt tot verspreidingskaarten per HR verslagperiode op 10x10 km-hokniveau. Ook voor invasieve exoten worden kaarten op 10x10 km-hokniveau gemaakt. Verspreidingstrends worden veelal berekend met behulp van ‘occupancy’-modellen, waarbij rekening wordt gehouden met trefkansen en waarnemersinspanning. Dergelijke trends zijn beschikbaar voor elf soorten muizen, waaronder noordse woelmuis vanaf 1995 en voor de otter vanaf 2003. Voor de bever berekende het CBS tot voorkort trends vanaf 1993, maar wegens gebrek aan zicht op de kwaliteit van de data is dit tot nader order opgeschort. Zie ’Voortgang 2025’ voor meer details. Voor bunzing en boommarter zijn nog geen geschikte verspreidingstrends beschikbaar, omdat het nog ontbreekt aan geschikte veldwerkmethoden en/of data. Voor noordse woelmuis zijn inmiddels ook verspreidingstrends mogelijk op basis van eDNA-onderzoek, welke gecombineerd kunnen worden met die uit het braakballen onderzoek.
| Kwaliteit NEM-trends | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Soort | Beleidsstatus1) | Type NEM-onderzoek | landelijk | Natura 2000 | Opmerkingen |
| Bever3) | HR II en IV, Typ | verspreiding | slecht | slecht | |
| Boommarter | HR V | verspreiding | slecht | meetnet in ontwikkeling | |
| Bruinvis3) | HR II en IV | aantal | goed | onbekend | |
| Bunzing | HR V | verspreiding | slecht | meetnet in ontwikkeling | |
| Dwergmuis | Typ | verspreiding | goed | ||
| Eikelmuis3) | Typ | . | . | niet beoordeeld want niet in NEM, zeer zeldzaam in NL | |
| Euraziatische lynx | HR II en IV | . | . | . | niet beoordeeld want niet in NEM, incidenteel in NL |
| Grote bosmuis | Typ | verspreiding | goed | ||
| Goudjakhals | HR V | . | . | niet beoordeeld want niet in NEM, incidenteel in NL | |
| Haas | Typ | aantal | goed | ||
| Hamster3) | HR IV | . | . | niet beoordeeld want niet in NEM, zeer zeldzaam in NL | |
| Hazelmuis | HR IV, Typ | aantal + verspreiding | goed | zeer zeldzaam in NL | |
| Konijn | Typ | aantal | goed | ||
| Noordse woelmuis3) | HR II* en IV | verspreiding | goed | matig | eDNA onderzoek nog niet in NEM |
| Otter2) | HR II en IV | verspreiding | matig | slecht | |
| Waterspitsmuis | Typ | verspreiding | goed | ||
| Wilde kat | HR IV | . | . | niet beoordeeld want niet in NEM, zeer zeldzaam in NL | |
| Wisent2) | HR II en IV | . | . | . | niet beoordeeld want niet in NEM |
| Wolf2) | HR II* en IV | . | . | . | niet beoordeeld want niet in NEM |
| Invasieve exoten | |||||
| Beverrat | E | verspreiding | . | ||
| Muntjak | E | verspreiding | . | ||
| Muskusrat | E | verspreiding | . | ||
| Wasbeer | E | verspreiding | . | ||
| Wasbeerhond | E | verspreiding | . | ||
1)HR = Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; * = prioritaire soort; Typ = Typische soort Habitatrichtlijn; E = Invasieve exoot.
2)Voor deze HR II soort zijn nog geen Natura 2000‑gebieden aangewezen.
3)voor deze soort wordt buiten het NEM om in sommige Natura 2000‑gebieden onderzoek uitgevoerd.
Voortgang 2025
De meeste meetonderdelen voor aantalsmonitoring verlopen zonder noemenswaardige knelpunten. De meetnetten bevatten voldoende meetpunten om betrouwbare landelijke aantalstrends te leveren van acht soorten landzoogdieren. Dit betreft hazelmuis, konijn, haas, vos, ree, eekhoorn, egel en muskusrat. Het aantal BMP-meetpunten voor Dagactieve Zoogdieren (DAZ) is al enkele jaren achtereen fors toegenomen, waardoor verwacht mag worden dat trends steeds betrouwbaarder worden en uiteindelijk voor meer soorten en gebieden trends kunnen worden berekend. Op provinciaal niveau worden ook trends berekend voor de talrijkst aangetroffen soorten (als indirect meetdoel), maar trends worden vooralsnog niet openbaar gemaakt door ontbreken van een toets op betrouwbaarheid. Voor konijn zijn er ook trends per duingebied, al zijn er toenemende zorgen over de representativiteit van dit meetnet. Hier wordt momenteel door het CBS en de Zoogdierstichting naar gekeken.
Haas en konijn zijn in 2020 op de Rode Lijst geplaatst en ook de landelijke staat van instandhouding is als ongunstig beoordeeld. Dit heeft geleid tot een landelijk jachtverbod voor het konijn. De jachtverboden voor de haas in drie provincies hebben geleid tot stevige discussies en Kamervragen in 2024 over de betrouwbaarheid van provinciale trends voor die soort, met name omdat de tellingen in sommige provincies schaars zijn. Tegelijk is door deze ontwikkelingen de behoefte aan beter onderbouwde provinciale data en trends toegenomen, terwijl dit nog niet gedekt is in de (financiële) ondersteuning van DAZ via sturende NEM meetdoelen. In 2024 heeft het CBS een onderzoek uitgevoerd om te bezien of aanvullende telgegevens door wildbeheereenheden van de Jagersvereniging (KNJV) een bijdrage kunnen leveren aan betrouwbaarder trends op provinciaal niveau.noot1 Dit onderzoek wordt in het eerste kwartaal van 2026 vervolgd met onderzoek naar de (on)mogelijkheden van het combineren van gegevens van KNJV en DAZ per provincie.
| Jaar | BMP | MAS | MUS | Hazelmuis | Duinkonijnen |
|---|---|---|---|---|---|
| '95 | 237 | . | . | 10 | 158 |
| '96 | 298 | . | . | 10 | 156 |
| '97 | 283 | . | . | 7 | 162 |
| '98 | 396 | . | . | 10 | 166 |
| '99 | 364 | . | . | 12 | 143 |
| '00 | 446 | . | . | 12 | 167 |
| '01 | 329 | . | . | 38 | 165 |
| '02 | 411 | . | . | 31 | 172 |
| '03 | 443 | . | . | 11 | 164 |
| '04 | 500 | . | . | 13 | 187 |
| '05 | 489 | . | . | 25 | 209 |
| '06 | 415 | . | . | 32 | 216 |
| '07 | 414 | . | . | 39 | 216 |
| '08 | 444 | . | . | 47 | 204 |
| '09 | 421 | . | 327 | 41 | 216 |
| '10 | 431 | 324 | 419 | 36 | 216 |
| '11 | 555 | 611 | 423 | 41 | 215 |
| '12 | 496 | 1161 | 471 | 42 | 218 |
| '13 | 544 | 1293 | 454 | 50 | 218 |
| '14 | 541 | 1328 | 507 | 48 | 218 |
| '15 | 667 | 1204 | 498 | 43 | 218 |
| '16 | 663 | 1617 | 507 | 59 | 218 |
| '17 | 767 | 1748 | 497 | 54 | 231 |
| '18 | 754 | 1746 | 529 | 54 | 231 |
| '19 | 904 | 1806 | 548 | 55 | 231 |
| '20 | 968 | 1839 | 633 | 59 | 235 |
| '21 | 1365 | 1788 | 659 | 44 | 193 |
| '22 | 1398 | 1715 | 690 | 51 | 218 |
| '23 | 1554 | 1649 | 730 | 47 | 220 |
| '24 | 2059 | 1658 | 693 | 50 | 223 |
Bij het verspreidingsonderzoek voor muizen (VO Muizen) worden historisch in circa 500 km-hokken braakballen verzameld, al is er een gestage daling zichtbaar in de afgelopen 10 jaar (zie figuur 7.2.4). Het verkrijgen en verwerken van de braakballen kost veel tijd, waardoor van de meest recente jaren altijd beperkter gegevens beschikbaar zijn en de figuur voor die jaren geen goed beeld geeft van de uiteindelijk beschikbare data. Desondanks zijn er voldoende gegevens voor de berekening van betrouwbare landelijke verspreidingstrends van 13 soorten (spits)muizen: noordse woelmuis (HR II en IV), dwergmuis, waterspitsmuis, bosspitsmuis (spec.), dwergspitsmuis, veldspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, aardmuis, ondergrondse woelmuis, rosse woelmuis, bosmuis en grote bosmuis. Uit het VO Muizen zijn ook voor een deel van de provincies betrouwbare verspreidingstrends beschikbaar, afhankelijk van de soort. Op basis van het VO Muizen is een trend beschikbaar voor de gezamenlijke Natura 2000-gebieden, mits wordt aangenomen dat meetlocaties die zich net buiten de gebieden bevinden representatief zijn voor de gebieden zelf.
Voor de otter worden wel voldoende gegevens verzameld voor het bepalen van de verspreidingskaart, maar de inspanning kan niet worden vastgelegd omdat het systeem daar niet geschikt voor is. Om nulwaarnemingen te registreren moeten eerst de telgebieden worden verkleind van een aantal waarnemers, en moeten waarnemers hun nulwaarnemingen gaan doorgeven. Een ander punt van aandacht is het blijven doorgeven van otterwaarnemingen aan het otterportaal, ook als langere tijd geen of juist wel ottersporen worden gezien.
Voor de bever worden verspreidingsgegevens aangeleverd door de meeste waterschappen (maar niet allemaal). Omdat er geen zicht is op de meetinspanning en dus de kwaliteit van deze data (bijvoorbeeld door gebruik van verschillende invoer-apps), kunnen ze niet gebruikt worden voor een betrouwbare analyse van verspreidings- en/of aantalstrend. Hiervoor is allereerst meer inspanning van de waterschappen nodig, maar er moet ook beoordeeld worden of de huidige manier van dataverzameling wel werkt. Om de populatieontwikkelingen van deze soort in de toekomst te kunnen volgen is er behoefte aan betere samenwerking met en medewerking van de waterschappen, zodat er een duidelijk monitoringsprotocol kan worden opgesteld dat bovendien goed opgevolgd wordt.
Voor bunzing en boommarter is in 2016 een meetprogramma gestart met cameravallen. Verwerking en determinatie van de grote aantallen foto’s die dit oplevert gebeurt deels automatisch met het programma Agouti van de Wageningen Universiteit (WUR) en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). Dit meetnet was vooralsnog gericht op ‘witte vlekken’ in de verspreiding. Nu deze verspreiding goed in kaart is gebracht vindt er een herziening van dit meetnet plaats. Het doel van het vernieuwde meetnet is om een beter beeld te krijgen van de bezettingsgraad binnen het leefgebied, waarbij het ook mogelijk gaat zijn trends te onderscheiden.
De voortgang van het in kaart brengen van de verspreiding van de HR bijlage II, IV en V soorten op 10x10 km-hokniveau is weergegeven in tabel 7.2.5 en in de figuren in bijlage 2. De monitoring loopt voor alle soorten op of zelfs voor op schema.
Er zijn in 2025 trends berekend en beoordeeld voor het verspreidingsonderzoek voor muizen m.b.v. braakballen en het hazelmuis meetnet. De aantallen konijnen in het duingebied en de dagactieve zoogdieren, en verspreidingsgegevens van de bever, boommarter, bunzing en otter zijn in 2025 wegens vertragingen nog niet geanalyseerd.
Kwaliteit trends
Landelijke trends
Voor de meeste soorten die onder de NEM meetdoelen vallen, en tevens voor diverse andere soorten die qua veldwerk en/of methodiek meeliften, zijn goede landelijke trends beschikbaar. Voor een aantal soorten is dat echter niet het geval. Allereerst is het voor de otter nodig om de kwaliteit en mogelijkheden te (her)beoordelen. Daarnaast moeten er duidelijkere afspraken komen met de waterschappen hoe de monitoring van bever moet plaatsvinden. Ook is het met name voor de HR V-soorten bunzing en boommarter lastig om de afwezigheid van deze soorten te kunnen vaststellen. Er wordt al gewerkt aan het omvormen van het meetnet met cameravallen door meetpunten ook juist in het bekende verspreidingsgebied te situeren, waarbij er bovendien ook rekening zal worden gehouden met trefkansen in het statistisch model. Over diverse HR-soorten, zoals Euraziatische lynx, goudjakhals, hamster, wisent en wilde kat, moeten LVVN en de provincies (via de stuurgroep) afspraken maken over de monitoring. Informatie is soms wel aanwezig, maar niet beschikbaar (wisent) of soorten zijn te schaars (goudjakhals, wilde kat) of soorten zijn nog niet aanwezig in Nederland (lynx). Tenslotte wordt de wolf momenteel in opdracht van BIJ12 gemonitord door de Zoogdierstichting, waarbij DNA-onderzoek plaats vindt door Wageningen Environmental Research (WEnR). Het monitoringsprogramma wolf valt (nog) niet onder het NEM, maar het is wellicht mogelijk een trend te bepalen op basis van beschikbare cijfers.
Natura 2000‑gebieden
Voor de noordse woelmuis kunnen met het VO Muizen geen trends per Natura 2000‑gebied worden berekend. Er moet namelijk bovendien worden besloten of de braakbalgegevens van locaties net buiten de Natura 2000‑gebieden mogen worden gebruikt voor het bepalen van de aan- of afwezigheid binnen het gebied. Het eDNA onderzoek van de provincies kan een belangrijke bijdrage leveren aan deze trends op gebiedsniveau (die worden al berekend in enkele provincies), maar dit is nog geen onderdeel van het NEM. Voor gebiedstrends op basis van het eDNA onderzoek is mogelijk een verdichting van het aantal meetpunten en/of intensivering van de monitoring nodig. Het belangrijkste is echter dat provincies afspreken om op dezelfde wijze te gaan monitoren en zorg dragen voor een langjarige financiering. Ook voor bever zijn nadere afspraken met de waterschappen en extra financiering nodig om trends in Natura 2000‑gebieden te kunnen bepalen.
| jaren | Verspreidingsonderzoek muizen |
|---|---|
| '90 | 40 |
| '91 | 48 |
| '92 | 49 |
| '93 | 68 |
| '94 | 200 |
| '95 | 153 |
| '96 | 241 |
| '97 | 243 |
| '98 | 314 |
| '99 | 341 |
| '00 | 307 |
| '01 | 415 |
| '02 | 320 |
| '03 | 457 |
| '04 | 486 |
| '05 | 453 |
| '06 | 522 |
| '07 | 364 |
| '08 | 489 |
| '09 | 523 |
| '10 | 455 |
| '11 | 453 |
| '12 | 513 |
| '13 | 455 |
| '14 | 529 |
| '15 | 562 |
| '16 | 455 |
| '17 | 507 |
| '18 | 384 |
| '19 | 419 |
| '20 | 369 |
| '21 | 344 |
| '22 | 289 |
| '23 | 348 |
| '24 | 151 |
| Laatste 3 jaar nog niet volledig i.v.m. lange verwerkingstijd en nalevering | |
| Potentieel leefgebied (10 x 10 km-hokken) | Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Bever | 431 | 100 |
| Boommarter | 241 | 79 |
| Bunzing | 436 | 83 |
| Hazelmuis | 4 | 100 |
| Noordse woelmuis | 82 | 44 |
| Otter | 247 | 76 |
Aandachtspunten
- Herbeoordeling van de methodiek van het meetnet Duinkonijnen (ZS, CBS)
- Verkennen op welke wijze de provincies kunnen stimuleren dat in BMP-tellingen vaker dagactieve zoogdieren worden meegenomen (ZS, Sovon, CBS)
- Bepalen of provinciale trends van de wildlijstsoorten haas en konijn als sturend meetdoel van het NEM moet worden opgenomen, inclusief aanvullende financiering (LVVN, NEM Stuurgroep)
- Onder het NEM brengen en zo nodig opstarten, opschalen of uitbreiden van de monitoring van HR-soorten die nog niet onder het NEM vallen of onvoldoende gemonitord worden. Dit betreft in ieder geval onderzoek naar Noordse woelmuis, hamster, wolf en wilde kat (LVVN, BIJ12, provincies, WeNR, ZS, CBS).
- Omvormen van verspreidingsonderzoek met cameravallen voor bunzing en boommarter naar een meetnet voor trendbepaling van deze soorten (ZS, CBS).
- Afspraken maken over de monitoring van bever ten behoeve van trendbepaling, zowel landelijk als in aangewezen Natura 2000‑gebieden (provincies i.s.m. waterschappen, ZS, CBS).
- Vastleggen van een eenvormige wijze van eDNA-monitoring van noordse woelmuis ten behoeve van trendbepaling in Natura 2000‑gebieden (provincies, ZS, CBS).
- Voortzetting en duurzame financiering van de meldpunten voor exoten (BIJ12, provincies, ZS).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.
Informatie over bruinvistellingen: CBS.
Informatie over Zoogdierstichting: Website Zoogdierstichting.
Informatie over Sovon: Website Sovon.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.



7.3Broedvogels en ANLb wintervogels
Algemeen
Op grond van de Europese Vogelrichtlijn geldt een beschermde status voor alle van nature in Nederland voorkomende broedvogels en is informatie nodig over de populatiegrootte, trends en verspreiding van deze soorten, zowel op landelijk niveau als op het niveau van Natura 2000-gebieden. Ook op grond van andere verdragen en regelgeving (zie tabel 7.3.1) is informatie nodig over inheemse broedvogels en daarnaast ook over het voorkomen van invasieve exotische vogelsoorten die vermeld staan op de Unielijst van de Europese Unie (NVWA, z.d.).
De populatiegrootte en de trends van de broedvogels worden gevolgd via diverse deelprogramma’s voor aantalsmonitoring in het NEM. Het NEM voorziet niet in afzonderlijk verspreidingsonderzoek voor broedvogels en er wordt ook niet actief gestuurd op het verkrijgen van verspreidingsinformatie. Daar staat tegenover dat het meetprogramma voor aantalsmonitoring al een goed beeld van de verspreiding oplevert (zie Links). Dit beeld wordt bovendien aangevuld door de Vogelatlas (Hustings & Koffijberg 2018) en het daarop aansluitende LiveAtlas werk (https://liveatlas.nl/).
In dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op de wintertellingen van enkele soorten niet-broedvogels waarvan de informatie gebruikt wordt ter beoordeling van de effectiviteit van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb).
Voor alle deelprogramma’s geldt:
Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.
Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS, Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS WVL), provincies, terreinbeherende organisaties.
Opdrachtgevers: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), provincies.
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten | |
| Trilateral Monitoring and Assessment Program: trends van vogels in het Waddengebied | |
| Farmland Bird Index: landelijke trends van boerenlandvogels | |
| OSPAR Commission: landelijke trends | |
| Aviaire Influenza: landelijke trends en verspreiding | |
| EU Kaderrichtlijn Mariene Strategie: landelijke trends | |
| Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijke trends | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000‑gebieden en per biotoop | |
| Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Verspreiding van invasieve exoten | |
| Graadmeters Natuurnetwerk Nederland: provinciale trends | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Ramsar (wetlands): trends per Ramsar gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Schadesoorten: landelijke trends | |
| Biodiversiteit van het agrarisch gebied: landelijke trends | |
| Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
| Stadsnatuur: landelijke trends | |
Soorten
Aangezien alle van nature in Nederland voorkomende broedvogels beschermd zijn en er over al deze soorten informatie nodig is, zijn ze ook allemaal opgenomen in het meetprogramma broedvogels. Naast deze inheemse soorten zijn bovendien enkele exoten opgenomen. Op de Unielijst van te volgen en eventueel te bestrijden exoten (NVWA, z.d.) staan zes vogelsoorten: heilige ibis, huiskraai, nijlgans, roodbuikbuulbuul, rosse stekelstaart en treurmaina. Extra inspanning voor het volgen van deze soorten is maar beperkt, omdat de monitoring van deze soorten, voor zover aanwezig, grotendeels meelift binnen de projecten voor de overige soorten.
Gegevens
Gegevensinwinning
Projecten
Broedvogels worden geïnventariseerd in diverse projecten voor aantalsmonitoring, onder de overkoepelende naam Meetnet Broedvogels. Onder deze naam is oorspronkelijk gestart met tellingen van de algemene en schaarse broedvogels (BMP), niet veel later gevolgd door tellingen van zeldzame broedvogels (LSB) en kolonievogels (KOL). Voor algemene en schaarse soorten betreffen de tellingen een steekproef van de populaties. Bij de zeldzame soorten en kolonievogels wordt zoveel mogelijk gestreefd naar integrale tellingen (50% of meer van alle meetpunten).
Onder het BMP vallen ook enkele meer gespecialiseerde projecten gericht op bijzondere soorten en/of habitats, zoals voor boerenlandvogels (MAS), stadsvogels (MUS) en kustbroedvogels. Elk (deel) project heeft zijn eigen meetprotocol en er zijn ook verschillende analyseprotocollen. Veelal worden (territoria van) broedparen in kaart gebracht, maar bijvoorbeeld bij de stadsvogeltellingen met het MUS protocol, gaat het om tellingen van individuen en bij veel kolonievogels om bezette nesten.
Veldwerkhandleidingen en een onderzoeksbeschrijving zijn te vinden op de NEM website en de Sovon website (zie onder Links).
Broedvogels worden in de meeste gevallen geïnventariseerd door vrijwilligers, maar bij de provinciale boerenlandvogeltellingen, de tellingen van kustbroedvogels in het Wadden- en Deltagebied en tellingen in de zoete en zoute Rijkswateren worden ook beroepskrachten ingeschakeld. Rijk en provincies hebben een ruilovereenkomst m.b.t. de gegevens. Onderdeel daarvan is een loketfunctie op de website van Sovon om provinciale vogelinformatie beschikbaar te stellen (zie Links). Op deze website worden per soort trend-, aantals- en verspreidingsgegevens gepresenteerd op landelijk, provinciaal en gebiedsniveau.
Voor het beoordelen van de effectiviteit van het in 2016 ingevoerde Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) zijn 52 broedvogelsoorten en 11 niet aan water gebonden wintervogelsoorten geselecteerd door de provincies, de zogeheten doelsoorten, om de trends in beheerd agrarisch gebied te vergelijken met trends in niet-beheerd (=regulier) agrarisch gebied. Binnen het agrarisch gebied is daarbij ook onderscheid gemaakt naar de leefgebieden open akkerland, open grasland, en natte en droge dooradering, waarbij voor iedere soort gestreefd wordt naar voldoende meetpunten in de voor die soort relevante gebieden in zowel beheerd als niet beheerd referentiegebied. Het grootste deel van de doelsoorten wordt al gevolgd via broedvogeltellingen en wintervogeltellingen; voor de analyse van de beleidsmonitoring worden 38 algemene en schaarse broedvogel (BMP) doelsoorten en 9 wintervogel (PTT) doelsoorten (2 doelsoorten zijn te schaars voor trendberekening) gebruikt. Met de wintervogeltelmethode (Punt Transect Tellingen) worden in de laatste twee weken van december vogels geteld op vaste routes (transecten) met elk twintig telpunten (zie kaart 7.3.9).
Vrijwel alle telgegevens worden via internetportals of apps ingevoerd. De basis daarvoor is het programma Avimap, dat in verschillende varianten voor de diverse vogeltellingen beschikbaar is.
Gegevensverwerking
Voor elk van de deelprojecten en soorten is op grond van de beschikbaarheid van data een startjaar gekozen vanaf wanneer trendberekening plaats kan vinden. Op basis van de tellingen worden voor de meeste broedvogels standaard trends berekend vanaf 1990. Voor veel soorten geldt echter dat ook bruikbare gegevens beschikbaar zijn van vóór 1990. Voor die soorten worden ook aanvullende trends berekend over langere tijdreeksen, in sommige gevallen al vanaf 1980.
Bij de verwerking van de gegevens wordt gecontroleerd op uitbijters, op consistentie en volledigheid van de gegevens, en op betrouwbaarheid en mogelijke vertekening van de berekende trends. Eventuele vertekening door over- of onderbemonstering van bepaalde gebieden wordt in veel gevallen gecorrigeerd door middel van stratificatie en weging. In vrijwel alle gevallen betreft dat een weging op het niveau van fysisch geografische regio’s en daarbinnen soms ook naar biotoop. Bij soorten die vrijwel integraal gevolgd worden, vindt soms nog wel stratificatie plaats omdat dat betere schattingen van missende telwaarden oplevert, maar is weging niet nodig. Aantalsgegevens worden jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort berekend worden met het TRIM model in het R package rtrim. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving, op de website van het CBS (Statline) en op de website van Sovon (zie Links).
Dankzij de intensieve monitoring kunnen naast betrouwbare landelijke resultaten voor veel vogelsoorten ook op een lager niveau betrouwbare trends en indexen worden bepaald, onder meer op het niveau van provincies, hoofdwatersystemen en gezamenlijke en afzonderlijke Natura 2000‑gebieden.
De kwaliteit van de resultaten is in de meeste gevallen beoordeeld op grond van de teldekking en de statistische betrouwbaarheid van de berekende trendresultaten. In het geval van zeer zeldzame, incidentele of verdwenen soorten (bijvoorbeeld brilduiker en zwarte wouw) zijn te weinig gegevens beschikbaar voor betrouwbare trendberekening met rtrim. De kwaliteit van de trend in Nederland wordt in die gevallen beoordeeld op basis van een inschatting van de kans dat individuen van de betreffende soort worden gevonden wanneer deze aanwezig zijn.
Voor Natura 2000‑gebieden worden door Sovon ook aantallen bepaald, waarbij het streven is om minimaal eens per drie jaar een aantalsopgave beschikbaar te stellen. Het protocol daarvoor is in overleg met het CBS tot stand gekomen, maar beoordeling van de resultaten maakt geen deel uit van deze rapportage.
| Kwaliteit trend | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Soort1)2) | Beleidsstatus3) | Kwaliteit trend NL4) | Waddenzee (TMAP) | boerenlandvogels (FBI) | Opmerkingen |
| Aalscholver (k) | VR I, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Appelvink | VR, TYP | goed | |||
| Baardman | VR | goed | |||
| Bergeend | VR, TMAP, Ai, TYP | goed | goed | ||
| Blauwborst | VR I, TYP | goed | |||
| Blauwe kiekendief | VR I, TMAP | goed | goed | ||
| Blauwe reiger (k) | VR, Ai | goed | |||
| Boerenzwaluw | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Bontbekplevier | VR I, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Bonte strandloper | VR, TMAP, Ai | goed | incidenteel in NL | ||
| Bonte vliegenvanger | VR | goed | |||
| Boomklever | VR, TYP | goed | |||
| Boomkruiper | VR | goed | |||
| Boomleeuwerik | VR I, TYP | goed | |||
| Boompieper | VR, ANLb | goed | |||
| Boomvalk | VR | goed | |||
| Bosrietzanger | VR, TYP | goed | |||
| Bosuil | VR, TYP | goed | |||
| Braamsluiper | VR, ANLb | goed | |||
| Brandgans | VR, TMAP, Ai, S | goed | goed | ||
| Brilduiker | VR, Ai | goed | |||
| Bruine kiekendief | VR I | goed | |||
| Buidelmees | VR | goed | |||
| Buizerd | VR | goed | |||
| Bijeneter | VR | goed | |||
| Canadese gans | Ai, S | goed | |||
| Cetti’s Zanger | VR | goed | |||
| Dodaars | VR I, TYP, Ai | goed | |||
| Draaihals | VR I | goed | |||
| Duinpieper | VR I, TYP | goed | verdwenen uit NL | ||
| Dwergmeeuw | VR, TMAP | goed | incidenteel in NL | ||
| Dwergstern (k) | VR I, TMAP | goed | goed | ||
| Eider | VR I, TMAP, TYP | goed | goed | ||
| Ekster | VR, S | goed | |||
| Europese kanarie | VR | goed | |||
| Fazant | Exoot, S | goed | |||
| Fitis | VR | goed | |||
| Fluiter | VR, TYP | goed | |||
| Fuut | VR, Ai | goed | |||
| Gaai | VR | goed | |||
| Geelgors | VR, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | ||
| Gekraagde roodstaart | VR, ANLb | goed | |||
| Gele kwikstaart | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Geoorde fuut | VR I, TYP, Ai | goed | |||
| Gierzwaluw | VR | goed | |||
| Glanskop | VR | goed | |||
| Goudhaan | VR | goed | |||
| Goudvink | VR, TYP | goed | |||
| Grasmus | VR, FBI | goed | goed | ||
| Graspieper | VR, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | ||
| Graszanger | VR | goed | |||
| Grauwe gans | VR, Ai, S | goed | |||
| Grauwe gors | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Grauwe kiekendief | VR I, ANLb | goed | goed | ||
| Grauwe klauwier | VR I, ANLb | goed | goed | ||
| Grauwe vliegenvanger | VR, ANLb | goed | |||
| Griel | VR | goed | verdwenen uit NL | ||
| Groene specht | VR, ANLb | goed | |||
| Groenling | VR, ANLb | goed | |||
| Grote bonte specht | VR, TYP | goed | |||
| Grote gele kwikstaart | VR | goed | |||
| Grote karekiet | VR I | goed | |||
| Grote Lijster | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Grote mantelmeeuw | VR, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Grote stern (k) | VR I, TMAP | goed | goed | ||
| Grote zilverreiger (k) | VR I, Ai | goed | |||
| Grutto | VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | goed | |
| Halsbandparkiet | Exoot | goed | |||
| Havik | VR | goed | |||
| Heggenmus | VR | goed | |||
| Heilige Ibis | Exoot | goed | |||
| Holenduif | VR, S | goed | |||
| Hop | VR | goed | incidenteel in NL | ||
| Houtduif | VR, S, ANLb | goed | |||
| Houtsnip | VR, TYP, Ai | goed | |||
| Huiskraai | Exoot | goed | |||
| Huismus | VR, S, ANLb | goed | |||
| Huiszwaluw (k) | VR, ANLb | goed | |||
| IJsvogel | VR I | goed | |||
| Kauw | VR, S | goed | |||
| Kemphaan | VR I, TMAP, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | goed | |
| Kerkuil | VR | goed | |||
| Kievit | VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | goed | |
| Klapekster | VR, TYP | goed | verdwenen uit NL | ||
| Kleine barmsijs | VR | goed | |||
| Kleine bonte specht | VR | goed | |||
| Kleine Karekiet | VR | goed | |||
| Kleine mantelmeeuw (k) | VR I, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Kleine plevier | VR, Ai | goed | |||
| Kleine zilverreiger (k) | VR, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Kleinst waterhoen | VR | goed | |||
| Kluut | VR I, TMAP, Ai, TYP | goed | goed | ||
| Kneu | VR, ANLb | goed | |||
| Knobbelzwaan | VR, Ai, S | goed | |||
| Koekoek | VR, ANLb | goed | |||
| Kokmeeuw (k) | VR, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Kolgans | VR, Ai, S | goed | |||
| Koolmees | VR | goed | |||
| Korhoen | VR I | goed | |||
| Kraanvogel | VR | goed | |||
| Krakeend | VR, Ai | goed | |||
| Kramsvogel | VR, ANLb | goed | |||
| Krooneend | VR, Ai | goed | |||
| Kruisbek | VR | goed | |||
| Kuifeend | VR, Ai | goed | |||
| Kuifleeuwerik | VR | goed | verdwenen uit NL | ||
| Kuifmees | VR | goed | |||
| Kwak | VR, TYP | goed | |||
| Kwartel | VR, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | ||
| Kwartelkoning | VR I, ANLb | goed | |||
| Lachstern | VR, TMAP | goed | Incidenteel in NL | ||
| Lepelaar (k) | VR I, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Matkop | VR, TYP | goed | |||
| Meerkoet | VR, Ai, S | goed | |||
| Merel | VR | goed | |||
| Middelste bonte specht | VR | goed | |||
| Middelste zaagbek | VR, TMAP | goed | goed | ||
| Nachtegaal | VR, TYP | goed | |||
| Nachtzwaluw | VR I | goed | |||
| Nijlgans | Ai, Exoot | goed | |||
| Nonnetje | VR I | goed | |||
| Noordse stern (k) | VR I, TMAP | goed | goed | ||
| Oehoe | VR | goed | |||
| Oeverloper | VR, Ai | goed | |||
| Oeverzwaluw (k) | VR I | goed | |||
| Ooievaar | VR, Ai | goed | |||
| Ortolaan | VR | goed | verdwenen uit NL | ||
| Paapje | VR I, TYP | goed | |||
| Patrijs | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Pijlstaart | VR, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Pimpelmees | VR | goed | |||
| Pontische meeuw (k) | VR I | goed | |||
| Porseleinhoen | VR I | goed | |||
| Purperreiger (k) | VR I, Ai, ANLb | goed | |||
| Putter | VR, FBI | goed | goed | ||
| Raaf | VR | goed | |||
| Ransuil | VR | goed | |||
| Rietgors | VR, ANLb | goed | |||
| Rietzanger | VR I | goed | |||
| Ringmus | VR, FBI, S, ANLb | goed | goed | ||
| Rode wouw | VR | goed | |||
| Roek (k) | VR, FBI, S, ANLb | goed | goed | ||
| Roerdomp | VR I, Ai | goed | |||
| Roodborst | VR | goed | |||
| Roodborsttapuit | VR I, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | ||
| Roodhalsfuut | VR | goed | |||
| Roodkopklauwier | VR | goed | verdwenen uit NL | ||
| Rosse stekelstaart | Exoot | goed | |||
| Ruigpootuil | VR | goed | incidenteel in NL | ||
| Scholekster | VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | goed | |
| Sijs | VR | goed | |||
| Slechtvalk | VR | goed | |||
| Slobeend | VR, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | ||
| Smient | VR, TMAP, Ai, S | goed | goed | ||
| Snor | VR I | goed | |||
| Soepeend | Exoot | goed | |||
| Soepgans | Exoot | goed | |||
| Sperwer | VR | goed | |||
| Spotvogel | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Spreeuw | VR, FBI, S, ANLb | goed | goed | ||
| Sprinkhaanzanger | VR, TYP | goed | |||
| Staartmees | VR | goed | |||
| Stadsduif | VR | goed | |||
| Steenloper | VR, TMAP | goed | incidenteel in NL | ||
| Steenuil | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Steltkluut | VR | goed | |||
| Stormmeeuw (k) | VR, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Strandplevier | VR I, TMAP, TYP | goed | goed | ||
| Tafeleend | VR, Ai | goed | |||
| Tapuit | VR I, TYP | goed | |||
| Tjiftjaf | VR | goed | |||
| Torenvalk | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Treurmaina | Exoot | goed | |||
| Tuinfluiter | VR, ANLb | goed | |||
| Tureluur | VR, TMAP, Ai, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | goed | |
| Turkse tortel | VR | goed | |||
| Veldleeuwerik | VR, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | ||
| Velduil | VR I, TMAP, TYP, ANLb | goed | goed | ||
| Vink | VR | goed | |||
| Visarend | VR I | goed | |||
| Visdief (k) | VR I, TMAP, Ai, ANLb | goed | goed | ||
| Vuurgoudhaan | VR | goed | |||
| Waterhoen | VR, Ai, ANLb | goed | |||
| Waterral | VR, Ai | goed | |||
| Watersnip | VR I, TMAP, Ai, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | goed | |
| Wespendief | VR I, TYP | slecht | |||
| Wielewaal | VR, TYP, ANLb | goed | |||
| Wilde eend | VR, Ai, S | goed | |||
| Wilde zwaan | VR, Ai | goed | |||
| Winterkoning | VR | goed | |||
| Wintertaling | VR, TYP, Ai, ANLb | goed | |||
| Witte kwikstaart | VR, ANLb | goed | |||
| Witwangstern | VR I | goed | |||
| Woudaap | VR I | goed | |||
| Wulp | VR, TMAP, Ai, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | goed | |
| Zanglijster | VR | goed | |||
| Zeearend | VR | goed | |||
| Zilvermeeuw (k) | VR, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Zomertaling | VR, Ai, ANLb | goed | |||
| Zomertortel | VR, FBI | goed | goed | ||
| Zwarte kraai | VR, S | goed | |||
| Zwarte mees | VR | goed | |||
| Zwarte roodstaart | VR | goed | |||
| Zwarte specht | VR I, TYP | goed | |||
| Zwarte stern (k) | VR I, TYP, Ai, ANLb | goed | |||
| Zwarte wouw | VR | goed | |||
| Zwartkop | VR | goed | |||
| Zwartkopmeeuw (k) | VR I, TMAP, Ai | goed | goed | ||
1)(k): Kolonievogel.
2)VR: Vogelrichtlijnsoort (alle inheemse vogelsoorten volgens art 1–3 VR); VR I: soorten waarvoor op basis van bijlage I van de Vogelrichtlijn in één of meerdere Natura 2000‑gebieden instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd; TMAP: Trilateral Monitoring and Assessment Program; FBI: Farmland Bird Index; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; Exoot: (invasieve) exoten; S: Schadesoorten (vastgesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur); ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.
3)Kwaliteit van trends voor meetdoel aviaire influenza is gelijk aan kwaliteit trends NL en daarom niet apart benoemd.
4)Enkele voor ANLb geselecteerde PTT soorten ontbreken in deze lijst, omdat deze niet broeden in Nederland.
| Jaar | Agrarisch gebied | Stedelijk gebied | Overig |
|---|---|---|---|
| 1990 | 578 | 41 | 518 |
| 1991 | 453 | 61 | 505 |
| 1992 | 639 | 68 | 585 |
| 1993 | 574 | 64 | 608 |
| 1994 | 777 | 63 | 624 |
| 1995 | 730 | 52 | 664 |
| 1996 | 859 | 50 | 752 |
| 1997 | 850 | 50 | 741 |
| 1998 | 1166 | 59 | 855 |
| 1999 | 1057 | 77 | 838 |
| 2000 | 1207 | 71 | 871 |
| 2001 | 696 | 73 | 677 |
| 2002 | 1300 | 74 | 893 |
| 2003 | 1145 | 71 | 838 |
| 2004 | 1321 | 87 | 940 |
| 2005 | 1233 | 92 | 924 |
| 2006 | 1662 | 90 | 926 |
| 2007 | 1108 | 480 | 859 |
| 2008 | 1011 | 545 | 858 |
| 2009 | 1673 | 540 | 859 |
| 2010 | 959 | 627 | 902 |
| 2011 | 1231 | 672 | 987 |
| 2012 | 1848 | 692 | 1095 |
| 2013 | 2117 | 699 | 1039 |
| 2014 | 1759 | 797 | 1033 |
| 2015 | 1810 | 723 | 1157 |
| 2016 | 2310 | 762 | 1237 |
| 2017 | 2378 | 769 | 1214 |
| 2018 | 2400 | 793 | 1279 |
| 2019 | 2509 | 806 | 1152 |
| 2020 | 2631 | 841 | 1212 |
| 2021 | 2885 | 902 | 1290 |
| 2022 | 2865 | 953 | 1248 |
| 2023 | 2808 | 993 | 1297 |
| 2024 | 2959 | 1011 | 1384 |
| 2025 | 2860 | 986 | 1256 |
| Jaren | Aantal transecten |
|---|---|
| '80 | 151 |
| '81 | 143 |
| '82 | 164 |
| '83 | 331 |
| '84 | 419 |
| '85 | 379 |
| '86 | 383 |
| '87 | 417 |
| '88 | 405 |
| '89 | 383 |
| '90 | 352 |
| '91 | 359 |
| '92 | 342 |
| '93 | 299 |
| '94 | 321 |
| '95 | 348 |
| '96 | 368 |
| '97 | 408 |
| '98 | 421 |
| '99 | 436 |
| '00 | 407 |
| '01 | 399 |
| '02 | 410 |
| '03 | 419 |
| '04 | 442 |
| '05 | 450 |
| '06 | 429 |
| '07 | 436 |
| '08 | 435 |
| '09 | 416 |
| '10 | 382 |
| '11 | 457 |
| '12 | 449 |
| '13 | 450 |
| '14 | 443 |
| '15 | 472 |
| '16 | 575 |
| '17 | 591 |
| '18 | 610 |
| '19 | 653 |
| '20 | 677 |
| '21 | 679 |
| '22 | 641 |
| '23 | 623 |
| '24 | 653 |
Natura 2000‑gebieden en zoete Rijkswateren
Voor 45 soorten broedvogels zijn Natura 2000‑gebieden aangewezen waar deze soorten speciale bescherming genieten. In totaal levert dit 374 soort-gebiedscombinaties op waarvoor informatie over trends en populatiegrootte gewenst is. Het beoordelen van de teldekking in Natura 2000‑gebieden gebeurt primair op basis van de mate waarin in de laatste drie jaren de telgebieden zijn geïnventariseerd waarin de soort in de afgelopen twaalf jaar is aangetroffen (zie tabel 7.3.5). In het oordeel wordt tevens rekening gehouden met de relatieve aantallen van de soort in de recent getelde meetpunten binnen de gebieden: meetpunten met veel individuen tellen zwaarder mee. Alleen wanneer die informatie geen uitsluitsel geeft, wordt met aanvullende expert kennis over de situatie ter plaatse een eindoordeel gegeven.
Deze systematiek wordt ook gehanteerd voor het beoordelen van de teldekking van een aantal indicatieve soorten van de zoete Rijkswateren. Het gaat hier om 288 combinaties van 63 indicatieve soorten in vijf onderscheiden hoofdwatersystemen. Zie voor de beoordeling van de teldekking ‘Voortgang 2025’.
| Aantal VR soorten2) | Aantal VR soorten niet goed3) | Specificatie soorten niet goed | |
|---|---|---|---|
| Natura 2000‑gebied1) | |||
| Alde Feanen | 9 | ||
| Bargerveen | 10 | ||
| Biesbosch | 8 | ||
| Boezems Kinderdijk | 4 | ||
| Brabantse Wal | 6 | 4 | boomleeuwerik, dodaars, wespendief, zwarte specht |
| De Wieden | 13 | ||
| Deelen | 5 | 1 | rietzanger |
| Deurnsche Peel & Mariapeel | 4 | 1 | nachtzwaluw |
| Drents-Friese Wold & Leggelderveld | 9 | ||
| Duinen Ameland | 9 | 1 | eider |
| Duinen en Lage Land Texel | 12 | 5 | bontbekplevier, bruine kiekendief, eider, kluut, roodborsttapuit |
| Duinen Goeree & Kwade Hoek | 1 | ||
| Duinen Schiermonnikoog | 7 | ||
| Duinen Terschelling | 10 | 2 | rietzanger, tapuit |
| Duinen Vlieland | 8 | ||
| Dwingelderveld | 7 | ||
| Eemmeer en Gooimeer zuidoever | 1 | ||
| Eilandspolder | 1 | ||
| Engbertsdijksvenen | 1 | ||
| Fochteloerveen | 4 | ||
| Grevelingen | 7 | 1 | bruine kiekendief |
| Groote Peel | 5 | ||
| Groote Wielen | 3 | ||
| Haringvliet | 10 | ||
| Hollands Diep | 2 | ||
| IJsselmeer | 10 | 3 | bruine kiekendief, rietzanger, snor |
| Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | 7 | 1 | visdief |
| Kampina & Oisterwijkse Vennen | 2 | ||
| Ketelmeer & Vossemeer | 3 | 1 | porseleinhoen |
| Krammer-Volkerak | 8 | 1 | bruine kiekendief |
| Lauwersmeer | 13 | ||
| Leekstermeergebied | 3 | ||
| Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux | 3 | 2 | boomleeuwerik, roodborsttapuit |
| Lepelaarplassen | 2 | ||
| Maasduinen | 8 | ||
| Markermeer en IJmeer | 2 | ||
| Markiezaat | 5 | ||
| Meinweg | 3 | 3 | boomleeuwerik, nachtzwaluw, roodborsttapuit |
| Naardermeer | 5 | ||
| Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | 6 | ||
| Noordzeekustzone | 3 | ||
| Oostelijke Vechtplassen | 9 | ||
| Oosterschelde | 8 | 1 | bruine kiekendief |
| Oostvaardersplassen | 14 | ||
| Oudegaasterbrekken, Fluessen e.o. | 1 | ||
| Rijntakken | 12 | ||
| Sallandse Heuvelrug | 3 | 1 | roodborsttapuit |
| Sneekermeergebied | 4 | ||
| Strabrechtse Heide & Beuven | 2 | ||
| Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | 5 | ||
| Van Oordt’s Mersken | 2 | ||
| Veerse Meer | 3 | ||
| Veluwe | 10 | ||
| Veluwerandmeren | 2 | ||
| Voornes Duin | 4 | ||
| Waddenzee | 13 | ||
| Weerribben | 8 | 3 | rietzanger, snor, watersnip |
| Weerter- en Budelerbergen & Ringselven | 3 | 3 | boomleeuwerik, nachtzwaluw, roodborsttapuit |
| Westerschelde & Saeftinghe | 9 | ||
| Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | 3 | ||
| Zoommeer | 4 | ||
| Zouweboezem | 3 | ||
| Zuidlaardermeergebied | 3 | ||
| Zwanenwater & Pettemerduinen | 4 | ||
| Zwarte Meer | 6 |
1)De begrenzing van de gemonitorde gebieden valt niet altijd volledig samen met de begrenzing van de Natura 2000‑gebieden.
2)Aantal kwalificerende VR soorten per gebied.
3)Met het oog op trends per VR gebied: gebaseerd op volledigheid van beschikbare tellingen in de laatste 3 jaar en expert judgement.
Voortgang 2025
Broedvogels – landelijk
De landelijke teldekking voor broedvogels is onverminderd groot en neemt over het algemeen nog steeds toe, zie kaarten 7.3.6 t/m 7.3.8. Evenals in voorgaande jaren is de datavoorziening voor broedvogels dus goed en kunnen voor alle soorten betrouwbare landelijke trends (zie tabel 7.3.2) worden bepaald, evenals vele trends op een lager schaalniveau.
In totaal zijn voor de verschillende BMP deelprojecten in de loop der jaren (1990–2024) bijna 16 000 meetpunten minimaal eenmaal onderzocht, verdeeld over de verschillende deelprojecten voor verschillende doeleinden en in verschillende biotopen. In de laatste vijf jaar werd een derde van deze meetpunten jaarlijks geteld (zie figuur 7.3.3). Bij de zeldzame soorten zijn telgegevens beschikbaar van meer dan 6 500 locaties. In de laatste vijf jaar werden daarvan 46 tot 50% (2 994 tot 3 269) jaarlijks geteld. Voor kolonievogels zijn telgegevens beschikbaar van ongeveer 18 000 kolonies/meetpunten, die minimaal eenmaal geteld zijn. In de laatste vijf jaar werden 77 tot 83% (14 000 tot 15 000) van de kolonies geteld. Het aantal kolonies per soort is min of meer stabiel en omvat vrijwel alle kolonies van de betreffende soorten.
Aanpassing van de trendberekening van dakbroedende kolonievogels, met name Kleine Mantelmeeuw, moet bekeken worden door CBS en Sovon samen. Dit kan bijvoorbeeld door toevoegen stedelijk gebied als extra stratum en eventueel toepassen van weging.
Het toenemende gebruik van hulpmiddelen als geluidenherkenningsapps e.d. bij de uitvoering van tellingen verdient nader onderzoek. Geluidherkenningsapps kunnen de detectiekans vergroten, maar zijn niet altijd accuraat in de identificatie van een soort. Sovon heeft een protocol voor het werken met geluidenapps (herkenning) opgesteld, waarin centraal staat dat een waarnemer de uitkomsten van de app visueel en/of auditief bevestigt om misidentificatie op basis van de app te voorkomen, dat in 2025 beschikbaar gekomen is. Het al dan niet werken met een geluidenapp kan invloed hebben op een kartering. Om een beter beeld te krijgen van de mate waarin geluidsherkenningsapps en het afspelen van geluiden in het veld om een reactie van de vogel op te roepen tijdens de BMP-tellingen worden gebruikt, wordt vanaf 2025 bij het afronden van de telling gevraagd of al dan niet hiervan gebruik is gemaakt.
Broedvogels – gebieden
Aangewezen broedvogelsoorten in de Natura 2000‑gebieden worden in verreweg de meeste gevallen goed geteld. Slechts 34 (9%) van de 374 soort-gebiedscombinaties werden in de laatste drie jaar onvoldoende geteld (zie tabel 7.3.5). Het aantal de laatste jaren stabiel blijft op een laag niveau. In de lijst van soorten die onvoldoende geteld worden is wel enige verschuiving te zien, maar een deel van de huidige knelpunten was ook in eerdere jaren al een knelpunt. Negen soort-gebiedscombinaties werden nu wel voldoende geteld t.o.v. vorig jaar en voor acht ‘nieuwe’ soort-gebiedscombinaties was de teldekking nu niet voldoende (zie tabel 7.3.5).
Ook bij de indicatieve soorten van de zoete Rijkswateren is de teldekking over het algemeen goed. Voor slechts 6 (2%) van de 290 soort-gebiedscombinaties was de teldekking een knelpunt, 5 minder dan vorig jaar. Het grootse deel van de daling in het aantal knelpunten komt op conto van het IJsselmeergebied; aandacht voor tellingen langs de Friese IJsselmeerkust blijft echter belangrijk om ook de laatste knelpunten in het IJsselmeergebied op te lossen..
Op verzoek van BIJ12 zijn in 2025 trends van NNN-gebieden per provincie berekend.
Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb)
BIJ12 heeft het CBS verzocht om een overzicht van de bevindingen van de analyses te maken. Een rapport hierover verscheen in het voorjaar van 2025. De belangrijkste conclusie was dat de ANLb-beleidsmonitoring na acht jaar monitoring nog niet de resultaten opleverde waarop werd gehoopt. De belangrijkste reden hiervoor is waarschijnlijk de matige match tussen NEM-meetpunten en ANLb-maatregelen.
Het ministerie van LVVN en BIJ12 hebben Sovon en Wageningen Environmental Research de opdracht gegeven tot een ecologische evaluatie van het subsidiestelsel ANLb. De evaluatie omvat verschillende analyses van de effectiviteit van het ANLb als geheel en de effectiviteit van verschillende manieren waarop ANLb kan worden uitgevoerd (bijvoorbeeld verschillende beheerpakketten of mate van mozaïekbeheer). De focus ligt hierbij op het effect van het ANLb op de trend van de voor het subsidiestelsel aangewezen doelsoorten. Deze evaluatie is in maart 2025 gepubliceerd.
In het PTT meetnet zijn telgegevens beschikbaar van ruim 1 200 routes met elk twintig afzonderlijke meetpunten. De laatste vijf jaar werd 50 tot 55% (623 tot 677) van de transecten jaarlijks geteld (zie figuur 7.3.4). Het aantal getelde routes is duidelijk gegroeid sinds het PTT ten behoeve van de beleidsmonitoring van Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) in 2016 in het NEM is opgenomen.
Voor de monitoringsonderdelen kolonievogels, zeldzame soorten, watervogels en wintervogels zijn voldoende tellers beschikbaar, maar onderhoud van het vrijwilligersbestand blijft nodig. Het accent op voor ANLb relevante werving en opleiding dient te liggen op BMP/MAS.
Exoten
Van de zes invasieve vogelsoorten van de Unielijst (NVWA, z.d.) komen alleen nijlgans en rosse stekelstaart als recente broedvogel in Nederland voor. Beide worden met het huidige meetprogramma goed gevolgd (zie bijlage 12 voor de verspreidingskaarten van deze twee soorten). Naast deze soorten van de Unielijst, worden ook diverse andere vogelexoten gevolgd (zie tabel 7.3.2).
Publicaties
In de literatuurlijst van dit rapport staan, naast de in bovenstaande tekst geciteerde literatuur, diverse publicaties genoemd, die verslag doen van het broedseizoen 2024 en/of gebruik maken van de data of aanvullende/achtergrond informatie geven betreffende het tellen van broed- en wintervogels.
Aandachtspunten
- Vasthouden aan vervroegde levering van de gegevens CBS. Dit leverde de afgelopen drie jaar tijdwinst tot wel 8 maanden op.
- Onderzoek naar mogelijke vertekening van PTT trends door met name (een toename van) de leeftijd van de waarnemers (CBS).
- Aanhoudend inzetten op werving voor BMP en MAS in agrarisch gebied (Sovon)
- Trendberekening dakbroedende kolonievogels uitvoeren (CBS/Sovon)
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving, CBS-Statline en Sovon.
Samenvatting bevindingen CBS bij ANLb-trendanalyses: Website CBS.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM; Website SOVON/PTT.
Informatie over Sovon: Website Sovon.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.




7.4Broedvogels: Nestkaarten
Algemeen
Het meetprogramma Nestkaarten levert informatie over het broed- en nestsucces van vogels en over het tijdstip van het broeden en de veranderingen daarin. Broedsucces betreft het aantal uitgekomen vliegvlugge jongen per broedpaar en nestsucces het percentage nesten dat minimaal één nest verlatend kuiken of vliegvlug jong voortbrengt.
Met gegevens over de reproductie zijn toekomstige veranderingen in de populatiegrootte al in een vroeg stadium te signaleren en kan daarop worden geanticipeerd in het beleid, met name voor wadvogels (in het kader van Trilateral Monitoring and Assesment Program TMAP) en boerenlandvogels. Tevens zijn fenologische veranderingen onder invloed van bijvoorbeeld klimaatverandering te signaleren.
Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.
Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, Werkgroep Roofvogels Nederland, Steenuilen Overleg Nederland, CBS, Weidevogelwachten en Landschappen.nl, Stichting Kerkuilenwerkgroep Nederland, Stichting Hirundo, Werkgroep NESTKAST, Werkgroep STORK, Werkgroep Lepelaar, Werkgroep Zeearend Nederland, e.a. (zie voor de volledige lijst tabel 2.3 in Boele et al. 2023).
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), provincies.
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijke trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Nestsucces boerenlandvogels en broedsucces waddenvogels | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Biodiversiteit van het agrarisch gebied: landelijke trends | |
| Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
Soorten
De soortselectie is in 2025 uitgebreid van voorheen 32 naar nu 49 soorten voor kwaliteitsbeoordeling (tabel 7.4.2). Bij de selectie is rekening gehouden met de meetdoelen voor dit meetprogramma. Daarbij gaat het om de berekening van de eerste eilegdatum, het broedsucces van waddenbroedvogels uit het Trilateral Monitoring and Assessment Programme (TMAP) en het nestsucces van boerenlandvogels in relatie tot de Europese Farmland Bird Indicator (FBI).
Gegevens
Gegevensinwinning
De nestgegevens worden op (digitale) kaarten geregistreerd, vandaar de term ‘nestkaarten’. Het meetprogramma bestaat uit het jaarlijks verzamelen en analyseren van data over het broed- en nestsucces en de eilegdatum. Per vogelsoort worden de lotgevallen van een aantal nesten tot het uitkomen van de eieren (bij nestvlieders) of uitvliegen van de jongen (bij nestblijvers) gevolgd gedurende het broedseizoen, zoals legselgrootte, eilegdatum en broed- en nestsucces. In het meetprogramma Nestkaarten wordt samengewerkt met een groot aantal organisaties die nestgegevens verzamelen (zie in Algemeen hierboven). Het meetprogramma is gestart in 1995, maar voor sommige soorten zijn ook eerdere gegevens beschikbaar; soms al vanaf de jaren zestig.
Data
Jaarlijks worden enkele tienduizenden nestkaarten ingevuld. Voor berekening van het broed-en nestsucces wordt gebruik gemaakt van de Mayfield methode (Beintema 1992) en wordt de kwaliteit o.a. beoordeeld op basis van de statistische betrouwbaarheid van de berekende trend. Voor algemene soorten wordt gestreefd naar een steekproef van minimaal dertig nesten en nestkaarten per jaar, voor zeldzame soorten van minimaal vijftien en voor zeer zeldzame soorten is de minimale steekproef vijf nesten en nestkaarten per jaar, mits daarmee een substantieel deel van de nesten wordt gevolgd. Op basis van nieuwe berekeningen is de oude minimale grootte van de steekproef voor algemene soorten van zestig bijgesteld naar dertig. Er worden daarnaast wel nieuwe eisen gesteld, o.a. aan de verdeling van de nestkaartgegevens over de periode waarover wordt gerekend en de geografische verspreiding van de nesten.
Gegevensverwerking
Jaarlijks worden door Sovon eilegdatum en broed- of nestsucces berekend van ongeveer zeventig vogelsoorten. Deze worden per soort op de Sovon website gepubliceerd en ook door het CBS gebruikt voor enkele indicatoren op het Compendium voor de Leefomgeving (CLO) over broed- en nestsucces en verschuivingen in de eilegdatum. Het nestsucces van boerenlandvogels kan worden gebaseerd op nestgegevens van 12 van de 27 FBI soorten en het broedsucces van waddenvogels op nestgegevens van 10 van de 35 waddenvogels, die in TMAP gevolgd worden. Voor de verschuiving van de eilegdatum konden de nestgegevens van 32 soorten gebruikt worden.
Voor de boerenlandvogels zijn er te weinig data beschikbaar over nestsucces van onbeschermde nesten, waardoor uitsluitend betrouwbare uitspraken gedaan kunnen worden over het nestsucces van het (substantiële) deel van de populatie waarvan de nesten wordt beschermd. Voor het bepalen van het effect van het agrarisch natuurbeheer (ANLb) zijn deze gegevens uiteraard nog steeds relevant.
| Soort | Beleidsstatus1) | Nestsucces boerenlandvogels | Broedsucces waddenvogels | Eilegdatum landelijk |
|---|---|---|---|---|
| Blauwe kiekendief | VR I, TMAP | slecht | ||
| Boerenzwaluw | VR, FBI, ANLb | goed | goed | |
| Bontbekplevier | VR I, TMAP, Ai | goed | ||
| Bonte vliegenvanger | VR | goed | ||
| Boomklever | VR, TYP | goed | ||
| Boomvalk | VR | goed | ||
| Bosuil | VR, TYP | goed | ||
| Bruine kiekendief | VR I | goed | ||
| Buizerd | VR | goed | ||
| Dwergstern (k) | VR I, TMAP | goed | ||
| Eider | VR I, TMAP, TYP | goed | ||
| Gekraagde roodstaart | VR, ANLb | goed | ||
| Gele kwikstaart | VR, FBI, ANLb | goed | goed | |
| Gierzwaluw | VR | goed | ||
| Grasmus | VR, FBI | slecht | ||
| Graspieper | VR, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | |
| Grutto | VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | goed |
| Havik | VR | goed | ||
| Kerkuil | VR | goed | ||
| Kievit | VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | goed |
| Kleine mantelmeeuw (k) | VR I, TMAP, Ai | goed | ||
| Kleine plevier | VR, Ai | goed | ||
| Kluut | VR I, TMAP, Ai, TYP | goed | ||
| Kokmeeuw (k) | VR, TMAP, Ai | goed | ||
| Koolmees | VR | goed | ||
| Krakeend | VR, Ai | goed | ||
| Meerkoet | VR, Ai, S | goed | ||
| Noordse stern (k) | VR I, TMAP | goed | ||
| Patrijs | VR, FBI, ANLb | goed | ||
| Pimpelmees | VR | goed | ||
| Ringmus | VR, FBI, S, ANLb | goed | goed | |
| Roodborsttapuit | VR I, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | |
| Scholekster | VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | goed |
| Slobeend | VR, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | |
| Sperwer | VR | goed | ||
| Spotvogel | VR, FBI, ANLb | matig | ||
| Spreeuw | VR, FBI, S, ANLb | goed | goed | |
| Steenuil | VR, FBI, ANLb | goed | goed | |
| Stormmeeuw (k) | VR, TMAP, Ai | goed | ||
| Strandplevier | VR I, TMAP, TYP | goed | ||
| Torenvalk | VR, FBI, ANLb | goed | goed | |
| Tureluur | VR, TMAP, Ai, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | goed |
| Veldleeuwerik | VR, FBI, TYP, ANLb | goed | ||
| Velduil | VR I, TMAP, TYP, ANLb | slecht | ||
| Visdief (k) | VR I, TMAP, Ai, ANLb | goed | ||
| Wespendief | VR I, TYP | goed | ||
| Wilde eend | VR, Ai, S | goed | ||
| Wulp | VR, TMAP, Ai, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | goed |
| Zilvermeeuw (k) | VR, TMAP, Ai | goed |
1)VR: Vogelrichtlijnsoort (alle inheemse vogelsoorten volgens art 1-3 VR); VR I: soorten waarvoor op basis van bijlage I van de Vogelrichtlijn in één of meerdere Natura 2000-gebieden instandhoudingsdoelen worden geformuleerd; TMAP: Trilateral Monitoring and Assessment Program; FBI: Farmland Bird Index; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; Exoot: (invasieve) exoten; S: Schadesoorten (vastgesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur); ANLb: Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.
2).: Meetdoel nog niet in te vullen.
3)Beoordeling aantal kaarten over de laatste 3 jaar (met het oog op het kunnen bepalen van landelijke trends). Goed: 30 of meer; matig: 15–30; slecht: minder dan 15 nestkaarten. Bij schaarse soorten is een lager aantalscriterium aangehouden.
Voortgang 2025
Over het broedseizoen 2024 kwamen voor alle soorten samen ca. 51 622 nestkaarten beschikbaar, waarvan 49 649 voor de selectiesoorten. Vrijwel alle gegevens worden inmiddels digitaal ingezonden, waarbij automatische foutcontrole plaats vindt. Uitgaande van de gegevens van de laatste drie jaren, zijn van alle 49 soorten voldoende nestkaarten verzameld. Op basis van de ervaringen met berekening van trends en broed- en nestsucces, zijn de streefwaarden voor de minimale teldekking in de laatste drie jaren voor algemene soorten bijgesteld van zestig naar dertig nestkaarten en voor de zeer zeldzame soorten is het minimum opgehoogd van één naar vijf nestkaarten. Voor de beoordeling van de teldekking per soort heeft dat overigens weinig consequenties.
Er heeft in 2025 een update plaatsgevonden van zowel de indicator over het nestsucces van boerenlandvogels als ook de indicator over vogels in het Waddengebied, waarin ook het broedsucces van waddenvogels staat vermeld. Voor boerenlandvogels kunnen trends in nestsucces goed worden bepaald op basis van de nestkaarten. Voor waddenvogels zijn aanvullende gegevens nodig uit het Reproductiemeetnet Waddenzee en is berekening momenteel voor tien soorten mogelijk. Het broedsucces kan worden afgezet tegen de waarde die minimaal nodig is om een stabiele populatie in stand te houden. Voor boerenlandvogels is dat niet mogelijk omdat met nestkaarten alleen nestsucces wordt bepaald, en de overleving van de kuikens ook van veel andere factoren afhangt.
Publicaties
In de literatuurlijst van dit rapport staan, naast de in bovenstaande tekst geciteerde literatuur, diverse publicaties genoemd, die verslag doen van het broedseizoen 2024 en/of gebruik maken van de data of aanvullende/achtergrond informatie geven betreffende het monitoring van nesten.
Aandachtspunten
- Meer nestkaarten verkrijgen van te weinig bemonsterde soorten met speciale aandacht voor TMAP soorten en weidevogels (Sovon).
- Continuering van de samenwerking met soortgerichte werkgroepen en zorg dragen voor opname van hun gegevens in de databestanden (Sovon).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en link naar handleiding Nestkaarten: Website Sovon/nestkaarten.
Informatie over Sovon: Website Sovon.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.
7.5Watervogels
Algemeen
In het meetprogramma voor watervogels worden doortrekkende en overwinterende watervogels gevolgd in alle belangrijke waterrijke gebieden, inclusief de Waddenzee en de Noordzee. Ganzen en zwanen worden daarnaast ook gevolgd in zogenaamde aanvullende ganzengebieden (plaatsen waar veel ganzen en zwanen foerageren, voornamelijk in agrarisch gebied). Op de Noordzee foeragerende vogels worden geteld vanuit vliegtuigen en vogels in de kustzone worden geteld vanaf trektelposten langs de kust. Er wordt niet gestuurd op het inwinnen van verspreidingsgegevens, maar door de uitgebreidheid van het meetprogramma ontstaat een goed beeld van de verspreiding van veel soorten.
Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.
Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS, Rijkswaterstaat (RWS), terreinbeheerders, provincies, Nederlandse Zeevogelgroep, Trektellen.nl, ecologische adviesbureaus.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS WVL).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends | |
| Trilateral Monitoring and Assessment Program: trends van vogels in het Waddengebied | |
| OSPAR Commission: landelijke trends | |
| Aviaire Influenza: landelijke trend en verspreiding | |
| Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM): landelijke trends | |
| EU Kaderrichtlijn Water: trends in zoete Rijkswateren | |
| Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000‑gebieden en biotopen | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Invasieve exoten: landelijke trends | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Ramsar (wetlands): trends per Ramsar gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| African Eurasian Waterbird Agreement: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Schadesoorten: landelijke trends | |
| Biodiversiteit van het agrarisch gebied: landelijke trends | |
| Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
Soorten
Het meetprogramma streeft ernaar om alle beleidsrelevante overwinterende en doortrekkende aan watergebonden vogelsoorten te volgen. Dit betreft:
- Soorten waarvoor op basis van de Vogelrichtlijn (VR) gebieden zijn aangewezen die een foerageerfunctie hebben voor de soort, omdat deze in bijlage I van de VR staan (aangegeven met VR I in tabel 7.5.2) of een regelmatig voorkomende trekvogel is (VR T);
- soorten van het Trilateral Monitoring and Assessment Program (TMAP);
- de lijst met doelsoorten van het Agrarisch Natuur en -Landschapsbeheer (ANLb);
- de lijst met soorten die mogelijk een rol spelen bij uitbraken en verspreiding van aviaire influenza;
- de niet-broedvogels uit het OSPAR programma (Convention for the Protection of the Marine Environment of the North-East Atlantic of de ‘OSPAR Conventie’), en daarmee uit het Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) programma dat aansluit bij OSPAR).
Voor veel van de soorten kunnen betrouwbare trends worden berekend (zie tabel 7.5.2).
Gegevens
Gegevensinwinning
Niet-broedende watervogels zijn doorgaans erg mobiel omdat zij niet aan een nestlocatie gebonden zijn. Bij verslechterende omstandigheden verplaatsen zij zich snel naar andere gebieden. Hierdoor kunnen de aantallen in een gebied gedurende het seizoen en zelfs binnen enkele dagen sterk veranderen. Een andere factor die voor veel variatie in watervogelaantallen zorgt is het sterke clustergedrag van veel soorten (groepen van duizenden individuen zijn geen uitzondering). Ten slotte veroorzaakt het trekgedrag van veel watervogels sterke seizoenspatronen. Deze grote variatie in ruimte en tijd kan voor vertekeningen in de resultaten zorgen. In niet-mariene gebieden wordt de kans op dergelijke vertekeningen sterk verkleind door een opzet waarin alle belangrijke gebieden op vaste teldatums maandelijks gedurende het gehele jaar geteld worden. Voor veel soorten, met name de soorten die sterk geconcentreerd voorkomen in de belangrijkste wetlands, benaderen de tellingen daardoor een totaaltelling. Op de open Noordzee is dit niet haalbaar en wordt gebruik gemaakt van een steekproefsgewijze opzet.
Het meetprogramma beschikt voor veel soorten over gegevens vanaf seizoen 1975/1976 en bestaat uit de volgende onderdelen:
- Maandelijkse gebiedsdekkende tellingen van alle soorten watervogels in alle belangrijke waterrijke gebieden, waaronder de Rijkswateren en de Natura 2000-/Ramsargebieden. In totaal gaat het om 94 zogenaamde monitoringgebieden, waarvan er 69 in onder de Vogelrichtlijn aangewezen Natura 2000‑gebieden liggen (en meestal het hele Natura 2000‑gebied omvatten). De tellingen vinden in ieder geval plaats van september-april, en met name in de grote Rijkswateren ook in de zomermaanden. In het Waddengebied vindt jaarlijks in vijf maanden (vier vaste en één jaarlijks wisselende maand) een gebiedsdekkende telling plaats en daarnaast zijn er maandelijkse tellingen in steekproefgebieden met vaste grenzen. Door een opzet met vaste, duidelijk begrensde telgebieden en vaste teldatums worden dubbeltellingen zoveel mogelijk voorkomen. Het veldwerk wordt overdag uitgevoerd, op het moment waarop watervogels zich veelal in de foerageergebieden ophouden. Langs de kust wordt geteld rond het tijdstip van hoogwater, wanneer de vogels zich verzamelen op de hoogste delen, de zogenaamde hoogwatervluchtplaatsen. Tijdens een telling worden alle watervogels geteld alsmede in wetlands veel voorkomende roof- en zangvogels. De veldwerkhandleiding en een onderzoeksbeschrijving zijn te vinden op de websites van Sovon en het NEM (zie Links). In een aantal gebieden worden de tellingen niet uitgevoerd door vrijwilligers van Sovon, maar door terreinbeheerders (met name van Rijkswaterstaat) of in een enkel geval door een provincie (Randmeren en Haringvliet, waar boottellingen worden uitgevoerd door respectievelijk de omgevingsdienst van de provincies Flevoland en Zuid-Holland). Vrijwel alle tellingen worden online of via de mobiele app ingevoerd op het watervogelportaal van Sovon.
- Maandelijkse gebiedsdekkende tellingen (september-april + extra soortspecifieke maanden) van pleisterplaatsen van ganzen en zwanen in 79 zogenaamde aanvullende ganzengebieden. Samen met de 94 monitoringgebieden worden de ganzen en zwanen daarmee gevolgd in 173 gebieden. De teldatums in de aanvullende ganzengebieden vallen samen met de teldatums in de monitoringgebieden en staan beschreven in de gezamenlijke handleiding (zie boven).
- Midwintertelling in januari. Tijdens deze telling worden zoveel mogelijk wateren (naast de maandelijks getelde gebieden) in heel Nederland geteld ten behoeve van de International Waterbird Census. Ganzen- en zwanentellers wordt gevraagd om tijdens deze telling in hun gebied alle watervogels te tellen.
- Tellingen van eider en zwarte zee-eend langs de gehele Noordzeekust en in de Waddenzee. Twee keer per jaar (november en januari) worden deze soorten vanuit een vliegtuig geteld, in de vier zogenaamde zee-eendgebieden (de beleidsmatig voor de hand liggende deelgebieden Voordelta, Hollandse Kust, Noordzeekustzone en Waddenzee).
- Tellingen van het open water van het IJsselmeer door Rijkswaterstaat vanuit een vliegtuig. Deze tellingen worden maandelijks volgens een vaste vliegroute uitgevoerd, maar zijn niet gebiedsdekkend.
- Enkele soorten die niet goed met de tellingen van monitoringgebieden gevolgd kunnen worden (grutto, kemphaan, kraanvogel, reuzenstern, zwarte stern), worden geheel of gedeeltelijk gevolgd met tellingen op slaapplaatsen (zie hoofdstuk 7.6).
- Een aantal zeevogelsoorten wordt door vrijwilligers geteld op trektelposten langs de kust. Er vindt geen sturing plaats op de tijdstippen en telposten waar geteld moet worden, maar de teldekking is hoog en de registratie van tellingen en telomstandigheden is sterk gestandaardiseerd. De telgegevens worden via Trektellen.nl geleverd aan Sovon.
- Tellingen van zeevogels op de Noordzee (kustzone en Nederlands Continentaal Plat NCP) vanuit een vliegtuig door een ecologisch adviesbureau in opdracht van Rijkswaterstaat in het kader van het MWTL-programma (Monitoring Waterstaatkundige Toestand des Lands). Zowel de kustzone als de open zee worden in principe zes keer per jaar geteld, in de maanden augustus, november, januari, februari, april en juni. In de praktijk vinden de tellingen op de open zee sinds 2014 meestal vier tot vijf keer per jaar plaats. Er wordt een vliegroute gevolgd volgens vaste transectlijnen over het hele NCP, maar de telling beslaat vanwege de grote oppervlakte van de Noordzee slechts een klein deel van de populaties van zeevogels. Boven de Natura 2000‑gebieden Bruine Bank en Friese Front worden extra tellingen uitgevoerd volgens een zigzag-patroon. De telgegevens worden door Sovon bij het ecologisch adviesbureau opgevraagd en vervolgens geleverd aan het CBS (2025 nog niet opgeleverd).
Gegevensverwerking
Van de berekende landelijke trends heeft ruim 90% de beoordeling ‘goed’, de overige (vijf soorten) ‘matig’. De oorzaak voor een matige kwaliteit is dat er onvoldoende geteld kan worden, meestal door ontoegankelijkheid van gebieden of door gebrek aan tellers in specifieke gebieden. Van de zes soorten die een rol spelen bij ANLb (blauwe kiekendief, goudplevier, kleine zwaan, rotgans, ruigpootbuizerd, velduil) worden zoveel als mogelijk waarnemingen op de exacte locatie van voorkomen vastgelegd. Een aantal OSPAR soorten die nauwelijks in Nederland voorkomen zijn uit de tabel weggelaten. De meeste OSPAR soorten worden in het meetprogramma weliswaar gevolgd via zeetrek- en vliegtuigtellingen, maar in officiële OSPAR rapportages wordt tot nog toe alleen gebruikt gemaakt van landtellingen (monitoringgebieden).
| Kwaliteit trend | ||||
|---|---|---|---|---|
| Soort | Beleidsstatus1) | Deelmeetprogramma’s waarvoor trends worden berekend | landelijk | waddengebied |
| Aalscholver | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND + VLIEGTUIG | goed | goed |
| Alk | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG4) | . | |
| Bergeend | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | matig | goed |
| Blauwe kiekendief | ANLb | LAND | . | |
| Blauwe reiger | Ai | LAND | goed | |
| Bokje2) | Ai | . | ||
| Bontbekplevier | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Bonte strandloper | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Bosruiter | OSPAR/KRM | LAND3) | . | |
| Brandgans | VR I, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Brilduiker | VR T, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Dodaars | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Drieteenmeeuw | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG | . | |
| Drieteenstrandloper | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Dwerggans | VR I | LAND | goed | |
| Dwergmeeuw | VR I, OSPAR/KRM | VLIEGTUIG + ZEETREK | . | |
| Dwergstern | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Eider | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | VLIEGTUIG | matig | matig |
| Fuut | VR T, Ai, OSPAR/KRM | LAND + ZEETREK | matig | |
| Geelpootmeeuw | OSPAR/KRM | LAND3) | . | |
| Geoorde fuut | VR T | LAND + ZEETREK | goed | |
| Goudplevier | VR I, TMAP, Ai, ANLb, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Grauwe gans | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Grauwe pijlstormvogel | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Groenpootruiter | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | matig |
| Grote Canadese gans | Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Grote jager | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG + ZEETREK | . | |
| Grote mantelmeeuw | TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND + VLIEGTUIG | goed | matig |
| Grote stern | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG + ZEETREK | . | |
| Grote zaagbek | VR T, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Grote zee-eend | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Grote zilverreiger | VR I, Ai | LAND | goed | |
| Grutto | VR T, OSPAR/KRM | LAND + SLAAPPLAATS | goed | |
| Houtsnip2) | Ai | . | ||
| IJseend | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Jan van Gent | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG | . | |
| Kanoet | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Kemphaan | VR I, TMAP, OSPAR/KRM | LAND + SLAAPPLAATS | goed | . |
| Kievit | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Kleine alk | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG + ZEETREK | . | |
| Kleine jager | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Kleine mantelmeeuw | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG + LAND3) | . | |
| Kleine rietgans | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Kleine strandloper | OSPAR/KRM | LAND3) | . | |
| Kleine zilverreiger | VR I, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Kleine zwaan | VR I, Ai, ANLb, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Kleinste jager | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Kluut | VR I, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Knobbelzwaan | Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Kokmeeuw | TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | matig |
| Kolgans | VR T, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Kraanvogel | VR I | SLAAPPLAATS | goed | |
| Krakeend | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Krombekstrandloper | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Krooneend | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Kuifaalscholver | OSPAR/KRM | LAND3) | . | |
| Kuifduiker | VR I, OSPAR/KRM | LAND + ZEETREK | goed | |
| Kuifeend | VR T, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Lepelaar | VR I, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | matig |
| Meerkoet | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Middelste jager | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Middelste zaagbek | VR T, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Nijlgans | Ai | LAND | goed | |
| Nonnetje | VR I, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Noordse pijlstormvogel | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Noordse stern | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Noordse stormvogel | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG | . | |
| Ooievaar2) | Ai | . | ||
| Paarse strandloper | OSPAR/KRM | LAND3) | . | |
| Papegaaiduiker | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG + ZEETREK | . | |
| Parelduiker | VR I, OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Pijlstaart | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Regenwulp | TMAP, OSPAR/KRM | LAND | matig | matig |
| Reuzenstern | VR I | SLAAPPLAATS | goed | |
| Roerdomp2) | Ai | . | ||
| Roodhalsfuut | OSPAR/KRM | LAND + ZEETREK | . | |
| Roodkeelduiker | VR I, OSPAR/KRM | VLIEGTUIG7) + ZEETREK | . | |
| Rosse franjepoot | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Rosse grutto | VR I, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Rotgans | VR T, TMAP, Ai, ANLb, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Ruigpootbuizerd | ANLb | LAND | . | |
| Scholekster | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Slechtvalk | VR I | LAND | goed | |
| Slobeend | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Smient | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Steenloper | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | matig |
| Stormmeeuw | TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND + VLIEGTUIG | goed | matig |
| Strandplevier | VR I, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | matig |
| Tafeleend | VR T, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Taigarietgans | VR T | LAND | goed | |
| Toendrarietgans | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Topper | VR T, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Tureluur | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Vaal stormvogeltje | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Velduil | ANLb | LAND | ||
| Visarend | VR I | LAND | goed | |
| Visdief | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG6) + ZEETREK | . | |
| Waterhoen | Ai | LAND | goed | |
| Waterral2) | Ai | . | ||
| Watersnip2) | Ai | . | ||
| Wilde eend | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Wilde zwaan | VR I, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Wintertaling | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Wulp | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Zeearend | VR I | LAND | goed | |
| Zeekoet | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG5) | . | |
| Zilvermeeuw | TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND + VLIEGTUIG | goed | matig |
| Zilverplevier | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Zwarte ruiter | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Zwarte stern | VR I, OSPAR/KRM | SLAAPPLAATS | goed | |
| Zwarte zee-eend | VR T, OSPAR/KRM | VLIEGTUIG | matig | |
1)VR I en VR T: soort waarvoor op basis van de Vogelrichtlijn Natura 2000‑gebieden zijn aangewezen die een foerageerfunctie hebben voor de soort als niet-broedvogel, omdat deze of in bijlage I staat (VR I) of een regelmatig voorkomende trekvogel is (VR T); TMAP: Trilateral Monitoring and Assessment Program; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer; OSPAR/KRM: soort waarover gerapporteerd wordt in het kader van het Oslo/Parijs-verdrag over de bescherming van de NO-Atlantische Oceaan, en daarmee ook in het kader van de KaderRichtlijn Mariene strategie. De volgende OSPAR soorten zijn weggelaten omdat ze in zeer lage aantallen in Nederland voorkomen: dikbekzeekoet, Dougalls stern, ijsduiker, koningseider, Kuhls pijlstormvogel, Stellers eider, steltkluut, zwartkopmeeuw, zwarte zeekoet.
2)Voor deze soorten is nog niet bekend of gestuurd zal worden op gerichte monitoring.
3)Geen goede telgegevens uit reguliere tellingen. Sovon stelt daarom handmatig een tijdreeks samen.
4)Vliegtuigtrend voor alk vanaf 2014.
5)Vliegtuigtrend voor zeekoet gezamenlijk berekend met alk tussen 1991–2013.
6)Vliegtuigtrend voor visdief gezamenlijk berekend met noordse stern tussen 1991–2013.
7)Vliegtuigtrend voor roodkeelduiker gezamenlijk berekend met ongedetermineerde duikers tussen 1991–2013.
| Natura 2000‑gebied1) | Aantal VR soorten2) | Teldekking goed in 2021/22–2023/243) | Soorten niet in meetprogramma |
|---|---|---|---|
| Abtskolk & De Putten | 1 | ja | |
| Alde Feanen | 12 | ja | |
| Arkemheen | 2 | ja | |
| Biesbosch | 22 | ja | |
| Boezems Kinderdijk | 3 | ja | |
| Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein | 4 | ja | |
| De Wieden | 11 | ja | |
| De Wilck | 2 | ja | |
| De Deelen | 4 | ja | |
| Donkse Laagten | 1 | ja | |
| Duinen Goeree & Kwade Hoek | 18 | ja | |
| Dwingelderveld | 2 | ja | |
| Eemmeer & Gooimeer Zuidoever | 10 | ja | |
| Eilandspolder | 6 | ja | |
| Fochteloërveen | 2 | ja | |
| Grevelingen | 34 | ja | |
| Groote Wielen | 1 | ja | |
| Haringvliet | 25 | ja | |
| Hollands Diep | 8 | ja | |
| IJsselmeer | 30 | ja | Dwergmeeuw |
| Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | 5 | ja | |
| Ketelmeer & Vossemeer | 17 | ja | |
| Krammer-Volkerak | 25 | ja | |
| Lauwersmeer | 28 | ja | |
| Leekstermeergebied | 3 | ja | |
| Lepelaarplassen | 7 | ja | |
| Markermeer & IJmeer | 17 | ja | Dwergmeeuw |
| Markiezaat | 13 | ja | |
| Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | 2 | ja | |
| Noordzeekustzone4) | 10 | nee | |
| Oostelijke Vechtplassen | 7 | ja | |
| Oosterschelde | 36 | ja | |
| Oostvaardersplassen | 16 | ja | |
| Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | 3 | ja | |
| Oudeland van Strijen | 4 | ja | |
| Polder Zeevang | 8 | ja | |
| Rijntakken | 26 | ja | Kemphaan |
| Sneekermeergebied | 12 | ja | |
| Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | 7 | ja | |
| Van Oordts Mersken | 3 | ja | |
| Veerse Meer | 19 | ja | |
| Veluwerandmeren | 15 | ja | |
| Voordelta5) | 30 | ja | |
| Waddenzee | 36 | ja | |
| Westerschelde & Saeftinghe | 31 | ja | |
| Witte en Zwarte Brekken | 4 | ja | |
| Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | 2 | ja | |
| Yerseke en Kapelse Moer | 1 | ja | |
| Zoommeer | 12 | ja | |
| Zouweboezem | 1 | ja | |
| Zuidlaardermeergebied | 4 | ja | |
| Zwanenwater & Pettemerduinen | 1 | ja | |
| Zwarte Meer | 14 | ja | |
| Zwin & Kievittepolder | 1 | ja |
1)De begrenzing van de gemonitorde gebieden valt niet altijd volledig samen met de begrenzing van de Natura 2000‑gebieden.
2)Niet-broedende kwalificerende soorten met concept instandhoudingsdoelen en begrenzingssoorten samen. Soorten waarvoor het gebied alleen een slaapfunctie heeft zijn niet meegenomen.
3)Goede teldekking: gemiddeld is per soort uit de kolom ‘Aantal VR soorten’ naar verwachting meer dan 50% van de individuen in de laatste drie telseizoenen daadwerkelijk geteld (de overige individuen worden t.b.v. indexberekening bijgeschat). De berekening van het percentage getelde individuen is alleen gebaseerd op de maandelijkse tellingen in de monitoringgebieden en niet op de seizoensmaxima of zeetrektellingen die voor sommige soortgebiedscombinaties worden gebruikt.
4)Voor dwergmeeuw, parelduiker en roodkeelduiker trend op basis van zeetrektellingen.
5)Voor dwergmeeuw en roodkeelduiker trend op basis van zeetrektellingen.
Voortgang 2025
Het percentage van de aanwezige vogels in de monitoringgebieden dat geteld wordt ligt al langere tijd rond de 80% (figuur 7.5.4); ongeveer 20% wordt statistisch bijgeschat. De oorzaak van de iets lagere teldekking (% getelde vogels) in het laatste seizoen is niet precies bekend. Het aantal vacante telgebieden en het aantal hoofdtellers per gebied zijn vrijwel gelijk gebleven aan vorig jaar. In de ganzengebieden ligt de teldekking de laatste seizoenen iets onder de 80%. (figuur 7.5.5). In de figuren is eerst per soort het percentage getelde vogels per gebied per jaar bepaald. Deze percentages zijn vervolgens per jaar gemiddeld (over alle gebieden). Bij minder goed getelde gebieden gaat het meestal om gebieden met kleinere aantallen vogels.
Er bestaat twijfel of bij de niet-gebiedsdekkende vliegtuigtellingen op het IJsselmeer van sommige soorten grote groepen worden gemist, wat door zou kunnen werken in de landelijke cijfers. Rijkswaterstaat bereidt een dataset voor, waarmee het CBS dit kan uitzoeken. Het is nog niet duidelijk wanneer de resultaten van dit onderzoek bekend worden.
De gemiddelde teldekking in bestaande Natura 2000‑gebieden is onveranderd hoog (tabel 7.5.3). Voor slechts één gebied (Noordzeekustzone) is de teldekking over de laatste drie seizoenen onder de 50% gebleven, wat voornamelijk veroorzaakt wordt door onvoldoende beschikbare tellers op de Waddeneilanden.
Over de wijze waarop vliegtuigtellingen volgens het oude telschema (vóór seizoen 2013/14) worden opgewerkt zijn twijfels ontstaan. Dit heeft betrekking op het aandeel individuen per soort dat als reactie op het vliegtuig wegvloog uit de onzichtbare strip onder het vliegtuig. Afhankelijk van de toekenning van deze vogels aan alleen de waarneemstrip of ook de onzichtbare strip worden de berekende aantallen voor de oude tellingen respectievelijk hoger of lager. Dit kan aanzienlijke invloed hebben op de berekende trend. De berekeningswijze moet daarom worden aangepast. WMR heeft vorig jaar testen uitgevoerd waarbij op de oude hoogte werd gevlogen met het nieuwe type vliegtuig. Hiermee kunnen betere aandelen wegvliegende individuen per soort worden bepaald. De resultaten hiervan worden momenteel opgeschreven voor publicatie, en in 2026 zullen de trends worden berekend met voorgestelde correctiefactoren.
De levering van nieuwe gegevens door Sovon heeft in 2025 in mei plaatsgevonden. Het is gelukt de berekening van de trends door het CBS dit jaar te vervroegen naar eind juni.
| jaren | GemPercGeteldMonitoring |
|---|---|
| '76 | 44,05640883 |
| '77 | 48,82616772 |
| '78 | 49,13215312 |
| '79 | 46,91107578 |
| '80 | 52,76507476 |
| '81 | 51,76676626 |
| '82 | 50,13047698 |
| '83 | 50,47628426 |
| '84 | 47,78862854 |
| '85 | 44,09512506 |
| '86 | 47,01154106 |
| '87 | 49,32777584 |
| '88 | 56,86589184 |
| '89 | 54,21100972 |
| '90 | 56,59600662 |
| '91 | 53,76293358 |
| '92 | 58,05024738 |
| '93 | 56,68090361 |
| '94 | 60,64898416 |
| '95 | 61,47164698 |
| '96 | 63,67498349 |
| '97 | 64,78840912 |
| '98 | 67,22177744 |
| '99 | 67,83441565 |
| '00 | 66,76443322 |
| '01 | 73,04246775 |
| '02 | 75,70869262 |
| '03 | 76,34474349 |
| '04 | 76,58688993 |
| '05 | 80,23104033 |
| '06 | 80,83030159 |
| '07 | 78,03457569 |
| '08 | 80,3227153 |
| '09 | 77,76887689 |
| '10 | 78,6184234 |
| '11 | 74,57798189 |
| '12 | 79,34287378 |
| '13 | 75,93566083 |
| '14 | 79,32897594 |
| '15 | 80,56660151 |
| '16 | 80,87650696 |
| '17 | 76,94049567 |
| '18 | 80,29495595 |
| '19 | 82,56955715 |
| '20 | 81,78198154 |
| '21 | 82,8740758 |
| '22 | 82,62411631 |
| '23 | 79,97959454 |
| '24 | 79,20684242 |
| Jaar | GemPercGeteld |
|---|---|
| '76 | 55,75020498 |
| '77 | 60,15456475 |
| '78 | 58,79192172 |
| '79 | 55,0167363 |
| '80 | 67,5026153 |
| '81 | 64,92112742 |
| '82 | 62,47240706 |
| '83 | 63,23358388 |
| '84 | 57,62828283 |
| '85 | 53,72061712 |
| '86 | 61,12879098 |
| '87 | 65,48105577 |
| '88 | 65,47273262 |
| '89 | 66,14619196 |
| '90 | 65,23815806 |
| '91 | 61,16858149 |
| '92 | 68,06270889 |
| '93 | 67,11257605 |
| '94 | 72,28127488 |
| '95 | 68,51284479 |
| '96 | 68,75290572 |
| '97 | 71,52669238 |
| '98 | 72,48513465 |
| '99 | 74,19955467 |
| '00 | 70,54326562 |
| '01 | 75,82101864 |
| '02 | 74,86285543 |
| '03 | 75,77486757 |
| '04 | 79,98746801 |
| '05 | 82,83284836 |
| '06 | 82,68274856 |
| '07 | 78,68914256 |
| '08 | 80,6775301 |
| '09 | 79,10727124 |
| '10 | 78,54165379 |
| '11 | 73,33382421 |
| '12 | 75,7172852 |
| '13 | 74,69453893 |
| '14 | 73,56925685 |
| '15 | 76,18056127 |
| '16 | 76,68672576 |
| '17 | 74,54705764 |
| '18 | 76,78101026 |
| '19 | 78,81035612 |
| '20 | 77,95847194 |
| '21 | 78,16560593 |
| '22 | 79,46105212 |
| '23 | 76,13981412 |
| '24 | 76,01287847 |
Aandachtspunten
- Bepalen kwaliteit trends zeevogels (CBS, Sovon).
- Uitzoeken of het niet tellen van grote stukken open water op het IJsselmeer gevolgen heeft voor de landelijke trends van soorten, waaronder de fuut (RWS, CBS).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en link naar handleiding: Website NEM.
Informatie over Sovon: Website Sovon.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.



7.6Slaapplaatsen van vogels
Algemeen
In het meetprogramma voor slaapplaatsen van vogels worden de aantallen van negentien vogelsoorten gevolgd in Natura 2000‑gebieden die volgens de aanwijsbesluiten een functie hebben als slaapplaats voor deze soorten. Voor enkele soorten zijn de tellingen ook nodig om de landelijke trends van niet-broedende vogels te volgen, omdat het meetprogramma voor watervogels en andere meetnetten hier niet of minder geschikt voor zijn. Het meetprogramma levert veel verspreidingsinformatie over slaapplaatsen van vogels op, ook buiten vogelrichtlijngebieden. Dat geldt ook voor een aantal soorten met grote slaapplaatsen die niet betrokken zijn bij het formuleren van instandhoudingsdoelen voor slaapplaatsen in vogelrichtlijngebieden.
Sinds 2016 wordt het meetprogramma medegefinancierd door de provincies, vanwege de provinciale informatiebehoefte over slaapplaatsen op (vooral) het niveau van Natura 2000‑gebieden.
Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.
Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS, sommige provincies.
Opdrachtgevers: Provincies, Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Aviaire Influenza: landelijke trend en verspreiding | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Verspreiding van invasieve exoten | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Ramsar (wetlands): trends per Ramsar gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| African Eurasian Waterbird Agreement: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Schadesoorten: landelijke trends | |
| Biodiversiteit van het agrarisch gebied: landelijke trends | |
| Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
| Stadsnatuur: landelijke trends | |
Soorten
Het meetprogramma is gestart in seizoen 2009/2010 en in eerste instantie gericht op de aantalsmonitoring van negentien soorten (zie tabel 7.6.2) in de 54 Natura 2000‑gebieden die volgens de aanwijzingsbesluiten voor deze soorten een functie hebben als slaapplaats. In totaal worden 190 soort-gebiedscombinaties gevolgd. Voor kemphaan, kraanvogel, reuzenstern, zwarte stern en grutto wordt daarnaast gestuurd op tellingen buiten Natura 2000‑gebieden. Dit is nodig voor het bepalen van de landelijke trend buiten het broedseizoen, omdat deze soorten niet voldoende gevolgd kunnen worden in de monitoringgebieden van het meetprogramma voor watervogels (zie hoofdstuk 7.5). Eens in de drie of vier jaar wordt een landelijk simultane slaapplaatstelling georganiseerd die speciaal gericht is op de kemphaan. Deze telling vindt ook plaats buiten Natura 2000-gebieden. De laatste kemphaantelling heeft plaatsgevonden in het voorjaar van 2023. Deze telling wordt deels door professionals uitgevoerd. Er wordt matig gestuurd op gegevensinwinning voor slaapplaatsen buiten de Natura 2000‑gebieden. Deze gegevens zijn onder meer van belang in het model dat bijschattingen doet voor onvolledig getelde Natura 2000‑gebieden. Er wordt beperkt gestuurd op gegevensinwinning van de overige zeventien soorten in tabel 7.6.2 waarvoor gebieden geen officiële slaapplaatsfunctie hebben. Voor de halsbandparkiet en andere exotische parkieten wordt eens in de drie jaar een aparte telling georganiseerd op verzoek van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De laatste heeft plaatst gevonden in winter 2024/2025.
| Soort | Beleidsstatus1) | Natura 2000‑gebieden | Berekende trends 20252) |
|---|---|---|---|
| VR soorten | |||
| Aalscholver | VR I, Ai | 14 | 10(9) |
| Brandgans | VR I, Ai | 24 | 22(21) |
| Dwerggans | VR I | 3 | 3(3) |
| Grauwe gans | VR I, Ai | 27 | 25(24) |
| Grote zilverreiger | VR I, Ai | 4 | 4(4) |
| Grutto | VR I | 20 | 19(18) |
| Kemphaan | VR I | 5 | 5(5) |
| Kleine rietgans | VR I, Ai | 4 | 3(3) |
| Kleine zwaan | VR I, Ai | 20 | 17(16) |
| Kolgans | VR I, Ai | 28 | 23(20) |
| Kraanvogel | VR I | 4 | 4(4) |
| Reuzenstern | VR I | 3 | 3(3) |
| Rotgans | VR I, Ai | 6 | 5(5) |
| Scholekster | VR I, Ai | 1 | 1(1) |
| Taigarietgans | VR I | 2 | 1(1) |
| Toendrarietgans | VR I, Ai | 12 | 10(8) |
| Wilde zwaan | VR I, Ai | 4 | 3(2) |
| Wulp | VR I | 6 | 6(6) |
| Zwarte stern | VR I | 3 | 3(3) |
| Overige soorten | |||
| Blauwe kiekendief | |||
| Bruine kiekendief | |||
| Grote mantelmeeuw | Ai | ||
| Halsbandparkiet | Exoot | ||
| Huiskraai3) | Exoot | ||
| Kauw | |||
| Kleine mantelmeeuw | Ai | ||
| Kleine zilverreiger | Ai | ||
| Kokmeeuw | Ai | ||
| Lachstern | |||
| Raaf | |||
| Ransuil | |||
| Regenwulp | |||
| Roek | |||
| Spreeuw | |||
| Stormmeeuw | Ai | ||
| Zilvermeeuw | Ai |
1)VR I: soorten waarvoor op basis van bijlage I van de Vogelrichtlijn in één of meerdere Natura 2000‑gebieden slaapplaatsdoelen worden geformuleerd; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; Exoot: volgens de lijst die gehanteerd wordt door de NVWA.
2)Tussen haakjes het aantal trends waarbij in de laatste twaalf jaar minimaal 6 keer een telling beschikbaar is.
3)Inmiddels verdwenen uit Nederland.
Gegevens
Gegevensinwinning
Er worden minimaal twee tellingen georganiseerd in de piekperiode van de doelsoort. Bij de meeste soorten duurt deze piekperiode gemiddeld vijf maanden. De telperiode is een periode van iets meer dan twee weken rond een vooraf vastgestelde voorkeursdatum, inclusief drie weekenden. Dit voorkomt rechtstreekse concurrentie met de teldatums in het meetprogramma voor watervogels: waarnemers die meedoen aan beide meetprogramma’s kunnen de slaapplaatstellingen op andere dagen uitvoeren dan de watervogeltellingen, maar het is ook mogelijk om de slaapplaatstelling uit te voeren aansluitend op een watervogeltelling op dezelfde dag. Waarnemers worden aangespoord ook alle overige soorten te tellen die gebruik maken van de slaapplaats. Voor de reuzenstern en zwarte stern worden minimaal drie tellingen georganiseerd in de piekperiode van de soort. Bij deze twee soorten duurt de piekperiode slechts enkele weken. De telperiode is een telweekend met een vooraf vastgestelde voorkeursdag om dubbeltellingen zo veel mogelijk te voorkomen. Bij de kraanvogel worden de tellingen ad hoc georganiseerd op momenten van sterke doortrek, waarvan de timing en omvang van jaar op jaar sterk kunnen verschillen.
Natura 2000‑gebieden
| Aantal VR-soorten2) | Teldekking3) | ||
|---|---|---|---|
| laatste 3 seizoenen (2021/22–2023/24) | laatste 6 seizoenen (2018/19–2023/24) | ||
| Natura 2000‑gebied1) | |||
| Alde Feanen | 4 | 75 | 83 |
| Biesbosch | 7 | 95 | 95 |
| Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein | 1 | 67 | 50 |
| Deelen | 4 | 92 | 92 |
| Deurnsche Peel & Mariapeel | 3 | 78 | 67 |
| Donkse Laagten | 3 | 33 | 67 |
| Duinen Goeree & Kwade Hoek | 2 | 100 | 100 |
| Dwingelderveld | 2 | 100 | 100 |
| Eemmeer & Gooimeer Zuidoever | 1 | 100 | 100 |
| Eilandspolder | 1 | 100 | 83 |
| Engbertsdijksvenen | 2 | 100 | 100 |
| Fochteloërveen | 4 | 100 | 100 |
| Grevelingen | 5 | 93 | 90 |
| Groote Peel | 4 | 83 | 88 |
| Groote Wielen | 3 | 100 | 100 |
| Haringvliet | 8 | 71 | 81 |
| Hollands Diep | 3 | 22 | 39 |
| IJsselmeer | 13 | 95 | 95 |
| Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | 2 | 50 | 58 |
| Kampina & Oisterwijkse Vennen | 1 | 100 | 100 |
| Ketelmeer & Vossemeer | 7 | 43 | 50 |
| Krammer-Volkerak | 6 | 83 | 83 |
| Lauwersmeer | 10 | 100 | 98 |
| Leekstermeergebied | 2 | 100 | 83 |
| Lepelaarplassen | 2 | 83 | 83 |
| Markermeer & IJmeer | 4 | 100 | 96 |
| Markiezaat | 2 | 100 | 100 |
| Naardermeer | 2 | 83 | 92 |
| Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | 2 | 67 | 58 |
| Noordzeekustzone | 1 | 67 | 67 |
| Oostelijke Vechtplassen | 3 | 78 | 72 |
| Oosterschelde | 4 | 92 | 88 |
| Oostvaardersplassen | 6 | 94 | 97 |
| Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | 5 | 100 | 97 |
| Polder Zeevang | 1 | 100 | 100 |
| Rijntakken | 10 | 83 | 80 |
| Sneekermeergebied | 6 | 100 | 100 |
| Strabrechtse Heide & Beuven | 1 | 100 | 100 |
| Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | 1 | 100 | 50 |
| Van Oordt’s Mersken | 2 | 100 | 100 |
| Veerse Meer | 5 | 40 | 40 |
| Veluwerandmeren | 3 | 100 | 83 |
| Voordelta | 1 | 100 | 100 |
| Waddenzee | 7 | 86 | 86 |
| Westerschelde & Saeftinghe | 2 | 83 | 75 |
| Wieden | 4 | 100 | 100 |
| Witte en Zwarte Brekken | 5 | 87 | 80 |
| Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | 1 | 100 | 100 |
| Zoommeer | 2 | 50 | 50 |
| Zuidlaardermeergebied | 2 | 83 | 92 |
| Zwanenwater & Pettemerduinen | 1 | 100 | 100 |
| Zwarte Meer | 5 | 40 | 40 |
1)Alleen gebieden met een slaapplaatsfunctie voor een of meer contractsoorten.
2)Aantal niet-broedende kwalificerende soorten waarvoor het gebied een slaapplaatsfunctie heeft.
3)Het gemiddelde percentage getelde soortgebiedcombinaties over de aangegeven periode.
4)Gebied (nog) niet aangewezen met slaapplaatsfunctie.
Voortgang 2025
De teldekking – gedefinieerd als het percentage getelde soort-gebiedscombinaties – is in de eerste jaren snel gestegen van ca. 50% tot ca. 80% in de laatste vijf jaar (figuur 7.6.4). Door invoer van historische slaapplaatsgegevens of door nalevering van tellingen uit met name de laatste jaren kunnen deze percentages op den duur nog hoger uitvallen. Overigens zijn er ook tellingen uitgevoerd in een klein aantal andere soort-gebiedscombinaties, maar die voldoen niet aan de ondergrens van de telinspanning (minimaal twee keer per jaar geteld, maximaal 90% van de vogels statistisch bijgeschat) om meegenomen te kunnen worden in de trendanalyses. Het aantal tellers lijkt de laatste jaren gestabiliseerd te zijn. Inmiddels zijn vijftien seizoenen met gegevens beschikbaar. Er zijn 190 (95,2%) soort-gebiedscombinaties opgeleverd, maar niet jaarlijks. In 151 soort-gebiedscombinaties zijn tellingen beschikbaar uit meer dan tien van deze seizoenen. Daarmee bereikt het meetnet een hoge teldekking. Er worden inmiddels op reguliere basis trends berekend voor de meeste soort-gebiedscombinaties (tabel 7.6.3), maar deze trends zijn voor een deel van de soort-gebiedcombinaties gebaseerd op gegevens van vóór de start van het meetnet (seizoen 2009/2010). In de tabel staat daarom ook aangegeven uit hoeveel van de laatste twaalf jaar tellingen beschikbaar zijn. De kwaliteit van de berekende trends wordt nog niet op een gestandaardiseerde wijze beoordeeld. Een methode hiervoor zou in 2024 door het CBS en Sovon worden ontwikkeld, maar dit is uitgesteld naar 2026.
Van de ‘Overige soorten’ uit tabel 7.6.2. wordt de lachstern al jarenlang goed geteld. De pilot, waarin Sovon uitzoekt in hoeverre de soort meegenomen kan worden als focussoort in de reguliere slaapplaatsmonitoring is dit telseizoen afgerond. Conclusie van de pilot is dat een goed getimede serie van 3 simultaantellingen op slaapplaatsen, uitgevoerd door vaste tellers, een representatief beeld blijkt te geven van het aantal Lachsterns dat Nederland aandoet.
In het kader van het jaar van de huismus is een oproep gedaan om jaarrond slaapplaatsen te tellen. De gegevens zijn uitgewerkt in een artikel en gepubliceerd in Limosa 2025.
| Jaren | percentage getelde soort-gebiedcombinaties |
|---|---|
| 2010 | 55,4973822 |
| 2011 | 61,2565445 |
| 2012 | 72,77486911 |
| 2013 | 74,34554974 |
| 2014 | 81,67539267 |
| 2015 | 72,77486911 |
| 2016 | 76,96335079 |
| 2017 | 78,0104712 |
| 2018 | 78,53403141 |
| 2019 | 80,10471204 |
| 2020 | 82,19895288 |
| 2021 | 80,10471204 |
| 2022 | 78,53403141 |
| 2023 | 80,10471204 |
| 2024 | 79,9 |
Aandachtspunten
- Ontwikkelen methode voor de beoordeling van de kwaliteit van trends (CBS, Sovon).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en link naar handleiding: Website NEM.
Informatie over Sovon: Website Sovon.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

7.7Reptielen
Algemeen
Het meetprogramma voor reptielen volgt alle zeven inheemse reptielensoorten van ons land. Zowel de omvang van de populaties als de verspreiding van de soorten kunnen goed in kaart worden gebracht. Het meetprogramma volgt tevens een exoot die wordt vermeld op de Unielijst, de lettersierschildpad. Van deze soort komen drie ondersoorten voor in ons land.
Coördinatie: Stichting Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON).
Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting RAVON, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage II en IV | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V | |
| Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten | |
| Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst | |
| Graadmeters Natuurnetwerk Nederland: provinciale trends | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
Soorten
De prioriteit van het meetprogramma ligt bij het volgen van de reptielen die op bijlage IV van de Habitatrichtlijn (HR) vermeld worden: gladde slang, muurhagedis en zandhagedis. De verzamelde gegevens kunnen echter ook goed gebruikt worden voor andere meetdoelen (zie tabel 7.7.1). Om die reden en vanwege de haalbaarheid van het tellen van de soorten, zijn adder, hazelworm en levendbarende hagedis, typische soorten van de Habitatrichtlijn, opgenomen in het meetprogramma. Voor de ringslang zijn er geen sturende meetdoelen, maar voor deze soort kan met een geringe extra inspanning toch zowel een betrouwbare landelijke aantalstrend als verspreidingstrend berekend worden. De lettersierschildpad (Trachemys scripta) is in 2020 opgenomen in het meetprogramma. Deze soort is een invasieve exoot die wordt vermeld op de Unielijst van de EU. De soort wordt gevolgd in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Bij exoten in het algemeen ligt de focus op het in kaart brengen van de verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau, voor de lettersierschildpadden is echter een programma opgezet om op vaste locaties de aantallen te monitoren, sinds 2020 is het programma opgenomen in het NEM. Handel en kweek in deze schildpadden is verboden, succesvolle voortplanting in Nederland is nog niet vastgesteld, waardoor de verwachting is dat de aantallen zullen afnemen. Tabel 7.7.2 geeft een overzicht van de soorten die zijn opgenomen in het meetprogramma en de mogelijkheid van het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends.
| Soort | Beleidsstatus1) | Trends in aantallen landelijk | Trends in verspreiding landelijk |
|---|---|---|---|
| Adder | TYP | goed | goed |
| Gladde slang | HR IV | goed | goed |
| Hazelworm | TYP | goed | goed |
| Lettersierschildpad | Exoot | . | . |
| Levendbarende hagedis | TYP | goed | goed |
| Muurhagedis | HR IV | goed | |
| Ringslang | goed | goed | |
| Zandhagedis | HR IV, TYP | goed | goed |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van Bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.
Gegevens
Voor het bepalen van de landelijke aantalstrends worden vaste meetlocaties van twee à drie hectare zeven maal per jaar geïnventariseerd op alle voorkomende soorten. Voor zes soorten gaat het om een steekproef van enige honderden meetlocaties uit hun leefgebieden (vooral duinen en heide). De uitzondering is de muurhagedis. Maastricht telt de enige natuurlijke populatie van deze soort in Nederland. De muurhagedis wordt op vrijwel alle locaties in Maastricht gevolgd. Trends in aantallen en indexcijfers worden berekend met het TRIM model in het R package rtrim.
De gerichte gegevensinwinning voor het bepalen van de landelijke verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau bestaat uit inventarisaties van km-hokken door vrijwilligers binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken. Vrijwilligers hanteren hierbij een gestandaardiseerd protocol. De inventarisatiemethode verschilt per soort en is gericht op het vaststellen van de aan- of afwezigheid van de soort op km-hokniveau. Hierdoor kan ook op meer gedetailleerde schaal dan 10 x 10 km naar verspreiding worden gekeken. De verspreiding van de muurhagedis wordt bij het monitoren in Maastricht al volledig in kaart gebracht. De inventarisatiegegevens worden aangevuld met gegevens die verzameld zijn voor het bepalen van de landelijke aantalstrend en losse waarnemingen. Trends in verspreiding op 1 x 1 km-hokniveau worden berekend met de gegevens uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Bij de berekeningen wordt gebruik gemaakt van occupancy-modellen. Voor de muurhagedis is het vanwege de beperkte verspreiding niet mogelijk een trend op 1 x 1 km-hokniveau te berekenen. Nadere informatie over de veldwerkmethode is te vinden in de veldwerkhandleiding op de website van RAVON (zie Links).
Natura 2000‑gebieden
Er zijn geen reptielensoorten die vermeld worden op bijlage II van de Habitatrichtlijn, daarom zijn er geen Natura 2000‑gebieden aangewezen voor reptielensoorten.
Voortgang in 2025
RAVON en CBS hebben afgesproken samen te onderzoeken hoe de achteruitgang van zandhagedis, levendbarende hagedis, gladde slang, ringslang en adder te verklaren is. De trend over de laatste 12 jaar is voor elk van deze vijf soorten (sterk) dalend. In 2025 zijn er door RAVON nuttige vorderingen gemaakt die meer helderheid geven over de achterliggende oorzaken voor de achteruitgang van genoemde soorten. RAVON werkt aan een tweetal publicaties.
Teldekking aantalsmonitoring
Het aantal getelde meetpunten is de laatste jaren toegenomen. In 2024 zijn er van iets minder plots tellingen verzameld dan in het recordjaar 2023 (zie figuur 7.7.3). Dat is geen reden tot zorg. Voor de meeste soorten in het meetprogramma zijn voldoende (recente) telgegevens beschikbaar en is de ligging van de telgebieden voldoende representatief voor de leefgebieden. Voor alle soorten kunnen jaarlijks door het CBS betrouwbare landelijke trends berekend worden. Voor vier van de zeven soorten kan dat vanaf de start van het meetprogramma, 1994. Voor de muurhagedis lukt dat niet omdat het monitoren van de soort pas in 1995 gestart is. Met het tellen van de gladde slang en hazelworm is wel in 1994 gestart, maar het aantal plots waarop in de beginjaren werd geteld was laag en er werd ook niet trouw ieder jaar in dezelfde plots geteld, de invloed daarvan op het beeld van de trends was zo groot dat het beter bleek om een later startjaar te kiezen voor deze twee soorten. Er is nog een verandering doorgevoerd die met name het berekenen van de aantalstrends van deze twee soorten raakt. Gladde slang en hazelworm werden, naast de reguliere methode waarbij op een traject gezocht wordt naar de soort, ook geteld m.b.v. ‘plaatjes’. Een methode waarbij in het veld plaatjes zoals dakpannen, tapijttegels etc., worden neergelegd. Met name slangen en de hazelworm kruipen hieronder en zijn zo (soms) relatief eenvoudig en in hoge aantallen te vinden. Levendbarende hagedis, zandhagedis en muurhagedis maken nauwelijks gebruik van plaatjes en zonnen liever ‘open en bloot’. Maar één trend gebaseerd op cijfers verzameld volgens twee methoden, dat zorgde toch voor problemen. We zijn tot de conclusie gekomen dat het beter is tellingen verzameld m.b.v. ‘plaatjes’ niet meer te gebruiken bij het berekenen van aantalstrends. Naast landelijke trends worden onder andere ook trends per fysisch-geografische regio en per provincie bepaald. Er blijven wat regio’s waarvoor het lastig is tellers te vinden, met name in de noordelijke provincies (incl. de Waddeneilanden). Ook voor de duinen is het zaak het aantal plots waar geteld wordt goed in de gaten te blijven houden. Wanneer het aantal getelde plots ook in de regio’s waar het wat moeilijker is vrijwilligers te vinden, op het huidige niveau blijft of liever nog wat stijgt, zal dat de betrouwbaarheid van die trends ten goede komen.
RAVON neemt met het organiseren van excursies en het bezoeken van vrijwilligers initiatief om vrijwilligers te werven. Ook wordt contact gelegd met andere organisaties teneinde de monitoring van soorten op een nog hoger peil te brengen.
| Jaren | Meetpunten |
|---|---|
| '94 | 106 |
| '95 | 170 |
| '96 | 199 |
| '97 | 207 |
| '98 | 218 |
| '99 | 260 |
| '00 | 268 |
| '01 | 261 |
| '02 | 322 |
| '03 | 317 |
| '04 | 351 |
| '05 | 343 |
| '06 | 341 |
| '07 | 374 |
| '08 | 358 |
| '09 | 365 |
| '10 | 340 |
| '11 | 324 |
| '12 | 281 |
| '13 | 269 |
| '14 | 281 |
| '15 | 274 |
| '16 | 269 |
| '17 | 267 |
| '18 | 279 |
| '19 | 280 |
| '20 | 373 |
| '21 | 452 |
| '22 | 462 |
| '23 | 474 |
| '24 | 447 |
Verspreidingsonderzoek
Het jaar 2025 is het tweede jaar van de nieuwe HR rapportageperiode. Voor muurhagedis en zandhagedis is het verspreidingsgebied eigenlijk al als geactualiseerd te beschouwen. Voor de gladde slang geldt dat niet, maar er is voldoende tijd om dat ook voor deze, moeilijk vindbare soort, voor elkaar te krijgen. Het aantal unieke kilometerhokken dat bezocht is, is met de jaren duidelijk toegenomen (zie figuur 7.7.5), nog nooit is er in zoveel verschillende km-hokken naar reptielen gezocht als in 2024. De toename van het aantal bezochte kilometerhokken ligt in lijn met het aantal plots waarop naar reptielen is gezocht (zie figuur 7.7.3).
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Gladde slang | 65 | 75 |
| Muurhagedis | 2 | 100 |
| Zandhagedis | 97 | 90 |
| jaren | Kilometerhokken |
|---|---|
| '94 | 598 |
| '95 | 659 |
| '96 | 603 |
| '97 | 782 |
| '98 | 781 |
| '99 | 819 |
| '00 | 870 |
| '01 | 732 |
| '02 | 771 |
| '03 | 773 |
| '04 | 918 |
| '05 | 1233 |
| '06 | 1152 |
| '07 | 1908 |
| '08 | 1572 |
| '09 | 2235 |
| '10 | 2264 |
| '11 | 2362 |
| '12 | 2273 |
| '13 | 2186 |
| '14 | 2685 |
| '15 | 2569 |
| '16 | 2488 |
| '17 | 2637 |
| '18 | 2554 |
| '19 | 2959 |
| '20 | 3638 |
| '21 | 3939 |
| '22 | 3853 |
| '23 | 4097 |
| '24 | 4432 |
Aandachtspunten
- Erop toezien dat het aantal getelde meetpunten in het noorden van ons land en in de duinen op peil blijft (RAVON).
- Zorgen dat het vrijwilligersnetwerk en de technische voorzieningen (database, invoerportaal) voor het verspreidingsonderzoek op peil blijven (RAVON).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.
Informatie over RAVON: Website RAVON.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

7.8Amfibieën
Algemeen
Het meetprogramma voor amfibieën volgt alle zestien inheemse amfibieënsoorten van ons land en een exoot, de Amerikaanse stierkikker.
Voor zes inheemse soorten richt het programma zich primair op het inwinnen van
aantalsgegevens. Voor de tien overige inheemse soorten is het meetprogramma gericht op het inwinnen van verspreidingsgegevens. Voor de Amerikaanse stierkikker is een signaleringssysteem opgezet.
Coördinatie: Stichting Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON).
Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting RAVON, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage II en IV | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V | |
| Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten | |
| Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
| Stadsnatuur: landelijke trends | |
Soorten
De prioriteit van het meetprogramma ligt bij het volgen van de amfibieën die op één of meerdere bijlagen van de Habitatrichtlijn vermeld worden. Tabel 7.8.2 geeft een overzicht van deze soorten en de mogelijkheid van het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. De verzamelde gegevens kunnen echter ook goed gebruikt worden voor andere meetdoelen. Om die reden en vanwege de haalbaarheid van het tellen van de soorten, zijn de vinpootsalamander en de vuursalamander, typische soorten van de Habitatrichtlijn, ook opgenomen in het meetprogramma. Voor de Alpenwatersalamander, gewone pad en kleine watersalamander zijn er geen sturende meetdoelen, maar voor deze soorten kan met een geringe extra inspanning toch een betrouwbare landelijke verspreidingstrend berekend worden. De Amerikaanse stierkikker is in 2020 opgenomen in het meetprogramma. Het is een invasieve exoot die wordt vermeld op de Unielijst van de EU. De Amerikaanse stierkikker komt momenteel niet in Nederland voor, maar wel vlak over de grens met België. Vanwege de serieuze dreiging die de soort vormt voor de inheemse amfibieën, worden drie risicogebieden gemonitord. Daarnaast worden wateren in Noord-Brabant onderzocht met environmental DNA (eDNA), een techniek die genetische sporen van de soort in het milieu detecteert. In 2025 is daadwerkelijk DNA van de soort in Noord-Brabant aangetroffen.
Gegevens
Van zes soorten amfibieën (boomkikker, geelbuikvuurpad, knoflookpad, vroedmeesterpad, vuursalamander en kamsalamander) worden aantallen geteld. Vaste meetpunten worden, afhankelijk van de soorten die er voorkomen, met diverse meetmethoden (zicht- en gehoorwaarneming, schepnet e.d.) jaarlijks bemonsterd op het voorkomen van soorten. De vuursalamander is niet zo gebonden aan water. Voor deze soort zijn routes uitgezet in vochtige loofbossen, waar naar deze soort wordt gezocht. Van vroedmeesterpad en vuursalamander wordt het gehele leefgebied onderzocht. In het verleden gold dit ook voor geelbuikvuurpad, maar de soort is op nieuwe plekken uitgezet en in gebieden waarin de soort voorkomt zijn, met het oog op behoud van de soort, betonbakjes geplaatst. De soort kan daarin aangetroffen worden, maar dat brengt wel extra waarnemersinspanning met zich mee. Bij de boomkikker en de knoflookpad betreffen de meetpunten een steekproef van het leefgebied. Met deze tellingen worden indexcijfers en aantalstrends berekend; hierbij wordt gebruik gemaakt van het TRIM-model in het R package rtrim. Voor de tien soorten waarvoor geen aantalstrends kunnen worden berekend, worden verspreidingstrends bepaald. Daarvoor inventariseren vrijwilligers kilometerhokken en leggen zij hun waarnemingen vast in daglijstjes. Deze gegevens worden aangevuld met waarnemingen van amfibieën uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Met behulp van al deze gegevens worden trefkansen bepaald en trends in verspreiding en indexcijfers. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van occupancy-modellen. De verspreidingstrends zijn een alternatief voor aantalstrends, die bij deze soorten niet betrouwbaar genoeg kunnen worden bepaald. Het grootste deel van de tellingen wordt verzameld door vrijwilligers. Een klein deel van de werkzaamheden wordt uitgevoerd door betaalde krachten die worden aangestuurd door RAVON. Het gaat hier om het tellen van de vroedmeesterpad en de geelbuikvuurpad. De gerichte gegevensinwinning voor het bepalen van de landelijke verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau bestaat uit inventarisaties van km-hokken door vrijwilligers binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken. Vrijwilligers volgen hierbij een gestandaardiseerd protocol. De inventarisatiemethode verschilt per soort en is gericht op het vaststellen van de aan- of afwezigheid van de soort op km-hokniveau. Hierdoor kan ook op meer gedetailleerde schaal dan 10 x 10 km naar verspreiding worden gekeken. De verspreiding van de geelbuikvuurpad, vroedmeesterpad en vuursalamander wordt via de aantalsmonitoring al volledig in kaart gebracht omdat deze soorten in hun gehele – beperkte – leefgebied worden geteld. Naast de gegevens die door vrijwilligers van RAVON verzameld worden, worden er ook gegevens verzameld door anderen. RAVON brengt deze gegevens bij elkaar en levert de gegevens aan het CBS voor het bepalen van de verspreiding en de trend in verspreiding. Nadere informatie over de veldwerkmethode is te vinden in de veldwerkhandleiding (zie Links).
| Soort | Beleidsstatus1) | Trends in aantallen landelijk | Trends in verspreiding landelijk | Trends in aantallen Natura 2000 |
|---|---|---|---|---|
| Alpenwatersalamander | . | . | ||
| Amerikaanse stierkikker2) | Exoot | . | . | |
| Bastaardkikker3) | HR V | . | . | |
| Boomkikker | HR IV | matig | . | |
| Bruine kikker | HR V | . | ||
| Gewone pad | . | . | ||
| Geelbuikvuurpad | HR II & IV | goed | matig | |
| Heikikker | HR IV, TYP | . | . | |
| Kamsalamander | HR II & IV | . | . | 4) |
| Kleine watersalamander | . | |||
| Knoflookpad | HR IV | goed | . | |
| Meerkikker3) | HR V | . | . | |
| Poelkikker3) | HR IV, TYP | . | . | |
| Rugstreeppad | HR IV, TYP | . | . | |
| Vinpootsalamander | TYP | . | . | |
| Vroedmeesterpad | HR IV | matig | . | |
| Vuursalamander | TYP | goed | . |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.
2)Unielijst, artikel 17, verplichting om de soort te verwijderen bij vestiging.
3)Vanwege het moeilijke onderscheid en voorkomende kruisingen tussen de soorten worden poelkikker, meerkikkers en bastaardkikkers ook wel samengenomen onder de naam ‘groene kikker complex’.
4)In 2023 is een gestart met het tellen van de kamsalamander waarmee een aantalstrend in zicht komt. Ook voor kleine watersalamander en Alpenwatersalamander.
Natura 2000‑gebieden
De geelbuikvuurpad en de kamsalamander worden vermeld op bijlage II van de Habitatrichtlijn. Vanwege deze vermelding en vanwege hun voorkomen in bepaalde Natura 2000‑gebieden, zijn er Natura 2000‑gebieden aangewezen voor deze soorten. Voor de geelbuikvuurpad zijn twee gebieden aangewezen, Geuldal en Bemelerberg & Schiepersberg. In beide gebieden wordt de soort geteld en kan een aantalstrend berekend worden. Voor de kamsalamander zijn 38 gebieden aangewezen (zie tabel 7.8.3). In 15 van deze gebieden is de soort in 2025 op gestandaardiseerde wijze geteld, m.b.v. amfibieënfuiken. De gegevens zijn per definitie onvoldoende om voor de kamsalamander verspreidingstrends per gebied te berekenen. Aantallen van de kamsalamander worden pas sinds 2023 geteld, om die reden kunnen aantalstrends nog niet berekend worden.
| Soort | Natura 2000‑gebied |
|---|---|
| Geelbuikvuurpad | Bemelerberg & Schiepersberg |
| Geelbuikvuurpad | Geuldal |
| Kamsalamander | Aamsveen |
| Kamsalamander | Achter de Voort etc. |
| Kamsalamander | Bemelerberg & Schiepersberg |
| Kamsalamander | Boetelerveld |
| Kamsalamander | Brabantse Wal |
| Kamsalamander | Brunssummerheide |
| Kamsalamander | Buurserzand & Haaksbergerveen1) |
| Kamsalamander | Drentsche Aa1) |
| Kamsalamander | Drents-Friese Wold & Leggelderveld1) |
| Kamsalamander | Dwingelderveld1) |
| Kamsalamander | Geuldal |
| Kamsalamander | Holtingerveld1) |
| Kamsalamander | Kampina & Oisterwijkse Vennen1) |
| Kamsalamander | Korenburgerveen1) |
| Kamsalamander | Landgoederen Brummen |
| Kamsalamander | Landgoederen Oldenzaal |
| Kamsalamander | Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux1) |
| Kamsalamander | Lingegebied & Diefdijk-Zuid |
| Kamsalamander | Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem1) |
| Kamsalamander | Loonse en Drunense Duinen etc. |
| Kamsalamander | Maasduinen |
| Kamsalamander | Meijendel & Berkheide1) |
| Kamsalamander | Meinweg |
| Kamsalamander | Oeffelter Meent1) |
| Kamsalamander | Rijntakken1) |
| Kamsalamander | Roerdal |
| Kamsalamander | Sallandse heuvelrug |
| Kamsalamander | Springendal etc. |
| Kamsalamander | Stelkampsveld |
| Kamsalamander | Uiterwaarden Lek |
| Kamsalamander | Vecht- en Beneden-Reggegebied |
| Kamsalamander | Veluwe |
| Kamsalamander | Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek1) |
| Kamsalamander | Willinks Weust1) |
| Kamsalamander | Witte Veen1) |
| Kamsalamander | Zouweboezem |
| Kamsalamander | Zwin & Kievittepolder |
1)Hier worden aantallen geteld m.b.v. fuikjes.
Voortgang in 2025
Aantalsmonitoring
Een verandering ten opzichte van voorgaande jaren is dat de aantalstrends voor boomkikker, geelbuikvuurpad, knoflookpad en vroedmeesterpad sinds dit jaar berekend worden op het niveau van telgebieden. In het verleden werd dit gedaan op het niveau van individuele watertjes waar tellingen werden verzameld. Een telgebied bevatte meerdere van die watertjes. Maar de watertjes in telgebieden lagen wel dicht op elkaar waardoor de tellingen eigenlijk niet als onafhankelijk van elkaar te beschouwen waren. Voor vier van de zes soorten waarvan aantallen geteld worden, zijn voldoende (recente) telgegevens beschikbaar en is de ligging van de telgebieden voldoende representatief voor de leefgebieden. Dat maakt dat voor boomkikker, geelbuikvuurpad, knoflookpad en vuursalamander jaarlijks betrouwbare landelijke trends berekend kunnen worden. De betrouwbaarheid van de aantalstrend van de vroedmeesterpad wordt betwijfeld door RAVON en het CBS. De indruk van RAVON is dat de trend, in vergelijking met wat RAVON waarneemt in het veld, te positief is. Per twee jaar is er nu één telronde waarin de vroedmeesterpad, door een professional geteld wordt. Het is goed mogelijk dat dat onvoldoende frequent is om een betrouwbare trend te kunnen berekenen voor de vroedmeesterpad. Jaarlijks tellen is gebruikelijker. Onderzoek naar de frequentie en timing van het tellen van deze soort is nodig. In 2023 is een start gemaakt met aantalsmonitoring van de kamsalamander, een HR-soort van bijlage II (zie tabel 7.8.3). Vrijwilligers zijn geworven en geïnstrueerd hoe te tellen. In 2023 zijn in 73 poelen amfibieënfuiken uitgezet (zes per poel), in 2024 is het aantal poelen waarin is geteld al toegenomen tot 134. Door de recente start kan de trend nog niet beoordeeld worden. De verwachting is wel dat, doordat andere watersalamandersoorten ook in de fuikjes zwemmen en die aantallen worden vastgelegd door de tellers, er voor die soorten eveneens een aantalstrend berekend kan worden. Het aantal bezochte telgebieden in 2024, voor het tellen van boomkikker, vuursalamander, vroedmeesterpad, geelbuikvuurpad en knoflookpad, is ten opzichte van 2023 iets afgenomen (figuur 7.8.4).
| Jaar | Telgebieden |
|---|---|
| '97 | 50 |
| '98 | 57 |
| '99 | 55 |
| 00 | 66 |
| 01 | 77 |
| 02 | 85 |
| 03 | 78 |
| 04 | 83 |
| 05 | 88 |
| 06 | 78 |
| 07 | 84 |
| 08 | 93 |
| 09 | 75 |
| 10 | 95 |
| 11 | 93 |
| 12 | 108 |
| 13 | 101 |
| 14 | 109 |
| 15 | 121 |
| 16 | 131 |
| 17 | 139 |
| 18 | 152 |
| 19 | 160 |
| 20 | 160 |
| 21 | 161 |
| 22 | 156 |
| 23 | 170 |
| 24 | 153 |
Verspreidingsonderzoek
Voor de andere soorten, waarvoor met behulp van daglijstjes verspreidingstrends worden bepaald, zijn ruim voldoende gegevens beschikbaar. Het aantal bezochte km-hokken is hoog (figuur 7.8.5). De representativiteit van de verspreidingstrends is goed. De gegevens zijn namelijk niet alleen afkomstig uit het meetprogramma, maar ook uit de NDFF. De NDFF bevat ook waarnemingen van groene bureaus, overheden en niet aan RAVON verbonden vrijwilligers. Het bleek in 2025 niet mogelijk betrouwbare verspreidingstrends te berekenen. De data bevatte veel verschillen t.o.v. data waarmee voor het laatst verspreidingstrends zijn berekend en het is onduidelijk wie verantwoordelijk is voor die verschillen en of de veranderingen verbeteringen betreffen, of niet. In 2026 zal hier verder onderzoek naar gedaan worden.
| jaren | Kilometerhokken |
|---|---|
| '97 | 1126 |
| '98 | 995 |
| '99 | 1383 |
| '00 | 1345 |
| '01 | 1158 |
| '02 | 1529 |
| '03 | 1469 |
| '04 | 1709 |
| '05 | 2467 |
| '06 | 2017 |
| '07 | 3554 |
| '08 | 3279 |
| '09 | 3900 |
| '10 | 3873 |
| '11 | 4077 |
| '12 | 3696 |
| '13 | 3555 |
| '14 | 4083 |
| '15 | 3634 |
| '16 | 4160 |
| '17 | 4247 |
| '18 | 4517 |
| '19 | 4409 |
| '20 | 5704 |
| '21 | 5752 |
| '22 | 5547 |
| '23 | 6324 |
| '24 | 6839 |
Het jaar 2025 is het tweede jaar van de nieuwe HR-rapportageperiode. Het verspreidingsonderzoek ligt goed op schema.
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Bastaardkikker | 413 | 75 |
| Boomkikker | 79 | 90 |
| Bruine kikker | 441 | 96 |
| Geelbuikvuurpad | 5 | 80 |
| Heikikker | 229 | 74 |
| Kamsalamander | 203 | 79 |
| Knoflookpad | 48 | 69 |
| Meerkikker | 253 | 44 |
| Poelkikker | 239 | 60 |
| Rugstreeppad | 302 | 76 |
Aandachtspunten
- Beter zicht op de data waarmee verspreidingstrends op kilometerhokniveau berekend worden. Het CBS is voornemens om zelf de amfibieëndata uit de NDFF te downloaden om hiermee verspreidingstrends te berekenen. Zodoende kan de data beter gecontroleerd worden en kan beter bepaald worden welke wijze van analyseren het best bij de data past. In 2026 zal samenwerking tussen CBS en RAVON nodig zijn om het berekenen van de verspreidingstrends onder de loep te nemen.
- Op peil houden van de bestaande aantalsmonitoring op meetpunten waar de zes soorten voorkomen waarvan aantallen worden geteld (RAVON). Voor de vroedmeesterpad, geteld door professionals, is de landelijke trend van matige kwaliteit. Onderzoek naar de frequentie en timing van het tellen van deze soort is nodig (CBS, RAVON).
- Zorgen dat het vrijwilligersnetwerk en de technische voorzieningen (database, kaartmodule verspreidingsonderzoek) op peil blijven (RAVON).
- Opschalen van de aantalsmonitoring van boomkikker en kamsalamander (RAVON).
- Levering tellingen boomkikker, geelbuikvuurpad, knoflookpad, vroedmeesterpad op telgebiedniveau, dus geaggregeerd, niet meer op het niveau van watertjes. Geen wijzigingen in de levering van de tellingen van de vuursalamander (trajecten) en kamsalamander (RAVON).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.
Informatie over RAVON: Website RAVON.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

7.9Zoetwatervissen
Algemeen
Met het meetprogramma voor zoetwatervissen van het NEM worden visgegevens uit alle belangrijke (zoet) waterrijke gebieden van Nederland bij elkaar gebracht. Voor de HR-soorten is het doel om de verspreiding in de tijd de kunnen volgen. Daarnaast is het doel om inzicht te krijgen in de aantalstrend van de beekprik.
Coördinatie: Stichting RAVON.
Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting RAVON, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage II en IV | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V | |
| EU Kaderrichtlijn Water: trends in zoete rijkswateren | |
| Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends | |
| Indicatoren rijksbegroting | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Natura 2000: trends in gezamenlijke Natura 2000‑gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten | |
| Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
Gegevens
Visgegevens worden met verschillende methoden (zoals schepnet, elektrisch schepnet, zegen, kuil, fuik, hengel en eDNA) verzameld. Dit gebeurt in verschillende delen van het watersysteem en door verschillende waterbeherende organisaties. Grote rivieren, kanalen en meren worden doorgaans bemonsterd door Rijkswaterstaat, terwijl regionale wateren vooral door waterschappen worden onderzocht. Deze gegevens, en gegevens van adviesbureaus en nog wat kleinere bronnen, worden bijeengebracht en gecontroleerd door RAVON. Toch zijn er nog wateren en regio’s die niet goed onderzocht zijn op het voorkomen van de soorten uit het meetprogramma. Om een goede landelijke dekking te verkrijgen, worden die gebieden door vrijwilligers met specifieke methoden (schepnet, zaklamp, prikkencilinder) geïnventariseerd. De coördinatie hiervan is in handen van RAVON. Een beschrijving van de werkwijze per soort is te vinden op de website van RAVON (zie onder Links). Voor veel soorten zijn betrouwbare landelijke trends beschikbaar vanaf 1990.
Soorten
De prioriteit van het meetprogramma voor zoetwatervissen ligt bij de vissoorten die vermeld worden op één of meerdere bijlagen van de Habitatrichtlijn. Tabel 7.9.2 geeft een overzicht van deze soorten en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. Daarnaast gaat er ook aandacht uit naar de vissensoorten die kenmerkend zijn voor een bepaald habitattype (de typische soorten). De opzet van het meetprogramma stelt het NEM echter in staat van veel meer zoetwatervissen de verspreiding en de trends in verspreiding (= aantal bezette 1x1 km-hokken per jaar) in beeld te brengen. De stand van de beekprik kan middels de opzet van het huidige meetprogramma niet goed in beeld gebracht worden. Om die reden is er een meetprogramma ontwikkeld waarbij de aantallen worden gemonitord door het tellen van larven. Het programma is in 2018 gestart en omvat 79 trajecten verdeeld over het verspreidingsgebied. In 2023 zijn in 33 trajecten tellingen gedaan, daarmee is het streefaantal van 25 trajecten waar tijdens een seizoen geteld wordt, gehaald. De rivierprik is opgenomen in het meetprogramma voor de zoetwatervissen, maar de verzamelde gegevens zijn door de WOT niet gebruikt voor de VHR-rapportage over 2013–2018 en ook niet voor de VHR-rapportage over 2019–2024. Dat roept de vraag op of het zin heeft de soort via het NEM te blijven volgen. Vier invasieve exoten, amoergrondel, blauwband, zonnebaars, zwarte dwergmeerval en Noord-Aziatische modderkruiper, zijn opgenomen in het meetprogramma. Deze soorten worden vermeld op de Unielijst van de EU en worden gevolgd in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De amoergrondel is nog niet in Nederland aangetroffen, de drie overige soorten wel. De zwarte dwergmeerval staat sinds 2022 op de Unielijst en is lastig te onderscheiden van de bruine dwergmeerval die ook in Nederland voorkomt. Tabel 7.9.2 geeft een overzicht van de soorten die zijn opgenomen in het meetprogramma en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. Voor de verspreiding van deze soorten, zie de figuren in de bijlage.
| Soort | Beleidsstatus1) | Verspreidingstrend landelijk | Aantalstrend landelijk |
|---|---|---|---|
| Amoergrondel | Exoot | . | . |
| Beekdonderpad | HR II | goed | . |
| Beekprik | HR II, ANLb | goed | matig |
| Bermpje | TYP | goed | . |
| Bittervoorn | HR II, ANLb | goed | . |
| Blauwband | Exoot | goed | . |
| Grote modderkruiper | HR II, ANLb | goed | . |
| Kleine modderkruiper | HR II, ANLb | goed | . |
| Rivierdonderpad2) | HR II, ANLb | goed | . |
| Rivierprik3) | HR II & V | goed | . |
| Ruisvoorn | TYP | slecht | . |
| Snoek | TYP | goed | . |
| Zeelt | TYP | goed | . |
| Zonnebaars | Exoot | goed | . |
| Zwarte dwergmeerval | Exoot | slecht |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort HR; ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.
2)De donderpad die op de Habitatrichtlijn genoemd wordt (Cottus gobio), blijkt niet in Nederland voor te komen, maar wel de enige jaren geleden ontdekte soorten rivierdonderpad (Cottus perifretum) en beekdonderpad (Cottus rhenanus). Het ministerie van EZ verwacht dat deze twee nieuwe soorten op termijn als HR-soort zullen worden aangemerkt.
3)WER verzamelt telgegevens van de rivierprik. Hiermee kunnen aantalstrends berekend worden.
Natura 2000‑gebieden
Er zijn zeven vissoorten die vermeld worden op Bijlage II van de Habitatrichtlijn. Voor zes van deze soorten zijn Natura 2000‑gebieden aangewezen. Zie tabel 7.9.3 voor een overzicht van de gebieden en de vissoorten waarvoor de gebieden aangewezen zijn. De gegevens blijken tot op heden onvoldoende te zijn om voor de afzonderlijke soorten betrouwbare verspreidingstrends per gebied te berekenen.
| Natura 2000‑gebied | Soorten HR Bijlage II |
|---|---|
| Alde Faenen | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Biesbosch | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, rivierprik |
| Binnenveld | grote modderkruiper |
| Botshol | kleine modderkruiper |
| Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein | bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Buurserzand & Haaksbergerveen | grote modderkruiper |
| De Wieden | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Deurnse Peel & Mariapeel | bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Dinkelland | beekprik, bittervoorn, rivierdonderpad |
| Drentsche Aa-gebied | grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, rivierprik |
| Eilandspolder | bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Geuldal | beekprik, rivierdonderpad |
| Grensmaas | rivierdonderpad, rivierprik |
| Groote Wielen | bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Haringvliet1) | bittervoorn, rivierdonderpad, rivierprik |
| Hollands Diep | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierprik |
| IJsselmeer | rivierdonderpad |
| Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Kampina & Oisterwijkse Vennen | kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Kempenland-West | kleine modderkruiper |
| Kennemerland-Zuid | kleine modderkruiper |
| Krammer-Volkerak | kleine modderkruiper |
| Langstraat | grote modderkruiper, kleine modderkruiper |
| Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux | beekprik, bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Leudal | bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Lingegebied & Diefdijk-Zuid | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper |
| Loevestein, Pompveld & Kornsche boezem | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Maas bij Eijsden | rivierdonderpad, rivierprik |
| Maasduinen | kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Markermeer & IJmeer | kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Meijendel & Berkheide | kleine modderkruiper |
| Meinweg | beekprik |
| Naardermeer | bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Noordzeekustzone1) | rivierprik |
| Oeffelter Meent | kleine modderkruiper |
| Olde Maten & Veerslootslanden | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper |
| Oostelijke Vechtplassen | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Oudegaasterbrekken etc | kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Polder Westzaan | bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Rijntakken2) | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, rivierprik |
| Roerdal | beekprik, bittervoorn, grote modderkruiper, rivierprik, rivierdonderpad |
| Rottige Meenthe & Brandemeer | bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Springendal & Dal van de Mosbeek | beekprik |
| Stabrechtse Heide & Beuven | kleine modderkruiper |
| Swalmdal | rivierdonderpad |
| Uiterwaarden Zwarte water en Vecht | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Van Oordts Mersken | grote modderkruiper, kleine modderkruiper |
| Vecht- en Beneden-Reggegebied | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Veluwe | beekprik, rivierdonderpad |
| Veluwerandmeren | kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Vlakte van de Raan1) | rivierprik |
| Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper |
| Voordelta1) | rivierprik |
| Waddenzee1) | rivierprik |
| Weerribben | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Weerter- en Budelerbergen & Ringselven | bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Westerschelde & Saeftinghe1) | rivierprik |
| Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Zouweboezem | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper |
| Zwarte Meer | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
1)In deze gebieden vindt geen monitoring plaats in het kader van het NEM. De gebieden zijn niet geschikt voor monitoring door vrijwilligers.
2)Rivierprik wordt hier niet gemonitoord.
Voortgang in 2025
Er is in 2025 besloten om de deadline voor de datalevering van RAVON aan het CBS twee maanden te verplaatsen van eind januari naar eind maart. Deze verschuiving stelt RAVON in staat om een complete levering te doen, gezien zij zelf afhankelijk zijn van leveringen van andere partijen.
Er zijn in 2025 geen trends berekend omdat trends elke twee jaar berekend worden.
Teldekking
In Nederland worden veel visgegevens verzameld door verschillende organisaties, elk met een focus op specifieke wateren. Daardoor zijn de gegevens representatief voor de leefgebieden van de verschillende soorten. De visgegevens die waterschappen verzamelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn vanwege de hoeveelheid gegevens en de goede landelijke dekking een belangrijke bron.
De bemonsteringen worden door de waterschappen echter niet elk jaar gedaan, maar eens in de drie tot zes jaar. Verder worden de gegevens met enige vertraging in de NDFF gezet en waarschijnlijk zetten niet alle waterschappen hun data in de NDFF, sommigen geven de data alleen aan het Informatiehuis Water (IHW). Dat bemoeilijkt het jaarlijks berekenen van trends. Rijkswaterstaat verzamelt jaarlijks visgegevens van de grote rivieren, maar deze gegevens worden tot nu toe niet door Rijkswaterstaat in de NDFF gezet. Het IJsselmeer wordt bemonsterd door WMR, ook deze gegevens komen niet direct in de NDFF terecht.
Afgesproken is om, vanwege de tijd die nodig is om de gegevens van alle partijen bij elkaar te krijgen, de trendberekeningen vanaf 2022 eens in de twee jaar uit te voeren in plaats van jaarlijks (in 2022 zijn verspreidingstrends berekend). Om het tijdschema van de berekeningen te kunnen bepalen moet de gegevensstroom van waterschappen, RWS en andere partijen naar NDFF en IHW beter in kaart worden gebracht.
RAVON voegt aan iedere waarneming informatie toe over het watertype waaruit de waarneming afkomstig is. Tegenwoordig wordt bij het berekenen van de verspreidingstrends ook gestratificeerd naar waterschap i.p.v. naar fysisch geografische regio. Dit betekent dat er voor veel soorten trends per waterschap beschikbaar zijn.
| jaren | Kilometerhokken |
|---|---|
| '90 | 1683 |
| '91 | 1302 |
| '92 | 2360 |
| '93 | 2127 |
| '94 | 2769 |
| '95 | 1384 |
| '96 | 1788 |
| '97 | 1449 |
| '98 | 1155 |
| '99 | 1396 |
| '00 | 1481 |
| '01 | 1439 |
| '02 | 1824 |
| '03 | 2027 |
| '04 | 2118 |
| '05 | 2780 |
| '06 | 3841 |
| '07 | 4871 |
| '08 | 4801 |
| '09 | 6102 |
| '10 | 5820 |
| '11 | 6350 |
| '12 | 7805 |
| '13 | 8677 |
| '14 | 9444 |
| '15 | 7416 |
| '16 | 7282 |
| '17 | 6295 |
| '18 | 6717 |
| '19 | 4807 |
| '20 | 4896 |
| '21 | 5115 |
| '22 | 5552 |
| '23 | 4485 |
Verspreidingsonderzoek
Het jaar 2025 is het tweede jaar van de nieuwe HR-rapportageperiode. Het percentage geactualiseerd hokken is toegenomen voor alle soorten en loopt in alle gevallen (voor) op schema (zie tabel 7.9.5). De uitschieter is de rivierdonderpad. Het aantal geactualiseerde hokken voor deze soort steeg van 13 naar 37%.
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Beekdonderpad | 10 | 90 |
| Beekprik | 34 | 77 |
| Bittervoorn | 275 | 72 |
| Grote modderkruiper | 166 | 49 |
| Kleine modderkruiper | 335 | 73 |
| Rivierdonderpad | 176 | 21 |
| Rivierprik | 14 | 71 |
Aandachtspunten
- Actualisatie van het actueel en potentieel leefgebied van de grote modderkruiper en de rivierdonderpad (RAVON).
- In kaart brengen van de gegevensstroom van waterschappen naar de NDFF (CBS & RAVON).
- Duidelijke afspraken over samenstelling van de beekprik-dataset (RAVON, CBS).
- Herkennen van KRW-data van waterschappen en Rijkswaterstaat in de visgegevens die RAVON levert (RAVON).
- Overleggen met de WOT over de rivierprik om helder te krijgen welke gegevens gebruikt zullen worden in het volgende VHR-rapport zodat bepaald kan worden of het zin heeft de soort via het NEM te monitoren (Kernteam NEM).
- In kaart brengen welke voor vissen aangewezen Natura 2000‑gebieden te weinig bemonsterd zijn (RAVON).
Links
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring Website NEM.
Informatie over RAVON Website RAVON.
Trends HR-soorten en graadmeter: Compendium voor de Leefomgeving
7.10Vlinders
Algemeen
Vlinders worden geteld via twee meetprogramma’s: dagvlinders en nachtvlinders. Beide meetprogramma’s bestaan uit twee onderdelen: aantalsmonitoring en verspreidingsonderzoek.
Coördinatie: De Vlinderstichting.
Uitvoering: Vrijwilligers, De Vlinderstichting, terreinbeherende organisaties, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000-gebieden en per biotoop | |
| Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Biodiversiteit Insecten | |
| Graadmeters Natuurnetwerk Nederland | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied1) | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, per biotoop etc. | |
| Stadsnatuur: landelijke trends | |
1)Van matig sturend naar indirect meetdoel.
Soorten
Tabel 7.10.2 geeft een overzicht van de in totaal 34 soorten die zijn opgenomen in de meetprogramma’s en de mogelijkheid van het berekenen van betrouwbare aantals- en/of verspreidingstrends. Het gaat hierbij om negen soorten die in de Habitatrichtlijn worden genoemd en 27 soorten die als typische soort te boek staan (van deze groep behoren er twee ook tot de groep van negen soorten van de Habitatrichtlijn).
| Soort | Beleidsstatus1) | Type meetgegevens | Kwaliteit landelijke trend | Opmerkingen |
|---|---|---|---|---|
| Aardbeivlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Apollovlinder | HR IV | . | . | verdwenen uit NL |
| Bruin blauwtje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Bruin dikkopje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Donker pimpernelblauwtje | HR II en IV | aantal4) en verspreiding5) | goed | sinds 2024 niet meer gezien |
| Duinparelmoervlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Dwergblauwtje | TYP | . | . | verdwenen uit NL |
| Eikenpage | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Geelsprietdikkopje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Gentiaanblauwtje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Groentje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Grote ijsvogelvlinder | TYP | . | . | verdwenen uit NL |
| Grote parelmoervlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Grote vuurvlinder | HR II en IV, TYP | aantal4) en verspreiding5) | goed | |
| Grote weerschijnvlinder | TYP | . | .6) | moeilijk meetbaar |
| Heideblauwtje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Heivlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Kleine heivlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Kleine ijsvogelvlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Kleine parelmoervlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Kommavlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Moerasparelmoervlinder | HR II, TYP | . | . | verdwenen uit NL |
| Pimpernelblauwtje | HR II en IV | aantal4) en verspreiding5) | goed | |
| Purperstreepparelmoervlinder | TYP | . | . | verdwenen uit NL |
| Spaanse vlag2) | HR II* | aantal4) en verspreiding5) | goed | |
| Teunisbloempijlstaart2) | HR IV | . | .6) | moeilijk meetbaar |
| Tijmblauwtje | HR IV | . | . | verdwenen uit NL |
| Tweekleurig hooibeestje | TYP | . | . | verdwenen uit NL |
| Vals heideblauwtje | TYP | . | . | verdwenen uit NL |
| Veenbesblauwtje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Veenbesparelmoervlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Veenhooibeestje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Zilveren maan | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Zilverstreephooibeestje | HR IV | . | . | verdwenen uit NL |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage, * = prioritaire soort; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.
2)Nachtvlinder.
3)Deze soort lift als goed gevolgd tevens mee in het meetnet aantalsmonitoring.
4)Populatiegrootte in 1x1 km-hok, en populatietrend landelijk.
5)Verspreiding in 10x10 km-hok, verspreidingstrend in 10x10 km-hok.
6)Zeldzame en/of moeilijk meetbare soort die zo goed mogelijk gevolgd wordt via het verspreidingsonderzoek.
Gegevens
Aantalsmonitoring dagvlinders
In het meetonderdeel aantalsmonitoring worden alle in ons land voorkomende dagvlindersoorten en enkele dagactieve nachtvlinders geteld via vaste routes van doorgaans 1 km lang. Deze worden elk jaar op dezelfde manier geteld. Gedurende het hele telseizoen tussen 1 april en 1 oktober wordt in principe wekelijks genoteerd welke soorten er voorkomen en in welke aantallen. Vanwege de vervroeging van de vliegtijd door klimaatverandering is de start van het telseizoen vervroegd van 1 april naar 1 maart. Naast algemene routes, zijn er routes gericht op één soort, met alleen tellingen in de hoofdvliegtijd van die soort. Voor ruim de helft van de te volgen soorten gaat het om een steekproef van enige honderden meetlocaties in hun leefgebieden. Van de andere soorten wordt op alle locaties waar de soort voorkomt een telroute uitgezet. Daarnaast zijn er drie soorten die geteld worden via ei-tellingen (gentiaanblauwtje, sleedoornpage en grote vuurvlinder), omdat tellen van de volwassen dieren niet mogelijk is (ze zijn te zeldzaam en obscuur om aantallen van betekenis te kunnen vaststellen door middel van telroutes). De veldwerkhandleiding is te vinden via de website van het NEM (zie Links).
Bij de statistische analyse worden de cijfers van de steekproefsoorten door weging gecorrigeerd voor over- en onderbemonstering van bepaalde regio’s en begroeiingstypen.
Weegfactoren worden per soort afgeleid uit de oppervlakte geschikt leefgebied binnen het maximale verspreidingsareaal. Omdat de weegfactoren van een aantal soorten verouderd waren, is in 2022 een nieuwe wegingsmethode ontwikkeld waarbij het potentieel leefgebied wordt bepaald aan de hand van de kans op aanwezigheid op basis van de occupancy uitkomsten op 10 x 10 km hokniveau, waarbij gewogen wordt naar substrata/subpopulaties op basis van fysisch geografische regio in combinatie met begroeiingstype. Er zijn hiervoor begroeiingstypekaarten gemaakt van de situatie in 1990 (start aantalsmeetnet) en die in 2015, die als basis dienen voor de bepaling van nieuwe weegfactoren. De nieuwe weegfactoren zijn voor het eerst toegepast bij de berekening van de trends tot en met 2022 (publicatie maart 2023).
Aantalsmonitoring nachtvlinders
Systematische aantalsmonitoring van nachtvlinders wordt gedaan met behulp van gestandaardiseerde vlindervallen, met name de speciaal hiervoor ontwikkelde LedEmmer. De val wordt gedurende het hele jaar minimaal eens in de twee weken aan het begin van de avond geplaatst en bij zonsopkomst worden de nachtvlinders in de val geïdentificeerd, geteld en weer levend losgelaten. Een aantal dagactieve nachtvlindersoorten wordt geteld via de aantalsmonitoring dagvlinders.
Verspreidingsonderzoek dag- en nachtvlinders
Het verspreidingsonderzoek bestaat uit verschillende gegevensstromen. Allereerst vindt er gegevensinzameling plaats die is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende soorten van bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn (HR) op 10 x 10 km- en 5 x 5 km-hokniveau. Daarnaast is er voor dagvlinders verspreidingsonderzoek van de overige soorten op 5 x 5 km-hokniveau. Het doel daarvan is om de Rode Lijst status van soorten te kunnen actualiseren, met bijzondere aandacht voor de urgent bedreigde typische soorten (voor nachtvlinders ontbreekt een Rode Lijst en een set van typische soorten). De verdere gegevensinwinning van de HR-soorten en de typische soorten bestaat uit gerichte inventarisaties van km-hokken volgens een gestandaardiseerd protocol.
Naast het systematisch opgezette aantalsmeetnet en het gerichte verspreidingsonderzoek worden veel gegevens over vlinders verzameld zonder gebruik van een vast meetprotocol, in de vorm van soortenlijsten (ook wel flextellingen genoemd) of losse waarnemingen van één soort. Een deel van deze flextellingen komen ook in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) terecht, voor Liveatlas tellingen (via Sovon) wordt hier nog aan gewerkt. Losse waarnemingen via waarneming.nl of telmee.nl gaan ook door naar de NDFF. Daarnaast zijn er waarnemingen van professionals, zoals boswachters en ecologen, die inventarisaties uitvoeren in minder toegankelijke gebieden, bijvoorbeeld in het kader van Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Een deel hiervan komt in de NDFF terecht, afhankelijk van het gekozen invoerplatformIndien de kwaliteit van de metadata op orde is, wat nog niet altijd het geval is, komt deze data beschikbaar voor verspreidingsonderzoek.
De gegevens van HR-soorten worden verwerkt tot verspreidingskaarten op 10 x 10 km-hokniveau. Het gaat om de grote vuurvlinder, pimpernelblauwtje, donker pimpernelblauwtje (dagvlinders), en de teunisbloempijlstaart en de Spaanse vlag (nachtvlinders).
Voor het bepalen van de actuele verspreiding en de trend daarin, worden zogenaamde occupancy-modellen routinematig toegepast. Deze modellen zijn tevens bruikbaar om te onderzoeken of bepaalde hokken voldoende zijn onderzocht om een soort te vinden wanneer deze aanwezig is.
Het doel is om in de zesjaarlijkse HR rapportageperiode 2025–2030 alle hokken van het actuele en potentiële verspreidingsgebied te inventariseren in de periode 2024–2029. Daarom geldt 2025 als het tweede jaar van de komende zesjarige rapportageperiode (2025–2030).
| Soort | Natura 2000-gebied | Meetpunten laatste 3 jaar | Opmerking |
|---|---|---|---|
| Donker pimpernelblauwtje | Roerdal | ja | niet meer gezien sinds 2024 |
| Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | ja | geen populatie aanwezig | |
| Grote vuurvlinder | De Wieden | nee | geen populatie aanwezig |
| Rottige Meente & Brandemeer | ja | ||
| Weerribben | ja | ||
| Pimpernelblauwtje | Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | ja | |
| Spaanse vlag | Bemelerberg & Schiepersberg | ja | |
| Geuldal | ja | ||
| Savelsbos | ja | ||
| Sint Pietersberg & Jekerdal | ja |
Voortgang 2025
Aantalsmonitoring dagvlinders
De telgegevens voor dagvlinders zijn afkomstig van in totaal 3 930 routes over de periode 1990–2025. In 2025 zijn er gegevens binnengekomen van in totaal 1 550 routes (figuur 7.10.4), waarvan circa 1 257 algemene routes, 114 soortgerichte routes (waarvan 28 routes met totaalschattingen) en 164 ei-telplots.
Van vrijwel alle 34 voor de NEM meetdoelen onderzochte soorten zijn landelijke trend- en indexcijfers van goede kwaliteit beschikbaar (tabel 7.10.2), evenals per fysisch geografische regio, provincie en begroeiingstype. Van alle habitatrichtlijnsoorten zijn de tijdreeksen van goede kwaliteit. Er is één Natura 2000‑gebied zonder recente meetpunten, maar daaruit is de betreffende HR-soort inmiddels verdwenen (tabel 7.10.3).
Aantalsmonitoring nachtvlinders
De telgegevens voor nachtvlinders zijn sterk gegroeid sinds de start van het meetnet. Er zijn inmiddels 1 677 meetpunten geteld in 2025, waarvan 37% in het agrarisch gebied en 39% in stedelijk gebied. De vele meetpunten in agrarisch gebied zijn mogelijk gemaakt door het project Boeren Insecten Monitoring Agrarisch Gebied (BIMAG), dat tenminste tot 2027 doorloopt. Het aantal meetpunten in meer natuurlijke habitats (bos, duin, heide, etc.) ligt lager (24%), maar is wel flink toegenomen ten opzichte van vorig jaar (toen 16%).
| jaren | dagvlinders | nachtvlinders |
|---|---|---|
| '92 | 251 | 2 |
| '93 | 269 | 2 |
| '94 | 286 | 2 |
| '95 | 315 | 2 |
| '96 | 344 | 26 |
| '97 | 399 | 26 |
| '98 | 441 | 27 |
| '99 | 501 | 27 |
| '00 | 545 | 31 |
| '01 | 587 | 33 |
| '02 | 603 | 33 |
| '03 | 779 | 33 |
| '04 | 770 | 33 |
| '05 | 819 | 33 |
| '06 | 817 | 33 |
| '07 | 894 | 32 |
| '08 | 885 | 35 |
| '09 | 848 | 35 |
| '10 | 861 | 36 |
| '11 | 891 | 39 |
| '12 | 886 | 40 |
| '13 | 917 | 47 |
| '14 | 894 | 95 |
| '15 | 955 | 76 |
| '16 | 967 | 84 |
| '17 | 1088 | 85 |
| '18 | 1070 | 192 |
| '19 | 1210 | 330 |
| '20 | 1262 | 638 |
| '21 | 1429 | 856 |
| '22 | 1510 | 1068 |
| '23 | 1492 | 1349 |
| '24 | 1556 | 1445 |
| '25 | 1535 | 1677 |
Verspreidingsonderzoek
Van de vijf HR-soorten zijn alle bekende 10 x 10 km-hokken onderzocht binnen de huidige verslagperiode (geactualiseerd overzicht in tabel 7.10.5). Ook zijn er veel actuele verspreidingsgegevens voorhanden op 5 x 5 km-hokniveau.
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Donker pimpernelblauwtje | 2 | 100 |
| Grote vuurvlinder | 5 | 100 |
| Pimpernelblauwtje | 1 | 100 |
| Spaanse vlag | 178 | 95 |
| Teunisbloempijlstaart | 253 | 84 |
| jaren | geteld |
|---|---|
| '90 | 3273 |
| '91 | 5323 |
| '92 | 6381 |
| '93 | 6796 |
| '94 | 7709 |
| '95 | 9367 |
| '96 | 9817 |
| '97 | 9687 |
| '98 | 8717 |
| '99 | 8724 |
| '00 | 10075 |
| '01 | 7830 |
| '02 | 7834 |
| '03 | 10095 |
| '04 | 9256 |
| '05 | 10967 |
| '06 | 12491 |
| '07 | 14624 |
| '08 | 13481 |
| '09 | 18854 |
| '10 | 16615 |
| '11 | 17322 |
| '12 | 17193 |
| '13 | 19634 |
| '14 | 20818 |
| '15 | 18659 |
| '16 | 19208 |
| '17 | 20865 |
| '18 | 21025 |
| '19 | 22634 |
| '20 | 23648 |
| '21 | 25228 |
| '22 | 25618 |
| '23 | 25540 |
| '24 | 26489 |
Ontwikkelingen
Het totaal aantal meetroutes voor de aantalsmonitoring van dagvlinders groeit nog steeds gestaag door. Er komen vooral algemene routes bij waarop ook vaak dagactieve nachtvlinders en hommels geteld worden. Het aantal soortgerichte routes en ei-telplots blijft licht dalen. Deels komt dit bij de soortgerichte routes door de omzetting naar algemene routes (wat beschouwd moet worden als een uitbreiding van de waarneeminspanning), maar de continuering van de afname heeft vooral te maken met de verdergaande afname van zeldzame soorten, waarbij in het geval van het lokaal verdwijnen van een soort wordt gestopt met tellen (bij de ei-telplots speelt dit met name bij het gentiaanblauwtje).
Vanaf seizoen 2023 kunnen waarnemingen van zowel dag- als nachtvlinders rechtstreeks in het veld ingevoerd worden via een speciaal daarvoor ontwikkelde app. Dit heeft de efficiëntie van het meetnet sterk bevorderd. Voor nachtvlinders zou de integratie van automatische beeldherkenning in de app de efficiëntie van het meetnet nog verder kunnen bevorderen.
Het aantal flextellingen neemt de afgelopen jaren sterk toe. Voor het verspreidingsonderzoek is het zaak om te onderzoeken of deze data op gestandaardiseerde wijze meegenomen kunnen worden in de analyse.
De methode om tot aantalstrends voor dagvlinders te komen is in 2025 aangepast door nu ook weekfactoren mee te nemen. Het programma Papilio, dat jarenlang gebruikt is om tot jaarcijfers te komen, kon daarmee worden uitgefaseerd. Dit zal waarschijnlijk de doorlooptijd van de berekeningen met enkele weken versnellen.
In het kader van het VHR Verbeterprogramma is de Spaanse vlag nader onderzocht. Een landelijke aantalstrend valt voor deze soort te bepalen via de aantalsmonitoring voor nachtvlinders op basis van lichtvallen. Daarmee komt de trend op basis van populatieschattingen te vervallen.
Aandachtspunten
- Tellingen klaverblauwtje en dwergblauwtje op peil brengen en/of houden in verband met opname van beide soorten in graslandvlinderindicator.
- Zorgen dat het vrijwilligersnetwerk en de technische voorzieningen (database, invoermogelijkheden, beeldherkenning voor nachtvlinders) op peil blijven (De Vlinderstichting).
- Uitbreiding van het aantal nachtvlindermeetpunten in natuurgebieden (De Vlinderstichting).
- Blijven inzetten op gestandaardiseerd gebruik van nachtvlindervallen.
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en links naar handleidingen: Website De Vlinderstichting.
Informatie over De Vlinderstichting: Website De Vlinderstichting.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.


7.11Libellen
Algemeen
Het meetprogramma libellen bestaat uit twee onderdelen: aantalsmonitoring en verspreidingsonderzoek.
Coördinatie: De Vlinderstichting.
Uitvoering: Vrijwilligers, De Vlinderstichting, EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden (EIS), terreinbeherende organisaties, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten | |
| Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijke trends | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000-gebieden en per biotoop | |
| Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten | |
| Biodiversiteit Insecten | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, per biotoop etc. | |
| Stadsnatuur: landelijke trends | |
Soorten
Het meetprogramma libellen volgt 22 soorten. Negen van deze soorten worden vermeld op één of meerdere bijlagen van de Habitatrichtlijn en 19 van de 22 soorten worden gezien als kenmerkend voor een bepaald habitattype (de typische soorten), zie tabel 7.11.2.
| Soort | Beleidsstatus1) | Type meetgegevens | Kwaliteit landelijke trend | Opmerkingen |
|---|---|---|---|---|
| Beekrombout | TYP | verspreiding | goed | |
| Bruine korenbout | TYP | verspreiding | goed | aantal wordt gevolgd |
| Bronslibel | HR II en IV | . | . | incidenteel in NL |
| Bruine winterjuffer | TYP | verspreiding | goed | aantal wordt gevolgd |
| Donkere waterjuffer | TYP | verspreiding | goed | aantal wordt gevolgd |
| Gaffellibel | HR II en IV, TYP | aantal | goed | |
| Gevlekte witsnuitlibel | HR II en IV, TYP | aantal | goed | |
| Gewone bronlibel | TYP | verspreiding | goed | aantal wordt gevolgd |
| Glassnijder | TYP | verspreiding | goed | aantal wordt gevolgd |
| Groene glazenmaker | HR IV, TYP, ANLb | aantal | goed | |
| Hoogveenglanslibel | TYP | verspreiding | goed | aantal wordt gevolgd |
| Kempense heidelibel | TYP | verspreiding | goed | |
| Mercuurwaterjuffer | HR II | . | . | verdwenen uit NL |
| Noordse glazenmaker | TYP | verspreiding | goed | |
| Noordse winterjuffer | HR IV | aantal | goed | |
| Oostelijke witsnuitlibel | HR IV, TYP | aantal | goed | |
| Rivierrombout | HR IV, TYP | . | .2) | afwijkende methode |
| Sierlijke witsnuitlibel | HR IV, TYP | aantal | goed | |
| Speerwaterjuffer | TYP | verspreiding | goed | aantal wordt gevolgd |
| Venwitsnuitlibel | TYP | verspreiding | goed | |
| Vroege glazenmaker | TYP | verspreiding | goed | aantal wordt gevolgd |
| Weidebeekjuffer | TYP | verspreiding | goed | aantal wordt gevolgd |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn; ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.
2)Zeldzame en/of moeilijk meetbare soort die zo goed mogelijk gevolgd wordt via het verspreidingsonderzoek.
Gegevens
Aantalsmonitoring
Vrijwilligers van De Vlinderstichting verzamelen tellingen van alle in ons land voorkomende libellensoorten. Op vaste routes van gemiddeld 250 meter lang wordt elk jaar op dezelfde manier het aantal individuen van elke soort geteld. Gedurende het hele seizoen tussen 1 april en 31 oktober wordt in principe om de twee weken genoteerd welke soorten voorkomen en in welke aantallen. Daarnaast zijn er routes gericht op één soort, met alleen een drietal tellingen in de hoofdvliegtijd van de soort.
Voor algemene tot schaarse soorten zijn de routes een steekproef; voor de meer zeldzame soorten wordt in principe op alle locaties waar de soort voorkomt een telroute uitgezet. De gaffellibel werd tot 2025 gevolgd op basis van populatieschattingen, maar wordt vanaf 2026 gevolgd op basis van soortgerichte tellingen die sinds 2001 worden uitgevoerd. De rivierrombout wordt vanaf 2012 middels een aangepaste methode gevolgd op plekken waar de kans het grootst is de soort aan te treffen (riviersluiptelling).
Tot 2017 werden alleen langs de eerste 100 meter van de route alle soorten geteld, en daarna alleen de ‘grote libellen’ (dit zijn de beekjuffers en de echte libellen (Anisoptera) minus de heidelibellen). In 2017 is een nieuwe methode ingevoerd, waarbij langs de gehele route alle soorten worden geteld. Deze methode sluit aan bij de methodiek van de dagvlinders. Ze wordt zowel toegepast op alle routes die vanaf 2017 nieuw worden uitgezet als op al bestaande routes waarvan de tellers wilden overstappen naar de nieuwe methode. Voor tellers die niet wilden overstappen bleef het mogelijk om via de oude methodiek te tellen.
Tijdens een evaluatie in 2025 bleek dat voor de meeste algemene soorten het meetprogramma voldoende routes bevat om representatieve landelijke populatietrends te berekenen. Ook voor de zeldzame en vrijwel integraal getelde soorten is dit het geval, waardoor er in totaal van 47 soorten voldoende betrouwbare aantalstrends konden worden vastgesteld. Voor de tussenliggende groep van tamelijk schaarse soorten wordt alleen de trend in verspreiding in beeld gebracht op basis van informatie over aan- of afwezigheid in 1 x 1 km-hokken.
Verspreidingsonderzoek
Het verspreidingsonderzoek is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende soorten van bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn (HR) op 10 x 10 km-hokniveau. Het doel is om in de zesjaarlijkse HR-rapportageperiode alle hokken van het gezamenlijke actuele en potentiële verspreidingsgebied te inventariseren. Om het beeld compleet te krijgen, zowel qua verspreiding als aantallen, is extra inspanning verricht voor een aantal soorten die voorkomen in kwetsbare of ontoegankelijke gebieden (noordse winterjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel, gaffellibel). Ook wordt er speciale aandacht besteed aan de rivierrombout, een soort die het beste door middel van tellingen van huidjes van uitgeslopen libellenlarven op rivierstranden geteld kan worden. Daarnaast wordt het verspreidingsonderzoek gebruikt om de landelijke trend van negentien typische soorten te volgen.
Daarnaast is er een meetdoel voor de trend in verspreiding van soorten op 5 x 5 km-hokniveau. Het doel daarvan is om de Rode Lijststatus van soorten te kunnen actualiseren, met bijzondere aandacht voor de urgent bedreigde typische soorten. En er is een afgeleid meetdoel, namelijk trends in aantal bezette 1 x 1 km-hokken voor de typische soorten.
Naast het systematisch opgezette aantalsmeetnet en het gerichte verspreidingsonderzoek worden veel gegevens over libellen verzameld zonder gebruik van een vast meetprotocol, in de vorm van soortenlijsten (ook wel flextellingen genoemd) of losse waarnemingen van één soort. De gevalideerde flextellingen komen ook in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) terecht. Losse waarnemingen via waarneming.nl of telmee.nl gaan ook door naar de NDFF. Daarnaast zijn er waarnemingen van professionals, zoals boswachters en ecologen, die inventarisaties uitvoeren in minder toegankelijke gebieden, bijvoorbeeld in het kader van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Een deel hiervan komt in de NDFF terecht, afhankelijk van het gekozen invoerplatform. Indien de kwaliteit van de metadata op orde is, wat nog niet altijd het geval is, komt deze data beschikbaar voor verspreidingsonderzoek.
De gegevens van HR-soorten worden verwerkt tot verspreidingskaarten op 10 x 10 km-hokniveau. Voor het bepalen van de actuele verspreiding en de trend daarin, worden zogenaamde occupancy modellen routinematig toegepast. Deze modellen zijn tevens bruikbaar om te onderzoeken of bepaalde hokken voldoende zijn onderzocht om een soort te vinden als die er zit. Daartoe worden zogenaamde lacunekaarten per soort gemaakt. Bij de noordse winterjuffer is gekozen om alleen de verspreiding in potentieel voortplantingsgebied in kaart te brengen. Onderzoek in hokken met waarnemingen van zwervende en overwinterende dieren wordt niet zinvol geacht.
Het doel is om in de zesjaarlijkse HR-rapportageperiode 2025–2030 alle hokken van het actuele en potentiële verspreidingsgebied te inventariseren. Om praktische redenen wordt voor libellen de periode 2024–2029 aangehouden. Daarom geldt 2025 als het tweede jaar van de komende zesjarige rapportageperiode (2025–2030).
| Soort | Natura 2000-gebied | Meetpunten laatste 3 jaar | Opmerkingen |
|---|---|---|---|
| Gaffellibel | Meinweg | nee | alleen foeragerend aanwezig |
| Gaffellibel | Roerdal | ja | |
| Gaffellibel | Swalmdal | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Alde Feanen | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Buurserzand & Haaksbergerveen | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | De Wieden | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Drentsche Aa-gebied | nee | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Fochteloërveen | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Holtingerveld1) | nee | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Kampina & Oisterwijkse Vennen | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Korenburgerveen | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Leenderbos etc. | nee | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Lonnekermeer | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Maasduinen | nee | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Noordhollands Duinreservaat | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Oostelijke Vechtplassen | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Rottige Meenthe & Brandemeer | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Veluwe | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Weerribben | ja |
Voortgang 2025
Teldekking aantalsmonitoring (t/m 2025)
De telgegevens zijn afkomstig van in totaal bijna 2074 routes over de periode 1998–2025. In 2025 zijn er gegevens binnengekomen van in totaal 579 routes, waarvan 337 algemene routes en 242 soortgerichte routes.
Van veel van de typische soorten zijn betrouwbare landelijke verspreidingstrends beschikbaar. In totaal zijn er 19 Natura 2000‑gebieden aangewezen voor respectievelijk gaffellibel (3) en gevlekte witsnuitlibel (16). Van deze soort-gebiedscombinaties zijn er vijf zonder recente meetpunten voor de betreffende soort; dit betreft gebieden waar geen populatie (meer) aanwezig is (zie tabel 7.11.3).
| jaren | geteld |
|---|---|
| '98 | 130 |
| '99 | 240 |
| '00 | 349 |
| '01 | 352 |
| '02 | 380 |
| '03 | 443 |
| '04 | 468 |
| '05 | 454 |
| '06 | 495 |
| '07 | 493 |
| '08 | 444 |
| '09 | 476 |
| '10 | 406 |
| '11 | 405 |
| '12 | 489 |
| '13 | 455 |
| '14 | 400 |
| '15 | 389 |
| '16 | 454 |
| '17 | 497 |
| '18 | 518 |
| '19 | 538 |
| '20 | 567 |
| '21 | 568 |
| '22 | 579 |
| '23 | 577 |
| '24 | 569 |
| '25 | 579 |
Teldekking verspreidingsonderzoek
Het verzamelen van gegevens om de verspreiding van de zeven HR-soorten op basis van 10 x 10 km-hokken in beeld te brengen ligt in de eerste twee jaar meteen goed op schema (zie tabel 7.11.5): het percentage onderzochte hokken ligt op 62% of hoger.
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Gaffellibel | 7 | 71% |
| Gevlekte witsnuitlibel | 305 | 80% |
| Groene glazenmaker | 51 | 63% |
| Noordse winterjuffer | 48 | 81% |
| Oostelijke witsnuitlibel | 66 | 88% |
| Rivierrombout | 72 | 65% |
| Sierlijke witsnuitlibel | 127 | 72% |
| jaren | geteld |
|---|---|
| '90 | 616 |
| '91 | 786 |
| '92 | 1153 |
| '93 | 1408 |
| '94 | 2859 |
| '95 | 4185 |
| '96 | 4517 |
| '97 | 3018 |
| '98 | 2323 |
| '99 | 2985 |
| '00 | 3098 |
| '01 | 2645 |
| '02 | 3084 |
| '03 | 4355 |
| '04 | 4701 |
| '05 | 5565 |
| '06 | 6695 |
| '07 | 8269 |
| '08 | 8132 |
| '09 | 9268 |
| '10 | 9011 |
| '11 | 9488 |
| '12 | 9692 |
| '13 | 10167 |
| '14 | 10818 |
| '15 | 10453 |
| '16 | 11688 |
| '17 | 12057 |
| '18 | 13045 |
| '19 | 13400 |
| '20 | 15129 |
| '21 | 17117 |
| '22 | 17608 |
| '23 | 18424 |
| '24 | 19587 |
Ontwikkelingen
Het aantal algemene routes lag een tijdje rond de tweehonderd routes, maar sinds 2017 heeft er een gestage groei plaats gevonden naar ruim driehonderd actieve routes. Het aantal soortgerichte routes zat lange tijd net iets onder de tweehonderd, maakte een sprong naar driehonderd in 2017 maar loopt sinds 2021 langzaam weer terug naar tweehondervijftig, met name doordat het met de groene glazenmaker niet goed gaat en tellers daarom noodgedwongen stoppen met een route.
In 2025 is de groene glazenmaker op slechts 21 routes geteld, dat zijn er 15 minder dan in 2024 en is nog maar een kwart van het aantal routes in 2018. Ook bij de noordse winterjuffer loopt het aantal routes (licht) terug, maar dit komt doordat routes minder goed toegankelijk zijn geworden.
De oostelijke witsnuitlibel is bezig met een opmars in Nederland en het ziet er naar uit dat het meetnet deze toename goed weet te detecteren: van 1 route in 2021 naar 11 routes in 2025.
Aandachtspunten
- Focus van het meetnetprogramma aantalsmonitoring op de soorten van HR bijlage II en
IV houden. Dit houdt met name gerichte coördinatie in voor:
- huidjestellingen bij de rivierrombout;
- het nauw volgen van de ontwikkelingen bij de witsnuitlibellen;
- de groene glazenmaker in relatie tot ANLb;
- soortgerichte tellingen voor gaffellibel
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en link naar de algemene handleiding: Website De Vlinderstichting.
Link naar de handleiding speciale telling rivierrombout: Website De Vlinderstichting.
Informatie over De Vlinderstichting: Website De Vlinderstichting.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

7.12Kevers en andere ongewervelden
Algemeen
Het meetprogramma voor kevers en andere ongewervelden is in de eerste plaats gericht op het bepalen van de verspreiding van een zevental Habitatrichtlijnsoorten (bijlage II, IV en V). Het betreft de medicinale bloedzuiger, Europese rivierkreeft en vijf soorten kevers. Voor de gestreepte waterroofkever en het vliegend hert worden ook op gestandaardiseerde wijze aantalsgegevens verzameld.
Coördinatie: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden (EIS).
Uitvoering: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage II en IV | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten) | |
| Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst | |
| Biodiversiteit insecten: landelijke trends | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
Soorten
Naast monitoring van de Habitatrichtlijnsoorten vindt tevens monitoring plaats van een aantal ‘typische soorten’. Deze soorten worden niet direct beschermd door de Habitatrichtlijn, maar worden gebruikt als indicator voor beschermde habitattypen. Het betreft een aantal sprinkhanen, haften, steenvliegen en schietmotten die urgent bedreigd zijn.
Gegevens
Gegevensinwinning
De gegevensinwinning voor de twee soorten waterroofkevers bestaat uitsluitend uit gerichte inventarisaties van km-hokken binnen het actuele en potentiële verspreidingsgebied door professionals m.b.v. schepnetten en vallen. De gegevensinwinning voor het vliegend hert bestaat enerzijds uit losse waarnemingen, en anderzijds uit tellingen gedaan langs vastgelegde trajecten. Het doorgeven van losse waarnemingen wordt gestimuleerd middels oproepen via landelijke, regionale en lokale media. Vanwege de lage trefkans van de soort is gericht verspreidingsonderzoek niet efficiënt. De gegevensinwinning voor de vermiljoenkever bestaat uit gerichte inventarisaties van km-hokken binnen het actuele verspreidingsgebied en verkennende inventarisaties binnen potentieel verspreidingsgebied. De vermiljoenkever is pas in 2012 in Nederland aangetroffen, daarom is het beeld op de verspreiding van de soort nog niet compleet. Gegevensinwinning voor deze soort werd voorheen door professionals uitgevoerd, maar die inzet is niet meer nodig. De soort wordt steeds meer door een kleine, maar toegewijde en kundige groep vrijwilligers geïnventariseerd. De gegevens voor de sprinkhanen worden op zicht en gehoor verzameld. De gegevensinwinning voor de kleine wrattenbijter wordt jaarlijks verzorgd door biologen van de Inventarisatie en Monitoringgroep van de Dienst Vastgoed Defensie. De soort is namelijk alleen te vinden op een afgesloten militair oefenterrein, de Oldebroekse heide. De gegevensinwinning van de wrattenbijter wordt verzorgd door vrijwilligers. De gegevens voor de overige typische insectensoorten bestaan vrijwel uitsluitend uit losse waarnemingen. Afhankelijk van de soort kunnen de dieren het beste in het volwassen of larvale stadium geïnventariseerd worden.
Schietmotten (of kokerjuffers, zoals larvale schietmotten worden aangeduid) worden met lichtvallen gevangen (schietmotten) en/of middels schepnetmonsters (kokerjuffers). Haften (eendagsvliegen) worden als larve met een schepnet gevangen vanwege de zeer korte levensduur van het volwassen stadium. De enige steenvliegsoort binnen het meetprogramma (Perlodes microcephalus) wordt geïnventariseerd door exuviae (vervellingshuidjes) te tellen op brugpijlers, steigers, peilschalen, e.d. Voor veel haften, steenvliegen en schietmotten geldt dat de meetprogramma’s van de waterschappen (ter bepaling van de ecologische kwaliteit ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water) een belangrijke bron van verspreidingsgegevens zijn. De Europese rivierkreeft heeft een zeer beperkt voorkomen in Nederland (thans nog één overgebleven ‘historische’ vindplaats in één 10 x 10 km-hok). Recent is de soort in twee gebieden geherintroduceerd. Of de soort zich hier duurzaam heeft kunnen vestigen moet nog blijken. De populaties worden gevolgd door middel van ‘schijnrondes’ (nachtelijke tellingen met behulp van een sterke zaklamp). De gegevensinwinning voor de medicinale bloedzuiger bestaat uit gerichte inventarisaties in structuurrijk, ondiep water door professionals. Middels het opwekken van trillingen en golven worden de bloedzuigers aangetrokken. In 2020 is een aantal kreeftensoorten en een krab opgenomen in het meetprogramma, zie tabel 7.12.2. Het zijn invasieve exoten die worden vermeld op de Unielijst van de Europese Unie. De soorten wordt gevolgd in opdracht van het ministerie van LVVN en in samenwerking met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Gegevensinwinning gaat bij de invasieve exoten niet om het berekenen van trends, maar om zicht te houden op de aanwezigheid en verspreiding. Tabel 7.12.2 geeft een overzicht van de in het meetprogramma opgenomen soorten en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. Een beschrijving van de werkwijze per soort is te vinden in het inventarisatierapport Koese et al. (2013) op de website van EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden (EIS; zie onder Links).
| Soort | Beleidsstatus1) | Trends in aantallen landelijk | Verspreiding landelijk | Opmerkingen |
|---|---|---|---|---|
| Kevers | ||||
| Brede geelgerande waterroofkever | HR II & IV | slecht | goed | |
| Gestreepte waterroofkever | HR II & IV | matig | goed | |
| Heldenbok | HR IV | verdwenen uit NL | ||
| Juchtleerkever2) | HR II* & IV | . | . | |
| Vermiljoenkever2) | HR II & IV | . | goed | |
| Vliegend hert | HR II | matig | goed | |
| Bloedzuigers | ||||
| Medicinale bloedzuiger | HR V | slecht | goed | |
| Krabben & Kreeften | ||||
| Californische rivierkreeft | Exoot | . | . | Unielijst, artikel 193) |
| Chinese wolhandkrab | Exoot | . | . | Unielijst, artikel 19 |
| Europese rivierkreeft | HR V | . | goed | |
| Geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft | Exoot | . | . | Unielijst, artikel 19 |
| Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft | Exoot | . | . | Unielijst, artikel 19 |
| Marmerkreeft | Exoot | . | . | Unielijst, artikel 19 |
| Rode Amerikaanse rivierkreeft | Exoot | . | . | Unielijst, artikel 19 |
| Sprinkhanen | ||||
| Wrattenbijter | TYP | . | goed | |
| Kleine wrattenbijter | TYP | . | goed | |
| Haften | ||||
| Ecdyonurus torrentis | TYP | . | goed | |
| Kokerjuffers | ||||
| Athripsodes albifrons | TYP | . | goed | |
| Brachycentrus subnubilus | TYP | . | goed | |
| Lepidostoma hirtum | TYP | . | goed | |
| Plectrocnemia brevis | TYP | . | goed | |
| Steenvliegen | ||||
| Perlodes microcephalus | TYP | . | goed | |
| Wespen | ||||
| Aziatische hoornaar | Exoot | . | Unielijst, artikel 19 |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage. * = prioritaire soort.
2)HR II soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen, omdat ten tijde van het aanwijzen van gebieden (2013) de soort niet op de Nederlandse referentielijst stond.
3)Artikel 19 van de exotenverordening verplicht lidstaten om voor weidverspreide invasieve uitheemse soorten die in de Unielijst zijn opgenomen, beheersmaatregelen vast te stellen.
Natura 2000‑gebieden
De gestreepte waterroofkever, de brede geelgerande waterroofkever en het vliegend hert worden vermeld op bijlage II van de Habitatrichtlijn. Vanwege deze vermelding en vanwege hun voorkomen in bepaalde Natura 2000‑gebieden, zijn er Natura 2000‑gebieden aangewezen voor deze soorten. Voor de juchtleerkever en de vermiljoenkever, ook vermeld op bijlage II, zijn (nog) geen gebieden aangewezen. Voor gestreepte waterroofkever en vliegend hert zijn zeven gebieden aangewezen, voor de brede geelgrande is in 2022 één gebied aangewezen (zie tabel 7.12.3). Alle Natura 2000‑gebieden die voor beide waterkevers zijn aangewezen, worden elke rapportageperiode onderzocht op het voorkomen van de soort. De gebieden die zijn aangewezen voor het vliegend hert worden niet gericht onderzocht, maar in de vorige en huidige rapportageperiode is de soort in alle voor de soort aangewezen gebieden waargenomen. Voor alle kevers geldt dat de gegevens onvoldoende zijn om aantalstrends op gebiedsniveau te berekenen.
| Soort | Natura 2000‑gebied |
|---|---|
| Brede geelgerande waterroofkever | Holtingerveld |
| Gestreepte waterroofkever | De Wieden |
| Gestreepte waterroofkever | Kampina & Oisterwijkse Vennen |
| Gestreepte waterroofkever | Naardermeer |
| Gestreepte waterroofkever | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck |
| Gestreepte waterroofkever | Oostelijke Vechtplassen |
| Gestreepte waterroofkever | Rottige Meenthe & Brandermeer |
| Gestreepte waterroofkever | Weerribben |
| Vliegend hert | Geleenbeekdal |
| Vliegend hert | Geuldal |
| Vliegend hert | Noorbeemden & Hoogbos |
| Vliegend hert | Savelsbos |
| Vliegend hert | Sint Jansberg |
| Vliegend hert | Springendal & Dal van de Mosbeek |
| Vliegend hert | Veluwe |
Voortgang in 2025
Juchtleerkever
Na voor het laatst in 1946 in Zuid-Limburg waargenomen te zijn, is de juchtleerkever in 2020 opnieuw waargenomen op twee locaties in Zuid-Limburg. In 2023 en 2024 is tevergeefs naar de kever gezocht, in 2024 zelfs m.b.v. een snuffelhond. Vastgesteld is dat de enige broedboom van het land niet langer geschikt is voor een vitale populatie van de juchtleerkever. De broedboom is onderzocht, vastgesteld is dat de boom meerdere generaties van de juchtleerkever hebben geleefd. Op dit moment is onduidelijk of de soort nog in ons land voorkomt of niet. In 2025 is niet actief naar de soort gezocht.
Gestreepte waterroofkever
Het onderzoek naar de gestreepte waterroofkever is gericht op het bepalen van een landelijke trend in aantallen. In 2025 zijn, zoals gepland, 24 kilometerhokken onderzocht. Positief om te vermelden is dat in 2025 acht vrijwilligers hebben geholpen bij het tellen van de soort, een verdubbeling van het aantal vrijwilligers. Hierdoor kunnen per jaar meer tellingen verzameld worden wat uiteindelijk de betrouwbaarheid van de aantalstrend ten goede zal komen. Het actuele en potentiële leefgebied is in 2025 uitgebreid met drie 10 x 10 km-hokken, twee van deze hokken liggen in de provincie Utrecht, één in Noord-Brabant. Door het CBS is gewerkt aan een model voor het berekenen, Bayesiaans, van een aantalstrend. Dat werk zal in 2026 worden voortgezet.
Brede geelgerande waterroofkever
Voor de brede geelgerande waterroofkever wordt het actueel en potentieel leefgebied eens in de zes jaar geactualiseerd. In 2022 is het verspreidingsgebied van de soort voor het laatst geactualiseerd, de soort werd daarbij aangetroffen in één ven in één 10 x 10 km-hok in Drenthe. Er is door EIS in 2025 geen gericht onderzoek verricht en er zijn geen losse waarnemingen binnengekomen. In 2028 zal het verspreidingsgebied opnieuw worden geactualiseerd.
Vliegend hert
Het vliegend hert lijkt zich de laatste jaren langzaam uit te breiden rond de bekende verspreidingsgebieden. Via diverse kanalen (telefoon, e-mail, waarneming.nl en telmee.nl) zijn meer dan 2 500 meldingen binnengekomen, meer dan in voorgaande jaren. Onder deze meldingen zaten, zoals altijd, ook waarnemingen die achteraf geen vliegend hert bleken te betreffen.
Op de Veluwe worden steeds vaker waarnemingen gedaan ten westen en ten zuiden van het bekende verspreidingsgebied. Ook in het Rijk van Nijmegen worden vaker waarnemingen gemeld buiten de bekende voortplantingslocaties. Deze meldingen geven aanwijzingen voor uitbreiding van de verspreiding, maar zeggen niet automatisch iets over een toename in aantallen.
Naast het in kaart brengen van de verspreiding loopt sinds 2018 een monitoringsprogramma om aantalsontwikkelingen te volgen. De trend over de periode 2018–2024 is echter onzeker en wijst eerder op een afname dan op een toename. Mogelijk wordt deze trend beïnvloed door het lage aantal routes en de keuze van de locaties waar in 2018 is gestart met tellen. Het vliegend hert wordt vaak geteld bij ‘bloedende’ bomen, maar zulke plekken kunnen in de loop van de tijd minder geschikt worden. Het vliegend hert wijkt dan uit naar andere bomen, terwijl die nieuwe plekken niet altijd bekend zijn bij de tellers.
In 2024 zijn 20 routes bezocht. Het aantal geschikte locaties voor monitoring blijft een knelpunt, omdat er maar weinig plekken zijn waar een transect van 500 meter kan worden uitgezet én waar ook daadwerkelijk vliegende herten worden waargenomen. Het hoge aantal nulwaarnemingen (bezoeken waarbij geen vliegende herten worden gezien) blijft bovendien een aandachtspunt voor de motivatie van vrijwilligers. Naar de verspreiding van deze soort is in 2025 geen gericht onderzoek gedaan.
Vermiljoenkever
De vermiljoenkever blijft op meer en meer plekken opduiken. In 2025 is de soort in vijf nieuwe 10 x 10 km-hokken aangetroffen, waarmee het actuele en potentiële leefgebied is uitgebreid. Min of meer toevallige vondsten van de vermiljoenkever wijzen er op dat de soort zich nog steeds aan het uitbreiden is, dan wel wijder verspreid is dan voorheen gedacht. Tot begin 2017 was de bekende verspreiding beperkt tot de regio De Kempen. Vanaf 2017 zijn veel vondsten buiten deze regio gedaan in Limburg, Noord-Brabant en Gelderland. Het actuele en potentiële leefgebied is uitgebreid van 15 10 x 10 km-hokken in 2017 tot 68 in 2025. Ongetwijfeld zullen nog meer vindplaatsen ontdekt worden, zeker omdat de groep vrijwilligers die zich met de soort bezig houdt, groeit. Ook wordt nagedacht over het opzetten van een NEM-meetprogramma waarmee de aantalsontwikkeling van deze soort gevolgd kan worden. Dit staat voorlopig on hold. Het ministerie van LVVN heeft laten weten voorlopig geen uitbreidingen van het NEM te kunnen goedkeuren zolang de Stuurgroep Natuurmonitoring geen prioritering voor de middelen heeft gemaakt.
Sprinkhanen
Twee sprinkhanensoorten zijn aangewezen als typische soort van de Habitatrichtlijn (HR), de wrattenbijter en de kleine wrattenbijter. Beide soorten zijn momenteel van één locatie bekend, respectievelijk de Overasseltse en Hatertse vennen en de Oldebroekse heide. Beide populaties zijn groot en stabiel.
Het jaar 2025 is het tweede jaar van de nieuwe HR rapportageperiode, over 2024–2029 (zie tabel 7.12.4).
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Brede geelgerande waterroofkever | 2 | 0 |
| Europese rivierkreeft | 2 | 50 |
| Gestreepte waterroofkever | 28 | 89 |
| Juchtleerkever | 2 | 100 |
| Medicinale bloedzuiger | 31 | 45 |
| Vliegend hert | 40 | 73 |
| Vermiljoenkever | 68 | 78 |
Aandachtspunten
- Vliegend hert: het aantal transecten is aan de lage kant en de motivatie van tellers verdwijnt wanneer zij te vaak geen vliegende herten waarnemen bij een bezoek (EIS, CBS).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en links naar handleidingen: Website NEM.
Informatie over EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden: Website EIS Kenniscentrum Insecten.
Informatie over De Vlinderstichting: Website De Vlinderstichting.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.
7.13Hommels
Algemeen
Het meetprogramma voor hommels is gericht op het bepalen van de aantalstrend van hommels.
Coördinatie: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden (EIS).
Uitvoering: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur (LVVN).
| Matig sturende meetdoelen | |
| Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst | |
| Biodiversiteit insecten: landelijke trends | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
Soorten
Het belangrijkste meetdoel dat bediend wordt met het monitoren van hommels is het monitoren van de biodiversiteit van insecten, met name bestuivers. Het NEM is daarom per 2023 uitgebreid met een monitoringsprogramma voor hommels. Voor acht soorten en vier groepen van soorten, waaronder de groep met alle hommelsoorten, kan tegenwoordig een aantalstrend berekend worden. Wel moet opgemerkt worden dat voor de heidehommel, moshommel en zandhommel het aantal trajecten waarop tellingen verzameld worden, nog wel aan de lage kant is waardoor er wat meer tijd nodig is voordat een betrouwbare trend berekend kan worden. De moshommel is wat ruimer verspreid dan de heidehommel en de zandhommel. Met het oog op de representativiteit van de aantalstrend dient goed op de ligging van nieuwe trajecten gelet te worden. De verwachting is dat ook voor gewone koekoekshommel een aantalstrend berekend kan gaan worden. Afhankelijk van de omvang van de verspreiding van de soorten, zal voor de meeste van de hommelsoorten ook een verspreidingstrend berekend kunnen worden.
Bestuivers dienen vanaf 2027 ook gemonitord te worden in het kader van de Europese Natuurherstelverordening, volgens een Europees voorgeschreven methodiek. Hierbij dienen niet alleen hommels, maar alle wilde bijen, alle zweefvliegen, alle dagvlinders en alle nachtvlinders geteld te worden langs vaste transecten volgens een voorgeschreven protocol, op een 50‑tal willekeurige plaatsen in Nederland. In 2025 en 2026 vinden hiervoor de voorbereidingen plaats, met o.a. een pilotstudie.
Gegevens
Gegevensinwinning
De gegevensinwinning voor de hommels bestaat uit tellingen gedaan langs vastgelegde trajecten.
| Soort | Beleidsstatus | Trends in aantallen landelijk | Verspreiding landelijk | Opmerkingen |
|---|---|---|---|---|
| Hommels | ||||
| Aardhommelcomplex | matig | . | ||
| Akkerhommel | matig | . | ||
| Boomhommel | matig | . | ||
| Grote en tweekleurige koekoekshommel | matig | . | ||
| Heidehommel | slecht | . | ||
| Hommels en koekoekshommels | goed | . | ||
| Moshommel | slecht | |||
| Steenhommel | matig | . | ||
| Tuinhommel | matig | . | ||
| Vierkleurige- en boomkoekoekshommel | matig | . | ||
| Weidehommel | matig | . | ||
| Zandhommel | slecht | . |
Natura 2000‑gebieden
Bijen vallen niet onder de Habitatrichtlijn, daarom zijn er geen Natura 2000‑gebieden specifiek voor hommels aangewezen.
Voortgang in 2025
Vanaf 2023 maakt het meetprogramma hommels deel uit van het NEM. Het programma loopt al langer, sinds 2018. Het aantal routes is gegroeid van 175 in 2018 naar 463 in 2024, zie figuur 7.13.3. Bij de ontwikkeling van dit meetprogramma speelde De Vlinderstichting een belangrijke rol; EIS en De Vlinderstichting hebben het meetprogramma hommels samen opgezet. Aanvankelijk werden dagvlindertellers gevraagd om ook hommels te tellen op hun routes, zonder dat ze de soorten hoefden te determineren. Inmiddels melden steeds meer mensen zich aan om specifiek hommels te tellen op een nieuwe route. Ook bij deze tellers wordt gekeken of het tellen van hommels gecombineerd kan worden met het tellen van vlinders. Het ziet er naar uit dat uiteindelijk van tenminste elf afzonderlijke soorten trends berekend kunnen worden. Er worden ook soorten samengenomen (aardhommelcomplex bijvoorbeeld).
In 2025 zijn trends berekend voor acht soorten en vier groepen van soorten, waaronder één groep met alle soorten (zie tabel 7.13.2). Hoewel er op gestandaardiseerde wijze wordt geteld, is er nog wat extra onderzoek nodig om de kwaliteit van de trends te verbeteren. Het belangrijkste probleem is dat van aardhommelcomplex, akkerhommel, boomhommel, grote en tweekleurige koekoekshommel, steenhommel, tuinhommel en weidehommel, tellingen uit de eerste twee jaar de trend vertroebelen,waarschijnlijk als gevolg van een leereffect. Het idee is dat het gros van de tellers die over gaan op het tellen op soortniveau, op het moment van de overstap nog niet volleerd zijn. Zij herkennen in de jaren erna de soorten makkelijker en tellen daardoor hogere aantallen van een soort. Met als gevolg een positieve vertekening van de trend, tenminste in die eerste jaren. In 2026 zullen wat mogelijkheden onderzocht worden om voor deze vertekening te corrigeren. De verwachting is dat een correctie wel haalbaar is, maar dat waarschijnlijk tijdreeksen niet meer starten in 2018, maar later. De trend van hommels en koekoekshommels, alle soorten en ‘hommel onbekend’ bij elkaar genomen, wordt wel vertrouwd, bij deze trend speelt het leereffect niet. Het is wel duidelijk dat herkennen van hommels tot op soortniveau wat lastiger is. Vrijwilligers krijgen dan ook hulp bij het opdoen van kennis en ervaring. In 2025 heeft EIS een onlinecursus gegeven aan ongeveer 130 deelnemers. Ongeveer 20% van de deelnemers volgde de cursus live en leverde geregeld huiswerk aan waardoor hun kennisopbouw goed gevolgd kon worden. De overige 80% bekeek de cursus in eigen tijd terug en leverde vaak geen huiswerk aan, waardoor hun voortgang minder goed in beeld kwam. De e-learning voor hommels is nog in ontwikkeling en zal naar verwachting in april 2026 gereed zijn.
In 2024 heeft EIS, samen met WUR en het CBS, in opdracht van het ministerie van LVVN, de mogelijkheden verkend voor monitoring van andere bestuivers dan hommels. Dit werk vloeit voort uit de Nationale Bijenstrategie en behelst met name het opzetten van een monitoringsprogramma voor bijen en zweefvliegen. In 2025 is dit opgevolgd door een pilotstudie waarin o.a. de voorgeschreven werkwijze uit de Europese natuurherstelverordening is gevolgd op een aantal willekeurig gekozen locaties in Nederland. Deze monitoring van bestuivers in het kader van de Europese natuurherstelverordening zal ook in 2026 worden vervolgd
| jaren | Hommels |
|---|---|
| 2018 | 175 |
| 2019 | 284 |
| 2020 | 307 |
| 2021 | 368 |
| 2022 | 396 |
| 2023 | 422 |
| 2024 | 463 |
Aandachtspunten
- Uitbreiding van het aantal routes waarop zandhommels, moshommels en heidehommels geteld worden en opleiding en begeleiding van de tellers op die routes en de beheerders in de gebieden waar ze voorkomen (EIS).
- In sommige delen van Nederland, zoals Fryslân, Limburg en Groningen, is de dichtheid aan telroutes lager dan elders (EIS).
- Onderzoek naar de mogelijkheid om verspreidingstrends op 1 x 1 km-hokniveau te berekenen (CBS, EIS).
- Toevoegen van zeldzame hommelsoorten, grashommel en veenhommel, aan het meetprogramma en aandacht voor opleiding en begeleiding van de tellers op die routes en de beheerders in de gebieden waar ze voorkomen (EIS).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en links naar handleidingen: Website NEM.
Informatie over EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden: Website EIS Kenniscentrum Insecten.
Informatie over De Vlinderstichting: Website De Vlinderstichting.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

7.14Weekdieren en mariene typische soorten
Algemeen
In het meetprogramma voor weekdieren wordt de verspreiding van de in Nederland voorkomende weekdieren van bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn (HR) gevolgd. De veldmetingen geven daarnaast voor drie soorten een indicatie over populatieveranderingen op basis van herhaalde bezoeken van locaties.
Het meetprogramma voor mariene typische soorten is gericht op het bepalen van trends van typische soorten bloemdieren, kreeftachtigen, stekelhuidigen, vissen, weekdieren en wormen van twee mariene habitattypen van de Habitatrichtlijn.
Voor beide meetprogramma’s geldt:
Coördinatie: Stichting ANEMOON.
Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting ANEMOON, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselveiligheid en Natuur (LVVN).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn: landelijke trends | |
| Habitatrichtlijn: verspreiding van soorten | |
| Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage V | |
| Matige sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten)1) | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, per biotoop etc. | |
1)In dit meetprogramma wordt afgeweken van het officiële meetdoel ‘Rode Lijst status van soorten’ (zie tekst).
Soorten
In tabel 7.14.2 staan de soorten die met het meetprogramma gevolgd worden. De kwaliteitsbeoordeling van de trends is voor een aantal soorten gebaseerd op een expertoordeel.
| Soort | Beleidsstatus1) | Kwaliteit trend habitattype H11102) | Kwaliteit trend habitattype H11603) | Opmerkingen |
|---|---|---|---|---|
| HR-SOORTEN | ||||
| Bataafse stroommossel4) | HR II* en IV | verdwenen uit NL | ||
| Nauwe korfslak | HR II | |||
| Platte schijfhoren | HR II en IV | |||
| Wijngaardslak | HR V | |||
| Zeggekorfslak | HR II | |||
| MARIENE TYPSCHE SOORTEN | ||||
| Bloemdieren | ||||
| Slibanemoon | TYP | goed | trend H1110B5) en H1160 vanaf 1994 | |
| Zeeanjelier | TYP | . | goed | trend H1110B vanaf 2013 en H1160 vanaf 1994 |
| Kreeftachtigen6) | ||||
| Gewone zwemkrab | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Strandkrab | TYP | goed | goed | trend H1110B en H1160 vanaf 1994 |
| Stekelhuidigen | ||||
| Gewone zeester | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Hartegel | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Vissen6) | ||||
| Bot | TYP | matig | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Botervis | TYP | goed | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Gevlekte rog | TYP | trend H1110B vanaf 20137) | ||
| Gewone zeedonderpad | TYP | goed | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Puitaal | TYP | matig | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Schar | TYP | slecht | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Schol | TYP | matig | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Stekelrog | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Steenbolk | TYP | goed | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Wijting | TYP | slecht | trend H1160 vanaf 1997 | |
| Zwarte grondel | TYP | goed | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Weekdieren | ||||
| Amerikaanse zwaardschede | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Glanzende tepelhoren | TYP | |||
| Halfgeknotte strandschelp | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Kokkel | TYP | matig | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Mossel | TYP | goed | goed | trend H1110B vanaf 1994 en H1160 vanaf 1997 |
| Nonnetje | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Noordkromp | TYP | |||
| Oester | TYP | goed | trend H1160 vanaf 1997 | |
| Platte slijkgaper | TYP | |||
| Rechtsgestreepte platschelp | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Stevige strandschelp | TYP | |||
| Strandgaper | TYP | matig | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Wulk | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Wormen6) | ||||
| Schelpkokerworm | TYP | goed | goed | trend H1110B en H1160 vanaf 1994 |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP = typische soort.
2)H1110: Permanent overstroomde zandbanken.
3)H1160: Grote baaien.
4)HR II soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen omdat de soort niet op de Nederlandse referentielijst staat.
5)H1110B: Permanent overstroomde zandbanken, Noordzeekustzone.
6)Van deze soortgroep zijn alleen de contractsoorten vermeld, maar er zijn meer typische soorten.
7)Typische soort van H1110C ‘Permanent overstroomde zandbanken (Doggersbank)’, maar daar niet gemeten.
Gegevens
Weekdieren
Het meetprogramma voor weekdieren is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende soorten van bijlage II, IV en V van de HR op 10 x 10 km-hokniveau en het verkrijgen van een globale indicatie over aantalsveranderingen (op basis van herhaald verspreidingsonderzoek op sublocaties binnen een aantal locaties waar de soorten voorkomen). In seizoen 2023/2024 is een begin gemaakt met een nieuwe meetronde over zes jaar ten behoeve van de HR rapportage in 2031. Deze rapportage zal voor de slakken betrekking hebben op de periode juni 2023 t/m oktober 2029. Voor de nauwe korfslak, de platte schijfhoren en de zeggekorfslak wordt gericht onderzoek gedaan in het gehele actuele en potentiële verspreidingsgebied. In alle 10 x 10 km-hokken waarin de soorten kunnen voorkomen wordt op minimaal vijf kansrijke locaties op één tot vijf sublocaties (tot 2014 twee tot zeven sublocaties) de aan-/afwezigheid van de soort bepaald. Een deel van de locaties wordt tijdens iedere HR rapportageperiode geïnventariseerd ten behoeve van trendbepalingen. De inventarisaties worden uitgevoerd door professionals, geassisteerd door vrijwilligers, volgens een gestandaardiseerd protocol. Sommige locaties worden door ervaren vrijwilligers geïnventariseerd, waarbij waarnemingen door experts worden gevalideerd. Voor de nauwe korfslak worden ook de aantallen aangetroffen slakjes geteld in een standaard strooiselsmonsters die op de locaties worden verzameld. De afwezigheid binnen een 10 x 10 km-hok van de soort wordt aangenomen wanneer de soort op maximaal tachtig (nauwe korfslak) of maximaal veertig (platte schijfhoren en zeggekorfslak) kansrijke locaties niet wordt gevonden. Determinatie gebeurt direct in het veld of tijdens het uitzoeken van uit het veld meegebrachte monsters in het laboratorium. Een handleiding voor het veldwerk is te vinden op de website van Stichting ANEMOON (zie Links).
Voor de wijngaardslak worden alleen oproepen gedaan om waarnemingen door te geven, maar worden geen gerichte inventarisaties uitgevoerd. Vanwege de veelvuldige verplaatsing van wijngaardslakken door mensen, is met het ministerie van LVVN afgesproken dat de HR rapportage zich beperkt tot de 10 x 10 km-hokken waar de soort honderd jaar of langer voorkomt.
Mariene typische soorten
Het meetprogramma voor mariene typische soorten is gericht op het bepalen van trends in aantallen (op basis van gemiddelde abundantieklassen) in de mariene habitattypen H1160 en H1110B (zie hieronder). Het officiële meetdoel voor typische soorten is het bepalen van de Rode Lijst status (zie hoofdstuk 2). Dit is voor mariene soorten echter niet haalbaar, omdat dan het hele Nederlands Continentaal Plat onderzocht zou moeten worden. Anderzijds sluit de trend per habitattype veel beter aan bij het doel waarvoor typische soorten geselecteerd zijn, namelijk als indicatie voor de kwaliteit van het habitattype. In de praktijk wordt de Rode Lijst status van typische soorten bij het samenstellen van de HR rapportage ook bij niet-mariene soorten nauwelijks gebruikt.
De typische soorten van H1160 (Grote baaien) worden gevolgd in het enige gebied in Nederland waar dit type voorkomt: de Oosterschelde, in het Monitoringproject Onderwater Oever (MOO) van Stichting ANEMOON. Enkele typische soorten van H1110A (Permanent overstroomde zandbanken, getijdengebied) worden niet in het getijdengebied (Waddenzee) gevolgd vanwege het ontbreken van een voor vrijwilligers geschikte methode. H1110B (Permanent overstroomde zandbanken, Noordzeekustzone) wordt vrijwel uitsluitend gevolgd langs de Hollandse en Zeeuwse Noordzeekust, omdat het tot nog toe lastig blijkt om voor de Waddeneilanden vrijwilligers te mobiliseren (met uitzondering van Texel en sinds 2024 Terschelling). Voor habitattype H1110B wordt gebruik gemaakt van het Strandaanspoelsel Monitoring Project (SMP). Voor zowel MOO als SMP wordt door ANEMOON gewerkt aan het verder uitbreiden van deze meetnetten zowel wat betreft het aantal waarnemers als het aantal monitoringlocaties. Voor de habitattypen H1130 (Estuaria), H1140 (Slik- en Zandplaten) en H1170 (Riffen van open zee) kan Stichting ANEMOON geen betrouwbare trends van typische soorten bepalen.
De soortenlijsten die gehanteerd worden voor de twee habitattypen (zie tabel 7.14.2) bestaan uit de soorten die in 2006 officieel als typische soort zijn aangemeld bij de EU, aangevuld met soorten die in 2008 (voor beide habitattypen) en 2014 (voor H1110B) in de profieldocumenten zijn gepubliceerd. Over de definitieve lijst bestaat nog steeds onduidelijkheid. Stichting ANEMOON heeft hiervoor een voorstel gedaan.
Natura 2000‑gebieden
De inventarisaties voor de nauwe korfslak vinden vrijwel uitsluitend binnen Natura 2000-gebieden plaats, omdat de verspreiding van de soort zich grotendeels tot deze gebieden beperkt. De inventarisaties van het NEM hebben uitgewezen dat voor de zeggekorfslak en de platte schijfhoren de keuze van aangewezen gebieden niet goed aansluit op de verspreiding van deze soorten. De zeggekorfslak komt weliswaar voor in de aangewezen gebieden in Limburg, maar er zijn ook grote stabiele populaties in andere provincies. De platte schijfhoren komt vooral voor buiten Natura 2000-gebied.
Voortgang 2025
Slakken van de Habitatrichtlijn
In seizoen 2023/2024 is de nieuwe inventarisatieronde van zes jaar ten behoeve van de HR rapportage gestart. Eind 2025 liggen voor alle soorten de inventarisaties op schema (tabel 7.14.3).
Mariene typische soorten
ANEMOON heeft ook in 2025 weer veel aandacht besteed aan het werven, binden en opleiden van waarnemers. Dit heeft er toe geleid het aantal waarnemers en waarnemingen voor zowel het MOO als het SMP zijn toegenomen.
Het CBS heeft in 2025 nog geen trendberekeningen en -beoordelingen kunnen doen voor de meeste recente datalevering uit het MOO en SMP.
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd juni 2023 t/m november 2024 | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Nauwe korfslak | 29 | 24 |
| Platte schijfhoren | 85 | 15 |
| Zeggekorfslak | 49 | 16 |
| Wijngaardslak | 66 | 42 |
| Totaalscore meetdoel1) | 24 |
1)Het gemiddelde van de vier soorten.
Aandachtspunten
- Vaststellen definitieve lijst typische en karakteristieke soorten (Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, LVVN, WMR, ANEMOON).
- Koppelen trends typische soorten aan maatlatten (CBS, WMR, ANEMOON).
- Ontwikkelen van geautomatiseerde gegevenscontrole (COCON) voor SMP- en MOO-gegevens (CBS).
- Ontwikkelen van geautomatiseerd gegevenscontrole voor de Nauwe korfslak, Zegge-korfslak, Wijngaardslak en de Platte schijfhoren (CBS).
- Onderzoeken of het nodig is om voor de Wijngaardslak een meetnet op te zetten om landelijke populatie- en of verspreidingstrends te kunnen vaststellen (CBS, ANEMOON)
- Nadat de definitieve lijst met typische en karakteristieke soorten is vastgesteld: Vergelijken van trends op basis van verschillende gegevensbronnen voor de Oosterschelde (ANEMOON, CBS).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.
Informatie over Stichting ANEMOON: Website Stichting ANEMOON.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.
7.15Planten
Algemeen
Er zijn verschillende door FLORON gecoördineerde landelijke meetprogramma’s, gericht op het bepalen van de verspreiding en de ontwikkelingen in verspreiding van planten. Het meetprogramma HR-soorten (1) richt zich op het in kaart brengen van de verspreiding van alle plantensoorten die worden vermeld op bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn (HR), op 10 x 10 km-hokniveau. FLORON besteedt extra aandacht aan het bijhouden van de verspreiding van de typische soorten van de HR en andere zeldzame soorten in het meetprogramma Typische soorten (2). De verspreiding van een aantal invasieve uitheemse plantensoorten wordt in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gevolgd in het meetprogramma Exoten (3), waaronder de 35 plantensoorten die worden vermeld op de Unielijst (zie tabel 7.15.2). De Unielijst is opgesteld door de Europese Unie, en op deze lijst staan soorten met zodanig sterke negatieve effecten dat gezamenlijk optreden op het niveau van de Europese Unie gewenst is. Tenslotte is het meetprogramma Het Nieuwe Strepen (4) (HNS; zie Links) gericht op het in kaart brengen van de verspreiding van alle in Nederland voorkomende plantensoorten. In dit meetprogramma inventariseren vrijwilligers jaarlijks ongeveer duizend kilometerhokken. Een deel van de hokken wordt twee keer bezocht.
Jaarlijks worden er ruim twee miljoen waarnemingen van planten verzameld. Dit wordt deels door vrijwilligers gedaan, maar ook door ecologische adviesbureau’s en verschillende terreinbeherende organisaties. Daardoor zijn de verzamelde gegevens representatief voor de leefgebieden van de verschillende soorten.
Coördinatie: FLORON.
Uitvoering: Vrijwilligers, FLORON, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V | |
| Habitatrichtlijn: aantallen en leefgebied van soorten van bijlage V | |
| Invasieve exoten: Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst | |
| Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Graadmeters Natuurnetwerk Nederland: provinciale trends | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
Gegevens
De gegevensinwinning voor de HR-soorten bestaat uit gerichte inventarisaties van 1 x 1 km-hokken binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken. De gegevens worden verzameld door vrijwilligers, die daarbij een gestandaardiseerd protocol volgen. De inventarisatie houdt rekening met de variatie aan biotopen binnen het hok en is erop gericht om ook de afwezigheid van een soort met redelijke zekerheid vast te stellen. In de meeste gevallen wordt ook een schatting gedaan van de abundantie. Ook de gegevens die terreinbeheerders in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) vastleggen worden gebruikt; voor de meeste soorten (behalve enkele HR-soorten) alleen voor het vaststellen van aanwezigheid.
De meetprogramma’s Typische soorten en Het Nieuwe Strepen bestaan uit inventarisaties van 1 x 1 km-hokken, waarbij alle gevonden soorten worden genoteerd. Inventarisatiegegevens worden verzameld op puntniveau met een app (VERA/NDFF Verspreidingsatlas). De ruimtelijke spreiding wordt bijgehouden om landelijke representativiteit te borgen (om zogenaamde ‘witte gebieden’ te voorkomen). Groeiplaatsen van zeer zeldzame soorten worden elke meetronde geïnventariseerd. Tabel 7.15.2 geeft een overzicht van de soorten die zijn opgenomen in de meetprogramma’s van FLORON.
| Soort | Beleidsstatus1) | Verspreidingsonderzoek | Opmerkingen |
|---|---|---|---|
| Drijvende waterweegbree | HR II en IV, TYP | ja | moeilijk meetbaar |
| Gewoon sneeuwklokje | HR V | nee | |
| Groenknolorchis | HR II en IV, TYP | ja | |
| Klaverbladvaren2) | HR II | nee | incidenteel |
| Kruipend moerasscherm | HR II en IV | ja | |
| Valkruid3) | HR V, TYP | ja | |
| Wolfsklauw (5 soorten)4) | HR V | ja | |
| Zomerschroeforchis | HR IV | nee | verdwenen uit NL5) |
| Typische soorten | TYP | ja | |
| (ruim 300 soorten) | |||
| Invasieve exoten | |||
| Acaena novae-zelandia | Exoot | ja | |
| Acaena ovalifolia | Exoot | ja | |
| Afghaanse duizendknoop | Exoot | ja | op Unielijst |
| Alligatorkruid | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Alsemambrosia | Exoot | ja | |
| Amerikaans bezemgras | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Aponogeton distachyos | Exoot | ja | |
| Ballonrank | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Boomwurger | Exoot | ja | op Unielijst |
| Breed pijlkruid | Exoot | ja | |
| Canadese kornoelje | Exoot | ja | |
| Chinese struikklaver | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Cotoneaster ambiguus | Exoot | ja | |
| Cotoneaster bullatus | Exoot | ja | |
| Cotoneaster dielsianus | Exoot | ja | |
| Driedelige ambrosia | Exoot | ja | |
| Egeria | Exoot | ja | |
| Fraai lampenpoetsergras | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Gele maskerbloem | Exoot | ja | |
| Gestekelde duizendknoop | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Gewone gunnera | Exoot | ja | op Unielijst |
| Gifsumak | Exoot | ja | |
| Grauwe guldenroede | Exoot | ja | |
| Grote vlotvaren | Exoot | ja | op Unielijst |
| Grote waternavel | Exoot | ja | op Unielijst |
| Hakea | op Unielijst6) | ||
| Hemelboom | Exoot | ja | op Unielijst |
| Hoog pampagras | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Hydrilla verticillata | Exoot | ja | |
| Hydrocotyle verticillata | Exoot | ja | |
| Impatiens edgeworthii | Exoot | ja | |
| Japanse klimvaren | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Japans steltgras | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Kudzu | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Mesquite | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Moerashyacint | Exoot | ja | |
| Moeraslantaarn | Exoot | ja | op Unielijst |
| Montbretia | Exoot | ja | |
| Myriophyllum robustum (brasiliense) | Exoot | ja | |
| Ongelijkbladig vederkruid | Exoot | ja | op Unielijst |
| Oosterse hop | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Parelvederkruid | Exoot | ja | op Unielijst |
| Perzische berenklauw | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Postelein-waterlepeltje | Exoot | ja | op Unielijst |
| Reuzenbalsemien | Exoot | ja | op Unielijst |
| Reuzenberenklauw | Exoot | ja | op Unielijst |
| Roze rimpelgras | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Sarracenia purpurea | Exoot | ja | |
| Schijnambrosia | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Smal kroos | Exoot | ja | |
| Smalle theeplant | Exoot | ja | op Unielijst |
| Smalle waterpest | Exoot | ja | op Unielijst |
| Sosnowsky’s berenklauw | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Stekelaugurk | Exoot | ja | |
| Struikaster | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Talgboom | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Theeboompje x Douglasspirea | Exoot | ja | |
| Trosbosbes | Exoot | ja | |
| Vallisneria | Exoot | ja | |
| Verspreidbladige waterpest | Exoot | ja | op Unielijst |
| Vlakke dwergmispel | Exoot | ja | |
| Watercrassula | Exoot | ja | |
| Waterhyacinth | Exoot | ja | op Unielijst |
| Watersla | Exoot | ja | op Unielijst |
| Waterteunisbloem | Exoot | ja | op Unielijst |
| Waterwaaier | Exoot | ja | op Unielijst |
| Wilgacacia | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Witte spirea | Exoot | ja | |
| Zandambrosia | Exoot | ja | |
| Zijdeplant | Exoot | ja | op Unielijst |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.
2)HR II soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen omdat de soort niet op de Nederlandse referentielijst staat en niet in ons land voorkomt.
3)Valkruid is in 2007 eenmalig landsdekkend geïnventariseerd en daarna als typische soort opgenomen in het verspreidingsonderzoek.
4)Verspreiding en populatie hoeven niet gerapporteerd omdat het hierbij om een groep van soorten gaat.
5)Zomerschroeforchis leek in 2012 en 2013 terug te zijn, bij nader inzien ging het om knikkende schroeforchis. De soort is in 2020 geherintroduceerd in Nederland.
6)Heeft zich niet in Nederland gevestigd.
Natura 2000‑gebieden
Er zijn vier plantensoorten die vermeld worden op bijlage II van de Habitatrichtlijn. Voor drie van deze soorten zijn Natura 2000‑gebieden aangewezen (zie Tabel 7.15.3 voor een overzicht). In bijna alle gevallen zijn de betreffende soorten in de betreffende gebieden gericht geïnventariseerd. Meestal zijn er (nog) te weinig gegevens om verspreidingstrends per gebied te berekenen.
| Natura 2000‑gebied | Soorten HR Bijlage II |
|---|---|
| Boetelerveld | Drijvende waterweegbree |
| Brabantse Wal | Drijvende waterweegbree |
| Canisvliet | Kruipend moerasscherm |
| De Wieden | Groenknolorchis |
| Drents-Friese Wold & Leggelderveld | Drijvende waterweegbree |
| Duinen Ameland | Groenknolorchis |
| Duinen & Lage Land Texel | Groenknolorchis |
| Duinen Schiermonnikoog | Groenknolorchis |
| Duinen Terschelling | Drijvende waterweegbree, Groenknolorchis |
| Duinen Vlieland | Groenknolorchis |
| Grevelingen | Groenknolorchis |
| Groote Gat | Kruipend moerasscherm |
| IJsselmeer | Groenknolorchis |
| Kampina & Oisterwijkse Vennen | Drijvende waterweegbree |
| Kempenland-West | Drijvende waterweegbree |
| Kennemerland-Zuid | Groenknolorchis |
| Kop van Schouwen | Groenknolorchis |
| Landgoederen Brummen | Drijvende waterweegbree |
| Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux | Drijvende waterweegbree |
| Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen | Drijvende waterweegbree |
| Maasduinen | Drijvende waterweegbree |
| Meinweg | Drijvende waterweegbree |
| Naardermeer | Groenknolorchis |
| Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | Groenknolorchis |
| Oostelijke Vechtplassen | Groenknolorchis |
| Rottige Meenthe & Brandemeer | Groenknolorchis |
| Sarsven en De Banen | Drijvende waterweegbree |
| Solleveld & Kapittelduinen | Groenknolorchis |
| Springendal & Dal van de Mosbeek | Drijvende waterweegbree |
| Strabrechtse Heide & Beuven | Drijvende waterweegbree |
| Vecht- en Beneden-Reggegebied | Kruipend moerasscherm |
| Veluwe | Drijvende waterweegbree |
| Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | Drijvende waterweegbree |
| Vogelkreek | Kruipend moerasscherm |
| Voornes Duin | Groenknolorchis |
| Weerribben | Groenknolorchis |
| Westerschelde & Saeftinghe | Groenknolorchis |
Voortgang 2025
Verspreidingsonderzoek
Het jaar 2025 is het eerste jaar van de volgende HR-rapportageperiode. Het verspreidingsonderzoek is volgens schema verlopen.
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 1 jaar (10 x 10 km) | Geactualiseerd na 1 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|---|
| Soort | aantal | percentage van totaal | |
| Drijvende waterweegbree | 122 | 35 | 29% |
| Groenknolorchis | 52 | 33 | 63% |
| Kruipend moerasscherm | 30 | 14 | 47% |
| Valkruid | 40 | 11 | 28% |
| Wolfsklauw | 253 | 149 | 59% |
Circa 250 vrijwilligers helpen mee met het inventariseren van kilometerhokken en Het Nieuwe Strepen. Zie tabel 7.15.5 voor het aantal onderzochte kilometerhokken in het meetprogramma Het Nieuwe Strepen.
| Jaar | Enkel |
|---|---|
| 2012 | 102 |
| 2013 | 90 |
| 2014 | 102 |
| 2015 | 190 |
| 2016 | 225 |
| 2017 | 242 |
| 2018 | 268 |
| 2019 | 283 |
| 2020 | 292 |
| 2021 | 288 |
| 2022 | 317 |
| 2023 | 206 |
| 2024 | 184 |
| 2025 | 282 |
Trendberekening
Van de HR-soorten zijn trends beschikbaar voor groenknolorchis, kruipend moerasscherm, drijvende waterweegbree, valkruid en wolfsklauw. Het gewoon sneeuwklokje wordt veel aangeplant; om die reden is het niet goed mogelijk een betrouwbare trend te berekenen. Zomerschroeforchis was verdwenen uit Nederland, is geherintroduceerd, maar heeft nog niet tien aaneengesloten jaren stand gehouden. Klaverbladvaren is ooit wel in Nederland aangetroffen maar heeft geen bestendige populatie gevormd.
Bij de analyse van typische soorten worden ook losse waarnemingen gebruikt uit waarneming.nl, en gegevens die door terreinbeheerders, provincies, waterschappen en bedrijven aan de NDFF worden aangeleverd.
Sinds 2016 worden voor veel algemene plantensoorten trends in verspreiding berekend, op basis van gegevens uit de NDFF. De statistische methodiek is sindsdien in verschillende rondes doorontwikkeld. Het is inmiddels mogelijk om voor ca. zeshonderd algemene tot vrij zeldzame soorten trends te berekenen. De huidige trendberekening maakt gebruik van de zogenaamde ‘lijst-lengte’ methodiek. Nu er meerdere meetronden informatie beschikbaar is volgens het protocol van Het Nieuwe Strepen, inclusief herhaalbezoeken, is het mogelijk om voor de trendberekeningen over te stappen op occupancy-modellen: De herhaalbezoeken maken het mogelijk om per soort per bezoek een waarneemkans te berekenen en daarmee om voor imperfecte detectie te corrigeren. Hierdoor verbetert de kwaliteit van de schattingen van (trends in) verspreiding per km-hok. Trendberekeningen vinden tweejaarlijks – voor het laatst in 2024 – plaats en zijn in het najaar van 2026 ingepland.
Aandachtspunten
- Het Nieuwe Strepen op peil houden en uitbreiding van het aantal km-hokken dat meerdere jaren onderzocht is (FLORON)
- Controleren (blijven) op telprotocol bij Het Nieuwe Strepen; waarnemingen moeten per daglijst op één dag zijn gedaan (FLORON)
- Occupancy-methodiek inzetten voor trendberekening op basis van HNS-data, om optimaal gebruik te maken van de herhaalbezoeken (CBS)
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.
Het in 2022 verschenen wetenschappelijke artikel over Het Nieuwe Strepen.
Informatie over FLORON: Website FLORON.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.
7.16Flora en milieu
Algemeen
Het Landelijk Meetnet Flora (LMF) levert informatie over de aanwezigheid en abundantie van vaatplanten. Veel plantensoorten zijn gevoelig voor abiotische milieucondities, en veranderingen daarin kunnen de samenstelling van de vegetatie beïnvloeden. Zo geeft het meetnet naast de vegetatiesamenstelling en natuurkwaliteit ook een beeld van de milieucondities die hierop van invloed zijn (zoals vermesting, verzuring en verdroging). De informatie uit het LMF wordt gebruikt voor de evaluatie van het natuurbeleid van de provincies, voor publicaties van het CBS, de Balans voor de Leefomgeving van het PBL en de VHR-rapportages die de WOT uitvoert. In verschillende provincies wordt het meetnet daarnaast voor aanvullende provinciale doelen gebruikt, zoals het volgen van de natuurkwaliteit in agrarisch gebied. Sinds 2016 wordt het LMF gefinancierd door de provincies, in lijn met de decentralisatie van overheidsbeleid. Rijkswaterstaat neemt ook deel aan het LMF en volgt de vegetatie-ontwikkelingen in de bermen van rijkswegen.
Voor dit meetprogramma geldt:
Coördinatie: CBS, BIJ12, provincies.
Uitvoering: provincies, provinciale medewerkers of groenbureaus, CBS, RWS Dienst Verkeer en Scheepvaart.
Opdrachtgevers: provincies, BIJ12
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000‑gebieden en biotopen | |
| Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends | |
| Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends | |
| Graadmeters Natuurnetwerk Nederland: provinciale trends | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
Gegevens
Dataverzameling
Sinds 1999 worden in ruim 15 000 vaste meetpunten de aanwezigheid en bedekking van alle hogere plantensoorten geïnventariseerd. In ongeveer de helft van de provincies worden ook mossen en korstmossen meegenomen in de inventarisatie. Naast gegevens over de aanwezigheid en bedekking per soort, wordt ook informatie verzameld over het beheer en andere verstoringen van de vegetatie. Het gebruik van vaste meetpunten maakt dat het LMF vooral informatie over de meer algemeen voorkomende plantensoorten bevat. Het veldwerk wordt gestandaardiseerd uitgevoerd volgens een handleiding (zie Links) door medewerkers van provincies of door medewerkers van groenbureaus in opdracht van de provincies.
Het meetnet is in 1999 op basis van de destijds heersende inzichten gestratificeerd in 50 deelgebieden, bestaande uit combinaties van begroeiingstypen, fysisch-geografische regio’s en milieukwaliteitsgebieden. Alle meetpunten werden in een cyclus van vier jaar geïnventariseerd, waarbij elk jaar een kwart van alle meetpunten aan de beurt kwam. In een deel van de provincies is de vierjarige opnamecyclus inmiddels ingekort tot een driejarige, om beter aan te sluiten bij de 6‑jarige rapportagecyclus van de Habitatrichtlijn. Naar aanleiding van de veranderingen in natuurbeleid – waaronder de decentralisatie ervan – is begin 2018 gestart met een aangepaste stratificatie. Daarbij is de indeling van meetpunten in fysisch geografische regio’s en milieukwaliteitsgebieden losgelaten. De indeling in begroeiingstypen is verfijnd: van 5 hoofdbegroeiingstypen naar 10 ‘LMF-natuurtypen’, die beter aansluiten bij de provinciale systematiek en gebiedsindeling naar beheertype. De nieuwe stratificatie kan grotendeels met bestaande meetpunten worden ingevuld, waardoor de continuïteit van de meetreeksen grotendeels gewaarborgd is. Voor inventarisatie van agrarische gebieden (het vroegere 6e hoofdbegroeiingstype) zijn sindsdien geen voorschriften of gezamenlijke landelijke afspraken meer. Toch heeft een aantal provincies de inventarisatie van het agrarisch gebied voortgezet. De nadruk van het LMF is met de aangepaste stratificatie verschoven naar de bemonstering van natuurtypen in natuurgebieden.
Gegevensverwerking
De gegevens uit het LMF worden per provincie per jaar aan het CBS geleverd, dat per datalevering een uitgebreide controle uitvoert. Deze controle bestaat enerzijds uit technische checks op bijvoorbeeld toegestane waarden en consistente verwijzingen tussen de verschillende tabellen. Daarnaast worden inhoudelijke controles uitgevoerd, waarbij herhaalde opnamen op dezelfde plek worden vergeleken. Grote veranderingen in algehele soortensamenstelling of het plotseling verschijnen van bomen worden bijvoorbeeld als verdacht beschouwd en nader onderzocht. Tijdseries bieden ook de mogelijkheid om verwisselingen van soorten die gemakkelijk te verwarren zijn (in uiterlijk of naam) op te sporen. Alle waarnemingen worden vergeleken met hun bekende verspreidingsgebied volgens de Nationale Databank Flora en Fauna. Bij twijfel over de juistheid van een waarneming wordt de gevonden onwaarschijnlijkheid ter controle voorgelegd aan de provincie en in overleg eventueel gecorrigeerd. Na deze controles worden de gegevens toegevoegd aan de landelijke database van LMF-gegevens, die door het CBS wordt onderhouden.
Na de controle vinden analyses plaats, waarbij indexcijfers per meetronde en trends over de gehele periode worden berekend. De trends hebben betrekking op de bedekking van individuele soorten, op kenmerken van de vegetatie zoals soortenrijkdom of vergrassing en op indicatoren voor milieucondities zoals verzuring, verdroging of verruiging. Zulke indicatoren voor milieucondities worden bepaald aan de hand van kenmerken van afzonderlijke soorten. Deze kenmerken worden per opname gecombineerd, en vormen vervolgens de input van statistische analyses. De analyses worden veelal uitgevoerd per begroeiingstype of per natuurtype, op landelijk en soms op provinciaal niveau.
De belangrijkste uitkomsten worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Daarnaast worden trends in milieu-indicaties berekend voor het PBL, en op verzoek provinciale cijfers berekend en geleverd aan provincies.
Voortgang 2025
Het CBS heeft in augustus 2025 de CLO-pagina Vegetatie van wegbermen (zie Links) bijgewerkt, waarin ontwikkelingen in graslandvegetatie langs rijks- en provinciale wegbermen worden beschreven. De analyses zijn uitgebreid en bevatten nu ook evenredigheid en maximale begroeiingshoogte. De hoofdconclusie is dat het huidige beheer in rijkswegbermen tekort schiet om verruiging tegen te gaan.
In november 2025 heeft het CBS de gehele landelijke LMF-dataset van meer dan 1,4 miljoen waarnemingen van bijna 80 duizend opnamen naar de NDFF geüpload. Vanaf 2026 wordt het uploaden van deze gegevens naar de NDFF onderdeel van het reguliere jaarlijkse dataverwerkingsproces. Daarmee worden de waarnemingen beter ontsloten voor onderzoeksdoeleinden.
Het CBS heeft in 2025 de ontwikkelingen in vegetatie per provincie van droog duin (Fryslân, Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland) en vochtige heide (Drenthe, Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant) onderzocht. De analyses beschrijven ontwikkelingen in karakteristieke soortenrijkdom, evenredigheid, gemiddelde bedekking van ruigtesoorten, pioniers en abundantie per groeivorm (grassen, kruiden en houtigen) en in bedekking per soort. Het doel van deze analyses is het samenstellen van een breed gedragen pakket aan indicatoren met informatie over relevante ontwikkelingen in de staat van de natuur, bruikbaar voor de evaluatie van natuurbeleid.
Aandachtspunten
- Verder ontwikkelen van provinciale vegetatierapportages (CBS, provincies).
- Workflow ontwikkelen om mutaties met terugwerkende kracht in de NDFF te verwerken (CBS, NDFF).
- Opnemen van pq’s die tot dusver buiten het LMF zijn gebleven (provincies, CBS).
Links
Handleiding voor het Landelijk Meetnet Flora
Publicatie over de ontwikkelingen in graslandvegetatie langs rijks- en provinciale wegbermen op het Compendium voor de Leefomgeving.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring.
Informatie over het Compendium voor de Leefomgeving.

7.17Korstmossen en mossen
Algemeen
Sinds 1999 is er een meetprogramma voor korstmossen op de heide en op de stuifzanden. Aanvankelijk werden vooral bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst soorten gemonitord, maar vanaf 2011 is het belangrijkste meetdoel het volgen van typische soorten korstmossen van de Habitatrichtlijn. In de duinen werd ook gemonitord, maar de typische soorten van de duinen worden in het vervolg gemonitord binnen het Landelijk Meetnet Flora. Deze verplaatsing is gecompenseerd door extra meetpunten in de heiden en stuifzanden, waardoor het meetprogramma is versterkt. Op stenige substraten wordt in NEM-verband niet meer gemonitord.
Het onderdeel mossen betreft het gedetailleerd volgen van de verspreiding van geel schorpioenmos. Sinds 2016 vormt ook de inwinning van verspreidingsgegevens van soorten van HR bijlage V een meetdoel.
Coördinatie: Bryologische en Lichenologische Werkgroep (BLWG).
Uitvoering: Vrijwilligers, BLWG, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn: landelijke trends | |
| Habitatrichtlijn: verspreiding van soorten | |
| Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage V | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: Rode Lijst status van typische soorten | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters, landelijke trends, trends per biotoop, etc. | |
Soorten
In het meetprogramma korstmossen worden de typische soorten van heide en stuifzanden (en tot voor kort duinen) gevolgd. Een deel van de locaties op heiden en stuifzanden is van oorsprong gekozen vanwege het voorkomen van bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst soorten. Deze soorten worden nog steeds gevolgd, maar de bepaling van Rode Lijst status van soorten – anders dan typische soorten volgens de HR-systematiek – vormt geen sturend meetdoel meer. Deze soorten staan daarom niet in onderstaande tabel.
| Soort | Beleidsstatus1) | Opmerkingen |
|---|---|---|
| Mossen2) | ||
| Geel schorpioenmos | HR II | |
| Kussentjesmos | HR V, TYP | |
| Tonghaarmuts | HR II, TYP | moeilijk meetbaar, geen actieve gegevensinwinning |
| Veenmos (30 soorten)3) | HR V | |
| Korstmossen | ||
| Bruin Heidestaartje | TYP | |
| Echt rendiermos | HR V | verdwenen uit NL |
| Zomersneeuw | TYP | |
| Ezelspootje | TYP | |
| Girafje | TYP | |
| Gebogen rendiermos | HR V | |
| Gevlekt heidestaartje | TYP | |
| Gewoon kraakloof | TYP | |
| Hamerblaadje | TYP | |
| IJslands mos | TYP | |
| Kronkelheidestaartje | TYP | |
| Maleboskorst | TYP | niet te berekenen |
| Open rendiermos | HR V, TYP | |
| Plomp bekermos | TYP | |
| Rode heidelucifer | TYP | |
| Sierlijk rendiermos | HR V, TYP | |
| Slank stapelbekertje | TYP | |
| Stuifzandkorrelloof | TYP | |
| Stuifzandstapelbekertje | TYP | |
| Wollig korrelloof | TYP | |
| Wrattig bekermos | TYP |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.
2)De 36 typische soorten mossen waarop niet wordt gestuurd staan niet in deze tabel.
3)Genus Sphagnum. Sterk sturend meetdoel vanaf 2016.
Gegevens
Aantalsmonitoring
Sinds 1999 worden alle bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst soorten korstmossen op heide en stuifzanden vrijwel integraal gevolgd op 84 meetpunten in 51 km-hokken. Vanaf seizoen 2011/2012 is dit meetprogramma uitgebreid met typische soorten korstmossen van de Habitatrichtlijn. Daartoe is het meetprogramma uitgebreid met een steekproef van 82 km-hokken met heiden en stuifzanden en een steekproef van 47 km-hokken in de duinen. In ieder hok worden op een of twee kansrijke locaties alle korstmossen geïnventariseerd d.m.v. een score op een eenvoudige abundantieschaal met zes ordinale klassen. Iedere locatie wordt door twee onafhankelijke waarnemers geïnventariseerd. Van de in totaal 180 km-hokken worden er jaarlijks ca. 30 onderzocht, zodat ieder hok eens in de zes jaar geïnventariseerd wordt. Een deel van de hokken wordt herhaald bezocht. Voor de Rode Lijst soorten op heiden en stuifzanden was dit tot nu toe eens in de vijf jaar. In het veldseizoen 2021/2022 is de monitoringstrategie aangepast, waarbij de steekproef van kilometerhokken komt te vervallen en er meer grotere, vaste meetpunten bij komen in het binnenland.
De methode en veldwerkhandleiding van dit meetprogramma is opgenomen in de jaarlijks gepubliceerde onderzoeksrapporten die te vinden zijn op de website van de BLWG (zie Links).
Verspreidingsonderzoek
De verspreiding van geel schorpioenmos, een soort van HR bijlage II, wordt eens in de drie jaar integraal gemeten (aan- of afwezigheid op het niveau van 10 x 10 meterhokken) in de gebieden waar deze soort voorkomt. Er zijn in de afgelopen jaren steeds meer nieuwe vindlocaties bijgekomen. In 2025 zal een nieuwe meetronde plaatsvinden.
Van een andere soort van HR bijlage II, tonghaarmuts, worden ook verspreidingsgegevens verzameld, zij het zonder actieve monitoring. Sinds 2016 vormt ook de inwinning van verspreidingsgegevens van soorten van HR bijlage V een meetdoel. Dit betreft de rendiermossen, de veenmossen en het kussentjesmos. Het Landelijk Meetnet Flora wordt voor de verspreidingstrend van met name kussentjesmos als aanvullende bron gebruikt.
Voortgang in 2025
Het aantal bezochte meetlocaties ligt goed op schema. In het veldseizoen 2021–2022 is de monitoringstrategie aangepast, waarbij de steekproef van kilometerhokken is komen te vervallen en er meer grotere, vaste meetpunten bijkomen in het binnenland (in totaal 125). Hiermee wordt het bestaande meetnet versterkt, dat betrouwbare trends geeft voor stuifzandkorstmossen. Het seizoen 2024–2025 was het vierde jaar van de eerste vijfjaarlijkse cyclus van de nieuwe monitoringsstrategie, waardoor er afgelopen seizoen weer een aantal nieuwe meetlocaties is bijgekomen.
In 2025 is op basis van het heide- en stuifzandmeetnet een wetenschappelijk artikel gepubliceerd over de invloed van stikstofdepositie op de soortensamenstelling (zie Links). Ook is de CLO-pagina Trend van korstmossen en heide en stuifzand bijgewerkt (zie Links).
Links
Link naar onderzoeksrapporten BLWG: Onderzoeksrapporten.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.
Informatie over Bryologische en Lichenologische Werkgroep: Website BLWG.
Artikel over invloed van stikstofdepositie op soortensamenstelling: Applied Vegetation Science.
CLO-pagina Trend van korstmossen in heide en stuifzand: CLO.

7.18Paddenstoelen
Algemeen
Het meetprogramma voor paddenstoelen wordt uitgevoerd door Paddenstoelenonderzoek Nederland, en bestaat uit drie meetonderdelen: een onderdeel in bossen op zandgronden (sinds 1998), een onderdeel in de zeereep (sinds 2014) en een onderdeel in moerassen en venen (sinds 2016). Een vierde meetonderdeel, in jeneverbesstruwelen (opgestart in 2016), is met ingang van het telseizoen 2018 gestaakt. Naast de gestandaardiseerde monitoring worden tevens met niet-gestandaardiseerde verspreidingsgegevens trends van (bos)paddenstoelen berekend.
Coördinatie: Paddenstoelenonderzoek Nederland (PN)
Uitvoering: Vrijwilligers, PN/NMV, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).
| Sterke sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Matige sturende meetdoelen | |
| Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
Soorten
Het meetonderdeel in bossen richt zich primair op vier typische soorten van de Habitatrichtlijn: hanenkam, zwavelmelkzwam, regenboogrussula en smakelijke russula. Het aantal begeleidende soorten is in de loop der jaren toegenomen tot 141.
Het meetonderdeel in de zeereep richt zich op een zestal typische soorten van de Habitatrichtlijn (en achttien begeleidende soorten). Het gaat hier om de habitattypen witte en grijze duinen. In 2016 is begonnen met de monitoring van zeven typische soorten (en veertig begeleidende soorten) in moerassen en venen.
In onderstaande tabel zijn de soorten met sterk sturende meetdoelen opgenomen, in dit geval de typische soorten van de Habitatrichtlijn. Het sturingsniveau van de meetdoelen wijkt af voor deze soortgroep t.o.v. tabel 2.1 (zie hoofdstuk 2, tevens tabel 2.2). Vanwege de korte meetreeksen kunnen de meeste trends van soorten nog niet goed beoordeeld worden. De verwachting is dat dit in de komende jaren voor steeds meer soorten wél kan. Zo zijn in 2023 voor het eerst echt trends berekend voor vijf van de zes typische zeereepsoorten, waarvan vier soorten een statistisch significante trend hadden.
| Soort | Beleidsstatus1) |
|---|---|
| Bossen | |
| Hanenkam | TYP |
| Smakelijke russula | TYP |
| Regenboogrussula | TYP |
| Zwavelmelkzwam | TYP |
| Zeereep | |
| Duinfranjehoed | TYP |
| Duinstinkzwam | TYP |
| Duinveldridderzwam | TYP |
| Helmharpoenzwam | TYP |
| Zandtulpje | TYP |
| Zeeduinchampignon | TYP |
| Moerassen, venen | |
| Broos vuurzwammetje | TYP |
| Kaal veenmosklokje | TYP |
| Moerashoningzwam | TYP |
| Veenmosbundelzwam | TYP |
| Veenmosgrauwkop | TYP |
| Veenmosvuurzwammetje | TYP |
| Witte berkenboleet | TYP |
1)TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.
Gegevens
Tot en met het teljaar 2016 werden vaste meetpunten in bosgebieden op de hoge zandgronden en duinen jaarlijks in de periode juli tot en met december drie tot zes keer geïnventariseerd op het voorkomen van vruchtlichamen van paddenstoelen. De tellingen betroffen overwegend steekproeftellingen, maar bij een aantal soorten ging het om integrale tellingen waarbij geprobeerd werd om alle bekende vindplaatsen in het meetprogramma op te nemen. Vanaf het jaar 2017 is de methode voor het meetonderdeel in bossen aangepast: i.p.v. vaste meetpunten worden nu 1 x 1 km-hokken (deels) herhaald geïnventariseerd, idealiter 3x per seizoen. Een veldwerkhandleiding en een beschrijving van de nieuwe methode is beschikbaar op de websites van het NEM en de NMV; zie Links.
Voor de soorten die in de zeereep worden gemonitord werd al een andere methode gevolgd: in plaats van vaste meetpunten met gestandaardiseerde telmethoden worden per onderzocht km-hok (idealiter) twee keer in het seizoen de voorkomende typische soorten alsmede meelift-soorten genoteerd en ingevoerd in een daarvoor ontworpen invoermodule. Deze manier van gegevensverzameling laat toe dat trends per soort m.b.v. occupancy modellen kunnen worden bepaald, waarbij achteraf voor verschil in meetinspanning wordt gecorrigeerd.
Bij het meetonderdeel in moerassen en venen wordt niet zo zeer gestuurd op herhaling van km-hokken binnen het telseizoen. Omdat bij dit meetonderdeel het aantal vrijwilligers dat zelfstandig km-hokken inventariseert nog beperkt is en het meetnet daarom erg afhankelijk is van door de NMV georganiseerde excursies, is de strategie om km-hokken minstens twee keer te bezoeken in de periode van 6 jaar tussen HR rapportages. Zodoende wordt gepoogd het aantal verschillende geïnventariseerde km-hokken te verhogen.
Voortgang 2025
Sinds 1 januari 2024 wordt het meetprogramma paddenstoelen uitgevoerd door Paddenstoelenonderzoek Nederland, onderdeel van Stichting Natuuronderzoek Nederland, waaronder tevens de NEM meetprogramma’s van Floron en RAVON vallen.
Teldekking bossen
Het aantal inventarisaties, onderzochte kilometerhokken en hoofdtellers is in 2025 vergelijkbaar met 2024. De precieze aantallen worden nog naar boven bijgesteld, maar per eind januari 2026 waren uit 2025 tot nu toe 573 lijsten ontvangen uit 229 kilometerhokken van 122 hoofdtellers. Hoewel de bossen op zandgronden landelijk behoorlijk representatief worden geteld, geldt dat nog niet voor het habitattype oude eikenbossen. In 2025 is een aanpak ontwikkeld om hier iets aan te doen.
| jaren | Bossen op zandgronden | Zeereep | Moerassen en venen |
|---|---|---|---|
| 2014 | . | 31 | . |
| 2015 | . | 62 | . |
| 2016 | . | 68 | 23 |
| 2017 | 147 | 51 | 28 |
| 2018 | 148 | 74 | 25 |
| 2019 | 148 | 100 | 35 |
| 2020 | 155 | 102 | 33 |
| 2021 | 151 | 94 | 36 |
| 2022 | 159 | 67 | 55 |
| 2023 | 203 | 57 | 43 |
| 2024 | 219 | 110 | 44 |
| 2025 | 229 | 79 | 48 |
Zeereep
De onderzochte km-hokken in het zeereepproject concentreren zich op een aantal plekken in Zeeland, Zuid- en Noord-Holland en op enkele Waddeneilanden. Vooral op de Waddeneilanden en in Zeeland leunt dit meetonderdeel op inventarisaties door de meetnetcoördinatoren. In 2024 en 2025 zijn in opdracht van de provincie Zeeland door de meetnetcoördinatoren alle km-hokken die (deels) in de duinen liggen opnieuw geïnventariseerd. De gegevens worden, net als bij de inventarisatie van 2018–2019, beschikbaar gemaakt voor gebruik binnen het NEM-meetnet in de zeereep. Er zijn d.d. van 79 (2024: 110) kilometerhokken tellingen ontvangen, in totaal betreft het 97 tellingen door 25 hoofdtellers.
Moerassen en venen
Voor het meetonderdeel in moerassen en venen was het een vergelijkbaar (goed) jaar t.o.v. het jaar ervoor; het aantal tellers is wel iets afgenomen. Totaal 70 tellingen (2024: 70) in 48 km-hokken door 15 hoofdtellers.
Aandachtspunten
- De jaarlijkse vergadering van de begeleidingscommissie is verplaatst van januari naar september. Dit valt voor het meetprogramma paddenstoelen midden in het veldseizoen. Resultaten en eventuele knelpunten ter bespreking zijn dan nog niet voorhanden voor het lopende seizoen. Voor een werkbare situatie is het zaak om in dit overgangsjaar vast te stellen welke informatie wanneer in welk document wordt opgenomen.
- Het meetnet in moerassen en venen is beperkt van omvang. Om uiteindelijk trends per soort te kunnen vaststellen, wordt er gekozen voor het zoveel mogelijk consolideren van de huidige plots met regelmatige bezoeken (ten koste van uitbreiding met nieuwe plots). Er wordt toegewerkt naar een meetnet met vaste plots in Natura2000‑gebieden die per 6 jaar in twee jaren geteld worden. Bij de keuze van vaste locaties voor het meetnet moerassen en venen is het belangrijk zorgvuldig te werk te gaan, met het oog op de landelijke spreiding.
- Niet uniek voor het meetprogramma paddenstoelen, maar wel zeer relevant is de aanvraag van vergunningen voor inventarisaties door vrijwilligers in natuurgebieden. Dit wordt steeds moeilijker, ook bij de grote beheerorganisaties.
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en links naar handleidingen: Website NEM, Website Mycologische Vereniging. https://www.mycologen.nl/onderzoek/meetnet/Mycologische Vereniging.
Informatie over NMV en het meetprogramma Paddenstoelen: Website Mycologische Vereniging.



Noten
CBS (2024). Evaluatie KNJV wildvoorjaarstellingen 2013–2024. Zie ook: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2024/51/evaluatie-knjv-wildvoorjaarstellingen-2013-2024