Ontwikkelingen in gegevensanalyse en output
De gegevensanalyse van de meetprogramma’s van het Netwerk Ecologische Monitoring wordt waar nodig en mogelijk verbeterd door aanpassingen van de statistische analyses en het ontwikkelen van nieuwe vormen van output.
Een groot deel van de gegevensverwerking, analyses en productie van indexen, trends en output voor publicaties vindt geautomatiseerd plaats via daarvoor ontwikkelde CBS programmatuur. Soortenorganisaties leveren jaarlijks databestanden met nieuwe gegevens, die in een aantal stappen door de programma’s voor datacontroles, databewerking voor input, statistische modelberekeningen en samenstellen van output worden geleid. Ook tussen- en eindresultaten worden daarbij steeds gecontroleerd op mogelijke fouten of afwijkingen. De berekende trends en indexen worden teruggekoppeld met de soortenorganisaties, door het CBS verwerkt in graadmeters en gepubliceerd op o.a. het Compendium voor de Leefomgeving (www.clo.nl). Ook soortenorganisaties zelf publiceren de resultaten in onder meer nieuwsbrieven voor de waarnemers en op diverse websites, waaronder van Sovon en SoortenNL.
Het CBS werkt voortdurend aan verbeteringen van zowel de programmatuur als de analysemethoden. De belangrijkste ontwikkelingen op deze gebieden worden hieronder weergegeven.
Ontwikkelingen in verwerkings- en analyseprogrammatuur
De afgelopen jaren is onverminderd ingezet op omzetting van de programmatuur voor verwerking en trendberekening naar scripts in het programma R. Dit programma is gekozen vanwege de omvangrijke statistische mogelijkheden ervan en de grote gemeenschap van onderzoekers en onderzoeksinstituten die aan het programma bijdragen met vele op specifieke toepassingen gerichte ‘packages’. Specifiek voor natuurstatistieken heeft het CBS hier ook aan bijgedragen door ontwikkeling van het R-package rtrim, dat voor berekening van aantalstrends wordt gebruikt.
De omzetting naar R-programmacode van het programma voor controle en -conversie van data voor aantalstrends (Cocon) is in 2024 vrijwel afgerond, een klus waarbij vele tientallen datastromen betrokken zijn. Cocon voor LMF en de aansluiting van Cocon op andere programmatuur (SWAN) zijn de laatste klussen om in dit kader nog te realiseren. Hiermee is de basisproductie volledig naar R omgezet – met uitzondering van een aantal kleinere en/of meer incidentele rekenprogramma’s.
Veel werk is afgelopen jaar uitgegaan naar de trendberekening van watervogels. De productieomgeving is geheel omgezet in R programmacode, waarbij diverse functionele en technische aanpassingen zijn uitgevoerd.
Een aanzienlijke tijdwinst is afgelopen jaar geboekt in de totstandkoming van de broedvogelstatistieken. In de eerste plaats heeft Sovon, mede dankzij verbeteringen in de invoer-apps en controles, een vervroegde datalevering mogelijk gemaakt, waardoor de data ruim drie maanden eerder aan het CBS kon worden geleverd. Daarnaast zijn resultaten ook eerder beschikbaar door aanpassingen in de automatisering bij het CBS. Resultaten zijn daardoor in het vroege voorjaar (ca. 1 april) na het laatste teljaar al beschikbaar.
Ontwikkelingen in analysemethoden
Verbeterde graadmeters: In 2024 heeft verder onderzoek plaatsgevonden naar de Living Planet Index en de onderliggende graadmeters voor landfauna en zoetwater- en moerasfauna. Gebleken is dat een aantal soorten toegevoegd kon worden aan de soortselecties, omdat hier inmiddels voldoende betrouwbare gegevens van beschikbaar zijn. Het gaat hier met name om enkele vogelsoorten, die zich recentelijk hebben gevestigd en/of aan het uitbreiden zijn (oehoe, kraanvogel, rode wouw). Ook is er strenger gelet op de opdeling naar het voornaamste habitat van soorten, wat met name voor enkele specialistische libellen maar ook voor enkele vogelsoorten heeft geleid tot een andere opdeling. Dit leidt tot een representatiever beeld van de graadmeters voor land- en zoetwaterfauna. Naast de soortselectie is ook de presentatie van de Living Planet Index herzien: vanaf de huidige versie wordt de LPI Nederland (voor land en zoetwater) gepresenteerd samen met de LPI land en de LPI zoetwater. Hierdoor zijn in één oogopslag verschillende ontwikkelingen te zien in de twee subsystemen. Ten slotte is gewerkt aan het verbeteren van de begeleidende teksten. De geactualiseerde Living Planet Index is medio 2024 gepresenteerd.
Bij enkele indicatoren (broedvogels, libellen) zijn de soortselecties geactualiseerd, in verband met nieuwkomers/terugkerende soorten waarvoor inmiddels trends beschikbaar zijn. Bij de graslandvlinders is de soortselectie in lijn getrokken met de Europese lijst die hiervoor is opgesteld, in verband met opname van deze indicator in de Europese natuurherstelverordening.
Rekenen aan Rode Lijsten: In 2023 is gewerkt aan een nieuwe methode om trendberekeningen uit te voeren die gebruikt kunnen worden voor het samenstellen van de Rode Lijst voor zweefvliegen. Deze methode op basis van logistische regressie is in 2024 toegepast voor de Rode Lijst libellen, met name voor het berekenen van historische trends vanaf 1950.
Nieuwe en verbeterde trendberekening: Voor sprinkhanen, hommels en nachtvlinders is in 2024 gewerkt aan nieuwe trendberekeningen; dit zal in 2025 een vervolg krijgen. Voor Noordse woelmuis zijn inmiddels op basis van eDNA-onderzoek, uitgevoerd door enkele provincies, voor het eerst verspreidingstrends mogelijk. Deze gegevens kunnen worden gecombineerd met gegevens uit braakbalonderzoek, en kunnen daarmee een verbeterde trendberekening opleveren, ook op een kleiner schaalniveau. Hoewel het eDNA onderzoek weliswaar past onder verschillende meetdoelen, valt het – in afwachting van een besluit van de provincies – nog niet onder het NEM.