Meetprogramma’s

In de volgende achttien subhoofdstukken wordt de kwaliteit van alle NEM meetprogramma’s voor verschillende soortgroepen en typen monitoring in tekst, tabellen en figuren aangegeven. Ook worden aanbevelingen gedaan voor eventuele verbeteringen.

7.1Vleermuizen

Algemeen

Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten hebben een beschermde status op basis van bijlage II en/of IV van de Europese Habitatrichtlijn. Vanwege hun verborgen, nachtelijke levenswijze is het een lastig te volgen soortgroep. Binnen het NEM meetprogramma vleermuizen, bestaande uit drie meetonderdelen, worden voor twaalf van de achttien in Nederland voorkomende vleermuissoorten trends bepaald. Het meetonderdeel Wintertellingen Vleermuizen richt zich op zeven soorten die overwinteren in ‘klassieke’ ondergrondse winterslaapplaatsen, Zoldertellingen richt zich op twee soorten die in de zomer op zolders kunnen worden geteld, en de Vleermuis Transecttellingen op vier soorten die met behulp van akoestische waarnemingen op auto- en fietsroutes worden gemonitord.

Uitsluitend op verspreiding gericht onderzoek van vleermuizen vindt binnen het NEM niet plaats, maar binnen de lopende meetonderdelen voor aantalsmonitoring is het verzamelen van verspreidings-informatie wel één van de doelen. Dit levert ook voor de overige soorten en aanvullende locaties verspreidingsgegevens op. Daarnaast dragen ook waarnemingen van vleermuizen uit andere bronnen dan het NEM meetprogramma bij aan de kennis over verspreiding. Dit betreft onder meer onderzoek in het kader van ruimtelijk ingrepen, uitvliegtellingen van verblijfplaatsen, onderzoek naar vliegroutes, zenderonderzoek, zwerm- en migratiegedrag en incidentele waarnemingen in onder andere vleermuiskasten.

Voor alle meetonderdelen voor vleermuizen geldt:

Coördinatie: Zoogdiervereniging (ZV).

Uitvoering: Vrijwilligers, ZV, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).

7.1.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten
  Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000‑gebieden en biotopen
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten
Indirecte meetdoelen
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Eurobats: landelijke trends
  Sustainable Development Goals: landelijke trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, per biotoop, etc.
  Stadsnatuur: landelijke trends

Soorten

Binnen de beschikbare meetonderdelen kunnen niet alle Nederlandse vleermuissoorten worden gevolgd. De grote en kleine hoefijzerneus gelden nog als verdwenen uit Nederland. De mopsvleermuis was verdwenen, maar wordt sinds de zomer van 2017 weer regelmatig waargenomen in Zeeuws-Vlaanderen en in 2023 is in oostelijk Gelderland een kraamkolonie gevonden. Ook de grote hoefijzerneus is aangetroffen tijdens de winter van 2021/2022 en vertoont ook in België een voorzichtige toename, zodat deze soort op termijn weer als zeldzame overwinteraar kan worden verwacht in Nederland. Vijf andere soorten – Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, kleine dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis – zijn (zeer) zeldzaam in Nederland of zo lastig herkenbaar dat er nog geen betaalbare, geschikte methode is om aantalsontwikkeling of verspreiding ervan te kunnen volgen. Voor monitoring van de bosvleermuis heeft er in 2023 een pilot plaatsgevonden. Het volledige overzicht van de soorten en de kwaliteit van meetonderdelen is weergegeven in tabel 7.1.2.

Gegevens

Gegevensinwinning

Aantalsmonitoring

Wintertellingen Vleermuizen – De voor mensen toegankelijke winterverblijfplaatsen van vleermuizen zoals mergelgroeven, kelders, bunkers en forten worden in de winter eenmalig bezocht, waarbij de aangetroffen soorten worden gedetermineerd en geteld. Met deze telling is de trend in het aantal overwinterende dieren te volgen voor zeven soorten die voornamelijk in dergelijke klassieke ondergrondse verblijven hun winterslaap houden. Soorten die voornamelijk in ontoegankelijke, lastig te tellen verblijfplaatsen overwinteren (boomholten, spouwmuren, dilatatiespleten in flats, e.d.) worden in dit meetnet onvoldoende aangetroffen om daarvan de trends in aantallen te kunnen volgen. Tevens betreft het hier dus winterpopulaties, die vooral door seizoensmigratie, en de verschillen hierin tussen soorten, heel anders van samenstelling en aantal kunnen zijn dan de zomerpopulaties van deze soorten in Nederland.

Zoldertellingen Vleermuizen – De grijze grootoor­vleermuis en ingekorven vleermuis zijn zeldzame soorten die vooral in de drie zuidelijke provincies (Zeeland, Noord-Brabant en Limburg) voorkomen. In de zomer hebben kraamgroepen van deze soorten een voorkeur voor ruime, warme verblijfsruimtes zoals zolders van kerken, kloosters en stallen. Door jaarlijkse tellingen op deze zolders én op locaties waar deze soorten nieuw kunnen verschijnen is de trend van de grijze grootoor­vleermuis en de ingekorven vleermuis te volgen. Daarnaast worden in het hele land ieder jaar (andere) kerkzolders onderzocht op het voorkomen van vleermuizen. Dit wordt gedaan om voor alle gebouwbewonende soorten verspreidingsinformatie te verzamelen en om eventuele veranderingen van het verspreidingsgebied van grijze grootoor­vleermuis en ingekorven vleermuis te kunnen detecteren.

Vleermuis Transecttellingen – Van vier algemene soorten (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis) wordt de aantalsontwikkeling gevolgd door met batdetectoren vleermuisgeluiden op te nemen tijdens het rijden van vaste routes (per auto, of soms per fiets, voornamelijk in niet-stedelijk gebied). De geluidsopnamen worden gemaakt met een volautomatische batdetector, die tevens GPS coördinaten van de opnames vastlegt. Met de geluidskarakteristieken van de opnames kunnen de soorten worden gedetermineerd. Veranderingen in het aantal opnamen van een soort, gecorrigeerd voor de afgelegde afstand binnen een kilometerhok, zijn indicatief voor veranderingen in de populatiegrootte ter plekke.

Verspreidingsonderzoek

Vleermuis Transecttellingen – Voor de vier algemene soorten waarop dit meetnet is gericht leveren de tellingen tevens locatiegegevens op, waarmee ontwikkelingen in de verspreiding van de populaties kunnen worden gevolgd. Bij deze analyses kan bovendien rekening worden gehouden met het biotoop langs de route waarover gereden wordt en het tijdstip, datum en weersomstandigheden tijdens de rit. Ook zouden hier in de toekomst aanvullende losse waarnemingen uit de Nederlandse Databank Flora en Fauna (NDFF) kunnen worden toegevoegd om zoveel mogelijk informatie over deze soorten te verwerken. Naast de doelsoorten, levert dit meetonderdeel bovendien informatie op over de verspreiding van andere vleermuissoorten.

Gegevensverwerking

Controle en berekening

Bij de verwerking worden de gegevens gecontroleerd op consistentie, volledigheid, betrouwbaarheid, representativiteit en mogelijke vertekening daardoor. Aantalsgegevens worden jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort in de meeste gevallen berekend worden met behulp van het TRIM model in het R package rtrim. Bij de transect­tellingen wordt ook met trefkansmodellen gewerkt, momenteel alleen voor het bepalen van trends in verspreiding. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Trendgegevens van de wintertellingen zijn beschikbaar vanaf 1986 en van de zoldertellingen vanaf 1984. Bij de zoldertellingen wordt echter 1996 als startjaar aangehouden voor de grijze grootoor­vleermuis en 2008 voor de ingekorven vleermuis i.v.m. de beperkte betrouwbaarheid van de tellingen gedurende de eerste jaren van het meetnet. De transect­tellingen zijn gestart in 2013, maar 2015 wordt aangehouden als eerste jaar voor de analyses, omdat er in die eerste jaren nog niet genoeg transecten werden gereden om representatief voor Nederland te zijn.

Kwaliteit en representativiteit

De kwaliteit van een trend is beoordeeld op basis van de mogelijkheid om met de beschikbare gegevens betrouwbare langjarige trends te berekenen, binnen het verspreidingsgebied van de soort. Kort gezegd betekent dit dat de kwaliteit als niet goed of matig wordt beschouwd wanneer de trend van de gehele tijdreeks, en/of die van de meest recente 12 jaar, als ‘onzeker’ wordt beoordeeld.

Bij Vleermuis Transecttellingen is de representativiteit over het algemeen erg goed. De provincies Drenthe en Zeeland waren eerder nog niet goed vertegenwoordigd in het meetnet, maar in Zeeland is het in 2024 gelukt om drie routes te rijden met professionals en om een team van vrijwilligers te vinden dat deze routes vanaf 2025 zal voortzetten. In de provincie Drenthe worden sinds 2022 drie routes gereden en is in 2024 nog een aanvullende route uitgezet, evenals in oost-Groningen. Alleen het gebied tussen Overijssel en Drenthe is nu nog enigszins ondervertegenwoordigd in vergelijking tot de rest van Nederland.

Het stedelijk gebied is nog altijd ondervertegenwoordigd bij de transecttellingen, maar de soortgelijke vleermuizenmonitoring onder de noemer VleerMUS van de Zoogdiervereniging is specifiek gericht op het stedelijk gebied en kan in de toekomst informatie verschaffen over dit biotoop. Steeds meer gemeentes en provincies stellen deze akoestische monitoring verplicht bij het opstellen van een soortenmanagementplan (SMP-monitoring), waardoor het juridische en financiële implicaties gaat krijgen. VleerMUS is nog niet opgenomen in het NEM, maar zou methodisch naadloos kunnen aansluiten bij Vleermuis Transecttellingen. Het verdient dus aanbeveling om de kwaliteitsborging hiervan onder te brengen in het NEM.

7.1.2Vleermuizen: kwaliteitsbeoordeling per soort
Soort Beleidsstatus1) Type monitoring Meetonderdeel2) Kwaliteit landelijke trend Opmerkingen
Baardvleermuis3) HR IV aantal WVL goed  
Bechsteins vleermuis5)6) HR II en IV . . . zeer zeldzaam in NL
Bosvleermuis HR IV . . . zeer zeldzaam in NL
Brandts vleermuis3)6) HR IV . . . zeldzaam in NL
Franjestaart HR IV aantal WVL goed  
Gewone dwergvleermuis HR IV aantal, verspreiding VTT goed  
Gewone grootoor­vleermuis4) HR IV aantal WVL goed  
Grijze grootoor­vleermuis4) HR IV aantal ZVL goed  
Grote hoefijzerneus6) HR IV . . . zeer zeldzaam in NL
Ingekorven vleermuis HR II en IV aantal ZVL, WVL goed  
Kleine dwergvleermuis6) HR IV . . . zeer zeldzaam in NL
Kleine hoefijzerneus5) HR II en IV . . . verdwenen uit NL
Laatvlieger HR IV aantal, verspreiding VTT goed  
Mopsvleermuis5) HR II en IV . . . zeer zeldzaam in NL
Meervleermuis HR II en IV aantal WVL goed  
Rosse vleermuis HR IV aantal, verspreiding VTT matig  
Ruige dwergvleermuis HR IV aantal, verspreiding VTT matig  
Tweekleurige vleermuis6) HR IV . . . zeer zeldzaam in NL
Vale vleermuis HR II en IV aantal WVL goed  
Watervleermuis HR IV aantal WVL goed  

1)HR = Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage

2)WVL = Wintertellingen, ZVL = Zoldertellingen, VTT = Transecttellingen

3)Wintertellingen van baardvleermuis inclusief enkele moeilijk te onderscheiden Brandts vleermuizen

4)Wintertellingen van gewone grootoor­vleermuis inclusief enkele moeilijk te onderscheiden grijze grootoorvleermuizen

5)HR II soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen, in verband met de mate van zeldzaamheid

6)Soort wordt met enige regelmaat aangetroffen bij een van de meetonderdelen, maar te weinig voor structurele monitoring

Natura 2000‑gebieden

Voor de ingekorven vleermuis, meervleermuis en vale vleermuis zijn specifieke Natura 2000‑gebieden aangewezen ter bescherming van deze soorten. Voor alle drie de soorten zijn er gebieden met mergelgroeven aangewezen vanwege de functie als winterverblijf. De aangewezen gebieden voor de vale vleermuis betreffen alleen gebieden van dit type. Hoewel er inmiddels wel een kraamverblijf van de vale vleermuis is gevonden binnen onze landsgrenzen, betreft dit vooralsnog onbeschermd gebied. Voor de meervleermuis hebben ook de gebieden Kennemerland-Zuid, Meijendel & Berkheide en Veluwe deze functie om te overwinteren. Voor de ingekorven vleermuis is verder één Natura 2000‑gebied aangewezen vanwege de functie als kraamverblijf, Abdij Lilbosch & voormalig klooster Mariahoop. Daarnaast zijn er nog achttien Natura 2000‑gebieden aangewezen voor de meervleermuis vanwege de foerageerfunctie. Een overzicht van de voor vleermuizen aangewezen Natura 2000‑gebieden en de kwaliteit van de monitoring is aangegeven in tabel 7.1.3. De kwaliteit van deze resultaten is beoordeeld op basis van de beschikbaarheid van telgegevens in de laatste 3 jaar en de mogelijkheid om met de beschikbare gegevens betrouwbare langjarige trends te berekenen.

7.1.3Beoordeling vleermuismonitoring per Natura 2000‑gebied
Aangewezen HR soorten/kwaliteit trend1)
Natura 2000‑gebied goed niet goed
Winterverblijf    
Bemelerberg en Schiepersberg   InV, MeV, VaV
Geuldal InV, MeV, VaV  
Kennemerland-Zuid MeV  
Meijendel en Berkheide MeV  
Savelsbos   InV, MeV, VaV
Sint Pietersberg en Jekerdal InV, MeV, VaV  
Veluwe MeV  
Zomerverblijf    
Abdij Lilbosch cluster InV  
Foerageerfunctie    
Alde Feanen   MeV
Biesbosch   MeV
Botshol   MeV
De Wieden   MeV
Groote Wielen   MeV
IJsselmeer   MeV
Ilperveld cluster   MeV
Markermeer en IJmeer   MeV
Nieuwkoopse Plassen en De Haeck   MeV
Oostelijke Vechtplassen   MeV
Oudegaasterbrekken cluster   MeV
Polder Westzaan   MeV
Rijntakken MeV  
Rottige Meenthe en Brandemeer   MeV
Veluwerandmeren   MeV
Weerribben   MeV
Wormer en Jisper veld   MeV
Zwarte meer   MeV

1)InV = Ingekorven vleermuis; MeV = meervleermuis; VaV = vale vleermuis.

Voortgang 2024

Aantalsmonitoring

De meetnetten voor aantalsmonitoring bevatten voldoende meetpunten om landelijk betrouwbare aantalstrends op te leveren voor twaalf soorten. Ook zijn er veel betrouwbare trendcijfers beschikbaar op gedetailleerder niveau, waaronder trends per provincie en trends voor verschillende Natura 2000‑gebieden, hoewel lang niet alle gebieden of gebiedsfuncties even goed gemonitord worden.

Bij de wintertellingen is het niet kunnen tellen van afgekeurde groeves met een slechte bouwkundige staat een al langer bestaand – en vrijwel onoplosbaar – probleem. De Mijnbouwwet verbiedt het betreden van groeven ten behoeve van vleermuistellingen wanneer deze zijn afgekeurd vanwege een te slechte bouwkundige staat. In twee van de vier Natura 2000‑gebieden met groeves in Limburg zijn daardoor geen of slechts een beperkt aantal groeves waar op de normale wijze geteld kan worden, waardoor trendbepaling op lokaal niveau nauwelijks mogelijk is. Er zijn tot nu toe geen kosteneffectieve alternatieven gevonden voor deze tellingen. De provincie Limburg heeft echter een aantal afgekeurde groeves in het gebied Bemelerberg & Schiepersberg voldoende laten verbeteren, waardoor in dit gebied weer meer tellingen plaatsvinden, doch nog steeds in beperkte mate. Voor het gebied Savelsbos blijft het probleem bestaan, zonder uitzicht op verbetering. Voor dit gebied is overleg met de provincie Limburg en de beheerder(s) van de groeves noodzakelijk. Enkele groeves kunnen wel geteld worden, maar door onder andere onenigheid over het beheer van de groeves, worden er geen keuringen uitgevoerd en daardoor kunnen er ook geen betredingsvergunningen aangevraagd worden. Positief in dit verhaal is dat de financiering van de keuringen voor ‘extensief gebruik’ langjarig werd gefinancierd door de provincie Limburg onder aansturing van de Zoogdiervereniging. Hierdoor was het belang van de vleermuistellingen goed vertegenwoordigd in dit proces. Over de financiering van de keuringen na 2025 moet de provincie Limburg binnen afzienbare tijd een besluit nemen.

Voor de zoldertellingen van de ingekorven vleermuis is de representativiteit van de telpunten en tellingen een blijvend punt van aandacht. Aangezien deze soort relatief zeldzaam is en slechts in een beperkt aantal verblijven voorkomt, dienen die zolders zoveel mogelijk te worden geteld. Maar omdat de ingekorven vleermuis de laatste jaren ook is aangetroffen in andere, voorheen soms onbekende verblijven, is het mogelijk dat verblijven gemist worden en/of niet worden geteld binnen de voorgeschreven telperiode. De trendberekening is aangepast aan deze opsplitsing in kleine groepen, maar omdat de tijdreeksen niet goed op elkaar aansluiten blijft het lastig om exacte schattingen van de getelde populatie te maken. In verband met de statistische betrouwbaarheid gaat daarom de voorkeur uit naar het weergeven van de trend vanaf 2008 in de officiële resultaten.

Met betrekking tot de monitoring van de grijze grootoor­vleermuis is het zorgelijk dat in de provincies Noord-Brabant en Zeeland veel tellers afhaken wanneer de soort zich al een tijdje niet heeft laten zien. Ook hebben voorheen trouwe tellers soms minder tijd voor vrijwillige monitoring, door de groei van de markt voor betaald vleermuisonderzoek. Dit kan op den duur een groot knelpunt voor het hele meetnet op gaan leveren. Intensievere werving en vrijwilligersmanagement is nodig om het bestand met tellers en getelde zolders weer op peil te krijgen.

Bij de transecttellingen is de periode van gegevensverzameling nog altijd relatief kort (2013–2024). Zowel voor aantalstrends als voor verspreidingstrends zijn geschikte methoden gevonden en grotendeels doorgevoerd, maar de volledige automatisering en de statistische modellen voor de verspreidingstrends blijven in ontwikkeling. Hopelijk zal de steeds verdere uitbreiding van het meetnet de beoogde betrouwbaarheid op gaan leveren, met name voor ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis die relatief zeldzaam zijn in de verzamelde gegevens. In principe is het huidige aantal routes (102) voldoende voor betrouwbare landelijke trends van de vier doelsoorten.

Met gegevens van uitvliegtellingen van verblijfplaatsen van de meervleermuis kunnen berekeningen voor een zomerpopulatietrend worden uitgevoerd. Deze zomertrend schetst vooralsnog een veel negatiever beeld van de populatieontwikkelingen van deze soort dan de (positieve) wintertrend. Alhoewel de tellingen reeds vanaf begin jaren ’90 worden uitgevoerd, er voldoende meetpunten worden bezocht elk jaar, en er serieuze stappen zijn ondernomen met betrekking tot een invoerportaal en dataleveringen, zijn deze tellingen nog altijd niet opgenomen als een officieel NEM meetnet. Hopelijk kan dit in 2025 alsnog doorgang vinden.

Voor de meervleermuis zijn er in totaal achttien Natura 2000‑gebieden aangewezen met een foerageerfunctie (Tabel 7.1.3), maar monitoring in deze context heeft nog niet plaats­gevonden op reguliere basis. Er zijn wel pilots met akoestische monitoring uitgevoerd, zoals in het Natura 2000‑gebied Rijntakken, waar monitoring met vaste meetpunten langs de rivier is opgezet en er inmiddels vijf jaar aan data is vergaard. Momenteel wordt geëvalueerd in hoeverre deze data de ontwikkelingen op gebiedsniveau kunnen vaststellen. Ook wordt er in Fryslân bij Natura 2000‑gebieden gemonitord aan de hand van kolonietellingen en vliegroute tellingen. Het verdient aanbeveling om de methode van monitoring in alle gebieden zoveel mogelijk gelijk te trekken, opdat de uitkomsten ook landelijk goed vergelijkbaar worden. Akoestische monitoring lijkt hierbij de meest voor de hand liggende methodiek.

Een laatste punt van aandacht is dat de winterverblijfplaatsen in Nationaal Park de Hoge Veluwe (onderdeel van Natura 2000‑gebied Veluwe) niet meer geteld worden, of in elk geval dat de data van deze tellingen niet meer gebruikt kunnen worden binnen het NEM, terwijl die data nodig zijn voor de gebiedstrend van de meervleermuis. De Zoogdier­vereniging heeft de provincie Gelderland gewezen op de wettelijke verplichting van de provincie om de tellingen mogelijk te maken of de data van de tellingen op een andere wijze te verzamelen en beschikbaar te maken, maar tot op heden zonder resultaat.

Het aantal meetpunten per meetonderdeel is weergegeven in figuur 7.1.4 en de ligging van de meetpunten is weergegeven in de figuren 7.1.6 tot en met 7.1.8.

7.1.4 Aantal getelde meetpunten voor vleermuizen
jaren Aantal wintertellingen(x10) Aantal zoldertellingen Aantal VTT routes
'96 45,8 12 .
'97 58,7 11 .
'98 60 13 .
'99 61 17 .
'00 69,9 19 .
'01 76,7 21 .
'02 83,7 15 .
'03 84,6 17 .
'04 86,6 14 .
'05 106,3 22 .
'06 107,1 22 .
'07 110,7 40 .
'08 109,1 62 .
'09 112,6 42 .
'10 117,5 50 .
'11 124,7 56 .
'12 122,1 46 .
'13 125 72 13
'14 128,8 57 30
'15 130,8 59 41
'16 141,6 66 55
'17 137,3 74 64
'18 148,1 68 81
'19 155,9 68 76
'20 157 64 69
'21 0 63 76
'22 152 75 73
'23 157,3 65 71
'24 156,7 . .

Verspreidingsmonitoring

Hoewel voor vleermuizen geen apart verspreidings­onderzoek wordt uitgevoerd, zijn er voor sommige soorten al veel verspreidingsgegevens beschikbaar, vooral uit de lopende projecten voor aantalsmonitoring, zoals de landelijke verspreidingstrends van vier soorten die bepaald kunnen worden aan de hand van de transecttellingen. Een landsdekkend overzicht voor alle soorten is echter niet mogelijk vanwege het gebrek aan verspreidings­informatie van vooral zeldzame soorten. Op basis van de waarnemingen van soorten is in tabel 7.1.5 een overzicht gegeven van de stand van zaken voor de huidige HR-rapportageperiode (2024–2029).

Aangezien 2024 het eerste jaar is van deze nieuwe periode, is er momenteel nog relatief weinig ontwikkeling in deze cijfers te verwachten. Hierbij moet bovendien worden opgemerkt dat door de korte tijdspanne tussen dit rapport en het einde van 2024, veel waarnemingen van het afgelopen jaar nog niet zullen zijn gevalideerd of verder verwerkt, zodat deze tabel achterloopt op de werkelijke situatie. Tenslotte, doordat het onderzoek naar zoogdieren veel variatie in methodieken kent en onderzoek naar de ene soort niet altijd onderzoeksinspanning voor de andere soort oplevert, kunnen de kosten per soort relatief hoog zijn om het gehele potentiële leefgebied te onderzoeken.

Uit tabel 7.1.5 blijkt dat de gegevensvoorziening het meest compleet is voor de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoor­vleermuis. Deze soorten zijn in respectievelijk 75%, 47% en 47% van het potentiële verspreidingsgebied aangetroffen. In totaal zijn vijf van de zeventien soorten in meer dan 30% van het potentieel leefgebied waargenomen, terwijl bij zes soorten de aanwezigheid in minder dan 10% van de hokken is bevestigd. De HR-soorten ingekorven vleermuis, meervleermuis en vale vleermuis zijn in respectievelijk 23%, 23% en 8% van het potentieel leefgebied waargenomen.

7.1.5Stand van zaken verspreidingsinformatie vleermuizen
Potentieel leefgebied (10 x 10 km) Geactualiseerd na 1 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Baardvleermuis 443 11
Bechsteins vleermuis 123 5
Bosvleermuis 319 1
Brandts vleermuis 198 2
Franjestaart 443 26
Gewone dwergvleermuis 466 75
Gewone grootoor­vleermuis 449 47
Grijze grootoor­vleermuis 94 14
Ingekorven vleermuis 47 23
Kleine dwergvleermuis 207 4
Laatvlieger 482 47
Meervleermuis 469 23
Rosse vleermuis 482 35
Ruige dwergvleermuis 482 32
Tweekleurige vleermuis 443 5
Vale vleermuis 121 8
Watervleermuis 482 28

Aandachtspunten

  • Versterken van het vrijwilligersnetwerk voor tellingen van grijze grootoorvleermuizen op kerkzolders in Noord-Brabant en Zeeland (ZV).
  • Opzetten en coördineren van monitoring van Natura 2000‑gebieden met een foerageerfunctie voor de meervleermuis (ZV, CBS, LVVN, provincies).
  • Onderzoeken of en hoe de monitoring in het kader VleerMUS kan worden opgenomen in het NEM (LVVN, provincies, ZV, CBS).
  • Verder onderzoeken hoe en wanneer de zomertellingen van de meervleermuis kunnen worden opgenomen in het NEM (LVVN, provincies, ZV, CBS).
  • Bij afgesloten groeves alert zijn op geschikte alternatieven voor de huidige telmethode en opstarten van tellingen indien groeves weer toegankelijk worden (provincie Limburg, ZV, CBS).
  • Zorgen voor de continuïteit van levering van gegevens van wintertellingen vleermuizen uit Natura 2000‑gebied Veluwe (provincie Gelderland, ZV).

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.

Informatie over de Zoogdiervereniging: Website Zoogdiervereniging.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van vleermuizen door middel van wintertellingen van 1986 tot en met 2023. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.
De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van vleermuizen door middel van zoldertellingen van 1984 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.
De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van vleermuizen door middel van transecttellingen van 2013 tot en met 2024. Per meetpunt is het transect als lijn ingetekend.

7.2Landzoogdieren en bruinvis

Algemeen

Op grond van wet- en regelgeving dienen ontwikkelingen in populatieaantallen en/of in de verspreiding van beschermde inheemse zoogdiersoorten te worden gevolgd. In het NEM meetprogramma ligt de nadruk op soorten van bijlage II, IV en V van de Europese Habitatrichtlijn (HR) en de typische soorten van habitattypen van HR bijlage I. Ook voor enkele niet-inheemse zoogdiersoorten (invasieve exoten) is op grond van regelgeving informatie nodig. Het NEM is ingericht op de monitoring van een aantal van deze soorten en op het daarmee samenstellen van de benodigde verplichte informatie over deze soorten. Waar dat zonder extra inspanning mogelijk is, wordt de monitoring niet beperkt tot deze soorten, maar wordt ook informatie verzameld over andere soorten.

In dit hoofdstuk worden voornamelijk landzoogdieren besproken en komt van de zeezoogdieren slechts één soort aan de orde, namelijk de bruinvis.

Voor alle deelprogramma’s (met uitzondering van de bruinvis) geldt:

Coördinatie: Zoogdiervereniging (ZV).

Uitvoering: Vrijwilligers, ZV, Sovon, Rijkswaterstaat (RWS), Naturalis, duinbeheerders, waterschappen, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).

7.2.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten
  Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage V
  Indicatoren rijksbegroting
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten
  Verspreiding van invasieve exoten
Indirecte meetdoelen
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Sustainable Development Goals: landelijke trends
  Schadesoorten: landelijke trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, trends per biotoop etc.

Soorten

Het meetprogramma is gericht op de soorten van HR bijlagen II, IV en V en typische soorten van habitattypen van HR bijlage I. Daarnaast worden zoveel mogelijk gegevens verzameld van diverse soorten zonder beleidsstatus voor zover ze gemakkelijk in het NEM kunnen worden meegenomen. Het onderzoek van al deze soorten is gericht op het kunnen bepalen van trends in populatie-aantallen, trends in verspreiding en het huidige verspreidingsgebied, wat voor de verschillende meetdoelen vereist is. In tabel 7.2.2 staan de onderzochte soorten met hun beleidsstatus en de onderzoekskwaliteit vermeld.

Buiten de NEM meetprogramma’s om worden nog verschillende andere zoogdiersoorten onderzocht, waaronder ook enkele HR soorten. Dit betreft bijvoorbeeld de zeezoogdieren gewone en grijze zeehond, die worden onderzocht in het kader van het programma Monitoring Waterstaatkundige Toestand des Lands (MWTL), in opdracht van RWS. En ook wordt onderzoek verricht naar hamster (LVVN/provincie Limburg), eikelmuis (provincie Limburg) en de wolf (BIJ12, in opdracht van provincies). Deze zoogdiersoorten komen daarom in deze rapportage (nog) niet of beperkt aan de orde. De wolf is inmiddels al een aantal jaren voortplantend in Nederland aanwezig. Ook over deze soort zal in het kader van de Habitatrichtlijn gerapporteerd moeten gaan worden, op landelijk niveau en bij aanwijzing van Natura 2000‑gebieden ook per gebied. Tenslotte zou er gerapporteerd moeten worden over de wilde kat (Felis sylvestris), die in het uiterste zuiden van Limburg voorkomt. De provincie Limburg heeft onderzoek naar deze soort gefinancierd en denkt inmiddels na over de mogelijkheden voor monitoring. In verband met de continuïteit, afstemming en efficiëntie van de metingen verdient het aanbeveling om de monitoring van alle HR-soorten in het NEM onder te brengen.

Het onderzoek naar invasieve exoten betreft vijf van de elf zoogdiersoorten van de Unielijst. De Unielijst is een door de EU opgestelde lijst van exoten waarover de lidstaten geacht worden te rapporteren. Voor vijf soorten is verspreidings­onderzoek met o.a. wildcamera’s opgezet: beverrat, muskusrat, muntjak, wasbeer en wasbeerhond. Monitoring van de andere zes soorten wordt vooralsnog niet nodig geacht, omdat die in Nederland niet of te beperkt voorkomen.

Gegevens

Gegevensinwinning

Aantalsmonitoring

De aantalsmonitoring is gericht op het verkrijgen van populatietrends van de soorten die onder de hiervoor genoemde meetdoelen vallen. Het bepalen van de absolute populatieomvang van de soorten is geen doel van de huidige zoogdiermonitoring en is daarmee ook niet mogelijk.

Voor berekening van populatietrends uit aantalsmonitoring zijn over het algemeen gestandaardiseerde tellingen noodzakelijk. Niet-gestandaardiseerde waarnemingen zijn niet bruikbaar, omdat er vaak geen nauwkeurige aantallen worden gemeld, of omdat de gemelde aantallen onderling niet vergelijkbaar zijn door het gebruik van verschillende methodes en wisselende waarnemersinspanning.

Dagactieve Zoogdieren – Enkele zoogdiersoorten die vooral tijdens de schemering of overdag actief zijn, worden tegelijk met broedvogels geteld door vrijwilligers van Sovon. Dit gebeurt in een deel van de telgebieden van het meetonderdeel BMP (in buitengebieden) en in MUS- (stedelijk gebied) en MAS-meetpunten (agrarisch gebied). De standaard BMP-tellingen worden uitgevoerd in vaste telgebieden van circa 50–200 hectare groot, die in het voorjaar meerdere keren worden bezocht. Voor konijn, haas, ree, vos, eekhoorn, egel en muskusrat resulteren deze tellingen in voldoende betrouwbare aantalstrends. Voor andere soorten zijn de gegevens alleen geschikt voor het in kaart brengen van de verspreiding. De door Sovon-tellers verzamelde zoogdiergegevens worden via de Zoogdiervereniging aan het CBS geleverd.

Konijnen in de duinen – Voor konijnen zijn er tevens tellingen in de duinen, uitgevoerd door terreinbeheerders en gecoördineerd door de Zoogdiervereniging. Tijdens inspectierondes in de avonduren in voor- en najaar worden vanuit de auto op circa 250 vaste routes de konijnen geteld die zichtbaar zijn in het licht van de koplampen.

Hazelmuis – Voor de hazelmuis zijn er tellingen van de goed herkenbare nestjes die deze dieren in de zomer en het najaar maken in de randen van structuurrijke bossen in Zuid-Limburg. Deze tellingen worden uitgevoerd door vrijwilligers van de Zoogdiervereniging in ruim 50 vaste bosrand-transecten. Daarmee wordt vrijwel het gehele bekende verspreidingsgebied van deze soort geïnventariseerd.

Bruinvis – Voor bruinvis worden tellingen uit drie bronnen gebruikt: tellingen vanaf de kust (trektellen, Sovon), vliegtuigtellingen (RWS) en strandingen (Naturalis). Elk van deze bronnen levert een eigen trend, die overigens nog niet worden gecombineerd tot één trend voor de bruinvis.

De ligging van de meetpunten is weergegeven in de kaarten 7.2.6 t/m 7.2.9. Voor bruinvis geldt dat alleen de sinds 2020 aangepaste vliegtuigroute is weergegeven.

Verspreidingsonderzoek

Het verspreidings­onderzoek is voor landzoogdieren gericht op het vaststellen van de leefgebieden van de soorten enerzijds, en op het vaststellen van trends in de aan- of afwezigheid van de soorten op km-hokniveau anderzijds. Het volgen van de verspreiding is vaak eenvoudiger dan aantalsmonitoring en kan daarom een geschikt alternatief zijn voor soorten waarvoor aantalsmonitoring (nog) niet mogelijk of haalbaar is. Daarnaast kunnen verspreidingstrends op zichzelf ook waardevol zijn, omdat ze een ander aspect van de ontwikkeling van een soort weergeven.

Voor verspreidings­onderzoek zijn niet-gestandaardiseerde waarnemingen vaak wél bruikbaar. Waarnemingen uit o.a. de NDFF kunnen daarom bij de berekening van verspreidingstrends worden meegenomen. Er is echter vaak nog aanvullend onderzoek nodig om afdoende informatie te verkrijgen. Voor het vaststellen van de leefgebieden op het niveau van 10 x 10 km moet van alle potentiële leefgebieden de aan- of afwezigheid worden vastgesteld. Afwezigheid is echter alleen met redelijke zekerheid vast te stellen wanneer met een gestandaardiseerd protocol een hok goed is gemonitord. Bij zoogdieren is dat lastig, omdat de soorten zodanig verschillen dat daarvoor vaak aparte protocollen per soort nodig zijn, wat de benodigde meetinspanning per soort relatief groot maakt. Daarnaast hebben ze vaak een zodanig verborgen levenswijze dat intensief onderzoek nodig is om afwezigheid betrouwbaar genoeg te kunnen vaststellen.

Braakballen Kerkuil – De verspreiding van (spits)muizen wordt onderzocht met behulp van braakballen van uilen. Daarbij wordt vooral gebruik gemaakt van braakballen van kerkuilen, omdat deze in het gehele land voorkomen en geen duidelijke voorkeur vertonen voor bepaalde muizensoorten. Braakballen worden op een groot aantal locaties in het land door vrijwilligers van uilenwerkgroepen verzameld, waarna ze via de Zoogdiervereniging door vrijwillige ‘pluizers’ worden onderzocht op schedelresten van de verschillende muizen­soorten. Na controle van de determinaties door medewerkers van de Zoogdier­vereniging worden de resultaten aan het CBS geleverd.

Noordse woelmuis – Aanvullend op het braakballen onderzoek, wordt de verspreiding van de noordse woelmuis in de daarvoor aangewezen Natura 2000‑gebieden door de provincies waar de soort voorkomt (Noord- en Zuid-Holland, Fryslân, Utrecht, Zeeland en Noord-Brabant) onderzocht met behulp van eDNA onderzoek. Dit onderzoek houdt in dat mogelijke woelmuizenkeutels worden verzameld, waarna met DNA-onderzoek wordt bepaald of deze van de noordse woelmuis afkomstig zijn, of van de concurrerende aardmuis. Dit eDNA onderzoek past weliswaar onder verschillende NEM meetdoelen, maar valt – in afwachting van een besluit van de provincies – nog niet onder het NEM. De wijze en frequentie van inventariseren is momenteel niet gelijk tussen de provincies, dus het verdient aanbeveling om dit te standaardiseren.

Otter & Bever – Medewerkers van waterschappen geven eens per jaar de actuele verspreiding van de bever door aan de Zoogdiervereniging. Er is echter noch bij de Zoogdiervereniging noch bij het CBS goed zicht op de frequentie en duur van veldbezoeken, het protocol, of nulwaarnemingen, wat maakt dat de kwaliteit van deze monitoring erg lastig in te schatten is. De verspreiding van otter wordt onderzocht door vrijwilligers van de Zoogdiervereniging door 1–3x per jaar hun vaste locatie (brug of oever) op de aanwezigheid van ‘spraints’ (uitwerpselen van otters) te controleren. Tevens melden de waterschappen het als er voor het eerst in een gebied ottersporen (uitwerpselen e.d.) worden aangetroffen.

Bunzing & Boommarter – De verspreiding van bunzing en boommarter wordt gemonitord op basis van waarnemingen in de NDFF, die voor ‘witte vlekken’ (hokken zonder meldingen) worden aangevuld met waarnemingen via cameravallen. De cameravallen worden steeds een aantal weken op potentieel voor deze soorten geschikte locaties geplaatst. In 2022 is geconcludeerd dat hiermee weliswaar de verspreiding op 10x10 km kan worden bepaald, maar dat daarmee (nog) geen trends kunnen worden bepaald. Er is een andere opzet met intensievere monitoring nodig om in de toekomst ook trends te kunnen bepalen.

Bruinvis – Voor de verspreiding van bruinvis worden bovenop de aantalsmonitoring geen aanvullende gegevens verzameld. Voor de HR rapportage wordt op basis van de beschikbare gegevens de verspreiding gemodelleerd.

Onderzoek invasieve exoten

Op de Unielijst van invasieve exoten staan elf zoogdiersoorten: muskusrat, beverrat, muntjak, wasbeer, wasbeerhond, Indische mangoeste, rode neusbeer en vier eekhoornsoorten Pallas’ eekhoorn, grijze eekhoorn, Amerikaanse voseekhoorn en Siberische grondeekhoorn.

Deze soorten komen niet allemaal in Nederland voor. Het onderzoek is dan ook primair gericht op de vijf eerstgenoemde soorten, ervan uitgaande dat het voor de overige zes soorten niet nodig is zolang zij afwezig zijn of zeer incidenteel of beperkt voorkomen. Het onderzoek is primair gericht op het in kaart brengen van verspreiding, is in 2018 gestart en wordt uitgevoerd in gebieden waar de kans op voorkomen van de soorten het grootst is. Voor wasbeer en wasbeerhond worden cameravallen geplaatst, voor muntjak worden transecten gereden met warmtebeeldcamera’s en voor muskusrat en beverrat worden de vangsten bij de Unie van Waterschappen (UVW) opgevraagd. Meldingen van deze soorten worden via de NDFF, met input uit o.a. waarneming.nl en telmee.nl, in de gaten gehouden om eventuele nieuwe vindplaatsen te achterhalen. Voor muntjak, wasbeer en exotische eekhoorns zijn op de website van de Zoogdiervereniging ook meldpunten ingericht voor het melden van ‘losse waarnemingen’. Voor muskusratten kan ook een landelijke trend worden berekend met de gegevens uit Dagactieve Zoogdieren.

Het voor drie van deze soorten nieuw opgestarte onderzoek loopt sinds 2018. In bijlage 2 is in kaarten weergegeven welke 10x10 km-hokken sinds de start van de huidige rapportage periode (2019) zijn onderzocht en in welk van deze hokken de betreffende exoot is aangetroffen.

Gegevensverwerking

Bij de verwerking van de teldata en verspreidingsgegevens wordt gecontroleerd op consistentie, volledigheid, betrouwbaarheid, representativiteit en mogelijke vertekening daardoor. Bij de dagactieve zoogdieren wordt gecorrigeerd voor mogelijke vertekening als gevolg van over- of onderbemonstering van bepaalde fysisch geografische regio’s.

Aantalsgegevens worden voor de meeste soorten jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort berekend worden met behulp van het TRIM model in het R-package rtrim. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Trendgegevens van de dagactieve zoogdieren zijn beschikbaar vanaf 1994 (vos, ree, egel, muskusrat), 1996 (eekhoorn) of 1997 (haas en konijn). Voor de duinkonijnen zijn er trends vanaf 1984 en voor de hazelmuis vanaf 1992. Voor de vliegtuig­tellingen van de bruinvis zijn er trends beschikbaar vanaf 1991. Strandingsgegevens en trektelgegevens zijn ook van eerdere jaren beschikbaar.

Op basis van verspreidingsgegevens van inheemse soorten worden trends in de aan- of afwezigheid van de soorten op het niveau van 1 x 1 km-hokken of 5 x 5 km-hokken (‘uurhokken’) bepaald. Tevens worden de inventarisatiegegevens van de HR bijlage II & IV soorten verwerkt tot verspreidingskaarten per HR verslagperiode op 10 x 10 km-hokniveau. Ook voor invasieve exoten worden kaarten op 10 x 10 km-hokniveau gemaakt. Verspreidings­trends worden veelal berekend met behulp van occupancy-modellen, waarbij rekening wordt gehouden met trefkansen en waarnemersinspanning. Dergelijke trends zijn beschikbaar voor elf soorten muizen, waaronder noordse woelmuis vanaf 1995, voor otter vanaf 2003 en voor de bever vanaf 1993. Voor bunzing en boommarter zijn nog geen geschikte verspreidingstrends beschikbaar, omdat het nog ontbreekt aan geschikte veldwerkmethoden en/of data. Voor noordse woelmuis zijn inmiddels ook verspreidings­trends mogelijk op basis van eDNA-onderzoek, welke gecombineerd kunnen worden met die uit Braakballen Kerkuil.

7.2.2Zoogdieren: kwaliteitsbeoordeling per soort
Kwaliteit trends
Soort Beleidsstatus1) Type onderzoek landelijk Natura 2000 Opmerkingen
Bever3) HR II en IV, Typ verspreiding matig matig  
Boommarter HR V verspreiding slecht   meetnet in ontwikkeling
Bruinvis3) HR II en IV aantal goed onbekend  
Bunzing HR V verspreiding slecht   meetnet in ontwikkeling
Dwergmuis Typ verspreiding goed    
Eikelmuis Typ . .   zeer zeldzaam in NL
Euraziatische lynx HR II en IV . .   incidenteel in NL
Grote bosmuis Typ verspreiding goed    
Goudjakhals HR V . .   incidenteel in NL
Haas Typ aantal + verspreiding goed    
Hamster HR IV . .   zeer zeldzaam in NL
Hazelmuis HR IV, Typ aantal + verspreiding goed   zeer zeldzaam in NL
Konijn Typ aantal goed    
Noordse woelmuis3) HR II* en IV verspreiding goed matig  
Otter HR II en IV verspreiding matig slecht  
Waterspitsmuis Typ verspreiding goed    
Wilde kat HR IV . .   zeer zeldzaam in NL
Wisent2) HR II en IV . .   geherintroduceerd in gesloten gebieden
Wolf2) HR II* en IV . .   zeldzaam in NL
Invasieve exoten          
Beverrat E aantal + verspreiding .    
Muntjak E verspreiding .    
Muskusrat E aantal + verspreiding goed    
Wasbeer E verspreiding .    
Wasbeerhond E verspreiding .    

1)HR = Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; * = prioritaire soort; Typ = Typische soort Habitatrichtlijn; E = Invasieve exoot.

2)Voor deze HR II soort zijn nog geen Natura 2000‑gebieden aangewezen.

3)Voor deze HR II soort wordt buiten het NEM om in sommige Natura 2000‑gebieden onderzoek uitgevoerd.

Voortgang 2024

Alle meetonderdelen voor aantalsmonitoring verlopen zonder noemenswaardige knelpunten. De meetnetten bevatten voldoende meetpunten om betrouwbare landelijke aantalstrends te leveren van acht soorten landzoogdieren. Dit betreft hazelmuis, konijn, haas, vos, ree, eekhoorn, egel en muskusrat. Het aantal BMP-meetpunten voor Dagactieve Zoogdieren is al enkele jaren achtereen fors toegenomen, waardoor verwacht mag worden dat trends steeds betrouwbaarder worden en uiteindelijk voor meer soorten en gebieden trends kunnen worden berekend. Op provinciaal niveau worden ook trends berekend voor de talrijkst aangetroffen soorten (als indirect meetdoel), maar trends worden vooralsnog niet openbaar gemaakt door ontbreken van ondersteuning voor de duiding van de resultaten. Voor konijn zijn er ook trends per duingebied.

Voor haas en konijn is op grond van de Rode Lijst 2020 de landelijke staat van instand­houding als ongunstig beoordeeld. Dit heeft geleid tot een landelijk jachtverbod voor het konijn, maar de hiermee samenhangende jachtverboden voor de haas in drie provincies voor de haas, heeft geleid tot stevige discussies en kamervragen over de betrouwbaarheid van provinciale trends voor die soort, met name omdat de tellingen in sommige provincies schaars zijn. Tegelijk is door deze ontwikkelingen de behoefte aan beter onderbouwde provinciale data en trends toegenomen, terwijl dit nog niet gedekt is in de (financiële) ondersteuning van Dagactieve Zoogdieren via sturende NEM meetdoelen. In 2024 heeft het CBS een onderzoek uitgevoerd om te bezien of aanvullende telgegevens door wildbeheereenheden van de Jagersvereniging (KNJV) een bijdrage kunnen leveren aan betrouwbaarder trends op provinciaal niveau.noot1

De vliegtuigtellingen voor bruinvis (en vogels) op de Noordzee en de trektellingen langs de kust zijn ook in 2024 weer uitgevoerd door trektellers van Sovon in opdracht van Rijkswaterstaat. Bijzonderheden zijn niet bekend.

7.2.3 Aantal getelde meetpunten voor landzoogdieren
Jaar Dagactieve zoogdieren Hazelmuizen Duinkonijnen
'95 237 10 158
'96 298 10 156
'97 283 7 162
'98 396 10 166
'99 364 12 143
'00 447 12 167
'01 328 38 165
'02 411 31 172
'03 443 11 164
'04 500 13 187
'05 489 25 209
'06 416 32 216
'07 415 39 216
'08 442 47 204
'09 417 41 216
'10 434 36 216
'11 586 41 215
'12 517 42 218
'13 577 50 218
'14 593 48 218
'15 718 43 218
'16 749 59 218
'17 864 54 231
'18 864 54 231
'19 995 55 231
'20 1050 59 235
'21 1405 46 195
'22 1406 53 221
'23 1586 49 213

Bij het muizenonderzoek met braakballen worden inmiddels in circa 500 km-hokken braakballen verzameld. Dit is voldoende voor berekening van betrouwbare landelijke verspreidingstrends van 13 soorten (spits)muizen: noordse woelmuis (HR II en IV), dwergmuis, waterspitsmuis, bosspitsmuis (spec.), dwergspitsmuis, veldspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, aardmuis, ondergrondse woelmuis, rosse woelmuis, bosmuis en grote bosmuis. Uit het muizenonderzoek met braakballen zijn ook betrouwbare provinciale verspreidingstrends beschikbaar. Voor noordse woelmuis zijn op basis van braakballen geen trends per Natura 2000‑gebied mogelijk. Provinciaal eDNA onderzoek kan hieraan een bijdrage leveren, maar dit valt nog niet onder het NEM. Wél is op basis van braakballen onderzoek een trend beschikbaar voor de gezamenlijke Natura 2000‑gebieden, mits wordt aangenomen dat meetlocaties die zich net buiten de gebieden bevinden representatief zijn voor de gebieden zelf. In figuur 7.2.4. is het aantal bemonsterde km-hokken per jaar weergegeven. Het verkrijgen en verwerken van de braakballen kost veel tijd, waardoor van de meest recente jaren altijd beperkt gegevens beschikbaar zijn en de figuur voor die jaren geen goed beeld geeft van de uiteindelijk beschikbare data.

Voor otter en bever worden vooralsnog voldoende gegevens verzameld voor het bepalen van een betrouwbare landelijke verspreidingstrend. Landelijke aantalstrends zijn echter niet mogelijk en verspreidingstrends per gebied ook niet. Uitbreiding van dit onderzoek en aanpassing van het veldprotocol, datalevering en rekenmethode zijn nodig om dat mogelijk te maken. Het verkrijgen van gegevens van waterschappen is overigens niet altijd vanzelfsprekend en een blijvend punt van aandacht. Een ander punt van aandacht is het blijven doorgeven van otterwaarnemingen aan het otterportaal, ook als langere tijd geen of juist wel ottersporen worden gezien.

Voor bunzing en boommarter is in 2016 een meetprogramma gestart met cameravallen. Verwerking en determinatie van de grote aantallen foto’s die dit oplevert gebeurt grotendeels automatisch met het programma Agouti van de Wageningen Universiteit (WUR) en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). Omdat dit vooralsnog gericht is op ‘witte vlekken’ in de verspreiding, draagt dit relatief weinig bij aan het aantal waarnemingen voor deze soorten op landelijke schaal en voor trends in verspreiding of populatieaantallen leveren de waarnemingen vooralsnog te weinig bruikbare gegevens. Ook hier is uitbreiding en aanpassing van veldprotocol en algemene opzet nodig om trendberekeningen mogelijk te maken.

De voortgang van het in kaart brengen van de verspreiding van de HR bijlage II, IV en V soorten op 10 x 10 km-hokniveau is weergegeven in tabel 7.2.5 en in de figuren in bijlage 2. Aangezien 2024 het eerste jaar is van deze nieuwe periode, is er momenteel nog relatief weinig ontwikkeling in deze cijfers te verwachten. Hierbij moet bovendien worden opgemerkt dat door de korte tijdspanne tussen dit rapport en het einde van 2024, veel waarnemingen van het afgelopen jaar nog niet zullen zijn gevalideerd of verder verwerkt, zodat deze tabel iets achterloopt op de werkelijke situatie. Tenslotte, doordat het onderzoek naar zoogdieren veel variatie in methodieken kent en onderzoek naar de ene soort geen onderzoeksinspanning voor de andere soort oplevert, is de kost per soort relatief hoog om het gehele potentiële leefgebied te onderzoeken.

Bever is in alle hokken van het potentiële leefgebied onderzocht en in ongeveer de helft van de hokken ook aangetroffen. De gegevens van hazelmuis zijn nog niet gevalideerd, waardoor het nog niet kan worden vastgesteld dat deze hokken goed zijn onderzocht. Boommarter, bunzing en otter zijn al in >60% van het potentieel verspreidingsgebied aangetroffen. Voor de noordse woelmuis blijft de aanwezigheid nog wat achter en is de soort nog maar in 28% van het potentiële leefgebied aangetoond. Voor alle soorten lijkt dit voldoende om na zes jaar (ten behoeve van de eerstvolgende HR rapportage) een goed beeld van de verspreiding te krijgen.

Voor de meeste soorten die onder de NEM meetdoelen vallen, en tevens voor diverse andere soorten die qua veldwerk en/of methodiek meeliften, zijn goede landelijke trends beschikbaar. Voor de HR V-soorten bunzing en boommarter is dat echter nog niet het geval. Met name het kunnen vaststellen van afwezigheid van deze soorten is een knelpunt. Er wordt al gewerkt aan het omvormen van het meetnet met cameravallen door meetpunten ook juist in het bekende verspreidingsgebied te situeren.

Natura 2000‑gebieden

Ondanks dat voor otter, bever en noordse woelmuis inmiddels respectievelijk 10, 18 en 22 Natura 2000‑gebieden zijn aangewezen (hoewel de status van de aanwijzing voor otter nog altijd op ‘Aangemeld’ staat), worden daarvoor nog geen trends per gebied of trends over de gezamenlijke Natura 2000‑gebieden berekend. Mogelijk kan het verbeteren van de meetprogramma’s worden aangepakt in het kader van het ‘Verbeterprogramma VHR monitoring’. Voor de noordse woelmuis kunnen met het braakballen onderzoek nog geen trends per Natura 2000‑gebied worden berekend. Er moet nog worden besloten worden of de braakbalgegevens van locaties net buiten de Natura 2000‑gebieden mogen worden gebruikt voor het bepalen van de aan- of afwezigheid binnen het gebied. Het eDNA onderzoek van de provincies kan een belangrijke bijdrage leveren aan deze trends op gebiedsniveau, maar dit is nog geen onderdeel van het NEM. Voor gebiedstrends op basis van het eDNA onderzoek is waarschijnlijk bovendien een verdichting van het aantal meetpunten en/of intensivering van de monitoring nodig. Ook voor bever en otter is intensiever onderzoek nodig om trends in Natura 2000‑gebieden te kunnen bepalen.

7.2.4 Aantal bemonsterde kilometerhokken voor muizen
jaren Verspreidingsonderzoek muizen
'90 40
'91 48
'92 49
'93 68
'94 200
'95 153
'96 241
'97 243
'98 314
'99 341
'00 307
'01 415
'02 320
'03 457
'04 486
'05 453
'06 522
'07 364
'08 489
'09 523
'10 455
'11 453
'12 513
'13 455
'14 529
'15 562
'16 455
'17 507
'18 384
'19 419
'20 369
'21 344
'22 289
'23 348
'24 151
Laatste 3 jaar nog niet volledig i.v.m. lange verwerkingstijd en nalevering
7.2.5Voortgang verspreidings­onderzoek landzoogdieren
Potentieel leefgebied (10 x 10 km-hokken) Geactualiseerd na 1 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Bever 430 100
Boommarter 328 62
Bunzing 436 73
Hazelmuis 4 0
Noordse woelmuis 82 28
Otter 234 65

Aandachtspunten

  • Onder het NEM brengen en zo nodig opstarten, opschalen of uitbreiden van de monitoring van HR-soorten die nog niet onder het NEM vallen of onvoldoende gemonitord worden. Dit betreft in ieder geval onderzoek naar noordse woelmuis (eDNA onderzoek), hamster, wolf en wilde kat (LVVN, BIJ12, provincies, ZV, CBS).
  • Omvormen van onderzoek met cameravallen voor bunzing en boommarter naar een meetnet voor trendbepaling van deze soorten (ZV, CBS).
  • Aanpassen van de monitoring van otter en bever ten behoeve van trendbepaling, zowel landelijk als in aangewezen Natura 2000‑gebieden (provincies, ZV i.s.m. waterschappen, CBS).
  • Zorgen voor de continuïteit van levering van otter- en bevergegevens door waterschappen en via het otterportaal (ZV i.s.m. waterschappen).
  • Uitbreiden van de monitoring van noordse woelmuis ten behoeve van trendbepaling in aangewezen Natura 2000‑gebieden (provincies, ZV, CBS).
  • Bepalen of provinciale trends van de jachtsoorten haas en konijn als sturend meetdoel van het NEM moet worden opgenomen (provincies)
  • Voortzetting van de meldpunten voor exoten (BIJ12, provincies, ZV).

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.

Informatie over bruinvistellingen: CBS.

Informatie over Zoogdiervereniging: Website Zoogdiervereniging.

Informatie over Sovon: Website Sovon.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van dagactieve zoogdieren van 1994 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.
De kaart toont de ligging van de meetpunten in de duinen in Nederland van de aantalsmonitoring van konijnen van 1984 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.
De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van hazelmuizen van 1986 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.

7.3Broedvogels en ANLb wintervogels

Algemeen

Op grond van de Europese Vogelrichtlijn geldt een beschermde status voor alle van nature in Nederland voorkomende broedvogels en is informatie nodig over de populatiegrootte, trends en verspreiding van deze soorten, zowel op landelijk niveau als op het niveau van Natura 2000‑gebieden. Ook op grond van andere verdragen en regelgeving (zie tabel 7.3.1) is informatie nodig over inheemse broedvogels en daarnaast ook over het voorkomen van invasieve exotische vogelsoorten die vermeld staan op de Unielijst van de Europese Unie (NVWA, z.d.).

De populatiegrootte en de trends van de broedvogels worden gevolgd via diverse deelprogramma’s voor aantalsmonitoring in het NEM. Het NEM voorziet niet in afzonderlijk verspreidings­onderzoek voor broedvogels en er wordt ook niet actief gestuurd op het verkrijgen van verspreidingsinformatie. Daar staat tegenover dat het meetprogramma voor aantalsmonitoring al een goed beeld van de verspreiding oplevert (zie Links). Dit beeld wordt bovendien aangevuld door de Vogelatlas (Hustings & Koffijberg 2018) en het daarop aansluitende LiveAtlas werk (https://liveatlas.nl/).

In dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op de wintertellingen van enkele soorten niet-broedvogels waarvan de informatie gebruikt wordt ter beoordeling van de effectiviteit van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb).

Voor alle deelprogramma’s geldt:

Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.

Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS, Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS WVL), provincies, terreinbeherende organisaties.

Opdrachtgevers: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), provincies.

7.3.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten
  Trilateral Monitoring and Assessment Program: trends van vogels in het Waddengebied
  Farmland Bird Index: landelijke trends van boerenlandvogels
  OSPAR Commission: landelijke trends
  Aviaire Influenza: landelijke trends en verspreiding
  EU Kaderrichtlijn Mariene Strategie: landelijke trends
  Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijke trends
  Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000‑gebieden en per biotoop
  Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten
  Verspreiding van invasieve exoten
  Graadmeters Natuurnetwerk Nederland: provinciale trends
Indirecte meetdoelen
  Ramsar (wetlands): trends per Ramsar gebied
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Sustainable Development Goals: landelijke trends
  Schadesoorten: landelijke trends
  Biodiversiteit van het agrarisch gebied: landelijke trends
  Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  Stadsnatuur: landelijke trends

Soorten

Aangezien alle van nature in Nederland voorkomende broedvogels beschermd zijn en er over al deze soorten informatie nodig is, zijn ze ook allemaal opgenomen in het meetprogramma broedvogels. Naast deze inheemse soorten zijn bovendien enkele exoten opgenomen. Op de Unielijst van te volgen en eventueel te bestrijden exoten (NVWA, z.d.) staan zes vogelsoorten: heilige ibis, huiskraai, nijlgans, roodbuikbuulbuul, rosse stekelstaart en treurmaina. Extra inspanning voor het volgen van deze soorten is maar beperkt, omdat de monitoring van deze soorten, voor zover aanwezig, grotendeels meelift binnen de projecten voor de overige soorten.

Gegevens

Gegevensinwinning

Projecten

Broedvogels worden geïnventariseerd in diverse projecten voor aantalsmonitoring, onder de overkoepelende naam Meetnet Broedvogels. Onder deze naam is oorspronkelijk gestart met tellingen van de algemene en schaarse broedvogels (BMP), niet veel later gevolgd door tellingen van zeldzame broedvogels (LSB) en kolonievogels (KOL). Voor algemene en schaarse soorten betreffen de tellingen een steekproef van de populaties. Bij de zeldzame soorten en kolonievogels wordt zoveel mogelijk gestreefd naar integrale tellingen (50% of meer van alle meetpunten).

Onder het BMP vallen ook enkele meer gespecialiseerde projecten gericht op bijzondere soorten en/of habitats, zoals voor boerenlandvogels (MAS), stadsvogels (MUS) en kustbroedvogels. Elk (deel) project heeft zijn eigen meetprotocol en er zijn ook verschillende analyseprotocollen. Veelal worden (territoria van) broedparen in kaart gebracht, maar bijvoorbeeld bij de stadsvogeltellingen met het MUS protocol, gaat het om tellingen van individuen en bij veel kolonievogels om bezette nesten.

Veldwerkhandleidingen en een onderzoeksbeschrijving zijn te vinden op de NEM website en de Sovon website (zie onder Links).

Broedvogels worden in de meeste gevallen geïnventariseerd door vrijwilligers, maar bij de provinciale boerenlandvogeltellingen, de tellingen van kustbroedvogels in het Wadden- en Deltagebied en tellingen in de zoete en zoute Rijkswateren worden ook beroepskrachten ingeschakeld. Rijk en provincies hebben een ruilovereenkomst m.b.t. de gegevens. Onderdeel daarvan is een loketfunctie op de website van Sovon om provinciale vogel­informatie beschikbaar te stellen (zie Links). Op deze website worden per soort trend-, aantals- en verspreidingsgegevens gepresenteerd op landelijk, provinciaal en gebiedsniveau.

Voor het beoordelen van de effectiviteit van het in 2016 ingevoerde Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) zijn 52 broedvogelsoorten en 11 niet aan water gebonden wintervogelsoorten geselecteerd door de provincies, de zogeheten doelsoorten, om de trends in beheerd agrarisch gebied te vergelijken met trends in niet-beheerd (=regulier) agrarisch gebied. Binnen het agrarisch gebied is daarbij ook onderscheid gemaakt naar de leefgebieden open akkerland, open grasland, en natte en droge dooradering, waarbij voor iedere soort gestreefd wordt naar voldoende meetpunten in de voor die soort relevante gebieden in zowel beheerd als niet beheerd referentiegebied. Het grootste deel van de doelsoorten wordt al gevolgd via broedvogeltellingen en wintervogeltellingen; voor de analyse van de beleidsmonitoring worden 38 algemene en schaarse broedvogel (BMP) doelsoorten en 9 wintervogel (PTT) doelsoorten (2 doelsoorten zijn te schaars voor trendberekening) gebruikt. Met de wintervogeltelmethode (Punt Transect Tellingen) worden in de laatste twee weken van december vogels geteld op vaste routes (transecten) met elk twintig telpunten (zie kaart 7.3.9).

Vrijwel alle telgegevens worden via internetportals of apps ingevoerd. De basis daarvoor is het programma Avimap, dat in verschillende varianten voor de diverse vogeltellingen beschikbaar is.

Gegevensverwerking

Voor elk van de deelprojecten en soorten is op grond van de beschikbaarheid van data een startjaar gekozen vanaf wanneer trendberekening plaats kan vinden. Op basis van de tellingen worden voor de meeste broedvogels standaard trends berekend vanaf 1990. Voor veel soorten geldt echter dat ook bruikbare gegevens beschikbaar zijn van vóór 1990. Voor die soorten worden ook aanvullende trends berekend over langere tijdreeksen, in sommige gevallen al vanaf 1980.

Bij de verwerking van de gegevens wordt gecontroleerd op uitbijters, op consistentie en volledigheid van de gegevens, en op betrouwbaarheid en mogelijke vertekening van de berekende trends. Eventuele vertekening door over- of onderbemonstering van bepaalde gebieden wordt in veel gevallen gecorrigeerd door middel van stratificatie en weging. In vrijwel alle gevallen betreft dat een weging op het niveau van fysisch geografische regio’s en daarbinnen soms ook naar biotoop. Bij soorten die vrijwel integraal gevolgd worden, vindt soms nog wel stratificatie plaats omdat dat betere schattingen van missende telwaarden oplevert, maar is weging niet nodig. Aantalsgegevens worden jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort berekend worden met het TRIM model in het R package rtrim. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving, op de website van het CBS (Statline) en op de website van Sovon (zie Links).

Dankzij de intensieve monitoring kunnen naast betrouwbare landelijke resultaten voor veel vogelsoorten ook op een lager niveau betrouwbare trends en indexen worden bepaald, onder meer op het niveau van provincies, hoofdwatersystemen en gezamenlijke en afzonderlijke Natura 2000‑gebieden.

De kwaliteit van de resultaten is in de meeste gevallen beoordeeld op grond van de teldekking en de statistische betrouwbaarheid van de berekende trendresultaten. In het geval van zeer zeldzame, incidentele of verdwenen soorten (bijvoorbeeld brilduiker en zwarte wouw) zijn te weinig gegevens beschikbaar voor betrouwbare trendberekening met rtrim. De kwaliteit van de trend in Nederland wordt in die gevallen beoordeeld op basis van een inschatting van de kans dat individuen van de betreffende soort worden gevonden wanneer deze aanwezig zijn.

Voor Natura 2000‑gebieden worden door Sovon ook aantallen bepaald, waarbij het streven is om minimaal eens per drie jaar een aantalsopgave beschikbaar te stellen. Het protocol daarvoor is in overleg met het CBS tot stand gekomen, maar beoordeling van de resultaten maakt geen deel uit van deze rapportage.

7.3.2Broedvogels: kwaliteitsbeoordeling per soort
Kwaliteit trend
Soort1)2) Beleidsstatus3) Kwaliteit trend NL4) Waddenzee (TMAP) boerenland­vogels (FBI) Opmerkingen
Aalscholver (k) VR I, TMAP, Ai goed goed    
Appelvink VR, TYP goed
Baardman VR goed
Bergeend VR, TMAP, Ai, TYP goed goed  
Blauwborst VR I, TYP goed      
Blauwe kiekendief VR I, TMAP goed goed    
Blauwe reiger (k) VR, Ai goed      
Boerenzwaluw VR, FBI, ANLb goed   goed  
Bontbekplevier VR I, TMAP, Ai goed goed    
Bonte strandloper VR, TMAP, Ai goed     incidenteel in NL
Bonte vliegenvanger VR goed      
Boomklever VR, TYP goed      
Boomkruiper VR goed      
Boomleeuwerik VR I, TYP goed    
Boompieper VR, ANLb goed      
Boomvalk VR goed    
Bosrietzanger VR, TYP goed      
Bosuil VR, TYP goed      
Braamsluiper VR, ANLb goed      
Brandgans VR, TMAP, Ai, S goed goed    
Brilduiker VR, Ai goed    
Bruine kiekendief VR I goed    
Buidelmees VR goed      
Buizerd VR goed      
Bijeneter VR goed      
Canadese gans Ai, S goed      
Cetti’s Zanger VR goed    
Dodaars VR I, TYP, Ai goed      
Draaihals VR I goed      
Duinpieper VR I, TYP goed     verdwenen uit NL
Dwergmeeuw VR, TMAP goed     incidenteel in NL
Dwergstern (k) VR I, TMAP goed goed    
Eider VR I, TMAP, TYP goed goed  
Ekster VR, S goed    
Europese kanarie VR goed    
Fazant Exoot, S goed      
Fitis VR goed      
Fluiter VR, TYP goed      
Fuut VR, Ai goed      
Gaai VR goed    
Geelgors VR, FBI, TYP, ANLb goed   goed  
Gekraagde roodstaart VR, ANLb goed      
Gele kwikstaart VR, FBI, ANLb goed   goed  
Geoorde fuut VR I, TYP, Ai goed      
Gierzwaluw VR goed      
Glanskop VR goed      
Goudhaan VR goed      
Goudvink VR, TYP goed      
Grasmus VR, FBI goed   goed  
Graspieper VR, FBI, TYP, ANLb goed   goed  
Graszanger VR goed      
Grauwe gans VR, Ai, S goed      
Grauwe gors VR, FBI, ANLb goed   goed
Grauwe kiekendief VR I, ANLb goed goed  
Grauwe klauwier VR I, ANLb goed goed  
Grauwe vliegenvanger VR, ANLb goed    
Griel VR goed     verdwenen uit NL
Groene specht VR, ANLb goed      
Groenling VR, ANLb goed      
Grote bonte specht VR, TYP goed      
Grote gele kwikstaart VR goed      
Grote karekiet VR I goed      
Grote Lijster VR, FBI, ANLb goed   goed  
Grote mantelmeeuw VR, TMAP, Ai goed goed    
Grote stern (k) VR I, TMAP goed goed    
Grote zilverreiger (k) VR I, Ai goed      
Grutto VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb goed goed goed  
Halsbandparkiet Exoot goed      
Havik VR goed    
Heggenmus VR goed      
Heilige Ibis Exoot goed      
Holenduif VR, S goed      
Hop VR goed     incidenteel in NL
Houtduif VR, S, ANLb goed      
Houtsnip VR, TYP, Ai goed      
Huiskraai Exoot goed      
Huismus VR, S, ANLb goed      
Huiszwaluw (k) VR, ANLb goed      
IJsvogel VR I goed      
Kauw VR, S goed      
Kemphaan VR I, TMAP, FBI, Ai, ANLb goed goed goed  
Kerkuil VR goed      
Kievit VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb goed goed goed
Klapekster VR, TYP goed     verdwenen uit NL
Kleine barmsijs VR goed      
Kleine bonte specht VR goed      
Kleine Karekiet VR goed      
Kleine mantelmeeuw (k) VR I, TMAP, Ai goed goed    
Kleine plevier VR, Ai goed      
Kleine zilverreiger (k) VR, TMAP, Ai goed goed    
Kleinst waterhoen VR goed      
Kluut VR I, TMAP, Ai, TYP goed goed    
Kneu VR, ANLb goed      
Knobbelzwaan VR, Ai, S goed      
Koekoek VR, ANLb goed      
Kokmeeuw (k) VR, TMAP, Ai goed goed  
Kolgans VR, Ai, S goed      
Koolmees VR goed    
Korhoen VR I goed    
Kraanvogel VR goed      
Krakeend VR, Ai goed      
Kramsvogel VR, ANLb goed      
Krooneend VR, Ai goed      
Kruisbek VR goed      
Kuifeend VR, Ai goed      
Kuifleeuwerik VR goed     verdwenen uit NL
Kuifmees VR goed      
Kwak VR, TYP goed    
Kwartel VR, FBI, TYP, ANLb goed   goed
Kwartelkoning VR I, ANLb goed      
Lachstern VR, TMAP goed     Incidenteel in NL
Lepelaar (k) VR I, TMAP, Ai goed goed    
Matkop VR, TYP goed      
Meerkoet VR, Ai, S goed      
Merel VR goed      
Middelste bonte specht VR goed    
Middelste zaagbek VR, TMAP goed goed    
Nachtegaal VR, TYP goed      
Nachtzwaluw VR I goed      
Nijlgans Ai, Exoot goed      
Nonnetje VR I goed      
Noordse stern (k) VR I, TMAP goed goed    
Oehoe VR goed      
Oeverloper VR, Ai goed      
Oeverzwaluw (k) VR I goed    
Ooievaar VR, Ai goed      
Ortolaan VR goed     verdwenen uit NL
Paapje VR I, TYP goed    
Patrijs VR, FBI, ANLb goed   goed  
Pijlstaart VR, TMAP, Ai goed goed    
Pimpelmees VR goed      
Pontische meeuw (k) VR I goed      
Porseleinhoen VR I goed      
Purperreiger (k) VR I, Ai, ANLb goed      
Putter VR, FBI goed   goed  
Raaf VR goed      
Ransuil VR goed      
Rietgors VR, ANLb goed      
Rietzanger VR I goed      
Ringmus VR, FBI, S, ANLb goed   goed  
Rode wouw VR goed      
Roek (k) VR, FBI, S, ANLb goed   goed  
Roerdomp VR I, Ai goed    
Roodborst VR goed      
Roodborsttapuit VR I, FBI, TYP, ANLb goed   goed
Roodhalsfuut VR goed      
Roodkopklauwier VR goed     verdwenen uit NL
Rosse stekelstaart Exoot goed      
Ruigpootuil VR goed     incidenteel in NL
Scholekster VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb goed goed goed  
Sijs VR goed      
Slechtvalk VR goed      
Slobeend VR, FBI, Ai, ANLb goed   goed  
Smient VR, TMAP, Ai, S goed goed  
Snor VR I goed      
Soepeend Exoot goed      
Soepgans Exoot goed      
Sperwer VR goed    
Spotvogel VR, FBI, ANLb goed   goed  
Spreeuw VR, FBI, S, ANLb goed   goed  
Sprinkhaanzanger VR, TYP goed      
Staartmees VR goed      
Stadsduif VR goed      
Steenloper VR, TMAP goed     incidenteel in NL
Steenuil VR, FBI, ANLb goed   goed  
Steltkluut VR goed      
Stormmeeuw (k) VR, TMAP, Ai goed goed    
Strandplevier VR I, TMAP, TYP goed goed    
Tafeleend VR, Ai goed      
Tapuit VR I, TYP goed      
Tjiftjaf VR goed    
Torenvalk VR, FBI, ANLb goed   goed  
Treurmaina Exoot goed      
Tuinfluiter VR, ANLb goed      
Tureluur VR, TMAP, Ai, FBI, TYP, ANLb goed goed goed  
Turkse tortel VR goed    
Veldleeuwerik VR, FBI, TYP, ANLb goed   goed
Velduil VR I, TMAP, TYP, ANLb goed goed    
Vink VR goed      
Visarend VR I goed      
Visdief (k) VR I, TMAP, Ai, ANLb goed goed    
Vuurgoudhaan VR goed      
Waterhoen VR, Ai, ANLb goed      
Waterral VR, Ai goed      
Watersnip VR I, TMAP, Ai, FBI, TYP, ANLb goed goed goed  
Wespendief VR I, TYP goed      
Wielewaal VR, TYP, ANLb goed      
Wilde eend VR, Ai, S goed      
Wilde zwaan VR, Ai goed      
Winterkoning VR goed      
Wintertaling VR, TYP, Ai, ANLb goed      
Witte kwikstaart VR, ANLb goed    
Witwangstern VR I goed      
Woudaap VR I goed    
Wulp VR, TMAP, Ai, FBI, TYP, ANLb goed goed goed  
Zanglijster VR goed      
Zeearend VR goed      
Zilvermeeuw (k) VR, TMAP, Ai goed goed    
Zomertaling VR, Ai, ANLb goed      
Zomertortel VR, FBI goed   goed  
Zwarte kraai VR, S goed      
Zwarte mees VR goed      
Zwarte roodstaart VR goed      
Zwarte specht VR I, TYP goed      
Zwarte stern (k) VR I, TYP, Ai, ANLb goed      
Zwarte wouw VR goed      
Zwartkop VR goed      
Zwartkopmeeuw (k) VR I, TMAP, Ai goed goed  

1)(k): Kolonievogel.

2)VR: Vogelrichtlijnsoort (alle inheemse vogelsoorten volgens art 1–3 VR); VR I: soorten waarvoor op basis van bijlage I van de Vogelrichtlijn in één of meerdere Natura 2000‑gebieden instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd; TMAP: Trilateral Monitoring and Assessment Program; FBI: Farmland Bird Index; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; Exoot: (invasieve) exoten; S: Schadesoorten (vastgesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur); ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.

3)Kwaliteit van trends voor meetdoel aviaire influenza is gelijk aan kwaliteit trends NL en daarom niet apart benoemd.

4)Enkele voor ANLb geselecteerde PTT soorten ontbreken in deze lijst, omdat deze niet broeden in Nederland.

7.3.3 Aantal getelde broedvogelplots BMP: agrarisch gebied, stedelijk gebied en overig
jaren Agrarisch gebied Stedelijk gebied Overig
'90 579 41 514
'91 454 61 500
'92 640 68 581
'93 576 64 604
'94 777 63 621
'95 732 52 656
'96 859 50 749
'97 851 50 737
'98 1166 59 852
'99 1056 77 834
'00 1208 71 866
'01 696 74 673
'02 1300 74 886
'03 1146 72 833
'04 1318 87 935
'05 1234 92 920
'06 1663 91 918
'07 1108 482 855
'08 1011 547 851
'09 1673 541 852
'10 960 626 897
'11 1231 671 978
'12 1770 693 1090
'13 2118 699 1030
'14 1755 797 1027
'15 1807 721 1150
'16 2266 762 1227
'17 2364 767 1195
'18 2387 792 1262
'19 2500 805 1143
'20 2543 840 1202
'21 2852 900 1250
'22 2838 939 1218
'23 2713 927 1208
7.3.4 Aantal getelde transecten PTT
Jaren Aantal transecten
'80 151
'81 143
'82 164
'83 331
'84 419
'85 379
'86 383
'87 417
'88 405
'89 383
'90 352
'91 359
'92 342
'93 299
'94 321
'95 348
'96 368
'97 408
'98 421
'99 436
'00 407
'01 399
'02 410
'03 419
'04 442
'05 450
'06 429
'07 436
'08 435
'09 416
'10 382
'11 457
'12 449
'13 450
'14 443
'15 472
'16 575
'17 591
'18 610
'19 653
'20 677
'21 676
'22 640
'23 620

Natura 2000‑gebieden en zoete Rijkswateren

Voor 45 soorten broedvogels zijn Natura 2000‑gebieden aangewezen waar deze soorten speciale bescherming genieten. In totaal levert dit 374 soort-gebiedscombinaties op waarvoor informatie over trends en populatiegrootte gewenst is. Het beoordelen van de teldekking in Natura 2000‑gebieden gebeurt primair op basis van de mate waarin in de laatste drie jaren de telgebieden zijn geïnventariseerd waarin de soort in de afgelopen twaalf jaar is aangetroffen (zie tabel 7.3.5). In het oordeel wordt tevens rekening gehouden met de relatieve aantallen van de soort in de recent getelde meetpunten binnen de gebieden: meetpunten met veel individuen tellen zwaarder mee. Alleen wanneer die informatie geen uitsluitsel geeft, wordt met aanvullende expert kennis over de situatie ter plaatse een eindoordeel gegeven.

Deze systematiek wordt ook gehanteerd voor het beoordelen van de teldekking van een aantal indicatieve soorten van de zoete Rijkswateren. Het gaat hier om 288 combinaties van 63 indicatieve soorten in vijf onderscheiden hoofdwatersystemen. Zie voor de beoordeling van de teldekking ‘Voortgang 2024’.

7.3.5Broedvogels: kwaliteitsbeoordeling per Natura 2000‑gebied
Aantal VR soorten2) Aantal VR soorten niet goed3) Specificatie soorten niet goed
Natura 2000‑gebied1)
Alde Feanen 9    
Bargerveen 10    
Biesbosch 8    
Boezems Kinderdijk 4    
Brabantse Wal 6 4 boomleeuwerik, dodaars, wespendief, zwarte specht
De Wieden 13    
Deelen 5 1 rietzanger
Deurnsche Peel & Mariapeel 4 1 nachtzwaluw
Drents-Friese Wold & Leggelderveld 9    
Duinen Ameland 9 1 eider
Duinen en Lage Land Texel 12 5 bontbekplevier, bruine kiekendief, eider, kluut, roodborsttapuit
Duinen Goeree & Kwade Hoek 1    
Duinen Schiermonnikoog 7    
Duinen Terschelling 10 2 rietzanger, tapuit
Duinen Vlieland 8    
Dwingelderveld 7    
Eemmeer en Gooimeer zuidoever 1    
Eilandspolder 1    
Engbertsdijksvenen 1    
Fochteloerveen 4    
Grevelingen 7 1 bruine kiekendief
Groote Peel 5    
Groote Wielen 3    
Haringvliet 10    
Hollands Diep 2    
IJsselmeer 10 3 bruine kiekendief, rietzanger, snor
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske 7 1 visdief
Kampina & Oisterwijkse Vennen 2    
Ketelmeer & Vossemeer 3 1 porseleinhoen
Krammer-Volkerak 8 1 bruine kiekendief
Lauwersmeer 13    
Leekstermeergebied 3    
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux 3 2 boomleeuwerik, roodborsttapuit
Lepelaarplassen 2    
Maasduinen 8    
Markermeer en IJmeer 2    
Markiezaat 5    
Meinweg 3 3 boomleeuwerik, nachtzwaluw, roodborsttapuit
Naardermeer 5    
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 6    
Noordzeekustzone 3    
Oostelijke Vechtplassen 9    
Oosterschelde 8 1 bruine kiekendief
Oostvaardersplassen 14    
Oudegaasterbrekken, Fluessen e.o. 1    
Rijntakken 12    
Sallandse Heuvelrug 3 1 roodborsttapuit
Sneekermeergebied 4    
Strabrechtse Heide & Beuven 2    
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht 5    
Van Oordt’s Mersken 2    
Veerse Meer 3    
Veluwe 10    
Veluwerandmeren 2    
Voornes Duin 4    
Waddenzee 13    
Weerribben 8 3 rietzanger, snor, watersnip
Weerter- en Budelerbergen & Ringselven 3 3 boomleeuwerik, nachtzwaluw, roodborsttapuit
Westerschelde & Saeftinghe 9    
Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder 3    
Zoommeer 4    
Zouweboezem 3    
Zuidlaardermeergebied 3    
Zwanenwater & Pettemerduinen 4    
Zwarte Meer 6    

1)De begrenzing van de gemonitorde gebieden valt niet altijd volledig samen met de begrenzing van de Natura 2000‑gebieden.

2)Aantal kwalificerende VR soorten per gebied.

3)Met het oog op trends per VR gebied: gebaseerd op volledigheid van beschikbare tellingen in de laatste 3 jaar en expert judgement.

Voortgang 2024

Broedvogels – landelijk

De landelijke teldekking voor broedvogels is onverminderd groot en neemt over het algemeen nog steeds toe, zie kaarten 7.3.6 t/m 7.3.8. Evenals in voorgaande jaren is de datavoorziening voor broedvogels dus goed en kunnen voor alle soorten betrouwbare landelijke trends (zie tabel 7.3.2) worden bepaald, evenals vele trends op een lager schaalniveau.

In totaal zijn voor de verschillende BMP deelprojecten in de loop der jaren (1990–2023) ongeveer 15 000 meetpunten minimaal eenmaal onderzocht, verdeeld over de verschillende deelprojecten voor verschillende doeleinden en in verschillende biotopen. In de laatste vijf jaar werden een kleine 30 tot ruim 33% van deze meetpunten jaarlijks geteld (zie figuur 7.3.3). Bij de zeldzame soorten zijn telgegevens beschikbaar van bijna 6 500 locaties. In de laatste vijf jaar werden daarvan ruim 47 tot ruim 49% (3 066 tot 3 210) jaarlijks geteld. Voor kolonievogels zijn telgegevens beschikbaar van ongeveer 17 000 kolonies/meetpunten, die minimaal eenmaal geteld zijn. In de laatste vijf jaar werden bijna 75 tot 78% (12 716 tot 13 279) van de kolonies geteld. Het aantal kolonies per soort is min of meer stabiel en omvat vrijwel alle kolonies van de betreffende soorten.

Het toenemende gebruik van hulpmiddelen als warmtebeeldkijker, geluiden­herkennings­apps e.d. bij de uitvoering van tellingen verdient nader onderzoek. Geluidherkenningsapps kunnen de detectiekans vergroten, maar zijn niet altijd accuraat in de identificatie van een soort. Sovon heeft een protocol voor het werken met geluidenapps (herkenning) opgesteld, waarin centraal staat dat een waarnemer de uitkomsten van de app visueel en/of auditief bevestigt om misidentificatie op basis van de app te voorkomen, dat in voorjaar 2025 beschikbaar zal zijn. Het al dan niet werken met een geluidenapp kan invloed hebben op een kartering. Daarom zal Sovon een vraag hierover vóór voorjaar 2025 in de standaard routine van BMP-Avimap inbouwen, zodat daar rekening mee gehouden kan worden in de analyse van de gegevens. Daarnaast loopt er onderzoek naar de verschillen in detectiekans.

Sovon heeft, dankzij de verbeteringen in de invoerapps en controles in 2023, wederom de data tot en met 2023 al in januari 2024, ruim drie maanden eerder dan in 2022, aan het CBS geleverd. Mede dankzij de aanpassingen in de automatisering bij het CBS in 2023 waren de resultaten daardoor in het vroege voorjaar (ca. 1 april) na het laatste teljaar al beschikbaar. De trendberekeningen voor de boerenlandvogels van Fryslân (ten behoeve van de eierraap-vergunningen) zitten nu standaard in de reguliere trendberekeningen.

Broedvogels – gebieden

Aangewezen broedvogelsoorten in de Natura 2000‑gebieden worden in verreweg de meeste gevallen goed geteld. Slechts 34 (9%) van de 374 soort-gebiedscombinaties werden in de laatste drie jaar onvoldoende geteld (zie tabel 7.3.5). Dat is één combinatie minder dan vorig jaar en twee meer dan in de data tot en met 2021, waarmee het aantal de laatste jaren stabiel blijft op een laag niveau. In de lijst van soorten die onvoldoende geteld worden is wel enige verschuiving te zien, maar een deel van de huidige knelpunten was ook in eerdere jaren al een knelpunt. Negen soort-gebiedscombinaties werden nu wel voldoende geteld t.o.v. vorig jaar en voor acht ‘nieuwe’ soort-gebiedscombinaties was de teldekking nu niet voldoende (zie tabel 7.3.5).

Ook bij de indicatieve soorten van de zoete Rijkswateren is de teldekking over het algemeen goed. Voor slechts 12 (4%) van de 288 soort-gebiedscombinaties was de teldekking een knelpunt, 1 minder dan vorig jaar. Het grootse deel van deze knelpunten betrof de teldekking van moerasvogels in het IJsselmeergebied, waarbij met name van de Friese IJsselmeerkust weinig gegevens binnenkomen.

De MUS data voor de berekening van de trends van stadsvogels zijn dit jaar geïntegreerd in de reguliere BMP datalevering. De CBS automatisering is aangepast, zodat de stadsvogeltrends nu onderdeel zijn van de BMP analyses.

Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb)

Voor ANLb en referentie (regulier agrarisch beheer; REF) gebieden – dit jaar alleen in gebieden met ongewijzigd beheer gedurende 2016–2023 – is opnieuw met BMP (broedvogels) en PTT (wintervogels) data getoetst of de trends in deze gebieden van elkaar verschillen. Dat is gedaan voor 38 verschillende soorten broedvogels en 9 soorten wintervogels, de doelsoorten. Hiervoor zijn gegevens gebruikt van de periode 2016–2023. Voor slechts vijf broedvogelsoorten (grutto, houtduif, kievit, veldleeuwerik, waterhoen) kon worden aangetoond dat de trend positiever is in ANLb meetpunten dan in REF meetpunten (zie Kleyheeg et al. (2020) voor uitleg over de gebruikte statistische tests). Voor de graspieper was de REF trend positiever dan de ANLb trend. Er kon geen verschil tussen ANLb en REF trends aangetoond worden voor de wintervogeldoelsoorten (verslaglegging van de ANLB analyses in Jansen & Soldaat ter perse).

Wageningen Environmental Research en Sovon zijn in 2024 een Ecologische Evaluatie begonnen van het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer, waarin o.a. de trendverschillen vóór en ná de invoering (2016), de selectie van andere soorten dan de nu gekozen doelsoorten en alternatieve analysemethoden verkend worden. Het rapport wordt maart 2025 verwacht.

In het PTT meetnet zijn telgegevens beschikbaar van ruim 1 200 routes met elk twintig afzonderlijke meetpunten. De laatste vijf jaar werd 50 tot 55% (620 tot 677) van de transecten jaarlijks geteld (zie figuur 7.3.4). Het aantal getelde routes is duidelijk gegroeid sinds het PTT ten behoeve van de beleidsmonitoring van Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) in 2016 in het NEM is opgenomen.

Er zijn overigens indicaties dat de leeftijd van de waarnemers van invloed kan zijn op de monitoring. Sovon heeft een verkennende analyse gedaan in 2023 en de resultaten gedeeld met het CBS voor verdere analyse.

Exoten

Van de zes invasieve vogelsoorten van de Unielijst (NVWA, z.d.) komen alleen nijlgans en rosse stekelstaart als recente broedvogel in Nederland voor. Beide worden met het huidige meetprogramma goed gevolgd (zie bijlage 12 voor de verspreidingskaarten van deze twee soorten). Naast deze soorten van de Unielijst, worden ook diverse andere vogelexoten gevolgd (zie tabel 7.3.2).

Publicaties

In de literatuurlijst van dit rapport staan, naast de in bovenstaande tekst geciteerde literatuur, diverse publicaties genoemd, die verslag doen van het broedseizoen 2023 en/of gebruik maken van de data of aanvullende/achtergrond informatie geven betreffende het tellen van broed- en wintervogels.

Aandachtspunten

  • De ANLb analyses zoals ze nu door het CBS uitgevoerd worden kunnen (fors) wijzigen n.a.v. de ecologische evaluatie van WEnR en de reactie van BIJ12 daarop (BIJ12, CBS, Sovon).
  • Onderzoek naar mogelijke vertekening van PTT trends door met name (een toename van) de leeftijd van de waarnemers (CBS).
  • De invloed van hulpmiddelen als warmtebeeldkijker, geluidenherkenningsapps e.d. bij de uitvoering van tellingen (Sovon).

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving, CBS-Statline en Sovon.

Resultaten toetsing Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: Website CBS.

Methodes en links naar handleidingen: Website NEM; Website SOVON/PTT.

Informatie over Sovon: Website Sovon.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van broedvogels van 1984 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.
De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van kolonievogels van 1990 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.
De kaart toont de ligging van de kerngebieden en meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van zeldzame vogels van 1986 tot en met 2024. Per kerngebied en meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.
De kaart toont de ligging van de transecten in Nederland van de aantalsmonitoring van broedvogels door middel van punt transect tellingen in de winter van 1980 tot en met 2024. Per transect is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.

7.4Broedvogels: Nestkaarten

Algemeen

Het meetprogramma Nestkaarten levert informatie over het broed- en nestsucces van vogels en over het tijdstip van het broeden en de veranderingen daarin. Broedsucces betreft het aantal uitgekomen vliegvlugge jongen per broedpaar en nestsucces het percentage nesten dat minimaal één nest verlatend kuiken of vliegvlug jong voortbrengt.

Met gegevens over de reproductie zijn toekomstige veranderingen in de populatiegrootte al in een vroeg stadium te signaleren en kan daarop worden geanticipeerd in het beleid, met name voor wadvogels (in het kader van Trilateral Monitoring and Assesment Program TMAP) en boerenlandvogels. Tevens zijn fenologische veranderingen onder invloed van bijvoorbeeld klimaatverandering te signaleren.

Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.

Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, Werkgroep Roofvogels Nederland, Steenuilen Overleg Nederland, CBS, Weidevogelwachten en Landschappen.nl, Stichting Kerkuilenwerkgroep Nederland, Stichting Hirundo, Werkgroep NESTKAST, Werkgroep STORK, Werkgroep Lepelaar, Werkgroep Zeearend Nederland, e.a. (zie voor de volledige lijst tabel 2.3 in Boele et al. 2023).

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), provincies.

7.4.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijke trends
Matig sturende meetdoelen
  Nestsucces boerenlandvogels en broedsucces waddenvogels
Indirecte meetdoelen
  Biodiversiteit van het agrarisch gebied: landelijke trends
  Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.

Soorten

De soortselectie van 32 soorten voor kwaliteitsbeoordeling (tabel 7.4.2) is gebaseerd op de indicator over veranderingen in eerste eilegdatum (data tot en met 2022), en dient te worden aangepast wanneer de indicator vernieuwd wordt in 2025. Bij de selectie zal meer rekening moeten worden gehouden met de meetdoelen voor dit meetprogramma. Daarbij gaat het om het broedsucces van waddenbroedvogels uit het Trilateral Monitoring and Assessment Programme (TMAP) en het nestsucces van boerenlandvogels in relatie tot de Europese Farmland Bird Indicator (FBI). Andere soorten waarvan in voldoende mate gegevens beschikbaar zijn, kunnen hierin meeliften.

Gegevens

Gegevensinwinning

De nestgegevens worden op (digitale) kaarten geregistreerd, vandaar de term ‘nestkaarten’. Het meetprogramma bestaat uit het jaarlijks verzamelen en analyseren van data over het broed- en nestsucces en de eilegdatum. Per vogelsoort worden de lotgevallen van een aantal nesten tot het uitkomen van de eieren (bij nestvlieders) of uitvliegen van de jongen (bij nestblijvers) gevolgd gedurende het broedseizoen, zoals legselgrootte, eilegdatum en broed- en nestsucces. In het meetprogramma Nestkaarten wordt samengewerkt met een groot aantal organisaties die nestgegevens verzamelen (zie in Algemeen hierboven).

Het meetprogramma is gestart in 1995, maar voor sommige soorten zijn ook eerdere gegevens beschikbaar; soms al vanaf de jaren zestig.

Data

Jaarlijks worden enkele tienduizenden nestkaarten ingevuld. Voor berekening van het broed-en nestsucces wordt gebruik gemaakt van de Mayfield methode (Beintema 1992) en wordt de kwaliteit o.a. beoordeeld op basis van de statistische betrouwbaarheid van de berekende trend. Voor algemene soorten wordt gestreefd naar een steekproef van minimaal dertig nesten en nestkaarten per jaar, voor zeldzame soorten van minimaal vijftien en voor zeer zeldzame soorten is de minimale steekproef vijf nesten en nestkaarten per jaar, mits daarmee een substantieel deel van de nesten wordt gevolgd. Op basis van nieuwe berekeningen (zie Voortgang 2023) is de oude minimale grootte van de steekproef voor algemene soorten van zestig bijgesteld naar dertig. Er worden daarnaast wel nieuwe eisen gesteld, o.a. aan de verdeling van de nestkaartgegevens over de periode waarover wordt gerekend en de geografische verspreiding van de nesten.

Gegevensverwerking

Jaarlijks worden door Sovon eilegdatum en broed- of nestsucces berekend van ongeveer zeventig vogelsoorten. Deze worden per soort op de Sovon website gepubliceerd en ook door het CBS gebruikt voor enkele indicatoren over broed- en nestsucces en verschuivingen in de eilegdatum op het Compendium voor de Leefomgeving (CLO). Het nestsucces van boerenlandvogels kan worden gebaseerd op nestgegevens van 12 van de 27 FBI soorten (data tot en met 2019) en het broedsucces van waddenvogels op nestgegevens van 10 van de 35 waddenvogels (data tot en met 2020), die in TMAP gevolgd worden. Voor de verschuiving van de eilegdatum konden de nestgegevens van 32 soorten (data tot en met 2022) gebruikt worden.

Voor de boerenlandvogels zijn er te weinig data beschikbaar over nestsucces van onbeschermde nesten, waardoor uitsluitend betrouwbare uitspraken gedaan kunnen worden over het nestsucces van het (substantiële) deel van de populatie waarvan de nesten wordt beschermd. Voor het bepalen van het effect van het agrarisch natuurbeheer (ANLb) zijn deze gegevens uiteraard nog steeds relevant.

De soortenselectie voor de kwaliteitsbeoordeling (tabel 7.4.2) is dit jaar aangepast aan de vernieuwde eilegdatum indicator. Soorten die relevant zijn voor de indicatoren broedsucces waddenvogels en nestsucces boerenlandvogels zijn vooralsnog niet in de kwaliteits­beoordeling opgenomen omdat de soortenselectie voor deze indicatoren nog wordt uitgewerkt (zie Aandachtpunten).

7.4.2Nestkaarten: kwaliteitsbeoordeling per soort
Soort Beleidsstatus1) Broedsucces boerenlandvogels (t‍/‍m 2019)2) Broedsucces waddenvogels (t‍/‍m 2020)2) Eilegdatum landelijk (t‍/‍m 2022)3)
Boerenzwaluw VR, FBI, ANLb goed   goed
Bonte vliegenvanger VR     goed
Boomklever VR, TYP     goed
Boomvalk VR     goed
Bosuil VR, TYP     goed
Bruine kiekendief VR I     goed
Buizerd VR     goed
Gekraagde roodstaart VR, ANLb     goed
Gele kwikstaart VR, FBI, ANLb .   goed
Gierzwaluw VR     goed
Graspieper VR, FBI, TYP, ANLb .   goed
Grutto VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb goed . goed
Havik VR     goed
Kerkuil VR, ANLb     goed
Kievit VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb goed . goed
Kleine plevier VR, Ai     goed
Koolmees VR     goed
Krakeend VR, Ai     goed
Meerkoet VR, Ai, S     goed
Pimpelmees VR     goed
Ringmus VR, FBI, S, ANLb goed   goed
Roodborsttapuit VR I, FBI, TYP, ANLb .   goed
Scholekster VR, TMAP, Ai, FBI, ANLb goed matig goed
Slobeend VR, FBI, Ai, ANLb goed   goed
Sperwer VR     goed
Spreeuw VR, FBI, S, ANLb goed   goed
Steenuil VR, FBI, ANLb goed   goed
Torenvalk VR, FBI, ANLb goed   goed
Tureluur VR, TMAP, Ai, FBI, TYP, goed . goed
  ANLb      
Wespendief VR I, TYP     goed
Wilde eend VR, Ai, S     goed
Wulp VR, TMAP, Ai, FBI, TYP, goed . goed
  ANLb      

1)VR: Vogelrichtlijnsoort (alle inheemse vogelsoorten volgens art 1–3 VR); VR I: soorten waarvoor op basis van bijlage I van de Vogelrichtlijn in één of meerdere Natura 2000‑gebieden instandhoudingsdoelen worden geformuleerd; TMAP: Trilateral Monitoring and Assessment Program; FBI: Farmland Bird Index; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; Exoot: (invasieve) exoten; S: Schadesoorten (vastgesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur); ANLb: Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.

2)Meetdoel nog niet in te vullen.

3)Beoordeling aantal kaarten over de laatste 3 jaar (met het oog op het kunnen bepalen van landelijke trends). Goed: 30 of meer; matig: 15–30; slecht: minder dan 15 nestkaarten. Bij schaarse soorten is een lager aantalscriterium aangehouden.

Voortgang 2023

Over het broedseizoen 2022 kwamen voor alle soorten samen ca. 54 000 nestkaarten beschikbaar, waarvan 49 649 voor de 32 soorten. Dit is wat lager dan over het broedseizoen 2021, maar er vindt altijd nalevering plaats, waardoor het aantal in de laatste jaren nog wat toe zal nemen. Vrijwel alle gegevens worden inmiddels digitaal ingezonden, waarbij automatische foutcontrole plaats vindt. Uitgaande van de gegevens van de laatste drie jaren, zijn van alle 32 soorten voldoende nestkaarten verzameld. Op basis van de ervaringen met berekening van trends en broed- en nestsucces, zijn de streefwaarden voor de minimale teldekking in de laatste drie jaren voor algemene soorten bijgesteld van zestig naar dertig nestkaarten en voor de zeer zeldzame soorten is het minimum opgehoogd van één naar vijf nestkaarten. Voor de beoordeling van de teldekking per soort heeft dat overigens weinig consequenties.

In 2021 is een nieuwe indicator over het nestsucces van boerenlandvogels uitgebracht en zijn de resultaten van het broedsucces van waddenvogels toegevoegd aan de al bestaande indicator over vogels in het Waddengebied. Update van deze indicatoren is eind 2024 nog niet gerealiseerd, en doorgeschoven naar 2025. Voor boerenlandvogels kunnen trends in nestsucces goed worden bepaald op basis van de nestkaarten. Voor waddenvogels zijn aanvullende gegevens nodig uit het Reproductiemeetnet Waddenzee en is berekening momenteel voor tien soorten mogelijk. Het broedsucces kan worden afgezet tegen de waarde die minimaal nodig is om een stabiele populatie in stand te houden. Voor boerenlandvogels is dat niet mogelijk omdat met nestkaarten alleen nestsucces wordt bepaald, en de overleving van de kuikens ook van veel andere factoren afhangt.

Aan de herziening van de rekenmethode en soortselectie bij de CLO indicator over verschuivingen in de eilegdatum is in 2023 veel gedaan. Bij de soortselectie is uitgebreid gekeken naar welke criteria een rol dienen te spelen. Niet alleen het aantal nestkaartgegevens per soort per jaar is onder de loep genomen, maar ook de continuïteit van de aanlevering van gegevens door de jaren heen, de representativiteit van de nestlocaties en de mogelijke bias door data van vervolglegsels. Hoewel niet alle problemen voor alle soorten konden worden opgelost, voldeden data van 32 soorten aan de nieuwe selectiecriteria.

Publicaties

In de literatuurlijst van dit rapport staan, naast de in bovenstaande tekst geciteerde literatuur, diverse publicaties genoemd, die verslag doen van het broedseizoen 2022 en/of gebruik maken van de data of aanvullende/achtergrond informatie geven betreffende het monitoring van nesten.

Aandachtspunten

  • Aanpassen van de soortselectie voor het meetnet aan de meetdoelen en gewijzigde eisen (CBS, Sovon).
  • Meer nestkaarten verkrijgen van te weinig bemonsterde soorten met speciale aandacht voor TMAP soorten en weidevogels (Sovon).
  • Continuering van de samenwerking met soortgerichte werkgroepen en zorg dragen voor opname van hun gegevens in de databestanden (Sovon).
  • Herberekening van trends van CLO indicatoren boerenland- en waddenvogels (CBS).
  • Herziening van de CLO indicator over verschuiving in de eilegdatum (CBS, Sovon).

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methode en link naar handleiding Nestkaarten: Website Sovon/nestkaarten.

Informatie over Sovon: Website Sovon.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

7.5Watervogels

Algemeen

In het meetprogramma voor watervogels worden doortrekkende en overwinterende watervogels gevolgd in alle belangrijke waterrijke gebieden, inclusief de Waddenzee en de Noordzee. Ganzen en zwanen worden daarnaast ook gevolgd in zogenaamde aanvullende ganzengebieden (plaatsen waar veel ganzen en zwanen foerageren, voornamelijk in agrarisch gebied). Op de Noordzee foeragerende vogels worden geteld vanuit vliegtuigen en vogels in de kustzone worden geteld vanaf trektelposten langs de kust. Er wordt niet gestuurd op het inwinnen van verspreidingsgegevens, maar door de uitgebreidheid van het meetprogramma ontstaat een goed beeld van de verspreiding van veel soorten.

Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.

Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS, Rijkswaterstaat (RWS), terreinbeheerders, provincies, Nederlandse Zeevogelgroep, Trektellen.nl, ecologische adviesbureaus.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS WVL).

7.5.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends
  Trilateral Monitoring and Assessment Program: trends van vogels in het Waddengebied
  OSPAR Commission: landelijke trends
  Aviaire Influenza: landelijke trend en verspreiding
  Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM): landelijke trends
  EU Kaderrichtlijn Water: trends in zoete Rijkswateren
  Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends
  Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000‑gebieden en biotopen
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Invasieve exoten: landelijke trends
Indirecte meetdoelen
  Ramsar (wetlands): trends per Ramsar gebied
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  African Eurasian Waterbird Agreement: landelijke trends
  Sustainable Development Goals: landelijke trends
  Schadesoorten: landelijke trends
  Biodiversiteit van het agrarisch gebied: landelijke trends
  Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.

Soorten

Het meetprogramma streeft ernaar om alle beleidsrelevante overwinterende en doortrekkende aan watergebonden vogelsoorten te volgen. Dit betreft:

  • Soorten waarvoor op basis van de Vogelrichtlijn (VR) gebieden zijn aangewezen die een foerageerfunctie hebben voor de soort, omdat deze in bijlage I van de VR staan (aangegeven met VR I in tabel 7.5.2) of een regelmatig voorkomende trekvogel is (VR T);
  • soorten van het Trilateral Monitoring and Assessment Program (TMAP);
  • de lijst met doelsoorten van het Agrarisch Natuur en -Landschapsbeheer (ANLb);
  • de lijst met soorten die mogelijk een rol spelen bij uitbraken en verspreiding van aviaire influenza;
  • de niet-broedvogels uit het OSPAR programma (Convention for the Protection of the Marine Environment of the North-East Atlantic of de ‘OSPAR Conventie’), en daarmee uit het Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) programma dat aansluit bij OSPAR).

Voor veel van de soorten kunnen betrouwbare trends worden berekend (zie tabel 7.5.2).

Gegevens

Gegevensinwinning

Niet-broedende watervogels zijn doorgaans erg mobiel omdat zij niet aan een nestlocatie gebonden zijn. Bij verslechterende omstandigheden verplaatsen zij zich snel naar andere gebieden. Hierdoor kunnen de aantallen in een gebied gedurende het seizoen en zelfs binnen enkele dagen sterk veranderen. Een andere factor die voor veel variatie in watervogelaantallen zorgt is het sterke clustergedrag van veel soorten (groepen van duizenden individuen zijn geen uitzondering). Ten slotte veroorzaakt het trekgedrag van veel watervogels sterke seizoenspatronen. Deze grote variatie in ruimte en tijd kan voor vertekeningen in de resultaten zorgen. In niet-mariene gebieden wordt de kans op dergelijke vertekeningen sterk verkleind door een opzet waarin alle belangrijke gebieden op vaste teldatums maandelijks gedurende het gehele jaar geteld worden. Voor veel soorten, met name de soorten die sterk geconcentreerd voorkomen in de belangrijkste wetlands, benaderen de tellingen daardoor een totaaltelling. Op de open Noordzee is dit niet haalbaar en wordt gebruik gemaakt van een steekproefsgewijze opzet.

Het meetprogramma beschikt voor veel soorten over gegevens vanaf seizoen 1975/1976 en bestaat uit de volgende onderdelen:

  1. Maandelijkse gebiedsdekkende tellingen van alle soorten watervogels in alle belangrijke waterrijke gebieden, waaronder de Rijkswateren en de Natura 2000-/Ramsargebieden. In totaal gaat het om 94 zogenaamde monitoringgebieden, waarvan er 69 in onder de Vogelrichtlijn aangewezen Natura 2000‑gebieden liggen (en meestal het hele Natura 2000‑gebied omvatten). De tellingen vinden in ieder geval plaats van september-april, en met name in de grote Rijkswateren ook in de zomermaanden. In het Waddengebied vindt jaarlijks in vijf maanden (vier vaste en één jaarlijks wisselende maand) een gebiedsdekkende telling plaats en daarnaast zijn er maandelijkse tellingen in steekproefgebieden met vaste grenzen. Door een opzet met vaste, duidelijk begrensde telgebieden en vaste teldatums worden dubbeltellingen zoveel mogelijk voorkomen. Het veldwerk wordt overdag uitgevoerd, op het moment waarop watervogels zich veelal in de foerageergebieden ophouden. Langs de kust wordt geteld rond het tijdstip van hoogwater, wanneer de vogels zich verzamelen op de hoogste delen, de zogenaamde hoogwatervluchtplaatsen. Tijdens een telling worden alle watervogels geteld alsmede in wetlands veel voorkomende roof- en zangvogels. De veldwerkhandleiding en een onderzoeksbeschrijving zijn te vinden op de websites van Sovon en het NEM (zie Links). In een aantal gebieden worden de tellingen niet uitgevoerd door vrijwilligers van Sovon, maar door terreinbeheerders (met name van Rijkswaterstaat) of in een enkel geval door een provincie (Randmeren en Haringvliet, waar boottellingen worden uitgevoerd door respectievelijk de omgevingsdienst van de provincies Flevoland en Zuid-Holland). Vrijwel alle tellingen worden online of via de mobiele app ingevoerd op het watervogelportaal van Sovon.
  2. Maandelijkse gebiedsdekkende tellingen (september-april + extra soortspecifieke maanden) van pleisterplaatsen van ganzen en zwanen in 79 zogenaamde aanvullende ganzengebieden. Samen met de 94 monitoringgebieden worden de ganzen en zwanen daarmee gevolgd in 173 gebieden. De teldatums in de aanvullende ganzengebieden vallen samen met de teldatums in de monitoringgebieden en staan beschreven in de gezamenlijke handleiding (zie boven).
  3. Midwintertelling in januari. Tijdens deze telling worden zoveel mogelijk wateren (naast de maandelijks getelde gebieden) in heel Nederland geteld ten behoeve van de International Waterbird Census. Ganzen- en zwanentellers wordt gevraagd om tijdens deze telling in hun gebied alle watervogels te tellen.
  4. Tellingen van eider en zwarte zee-eend langs de gehele Noordzeekust en in de Waddenzee. Twee keer per jaar (november en januari) worden deze soorten vanuit een vliegtuig geteld, in de vier zogenaamde zee-eendgebieden (de beleidsmatig voor de hand liggende deelgebieden Voordelta, Hollandse Kust, Noordzeekustzone en Waddenzee).
  5. Tellingen van het open water van het IJsselmeer door Rijkswaterstaat vanuit een vliegtuig. Deze tellingen worden maandelijks volgens een vaste vliegroute uitgevoerd, maar zijn niet gebiedsdekkend.
  6. Enkele soorten die niet goed met de tellingen van monitoringgebieden gevolgd kunnen worden (grutto, kemphaan, kraanvogel, reuzenstern, zwarte stern), worden geheel of gedeeltelijk geteld op slaapplaatsen (zie hoofdstuk 7.6).
  7. Een aantal zeevogelsoorten wordt door vrijwilligers geteld op trektelposten langs de kust. Er vindt geen sturing plaats op de tijdstippen en telposten waar geteld moet worden, maar de teldekking is hoog en de registratie van tellingen en telomstandigheden is sterk gestandaardiseerd. De telgegevens worden via Trektellen.nl geleverd aan Sovon.
  8. Tellingen van zeevogels op de Noordzee (kustzone en Nederlands Continentaal Plat NCP) vanuit een vliegtuig door een ecologisch adviesbureau in opdracht van Rijkswaterstaat in het kader van het MWTL-programma (Monitoring Waterstaatkundige Toestand des Lands). Zowel de kustzone als de open zee worden in principe zes keer per jaar geteld, in de maanden augustus, november, januari, februari, april en juni. In de praktijk vinden de tellingen op de open zee sinds 2014 meestal vier tot vijf keer per jaar plaats. Er wordt een vliegroute gevolgd volgens vaste transectlijnen over het hele NCP, maar de telling beslaat vanwege de grote oppervlakte van de Noordzee slechts een klein deel van de populaties van zeevogels. Boven de Natura 2000‑gebieden Bruine Bank en Friese Front worden extra tellingen uitgevoerd volgens een zigzag-patroon. De telgegevens worden door Sovon bij het ecologisch adviesbureau opgevraagd en vervolgens geleverd aan het CBS.

Gegevensverwerking

Van de berekende landelijke trends heeft ruim 90% de beoordeling ‘goed’, de overige (vijf soorten) ‘matig’. De oorzaak voor een matige kwaliteit is dat er onvoldoende geteld kan worden, meestal door ontoegankelijkheid van gebieden of door gebrek aan tellers in specifieke gebieden. Van de zes soorten die een rol spelen bij ANLb (blauwe kiekendief, goudplevier, kleine zwaan, rotgans, ruigpootbuizerd, velduil) worden zoveel als mogelijk waarnemingen op de exacte locatie van voorkomen vastgelegd. Een aantal OSPAR soorten die nauwelijks in Nederland voorkomen zijn uit de tabel weggelaten. De meeste OSPAR soorten worden in het meetprogramma weliswaar gevolgd via zeetrek- en vliegtuigtellingen, maar in officiële OSPAR rapportages wordt tot nog toe alleen gebruikt gemaakt van landtellingen (monitoringgebieden).

7.5.2Watervogels: beleidsstatus en kwaliteitsbeoordeling per soort
Kwaliteit trend
Soort Beleidsstatus1) Deelmeetprogramma’s waarvoor trends worden berekend landelijk waddengebied
Aalscholver VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND + VLIEGTUIG goed goed
Alk OSPAR/KRM VLIEGTUIG4) + ZEETREK .  
Bergeend VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND matig goed
Blauwe kiekendief ANLb LAND .  
Blauwe reiger Ai LAND goed  
Bokje2) Ai   .  
Bontbekplevier VR T, TMAP, OSPAR/KRM LAND goed goed
Bonte strandloper VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND goed goed
Bosruiter OSPAR/KRM LAND3) .  
Brandgans VR I, TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND goed goed
Brilduiker VR T, Ai, OSPAR/KRM LAND goed  
Dodaars VR T, Ai LAND goed  
Drieteenmeeuw OSPAR/KRM VLIEGTUIG .  
Drieteenstrandloper VR T, TMAP, OSPAR/KRM LAND goed goed
Dwerggans VR I LAND goed  
Dwergmeeuw VR I, OSPAR/KRM VLIEGTUIG + ZEETREK .  
Dwergstern OSPAR/KRM ZEETREK .  
Eider VR T, TMAP, OSPAR/KRM VLIEGTUIG matig matig
Fuut VR T, Ai, OSPAR/KRM LAND + ZEETREK matig  
Geelpootmeeuw OSPAR/KRM LAND3) .  
Geoorde fuut VR T LAND + ZEETREK goed  
Goudplevier VR I, TMAP, Ai, ANLb, OSPAR/KRM LAND goed goed
Grauwe gans VR T, Ai LAND goed  
Grauwe pijlstormvogel OSPAR/KRM ZEETREK .  
Groenpootruiter VR T, TMAP, OSPAR/KRM LAND goed matig
Grote Canadese gans Ai, OSPAR/KRM LAND goed  
Grote jager OSPAR/KRM VLIEGTUIG+ZEETREK .  
Grote mantelmeeuw TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND + VLIEGTUIG goed matig
Grote stern OSPAR/KRM VLIEGTUIG+ZEETREK .  
Grote zaagbek VR T, Ai, OSPAR/KRM LAND goed  
Grote zee-eend OSPAR/KRM ZEETREK .  
Grote zilverreiger VR I, Ai LAND goed  
Grutto VR T, OSPAR/KRM LAND + SLAAPPLAATS goed  
Houtsnip2) Ai   .  
IJseend OSPAR/KRM ZEETREK .  
Jan van Gent OSPAR/KRM VLIEGTUIG .  
Kanoet VR T, TMAP, OSPAR/KRM LAND goed goed
Kemphaan VR I, TMAP, OSPAR/KRM LAND + SLAAPPLAATS goed .
Kievit VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND goed goed
Kleine alk OSPAR/KRM VLIEGTUIG+ZEETREK .  
Kleine jager OSPAR/KRM ZEETREK .  
Kleine mantelmeeuw OSPAR/KRM VLIEGTUIG + LAND3) .  
Kleine rietgans VR T, Ai LAND goed  
Kleine strandloper OSPAR/KRM LAND3) .  
Kleine zilverreiger VR I, Ai, OSPAR/KRM LAND goed  
Kleine zwaan VR I, Ai, ANLb, OSPAR/KRM LAND goed  
Kleinste jager OSPAR/KRM ZEETREK .  
Kluut VR I, TMAP, OSPAR/KRM LAND goed goed
Knobbelzwaan Ai, OSPAR/KRM LAND goed  
Kokmeeuw TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND goed matig
Kolgans VR T, Ai, OSPAR/KRM LAND goed  
Kraanvogel VR I SLAAPPLAATS goed  
Krakeend VR T, Ai LAND goed  
Krombekstrandloper VR T, TMAP, OSPAR/KRM LAND goed goed
Krooneend VR T, Ai LAND goed  
Kuifaalscholver OSPAR/KRM LAND3) .  
Kuifduiker VR I, OSPAR/KRM LAND + ZEETREK goed  
Kuifeend VR T, Ai, OSPAR/KRM LAND goed  
Lepelaar VR I, TMAP, OSPAR/KRM LAND goed matig
Meerkoet VR T, Ai LAND goed  
Middelste jager OSPAR/KRM ZEETREK .  
Middelste zaagbek VR T, OSPAR/KRM LAND goed  
Nijlgans Ai LAND goed  
Nonnetje VR I, Ai, OSPAR/KRM LAND goed  
Noordse pijlstormvogel OSPAR/KRM ZEETREK .  
Noordse stern OSPAR/KRM ZEETREK + VLIEGTUIG5) .  
Noordse stormvogel OSPAR/KRM VLIEGTUIG .  
Ooievaar2) Ai   .  
Paarse strandloper OSPAR/KRM LAND3) .  
Papegaaiduiker OSPAR/KRM VLIEGTUIG+ZEETREK .  
Parelduiker VR I, OSPAR/KRM ZEETREK .  
Pijlstaart VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND goed goed
Regenwulp TMAP, OSPAR/KRM LAND matig matig
Reuzenstern VR I SLAAPPLAATS goed  
Roerdomp2) Ai   .  
Roodhalsfuut OSPAR/KRM LAND + ZEETREK .  
Roodkeelduiker VR I, OSPAR/KRM ZEETREK .  
Rosse franjepoot OSPAR/KRM ZEETREK .  
Rosse grutto VR I, TMAP, OSPAR/KRM LAND goed goed
Rotgans VR T, TMAP, Ai, ANLb, OSPAR/KRM LAND goed goed
Ruigpootbuizerd ANLb LAND .  
Scholekster VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND goed goed
Slechtvalk VR I LAND goed  
Slobeend VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND goed goed
Smient VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND goed goed
Steenloper VR T, TMAP, OSPAR/KRM LAND goed matig
Stormmeeuw TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND + VLIEGTUIG goed matig
Strandplevier VR I, TMAP, OSPAR/KRM LAND goed matig
Tafeleend VR T, Ai, OSPAR/KRM LAND goed  
Taigarietgans VR T LAND goed  
Toendrarietgans VR T, Ai LAND goed  
Topper VR T, OSPAR/KRM LAND goed  
Tureluur VR T, TMAP, OSPAR/KRM LAND goed goed
Vaal stormvogeltje OSPAR/KRM ZEETREK .  
Velduil ANLb LAND    
Visarend VR I LAND goed  
Visdief OSPAR/KRM VLIEGTUIG5) + ZEETREK .  
Waterhoen Ai LAND goed  
Waterral2) Ai   .  
Watersnip2) Ai   .  
Wilde eend VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND goed goed
Wilde zwaan VR I, Ai, OSPAR/KRM LAND goed  
Wintertaling VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND goed goed
Wulp VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND goed goed
Zeearend VR I LAND goed  
Zeekoet OSPAR/KRM VLIEGTUIG4) + ZEETREK .  
Zilvermeeuw TMAP, Ai, OSPAR/KRM LAND + VLIEGTUIG goed matig
Zilverplevier VR T, TMAP, OSPAR/KRM LAND goed goed
Zwarte ruiter VR T, TMAP, OSPAR/KRM LAND goed goed
Zwarte stern VR I, OSPAR/KRM SLAAPPLAATS goed  
Zwarte zee-eend VR T, OSPAR/KRM VLIEGTUIG matig  

1)VR I en VR T: soort waarvoor op basis van de Vogelrichtlijn Natura 2000‑gebieden zijn aangewezen die een foerageerfunctie hebben voor de soort als niet-broedvogel, omdat deze of in bijlage I staat (VR I) of een regelmatig voorkomende trekvogel is (VR T); TMAP: Trilateral Monitoring and Assessment Program; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer; OSPAR/KRM: soort waarover gerapporteerd wordt in het kader van het Oslo/Parijs-verdrag over de bescherming van de NO-Atlantische Oceaan, en daarmee ook in het kader van de KaderRichtlijn Mariene strategie. De volgende OSPAR soorten zijn weggelaten omdat ze in zeer lage aantallen in Nederland voorkomen: dikbekzeekoet, Dougalls stern, ijsduiker, koningseider, Kuhls pijlstormvogel, Stellers eider, steltkluut, zwartkopmeeuw, zwarte zeekoet.

2)Voor deze soorten is nog niet bekend of gestuurd zal worden op gerichte monitoring.

3)Geen goede telgegevens uit reguliere tellingen. Sovon stelt daarom handmatig een tijdreeks samen.

4)Vliegtuigtrend wordt voor alk en zeekoet gezamenlijk berekend.

5)Vliegtuigtrend wordt voor visdief en noordse stern gezamenlijk berekend.

7.5.3Natura 2000‑gebieden
Natura 2000‑gebied1) Aantal VR soorten2) Teldekking goed in 2020/21–2022/233) Soorten niet in meetprogramma
Abtskolk & De Putten 1 ja  
Alde Feanen 12 ja  
Arkemheen 2 ja  
Biesbosch 22 ja  
Boezems Kinderdijk 3 ja  
Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein 4 ja  
De Wieden 11 ja  
De Wilck 2 ja  
De Deelen 4 ja  
Donkse Laagten 1 ja  
Duinen Goeree & Kwade Hoek 18 ja  
Dwingelderveld 2 ja  
Eemmeer & Gooimeer Zuidoever 10 ja  
Eilandspolder 6 ja  
Fochteloërveen 2 ja  
Grevelingen 34 ja  
Groote Wielen 1 ja  
Haringvliet 25 ja  
Hollands Diep 8 ja  
IJsselmeer 30 ja Dwergmeeuw
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske 5 ja  
Ketelmeer & Vossemeer 17 ja  
Krammer-Volkerak 25 ja  
Lauwersmeer 28 ja  
Leekstermeergebied 3 ja  
Lepelaarplassen 7 ja  
Markermeer & IJmeer 17 ja Dwergmeeuw
Markiezaat 13 ja  
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 2 ja  
Noordzeekustzone4) 10 nee  
Oostelijke Vechtplassen 7 ja  
Oosterschelde 36 ja  
Oostvaardersplassen 16 ja  
Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving 3 ja  
Oudeland van Strijen 4 ja  
Polder Zeevang 8 ja  
Rijntakken 26 ja Kemphaan
Sneekermeergebied 12 ja  
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht 7 ja  
Van Oordts Mersken 3 ja  
Veerse Meer 19 ja  
Veluwerandmeren 15 ja  
Voordelta5) 30 ja  
Waddenzee 36 ja  
Westerschelde & Saeftinghe 31 ja  
Witte en Zwarte Brekken 4 ja  
Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder 2 ja  
Yerseke en Kapelse Moer 1 ja  
Zoommeer 12 ja  
Zouweboezem 1 ja  
Zuidlaardermeergebied 4 ja  
Zwanenwater & Pettemerduinen 1 ja  
Zwarte Meer 14 ja  
Zwin & Kievittepolder 1 ja  

1)De begrenzing van de gemonitorde gebieden valt niet altijd volledig samen met de begrenzing van de Natura 2000‑gebieden.

2)Niet-broedende kwalificerende soorten met concept instandhoudingsdoelen en begrenzingssoorten samen. Soorten waarvoor het gebied alleen een slaapfunctie heeft zijn niet meegenomen.

3)Goede teldekking: gemiddeld is per soort uit de kolom ‘Aantal VR soorten’ naar verwachting meer dan 50% van de individuen in de laatste drie telseizoenen daadwerkelijk geteld (de overige individuen worden t.b.v. indexberekening bijgeschat). De berekening van het percentage getelde individuen is alleen gebaseerd op de maandelijkse tellingen in de monitoringgebieden en niet op de seizoensmaxima of zeetrektellingen die voor sommige soortgebiedscombinaties worden gebruikt.

4)Voor dwergmeeuw, parelduiker en roodkeelduiker trend op basis van zeetrektellingen.

5)Voor dwergmeeuw en roodkeelduiker trend op basis van zeetrektellingen.

Voortgang 2024

Het percentage van de aanwezige vogels dat geteld wordt ligt de laatste vijf seizoenen in de monitoringgebieden rond de 80% (figuur 7.5.4); ongeveer 20% wordt statistisch bijgeschat. De oorzaak van de iets lagere teldekking (% getelde vogels) in het laatste seizoen is niet precies bekend. Het aantal vacante telgebieden is in ieder geval afgenomen en het aantal hoofdtellers toegenomen. In de ganzengebieden ligt de teldekking de laatste seizoenen iets onder de 80%. (figuur 7.5.5). In de figuren is eerst per soort het percentage getelde vogels per gebied per jaar bepaald. Deze percentages zijn vervolgens per jaar gemiddeld (over alle gebieden). De berekende percentages wijken iets af van de percentages in vorige rapporten, als gevolg van de nieuwe bijschattingsmethode. Bij minder goed getelde gebieden gaat het meestal om gebieden met kleinere aantallen vogels.

Er bestaat twijfel of bij de niet-gebiedsdekkende vliegtuigtellingen op het IJsselmeer van sommige soorten grote groepen worden gemist, wat door zou kunnen werken in de landelijke cijfers. Rijkswaterstaat bereidt een dataset voor, waarmee het CBS dit kan uitzoeken. Het is nog niet duidelijk wanneer de resultaten van dit onderzoek bekend worden.

De gemiddelde teldekking in bestaande Natura 2000‑gebieden is onveranderd hoog (tabel 7.5.3). Voor slechts één gebied (Noordzeekustzone) is de teldekking over de laatste drie seizoenen onder de 50% gebleven. Voor Fochteloërveen is sinds 2020/2021 een teller beschikbaar, waardoor dit gebied nu uit de lijst verdwenen is. Voor de Noordzeekustzone ligt de teldekking al jaren net onder de 50%, wat voornamelijk veroorzaakt wordt door onvoldoende beschikbare tellers op de Waddeneilanden.

Over de wijze waarop vliegtuigtellingen volgens het oude telschema (vóór seizoen 2013/14) worden opgewerkt zijn twijfels ontstaan. Dit heeft betrekking op het aandeel individuen per soort dat als reactie op het vliegtuig wegvloog uit de onzichtbare strip onder het vliegtuig. Afhankelijk van de toekenning van deze vogels aan alleen de waarneemstrip of ook de onzichtbare strip worden de berekende aantallen voor de oude tellingen respectievelijk hoger of lager. Dit kan aanzienlijke invloed hebben op de berekende trend. De berekeningswijze moet daarom wellicht worden aangepast. WMR heeft dit jaar testen uitgevoerd waarbij op de oude hoogte werd gevlogen met het nieuwe type vliegtuig. Hiermee kunnen betere aandelen wegvliegende individuen per soort worden bepaald. De resultaten komen in 2025 beschikbaar.

In 2024 zou het CBS een methode ontwikkelen om de kwaliteit van de landelijke trends van zeevogels (zeetrektellingen en vliegtuigtellingen) te beoordelen. Maar omdat het CBS bezig is met uniformering van de methode van kwaliteitsbeoordeling voor alle NEM-meetnetten, is dit uitgesteld tot 2025.

De levering van nieuwe gegevens door Sovon is in 2024 ongeveer een maand vervroegd, maar de berekening van trends door het CBS liep vertraging op omdat de nieuwe automatisering nog niet gereed was. Voor het volgende seizoen is het streven de levering aan het CBS verder te vervroegen.

7.5.4 Percentage getelde vogels per monitoringgebied
jaren GemPercGeteldMonitoring
'76 44,05640883
'77 48,82616772
'78 49,13215312
'79 46,91107578
'80 52,76507476
'81 51,76676626
'82 50,13047698
'83 50,47628426
'84 47,78862854
'85 44,09512506
'86 47,01154106
'87 49,32777584
'88 56,86589184
'89 54,21100972
'90 56,59600662
'91 53,76293358
'92 58,03731175
'93 56,68090361
'94 60,64898416
'95 61,47164698
'96 63,67498349
'97 64,78840912
'98 67,20768837
'99 67,82091488
'00 66,75087875
'01 73,03180838
'02 75,69912157
'03 76,33544321
'04 76,57769389
'05 80,21895696
'06 80,81902971
'07 77,67730851
'08 79,9540015
'09 77,39972224
'10 78,26966349
'11 74,22646719
'12 78,95837684
'13 75,59607951
'14 79,0597686
'15 80,03976513
'16 80,19709008
'17 76,60787449
'18 79,90775408
'19 82,49875242
'20 81,57200708
'21 82,44458767
'22 82,33647687
'23 79,5302497
7.5.5 Percentage getelde vogels per ganzengebied (%)
Jaar GemPercGeteld
'76 55,65180115
'77 60,12479201
'78 58,69152319
'79 54,89421657
'80 67,53905
'81 64,86606775
'82 62,57430695
'83 63,20659517
'84 57,37523623
'85 53,67433024
'86 60,87656404
'87 65,40792104
'88 65,41798071
'89 66,25405462
'90 65,15656739
'91 60,99948485
'92 67,89524374
'93 67,07882685
'94 72,19454518
'95 68,48753861
'96 68,71977697
'97 71,5091524
'98 72,46934028
'99 74,17718494
'00 70,65368169
'01 75,87867282
'02 74,86606302
'03 75,79501393
'04 79,95806953
'05 82,81087488
'06 82,66503389
'07 78,67261942
'08 80,66761068
'09 79,0823922
'10 78,51920979
'11 73,27085653
'12 75,69529166
'13 74,65212394
'14 73,49566664
'15 76,04105956
'16 76,24689522
'17 74,03701815
'18 76,46538603
'19 78,61528796
'20 77,51989058
'21 77,68402904
'22 79,1683096
'23 75,83966567

Aandachtspunten

  • Bepalen kwaliteit trends zeevogels (CBS, Sovon).
  • Uitzoeken of het niet tellen van grote stukken open water op het IJsselmeer gevolgen heeft voor de landelijke trends van soorten, waaronder de fuut (RWS, CBS).

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methode en link naar handleiding: Website NEM.

Informatie over Sovon: Website Sovon.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

De kaart toont de ligging van de monitoringgebieden in Nederland van watervogels van juli 2017 tot en met juni 2024. Per monitoringgebied is aangegeven of de teldekking in de laatste 3 jaar minder dan 50%, 50 tot 75% of meer dan 75% bereikte.
De kaart toont de ligging van de ganzengebieden in Nederland van juli 2017 tot en met juni 2024. Per ganzengebied is aangegeven of de teldekking in de laatste 3 jaar minder dan 50%, 50 tot 75% of meer dan 75% bereikte.
De kaart toont de ligging van de zee-eendgebieden in Nederland van juli 2017 tot en met juni 2024. Per zee-eendgebied is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.

7.6Slaapplaatsen van vogels

Algemeen

In het meetprogramma voor slaapplaatsen van vogels worden de aantallen van negentien vogelsoorten gevolgd in Natura 2000‑gebieden die volgens de aanwijsbesluiten een functie hebben als slaapplaats voor deze soorten. Voor enkele soorten zijn de tellingen ook nodig om de landelijke trends van niet-broedende vogels te volgen, omdat het meetprogramma voor watervogels en andere meetnetten hier niet of minder geschikt voor zijn. Het meetprogramma levert veel verspreidingsinformatie over slaapplaatsen van vogels op, ook buiten vogelrichtlijngebieden. Dat geldt ook voor een aantal soorten met grote slaapplaatsen die niet betrokken zijn bij het formuleren van instandhoudingsdoelen voor slaapplaatsen in vogelrichtlijngebieden.

Sinds 2016 wordt het meetprogramma medegefinancierd door de provincies, vanwege de provinciale informatiebehoefte over slaapplaatsen op (vooral) het niveau van Natura 2000‑gebieden.

Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.

Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS, sommige provincies.

Opdrachtgevers: Provincies, Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).

7.6.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends
  Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied
  Aviaire Influenza: landelijke trend en verspreiding
Matig sturende meetdoelen
  Verspreiding van invasieve exoten
Indirecte meetdoelen
  Ramsar (wetlands): trends per Ramsar gebied
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  African Eurasian Waterbird Agreement: landelijke trends
  Sustainable Development Goals: landelijke trends
  Schadesoorten: landelijke trends
  Biodiversiteit van het agrarisch gebied: landelijke trends
  Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  Stadsnatuur: landelijke trends

Soorten

Het meetprogramma is gestart in seizoen 2009/2010 en in eerste instantie gericht op de aantalsmonitoring van negentien soorten (zie tabel 7.6.2) in de 53 Natura 2000‑gebieden die volgens de aanwijzingsbesluiten voor deze soorten een functie hebben als slaapplaats. In totaal worden 188 soort-gebiedscombinaties gevolgd. Voor kemphaan, kraanvogel, reuzenstern, zwarte stern en grutto wordt daarnaast gestuurd op tellingen buiten Natura 2000‑gebieden. Dit is nodig voor het bepalen van de landelijke trend, omdat deze soorten niet voldoende gevolgd kunnen worden in de monitoringgebieden van het meetprogramma voor watervogels (zie hoofdstuk 7.5). Eens in de drie of vier jaar wordt een landelijk simultane slaapplaatstelling georganiseerd die speciaal gericht is op de kemphaan. Deze telling vindt ook plaats buiten Natura 2000‑gebieden. De laatste kemphaantelling heeft plaatsgevonden in het voorjaar van 2023. Deze telling wordt deels door professionals uitgevoerd. Voor de landelijke trend kan echter volstaan worden met tellingen in de vier Natura 2000‑gebieden met een slaapplaatsfunctie die voor de kemphaan zijn aangewezen. Er wordt matig gestuurd op gegevensinwinning voor slaapplaatsen buiten de Natura 2000‑gebieden. Deze gegevens zijn onder meer van belang in het model dat bijschattingen doet voor onvolledig getelde Natura 2000‑gebieden. Er wordt beperkt gestuurd op gegevensinwinning van de overige zeventien soorten in tabel 7.6.2 waarvoor gebieden geen officiële slaapplaatsfunctie hebben. Voor halsbandparkiet, grote Alexanderparkiet en monniksparkiet wordt eens in de drie jaar een aparte telling georganiseerd op verzoek van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

7.6.2Slaapplaatsen: soorten in het meetprogramma
Soort Beleidsstatus1) Natura 2000‑gebieden Berekende trends 20242)
VR soorten      
Aalscholver VR I, Ai 13 9(7)
Brandgans VR I, Ai 24 22(22)
Dwerggans VR I 3 3(2)
Grauwe gans VR I, Ai 27 23(23)
Grote zilverreiger VR I, Ai 4 4(4)
Grutto VR I 20 18(18)
Kemphaan VR I 5 5(5)
Kleine rietgans VR I, Ai 4 3(2)
Kleine zwaan VR I, Ai 19 17(14)
Kolgans VR I, Ai 28 25(21)
Kraanvogel VR I 6 6(6)
Reuzenstern VR I 3 3(2)
Rotgans VR I, Ai 6 5(5)
Scholekster VR I, Ai 1 1(1)
Taigarietgans VR I 3 2(0)
Toendrarietgans VR I, Ai 12 11(9)
Wilde zwaan VR I, Ai 4 4(3)
Wulp VR I 6 5(5)
Zwarte stern VR I 3 3(3)
Overige soorten      
Blauwe kiekendief      
Bruine kiekendief      
Grote mantelmeeuw Ai    
Halsbandparkiet Exoot    
Huiskraai3) Exoot    
Kauw      
Kleine mantelmeeuw Ai    
Kleine zilverreiger Ai    
Kokmeeuw Ai    
Lachstern      
Raaf      
Ransuil      
Regenwulp      
Roek      
Spreeuw      
Stormmeeuw Ai    
Zilvermeeuw Ai    

1)VR I: soorten waarvoor op basis van bijlage I van de Vogelrichtlijn in één of meerdere Natura 2000‑gebieden slaapplaatsdoelen worden geformuleerd; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; Exoot: volgens de lijst die gehanteerd wordt door de NVWA.

2)Tussen haakjes het aantal trends waarbij in de laatste twaalf jaar minimaal 6 keer een telling beschikbaar is.

3)Inmiddels verdwenen uit Nederland.

Gegevens

Gegevensinwinning

Er worden minimaal twee tellingen georganiseerd in de piekperiode van de doelsoort. Bij de meeste soorten duurt deze piekperiode gemiddeld vijf maanden. De telperiode is een periode van iets meer dan twee weken rond een vooraf vastgestelde voorkeursdatum, inclusief drie weekenden. Dit voorkomt rechtstreekse concurrentie met de teldatums in het meetprogramma voor watervogels: waarnemers die meedoen aan beide meetprogramma’s kunnen de slaapplaatstellingen op andere dagen uitvoeren dan de watervogeltellingen, maar het is ook mogelijk om de slaapplaatstelling uit te voeren aansluitend op een watervogeltelling op dezelfde dag. Waarnemers worden aangespoord ook alle overige soorten te tellen die gebruik maken van de slaapplaats. Voor grote zilverreiger, kraanvogel, reuzenstern en zwarte stern worden minimaal drie tellingen georganiseerd in de piekperiode van de soort. Bij deze drie soorten duurt de piekperiode slechts enkele weken. De telperiode is een telweekend met een vooraf vastgestelde voorkeursdag om dubbeltellingen zo veel mogelijk te voorkomen. Bij de kraanvogel worden de tellingen ad hoc georganiseerd op momenten van sterke doortrek, waarvan de timing en omvang van jaar op jaar sterk kunnen verschillen.

Natura 2000‑gebieden

7.6.3Teldekking vogelsoorten op slaapplaatsen per Natura 2000‑gebied
Aantal VR-soorten2) Teldekking3)
laatste 3 seizoenen (2020/21–2022/23) laatste 6 seizoenen (2017/18–2022/23)
Natura 2000‑gebied1)
Aamsveen4) 1 100 100
Alde Feanen 4 75 71
Bargerveen 3 100 100
Biesbosch 7 95 95
Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein 1 67 50
Buurserzand & Haaksbergerveen4) 1 100 100
Deelen 4 83 92
Deurnsche Peel & Mariapeel 3 100 67
Donkse Laagten 3 22 61
Duinen Goeree & Kwade Hoek 2 100 100
Dwingelderveld 2 100 100
Eemmeer & Gooimeer Zuidoever 1 100 100
Eilandspolder 1 67 67
Engbertsdijksvenen 2 100 100
Fochteloërveen 4 100 100
Grevelingen 5 93 87
Groote Peel 4 92 88
Groote Wielen 3 100 94
Haringvliet 8 54 71
Hollands Diep 3 0 22
IJsselmeer 12 92 92
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske 2 33 50
Kampina & Oisterwijkse Vennen 1 100 100
Ketelmeer & Vossemeer 7 43 52
Krammer-Volkerak 6 67 67
Lauwersmeer 9 96 96
Leekstermeergebied 2 100 67
Lepelaarplassen 2 67 83
Markermeer & IJmeer 4 92 92
Markiezaat 2 100 100
Naardermeer 2 100 100
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 2 50 58
Noordzeekustzone 1 0 0
Oostelijke Vechtplassen 3 78 72
Oosterschelde 4 92 88
Oostvaardersplassen 6 100 100
Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving 5 100 93
Polder Zeevang 1 100 100
Rijntakken 10 77 78
Sneekermeergebied 6 100 94
Strabrechtse Heide & Beuven 1 100 100
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht 1 33 17
Van Oordt’s Mersken 2 100 83
Veerse Meer 5 40 43
Veluwerandmeren 3 78 67
Voordelta 1 100 100
Waddenzee 7 86 86
Westerschelde & Saeftinghe 2 50 50
Wieden 4 100 100
Witte en Zwarte Brekken 5 73 80
Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder 1 100 100
Zoommeer 2 50 50
Zuidlaardermeergebied 2 100 75
Zwanenwater & Pettemerduinen 1 100 100
Zwarte Meer 5 40 40

1)Alleen gebieden met een slaapplaatsfunctie voor een of meer contractsoorten.

2)Aantal niet-broedende kwalificerende soorten waarvoor het gebied een slaapplaatsfunctie heeft.

3)Het gemiddelde percentage getelde soortgebiedcombinaties over de aangegeven periode.

4)Gebied (nog) niet aangewezen met slaapplaatsfunctie.

Voortgang 2024

De teldekking – gedefinieerd als het percentage getelde soort-gebiedscombinaties – is in de eerste jaren snel gestegen van ca. 50% tot ca. 80% in de laatste vijf jaar (figuur 7.6.4). Door invoer van historische slaapplaatsgegevens of door nalevering van tellingen uit met name de laatste jaren kunnen deze percentages op den duur nog hoger uitvallen. Overigens zijn er ook tellingen uitgevoerd in een klein aantal andere soort-gebiedscombinaties, maar die voldoen niet aan de ondergrens van de telinspanning (minimaal twee keer per jaar geteld, maximaal 90% van de vogels statistisch bijgeschat) om meegenomen te kunnen worden in de trendanalyses. Het aantal tellers lijkt de laatste jaren gestabiliseerd te zijn. Inmiddels zijn veertien seizoenen met gegevens beschikbaar. In ruim honderddertig soort-gebieds­combinaties zijn tellingen beschikbaar uit meer dan tien van deze seizoenen. Daarmee bereikt het meetnet een hoge teldekking. Er worden inmiddels op reguliere basis trends berekend voor de meeste soort-gebiedscombinaties (tabel 7.6.3), maar deze trends zijn voor een deel van de soort-gebiedcombinaties gebaseerd op gegevens van vóór de start van het meetnet (seizoen 2009/2010). In de tabel staat daarom ook aangegeven uit hoeveel van de laatste twaalf jaar tellingen beschikbaar zijn. De kwaliteit van de berekende trends wordt nog niet op een gestandaardiseerde wijze beoordeeld. Een methode hiervoor zou in 2024 door het CBS en Sovon worden ontwikkeld, maar dit is uitgesteld naar 2025 omdat het CBS bezig is met uniformering van de methode van kwaliteitsbepaling voor alle NEM-meetnetten.

Van de ‘Overige soorten’ uit tabel 7.6.2. wordt de lachstern al jarenlang goed geteld. Sovon zoekt in een pilot in de seizoenen 2023/24–2024/25 uit in hoeverre de soort meegenomen kan worden als focussoort in de reguliere slaapplaatsmonitoring. In dat geval kunnen de telgegevens mogelijk gebruikt worden voor het bepalen van landelijke trends van de soort en in de toekomst mogelijk bij het actualiseren van instandhoudingsdoelstellingen voor vogelrichtlijngebieden.

Voor de scholekster is in 2023 een oproep gedaan om slaapplaatsen te tellen in het kader van het Jaar van de Scholekster. Dit heeft geleid tot een verdubbeling van het aantal tellingen ten opzichte van het vorige seizoen. De gegevens zijn uitgewerkt in een artikel en gepubliceerd in de nieuwsbrief slaapplaatsen.

7.6.4. Percentage getelde soort-gebiedcombinaties (%)
Jaren Percentage Geteld
2010 55,4973822
2011 61,2565445
2012 72,77486911
2013 74,34554974
2014 81,67539267
2015 72,77486911
2016 76,96335079
2017 78,0104712
2018 78,53403141
2019 80,10471204
2020 82,19895288
2021 80,10471204
2022 78,53403141
2023 80,10471204

Aandachtspunten

  • Ontwikkelen methode voor de beoordeling van de kwaliteit van trends (CBS, Sovon).
  • Voorstel schrijven voor toevoegen lachstern aan focussoorten van het meetprogramma (Sovon).

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methode en link naar handleiding: Website NEM.

Informatie over Sovon: Website Sovon.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

De kaart toont de ligging van de Natura2000-gebieden met slaapplaatsfunctie voor vogels in Nederland. Per Natura2000-gebied is aangegeven of de teldekking in de laatste 3 jaar minder dan 50%, 50 tot 75% of meer dan 75% bereikte.

7.7Reptielen

Algemeen

Het meetprogramma voor reptielen volgt alle zeven inheemse reptielensoorten van ons land. Zowel de omvang van de populaties als de verspreiding van de soorten kunnen goed in kaart worden gebracht. Het meetprogramma volgt tevens een exoot die wordt vermeld op de Unielijst, de lettersierschildpad. Van deze soort komen drie ondersoorten voor in ons land.

Coördinatie: Stichting Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON).

Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting RAVON, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

7.7.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage II en IV
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V
  Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends
Matig sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
  Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst
  Graadmeters Natuurnetwerk Nederland: provinciale trends
Indirecte meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  Sustainable Development Goals: landelijke trends

Soorten

De prioriteit van het meetprogramma ligt bij het volgen van de reptielen die op bijlage IV van de Habitatrichtlijn (HR) vermeld worden: gladde slang, muurhagedis en zandhagedis. De verzamelde gegevens kunnen echter ook goed gebruikt worden voor andere meetdoelen (zie tabel 7.7.1). Om die reden en vanwege de haalbaarheid van het tellen van de soorten, zijn adder, hazelworm en levendbarende hagedis, typische soorten van de Habitatrichtlijn, opgenomen in het meetprogramma. Voor de ringslang zijn er geen sturende meetdoelen, maar voor deze soort kan met een geringe extra inspanning toch zowel een betrouwbare landelijke aantalstrend als verspreidingstrend berekend worden. De lettersierschildpad (Trachemys scripta) is in 2020 opgenomen in het meetprogramma. Deze soort is een invasieve exoot die wordt vermeld op de Unielijst van de EU. De soort wordt gevolgd in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Bij exoten in het algemeen ligt de focus op het in kaart brengen van de verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau, voor de letter­sier­schild­padden is echter een programma opgezet om op vaste locaties de aantallen te monitoren, sinds 2020 is het programma opgenomen in het NEM. Handel en kweek in deze schildpadden is verboden, succesvolle voortplanting in Nederland is nog niet vastgesteld, waardoor de verwachting is dat de aantallen zullen afnemen. Tabel 7.7.2 geeft een overzicht van de soorten die zijn opgenomen in het meetprogramma en de mogelijkheid van het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends.

7.7.2Reptielen: kwaliteitsbeoordeling per soort
Soort Beleidsstatus1) Trends in aantallen landelijk Trends in verspreiding landelijk
Adder TYP goed goed
Gladde slang HR IV goed goed
Hazelworm TYP goed goed
Lettersierschildpad Exoot . .
Levendbarende hagedis TYP goed goed
Muurhagedis HR IV goed  
Ringslang   goed goed
Zandhagedis HR IV, TYP goed goed

Gegevens

Voor het bepalen van de landelijke aantalstrends worden vaste meetlocaties van twee à drie hectare zeven maal per jaar geïnventariseerd op alle voorkomende soorten. Voor zes soorten gaat het om een steekproef van enige honderden meetlocaties uit hun leefgebieden (vooral duinen en heide). De uitzondering is de muurhagedis. Maastricht telt de enige natuurlijke populatie van deze soort in Nederland. De muurhagedis wordt op vrijwel alle locaties in Maastricht gevolgd. Trends in aantallen en indexcijfers worden berekend met het TRIM model in het R package rtrim.

De gerichte gegevensinwinning voor het bepalen van de landelijke verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau bestaat uit inventarisaties van km-hokken door vrijwilligers binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken. Vrijwilligers hanteren hierbij een gestandaardiseerd protocol. De inventarisatiemethode verschilt per soort en is gericht op het vaststellen van de aan- of afwezigheid van de soort op km-hokniveau. Hierdoor kan ook op meer gedetailleerde schaal dan 10 x 10 km naar verspreiding worden gekeken. De verspreiding van de muurhagedis wordt bij het monitoren in Maastricht al volledig in kaart gebracht. De inventarisatiegegevens worden aangevuld met gegevens die verzameld zijn voor het bepalen van de landelijke aantalstrend en losse waarnemingen. Trends in verspreiding op 1 x 1 km-hokniveau worden berekend met de gegevens uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Bij de berekeningen wordt gebruik gemaakt van occupancy-modellen. Voor de muurhagedis is het vanwege de beperkte verspreiding niet mogelijk een trend op 1 x 1 km-hokniveau te berekenen. Nadere informatie over de veldwerkmethode is te vinden in de veldwerkhandleiding op de website van RAVON (zie Links).

Natura 2000‑gebieden

Er zijn geen reptielensoorten die vermeld worden op bijlage II van de Habitatrichtlijn, daarom zijn er geen Natura 2000‑gebieden aangewezen voor reptielensoorten.

Voortgang in 2024

RAVON heeft een nieuwe Rode Lijst voor reptielen en amfibieën opgesteld. De Rode Lijst is op 1 oktober 2024 gepubliceerd in de Staatscourant. Uiteraard is bij het maken van deze Rode Lijst gebruik gemaakt van in het kader van het NEM verzamelde informatie. RAVON en CBS hebben afgesproken samen te onderzoeken hoe de achteruitgang van zandhagedis, levendbarende hagedis, gladde slang, ringslang en adder te verklaren is. De trend over de laatste 12 jaar is voor elk van deze vijf soorten (sterk) dalend.

Teldekking aantalsmonitoring

Het aantal getelde meetpunten neemt de laatste jaren toe. Nog nooit zijn er in één seizoen op zoveel plots tellingen van de reptielen verzameld als in 2023. Voor de meeste soorten in het meetprogramma zijn voldoende (recente) telgegevens beschikbaar en is de ligging van de telgebieden voldoende representatief voor de leefgebieden. Voor alle soorten kunnen jaarlijks door het CBS betrouwbare landelijke trends vanaf de start van het meetprogramma (1994) berekend worden. Naast landelijke trends worden onder andere ook trends per fysisch-geografische regio en per provincie bepaald. Het aantal getelde meetpunten in de duinen is een punt van zorg. Op het vasteland is dat aantal in de periode 2007–2018 met tweederde afgenomen. Voor de zandhagedis brengt dat het gevaar van een vertekende trend met zich mee. In drie van de zeven duingebieden is er over de laatste twaalf jaar geen betrouwbare trend te berekenen. Dat heeft een negatieve invloed op de betrouwbaarheid van de trend voor Nederland. Wanneer het aantal getelde plots ook in de regio’s waar het wat moeilijker is vrijwilligers te vinden, op het huidige niveau (aantal getelde plots in 2023) blijft of liever nog wat stijgt, zal dat de betrouwbaarheid van die trends ten goede komen.

Het aantal getelde meetpunten is in 2023 wederom toegenomen (zie figuur 7.7.3). Er blijven wat regio’s waarvoor het lastig is tellers te vinden, zoals de Waddeneilanden en de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. RAVON neemt, met het organiseren van excursies en het bezoeken van vrijwilligers, initiatief om vrijwilligers te werven. Ook wordt contact gelegd met andere organisaties teneinde de monitoring van soorten op een nog hoger peil te brengen.

7.7.3 Aantal getelde meetpunten voor reptielen
Jaren Meetpunten
'94 106
'95 170
'96 199
'97 207
'98 218
'99 260
'00 268
'01 261
'02 322
'03 317
'04 351
'05 343
'06 341
'07 374
'08 358
'09 365
'10 340
'11 323
'12 279
'13 267
'14 279
'15 269
'16 265
'17 263
'18 277
'19 270
'20 363
'21 440
'22 456
'23 457

Verspreidingsonderzoek

Het jaar 2024 is het eerste jaar van de nieuwe HR rapportageperiode. Het aantal unieke kilometerhokken dat bezocht is, is met de jaren duidelijk toegenomen (zie tabel 7.7.5), en dat ligt in lijn met het aantal plots waarop naar reptielen is gezocht (zie figuur 7.7.3).

7.7.3Voortgang verspreidings­onderzoek reptielen
10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 1 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Gladde slang 65 69
Muurhagedis 2 100
Zandhagedis 97 84
7.7.5 Aantal bezochte km-hokken voor reptielen
jaren Kilometerhokken
'94 567
'95 650
'96 595
'97 754
'98 768
'99 807
'00 849
'01 716
'02 757
'03 760
'04 908
'05 1227
'06 1126
'07 1852
'08 1676
'09 2100
'10 2173
'11 2251
'12 2137
'13 2029
'14 2500
'15 2403
'16 2317
'17 2427
'18 2338
'19 2961
'20 3642
'21 3947
'22 3813
'23 4007

Aandachtspunten

  • Zorgen dat het aantal getelde meetpunten in de duinen, op de Waddeneilanden en in het noorden van ons land op peil blijft (RAVON).
  • Zorgen dat het vrijwilligersnetwerk en de technische voorzieningen (database, invoerportaal) voor het verspreidings­onderzoek op peil blijven (RAVON).
  • RAVON is veel tijd kwijt aan het aanvragen van terreinontheffingen bij diverse terreinbeheerders. Vrijwilligers hebben deze ontheffingen nodig om tellingen te kunnen doen. Al met al vergt de papierwinkel duidelijk meer tijd dan voorheen (Stuurgroep Monitoring).

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.

Informatie over RAVON: Website RAVON.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van reptielen van 1994 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.

7.8Amfibieën

Algemeen

Het meetprogramma voor amfibieën volgt alle zestien inheemse amfibieënsoorten van ons land en een exoot, de Amerikaanse stierkikker.

Voor zes inheemse soorten richt het programma zich primair op het inwinnen van aantalsgegevens. Voor de tien overige inheemse soorten is het meetprogramma gericht op het inwinnen van verspreidingsgegevens. Voor de Amerikaanse stierkikker is een signaleringssysteem opgezet.

Coördinatie: Stichting Reptielen Amfibieën Vissen Onderzoek Nederland (RAVON).

Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting RAVON, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).

7.8.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage II en IV
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V
  Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
  Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst
Indirecte meetdoelen
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Sustainable Development Goals: landelijke trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  Stadsnatuur: landelijke trends

Soorten

De prioriteit van het meetprogramma ligt bij het volgen van de amfibieën die op één of meerdere bijlagen van de Habitatrichtlijn vermeld worden. Tabel 7.8.2 geeft een overzicht van deze soorten en de mogelijkheid van het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. De verzamelde gegevens kunnen echter ook goed gebruikt worden voor andere meetdoelen. Om die reden en vanwege de haalbaarheid van het tellen van de soorten, zijn de vinpootsalamander en de vuursalamander, typische soorten van de Habitatrichtlijn, ook opgenomen in het meetprogramma. Voor de Alpenwatersalamander, gewone pad en kleine watersalamander zijn er geen sturende meetdoelen, maar voor deze soorten kan met een geringe extra inspanning toch een betrouwbare landelijke verspreidingstrend berekend worden. De Amerikaanse stierkikker is in 2020 opgenomen in het meetprogramma. Het is een invasieve exoot die wordt vermeld op de Unielijst van de EU. De Amerikaanse stierkikker komt momenteel niet in Nederland voor, maar wel vlak over de grens met België. Vanwege de serieuze dreiging die de soort vormt voor de inheemse amfibieën, worden drie risicogebieden gemonitord. Daarnaast worden wateren in Noord-Brabant onderzocht met environmental DNA (eDNA), een techniek die genetische sporen van de soort detecteert.

Gegevens

Van zes soorten amfibieën (boomkikker, geelbuikvuurpad, knoflookpad, vroedmeesterpad vuursalamander en kamsalamander) worden aantallen geteld. Vaste meetpunten worden, afhankelijk van de soorten die er voorkomen, met diverse meetmethoden (zicht- en geluidswaarneming, schepnet e.d.) jaarlijks enkele keren bemonsterd op het voorkomen van soorten. De vuursalamander is niet zo gebonden aan water. Voor deze soort zijn routes uitgezet in vochtige loofbossen, waar naar deze soort wordt gezocht. Van de geelbuikvuurpad, vroedmeesterpad en vuursalamander wordt het gehele leefgebied onderzocht. Bij de boomkikker en de knoflookpad betreffen de meetpunten een steekproef van het leefgebied. Met deze tellingen worden indexcijfers en aantalstrends berekend; hierbij wordt gebruik gemaakt van het TRIM-model in het R package rtrim. Voor de tien soorten waarvoor geen aantalstrends kunnen worden berekend, worden verspreidings­trends bepaald. Daarvoor inventariseren vrijwilligers kilometerhokken en leggen zij hun waarnemingen vast in daglijstjes. Deze gegevens worden aangevuld met waarnemingen van amfibieën uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Met behulp van al deze gegevens worden trefkansen bepaald en trends in verspreiding en indexcijfers. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van occupancy-modellen. De verspreidingstrends zijn een alternatief voor aantalstrends, die bij deze soorten niet betrouwbaar genoeg kunnen worden bepaald. Het grootste deel van de tellingen wordt verzameld door vrijwilligers. Een klein deel van de werkzaamheden wordt uitgevoerd door betaalde krachten die worden aangestuurd door RAVON. De gerichte gegevensinwinning voor het bepalen van de landelijke verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau bestaat uit inventarisaties van km-hokken door vrijwilligers binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken. Vrijwilligers volgen hierbij een gestandaardiseerd protocol. De inventarisatiemethode verschilt per soort en is gericht op het vaststellen van de aan- of afwezigheid van de soort op km-hokniveau. Hierdoor kan ook op meer gedetailleerde schaal dan 10 x 10 km naar verspreiding worden gekeken. De verspreiding van de geelbuikvuurpad, vroedmeesterpad en vuursalamander wordt via de aantalsmonitoring al volledig in kaart gebracht omdat deze soorten in hun gehele – beperkte – leefgebied worden geteld. Naast de gegevens die door vrijwilligers van RAVON verzameld worden, worden er ook gegevens verzameld door anderen. RAVON brengt deze gegevens bij elkaar en levert de gegevens aan het CBS voor het bepalen van de verspreiding en de trend in verspreiding. Nadere informatie over de veldwerkmethode is te vinden in de veldwerkhandleiding (zie Links).

7.8.2Amfibieën: kwaliteitsbeoordeling per soort
Soort Beleidsstatus1) Trends in aantallen landelijk Trends in verspreiding landelijk Trends in aantallen Natura 2000
Alpenwatersalamander   . goed  
Amerikaanse stierkikker2) Exoot . .  
Bastaardkikker3) HR V . goed  
Boomkikker HR IV matig matig  
Bruine kikker HR V   goed  
Gewone pad   . goed  
Geelbuikvuurpad HR II & IV goed   matig
Heikikker HR IV, TYP . goed  
Kamsalamander HR II & IV . goed 4)
Kleine watersalamander     goed  
Knoflookpad HR IV goed .  
Meerkikker3) HR V . goed  
Poelkikker3) HR IV, TYP . goed  
Rugstreeppad HR IV, TYP . goed  
Vinpootsalamander TYP . goed  
Vroedmeesterpad HR IV matig .  
Vuursalamander TYP goed .  

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.

2)Unielijst, artikel 17, verplichting om de soort te verwijderen bij vestiging.

3)Vanwege het moeilijke onderscheid en voorkomende kruisingen tussen de soorten worden poelkikker, meerkikkers en bastaardkikkers ook wel samengenomen onder de naam ‘groene kikker complex’.

4)Van de kamsalamander wordt nu nog alleen een trend in verspreiding berekend, de verspreidingstrend wordt gezien als een benadering voor de aantalstrend. In 2023 is een gestart met het tellen van de kamsalamander waarmee een aantalstrend in zicht komt.

Natura 2000‑gebieden

De geelbuikvuurpad en de kamsalamander worden vermeld op bijlage II van de Habitatrichtlijn. Vanwege deze vermelding en vanwege hun voorkomen in bepaalde Natura 2000‑gebieden, zijn er Natura 2000‑gebieden aangewezen voor deze soorten. Voor de geelbuikvuurpad zijn twee gebieden aangewezen, Geuldal en Bemelerberg & Schiepersberg. In beide gebieden wordt de soort geteld en kan een aantalstrend berekend worden. Voor de kamsalamander zijn 38 gebieden aangewezen (zie tabel 7.8.3). In 16 van deze gebieden is de soort in 2024 op gestandaardiseerde wijze geteld, m.b.v. fuikjes. De gegevens zijn per definitie onvoldoende om voor de kamsalamander verspreidingstrends per gebied te berekenen. Aantallen van de kamsalamander worden pas sinds 2023 geteld, om die reden kunnen aantalstrends nog niet berekend worden.

7.8.3Natura 2000‑gebieden
Soort Natura 2000‑gebied
Geelbuikvuurpad Bemelerberg & Schiepersberg
Geelbuikvuurpad Geuldal
Kamsalamander Aamsveen
Kamsalamander Achter de Voort etc.
Kamsalamander Bemelerberg & Schiepersberg
Kamsalamander Boetelerveld
Kamsalamander Brabantse Wal
Kamsalamander Brunssummerheide
Kamsalamander Buurserzand & Haaksbergerveen1)
Kamsalamander Drentsche Aa1)
Kamsalamander Drents-Friese Wold & Leggelderveld1)
Kamsalamander Dwingelderveld1)
Kamsalamander Geuldal
Kamsalamander Holtingerveld1)
Kamsalamander Kampina & Oisterwijkse Vennen1)
Kamsalamander Korenburgerveen1)
Kamsalamander Landgoederen Brummen
Kamsalamander Landgoederen Oldenzaal
Kamsalamander Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux1)
Kamsalamander Lingegebied & Diefdijk-Zuid
Kamsalamander Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem1)
Kamsalamander Loonse en Drunense Duinen etc.
Kamsalamander Maasduinen1)
Kamsalamander Meijendel & Berkheide1)
Kamsalamander Meinweg
Kamsalamander Oeffelter Meent1)
Kamsalamander Rijntakken1)
Kamsalamander Roerdal
Kamsalamander Sallandse heuvelrug
Kamsalamander Springendal etc.
Kamsalamander Stelkampsveld
Kamsalamander Uiterwaarden Lek
Kamsalamander Vecht- en Beneden-Reggegebied
Kamsalamander Veluwe
Kamsalamander Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek1)
Kamsalamander Willinks Weust1)
Kamsalamander Witte Veen1)
Kamsalamander Zouweboezem
Kamsalamander Zwin & Kievittepolder

1)Hier worden aantallen geteld m.b.v. fuikjes.

Voortgang in 2024

RAVON heeft een nieuwe Rode Lijst voor amfibieën en reptielen opgesteld. Op 1 oktober 2024 is de nieuwe Rode Lijst voor amfibieën en reptielen gepubliceerd in de Staatscourant. Uiteraard is bij het maken van deze Rode Lijst gebruik gemaakt van in het kader van het NEM verzamelde informatie.

Aantalsmonitoring

Voor vier van de zes soorten waarvan aantallen geteld worden, zijn voldoende (recente) telgegevens beschikbaar en is de ligging van de telgebieden voldoende representatief voor de leefgebieden. Dat maakt dat voor boomkikker, geelbuikvuurpad, knoflookpad en vuursalamander jaarlijks betrouwbare landelijke trends berekend kunnen worden. De boomkikker is rond 2010 in grote delen van Nederland uitgezet in gebieden waar de soort vroeger voorkwam en later verdwenen is. De uitzettingen zijn buiten de aandacht van het meetprogramma gebleven. Bij het opstellen van de Rode Lijst Amfibieën en Reptielen is, in samenspraak met het ministerie van LVVN, besloten alle gebieden waar de soort is uitgezet en de soort in het verleden voorkwam, in beschouwing bij de Habitatrichtlijnrapportage. Dat is bij het opstellen van de Rode Lijst 2007 niet gebeurd. Dat betekent dat in die gebieden waar de boomkikker is uitgezet, geteld moet worden teneinde een representatieve trend te kunnen berekenen die weergeeft hoe het met de soort in Nederland gaat. Om deze reden is het meetprogramma uitgebreid, want door de beslissing, is het verspreidingsgebied van de soort viermaal zo groot geworden. Het is vooral nodig vrijwilligers te vinden om te tellen in de gebieden die er in het noorden van ons land zijn bijgekomen. In Noord-Brabant en Limburg is vanaf het moment dat de boomkikker is uitgezet, ook gemonitord. De betrouwbaarheid van de aantalstrend van de vroedmeesterpad wordt betwijfeld. De indruk van RAVON is dat de trend, in vergelijking met wat RAVON waarneemt in het veld, te positief is. Per jaar is er nu één telronde waarin de vroedmeesterpad, door een professional geteld wordt, één telronde is voor deze soort onvoldoende om een betrouwbaar beeld te krijgen van de aantallen die tijdens een seizoen in een plot voorkomen. In 2023 is een start gemaakt met aantalsmonitoring van de kamsalamander, een HR-soort van bijlage II (zie tabel 7.8.3). Vrijwilligers zijn geworven en geïnstrueerd hoe te tellen. In 2023 zijn in vijftig poelen fuikjes uitgezet (zes per poel), in 2024 is het aantal poelen waarin m.b.v. fuikjes is geteld al toegenomen tot 76! Logischerwijs kan er nog geen trend berekend worden. De verwachting is wel dat, doordat de kleine watersalamander ook in de fuikjes zwemt en die aantallen worden vastgelegd door de tellers, er voor de kleine watersalamander ook een aantalstrend berekend kan worden. Mogelijk geldt hetzelfde voor de Alpenwatersalamander.

Het aantal bezochte telgebieden in 2023, voor het tellen van boomkikker, vuursalamander, vroedmeesterpad, geelbuikvuurpad en knoflookpad, is ten opzichte van 2022 iets toegenomen (figuur 7.8.4). Daarnaast zijn er in 2024 tellingen van voor 2023, zelfs van 2007, boven tafel gekomen, uit telgebieden waarvan het bij het CBS niet bekend was dat er geteld werd. Het betreft voornamelijk telgebieden voor de boomkikker, een paar voor de knoflookpad. De meeste telgebieden die erbij gekomen zijn liggen in Noord-Brabant (28), maar ook in Zeeland, Limburg, Gelderland, Overijssel, Fryslân en Drenthe. Voor de kamsalamander is nog niet duidelijk hoe de poelen waar geteld wordt zijn verdeeld over het leefgebied van de soort, m.a.w., het is nog niet duidelijk of de representativiteit van de meetpunten op orde is.

7.8.4 Aantal bezochte telgebieden voor amfibieën
Jaren Watertjes
'97 50
'98 57
'99 55
'00 66
'01 77
'02 85
'03 78
'04 83
'05 90
'06 79
'07 85
'08 94
'09 74
'10 93
'11 89
'12 102
'13 92
'14 100
'15 116
'16 121
'17 126
'18 130
'19 129
'20 129
'21 126
'22 112

Verspreidingsonderzoek

Voor de andere soorten, waarvoor met behulp van daglijstjes verspreidingstrends worden bepaald, zijn ruim voldoende gegevens beschikbaar. Het aantal bezochte km-hokken is hoog (figuur 7.8.5). De representativiteit van de verspreidingstrends is goed. De gegevens zijn namelijk niet alleen afkomstig uit het meetprogramma, maar ook uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). De NDFF bevat ook waarnemingen van groene bureaus, overheden en niet aan RAVON verbonden vrijwilligers. Het is in 2024 niet gelukt om verspreidingstrends te berekenen. De data bleek telkens fouten te bevatten die het correct berekenen van indexcijfers en trends in de weg stond. Uiteindelijk lijkt de oorzaak gevonden en het probleem opgelost. Voor de boomkikker lukt het sowieso niet een betrouwbare verspreidingstrend te berekenen. Het hiërarchische occupancymodel dat voor de andere amfibiesoorten gebruikt wordt lijkt, vanwege de heel hoge kans de soort te vinden, niet zo geschikt. Gelukkig is er voor deze soort wel een betrouwbare aantalstrend.

7.8.5 Aantal bezochte km-hokken voor amfibieën
jaren Kilometerhokken
'97 1910
'98 1660
'99 2192
'00 2208
'01 1923
'02 2263
'03 2154
'04 2447
'05 3551
'06 2869
'07 4415
'08 4743
'09 5259
'10 5464
'11 5472
'12 5173
'13 5036
'14 5737
'15 5403
'16 6027
'17 6196
'18 6568
'19 6910
'20 8366
'21 9801
'22 10196

Het jaar 2024 is het eerste jaar van de nieuwe HR rapportageperiode. Het verspreidings­onderzoek is volgens schema verlopen.

7.8.6Voortgang verspreidings­onderzoek amfibieën
10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 1 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Bastaardkikker 406 55
Boomkikker 60 87
Bruine kikker 438 89
Geelbuikvuurpad 5 80
Heikikker 229 59
Kamsalamander 200 68
Knoflookpad 46 48
Meerkikker 250 32
Poelkikker 238 41
Rugstreeppad 292 71
Vroedmeesterpad 7 100

Aandachtspunten

  • Op peil houden van de bestaande aantalsmonitoring op meetpunten waar de zes soorten voorkomen waarvan aantallen worden geteld (RAVON). Voor de vroedmeesterpad, geteld door professionals, is er een probleem. In het verleden is er bezuinigd op deze tellingen. RAVON kan dit niet alleen oplossen.
  • Zorgen dat het vrijwilligersnetwerk en de technische voorzieningen (database, kaartmodule verspreidings­onderzoek) op peil blijven (RAVON).
  • Opschalen van de aantalsmonitoring van boomkikker en kamsalamander (RAVON).
  • Levering tellingen kamsalamander tezamen met tellingen van de vijf overige soorten die geteld worden (RAVON) en uitvoeren poweranalyse teneinde aantal telronden per jaar te bepalen (CBS).
  • Toevoegen van een controlestap aan het leveringsproces van de gegevens waarmee verspreidingstrend op 1 x 1 km-hokniveau worden geleverd. Het format van de data moet bijvoorbeeld in orde zijn, overeenkomen met wat is afgesproken. Uiteraard kunnen waarnemingen, ongeacht wanneer waarnemingen verzameld zijn, gecorrigeerd worden. Het verwijderen van gegevens die toch fout blijken, zien we ook als een correctiestap. Maar wanneer de dataset gecorrigeerd is, willen we bij de levering aan het CBS op de hoogte worden gesteld van de correcties. Als laatste: de geleverde gegevens dienen zich te beperken tot die waarnemingen die daadwerkelijk gebruik worden. Dit om onnodige verwarring bij het controleren van de dataset te voorkomen (RAVON).

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.

Informatie over RAVON: Website RAVON.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van amfibieën van 1997 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.

7.9Zoetwatervissen

Algemeen

Met het meetprogramma voor zoetwatervissen van het NEM worden visgegevens uit alle belangrijke (zoet) waterrijke gebieden van Nederland bij elkaar gebracht. Het doel is het verkrijgen van verspreidingsgegevens.

Coördinatie: Stichting RAVON.

Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting RAVON, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).

7.9.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage II en IV
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V
  EU Kaderrichtlijn Water: trends in zoete rijkswateren
  Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends
  Indicatoren rijksbegroting
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied
  Natura 2000: trends in gezamenlijke Natura 2000‑gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
  Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst
Indirecte meetdoelen
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Sustainable Development Goals: landelijke trends

Gegevens

Visgegevens worden met verschillende methoden (zoals schepnet, elektrisch schepnet, zegen, kuil, fuik, hengel en eDNA). Dit gebeurt in verschillende delen van het watersysteem en door verschillende waterbeherende organisaties. Grote rivieren, kanalen en meren worden doorgaans bemonsterd door Rijkswaterstaat, terwijl regionale wateren vooral door waterschappen worden onderzocht. Deze gegevens, en gegevens van adviesbureaus en nog wat kleinere bronnen, worden bijeengebracht door RAVON. Toch zijn er nog wateren en regio’s die niet goed onderzocht zijn op het voorkomen van de soorten uit het meetprogramma. Om een goede landelijke dekking te verkrijgen, worden die gebieden door vrijwilligers met specifieke methoden (schepnet, zaklamp, prikkencilinder) geïnventariseerd. De coördinatie hiervan is in handen van RAVON. Een beschrijving van de werkwijze per soort is te vinden op de website van RAVON (zie onder Links). Voor veel soorten zijn betrouwbare landelijke trends beschikbaar vanaf 1990.

Soorten

De prioriteit van het meetprogramma voor zoetwatervissen ligt bij de vissoorten die vermeld worden op één of meerdere bijlagen van de Habitatrichtlijn. Tabel 7.9.2 geeft een overzicht van deze soorten en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. Daarnaast gaat er ook aandacht uit naar de vissensoorten die kenmerkend zijn voor een bepaald habitattype (de typische soorten). De opzet van het meetprogramma stelt het NEM echter in staat van veel meer zoetwatervissen de verspreiding en de trends in verspreiding (= aantal bezette 1 x 1 km-hokken per jaar) in beeld te brengen. De stand van de beekprik kan middels de opzet van het huidige meetprogramma niet goed in beeld gebracht worden. Om die reden is er een meetprogramma ontwikkeld waarbij de aantallen worden gemonitord door het tellen van larven. Het programma is in 2018 gestart en omvat 79 trajecten verdeeld over het verspreidingsgebied. In 2023 zijn in 33 trajecten tellingen gedaan, daarmee is het streefaantal van 25 trajecten waar tijdens een seizoen geteld wordt, gehaald. De rivierprik is opgenomen in het meetprogramma voor de zoetwatervissen, maar de verzamelde gegevens zijn door de WOT niet gebruikt voor de VHR-rapportage over 2013–2018 en ook niet voor de VHR-rapportage over 2019–2024. Dat roept de vraag op of het zin heeft de soort via het NEM te blijven volgen. Vier invasieve exoten, amoergrondel, blauwband, zonnebaars en zwarte dwergmeerval, zijn opgenomen in het meetprogramma. Deze soorten worden vermeld op de Unielijst van de EU en worden gevolgd in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De amoergrondel is nog niet in Nederland aangetroffen, de drie overige soorten wel. De zwarte dwergmeerval staat sinds 2022 op de Unielijst en is lastig te onderscheiden van de bruine dwergmeerval die ook in Nederland voorkomt. Tabel 7.9.2 geeft een overzicht van de soorten die zijn opgenomen in het meetprogramma en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. Voor de verspreiding van deze soorten, zie de figuren in de bijlage.

7.9.2Zoetwatervissen: kwaliteitsbeoordeling per soort
Soort Beleidsstatus1) Verspreidingstrend landelijk Aantalstrend landelijk
Amoergrondel Exoot . .
Beekdonderpad HR II goed .
Beekprik HR II, ANLb goed matig
Bermpje TYP goed .
Bittervoorn HR II, ANLb goed .
Blauwband Exoot goed .
Grote modderkruiper HR II, ANLb goed .
Kleine modderkruiper HR II, ANLb goed .
Rivierdonderpad2) HR II, ANLb goed .
Rivierprik3) HR II & V goed .
Ruisvoorn TYP slecht .
Snoek TYP goed .
Zeelt TYP goed .
Zonnebaars Exoot goed .
Zwarte dwergmeerval Exoot slecht  

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort HR; ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.

2)De donderpad die op de Habitatrichtlijn genoemd wordt (Cottus gobio), blijkt niet in Nederland voor te komen, maar wel de enige jaren geleden ontdekte soorten rivierdonderpad (Cottus perifretum) en beekdonderpad (Cottus rhenanus). Het ministerie van EZ verwacht dat deze twee nieuwe soorten op termijn als HR-soort zullen worden aangemerkt.

3)WER verzamelt telgegevens van de rivierprik. Hiermee kunnen aantalstrends berekend worden.

Natura 2000‑gebieden

Er zijn zeven vissoorten die vermeld worden op Bijlage II van de Habitatrichtlijn. Voor zes van deze soorten zijn Natura 2000‑gebieden aangewezen. Zie tabel 7.9.3 voor een overzicht van de gebieden en de vissoorten waarvoor de gebieden aangewezen zijn. De gegevens zijn per definitie onvoldoende om voor de afzonderlijke soorten verspreidingstrends per gebied te berekenen.

7.9.3Natura 2000‑gebieden
Natura 2000‑gebied Soorten HR Bijlage II
Alde Faenen bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Biesbosch bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, rivierprik
Binnenveld grote modderkruiper
Botshol kleine modderkruiper
Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein bittervoorn, kleine modderkruiper
Buurserzand & Haaksbergerveen grote modderkruiper
De Wieden bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Deurnse Peel & Mariapeel bittervoorn, kleine modderkruiper
Dinkelland beekprik, bittervoorn, rivierdonderpad
Drentsche Aa-gebied grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, rivierprik
Eilandspolder bittervoorn, kleine modderkruiper
Geuldal beekprik, rivierdonderpad
Grensmaas rivierdonderpad, rivierprik
Groote Wielen bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Haringvliet1) bittervoorn, rivierdonderpad, rivierprik
Hollands Diep bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierprik
IJsselmeer rivierdonderpad
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Kampina & Oisterwijkse Vennen kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Kempenland-West kleine modderkruiper
Kennemerland-Zuid kleine modderkruiper
Krammer-Volkerak kleine modderkruiper
Langstraat grote modderkruiper, kleine modderkruiper
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux beekprik, bittervoorn, kleine modderkruiper
Leudal bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Lingegebied & Diefdijk-Zuid bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper
Loevestein, Pompveld & Kornsche boezem bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Maas bij Eijsden rivierdonderpad, rivierprik
Maasduinen kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Markermeer & IJmeer kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Meijendel & Berkheide kleine modderkruiper
Meinweg beekprik
Naardermeer bittervoorn, kleine modderkruiper
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Noordzeekustzone1) rivierprik
Oeffelter Meent kleine modderkruiper
Olde Maten & Veerslootslanden bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper
Oostelijke Vechtplassen bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Oudegaasterbrekken etc kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Polder Westzaan bittervoorn, kleine modderkruiper
Rijntakken2) bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, rivierprik
Roerdal beekprik, bittervoorn, grote modderkruiper, rivierprik, rivierdonderpad
Rottige Meenthe & Brandemeer bittervoorn, kleine modderkruiper
Springendal & Dal van de Mosbeek beekprik
Stabrechtse Heide & Beuven kleine modderkruiper
Swalmdal rivierdonderpad
Uiterwaarden Zwarte water en Vecht bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Van Oordts Mersken grote modderkruiper, kleine modderkruiper
Vecht- en Beneden-Reggegebied bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Veluwe beekprik, rivierdonderpad
Veluwerandmeren kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Vlakte van de Raan1) rivierprik
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper
Voordelta1) rivierprik
Waddenzee1) rivierprik
Weerribben bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Weerter- en Budelerbergen & Ringselven bittervoorn, kleine modderkruiper
Westerschelde & Saeftinghe1) rivierprik
Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Zouweboezem bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper
Zwarte Meer bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad

1)In deze gebieden vindt geen monitoring plaats in het kader van het NEM. De gebieden zijn niet geschikt voor monitoring door vrijwilligers.

2)Rivierprik wordt hier niet gemonitoord.

Voortgang in 2024

In 2024 werd een knelpunt in het meetprogramma voor de beekprik opgelost, een probleem dat al sinds 2019 bestond. Vrijwilligers van RAVON kregen eerst geen toestemming van Waterschap Limburg geen toestemming om beken te betreden waardoor er geen waarnemingen verzameld konden worden. Na overleg tussen RAVON, Waterschap Limburg, provincie Limburg, BIJ12 en het CBS heeft het waterschap ingestemd met monitoring van de beekprik door vrijwilligers van RAVON. Het betekent tevens dat de monitoring van de beekdonderpad in Limburg weer opgepakt kan worden. Kortom, goed nieuws, het betekent voor de beekprik dat er, na het tellen in Limburg, een representatieve aantalstrend berekend kan gaan worden. Ook voor de beekdonderpad, een soort die bijna alleen in Limburg voorkomt, kan worden nagedacht over monitoring.

Teldekking

In Nederland worden veel visgegevens verzameld door verschillende organisaties, elk met een focus op specifieke wateren. Daardoor zijn de gegevens representatief voor de leefgebieden van de verschillende soorten. De visgegevens die waterschappen verzamelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn vanwege de hoeveelheid gegevens en de goede landelijke dekking een belangrijke bron.

De bemonsteringen worden door de waterschappen echter niet elk jaar gedaan, maar eens in de drie tot zes jaar. Verder worden de gegevens met enige vertraging in de NDFF gezet en waarschijnlijk zetten niet alle waterschappen hun data in de NDFF, sommigen geven de data alleen aan het Informatiehuis Water (IHW). Dat bemoeilijkt het jaarlijks berekenen van trends. Rijkswaterstaat verzamelt jaarlijks visgegevens van de grote rivieren, maar deze gegevens worden tot nu toe niet door Rijkswaterstaat in de NDFF gezet. Het IJsselmeer wordt bemonsterd door WMR, ook deze gegevens komen niet direct in de NDFF terecht.

Afgesproken is om, vanwege de tijd die nodig is om de gegevens van alle partijen bij elkaar te krijgen, de trendberekeningen vanaf 2022 eens in de twee jaar uit te voeren in plaats van jaarlijks (in 2022 zijn verspreidingstrends berekend). Om het tijdschema van de berekeningen te kunnen bepalen moet de gegevensstroom van waterschappen, RWS en andere partijen naar NDFF en IHW beter in kaart worden gebracht.

RAVON voegt aan iedere waarneming informatie toe over het watertype waaruit de waarneming afkomstig is. Tegenwoordig wordt bij het berekenen van de verspreidingstrends gestratificeerd naar waterschap i.p.v. naar fysisch geografische regio. Dit betekent dat er voor veel soorten trends per waterschap beschikbaar zijn.

7.9.4 Aantal bezochte km-hokken voor vissen
jaren Kilometerhokken
'90 1683
'91 1302
'92 2360
'93 2127
'94 2769
'95 1384
'96 1788
'97 1449
'98 1155
'99 1396
'00 1481
'01 1439
'02 1824
'03 2027
'04 2118
'05 2780
'06 3841
'07 4871
'08 4801
'09 6102
'10 5820
'11 6350
'12 7805
'13 8677
'14 9444
'15 7416
'16 7282
'17 6295
'18 6717
'19 4807
'20 4896
'21 5115
'22 5552
'23 4485

Verspreidingsonderzoek

Het jaar 2024 is het eerste jaar van de nieuwe HR-rapportageperiode. Voor de rivierdonderpad is, vergeleken met de vorige rapportageperiode, het actuele en potentiële leefgebied duidelijk kleiner. Dat komt doordat deze soort de laatste jaren achteruit gaat vanwege de opkomst van de exotische grondels (Kesslers grondel, marmergrondel, Pontische stroomgrondel en zwartbekgrondel). Met name de zwartbekgrondel lijkt verantwoordelijk voor de achteruitgang. Na de laatste HR-rapportageperiode is vastgesteld dat in 46 10 x 10 km-hokken van het toenmalige actuele en potentiële verspreidingsgebied, de soort niet meer voorkomt. Het verspreidings­onderzoek naar de grote modderkruiper verdient deze nieuwe HR-rapportageperiode extra aandacht. Gelukkig gaat deze soort niet achteruit. Wel is deze soort moeilijk te vinden, daardoor is veel inspanning nodig om aan- en afwezigheid op 10 x 10 km-hokniveau vast te stellen, er zijn 33 10 x 10 hokken waarvan al twee rapportageperiodes achtereen niet duidelijk is of de soort er wel of niet voorkomt. Voor de verspreiding van de Nederlandse vissoorten van de habitatrichtlijn, zie de figuren in de bijlage. In 2023 is onderzoek gedaan naar hoe op efficiënte wijze aan- en afwezigheid van de zwarte dwergmeerval aan te tonen. In 2024 is daar een notitie over opgeleverd, de soort neemt in verspreiding nog steeds toe.

7.9.5Voortgang verspreidings­onderzoek vissen
10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 1 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Beekdonderpad 9 89
Beekprik 32 59
Bittervoorn 271 57
Grote modderkruiper 163 33
Kleine modderkruiper 334 63
Rivierdonderpad 174 13
Rivierprik 9 56

Aandachtspunten

  • Actualisatie van het actueel en potentieel leefgebied van de grote modderkruiper en de rivierdonderpad (RAVON).
  • In kaart brengen van de gegevensstroom van waterschappen naar de NDFF (CBS & RAVON).
  • Duidelijke afspraken over samenstelling van de beekprik-dataset (RAVON, CBS).
  • Herkennen van KRW-data van waterschappen en Rijkswaterstaat in de visgegevens die RAVON levert (RAVON).
  • Overleggen met de WOT over de rivierprik om helder te krijgen welke gegevens gebruikt zullen worden in het volgende VHR-rapport zodat bepaald kan worden of het zin heeft de soort via het NEM te monitoren (Stuurgroep Monitoring).
  • In kaart brengen welke voor vissen aangewezen Natura 2000‑gebieden onderbemonsterd zijn (RAVON).

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring Website NEM.

Informatie over RAVON Website RAVON.

Trends HR-soorten en graadmeter: Compendium voor de Leefomgeving

7.10Vlinders

Algemeen

Vlinders worden geteld via twee meetprogramma’s: dagvlinders en nachtvlinders. Beide meetprogramma’s bestaan uit twee onderdelen: aantalsmonitoring en verspreidings­onderzoek.

Coördinatie: De Vlinderstichting.

Uitvoering: Vrijwilligers, De Vlinderstichting, terreinbeherende organisaties, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).

7.10.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten
  Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000‑gebieden en per biotoop
  Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten
  Biodiversiteit Insecten
  Graadmeters Natuurnetwerk Nederland
Indirecte meetdoelen
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied1)
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Sustainable Development Goals
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, per biotoop etc.
  Stadsnatuur: landelijke trends

1)Van matig sturend naar indirect meetdoel.

Soorten

Tabel 7.10.2 geeft een overzicht van de in totaal 34 soorten die zijn opgenomen in de meetprogramma’s en de mogelijkheid van het berekenen van betrouwbare aantals- en/of verspreidingstrends. Het gaat hierbij om negen soorten die in de Habitatrichtlijn worden genoemd en 27 soorten die als typische soort te boek staan (van deze groep behoren er twee ook tot de groep van negen soorten van de Habitatrichtlijn).

7.10.2Vlinders: kwaliteitsbeoordeling per soort
Soort Beleidsstatus1) Type meet­gegevens Kwaliteit landelijke trend Opmerkingen
Aardbeivlinder TYP verspreiding goed3)  
Apollovlinder HR IV . . verdwenen uit NL
Bruin blauwtje TYP verspreiding goed3)  
Bruin dikkopje TYP verspreiding goed3)  
Donker pimpernel­blauwtje HR II en IV aantal4) en verspreiding5) goed in 2024 niet meer gezien
Duinparelmoer­vlinder TYP verspreiding goed3)  
Dwergblauwtje TYP . . verdwenen uit NL
Eikenpage TYP verspreiding goed3)  
Geelsprietdikkopje TYP verspreiding goed3)  
Gentiaanblauwtje TYP verspreiding goed3)  
Groentje TYP verspreiding goed3)  
Grote ijsvogelvlinder TYP . . verdwenen uit NL
Grote parelmoervlinder TYP verspreiding goed3)  
Grote vuurvlinder HR II en IV, TYP aantal4) en verspreiding5) goed  
Grote weerschijnvlinder TYP . .6) moeilijk meetbaar
Heideblauwtje TYP verspreiding goed3)  
Heivlinder TYP verspreiding goed3)  
Kleine heivlinder TYP verspreiding goed3)  
Kleine ijsvogelvlinder TYP verspreiding goed3)  
Kleine parelmoervlinder TYP verspreiding goed3)  
Kommavlinder TYP verspreiding goed3)  
Moeras­parelmoer­vlinder HR II, TYP . . verdwenen uit NL
Pimpernelblauwtje HR II en IV aantal4) en verspreiding5) goed  
Purperstreep­parelmoervlinder TYP . . verdwenen uit NL
Spaanse vlag2) HR II* aantal4) en verspreiding5) goed  
Teunisbloempijlstaart2) HR IV . .6) zeldzaam
Tijmblauwtje HR IV . . verdwenen uit NL
Tweekleurig hooibeestje TYP . . verdwenen uit NL
Vals heideblauwtje TYP . . verdwenen uit NL
Veenbesblauwtje TYP verspreiding goed3)  
Veenbesparelmoervlinder TYP verspreiding goed3)  
Veenhooibeestje TYP verspreiding goed3)  
Zilveren maan TYP verspreiding goed3)  
Zilverstreep­hooibeestje HR IV . . verdwenen uit NL

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage, * = prioritaire soort; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.

2)Nachtvlinder.

3)Deze soort lift als goed gevolgd tevens mee in het meetnet aantalsmonitoring.

4)Populatiegrootte in 1x1 km-hok, en populatietrend landelijk.

5)Verspreiding in 10x10 km-hok, verspreidingstrend in 10x10 km-hok.

6)Zeldzame en/of moeilijk meetbare soort die zo goed mogelijk gevolgd wordt via het verspreidings­onderzoek.

Gegevens

Gegevensinwinning

Aantalsmonitoring dagvlinders

In het meetonderdeel aantalsmonitoring worden alle in ons land voorkomende dagvlindersoorten en enkele dagactieve nachtvlinders geteld via vaste routes van doorgaans 1 km lang. Deze worden elk jaar op dezelfde manier geteld. Gedurende het hele seizoen tussen 1 april en 1 oktober wordt in principe wekelijks genoteerd welke soorten er voorkomen en in welke aantallen. Vanwege de vervroeging van de vliegtijd door klimaatverandering is genoemde periode vrijgegeven en worden tellingen verricht onder weersomstandigheden die voldoen aan de minimumeisen buiten de aangegeven periode ook meegenomen. Daarnaast zijn er routes gericht op één soort, met alleen tellingen in de hoofdvliegtijd van die soort. Voor ruim de helft van de te volgen soorten gaat het om een steekproef van enige honderden meetlocaties in hun leefgebieden. Van de andere soorten wordt op alle locaties waar de soort voorkomt een telroute uitgezet. Daarnaast zijn er drie soorten die geteld worden via ei-tellingen (gentiaanblauwtje, sleedoornpage en grote vuurvlinder), omdat tellen van de volwassen dieren niet mogelijk is (ze zijn te zeldzaam en obscuur om aantallen van betekenis te kunnen vaststellen door middel van telroutes). De veldwerkhandleiding is te vinden via de website van het NEM (zie Links).

Bij de statistische analyse worden de cijfers van de steekproefsoorten door weging gecorrigeerd voor over- en onderbemonstering van bepaalde regio’s en begroeiingstypen.

Weegfactoren worden per soort afgeleid uit de oppervlakte geschikt leefgebied binnen het maximale verspreidingsareaal. Omdat de weegfactoren van een aantal soorten verouderd waren, is in 2022 een nieuwe wegingsmethode ontwikkeld waarbij het potentieel leefgebied wordt bepaald aan de hand van de kans op aanwezigheid op basis van de occupancy uitkomsten op 10 x 10 km hokniveau, waarbij gewogen wordt naar substrata/subpopulaties op basis van fysisch geografische regio in combinatie met begroeiingstype. Er zijn hiervoor begroeiingstypekaarten gemaakt van de situatie in 1990 (start aantalsmeetnet) en die in 2015, die als basis dienen voor de bepaling van nieuwe weegfactoren. De nieuwe weegfactoren zijn voor het eerst toegepast bij de berekening van de trends tot en met 2022 (publicatie maart 2023).

Aantalsmonitoring nachtvlinders

Systematische aantalsmonitoring van nachtvlinders wordt gedaan met behulp van gestandaardiseerde vlindervallen, met name de speciaal hiervoor ontwikkelde LedEmmer. De val wordt minimaal eens in de twee weken aan het begin van de avond geplaatst en bij zonsopkomst worden de nachtvlinders in de val geïdentificeerd, geteld en weer losgelaten. Een aantal dagactieve nachtvlindersoorten wordt geteld via de aantalsmonitoring dagvlinders. Tenslotte zijn er enkele soortgerichte routes voor de Spaanse vlag en de Phegeavlinder.

Verspreidingsonderzoek dag- en nachtvlinders

Het verspreidings­onderzoek bestaat uit verschillende gegevensstromen. Allereerst vindt er gegevensinzameling plaats die is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende soorten van bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn (HR) op 10 x 10 km- en 5 x 5 km-hokniveau. Daarnaast is er verspreidings­onderzoek van de overige soorten op 5 x 5 km-hokniveau. Het doel daarvan is om de Rode Lijst status van soorten te kunnen actualiseren, met bijzondere aandacht voor de urgent bedreigde typische soorten. De verdere gegevensinwinning van de HR soorten en de typische soorten bestaat uit gerichte inventarisaties van km-hokken volgens een gestandaardiseerd protocol.

Naast het systematisch opgezette aantalsmeetnet en het gerichte verspreidings­onderzoek worden veel gegevens over vlinders verzameld zonder gebruik van een vast meetprotocol, in de vorm van soortenlijsten (ook wel flextellingen genoemd) of losse waarnemingen van één soort. Een deel van deze flextellingen komen ook in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) terecht, voor Liveatlas tellingen (via Sovon) wordt hier nog aan gewerkt. Losse waarnemingen via waarneming.nl of telmee.nl gaan ook door naar de NDFF. Daarnaast zijn er waarnemingen van professionals, zoals boswachters en ecologen, die inventarisaties uitvoeren in minder toegankelijke gebieden, bijvoorbeeld in het kader van Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Een deel hiervan komt in de NDFF terecht, afhankelijk van het gekozen invoerplatform, en is daarmee beschikbaar voor verspreidings­onderzoek.

De gegevens van HR soorten worden verwerkt tot verspreidingskaarten op 10 x 10 km-hokniveau. Het gaat om de grote vuurvlinder, pimpernel­blauwtje, donker pimpernel­blauwtje (dagvlinders), en de teunisbloempijlstaart en de Spaanse vlag (nachtvlinders).

Voor het bepalen van de actuele verspreiding en de trend daarin, worden zogenaamde occupancy-modellen routinematig toegepast. Deze modellen zijn tevens bruikbaar om te onderzoeken of bepaalde hokken voldoende zijn onderzocht om een soort te vinden wanneer deze aanwezig is.

Het doel is om in de zesjaarlijkse HR rapportageperiode 2019–2024 alle hokken van het actuele en potentiële verspreidingsgebied te inventariseren. Omdat de gegevens uit 2024 niet meer konden worden meegenomen in de aanstaande HR rapportage (2019–2024), geldt 2024 als het eerste jaar van de komende zesjarige rapportageperiode (2025–2030).

7.10.3Beoordeling vlindermonitoring per Natura 2000‑gebied
Soort Natura 2000‑gebied Meetpunten laatste 3 jaar Opmerking
Donker pimpernel­blauwtje Roerdal ja niet meer gezien in 2024
  Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek ja geen populatie aanwezig
Grote vuurvlinder De Wieden nee geen populatie aanwezig
  Rottige Meente & Brandemeer ja  
  Weerribben ja  
Pimpernelblauwtje Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek ja  
Spaanse vlag Bemelerberg & Schiepersberg ja  
  Geuldal ja  
  Savelsbos ja  
  Sint Pietersberg & Jekerdal ja  

Voortgang 2024

Teldekking meetnet aantalsmonitoring (t/m 2024)

De telgegevens voor dagvlinders zijn afkomstig van in totaal 3 680 routes over de periode 1990–2024. In 2024 zijn er gegevens binnengekomen van in totaal 1 340 routes (figuur 7.10.4), waarvan circa 1 172 algemene routes, 123 soortgerichte routes (waarvan dertig routes met totaal schattingen) en 122 ei-telplots. Daarnaast zijn ook nog aparte, soortgerichte routes voor twee soorten dagactieve nachtvlinders: zestien voor de Spaanse vlag en vier voor de Phegeavlinder.

Van vrijwel alle 34 voor de NEM meetdoelen onderzochte soorten zijn landelijke trend- en indexcijfers van goede kwaliteit beschikbaar (tabel 7.10.2), evenals per fysisch geografische regio, provincie en begroeiingstype. Van alle habitatrichtlijnsoorten zijn de tijdreeksen van goede kwaliteit. Er is één Natura 2000‑gebied zonder recente meetpunten, maar daaruit is de betreffende HR soort inmiddels verdwenen (tabel 7.10.3).

De telgegevens voor nachtvlinders zijn sterk gegroeid sinds de start van het meetnet. Er zijn inmiddels 1 331 meetpunten geteld in 2024, waarvan 44% in het agrarisch gebied en 41% in stedelijk gebied. De vele meetpunten in agrarisch gebied zijn mogelijk gemaakt door het project Boeren Insecten Monitoring Agrarisch Gebied (BIMAG), dat tenminste tot 2027 doorloopt. Het aantal meetpunten in meer natuurlijke habitats (bos, duin, heide, etc.) is relatief laag (16%).

7.10.4 Aantal getelde vlinderroutes
jaren dagvlinders nachtvlinders
'92 250 2
'93 268 2
'94 286 2
'95 315 2
'96 344 26
'97 399 26
'98 441 27
'99 501 27
'00 545 31
'01 587 33
'02 602 33
'03 779 33
'04 769 33
'05 818 33
'06 817 33
'07 893 32
'08 884 35
'09 847 35
'10 860 36
'11 889 39
'12 884 40
'13 913 47
'14 890 95
'15 946 76
'16 956 84
'17 1059 85
'18 1048 192
'19 1192 330
'20 1223 638
'21 1383 858
'22 1450 1065
'23 1426 1347
'24 1465 1387

Teldekking meetnet verspreidings­onderzoek

Van de vijf HR soorten zijn alle bekende 10 x 10 km-hokken onderzocht binnen de huidige verslagperiode (geactualiseerd overzicht in tabel 7.10.5). Ook zijn er veel actuele verspreidingsgegevens voorhanden op 5 x 5 km-hokniveau.

7.10.5Voortgang verspreidings­onderzoek vlinders
10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 1 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Donker pimpernel­blauwtje 2 50
Grote vuurvlinder 5 100
Pimpernelblauwtje 1 100
Spaanse vlag 168 93
Teunisbloem­pijlstaart 227 77
7.10.6 Aantal bemonsterde km-hokken voor vlinders
jaren geteld
'90 3273
'91 5323
'92 6381
'93 6796
'94 7709
'95 9367
'96 9817
'97 9687
'98 8717
'99 8724
'00 10075
'01 7830
'02 7834
'03 10095
'04 9256
'05 10967
'06 12491
'07 14624
'08 13481
'09 18854
'10 16615
'11 17322
'12 17193
'13 19634
'14 20818
'15 18659
'16 19208
'17 20865
'18 21025
'19 22634
'20 23648
'21 25228
'22 25618
'23 25540
'24 26489

Ontwikkelingen

Het totaal aantal meetroutes voor de aantalsmonitoring van vlinders groeit nog steeds gestaag door. Er komen vooral algemene routes bij waarop ook vaak dagactieve nachtvlinders en hommels geteld worden. Het aantal soortgerichte routes en ei-telplots blijft licht dalen. Deels komt dit bij de soortgerichte routes door de omzetting naar algemene routes (wat beschouwd moet worden als een uitbreiding van de waarneeminspanning), maar de continuering van de afname heeft vooral te maken met de verdergaande afname van zeldzame soorten, waarbij in het geval van het lokaal verdwijnen van een soort wordt gestopt met tellen (bij de ei-telplots speelt dit met name bij het gentiaanblauwtje).

Vanaf seizoen 2023 kunnen waarnemingen van zowel dag- als nachtvlinders rechtstreeks in het veld ingevoerd worden via een speciaal daarvoor ontwikkelde app. Dit heeft de efficiëntie van het meetnet sterk bevorderd. De app beschikt anno 2024 nog niet over automatische beeldherkenning, dit staat op de planning voor 2025. Dit zou, met name voor tellers van nachtvlinders, de efficiëntie van het meetnet nog verder kunnen bevorderen.

Het aantal flextellingen neemt de afgelopen jaren sterk toe. Voor het verspreidings­onderzoek is het zaak om deze data op gestandaardi­seerde wijze mee te nemen in de analyse.

Aandachtspunten

  • Tellingen klaverblauwtje op peil houden in verband met opname van soort in graslandvlinderindicator.
  • Zorgen dat het vrijwilligersnetwerk en de technische voorzieningen (database, invoermogelijkheden, beeldherkenning voor nachtvlinders) op peil blijven (De Vlinderstichting).
  • Uitbreiding van het aantal nachtvlindermeetpunten in natuurgebieden (De Vlinderstichting).
  • Blijven inzetten op standaardisatie van nachtvlindervallen (gebruik van LedEmmer).

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methode en links naar handleidingen: Website De Vlinderstichting.

Informatie over De Vlinderstichting: Website De Vlinderstichting.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van vlinders van 1992 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.
De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van nachtvlinders van 2018 tot en met 2024.

7.11Libellen

Algemeen

Het meetprogramma libellen bestaat uit twee onderdelen: aantalsmonitoring en verspreidings­onderzoek.

Coördinatie: De Vlinderstichting.

Uitvoering: Vrijwilligers, De Vlinderstichting, EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden (EIS), terreinbeherende organisaties, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).

7.11.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten
  Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijke trends
  Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000‑gebieden en per biotoop
  Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
  Biodiversiteit Insecten
Indirecte meetdoelen
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied1)
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Sustainable Development Goals
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, per biotoop etc.
  Stadsnatuur: landelijke trends

1)Van matig sturend naar indirect meetdoel.

Soorten

Het meetprogramma libellen volgt 22 soorten. Negen van deze soorten worden vermeld op één of meerdere bijlagen van de Habitatrichtlijn en 19 van de 22 soorten worden gezien als kenmerkend voor een bepaald habitattype (de typische soorten), zie tabel 7.11.2.

7.11.2Libellen: kwaliteitsbeoordeling per soort
Soort Beleidsstatus1) Type meet­gegevens Kwaliteit landelijke trend Opmerkingen
Beekrombout TYP verspreiding goed  
Bruine korenbout TYP verspreiding goed
Bronslibel HR II en IV . . incidenteel in NL
Bruine winterjuffer TYP verspreiding goed
Donkere waterjuffer TYP verspreiding goed aantal wordt gevolgd
Gaffellibel HR II en IV, TYP aantal goed afwijkende methode, sterke fluctuaties
Gevlekte witsnuitlibel HR II en IV, TYP aantal goed
Gewone bronlibel TYP verspreiding goed
Glassnijder TYP verspreiding goed
Groene glazenmaker HR IV, TYP, ANLb aantal goed
Hoogveenglanslibel TYP verspreiding goed
Kempense heidelibel TYP verspreiding goed  
Mercuurwaterjuffer HR II . . verdwenen uit NL
Noordse glazenmaker TYP verspreiding goed  
Noordse winterjuffer HR IV aantal goed
Oostelijke witsnuitlibel HR IV, TYP aantal goed  
Rivierrombout HR IV, TYP . .2) afwijkende methode
Sierlijke witsnuitlibel HR IV, TYP aantal goed  
Speerwaterjuffer TYP verspreiding goed aantal wordt gevolgd
Venwitsnuitlibel TYP verspreiding goed
Vroege glazenmaker TYP verspreiding goed
Weidebeekjuffer TYP verspreiding goed

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn; ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.

2)Zeldzame en/of moeilijk meetbare soort die zo goed mogelijk gevolgd wordt via het verspreidings­onderzoek.

Gegevens

Gegevensinwinning

Aantalsmonitoring

Vrijwilligers van De Vlinderstichting verzamelen tellingen van alle in ons land voorkomende libellensoorten. Op vaste routes van gemiddeld 250 meter lang wordt elk jaar op dezelfde manier het aantal individuen van elke soort geteld. Gedurende het hele seizoen tussen 1 mei en 1 oktober wordt in principe om de twee weken genoteerd welke soorten voorkomen en in welke aantallen. Daarnaast zijn er routes gericht op één soort, met alleen een drietal tellingen in de hoofdvliegtijd van de soort.

Voor algemene tot schaarse soorten zijn de routes een steekproef; voor de meer zeldzame soorten wordt in principe op alle locaties waar de soort voorkomt een telroute uitgezet. De gaffellibel wordt middels een aangepaste methode gevolgd. Ook de rivierrombout wordt vanaf 2012 middels een aangepaste methode gevolgd op plekken waar de kans het grootst is de soort aan te treffen (riviersluiptelling). De algemene veldwerkhandleiding en die van de rivierrombouttelling zijn te vinden via de website van het NEM en De Vlinderstichting (zie onderaan bij links).

Tot 2017 werden alleen langs de eerste 100 meter van de route alle soorten geteld, en daarna alleen de ‘grote libellen’ (dit zijn de beekjuffers en de echte libellen (Anisoptera) minus de heidelibellen). In 2017 is een nieuwe methode ingevoerd, waarbij langs de gehele route alle soorten worden geteld. Deze methode sluit aan bij de methodiek van de dagvlinders. Ze wordt zowel toegepast op alle routes die vanaf 2017 nieuw worden uitgezet als op al bestaande routes waarvan de tellers wilden overstappen naar de nieuwe methode. Voor tellers die niet wilden overstappen bleef het mogelijk om via de oude methodiek te tellen.

Voor de meeste meer algemene soorten blijkt het meetprogramma onvoldoende routes te omvatten om representatieve landelijke populatietrends te berekenen. Voor deze groep wordt alleen de trend in verspreiding in beeld gebracht op basis van informatie over aan- of afwezigheid in 1 x 1 km-hokken.

Verspreidingsonderzoek

Het verspreidings­onderzoek is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende soorten van bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn (HR) op 10 x 10 km-hokniveau. Het doel is om in de zesjaarlijkse HR rapportageperiode alle hokken van het gezamenlijke actuele en potentiële verspreidingsgebied te inventariseren. Om het beeld compleet te krijgen, zowel qua verspreiding als aantallen, is extra inspanning verricht voor een aantal soorten die voorkomen in kwetsbare of ontoegankelijke gebieden (noordse winterjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel, gaffellibel). Ook wordt er speciale aandacht besteed aan de rivierrombout, een soort die het beste door middel van tellingen van huidjes van uitgeslopen libellenlarven op rivierstranden geteld kan worden. Daarnaast wordt het verspreidings­onderzoek gebruikt om de landelijke trend van negentien typische soorten te volgen.

Daarnaast is er een meetdoel voor de trend in verspreiding van soorten op 5 x 5 km-hokniveau. Het doel daarvan is om de Rode Lijst status van soorten te kunnen actualiseren, met bijzondere aandacht voor de urgent bedreigde typische soorten. En er is een afgeleid meetdoel, namelijk trends in aantal bezette 1 x 1 km-hokken voor de typische soorten.

Naast het systematisch opgezette aantalsmeetnet en het gerichte verspreidings­onderzoek worden veel gegevens over libellen verzameld zonder gebruik van een vast meetprotocol, in de vorm van soortenlijsten (ook wel flextellingen genoemd) of losse waarnemingen van één soort. Een deel van deze flextellingen (te weten kwartiertellingen via ButterflyCount en transecttellingen/sessies via waarneming.nl) komen ook in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) terecht, voor Liveatlas tellingen (via Sovon) wordt hier nog aan gewerkt. Losse waarnemingen via waarneming.nl of telmee.nl gaan ook door naar de NDFF. Daarnaast zijn er waarnemingen van professionals, zoals boswachters en ecologen, die inventarisaties uitvoeren in minder toegankelijke gebieden, bijvoorbeeld in het kader van Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Een deel hiervan komt in de NDFF terecht, afhankelijk van het gekozen invoerplatform, en is daarmee beschikbaar voor verspreidings­onderzoek.

De gegevens van HR-soorten worden verwerkt tot verspreidingskaarten op 10 x 10 km-hokniveau. Voor het bepalen van de actuele verspreiding en de trend daarin, worden zogenaamde occupancy modellen routinematig toegepast. Deze modellen zijn tevens bruikbaar om te onderzoeken of bepaalde hokken voldoende zijn onderzocht om een soort te vinden als die er zit. Daartoe worden zogenaamde lacunekaarten per soort gemaakt. Bij de noordse winterjuffer is gekozen om alleen de verspreiding in potentieel voortplantingsgebied in kaart te brengen. Onderzoek in hokken met waarnemingen van zwervende en overwinterende dieren wordt niet zinvol geacht.

Het doel is om in de zes‑jaarlijkse HR rapportageperiode 2019–2024 alle hokken van het actuele en potentiële verspreidingsgebied te inventariseren. Omdat de gegevens uit 2024 niet meer konden worden meegenomen in de aanstaande HR rapportage (2019–2024), geldt 2024 als het eerste jaar van de komende zesjarige rapportageperiode (2025–2030).

7.11.3Beoordeling libellenmonitoring per Natura 2000‑gebied
Soort Natura 2000‑gebied Meetpunten laatste 3 jaar Opmerkingen
Gaffellibel Meinweg nee alleen foeragerend aanwezig
Gaffellibel Roerdal ja  
Gaffellibel Swalmdal ja  
Gevlekte witsnuitlibel Alde Feanen ja  
Gevlekte witsnuitlibel Buurserzand & Haaksbergerveen ja  
Gevlekte witsnuitlibel De Wieden ja
Gevlekte witsnuitlibel Drentsche Aa-gebied nee  
Gevlekte witsnuitlibel Fochteloërveen ja  
Gevlekte witsnuitlibel Holtingerveld1) nee  
Gevlekte witsnuitlibel Kampina & Oisterwijkse Vennen ja  
Gevlekte witsnuitlibel Korenburgerveen ja  
Gevlekte witsnuitlibel Leenderbos etc. nee  
Gevlekte witsnuitlibel Lonnekermeer ja
Gevlekte witsnuitlibel Maasduinen nee  
Gevlekte witsnuitlibel Noordhollands Duinreservaat ja  
Gevlekte witsnuitlibel Oostelijke Vechtplassen ja  
Gevlekte witsnuitlibel Rottige Meenthe & Brandemeer ja  
Gevlekte witsnuitlibel Veluwe ja  
Gevlekte witsnuitlibel Weerribben ja  

1)Tot 2013 heette dit Natura 2000‑gebied Havelte Oost.

Voortgang 2024

Teldekking aantalsmonitoring (t/m 2024)

De telgegevens zijn afkomstig van in totaal bijna 2029 routes over de periode 1998–2024. In 2024 zijn er gegevens binnengekomen van in totaal 451 routes, waarvan 310 algemene routes en 141 soortgerichte routes. De HR-soort mercuurwaterjuffer is na de ontdekking in 2011 niet meer in Nederland waargenomen.

Van veel van de typische soorten zijn betrouwbare landelijke trend- en indexcijfers beschikbaar. In totaal zijn er 19 Natura 2000‑gebieden aangewezen voor gaffellibel (3) en gevlekte witsnuitlibel (16). Van deze soort-gebiedscombinaties zijn er drie zonder recente meetpunten voor de betreffende soort; dit betreft gebieden waar geen populatie (meer) aanwezig is (zie tabel 7.11.3).

7.11.4 Aantal getelde libellenroutes
jaren geteld
'98 130
'99 240
'00 349
'01 352
'02 380
'03 443
'04 468
'05 454
'06 495
'07 493
'08 444
'09 476
'10 406
'11 405
'12 489
'13 455
'14 400
'15 389
'16 454
'17 497
'18 517
'19 537
'20 567
'21 567
'22 578
'23 564
'24 549

Teldekking verspreidings­onderzoek

De teldekking van de gegevens om de verspreiding van de acht HR soorten op basis van 10 x 10 km-hokken in beeld te brengen is in 2024 (zie tabel 7.11.5): het percentage onderzochte hokken voor zeven van de acht te onderzoeken HR-soorten ligt op 95% of hoger.

7.11.5Voortgang verspreidings­onderzoek libellen
10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 1 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Gaffellibel 4 57
Gevlekte witsnuitlibel 168 59
Groene glazenmaker 22 44
Noordse winterjuffer 23 52
Oostelijke witsnuitlibel 26 52
Rivierrombout 34 47
Sierlijke witsnuitlibel 64 52

1)Deze soort is sinds 2011 niet meer in Nederland gezien, maar de potentiële plek wordt nog wel gecontroleerd.

7.11.6 Aantal bemonsterde km-hokken voor libellen
jaren geteld
'90 616
'91 786
'92 1153
'93 1408
'94 2859
'95 4185
'96 4517
'97 3018
'98 2323
'99 2985
'00 3098
'01 2645
'02 3084
'03 4355
'04 4701
'05 5565
'06 6695
'07 8269
'08 8132
'09 9268
'10 9011
'11 9488
'12 9692
'13 10167
'14 10818
'15 10453
'16 11688
'17 12057
'18 13045
'19 13400
'20 15129
'21 17117
'22 17608
'23 18424
'24 19587

Ontwikkelingen

Het aantal algemene routes lag een tijdje rond de tweehonderd routes, maar sinds 2017 is het niveau weer terug naar het piekniveau van bijna driehonderd actieve routes van voor 2010. Het aantal soortgerichte routes kende een sprong in 2015 naar ongeveer hetzelfde aantal actieve routes, vooral door routes voor de groene glazenmaker. In 2021 trad voor het eerst een kleine terugval op, mede doordat het met de groene glazenmaker niet zo goed gaat en tellers daarom noodgedwongen stoppen met een route. In 2023 zijn de meeste plots die in het verleden geteld zijn en waar de groene glazenmaker verdwenen is, herbezocht met veel nultellingen als resultaat.

Het aantal flextellingen neemt de afgelopen jaren sterk toe. Voor het verspreidings­onderzoek is het zaak om deze tellingen toe te voegen aan de NDFF, zodat het CBS deze data op gestandaardiseerde wijze kan meenemen in de analyse.

Aandachtspunten

  • Focus van de coördinatie van het meetnetprogramma aantalsmonitoring op de soorten van HR bijlage II en IV. Dit houdt met name gerichte coördinatie in voor:
    • huidjestellingen bij de rivierrombout;
    • het nauw volgen van de ontwikkelingen bij de witsnuitlibellen;
    • de groene glazenmaker in relatie tot ANLb;
    • controle van populatieschattingen gaffellibel door middel van kanotellingen.

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methode en link naar de algemene handleiding: Website De Vlinderstichting.

Link naar de handleiding speciale telling rivierrombout: Website De Vlinderstichting.

Informatie over De Vlinderstichting: Website De Vlinderstichting.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van libellen van 1999 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.

7.12Kevers en andere ongewervelden

Algemeen

Het meetprogramma voor kevers en andere ongewervelden is in de eerste plaats gericht op het bepalen van de verspreiding van een zevental Habitatrichtlijnsoorten (bijlage II, IV en V). Het betreft de medicinale bloedzuiger, Europese rivierkreeft en vijf soorten kevers. Voor de gestreepte waterroofkever en het vliegend hert worden ook op gestandaardiseerde wijze aantalsgegevens verzameld.

Coördinatie: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden (EIS).

Uitvoering: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).

7.12.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage II en IV
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst
  Biodiversiteit insecten: landelijke trends
Indirecte meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Sustainable Development Goals: landelijke trends
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied

Soorten

Naast monitoring van de Habitatrichtlijnsoorten vindt tevens monitoring plaats van een aantal ‘typische soorten’. Deze soorten worden niet direct beschermd door de Habitatrichtlijn, maar worden gebruikt als indicator voor beschermde habitattypen. Het betreft een aantal sprinkhanen, haften, steenvliegen en schietmotten die urgent bedreigd zijn.

Gegevens

Gegevensinwinning

De gegevensinwinning voor de twee soorten waterroofkevers bestaat uitsluitend uit gerichte inventarisaties van km-hokken binnen het actuele en potentiële verspreidingsgebied door professionals m.b.v. schepnetten en vallen. De gegevensinwinning voor het vliegend hert bestaat enerzijds uit losse waarnemingen, en anderzijds uit tellingen gedaan langs vastgelegde trajecten. Het doorgeven van losse waarnemingen wordt gestimuleerd middels oproepen via landelijke, regionale en lokale media. Vanwege de lage trefkans van de soort is gericht verspreidings­onderzoek niet efficiënt. De gegevensinwinning voor de vermiljoenkever bestaat uit gerichte inventarisaties van km-hokken binnen het actuele verspreidingsgebied en verkennende inventarisaties binnen potentieel verspreidingsgebied. De vermiljoenkever is pas in 2012 in Nederland aangetroffen, daarom is het beeld op de verspreiding van de soort nog niet compleet. Gegevensinwinning voor deze soort werd voorheen door professionals uitgevoerd, maar die inzet is niet meer nodig. De soort wordt steeds meer door een kleine, maar toegewijde en kundige groep vrijwilligers geïnventariseerd. De gegevens voor de sprinkhanen worden op zicht en gehoor verzameld. De gegevensinwinning voor de kleine wrattenbijter wordt jaarlijks verzorgd door biologen van de Inventarisatie en Monitoringgroep van de Dienst Vastgoed Defensie. De soort is namelijk alleen te vinden op een afgesloten militair oefenterrein, de Oldebroekse heide. De gegevensinwinning van de wrattenbijter wordt verzorgd door vrijwilligers. De gegevens voor de overige typische insectensoorten bestaan vrijwel uitsluitend uit losse waarnemingen. Afhankelijk van de soort kunnen de dieren het beste in het volwassen of larvale stadium geïnventariseerd worden.

Schietmotten (of kokerjuffers, zoals larvale schietmotten worden aangeduid) worden met lichtvallen gevangen (schietmotten) en/of middels schepnetmonsters (kokerjuffers). Haften (eendagsvliegen) worden als larve met een schepnet gevangen vanwege de zeer korte levensduur van het volwassen stadium. De enige steenvliegsoort binnen het meetprogramma (Perlodes microcephalus) wordt geïnventariseerd door exuviae (vervellingshuidjes) te tellen op brugpijlers, steigers, peilschalen, e.d. Voor veel haften, steenvliegen en schietmotten geldt dat de meetprogramma’s van de waterschappen (ter bepaling van de ecologische kwaliteit ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water) een belangrijke bron van verspreidingsgegevens zijn. De Europese rivierkreeft heeft een zeer beperkt voorkomen in Nederland (thans nog één overgebleven ‘historische’ vindplaats in één 10 x 10 km-hok). Recent is de soort in twee gebieden geherintroduceerd. Of de soort zich hier duurzaam heeft kunnen vestigen moet nog blijken. De populaties worden gevolgd door middel van ‘schijnrondes’ (nachtelijke tellingen met behulp van een sterke zaklamp). In 2020 zijn een aantal kreeftensoorten en een krab opgenomen in het meetprogramma, zie tabel 7.12.2. Het zijn invasieve exoten die worden vermeld op de Unielijst van de Europese Unie. De soorten wordt gevolgd in opdracht van het ministerie van LVVN en in samenwerking met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Gegevensinwinning gaat bij de invasieve exoten niet om het berekenen van trends, maar om zicht te houden op de aanwezigheid en verspreiding. De gegevensinwinning voor de medicinale bloedzuiger bestaat uit gerichte inventarisaties in structuurrijk, ondiep water door professionals. Middels het opwekken van trillingen en golven worden de bloedzuigers aangetrokken. Om het vrijwilligersnetwerk uit te breiden is in 2024 een entomologische tabel voor de haften van de Benelux gepubliceerd. Tabel 7.12.2 geeft een overzicht van de in het meetprogramma opgenomen soorten en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. Een beschrijving van de werkwijze per soort is te vinden in het inventarisatierapport Koese et al. (2013) op de website van EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden (EIS; zie onder Links).

7.12.2Kevers en andere ongewervelden: kwaliteitsbeoordeling per soort
Soort Beleidsstatus1) Trends in aantallen landelijk Verspreiding landelijk Opmerkingen
Kevers        
Brede geelgerande waterroofkever2) HR II & IV slecht goed  
Gestreepte waterroofkever HR II & IV goed goed  
Heldenbok HR IV     verdwenen uit NL
Juchtleerkever2) HR II* & IV slecht goed  
Vermiljoenkever2) HR II & IV . goed  
Vliegend hert HR II slecht goed  
Bloedzuigers        
Medicinale bloedzuiger HR V slecht goed  
Krabben & Kreeften        
Californische rivierkreeft Exoot . . Unielijst, artikel 193)
Chinese wolhandkrab Exoot . . Unielijst, artikel 19
Europese rivierkreeft HR V . goed  
Geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft Exoot . . Unielijst, artikel 19
Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft Exoot . . Unielijst, artikel 19
Marmerkreeft Exoot . . Unielijst, artikel 19
Rode Amerikaanse rivierkreeft Exoot . . Unielijst, artikel 19
Sprinkhanen        
Wrattenbijter TYP . goed  
Kleine wrattenbijter TYP . goed  
Haften        
Ecdyonurus torrentis TYP . goed  
Kokerjuffers        
Athripsodes albifrons TYP . goed  
Brachycentrus subnubilus TYP . goed  
Lepidostoma hirtum TYP . goed  
Plectrocnemia brevis TYP . goed  
Steenvliegen        
Perlodes microcephalus TYP . goed
Wespen        
Aziatische hoornaar Exoot   . Unielijst, artikel 19

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage. * = prioritaire soort.

2)HR II soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen, omdat ten tijde van het aanwijzen van gebieden (2013) de soort niet op de Nederlandse referentielijst stond.

3)Artikel 19 van de exotenverordening verplicht lidstaten om voor weidverspreide invasieve uitheemse soorten die in de Unielijst zijn opgenomen, beheersmaatregelen vast te stellen.

Natura 2000‑gebieden

De gestreepte waterroofkever, de brede geelgerande waterroofkever en het vliegend hert worden vermeld op bijlage II van de Habitatrichtlijn. Vanwege deze vermelding en vanwege hun voorkomen in bepaalde Natura 2000‑gebieden, zijn er Natura 2000‑gebieden aangewezen voor deze soorten. Voor de juchtleerkever en de vermiljoenkever, ook vermeld op bijlage II, zijn (nog) geen gebieden aangewezen. Voor gestreepte waterroofkever en vliegend hert zijn zeven gebieden aangewezen, voor de brede geelgrande is in 2022 één gebied aangewezen (zie tabel 7.12.3). Alle Natura 2000‑gebieden die voor beide waterkevers zijn aangewezen, worden elke rapportageperiode onderzocht op het voorkomen van de soort. De gebieden die zijn aangewezen voor het vliegend hert worden niet gericht onderzocht, maar in de vorige en huidige rapportageperiode is de soort in alle voor de soort aangewezen gebieden waargenomen. Voor alle kevers geldt dat de gegevens onvoldoende zijn om aantalstrends op gebiedsniveau te berekenen.

7.12.3Natura 2000‑gebieden aangewezen voor kevers
Soort Natura 2000‑gebied
Brede geelgerande waterroofkever Holtingerveld
Gestreepte waterroofkever De Wieden
Gestreepte waterroofkever Kampina & Oisterwijkse Vennen
Gestreepte waterroofkever Naardermeer
Gestreepte waterroofkever Nieuwkoopse Plassen & De Haeck
Gestreepte waterroofkever Oostelijke Vechtplassen
Gestreepte waterroofkever Rottige Meenthe & Brandermeer
Gestreepte waterroofkever Weerribben
Vliegend hert Geleenbeekdal
Vliegend hert Geuldal
Vliegend hert Noorbeemden & Hoogbos
Vliegend hert Savelsbos
Vliegend hert Sint Jansberg
Vliegend hert Springendal & Dal van de Mosbeek
Vliegend hert Veluwe

Voortgang in 2024

Juchtleerkever

Na voor het laatst in 1946 in Zuid-Limburg waargenomen te zijn, is de juchtleerkever in 2020 opnieuw waargenomen op twee locaties in Zuid-Limburg. In 2023 en 2024 is tevergeefs naar de kever gezocht, in 2024 zelfs m.b.v. een snuffelhond. Vastgesteld is dat de enige broedboom van het land niet langer geschikt is voor een vitale populatie van de juchtleerkever. De broedboom is onderzocht, vastgesteld is dat de in de boom meerdere generaties van de juchtleerkever hebben geleefd. Op dit moment is onduidelijk of de soort nog in ons land voorkomt of niet.

Gestreepte waterroofkever

Het onderzoek naar de gestreepte waterroofkever is gericht op het bepalen van een landelijke trend in aantallen. In de 24 kilometerhokken die in 2024 onderzocht zijn, is het voorkomen van de soort bevestigd: er zijn 97 exemplaren waargenomen (mogelijke verdubbelingen door herhaalbezoeken niet meegerekend). Positief om te vermelden is dat in 2024 vier vrijwilligers hebben geholpen bij het tellen van de soort. Hierdoor kunnen per jaar meer tellingen verzameld worden wat uiteindelijk de betrouwbaarheid van de aantalstrend ten goede zal komen. Het actuele en potentiële leefgebied is in 2024 uitgebreid met één 10 x 10 km-hok, dankzij de vondst van een aantal kevers in natuurgebied De Onlanden nabij Groningen, vlakbij de locatie waar de soort in 2020 na lange tijd werd herontdekt in Drenthe.

Brede geelgerande waterroofkever

Voor de brede geelgerande waterroofkever wordt het actueel en potentieel leefgebied eens in de zes jaar geactualiseerd. In 2022 is het verspreidingsgebied van de soort voor het laatst geactualiseerd, de soort werd daarbij aangetroffen in één ven in één 10*10 km-hok in Drenthe. Er is in 2024 geen gericht onderzoek verricht en er zijn geen losse waarnemingen binnengekomen. In 2028 zal het verspreidingsgebied opnieuw worden geactualiseerd.

Vliegend hert

Het gaat goed met het vliegend hert. Naar de verspreiding van deze soort is in 2024 geen gericht onderzoek gedaan. Wel zijn er via diverse kanalen (telefoon, e-mail, waarneming.nl en telmee.nl) 2 080 betrouwbare meldingen binnengekomen, iets meer dan vorig jaar. In 2024 zijn er ook betrouwbare waarnemingen buiten het bekende actuele en potentiële verspreidingsgebied geregistreerd, uit maar liefst drie ‘nieuwe’ 10 x 10 km-hokken. Naast het verspreidings­onderzoek loopt een programma waarmee aantallen gemonitord kunnen worden. In 2024 zijn 19 routes bezocht. Het aantal geschikte locaties voor de monitoring blijft een knelpunt. Er zijn maar weinig plekken waar een transect van 500 meter neergelegd kan worden waar ook daadwerkelijk vliegend herten op te vinden zijn. De hoge aantallen nulwaarnemingen blijven een probleem voor de motivatie van de vrijwilligers.

Vermiljoenkever

De vermiljoenkever blijft op meer en meer plekken opduiken. In 2024 is de soort voor het eerst gevonden in de provincies Utrecht en Zeeland. In 2024 is de soort in 10 nieuwe 10 x 10 km-hokken aangetroffen, waarmee het actuele en potentiële leefgebied is uitgebreid. Min of meer toevallige vondsten van de vermiljoenkever wijzen er op dat de soort zich nog steeds aan het uitbreiden is, dan wel wijder verspreid is dan voorheen gedacht. Tot begin 2017 was de bekende verspreiding beperkt tot de regio De Kempen. Vanaf 2017 zijn veel vondsten buiten deze regio gedaan in Limburg, Noord-Brabant en Gelderland. Het actuele en potentiële leefgebied is uitgebreid van 15 10 x 10 km-hokken in 2017 tot 63 in 2024. Ongetwijfeld zullen nog meer vindplaatsen ontdekt worden, zeker omdat de groep vrijwilligers die zich met de soort bezig houdt, groeit. Ook wordt er nagedacht over het opzetten van een meetprogramma waarmee de aantalsontwikkeling van deze soort gevolgd kan worden.

Sprinkhanen

Twee sprinkhanensoorten zijn aangewezen als typische soort van de Habitatrichtlijn (HR), de wrattenbijter en de kleine wrattenbijter. Beide soorten zijn momenteel van één locatie bekend, respectievelijk de Overasseltse en Hatertse vennen en de Oldebroekse heide. Beide populaties zijn groot en stabiel.

Het jaar 2024 is het eerste jaar van de nieuwe HR rapportageperiode, over 2024–2029 (zie tabel 7.12.4).

7.12.4Voortgang verspreidings­onderzoek kevers
10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 1 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Brede geelgerande waterroofkever 2 0
Europese rivierkreeft 2 50
Gestreepte waterroofkever 25 60
Juchtleerkever 2 100
Medicinale bloedzuiger 31 42
Vliegend hert 40 73
Vermiljoenkever 63 63

Aandachtspunten

  • Vliegend hert, het aantal transecten is aan de lage kant en de motivatie van tellers verdwijnt wanneer zij te vaak geen vliegende herten waarnemen bij een bezoek (EIS, CBS).

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methode en links naar handleidingen: Website NEM.

Informatie over EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden: Website EIS Kenniscentrum Insecten.

Informatie over De Vlinderstichting: Website De Vlinderstichting.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

7.13Hommels

Algemeen

Het meetprogramma voor hommels is gericht op het bepalen van de aantalstrend van hommels.

Coördinatie: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden (EIS).

Uitvoering: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid & Natuur (LVVN).

7.13.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Matig sturende meetdoelen
  Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst
  Biodiversiteit insecten: landelijke trends
Indirecte meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Sustainable Development Goals: landelijke trends

Soorten

Het belangrijkste meetdoel dat bediend wordt met het monitoren van hommels is het monitoren van de biodiversiteit van insecten, met name bestuivers. Gegevensinwinning voor bestuivers loopt, zij het in bescheiden mate. Bestuivers zijn ruwweg onder te verdelen in bijen en zweefvliegen. Voor de Rode Lijst Bijen zijn 331 soorten beschouwd, voor de Rode Lijst Zweefvliegen zijn 317 soorten beschouwd. Het NEM is per 2023 uitgebreid met een monitoringsprogramma voor hommels. Voor vijf soorten en drie groepjes van soorten kan tegenwoordig een aantalstrend berekend worden. De verwachting is dat ook voor gewone koekoekshommel, grote of tweekleurige koekoekshommel, moshommel, zandhommel en heidehommel, aantalstrends berekend kunnen gaan worden. Afhankelijk van de omvang van de verspreiding van de soorten, zal voor de meeste van de hommelsoorten ook een verspreidingstrend berekend kunnen worden.

Gegevens

Gegevensinwinning

De gegevensinwinning voor de hommels bestaat uit tellingen gedaan langs vastgelegde trajecten.

7.13.2Hommels: kwaliteitsbeoordeling per soort
Soort Beleidsstatus Trends in aantallen landelijk Verspreiding landelijk Opmerkingen
Hommels        
Aardhommelcomplex   matig .  
Akkerhommel   matig .  
Boomhommel   matig .  
Grote en tweekleurige koekoekshommel slecht .  
Heidehommel   slecht .  
Steenhommel   matig .  
Tuinhommel   matig .  
Vierkleurige- en boomkoekoeks­hommel slecht .  
Weidehommel   matig .  
Zandhommel   slecht .  

Natura 2000‑gebieden

In Nederland komen geen hommelsoorten voor die worden vermeld op bijlage II van de Habitatrichtlijn, daarom zijn er geen Natura 2000‑gebieden specifiek voor hommels aangewezen.

Voortgang in 2024

Vanaf 2023 maakt het meetprogramma hommels deel uit van het NEM. Het programma loopt al langer, sinds 2018. Het aantal routes is gegroeid van 175 in 2018 naar 498 in 2024, zie figuur 7.13.3. Bij de ontwikkeling van dit meetprogramma speelde De Vlinderstichting een belangrijke rol; EIS en De Vlinderstichting hebben het meetprogramma hommels samen opgezet. Aanvankelijk werden dagvlindertellers gevraagd om ook hommels te tellen op hun routes, zonder dat ze de soorten hoefden te determineren. Inmiddels melden steeds meer mensen zich aan om specifiek hommels te tellen op een nieuwe route. Ook bij deze tellers wordt gekeken of het tellen van hommels gecombineerd kan worden met het tellen van vlinders. Het ziet er naar uit dat uiteindelijk van tenminste tien afzonderlijke soorten trends berekend kunnen worden. Er worden nu ook soorten samengenomen (aardhommelcomplex bijvoorbeeld).

In 2024 zijn trends berekend voor zeven soorten en drie groepen van soorten (zie tabel 7.13.2). Voor de vijf meest algemene soorten en het aardhommelcomplex lijken de aantalstrends overeen te komen met de verwachtingen van EIS. Voor de verzamelsoorten grote/tweekleurige koekoekshommel en boom-/vierkleurige koekoekshommel zijn er voldoende tellingen voor het berekenen van een trend. Toch lijken deze trends niet betrouwbaar, mogelijk door een leereffect bij de tellers. Hierdoor wordt een toename van deze soorten gesuggereerd, terwijl ze waarschijnlijk afnemen. Met meer ervaring en na het volgen van een cursus zullen tellers deze soorten beter herkennen. In 2024 heeft EIS een onlinecursus gegeven aan ruim 100 deelnemers. Ongeveer 20% van de deelnemers volgde de cursus live en leverde geregeld huiswerk aan waardoor hun kennisopbouw goed gevolgd kon worden. De overige 80% bekeek de cursus in eigen tijd terug en leverde vaak geen huiswerk aan, waardoor hun. voortgang minder goed in beeld kwam. De e-learning voor hommels is nog in ontwikkeling en zal naar verwachting in april 2025 gereed zijn.

In 2024 heeft EIS, samen met WUR en het CBS, in opdracht van het ministerie van LVVN, de mogelijkheden verkend voor monitoring van andere bestuivers dan hommels. Vervolgstappen worden in 2025 verwacht.

7.13.3 Aantal getelde hommelroutes
jaren Hommels
2018 175
2019 284
2020 307
2021 368
2022 396
2023 422
2024 463

Aandachtspunten

  • Uitbreiding van het aantal routes waarop zandhommels geteld worden (EIS).
  • In sommige delen van Nederland, zoals Fryslân en Groningen, is de dichtheid aan telroutes lager dan elders (EIS).
  • Onderzoek naar de mogelijkheid om verspreidingstrends op 1 x 1 km-hokniveau te berekenen (CBS, EIS).
  • Toevoegen van zeldzame hommelsoorten aan het meetprogramma (EIS).

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methode en links naar handleidingen: Website NEM.

Informatie over EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden: Website EIS Kenniscentrum Insecten.

Informatie over De Vlinderstichting: Website De Vlinderstichting.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van het landelijk meetnet hommels van 2018 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 meetronden of niet.

7.14Weekdieren en mariene typische soorten

Algemeen

In het meetprogramma voor weekdieren wordt de verspreiding van de in Nederland voorkomende weekdieren van bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn (HR) gevolgd. De veldmetingen geven daarnaast voor drie soorten een indicatie over populatie­veranderingen op basis van herhaalde bezoeken van locaties.

Het meetprogramma voor mariene typische soorten is gericht op het bepalen van trends van typische soorten bloemdieren, kreeftachtigen, stekelhuidigen, vissen, weekdieren en wormen van twee mariene habitattypen van de Habitatrichtlijn.

Voor beide meetprogramma’s geldt:

Coördinatie: Stichting ANEMOON.

Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting ANEMOON, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselveiligheid en Natuur (LVVN).

7.14.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn: landelijke trends
  Habitatrichtlijn: verspreiding van soorten
  Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage V
Matige sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten)1)
Indirecte meetdoelen
  Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, per biotoop etc.

1)In dit meetprogramma wordt afgeweken van het officiële meetdoel ‘Rode Lijst status van soorten’ (zie tekst).

Soorten

In tabel 7.14.2 staan de soorten die met het meetprogramma gevolgd worden. De kwaliteitsbeoordeling van de trends is voor een aantal soorten gebaseerd op een expertoordeel.

7.14.2Weekdieren: kwaliteitsbeoordeling per soort
Soort Beleidsstatus1) Kwaliteit trend habitattype H11102) Kwaliteit trend habitattype H11603) Opmerkingen
HR SOORTEN      
Bataafse stroommossel4) HR II* en IV     verdwenen uit NL
Nauwe korfslak HR II      
Platte schijfhoren HR II en IV      
Wijngaardslak HR V      
Zeggekorfslak HR II      
MARIENE TYPSCHE SOORTEN      
Bloemdieren        
Slibanemoon TYP goed   trend H1110B5) en H1160 vanaf 1994
Zeeanjelier TYP . goed trend H1110B vanaf 2013 en H1160 vanaf 1994
Kreeftachtigen6)        
Gewone zwemkrab TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
Strandkrab TYP goed goed trend H1110B en H1160 vanaf 1994
Stekelhuidigen        
Gewone zeester TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
Hartegel TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
Vissen6)        
Bot TYP   matig trend H1160 vanaf 1994
Botervis TYP   goed trend H1160 vanaf 1994
Gevlekte rog TYP     trend H1110B vanaf 20137)
Gewone zeedonderpad TYP   goed trend H1160 vanaf 1994
Puitaal TYP   matig trend H1160 vanaf 1994
Schar TYP   slecht trend H1160 vanaf 1994
Schol TYP   matig trend H1160 vanaf 1994
Stekelrog TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
Steenbolk TYP   goed trend H1160 vanaf 1994
Wijting TYP   slecht trend H1160 vanaf 1997
Zwarte grondel TYP   goed trend H1160 vanaf 1994
Weekdieren        
Amerikaanse zwaardschede TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
Glanzende tepelhoren TYP      
Halfgeknotte strandschelp TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
Kokkel TYP matig   trend H1110B vanaf 1994
Mossel TYP goed goed trend H1110B vanaf 1994 en H1160 vanaf 1997
Nonnetje TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
Noordkromp TYP      
Oester TYP   goed trend H1160 vanaf 1997
Platte slijkgaper TYP      
Rechtsgestreepte platschelp TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
Stevige strandschelp TYP      
Strandgaper TYP matig   trend H1110B vanaf 1994
Wulk TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
Wormen6)        
Schelpkokerworm TYP goed goed trend H1110B en H1160 vanaf 1994

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP = typische soort.

2)H1110: Permanent overstroomde zandbanken.

3)H1160: Grote baaien.

4)HR II soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen omdat de soort niet op de Nederlandse referentielijst staat.

5)H1110B: Permanent overstroomde zandbanken, Noordzeekustzone.

6)Van deze soortgroep zijn alleen de contractsoorten vermeld, maar er zijn meer typische soorten.

7)Typische soort van H1110C ‘Permanent overstroomde zandbanken (Doggersbank)’, maar daar niet gemeten.

Gegevens

Gegevensinwinning

Weekdieren

Het meetprogramma voor weekdieren is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende soorten van bijlage II, IV en V van de HR op 10 x 10 km-hokniveau en het verkrijgen van een globale indicatie over aantalsveranderingen (op basis van herhaald verspreidings­onderzoek op sublocaties binnen een aantal locaties waar de soorten voorkomen). In seizoen 2023/2024 is een begin gemaakt met een nieuwe meetronde over zes jaar ten behoeve van de HR rapportage in 2031. Deze rapportage zal voor de slakken betrekking hebben op de periode juni 2023 t/m oktober 2029. Voor de nauwe korfslak, de platte schijfhoren en de zeggekorfslak wordt gericht onderzoek gedaan in het gehele actuele en potentiële verspreidingsgebied. In alle 10 x 10 km-hokken waarin de soorten kunnen voorkomen wordt op minimaal vijf kansrijke locaties op één tot vijf sublocaties (tot 2014 twee tot zeven sublocaties) de aan-/afwezigheid van de soort bepaald. Een deel van de locaties wordt tijdens iedere HR rapportageperiode geïnventariseerd ten behoeve van trendbepalingen. De inventarisaties worden uitgevoerd door professionals, geassisteerd door vrijwilligers, volgens een gestandaardiseerd protocol. Sommige locaties worden door ervaren vrijwilligers geïnventariseerd, waarbij waarnemingen door experts worden gevalideerd. Voor de nauwe korfslak worden ook de aantallen aangetroffen slakjes geteld in een standaard strooiselsmonsters die op de locaties worden verzameld. De afwezigheid binnen een 10 x 10 km-hok van de soort wordt aangenomen wanneer de soort op maximaal tachtig (nauwe korfslak) of maximaal veertig (platte schijfhoren en zeggekorfslak) kansrijke locaties niet wordt gevonden. Determinatie gebeurt direct in het veld of tijdens het uitzoeken van uit het veld meegebrachte monsters in het laboratorium. Een handleiding voor het veldwerk is te vinden op de website van Stichting ANEMOON (zie Links).

Voor de wijngaardslak worden alleen oproepen gedaan om waarnemingen door te geven, maar worden geen gerichte inventarisaties uitgevoerd. Vanwege de veelvuldige verplaatsing van wijngaardslakken door mensen, is met het ministerie van LVVN afgesproken dat de HR rapportage zich beperkt tot de 10 x 10 km-hokken waar de soort honderd jaar of langer voorkomt.

Mariene typische soorten

Het meetprogramma voor mariene typische soorten is gericht op het bepalen van trends in aantallen (op basis van gemiddelde abundantieklassen) in de mariene habitattypen H1160 en H1110B (zie hieronder). Het officiële meetdoel voor typische soorten is het bepalen van de Rode Lijst status (zie hoofdstuk 2). Dit is voor mariene soorten echter niet haalbaar, omdat dan het hele Nederlands Continentaal Plat onderzocht zou moeten worden. Anderzijds sluit de trend per habitattype veel beter aan bij het doel waarvoor typische soorten geselecteerd zijn, namelijk als indicatie voor de kwaliteit van het habitattype. In de praktijk wordt de Rode Lijst status van typische soorten bij het samenstellen van de HR rapportage ook bij niet-mariene soorten nauwelijks gebruikt.

De typische soorten van H1160 (Grote baaien) worden gevolgd in het enige gebied in Nederland waar dit type voorkomt: de Oosterschelde, in het Monitoringproject Onderwater Oever (MOO) van Stichting ANEMOON. Enkele typische soorten van H1110A (Permanent overstroomde zandbanken, getijdengebied) worden niet in het getijdengebied (Waddenzee) gevolgd vanwege het ontbreken van een voor vrijwilligers geschikte methode. H1110B (Permanent overstroomde zandbanken, Noordzeekustzone) wordt vrijwel uitsluitend gevolgd langs de Hollandse en Zeeuwse Noordzeekust, omdat het tot nog toe lastig blijkt om voor de Waddeneilanden vrijwilligers te mobiliseren (met uitzondering van Texel en sinds 2024 Terschelling). Voor habitattype H1110B wordt gebruik gemaakt van het Strandaanspoelsel Monitoring Project (SMP). Voor zowel MOO als SMP wordt door ANEMOON gewerkt aan het verder uitbreiden van deze meetnetten zowel wat betreft het aantal waarnemers als het aantal monitoringlocaties. Voor de habitattypen H1130 (Estuaria), H1140 (Slik- en Zandplaten) en H1170 (Riffen van open zee) kan Stichting ANEMOON geen betrouwbare trends van typische soorten bepalen.

De soortenlijsten die gehanteerd worden voor de twee habitattypen (zie tabel 7.14.2) bestaan uit de soorten die in 2006 officieel als typische soort zijn aangemeld bij de EU, aangevuld met soorten die in 2008 (voor beide habitattypen) en 2014 (voor H1110B) in de profieldocumenten zijn gepubliceerd. Over de definitieve lijst bestaat nog steeds onduidelijkheid. Stichting ANEMOON heeft hiervoor een voorstel gedaan.

Natura 2000‑gebieden

De inventarisaties voor de nauwe korfslak vinden vrijwel uitsluitend binnen Natura 2000‑gebieden plaats, omdat de verspreiding van de soort zich grotendeels tot deze gebieden beperkt. De inventarisaties van het NEM hebben uitgewezen dat voor de zeggekorfslak en de platte schijfhoren de keuze van aangewezen gebieden niet goed aansluit op de verspreiding van deze soorten. De zeggekorfslak komt weliswaar voor in de aangewezen gebieden in Limburg, maar er zijn ook grote stabiele populaties in andere provincies. Ook het voorkomen van de platte schijfhoren ligt vooral buiten de aangewezen gebieden.

Voortgang 2024

Slakken van de Habitatrichtlijn

In seizoen 2023/2024 is de nieuwe inventarisatieronde van zes jaar ten behoeve van de HR rapportage gestart. Voor alle soorten ligt de monitoring op schema (tabel 7.14.3). De zeggekorfslak werd aangetroffen in een nieuw 10 x 10 km-hok, wat waarschijnlijk een niet eerder ontdekte populatie betrof. Ook voor de platte schijfhoren is het totale onderzoeksgebied uitgebreid met één 10 x 10 km-hok, in Noord-Holland. De plek waar de soort in 2024 gevonden werd betreft waarschijnlijk een daadwerkelijke uitbreiding van het areaal.

In 2024 heeft het CBS de trendberekening en -beoordeling voor de nauwe korfslak vrijwel afgerond.

Mariene typische soorten

ANEMOON besteedt ieder jaar veel aandacht aan het werven en binden van waarnemers en in 2024 heeft dat geleid tot een verdere toename van het aantal waarnemers en waarnemingen voor zowel het MOO als het SMP.

Het CBS heeft in 2024 de trendberekeningen uitgevoerd met TrendSpotter. TrendSpotter berekent zogenaamde flexibele trends (i.p.v. lineaire trends), wat beter aansluit bij het trendverloop van veel soorten. De trendbeoordeling is vervolgens gebaseerd op de TrendSpotter-output. De bruikbaarheid van de nieuwe trendmethode voor het MOO moet voor een aantal MOO-soorten en ook voor het SMP nog onderzocht worden door het CBS.

In 2024 heeft het CBS trends van typische soorten aangeleverd aan WMR ten behoeve van de HR-rapportage. Naar aanleiding daarvan heeft WMR aangegeven de ANEMOON-gegevens beter te kunnen gebruiken wanneer deze gekoppeld worden aan maatlatten. Dit wordt in 2025 inhoudelijk verder afgestemd tussen CBS, Stichting ANEMOON en WMR.

7.14.3Voortgang verspreidings­onderzoek weekdieren
10 x 10 km-hokken Geactualiseerd juni 2023 t/m november 2024
Soort aantal %
Nauwe korfslak 29 24
Platte schijfhoren 85 15
Zeggekorfslak 49 16
Wijngaardslak 66 42
Totaalscore meetdoel1)   24

1)Het gemiddelde van de vier soorten.

Aandachtspunten

  • Vaststellen definitieve lijst typische en karakteristieke soorten (Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, LVVN, WMR, ANEMOON).
  • Koppelen trends typische soorten aan maatlatten (CBS, WMR, ANEMOON).
  • Ontwikkelen van geautomatiseerde gegevenscontrole (COCON) voor mariene typische soorten (CBS).
  • Nadat de definitieve lijst met typische en karakteristieke soorten is vastgesteld: Vergelijken van trends op basis van verschillende gegevensbronnen voor de Oosterschelde (ANEMOON, CBS).
  • Actualiseren van de selectie van 10 x 10 km-hokken waar de wijngaardslak minimaal 100 jaar voorkomt (ANEMOON).

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.

Informatie over Stichting ANEMOON: Website Stichting ANEMOON.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

7.15Planten

Algemeen

Er zijn verschillende door FLORON gecoördineerde landelijke meetprogramma’s, gericht op het bepalen van de verspreiding en de ontwikkelingen in verspreiding van planten. Het meetprogramma HR-soorten (1) richt zich op het in kaart brengen van de verspreiding van alle plantensoorten die worden vermeld op bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn (HR), op 10 x 10 km-hokniveau. FLORON besteedt extra aandacht aan het bijhouden van de verspreiding van de typische soorten van de HR en andere zeldzame soorten in het meetprogramma Typische soorten (2). De verspreiding  van een aantal invasieve uitheemse plantensoorten wordt in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gevolgd in het meetprogramma Exoten (3), waaronder de 35 plantensoorten die worden vermeld op de Unielijst (zie tabel 7.15.2). De Unielijst is opgesteld door de Europese Unie, en op deze lijst staan soorten met zodanig sterke negatieve effecten dat gezamenlijk optreden op het niveau van de Europese Unie gewenst is. Tenslotte is het meetprogramma Het Nieuwe Strepen (4) (HNS; zie Links) gericht op het in kaart brengen van de verspreiding van alle in Nederland voorkomende plantensoorten. In dit meetprogramma inventariseren vrijwilligers jaarlijks ongeveer duizend kilometerhokken. Een deel van de hokken wordt twee keer bezocht.

Jaarlijks worden er ruim een miljoen waarnemingen van planten verzameld. Dit wordt deels door vrijwilligers gedaan, maar ook door ecologische adviesbureau’s en verschillende terreinbeherende organisaties. Daardoor zijn de verzamelde gegevens representatief voor de leefgebieden van de verschillende soorten.

Coördinatie: FLORON.

Uitvoering: Vrijwilligers, FLORON, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).

7.15.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V
  Habitatrichtlijn: aantallen en leefgebied van soorten van bijlage V
  Invasieve exoten: Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst
  Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends
Matig sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten
  Graadmeters Natuurnetwerk Nederland: provinciale trends
Indirecte meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Sustainable Development Goals: landelijke trends

Gegevens

Gegevensinwinning

De gegevensinwinning voor de HR soorten bestaat uit gerichte inventarisaties van 1 x 1 km-hokken binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken. De gegevens worden verzameld door vrijwilligers, die daarbij een gestandaardiseerd protocol volgen. De inventarisatie houdt rekening met de variatie aan biotopen binnen het hok en is er op gericht om ook de afwezigheid van een soort met redelijke zekerheid vast te stellen. In de meeste gevallen wordt ook een schatting gedaan van de abundantie. Ook de gegevens die terreinbeheerders in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) vastleggen worden gebruikt; voor de meeste soorten (behalve enkele HR-soorten) alleen voor het vaststellen van aanwezigheid.

De meetprogramma’s Typische soorten en Het Nieuwe Strepen bestaan uit inventarisaties van 1 x 1 km-hokken, waarbij alle gevonden soorten worden genoteerd. Inventarisatiegegevens worden verzameld op puntniveau met een app (NDFF Verspreidingsatlas). De ruimtelijke spreiding wordt bijgehouden om landelijke representativiteit te borgen (om zogenaamde ‘witte gebieden’ te voorkomen). Groeiplaatsen van zeer zeldzame soorten worden elke meetronde geïnventariseerd. Tabel 7.15.2 geeft een overzicht van de soorten die zijn opgenomen in de meetprogramma’s van FLORON.

7.15.2Planten: soorten in het meetprogramma
Soort Beleidsstatus1) Verspreidings­onderzoek Opmerkingen
Drijvende waterweegbree HR II en IV, TYP ja moeilijk meetbaar
Gewoon sneeuwklokje HR V nee
Groenknolorchis HR II en IV, TYP ja  
Klaverbladvaren2) HR II nee incidenteel
Kruipend moerasscherm HR II en IV ja  
Valkruid3) HR V, TYP ja  
Wolfsklauw (5 soorten)4) HR V ja
Zomerschroeforchis HR IV nee verdwenen uit NL5)
Typische soorten TYP ja  
(ruim 300 soorten)      
Invasieve exoten      
Acaena novae-zelandia Exoot ja  
Acaena ovalifolia Exoot ja  
Afghaanse duizendknoop Exoot ja op Unielijst
Alligatorkruid Exoot ja op Unielijst6)
Alsemambrosia Exoot ja  
Amerikaans bezemgras Exoot ja op Unielijst6)
Aponogeton distachyos Exoot ja  
Ballonrank Exoot ja op Unielijst6)
Boomwurger Exoot ja op Unielijst
Breed pijlkruid Exoot ja  
Canadese kornoelje Exoot ja  
Chinese struikklaver Exoot ja op Unielijst6)
Cotoneaster ambiguus Exoot ja  
Cotoneaster bullatus Exoot ja  
Cotoneaster dielsianus Exoot ja  
Driedelige ambrosia Exoot ja  
Egeria Exoot ja  
Fraai lampenpoetsergras Exoot ja op Unielijst6)
Gele maskerbloem Exoot ja  
Gestekelde duizendknoop Exoot ja op Unielijst6)
Gewone gunnera Exoot ja op Unielijst
Gifsumak Exoot ja  
Grauwe guldenroede Exoot ja  
Grote vlotvaren Exoot ja op Unielijst
Grote waternavel Exoot ja op Unielijst
Hakea     op Unielijst6)
Hemelboom Exoot ja op Unielijst
Hoog pampagras Exoot ja op Unielijst6)
Hydrilla verticillata Exoot ja  
Hydrocotyle verticillata Exoot ja  
Impatiens edgeworthii Exoot ja  
Japanse klimvaren Exoot ja op Unielijst6)
Japans steltgras Exoot ja op Unielijst6)
Kudzu Exoot ja op Unielijst6)
Mesquite Exoot ja op Unielijst6)
Moerashyacint Exoot ja  
Moeraslantaarn Exoot ja op Unielijst
Montbretia Exoot ja  
Myriophyllum robustum (brasiliense) Exoot ja  
Ongelijkbladig vederkruid Exoot ja op Unielijst
Oosterse hop Exoot ja op Unielijst6)
Parelvederkruid Exoot ja op Unielijst
Perzische berenklauw Exoot ja op Unielijst6)
Postelein-waterlepeltje Exoot ja op Unielijst
Reuzenbalsemien Exoot ja op Unielijst
Reuzenberenklauw Exoot ja op Unielijst
Roze rimpelgras Exoot ja op Unielijst6)
Sarracenia purpurea Exoot ja  
Schijnambrosia Exoot ja op Unielijst6)
Smal kroos Exoot ja  
Smalle theeplant Exoot ja op Unielijst
Smalle waterpest Exoot ja op Unielijst
Sosnowsky’s berenklauw Exoot ja op Unielijst6)
Stekelaugurk Exoot ja  
Struikaster Exoot ja op Unielijst6)
Talgboom Exoot ja op Unielijst6)
Theeboompje x Douglasspirea Exoot ja  
Trosbosbes Exoot ja  
Vallisneria Exoot ja  
Verspreidbladige waterpest Exoot ja op Unielijst
Vlakke dwergmispel Exoot ja  
Watercrassula Exoot ja  
Waterhyacinth Exoot ja op Unielijst
Watersla Exoot ja op Unielijst
Waterteunisbloem Exoot ja op Unielijst
Waterwaaier Exoot ja op Unielijst
Wilgacacia Exoot ja op Unielijst6)
Witte spirea Exoot ja  
Zandambrosia Exoot ja  
Zijdeplant Exoot ja op Unielijst

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.

2)HR II soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen omdat de soort niet op de Nederlandse referentielijst staat en niet in ons land voorkomt.

3)Valkruid is in 2007 eenmalig landsdekkend geïnventariseerd en daarna als typische soort opgenomen in het verspreidings­onderzoek.

4)Verspreiding en populatie hoeven niet gerapporteerd omdat het hierbij om een groep van soorten gaat.

5)Zomerschroeforchis leek in 2012 en 2013 terug te zijn, bij nader inzien ging het om knikkende schroeforchis. De soort is in 2020 geherintroduceerd in Nederland.

6)Heeft zich niet in Nederland gevestigd.

Natura 2000‑gebieden

Er zijn vier plantensoorten die vermeld worden op bijlage II van de Habitatrichtlijn. Voor drie van deze soorten zijn Natura 2000‑gebieden aangewezen (zie Tabel 7.15.3 voor een overzicht). In bijna alle gevallen zijn de betreffende soorten in de betreffende gebieden gericht geïnventariseerd. Meestal zijn er (nog) te weinig gegevens om verspreidingstrends per gebied te berekenen.

7.15.3Natura 2000‑gebieden aangewezen voor planten
Natura 2000‑gebied Soorten HR Bijlage II
Boetelerveld Drijvende waterweegbree
Brabantse Wal Drijvende waterweegbree
Canisvliet Kruipend moerasscherm
De Wieden Groenknolorchis
Drents-Friese Wold & Leggelderveld Drijvende waterweegbree
Duinen Ameland Groenknolorchis
Duinen & Lage Land Texel Groenknolorchis
Duinen Schiermonnikoog Groenknolorchis
Duinen Terschelling Drijvende waterweegbree, Groenknolorchis
Duinen Vlieland Groenknolorchis
Grevelingen Groenknolorchis
Groote Gat Kruipend moerasscherm
IJsselmeer Groenknolorchis
Kampina & Oisterwijkse Vennen Drijvende waterweegbree
Kempenland-West Drijvende waterweegbree
Kennemerland-Zuid Groenknolorchis
Kop van Schouwen Groenknolorchis
Landgoederen Brummen Drijvende waterweegbree
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux Drijvende waterweegbree
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Drijvende waterweegbree
Maasduinen Drijvende waterweegbree
Meinweg Drijvende waterweegbree
Naardermeer Groenknolorchis
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck Groenknolorchis
Oostelijke Vechtplassen Groenknolorchis
Rottige Meenthe & Brandemeer Groenknolorchis
Sarsven en De Banen Drijvende waterweegbree
Solleveld & Kapittelduinen Groenknolorchis
Springendal & Dal van de Mosbeek Drijvende waterweegbree
Strabrechtse Heide & Beuven Drijvende waterweegbree
Vecht- en Beneden-Reggegebied Kruipend moerasscherm
Veluwe Drijvende waterweegbree
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Drijvende waterweegbree
Vogelkreek Kruipend moerasscherm
Voornes Duin Groenknolorchis
Weerribben Groenknolorchis
Westerschelde & Saeftinghe Groenknolorchis

Voortgang 2024

Verspreidingsonderzoek

Het jaar 2024 is het eerste jaar van de volgende HR-rapportageperiode. Het verspreidings­onderzoek is volgens schema verlopen.

7.15.4Voortgang verspreidings­onderzoek planten
10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 1 jaar (10 x 10 km) Geactualiseerd na 1 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal percentage van totaal
Drijvende waterweegbree 122 35 29%
Groenknolorchis 52 33 63%
Kruipend moerasscherm 30 14 47%
Valkruid 40 11 28%
Wolfsklauw 253 149 59%

Circa 250 vrijwilligers helpen mee met het inventariseren van kilometerhokken en Het Nieuwe Strepen. Zie tabel 7.15.5 voor het aantal onderzochte kilometerhokken in het meetprogramma Het Nieuwe Strepen.

7.15.5 Aantal bezochte km-hokken voor het nieuwe strepen
Jaar Kilometerhokken
2012 102
2013 265
2014 336
2015 438
2016 451
2017 454
2018 485
2019 503
2020 503
2021 493
2022 527
2023 501
2024 500

Trendberekening

Van de HR-soorten zijn trends beschikbaar voor groenknolorchis, kruipend moerasscherm, drijvende waterweegbree, valkruid en wolfsklauw. Het gewoon sneeuwklokje wordt veel aangeplant; om die reden is het niet goed mogelijk een betrouwbare trend te berekenen. Zomerschroeforchis was verdwenen uit Nederland, is geherintroduceerd, maar heeft nog niet tien aaneengesloten jaren stand gehouden. Klaverbladvaren is ooit wel in Nederland aangetroffen maar heeft geen bestendige populatie gevormd.

Bij de analyse van typische soorten worden ook losse waarnemingen gebruikt uit waarneming.nl, en gegevens die door terreinbeheerders, provincies, waterschappen en bedrijven aan de NDFF worden aangeleverd.

Sinds 2016 worden voor veel algemene plantensoorten trends in verspreiding berekend, op basis van gegevens uit de NDFF. De statistische methodiek is sindsdien in verschillende rondes doorontwikkeld. Het is inmiddels mogelijk om voor ca. zeshonderd algemene tot vrij zeldzame soorten trends te berekenen. De huidige trendberekening maakt gebruik van de zogenaamde ‘lijst-lengte’ methodiek. Nu er meerdere meetronden informatie beschikbaar is volgens het protocol van Het Nieuwe Strepen, inclusief herhaalbezoeken, is het mogelijk om voor de trendberekeningen over te stappen op occupancy-modellen: De herhaalbezoeken maken het mogelijk om per soort per bezoek een waarneemkans te berekenen en daarmee om voor imperfecte detectie te corrigeren. Hierdoor verbetert de kwaliteit van de schattingen van (trends in) verspreiding per km-hok. Trendberekeningen vinden tweejaarlijks – voor het laatst in 2024 – plaats.

Aandachtspunten

  • Het Nieuwe Strepen op peil houden en uitbreiding van het aantal km-hokken dat meerdere jaren onderzocht is (FLORON)
  • Controleren (blijven) op telprotocol bij Het Nieuwe Strepen; waarnemingen moeten per daglijst op één dag zijn gedaan (FLORON)
  • Occupancy-methodiek inzetten voor trendberekening op basis van HNS-data, om optimaal gebruik te maken van de herhaalbezoeken (CBS)

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.

Het in 2022 verschenen wetenschappelijke artikel over Het Nieuwe Strepen.

Informatie over FLORON: Website FLORON.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

7.16Flora en milieu

Algemeen

Veel plantensoorten zijn gevoelig voor vermesting, verzuring en verdroging. Veranderingen in de milieu-condities hebben daardoor duidelijke effecten op de samenstelling van de vegetatie. Het Landelijk Meetnet Flora (LMF) levert informatie over de vegetatie­samenstelling, natuurkwaliteit en biodiversiteit en daarmee ook over de milieucondities die hierop van invloed zijn.

Deze informatie wordt gebruikt voor de evaluatie van het natuurbeleid van de provincies, maar onder andere ook in publicaties van het CBS, in de Balans voor de Leefomgeving die het PBL publiceert en in de door de WOT uitgevoerde VHR-rapportage. In verschillende provincies bedient het meetnet ook aanvullende provinciale doelen, zoals het volgen van de ontwikkeling van de natuurkwaliteit in agrarisch gebied. Sinds 2016 is het LMF een door de gezamenlijke provincies gedragen en gefinancierd meetnet. Dat heeft te maken met de decentralisatie van overheidsbeleid. Rijkswaterstaat neemt ook deel aan het LMF en volgt de vegetatie-ontwikkelingen in de bermen van rijkswegen.

Voor dit meetprogramma geldt:

Coördinatie: CBS, BIJ12, provincies.

Uitvoering: provincies, provinciale medewerkers of groenbureaus, CBS, RWS Dienst Verkeer en Scheepvaart.

Opdrachtgevers: provincies, BIJ12.

7.16.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000‑gebieden en biotopen
  Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends
  Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends
  Graadmeters Natuurnetwerk Nederland: provinciale trends
Indirecte meetdoelen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.

Gegevens

Uitvoering veldwerk

Sinds 1999 worden in ruim 15 000 kleine, vaste meetpunten de aanwezigheid en bedekking van alle hogere plantensoorten geïnventariseerd. Het meetnet is op basis van de destijds heersende inzichten gestratificeerd in 50 deelgebieden, bestaande uit combinaties van begroeiïngstypen, fysisch-geografische regio’s en milieukwaliteitsgebieden. Alle meetpunten werden in een cyclus van vier jaar geïnventariseerd, waarbij elk jaar een kwart van alle meetpunten aan de beurt kwam.

Naar aanleiding van de veranderingen in natuurbeleid, waaronder decentralisatie, is begin 2018 gestart met een aangepaste stratificatie. Daarbij is de indeling van meetpunten in fysisch geografische regio’s en milieukwaliteitsgebieden losgelaten. De indeling in begroeiingstypen is verfijnd: van 5 hoofdbegroeiingstypen naar 10 ‘LMF-natuurtypen’, beter afgestemd op de provinciale systematiek en gebiedsindeling naar beheertype. Deze natuurtypen zijn daarbij ook verder onderverdeeld in gebieden met verschillende beleidsmatige beschermingsniveaus: Natura 2000-gebieden, andere natuurgebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bosgebieden buiten NNN. De nieuwe stratificatie kan grotendeels met bestaande meetpunten worden ingevuld, waardoor de continuïteit van de meetreeksen grotendeels gewaarborgd is. Voor inventarisatie van agrarische gebieden (het vroegere 6e hoofdbegroeiingstype) zijn geen voorschriften of gezamenlijke landelijke afspraken meer. Iedere provincie kan dit geheel naar eigen wens al dan niet invullen of uitwerken. Een aantal provincies blijft ook hieraan nog aandacht besteden.

In een deel van de provincies is de vierjarige opnamecyclus inmiddels ingekort tot een driejarige, om beter aan te sluiten bij de 6‑jarige rapportagecyclus van de Habitatrichtlijn. Het totaal aantal meetpunten binnen het landelijk voorgeschreven deel – dus exclusief meetpunten in het agrarisch gebied – wordt daarmee iets verminderd.

Het veldwerk wordt gestandaardiseerd uitgevoerd volgens voorschriften in een handleiding (zie Links) door medewerkers van provincies zélf of medewerkers van groenbureaus in opdracht van de provincies.

Data

Met het LMF ligt de nadruk op de bemonstering van natuurtypen in natuurgebieden. Als gevolg daarvan worden vooral gegevens verzameld van de meer algemeen voorkomende plantensoorten (zeldzame, bedreigde of beschermde soorten worden gericht gevolgd in het meetprogramma Planten; zie hoofdstuk 7.15). Per meetpunt wordt van alle aangetroffen soorten de aanwezigheid en bedekking (in klassen) genoteerd. Daarnaast worden gegevens verzameld over onder meer het beheer en andere verstoringen van de vegetatie. In ca. de helft van de provincies worden ook mossen en korstmossen meegenomen bij de inventarisatie.

Gegevensverwerking

De gegevens worden per provincie per jaar aan het CBS geleverd, dat per datalevering een controle uitvoert. De controle bestaat uit technische checks op bijvoorbeeld toegestane waarden en consistente verwijzingen tussen de tabellen. Daarnaast zijn er ook een aantal inhoudelijke controles, waarbij gebruik wordt gemaakt van het feit dat herhaalde opnamen op dezelfde plek zijn gemaakt. Grote veranderingen in algehele soortensamenstelling of het plotseling verschijnen van bomen zijn daarom bijvoorbeeld verdacht en worden nader onderzocht. Tijdseries bieden ook de mogelijkheid om mogelijke verwisselingen van soorten die gemakkelijk te verwarren zijn (in uiterlijk of naam) op te sporen. Alle waarnemingen worden vergeleken met hun bekende verspreidingsgebied volgens de Nationale Databank Flora en Fauna. Bij twijfel over de juistheid van een waarneming wordt de gevonden onwaarschijnlijkheid ter controle voorgelegd aan de provincie en in overleg eventueel gecorrigeerd. Daarna worden de gegevens toegevoegd aan de landelijke database van LMF-gegevens die het CBS onderhoudt.

Na de controle vindt analyse plaats, waarbij indexcijfers per meetronde en trends over de gehele periode worden berekend. Het gaat daarbij om trends in milieu-indicaties, in kenmerken van de vegetatie en in de bedekking van individuele soorten. Het bepalen van milieu-indicaties (voor o.a. verzuring, verdroging en verruiging) gebeurt aan de hand van kenmerken van afzonderlijke soorten. Deze kenmerken worden per opname gecombineerd, en vormen vervolgens de input van statistische analyses. Analyses worden veelal uitgevoerd per begroeiingstype of per natuurtype, op landelijk en soms op provinciaal niveau.

De belangrijkste uitkomsten worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Daarnaast worden trends in milieu-indicaties berekend voor het PBL, en op verzoek provinciale cijfers berekend en geleverd aan provincies.

Voortgang 2024

In 2024 is door het CBS een wetenschappelijk artikel gepubliceerd over het gebruik van betaregressie voor het analyseren van PQ-gegevens (tijdreeksen van vegetatieopnames) in het Journal of Vegetation Science (zie Links). Deze nieuwe methode houdt rekening met het feit dat bedekkingspercentages begrensd zijn tussen 0 en 100 en dat bedekkingen in klassen worden genoteerd, en maakt het mogelijk om (op statistisch verantwoorde wijze) trends in bedekkingspercentage van individuele soorten en soortgroepen te berekenen en publiceren. Met het publiceren van dit artikel is de methode degelijk beschreven en code gepubliceerd die reproduceren van onze resultaten mogelijk maakt.

Het CBS heeft in 2024 een onderzoeksproject uitgevoerd naar de vergelijking en daarna integratie van informatie uit de LMF-dataset met het andere landelijke NEM-meetnet gefocust op vaatplanten (Het Nieuwe Strepen door FLORON gecoördineerd; zie hoofdstuk 7.14). De resultaten van trendberekening op basis van de twee losse datasets waren veelal met elkaar in overeenstemming. De veranderingen in bedekking (LMF) waren gemiddeld groter dan die in aan- en afwezigheid (HNS), maar de grotere veranderingen in bedekking gingen gepaard met meer ruis. Dit heeft zowel technische (schatten van bedekking is moeilijker dan van aanwezigheid, kleinere oppervlaktes gaan gepaard met een grotere steekproef­variantie) als biologische (abundantie wordt sterker beïnvloed door weer, klimaat en natuurbeheer) oorzaken. Het tweede doel van het project was om beide gegevenstypen te combineren in een geïntegreerd model, d.w.z. een hiërarchisch model dat veranderingen in beide gegevenstypen beschrijft aan de hand van (deels) gedeelde onderliggende verklarende variabelen. Dit is gelukt, maar het CBS vindt publicatie van de resultaten niet verantwoord vanwege het verschil in oppervlakte tussen de waarnemingen in beide datasets (gemiddeld 77 m2 voor het LMF tegen 106 m2 voor HNS). Hiervoor moet gecorrigeerd worden, maar binnen dit project is daarvoor geen bevredigende oplossing gevonden. Wel concluderen we dat het toevoegen van de LMF-waarnemingen aan de verspreidings­analyse zorgt voor een verbetering van de verspreidingstrends.

Het CBS berekende op basis van LMF-data voorheen trends in milieu-indicatorwaarden voor abiotische standplaatsfactoren zoals verzuring, ten behoeve van onder meer PBL en de provincies. Vanaf 2021 is dat echter niet gedaan, omdat bleek dat de twee meest gangbare indicator-methodes (Wamelinkgetallen dan wel Iteratio) soms inconsistente resultaten gaven. WENR heeft een nader onderzoek naar deze inconsistenties uitgevoerd en in 2024 gepubliceerd. De belangrijkste aanbeveling was dat de LMF-dataset strenger op verstoringen (zoals houtkap, vraat of veranderingen in natuurbeheer) en onnauwkeurigheden (zoals streepfouten of locatieverschuivingen) moet worden gefilterd vóór het berekenen van milieu-indicatorwaarden. Op basis van deze aanbevelingen heeft het CBS in 2024 een nieuwe filterstrategie uitgewerkt en in productie genomen. Trends in Wamelinkgetallen voor pH en GVG zijn met het PBL gedeeld voor gebruik in de Balans voor de Leefomgeving.

Aandachtspunten

  • Verder ontwikkelen van provinciale vegetatierapportages (provincies, CBS).
  • Upload van LMF-gegevens naar de NDFF wordt onderdeel van het jaarlijkse dataverwerkingsproces (CBS).
  • Opnemen van pq’s die tot dusver buiten het LMF zijn gebleven (provincies, CBS).

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring Website NEM.

Informatie over het Compendium voor de Leefomgeving.

Publicatie over de methodiek achter de analyse van bedekkingspercentages in het Journal of Vegetation Science

De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van het landelijk meetnet flora van 1999 tot en met 2023. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 meetronden of niet.

7.17Korstmossen en mossen

Algemeen

Sinds 1999 is er een meetprogramma voor korstmossen op de heide en op de stuifzanden. Aanvankelijk werden vooral bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst soorten gemonitord, maar vanaf 2011 is het belangrijkste meetdoel het volgen van typische soorten korstmossen van de Habitatrichtlijn. In de duinen werd ook gemonitord, maar de typische soorten van de duinen worden in het vervolg gemonitord binnen het Landelijk Meetnet Flora. Deze verplaatsing is gecompenseerd door extra meetpunten in de heiden en stuifzanden, waardoor het meetprogramma is versterkt. Op stenige substraten wordt in NEM-verband niet meer gemonitord.

Het onderdeel mossen betreft het gedetailleerd volgen van de verspreiding van geel schorpioenmos. Sinds 2016 vormt ook de inwinning van verspreidingsgegevens van soorten van HR bijlage V een meetdoel.

Coördinatie: Bryologische en Lichenologische Werkgroep (BLWG).

Uitvoering: Vrijwilligers, BLWG, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).

7.17.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn: landelijke trends
  Habitatrichtlijn: verspreiding van soorten
  Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage V
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied
  Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: Rode Lijst status van typische soorten
Indirecte meetdoelen
  Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters, landelijke trends, trends per biotoop, etc.

Soorten

In het meetprogramma korstmossen worden de typische soorten heide en stuifzanden (en tot voor kort duinen) gevolgd. Een deel van de locaties op heiden en stuifzanden is van oorsprong gekozen vanwege het voorkomen van bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst soorten. Deze soorten worden nog steeds gevolgd, maar de bepaling van Rode Lijst status van soorten – anders dan typische HR soorten – vormt geen sturend meetdoel meer. Deze soorten staan daarom niet in onderstaande tabel.

7.17.2Mossen en korstmossen: soorten in het meetprogramma
Soort Beleidsstatus1) Opmerkingen
Mossen2)
Geel schorpioenmos HR II  
Kussentjesmos HR V, TYP  
Tonghaarmuts HR II, TYP moeilijk meetbaar, geen actieve gegevensinwinning
Veenmos (30 soorten)3) HR V  
Korstmossen    
Bruin Heidestaartje TYP  
Echt rendiermos HR V verdwenen uit NL
Zomersneeuw TYP  
Ezelspootje TYP  
Girafje TYP  
Gebogen rendiermos HR V  
Gevlekt heidestaartje TYP  
Gewoon kraakloof TYP  
Hamerblaadje TYP  
IJslands mos TYP  
Kronkelheidestaartje TYP  
Maleboskorst TYP niet te berekenen
Open rendiermos HR V, TYP  
Plomp bekermos TYP  
Rode heidelucifer TYP  
Sierlijk rendiermos HR V, TYP  
Slank stapelbekertje TYP  
Stuifzandkorrelloof TYP  
Stuifzandstapelbekertje TYP  
Wollig korrelloof TYP  
Wrattig bekermos TYP  

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.

2)De 36 typische soorten mossen waarop niet wordt gestuurd staan niet in deze tabel.

3)Genus Sphagnum. Sterk sturend meetdoel vanaf 2016.

Gegevens

Aantalsmonitoring

Sinds 1999 worden alle bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst soorten korstmossen op heide en stuifzanden vrijwel integraal gevolgd op 84 meetpunten in 51 km-hokken. Vanaf seizoen 2011/2012 is dit meetprogramma uitgebreid met typische soorten korstmossen van de Habitatrichtlijn. Daartoe is het meetprogramma uitgebreid met een steekproef van 82 km-hokken met heiden en stuifzanden en een steekproef van 47 km-hokken in de duinen. In ieder hok worden op een of twee kansrijke locaties alle korstmossen geïnventariseerd d.m.v. een score op een eenvoudige abundantieschaal met zes ordinale klassen. Iedere locatie wordt door twee onafhankelijke waarnemers geïnventariseerd. Van de in totaal 180 km-hokken worden er jaarlijks ca. 30 onderzocht, zodat ieder hok eens in de zes jaar geïnventariseerd wordt. Een deel van de hokken wordt herhaald bezocht. Voor de Rode Lijst soorten op heiden en stuifzanden was dit tot nu toe eens in de vijf jaar. In het veldseizoen 2021/2022 is de monitoringstrategie aangepast, waarbij de steekproef van kilometerhokken komt te vervallen en er meer grotere, vaste meetpunten bij komen in het binnenland.

De methode en veldwerkhandleiding van dit meetprogramma is opgenomen in de jaarlijks gepubliceerde onderzoeksrapporten die te vinden zijn op de website van de BLWG (zie Links).

Verspreidingsonderzoek

De verspreiding van geel schorpioenmos, een soort van HR bijlage II, wordt eens in de drie jaar integraal gemeten (aan- of afwezigheid op het niveau van 10 x 10 meterhokken) in de gebieden waar deze soort voorkomt. Er zijn in de afgelopen jaren steeds meer nieuwe vindlocaties bijgekomen. In 2025 zal een nieuwe meetronde plaatsvinden.

Van een andere soort van HR bijlage II, tonghaarmuts, worden ook verspreidingsgegevens verzameld, zij het zonder actieve monitoring. Sinds 2016 vormt ook de inwinning van verspreidingsgegevens van soorten van HR bijlage V een meetdoel. Dit betreft de rendiermossen, de veenmossen en het kussentjesmos. Het Landelijk Meetnet Flora wordt voor de verspreidingstrend van met name kussentjesmos als aanvullende bron gebruikt.

Voortgang in 2024

Het aantal bezochte kilometerhokken ligt goed op schema. In het veldseizoen 2021–2022 is de monitoringstrategie aangepast, waarbij de steekproef van kilometerhokken is komen te vervallen en er meer grotere, vaste meetpunten bij komen in het binnenland (in totaal 125). Hiermee wordt het bestaande meetnet versterkt, dat betrouwbare trends geeft voor stuifzandkorstmossen. Het seizoen 2023–2024 was het derde jaar van de eerste vijfjaarlijkse cyclus van de nieuwe monitoringsstrategie, waardoor er afgelopen seizoen weer een aantal nieuwe meetlocaties is bijgekomen.

Verspreidingsonderzoek mossen en korstmossen

De verspreidingsgegevens van de HR soorten mossen en korstmossen zijn tijdig opgeleverd.

Aandachtspunten

  • Bespreken en publiceren van resultaten (BLWG, CBS).

Link naar onderzoeksrapporten BLWG: Onderzoeksrapporten.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

Informatie over Bryologische en Lichenologische Werkgroep: Website BLWG.

De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van de aantalsmonitoring van korstmossen in de meetronde van 2017 tot en met 2023. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de huidige meetronde of nog niet.

7.18Paddenstoelen

Algemeen

Het meetprogramma voor paddenstoelen wordt uitgevoerd door Paddenstoelenonderzoek Nederland, en bestaat uit drie meetonderdelen: een onderdeel in bossen op zandgronden (sinds 1998), een onderdeel in de zeereep (sinds 2014) en een onderdeel in moerassen en venen (sinds 2016). Een vierde meetonderdeel, in jeneverbesstruwelen (opgestart in 2016), is met ingang van het telseizoen 2018 gestaakt. Naast de gestandaardiseerde monitoring worden tevens met niet-gestandaardiseerde verspreidingsgegevens trends van (bos)paddenstoelen berekend.

Coördinatie: Paddenstoelenonderzoek Nederland.

Uitvoering: Vrijwilligers, PON/NMV, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN).

7.18.1Meetdoelen voor deze soortgroep
Sterke sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten)
Matige sturende meetdoelen
  Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends
  Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten
Indirecte meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.

Soorten

Het meetonderdeel in bossen richt zich primair op vier typische soorten van de Habitatrichtlijn: hanenkam, zwavelmelkzwam, regenboogrussula en smakelijke russula. Het aantal begeleidende soorten is in de loop der jaren toegenomen tot 141.

Het meetonderdeel in de zeereep richt zich op een zestal typische soorten van de Habitatrichtlijn (en achttien begeleidende soorten). Het gaat hier om de habitattypen witte en grijze duinen. In 2016 is begonnen met de monitoring van zeven typische soorten (en veertig begeleidende soorten) in moerassen en venen.

In onderstaande tabel zijn de soorten met sterk sturende meetdoelen opgenomen, in dit geval de typische soorten van de Habitatrichtlijn. Het sturingsniveau van de meetdoelen wijkt af voor deze soortgroep t.o.v. tabel 2.1 (zie hoofdstuk 2, tevens tabel 2.2). Vanwege de korte meetreeksen kunnen de meeste trends van soorten nog niet goed beoordeeld worden. De verwachting is dat dit in de komende jaren voor steeds meer soorten wél kan. Zo zijn in 2023 voor het eerst echt trends berekend voor vijf van de zes typische zeereepsoorten, waarvan vier soorten een statistisch significante trend hadden.

7.18.2Paddenstoelen: soorten in het meetprogramma
Soort Beleidsstatus1)
Bossen  
Hanenkam TYP
Smakelijke russula TYP
Regenboogrussula TYP
Zwavelmelkzwam TYP
Zeereep  
Duinfranjehoed TYP
Duinstinkzwam TYP
Duinveldridderzwam TYP
Helmharpoenzwam TYP
Zandtulpje TYP
Zeeduinchampignon TYP
Moerassen, venen  
Broos vuurzwammetje TYP
Kaal veenmosklokje TYP
Moerashoningzwam TYP
Veenmosbundelzwam TYP
Veenmosgrauwkop TYP
Veenmosvuurzwammetje TYP
Witte berkenboleet TYP

1)TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.

Gegevens

Tot en met het teljaar 2016 werden vaste meetpunten in bosgebieden op de hoge zandgronden en duinen jaarlijks in de periode juli tot en met december drie tot zes keer geïnventariseerd op het voorkomen van vruchtlichamen van paddenstoelen. De tellingen betroffen overwegend steekproeftellingen, maar bij een aantal soorten ging het om integrale tellingen waarbij geprobeerd werd om alle bekende vindplaatsen in het meetprogramma op te nemen. Vanaf het jaar 2017 is de methode voor het meetonderdeel in bossen aangepast: i.p.v. vaste meetpunten worden nu 1 x 1 km-hokken (deels) herhaald geïnventariseerd, idealiter 3x per seizoen. Een veldwerkhandleiding en een beschrijving van de nieuwe methode is beschikbaar op de websites van het NEM en de NMV; zie Links.

Voor de soorten die in de zeereep worden gemonitord werd al een andere methode gevolgd: in plaats van vaste meetpunten met gestandaardiseerde telmethoden worden per onderzocht km-hok (idealiter) twee keer in het seizoen de voorkomende typische soorten alsmede meelift-soorten genoteerd en ingevoerd in een daarvoor ontworpen invoermodule. Deze manier van gegevensverzameling laat toe dat trends per soort m.b.v. occupancy modellen kunnen worden bepaald, waarbij achteraf voor verschil in meetinspanning wordt gecorrigeerd.

Bij het meetonderdeel in moerassen en venen wordt niet zo zeer gestuurd op herhaling van km-hokken binnen het telseizoen. Omdat bij dit meetonderdeel het aantal vrijwilligers dat zelfstandig km-hokken inventariseert nog beperkt is en het meetnet daarom erg afhankelijk is van door de NMV georganiseerde excursies, is de strategie om km-hokken minstens twee keer te bezoeken in de periode van 6 jaar tussen HR rapportages. Zodoende wordt gepoogd het aantal verschillende geïnventariseerde km-hokken te verhogen.

Voortgang 2024

Sinds 1 januari 2024 wordt het meetprogramma paddenstoelen uitgevoerd door Paddenstoelenonderzoek Nederland, onderdeel van Stichting Natuuronderzoek Nederland, waaronder tevens de NEM meetprogramma’s van Floron en RAVON vallen.

Teldekking bossen

Het aantal inventarisaties, onderzochte kilometerhokken en hoofdtellers is in 2024 vergelijkbaar met 2023. De precieze aantallen worden nog naar boven bijgesteld, maar per eind januari 2025 waren uit 2024 tot nu toe 636 lijsten ontvangen uit 219 kilometerhokken van 117 hoofdtellers. Hoewel de bossen op zandgronden landelijk behoorlijk representatief worden geteld, geldt dat nog niet voor het habitattype oude eikenbossen. Dit kwam boven water bij de analyses van de typische soorten voor de beoordeling van de structuur en functie van habitattypen ten behoeve van de Habitatrichtlijnrapportage. Er zal meer gestuurd moeten worden op tellingen in dit habitattype.

7.18.3 Aantal geïnventariseerde km-hokken paddenstoelen
jaren Bossen op zandgronden Zeereep Moerassen en venen
2014 . 31 .
2015 . 62 .
2016 . 68 23
2017 147 51 28
2018 148 74 25
2019 148 100 35
2020 155 102 33
2021 151 94 36
2022 159 67 55
2023 203 57 33
2024 219 106 67

Zeereep

De onderzochte km-hokken in het zeereepproject concentreren zich op een aantal plekken in Zeeland, Zuid- en Noord-Holland en op enkele Waddeneilanden. Vooral op de Waddeneilanden en in Zeeland leunt dit meetonderdeel op inventarisaties door de meetnetcoördinatoren. In 2024 is in opdracht van de provincie Zeeland door de meetnetcoördinatoren een begin gemaakt met het (opnieuw) inventariseren van alle km-hokken die (deels) in de duinen liggen. Deze opdracht loopt door in 2025. De gegevens worden, net als bij de inventarisatie van 2018–2019, beschikbaar gemaakt voor gebruik binnen het NEM-meetnet in de zeereep. Er zijn d.d. van 106 (2023: 57) kilometerhokken tellingen ontvangen, in totaal betreft het rond de 150 tellingen.

Moerassen en venen

Voor het moerasmeetonderdeel, dat van juni tot oktober loopt, was het een matig seizoen: grote delen van veenmosrietland, venoevers en berkenbroek stonden lange tijd onder water. Voor het meetonderdeel in moerassen en venen was het juist een goed jaar: het aantal tellers is weer toegenomen. Totaal 67 tellingen (2023: 44) in 43 km-hokken door twintig hoofdtellers.

Aandachtspunten

  • Het aantal km-hokken in habitattype H9190 ‘oude eikenbossen’ uitbreiden
  • Het vrijwilligersnetwerk (voornamelijk voor zeereep en moerassen/venen) en de technische voorzieningen (database, invoerportaal, VERA app) voor de diverse meetonderdelen op peil houden (NMV).
  • Inschatting maken hoe robuust het meetonderdeel in moerassen/venen is (CBS).
  • Onderzoeken of de gegevens uit het meetonderdeel bossen op hoge zandgronden kan worden geanalyseerd met occupancy modellen (CBS)

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Methode en links naar handleidingen: Website NEM, Website Mycologische Vereniging. https://www.mycologen.nl/onderzoek/meetnet/Mycologische Vereniging.

Informatie over NMV en het meetprogramma Paddenstoelen: Website Mycologische Vereniging.

De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van paddenstoelen in bossen op zandgronden van 2017 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.
De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van paddenstoelen in de zeereep van 2014 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.
De kaart toont de ligging van de meetpunten in Nederland van paddenstoelen in moerassen en vennen van 2016 tot en met 2024. Per meetpunt is aangegeven of er minimaal 1 telling is uitgevoerd in de laatste 3 jaar of niet.

Noten

CBS (2024). Evaluatie KNJV wildvoorjaarstellingen 2013–2024. Zie ook: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2024/51/evaluatie-knjv-wildvoorjaarstellingen-2013-2024.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Bram Borkent

Karen Brandenburg

Leo Soldaat

Cas Retel

Marnix de Zeeuw

Jelle van Zweden

Marcel Straver

Dorine Jansen

Richard Verweij

Deze publicatie kan worden geciteerd als:

CBS (2025). Meetprogramma’s voor flora en fauna. Kwaliteitsrapportage NEM over 2024. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.