Aandachtspunten en aanbevelingen voor 2025
De meetprogramma’s van het Netwerk Ecologische Monitoring worden waar nodig en mogelijk aangepast aan de veranderende informatiebehoefte en aan mogelijkheden die nieuwe veldwerk-, determinatie- en analysetechnieken bieden. Daarnaast wordt steeds vaker gebruik gemaakt van NEM-gegevens door partijen met een informatiebehoefte die (nog) niet onder de NEM-meetdoelen valt. In dit hoofdstuk worden de voor aansturing van het NEM relevante ontwikkelingen en knelpunten benoemd en wordt aangegeven op welke punten het CBS, vanuit zijn positie als kwaliteitsborger van het NEM, aanpassing of bijsturing nodig acht. Tevens worden aanbevelingen en mogelijke oplossingen of oplossingsrichtingen gegeven. Achtereenvolgens wordt daarbij ingegaan op:
- Actuele (beleids)ontwikkelingen en de mogelijke doorwerking daarvan in de meetdoelstellingen en meetprogramma’s en de aansturing van het NEM.
- Knelpunten en aandachtspunten in de lopende meetprogramma’s.
5.1Ontwikkelingen in beleidsvragen en aansturing
Verbeterprogramma VHR monitoring
In december 2022 heeft de minister voor natuur en stikstof ingestemd met het uitwerken van een eerste voorstel voor de intensivering en verbetering van de huidige natuurmonitoring, te ontwikkelen in de periode 2023–2030. Het voorstel van de minister – aanvankelijk bekend onder de term ‘Businesscase Monitoring Programma Natuur’ – werd in 2023 operationeel onder de vlag ‘Verbeterprogramma VHR monitoring’. Het programma richt zich op noodzakelijke verbeteringen in de monitoring van natuur, die voortkomt uit informatiebehoeftes vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), die in Nederland doorvertaald zijn in verschillende programma’s, zoals het Programma Natuur (PN), Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering (PSN) en voorheen het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG).
Het programma heeft drie doelen: (1) inzichtelijk maken welke natuurherstelmaatregelen worden uitgevoerd in, en rondom, natuurgebieden; (2) inzichtelijk maken of gewenste condities worden bereikt die nodig zijn voor de instandhoudingsdoelen van habitattypen en soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR); en (3) inzichtelijk maken of deze VHR-doelen worden bereikt op zowel landelijk als gebiedsniveau.
Als onderdeel van het derde doel heeft het CBS in 2023 de belangrijkste hiaten geïdentificeerd in de informatievoorziening die nodig is om te rapporteren over VHR-doelen. De grootste hiaten (op basis van NEM-data en NDFF-data) blijken te liggen op het niveau van trends en populatiegroottes van habitatrichtlijn-soorten in Natura 2000‑gebieden en karakteristieke soorten van habitattypen.
In een vervolgstudie heeft het CBS in 2024 de huidige data- en informatiebeschikbaarheid in kaart gebracht van soorten met een aanwijsstatus in Natura 2000‑gebieden en geschetst welke middelen nodig zijn voor een complete informatievoorziening in de toekomst. Dit is gedaan voor 24 soort-gebiedscombinaties, op basis waarvan een zo compleet mogelijk beeld is geschetst voor alle soort-gebiedscombinaties.noot1 In 2025 is dit voor enkele soortgroepen verder uitgewerkt en geconcretiseerd, andere soortgroepen zullen in de loop van 2026 volgen. Hieruit volgen per soortgroep concrete aanbevelingen om de monitoring en/of gegevensanalyse te verbeteren en/of uit te breiden. De ervaringen opgedaan in het NEM en in diverse monitoringprojecten buiten het NEM zijn cruciaal om in deze vervolgfase in te zetten.
Europese verordening tot natuurherstel
Op Europees niveau werd in 2024 de Natuurherstelverordening bekrachtigd, welke nationale verplichtingen omvat voor het herstel van biodiversiteit en ecosystemen. Deze verordening stelt bindende doelen op het gebied van natuurherstel en vereist van Nederland een (waarschijnlijk) substantiële intensivering van herstelmaatregelen in natuurgebieden. De natuurherstelverordening behelst meerdere verplichtingen, onder andere om maatregelen te nemen waarmee terrestrische en mariene ecosystemen in slechte conditie worden hersteld, en een inspanningsverplichting om verslechtering van goede ecosystemen te voorkomen. De staat van ecosystemen – met name in Natura 2000‑gebieden, maar ook daarbuiten – neemt dus een centrale rol in en het is goed denkbaar dat de monitoring van (karakteristieke) soorten om deze reden geïntensiveerd zal moeten worden. Waarschijnlijk zal hierover in 2026 meer bekend worden in het op te stellen Natuurherstelplan.
De natuurherstelverordening vereist daarnaast de monitoring van een breed spectrum aan aanvullende natuurindicatoren, o.a. van het agrarisch gebied (waaronder een graslandvlinder-indicator), het stedelijk gebied (waaronder het aandeel stedelijk groen), en bossen (waaronder een bosvogel-indicator). Het CBS is met het ministerie van LVVN in contact over deze verschillende indicatoren.
Daarnaast zijn er doelstellingen opgenomen over de trend van bestuivers. De Europese Commissie is in de loop van 2025 met aanvullende instructies gekomen hoe de monitoring van bestuivers dient plaats te vinden: het gaat hierbij om aantalsmonitoring van wilde bijen, zweefvliegen, dagvlinders en nachtvlinders, langs vaste transecten (m.u.v. nachtvlinders, deze worden geteld op vaste punten) op minimaal vijftig willekeurig gekozen locaties in Nederland. Voor dagvlinders en nachtvlinders heeft Nederland reeds meetnetten ingericht, maar door de keuze voor willekeurig gekozen locaties is er slechts een beperkte overlap. Voor zweefvliegen en solitaire wilde bijen was nog geen landelijke monitoring ingericht, met name door de hoge kosten die dit met zich meebrengt (tellingen door professionals). In 2025 is door EIS Kenniscentrum Insecten in opdracht van het ministerie van LVVN een eerste pilotstudie uitgevoerd voor het tellen van wilde bijen en zweefvliegen volgens de nieuwe methode. Deze studie krijgt in 2026 een vervolg. Naast de natuurherstelverordening dragen deze tellingen ook bij aan het monitoren van de doelen van de Nationale Bijenstrategie. Voor dit laatste doel zullen er echter op meer locaties tellingen uitgevoerd moeten worden. De vraag voor de komende tijd is op welke wijze dit optimaal georganiseerd kan worden, opdat voor zoveel mogelijk soorten trends berekend kunnen worden.
Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework (GBF)
Eind 2022 werd tijdens de 15e bijeenkomst van de Conference of Parties (COP15) het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework (KMGBF) aangenomen. Het KMGBF bevat 23 doelen die zich samen richten op het stoppen van het wereldwijde biodiversiteitsverlies. Naast het stoppen van biodiversiteitsverlies zelf richt het akkoord zich ook op het veiligstellen van de diensten van de natuur voor de mens (ecosysteemdiensten), het eerlijk verdelen van de vruchten van biodiversiteit, en de financiering die nodig is om de doelen te halen.
In het monitoringdeel van het KMGBF is een uitgebreide lijst van indicatoren opgenomen waar Nederland over zal moeten gaan rapporteren.noot2 Op deze lijst staan verschillende indicatoren die door het CBS worden geproduceerd, zoals de Rode Lijst Index (Headline indicator A3) en de Living Planet Index (Goals A en B; targets 2, 4, 9, 21).
Voor de Rode Lijst Index geldt dat de IUCN systematiek moet worden gevolgd, en daarom is het CBS in 2025 begonnen om de RLI op die manier te bepalen – en in 2026 zal een eerste versie hiervan worden gepubliceerd. Verder is er voor het mariene deel van Nederland (zee en kustzone) nog geen Living Planet Index ontwikkeld. In 2025 heeft het CBS samen met Wageningen Marine Research (WMR) een beknopt plan opgesteld over de ontwikkeling van een LPI Marien.
Overige beleidsontwikkelingen
Naast bovenstaande zaken zijn er andere ontwikkelingen die gevolgen kunnen hebben voor het NEM-meetnet, zoals de energietransitie (verplichting tot onderzoek naar vleermuizen bij isolatiemaatregelen), de uitvoering van natuurbeleid door provincies (waardoor meer behoefte is aan provinciale trends), het jachtverbod op haas en konijn (waardoor in concreto meer behoefte is aan provinciale trends over haas en konijn), de ontwikkeling van het concept ‘basiskwaliteit natuur’ (waardoor behoefte kan ontstaan naar de trends van algemene soorten buiten natuurgebieden, die nog niet goed door het NEM gevolgd worden) en de ontwikkeling van innovatieve waarneemtechnieken. Zodra deze zaken zich concreet ontwikkelen zal het CBS hier in een volgende kwaliteitsrapportage uitgebreid bij stil staan.
5.2Aandachtspunten bij de meetprogramma’s
De huidige meetprogramma’s en de verwerking van de gegevens daarvan verloopt over het algemeen zonder veel problemen. Er zijn echter ook nog enkele knelpunten die hieronder worden aangegeven.
Provinciale monitoring ten behoeve van sterk sturende NEM-meetdoelen
Er lopen buiten het NEM om diverse onderzoeksprojecten door of in opdracht van provincies (en soms ook gemeentes), waarmee ook landelijke informatievragen kunnen worden bediend. Of dit onderdeel moet worden van het NEM, is een vraag die goed uitgezocht en beargumenteerd moet worden. Deels kan dit via de huidige soortgroepsprints.
Het betreft bijvoorbeeld monitoring van de meervleermuis, Noordse woelmuis en diverse zoetwatervissoorten in Natura 2000‑gebieden. Een ander voorbeeld betreft de gestandaardiseerde monitoring van vleermuizen in het urbane gebied: in verschillende provincies is VleerMUS nu een voorgeschreven monitoringsverplichting in ontheffingen en Omgevingsvergunningen, en ontstaat er behoefte aan provinciale (en zelfs gemeentelijke) trends van vleermuizen. Het landelijk meetnet epifytische korstmossen van de BLWG, waarmee o.a. veranderingen in ammoniakdepositie met hoge ruimtelijke resolutie kunnen worden gevolgd, is een laatste voorbeeld (meetdoel 27 zou hiermee bediend kunnen worden).
In 2021 was al het voornemen om een aantal van dergelijke onderzoeken in het NEM onder te brengen, maar tot op heden is daarover geen besluit genomen. Incidenteel adviseert het CBS al wel over deze onderzoeken en/of voert berekeningen daarvoor uit, maar dit is in de praktijk vaak zeer beperkt. Door gebrek aan landelijke coördinatie en kwaliteitsborging is het risico dat provinciale monitoring niet altijd eenzelfde opzet heeft en ook niet altijd dezelfde methoden volgen, waardoor resultaten niet optelbaar of vergelijkbaar zijn. Er kan ook sprake zijn van monitoringsprotocollen die niet goed geschikt zijn voor het berekenen van trends. Opname in het NEM zal dit soort situaties voorkomen, en zal leiden tot de efficiëntie en consistentie van natuurmonitoring die alle belanghebbenden beogen.
Ontheffingen op de Omgevingswet (voorheen: Wet Natuurbescherming) regelen via één loket
Bij verschillende partners in het NEM consortium, waaronder Sovon, RAVON, de Zoogdierstichting en EIS, is een knelpunt dat de voor een deel van de tellingen benodigde ontheffingen op de Omgevingswet veel tijd en geld kosten. Bovendien kunnen hierdoor soms geen of minder tellingen gedaan worden dan gepland, doordat het niet lukt om op tijd ontheffingen te verkrijgen. Deze ontheffingen dienen in principe afzonderlijk via de twaalf provincies te worden geregeld, waarbij iedere provincie andere eisen en voorwaarden kan stellen en provinciale legeskosten in rekening brengt. Deze eisen, voorwaarden en legeskosten verschillen ook daadwerkelijk per provincie, terwijl de monitoring landelijk gezien zoveel mogelijk uniform zou moeten zijn. Een betere onderlinge afstemming zou al helpen, maar het instellen van één loket hiervoor is zeer aan te bevelen.
Data van de Waterschappen van onduidelijke kwaliteit
In verschillende meetnetten wordt gebruik gemaakt van data die door de Waterschappen is verzameld (verspreiding bever, verspreiding zoetwatervissen, verspreiding amfibieën). De kwaliteit van deze data is vaak niet goed te controleren (zie hoofdstuk 3), doordat informatie over het gevolgde protocol en de telinspanning ontbreekt. Ook komt de data vaak laat beschikbaar via de NDFF. Een concreet knelpunt dient zich aan bij de verspreidingstrend van de bever, die door het CBS niet meer berekend zal worden op basis van de aangeleverde data. Een oplossing zou zijn om per meetnet concrete afspraken te maken met de Waterschappen over de dataverzameling. LVVN zal een oplossing voor dit knelpunt gaan verkennen.
Stem de rol en timing van Begeleidingscommissie en NEM Kwaliteitsrapportage beter op elkaar af
Ieder NEM meetnet wordt begeleid door een commissie bestaande uit een afvaardiging van LVVN, RWS (voor vogels), provincies en het CBS. De begeleidingscommissie bespreekt de voortgang van het meetnet en eventuele knelpunten daarin. Input voor deze bespreking is een rapportage van de soortenorganisatie over het meetnet in het voorgaande jaar (t-1) en een werkplan voor het komende jaar. De bevindingen uit de NEM Kwaliteitsrapportage van het CBS zijn ook beschikbaar, maar gaan over het telseizoen van twee jaar geleden (t-2), wat qua timing minder goed aansluit op de informatiebehoefte van de BC. Daardoor heeft de NEM Kwaliteitsrapportage een onduidelijke rol ten opzichte van de Begeleidingscommissie.
Dit kan verbeterd worden door de cyclus telseizoen > NEM Kwaliteitsrapportage > BC beter op elkaar af te stemmen en deze cyclus te expliciteren. Een telseizoen zou bijvoorbeeld direct na het berekenen van trends geëvalueerd kunnen worden, uitmondend in een kwaliteitsrapportage. Indien de BC niet al te lang daarna wordt gehouden, heeft zij naast de rapportage van de soortenorganisatie ook een kwaliteitsrapportage van het CBS ter beschikking, over hetzelfde telseizoen (t-1).
Zo ontstaat er een duidelijkere cyclus van plan – do – check – act, waarbij de Kwaliteitsrapportage de check is, de BC de rol van ‘act’ kan oppakken, waarna de soortenorganisatie betere monitoring kan plannen en uitvoeren (‘plan’ en ‘do’).
Bij een dergelijke goed georganiseerde cyclus is het ook passend om de BC (en de kwaliteitsrapportage) óm het jaar te organiseren, in plaats van ieder jaar. Verbeteringen die in jaar t worden besloten, worden immers in jaar t+1 geïmplementeerd en kunnen in t+2 ge-evalueerd en besproken worden. Zodoende ontstaat een strakke en relevante PDCA-cyclus die zich richt op leren, bijsturen en verbeteren. Als er ieder jaar een BC en een kwaliteitsrapportage worden opgesteld en georganiseerd, gaan de PDCA-cycli in elkaar overlopen en vertroebelt het beeld. Dit komt concrete sturing op kwaliteitsverbetering over het algemeen niet ten goede.
Noten
CBS (2024). Naar een complete informatievoorziening van soorten in Natura 2000-gebieden. Zie ook: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2024/47/naar-een-complete-informatievoorziening-van-soorten-in-natura-2000-gebieden