Meetprogramma’s
In de volgende vijftien subhoofdstukken wordt de kwaliteit van alle NEM meetprogramma’s voor verschillende soortgroepen en typen monitoring in tekst, tabellen en figuren aangegeven. Ook worden aanbevelingen gedaan voor eventuele verbeteringen.
7.1Vleermuizen
Algemeen
Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten hebben een beschermde status omdat zij vermeld worden in bijlage II en/of IV van de Europese Habitatrichtlijn. Vanwege hun verborgen, nachtelijke levenswijze is het een lastig te volgen groep van soorten. Binnen het meetprogramma vleermuizen, bestaande uit drie meetonderdelen, worden voor twaalf van de zeventien in Nederland voorkomende soorten trends in aantal bepaald. Tot nu toe worden zeven soorten gevolgd middels tellingen in winterslaapverblijven (Wintertellingen Vleermuizen), twee soorten worden gevolgd met tellingen in zomerverblijven (Zoldertellingen Vleermuizen) en vier soorten worden gevolgd middels tellingen van akoestische waarnemingen op auto- en fietsroutes (Vleermuis Transecttellingen).
Uitsluitend op verspreiding gericht onderzoek van vleermuizen vindt binnen het NEM niet plaats, maar binnen de lopende meetonderdelen voor aantalsmonitoring is het verzamelen van verspreidings-informatie wel één van de doelen. Dit levert aanvullende verspreidingsgegevens op, óók voor andere soorten en aanvullende locaties. Daarnaast dragen ook waarnemingen van vleermuizen uit andere bronnen dan het NEM meetprogramma bij aan de kennis over verspreiding. Dit betreft onder meer uitvliegtellingen van verblijfplaatsen, onderzoek naar vliegroutes, zwerm- en trekgedrag en incidentele waarnemingen, onder andere in vleermuiskasten.
Voor alle meetonderdelen voor vleermuizen geldt:
Coördinatie: Zoogdiervereniging (ZV).
Uitvoering: Vrijwilligers, ZV, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000-gebieden en biotopen | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Eurobats: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, per biotoop, etc. | |
| Stadsnatuur: landelijke trends | |
Soorten
Binnen de beschikbare meetprogramma’s kunnen niet alle Nederlandse vleermuissoorten worden gevolgd. De grote en kleine hoefijzerneus en mopsvleermuis gelden nog als verdwenen uit Nederland. De mopsvleermuis wordt echter sinds de zomer van 2017 regelmatig waargenomen in Zeeuws-Vlaanderen en in 2023 is in oostelijk Gelderland een kraamkolonie gevonden. Ook de grote hoefijzerneus is aangetroffen tijdens de wintertellingen van 2022 en vertoont ook in België een voorzichtige toename, zodat deze soort op termijn weer als zeldzame overwinteraar kan worden verwacht in Nederland. Vijf andere soorten – Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, kleine dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis – zijn (zeer) zeldzaam in Nederland of zo lastig herkenbaar dat er nog geen betaalbare, geschikte methode is om aantalsontwikkeling of verspreiding ervan te kunnen volgen. Voor monitoring van de bosvleermuis heeft er in 2023 een pilot plaatsgevonden. Het volledige overzicht van de soorten en de kwaliteit van meetprogramma’s is weergegeven in tabel 7.1.2.
Gegevens
Gegevensinwinning
Wintertellingen Vleermuizen
Voor mensen toegankelijke winterverblijfplaatsen van vleermuizen zoals mergelgroeven, kelders, bunkers en forten worden in de winter eenmalig bezocht, waarbij de aangetroffen soorten worden gedetermineerd en geteld. Met deze telling is de trend in het aantal overwinterende dieren te volgen voor zeven soorten die voornamelijk in dergelijke verblijven hun winterslaap houden. Soorten die voornamelijk in ontoegankelijke, lastig te tellen verblijfplaatsen overwinteren (boomholten, spouwmuren, ventilatiespleten in flats, e.d.) worden in dit meetprogramma onvoldoende aangetroffen om daarvan de trends in aantallen te kunnen volgen. Tevens betreft het hier dus winterpopulaties, die vooral door seizoensmigratie, en de verschillen hierin tussen soorten, heel anders van samenstelling en aantal kunnen zijn dan de zomerpopulaties van deze soorten in Nederland.
Zoldertellingen Vleermuizen
De grijze grootoorvleermuis en de ingekorven vleermuis zijn zeldzame soorten die vooral in de drie zuidelijke provincies (Zeeland, Noord-Brabant en Limburg) voorkomen. In de zomer hebben kraamgroepen van deze soorten een voorkeur voor ruime, warme verblijfsruimtes zoals zolders van kerken, kloosters en stallen. Door jaarlijkse tellingen op deze zolders én op locaties waar deze soorten nieuw kunnen verschijnen is de trend van de grijze grootoorvleermuis en de ingekorven vleermuis te volgen. Daarnaast worden in het hele land ieder jaar (andere) kerkzolders onderzocht op het voorkomen van vleermuizen. Dit wordt gedaan om voor alle gebouwbewonende soorten verspreidingsinformatie te verzamelen en om eventuele veranderingen van het verspreidingsgebied van grijze grootoorvleermuis en ingekorven vleermuis te kunnen detecteren.
Vleermuis Transecttellingen
Van vier algemene soorten wordt de aantalsontwikkeling gevolgd door met batdetectoren vleermuisgeluiden op te nemen tijdens het rijden van vaste routes (per auto, of soms per fiets, voornamelijk in niet-stedelijk gebied). De geluidsopnamen worden gemaakt met een volautomatische batdetector, die tevens GPS coördinaten van de opnames vastlegt. Met de geluidskarakteristieken van de opnames kunnen de soorten worden gedetermineerd en het aantal opnamen van een soort, gecorrigeerd voor de afgelegde afstand binnen een kilometerhok, is indicatief voor de populatiegrootte ter plekke. De locatiegegevens van de opnames geven tevens informatie over de verspreiding van soorten. Nadere informatie over de veldwerkmethoden is te vinden in veldwerkhandleidingen (zie Links).
Gegevensverwerking
Bij de verwerking van de gegevens worden deze gecontroleerd op consistentie, volledigheid, betrouwbaarheid, representativiteit en mogelijke vertekening daardoor. Aantalsgegevens worden jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort in de meeste gevallen berekend worden met het TRIM model in het R package rtrim. Bij de transecttellingen wordt ook met trefkansmodellen gewerkt, momenteel alleen voor het bepalen van trends in verspreiding, maar het gaat nog onderzocht worden hoe goed deze werken voor het bepalen van aantalstrends. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Trendgegevens van de wintertellingen zijn beschikbaar vanaf 1986 en van de zoldertellingen vanaf 1984. Bij de zoldertellingen wordt echter 1996 als startjaar aangehouden voor de grijze grootoorvleermuis en 2008 voor de ingekorven vleermuis i.v.m. de beperkte betrouwbaarheid van de tellingen gedurende de eerste jaren. De transecttellingen zijn gestart in 2013, maar 2015 wordt aangehouden als eerste jaar voor de analyses, vooral omdat er in 2013 en 2014 nog niet genoeg transecten werden gereden om representatief voor Nederland te zijn.
Kwaliteit en Representativiteit
De kwaliteit van een trend is beoordeeld op basis van de mogelijkheid om met de beschikbare gegevens betrouwbare langjarige trends te berekenen, binnen het verspreidingsgebied van de soort. Kort gezegd betekent dit dat de kwaliteit als niet goed of matig wordt beschouwd wanneer de trend van de gehele tijdreeks, en/of die van de meest recente twaalf jaar, als ‘onzeker’ wordt beoordeeld.
Voor Vleermuis Transecttellingen geldt dat de representativiteit nog niet helemaal op orde is. De provincie Zeeland is nog steeds niet vertegenwoordigd in het meetprogramma en het blijkt lastig om daar een team van vrijwilligers te vinden, maar in de provincie Drenthe worden inmiddels drie transecten gereden.
Het stedelijk gebied is ook nog altijd ondervertegenwoordigd in dit meetprogramma, maar het vleermuizenmeetnet VleerMUS van de Zoogdiervereniging (dat nog niet is opgenomen in het NEM, maar methodisch naadloos aan zou kunnen sluiten bij Vleermuis Transecttellingen) is specifiek gericht op het stedelijk gebied en kan in de toekomst informatie verschaffen over dit biotoop. Steeds meer gemeenten stellen VleerMUS verplicht bij het opstellen van een soortenmanagementplan (SMP monitoring), waardoor het juridische en financiële implicaties gaat krijgen. Het verdient dus aanbeveling om de kwaliteitsborging hiervan onder te brengen in het NEM.
| Type monitoring | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Soort | Beleidsstatus1) | wintertelling | zoldertelling | transecttelling | Kwaliteit landelijke trend | Opmerkingen |
| Baardvleermuis2) | HR IV | aantal | goed | |||
| Bechsteins vleermuis3) | HR II en IV | aantal | slecht | zeer zeldzaam | ||
| Bosvleermuis | HR IV | zeer zeldzaam | ||||
| Brandts vleermuis2) | HR IV | zeldzaam | ||||
| Franjestaart | HR IV | aantal | goed | |||
| Gewone dwergvleermuis | HR IV | aantal + verspreiding | goed | |||
| Gewone grootoorvleermuis4) | HR IV | aantal | goed | |||
| Grijze grootoorvleermuis | HR IV | aantal | goed | |||
| Grote hoefijzerneus | HR IV | aantal | slecht | zeer zeldzaam | ||
| Ingekorven vleermuis | HR II en IV | aantal | aantal | goed | ||
| Kleine dwergvleermuis | HR IV | zeer zeldzaam | ||||
| Kleine hoefijzerneus3) | HR II en IV | verdwenen uit NL | ||||
| Laatvlieger | HR IV | aantal + verspreiding | goed | |||
| Mopsvleermuis3) | HR II en IV | zeer zeldzaam | ||||
| Meervleermuis | HR II en IV | aantal | goed | |||
| Rosse vleermuis | HR IV | aantal + verspreiding | matig | |||
| Ruige dwergvleermuis | HR IV | aantal + verspreiding | matig | |||
| Tweekleurige vleermuis | HR IV | zeer zeldzaam | ||||
| Vale vleermuis | HR II en IV | aantal | goed | |||
| Watervleermuis | HR IV | aantal | goed | |||
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.
2)Tellingen van baardvleermuis inclusief enkele moeilijk te onderscheiden Brandts vleermuizen.
3)HR II soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen, in verband met de mate van zeldzaamheid.
4)Wintertellingen inclusief enkele moeilijk te onderscheiden grijze grootoorvleermuizen.
Natura 2000‑gebieden
Voor de ingekorven vleermuis, meervleermuis en vale vleermuis geldt dat Natura 2000‑gebieden zijn aangewezen ter bescherming van deze soorten. Bij de meervleermuis betreft dit vooral Natura 2000‑gebieden met een foerageerfunctie en voor de ingekorven vleermuis is één Natura 2000‑gebied aangewezen vanwege de functie als kraamverblijf (Abdij Lilbosch & voormalig klooster Mariahoop). Daarnaast zijn er een aantal Natura 2000‑gebieden met mergelgroeven aangewezen vanwege de functie als winterverblijf. De aangewezen gebieden voor de vale vleermuis betreffen alleen gebieden van dit type. Hoewel er inmiddels wel een kraamverblijf is gevonden binnen onze landsgrenzen, betreft dit vooralsnog onbeschermd gebied. Een overzicht van de voor vleermuizen aangewezen Natura 2000‑gebieden en de kwaliteit van de monitoring is aangegeven in tabel 7.1.3. De kwaliteit van deze resultaten is beoordeeld op basis van de beschikbaarheid van telgegevens in de laatste drie jaar en de mogelijkheid om met de beschikbare gegevens betrouwbare langjarige trends te berekenen.
| Aangewezen HR soorten/kwaliteit trend1) | ||
|---|---|---|
| Natura 2000-gebied | goed | niet goed |
| Winterverblijf | ||
| Bemelerberg en Schiepersberg | InV, MeV | VaV |
| Geuldal | InV, MeV, VaV | |
| Kennemerland-Zuid | MeV | |
| Meijendel en Berkheide | MeV | |
| Savelsbos | InV, MeV, VaV | |
| Sint Pietersberg en Jekerdal | InV, MeV, VaV | |
| Veluwe | MeV | |
| Zomerverblijf | ||
| Abdij Lilbosch cluster | InV | |
| Foerageerfunctie | ||
| Alde Feanen | MeV | |
| Biesbosch | MeV | |
| Botshol | MeV | |
| De Wieden | MeV | |
| Groote Wielen | MeV | |
| IJsselmeer | MeV | |
| Ilperveld cluster | MeV | |
| Markermeer en IJmeer | MeV | |
| Nieuwkoopse Plassen en De Haeck | MeV | |
| Oostelijke Vechtplassen | MeV | |
| Oudegaasterbrekken cluster | MeV | |
| Polder Westzaan | MeV | |
| Rijntakken | MeV | |
| Rottige Meenthe en Brandemeer | MeV | |
| Veluwerandmeren | MeV | |
| Weerribben | MeV | |
| Wormer en Jisper veld | MeV | |
| Zwarte meer | MeV | |
1)InV = Ingekorven vleermuis; MeV = meervleermuis; VaV = vale vleermuis.
Voortgang 2023
Aantalsmonitoring
De meetprogramma’s voor aantalsmonitoring bevatten voldoende meetpunten om landelijk betrouwbare aantalstrends op te leveren voor twaalf soorten. Ook zijn er veel betrouwbare trendcijfers beschikbaar op gedetailleerder niveau, waaronder trends per provincie en trends per Natura 2000‑gebied, hoewel niet alle gebieden even goed gerepresenteerd zijn in elk meetprogramma.
Bij de wintertellingen is het niet kunnen tellen van afgekeurde groeves met een slechte bouwkundige staat een al langer bestaand probleem. De Mijnbouwwet verbiedt het betreden van groeven ten behoeve van vleermuistellingen wanneer deze zijn afgekeurd vanwege een te slechte bouwkundige staat. In twee van de vier Natura 2000‑gebieden met groeves in Limburg zijn daardoor geen of slechts een beperkt aantal groeves waar geteld kan worden, waardoor trendbepaling op lokaal niveau nauwelijks mogelijk is. Er zijn tot nu toe geen kosteneffectieve alternatieven gevonden voor deze tellingen. De provincie Limburg heeft echter een aantal afgekeurde groeves in het gebied Bemelerberg & Schiepersberg verbeterd, waardoor in dit gebied weer meer tellingen plaatsvinden. Dit heeft voor zes van de zeven soorten inmiddels weer een betrouwbare trend opgeleverd; helaas alleen nog niet voor de vale vleermuis (Tabel 7.1.3). Voor het gebied Savelsbos blijft het probleem bestaan, zonder uitzicht op verbetering. Voor dit gebied is overleg met de provincie Limburg en de beheerder(s) van de groeves noodzakelijk. Enkele groeves kunnen wel geteld worden, maar door onder andere onenigheid over het beheer van de groeves, worden er geen keuringen uitgevoerd en daardoor kunnen er ook geen betredingsvergunningen aangevraagd worden. Positief nieuws is wel dat de financiering van de keuringen voor ‘extensief gebruik’ langjarig wordt gefinancierd door de provincie Limburg onder aansturing van de Zoogdiervereniging, waardoor het belang van de vleermuistellingen goed vertegenwoordigd is in dit proces.
Voor de zoldertellingen van de ingekorven vleermuis geldt dat de representativiteit van de telpunten en tellingen een blijvend punt van aandacht is. Aangezien deze soort zeldzaam is en geclusterd in slechts enkele verblijven voorkomt, dienen die zolders zoveel mogelijk te worden geteld. Maar omdat de ingekorven vleermuis de laatste jaren ook is aangetroffen in andere, voorheen soms onbekende verblijven, is het mogelijk dat verblijven gemist worden en/of niet worden geteld binnen de voorgeschreven telperiode. De trendberekening is aangepast aan deze opsplitsing in kleine groepen, maar omdat de tijdreeksen niet goed op elkaar aansluiten is het lastig gebleken exacte schattingen van de getelde populatie te maken. Daarom gaat de voorkeur uit naar een statistisch betrouwbaardere trend vanaf 2008 in de officiële resultaten.
Met betrekking tot de monitoring van de grijze grootoorvleermuis is het zorgelijk dat in de provincie Noord-Brabant veel tellers afhaken wanneer de soort zich al een tijdje niet heeft laten zien. Dit kan op den duur een flink knelpunt voor het hele meetprogramma op gaan leveren. Intensiever vrijwilligersmanagement is dus nodig om het bestand met tellers en getelde zolders weer op peil te krijgen.
Voor de transecttellingen geldt dat de periode van gegevensverzameling nog altijd kort is (2013–2022; trendberekening 2015–2022). Zowel voor aantalstrends als voor verspreidingstrends zijn geschikte methoden gevonden en grotendeels doorgevoerd, maar de volledige automatisering en de statistische modellen voor de verspreidingstrends blijven in ontwikkeling, ook in de komende jaren. Verder levert het meetprogramma nog niet altijd betrouwbare trends op voor de ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis, maar hopelijk zal verdere uitbreiding wél de beoogde betrouwbaarheid op gaan leveren voor deze soorten. In principe is het huidige aantal routes (93) en het aantal km-hokken waar doorheen wordt gereden (3 141) voldoende voor landelijke trends, maar er zijn nog altijd geen routes in Zeeland en de routes in Twente zijn vooralsnog gestopt, dus de representativiteit is nog niet geheel naar behoren (zie ook Kwaliteit en Representativiteit hierboven).
Met gegevens van uitvliegtellingen van verblijfplaatsen van de meervleermuis zijn wederom berekeningen voor een zomerpopulatietrend uitgevoerd. Deze wijkt behoorlijk af (in negatieve zin) van de (positieve) wintertrend, maar is berekend op basis van voldoende meetpunten en meetjaren. Inmiddels zijn er serieuze stappen gezet om deze tellingen op te nemen in het reguliere vleermuizen-onderzoek van het NEM. Door de drukte rondom het Jaar van de Meervleermuis heeft het invoeren van oude tellingen in het nieuwe portaal vertraging opgelopen, waardoor er nog geen officiële zomertrend voor deze soort is. Hopelijk kan dit in 2024 alsnog doorgang vinden.
Ook voor de meervleermuis zijn er in totaal achttien Natura 2000‑gebieden aangewezen met een foerageerfunctie (Tabel 7.1.3), maar monitoring in deze context heeft nog niet plaatsgevonden op reguliere basis. Er zijn wel pilots met akoestische monitoring uitgevoerd, zoals met transecten per boot in de Nieuwkoopse Plassen, en in het gebied Rijntakken is monitoring met vaste meetpunten langs de rivier opgezet. Ook wordt er in Fryslân bij Natura 2000‑gebieden gemonitord aan de hand van kolonietellingen en vliegroute tellingen. Het verdient aanbeveling om de methode van monitoring in alle gebieden zoveel mogelijk gelijk te trekken, opdat de uitkomsten ook landelijk goed vergelijkbaar worden. Akoestische monitoring lijkt hierbij de meest voor de hand liggende methodiek.
Het aantal meetpunten per meetprogramma is weergegeven in figuur 7.1.4 en de ligging van de meetpunten is weergegeven in de figuren 7.1.6 tot en met 7.1.8.
| jaren | Aantal wintertellingen(x10) | Aantal zoldertellingen | Aantal VTT routes |
|---|---|---|---|
| '96 | 45,8 | 12 | . |
| '97 | 58,7 | 11 | . |
| '98 | 60 | 13 | . |
| '99 | 61 | 17 | . |
| '00 | 69,9 | 19 | . |
| '01 | 76,6 | 21 | . |
| '02 | 83,7 | 15 | . |
| '03 | 84,6 | 17 | . |
| '04 | 86,6 | 14 | . |
| '05 | 106,3 | 22 | . |
| '06 | 107 | 22 | . |
| '07 | 110,6 | 40 | . |
| '08 | 109 | 61 | . |
| '09 | 112,5 | 42 | . |
| '10 | 117,2 | 50 | . |
| '11 | 124,6 | 56 | . |
| '12 | 121,9 | 46 | . |
| '13 | 124,9 | 71 | 13 |
| '14 | 128,7 | 57 | 30 |
| '15 | 130,7 | 59 | 41 |
| '16 | 141,5 | 65 | 55 |
| '17 | 137,3 | 73 | 64 |
| '18 | 148 | 68 | 81 |
| '19 | 155,7 | 67 | 76 |
| '20 | 156,4 | 63 | 69 |
| '21 | 0 | 62 | 76 |
| '22 | 151,6 | 73 | 75 |
| '23 | 155,9 | . | . |
Verspreidingsmonitoring
Het verspreidingsonderzoek is gericht op het vaststellen van de aan- of afwezigheid van de soorten binnen 10 x 10 km-hokken. Hoewel voor vleermuizen geen apart verspreidingsonderzoek wordt uitgevoerd, zijn er voor sommige soorten al veel verspreidingsgegevens beschikbaar, vooral uit de lopende projecten voor aantalsmonitoring. Met de transecttellingen kunnen landelijke verspreidingstrends van vier soorten bepaald worden, zij het nog maar over een korte periode. Een landsdekkend overzicht van de verspreiding is echter niet mogelijk voor alle soorten, vanwege het gebrek aan verspreidingsinformatie van vooral zeldzame soorten en informatie over de kwaliteit van leefgebieden.
Op basis van de gegevens is in tabel 7.1.5 een overzicht gegeven van de stand van zaken voor de huidige rapportageperiode, waarvoor gegevens van 2018–2023 meetellen. Hieruit blijkt dat de gegevensvoorziening voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger het meest compleet is. Deze soorten zijn in respectievelijk 91% en 75% van het potentiële verspreidingsgebied aangetroffen. In totaal zijn vijf van de zeventien soorten in meer dan 50% van het potentieel leefgebied waargenomen, terwijl bij zes soorten de aanwezigheid in minder dan 25% van de hokken is bevestigd. De meervleermuis en ingekorven vleermuis zijn in respectievelijk 47% en 27% van het potentieel leefgebied aangetoond. Doordat het onderzoek naar zoogdieren veel variatie in methodieken kent en onderzoek naar de ene soort geen onderzoeksinspanning voor de andere soort oplevert, is de kost per soort relatief hoog om het gehele potentiële leefgebied te onderzoeken.
| Potentieel leefgebied (10 x 10 km-hokken) | Soort aangetroffen in percentage hokken na 6 jaar | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Baardvleermuis | 443 | 24 |
| Bechsteins vleermuis | 123 | 7 |
| Bosvleermuis | 322 | 27 |
| Brandts vleermuis | 198 | 4 |
| Franjestaart | 443 | 31 |
| Gewone dwergvleermuis | 466 | 91 |
| Gewone grootoorvleermuis | 449 | 63 |
| Grijze grootoorvleermuis | 94 | 29 |
| Ingekorven vleermuis | 48 | 27 |
| Kleine dwergvleermuis | 215 | 24 |
| Laatvlieger | 482 | 75 |
| Meervleermuis | 469 | 47 |
| Rosse vleermuis | 482 | 59 |
| Ruige dwergvleermuis | 485 | 64 |
| Tweekleurige vleermuis | 448 | 19 |
| Vale vleermuis | 121 | 10 |
| Watervleermuis | 482 | 47 |
Aankomende ontwikkelingen
In 2021 heeft een evaluatie plaatsgevonden in verband met de landelijke staat van instandhouding (SvI) van vleermuissoorten en welke monitoring zou moeten worden verbeterd of toegevoegd om de kennis over de SvI op peil te krijgen voor zowel de energietransitie als de Habitatrichtlijn. Er is daarbij een prioritering aangebracht onder vleermuissoorten en typen monitoring, op basis van vooral het gebrek aan huidige kennis, maar ook van de gevoeligheid van soorten voor na-isolatie van gebouwen en windmolens. Deze evaluatie is verbonden aan een subsidie voor de eerste jaren en voor de lange termijn heeft men getracht waar mogelijk aansluiting te vinden bij de huidige NEM meetprogramma’s, waarbij gekeken wordt in hoeverre het mogelijk is om trends te bepalen voor soorten die tot nu toe niet of slecht in beeld zijn. Dit zal waarschijnlijk gaan leiden tot verdere uitbreiding van zowel de meetdoelen als de meetprogramma’s Vleermuis Transecttellingen en Zoldertellingen Vleermuizen.
Aandachtspunten
- Bij afgesloten groeves alert zijn op geschikte alternatieven voor de huidige telmethode en opstarten van tellingen indien groeves weer toegankelijk worden (provincie Limburg, ZV, CBS).
- Bekijken in hoeverre het mogelijk is om zoldertellingen te gebruiken om een aantalstrend van vale vleermuis te bepalen (ZV, CBS).
- Bekijken in hoeverre het mogelijk is om met behulp van transecttellingen een verspreidingstrend van tweekleurige en vale vleermuis te bepalen (ZV, CBS).
- Bekijken in hoeverre het mogelijk is om met behulp van uitvliegtellingen een aantalstrend van tweekleurige vleermuis te bepalen (ZV, CBS).
- Bekijken in hoeverre het mogelijk is om een aantalstrend van bosvleermuis te bepalen (ZV, CBS).
- Opzetten en coördineren van monitoring van Natura 2000‑gebieden met een foerageerfunctie voor de meervleermuis (provincies, ZV, CBS).
- Kansen en mogelijkheden benutten om betere informatie te verkrijgen m.b.t. verspreiding van vleermuizen (ZV, CBS).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.
Informatie over de Zoogdiervereniging: Website Zoogdiervereniging.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.



7.2Landzoogdieren en bruinvis
Algemeen
Op grond van wet- en regelgeving dienen aantalsontwikkelingen van beschermde inheemse zoogdiersoorten en/of de ontwikkelingen in de verspreiding van deze soorten te worden gevolgd. Ook voor invasieve niet-inheemse zoogdiersoorten (invasieve exoten) is op grond van regelgeving informatie nodig. Het NEM is ingericht op de monitoring van een aantal van deze soorten en op het daarmee samenstellen van de benodigde (verplichte) informatie over deze soorten. Waar dat zonder extra inspanning mogelijk is, wordt de monitoring overigens niet beperkt tot deze soorten, maar wordt ook informatie verzameld over andere soorten.
In dit hoofdstuk worden voornamelijk landzoogdieren besproken en komt van de zeezoogdieren slechts één soort, namelijk de bruinvis, aan de orde.
Voor alle deelprogramma’s (met uitzondering van de bruinvis) geldt:
Coördinatie: Zoogdiervereniging (ZV).
Uitvoering: Vrijwilligers, ZV, Sovon, CBS, Rijkswaterstaat (RWS), Naturalis, duinbeheerders, waterschappen.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten | |
| Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage V | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000-gebieden en biotopen | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Verspreiding van invasieve exoten | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Schadesoorten: landelijke trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
Soorten
In het NEM meetprogramma ligt de nadruk op soorten van bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn (HR) en de typische soorten van habitattypen van HR bijlage I. Met het meetprogramma worden daarnaast ook gegevens verzameld voor diverse soorten zonder beleidsstatus voor zover ze makkelijk in het NEM kunnen worden meegenomen. Het onderzoek van deze soorten is gericht op het kunnen bepalen van de populatietrends (aantallen), verspreiding en verspreidingstrends die voor de meetdoelen vereist zijn. In tabel 7.2.2 staan de onderzochte soorten met hun beleidsstatus en de onderzoekskwaliteit vermeld.
Buiten de NEM meetnetten om worden nog verschillende andere zoogdiersoorten onderzocht, waaronder ook enkele HR soorten. Dit betreft bijvoorbeeld de zeezoogdieren gewone en grijze zeehond, waarnaar in opdracht van RWS onderzoek wordt gedaan in het kader van het programma Monitoring Waterstaatkundige Toestand des Lands (MWTL). En ook wordt onderzoek verricht naar hamster (LNV/provincie Limburg), eikelmuis (provincie Limburg) en door BIJ12 (in opdracht van de provincies) naar de wolf. Deze zoogdiersoorten komen daarom in deze rapportage (nog) niet of beperkt aan de orde. De wolf is inmiddels al een aantal jaren voortplantend in Nederland aanwezig. Ook over deze soort zal landelijk en bij aanwijzing van Natura 2000‑gebieden ook per gebied in het kader van de Habitatrichtlijn gerapporteerd moeten gaan worden. In verband met de continuïteit, afstemming en efficiëntie van de metingen verdient het aanbeveling om de monitoring van alle HR soorten in het NEM onder te brengen.
Het onderzoek naar invasieve exoten betreft vijf van de elf zoogdiersoorten van de Unielijst. De Unielijst is een door de EU opgestelde lijst van exoten waarover de lidstaten geacht worden te rapporteren. Voor vijf soorten is verspreidingsonderzoek met o.a. wildcamera’s opgezet: beverrat, muskusrat, muntjak, wasbeer en wasbeerhond. Monitoring van de andere zes soorten wordt vooralsnog niet nodig geacht, omdat die in Nederland niet of te beperkt voorkomen.
Gegevens
Gegevensinwinning
Aantalsmonitoring
Voor berekening van populatietrends (aantalsmonitoring) zijn over het algemeen gestandaardiseerde tellingen noodzakelijk. Ongestandaardiseerde waarnemingen zijn niet bruikbaar omdat ofwel geen (nauwkeurige) aantallen worden gemeld, of omdat door het gebruik van verschillende methodes en wisselende waarnemersinspanning, de gemelde aantallen onderling niet vergelijkbaar zijn of dubbeltellingen kunnen bevatten.
De aantalsmonitoring is gericht op het verkrijgen van populatietrends van de soorten die onder de hiervoor genoemde meetdoelen vallen. Het bepalen van de absolute populatieomvang van de soorten is geen doel van de huidige zoogdiermonitoring en is daarmee ook niet mogelijk.
Binnen het meetprogramma landzoogdieren zijn er drie meetonderdelen voor aantalsmonitoring:
- Dagactieve zoogdieren worden tegelijk met broedvogels geteld door vrijwilligers van Sovon in een deel van de telgebieden van het broedvogelmeetprogramma, onderdeel BMP (in buitengebieden) en ook in sommige MUS (stedelijk gebied) en MAS meetpunten (agrarisch gebied). De standaard BMP tellingen worden uitgevoerd op vaste meetlocaties van circa 50–200 hectare groot. Deze meetlocaties worden in het voorjaar meerdere keren bezocht. Voor konijn, haas, ree, vos, eekhoorn, egel en muskusrat resulteren deze tellingen in voldoende betrouwbare aantalstrends. Voor andere soorten zijn de gegevens alleen geschikt voor het in kaart brengen van de verspreiding. Datalevering vindt plaats via de Zoogdiervereniging.
- Voor konijnen zijn er tevens tellingen in de duinen, uitgevoerd door terreinbeheerders en gecoördineerd door de Zoogdiervereniging. Tijdens inspectierondes in de avonduren in voor- en najaar worden vanuit de auto op circa 250 vaste routes de konijnen geteld die zichtbaar zijn in het licht van de koplampen.
- Voor de hazelmuis zijn er tellingen van de goed herkenbare nestjes die deze dieren in de zomer en het najaar maken in de randen van structuurrijke bossen in Zuid-Limburg. Deze tellingen worden uitgevoerd door vrijwilligers van de Zoogdiervereniging in ruim 50 vaste bosrand transecten. Daarmee wordt vrijwel het gehele bekende verspreidingsgebied van deze soort geïnventariseerd.
Voor bruinvis worden tellingen uit drie bronnen gebruikt: tellingen vanaf de kust (trektellen, Sovon), vliegtuigtellingen (RWS) en strandingen (Naturalis). Elk van deze bronnen levert een eigen trend, die niet wordt gecombineerd tot één trend voor de bruinvis.
De ligging van de meetpunten is weergegeven in de kaarten 7.2.6 t/m 7.2.9. Voor bruinvis geldt dat alleen de sinds 2020 aangepaste vliegtuigroute is weergegeven.
Verspreidingsonderzoek
Het verspreidingsonderzoek is voor landzoogdieren gericht op het vaststellen van de leefgebieden van de soorten enerzijds, en op het vaststellen van trends in de aan- of afwezigheid van de soorten op km-hokniveau anderzijds. Het volgen van de verspreiding is vaak eenvoudiger dan aantalsmonitoring en kan daarom een geschikt alternatief zijn voor soorten waarvoor aantalsmonitoring (nog) niet mogelijk of haalbaar is. Daarnaast kunnen verspreidingstrends op zichzelf ook waardevol zijn, omdat ze een ander aspect van de ontwikkeling van een soort weergeven. Voor verspreidingsonderzoek zijn losse, niet-gestandaardiseerde waarnemingen, bijv. van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), wél bruikbaar. Waarnemingen uit o.a. de NDFF worden daarom bij berekening van verspreidingstrends meegenomen. Er is echter vaak nog aanvullend onderzoek nodig om afdoende informatie te verkrijgen. Voor het vaststellen van de leefgebieden op het niveau van 10 x 10 km moet van alle potentiële leefgebieden de aan- of afwezigheid worden vastgesteld. Afwezigheid is echter alleen met redelijke zekerheid vast te stellen wanneer met een gestandaardiseerd protocol een hok goed is gemonitord. Bij zoogdieren is dat lastig, omdat de soorten zodanig verschillen dat daarvoor vaak eigen protocollen nodig zijn en ze een zodanig verborgen levenswijze hebben dat intensief onderzoek nodig is om afwezigheid betrouwbaar genoeg te kunnen vaststellen.
De verspreiding van (spits)muizen wordt onderzocht met behulp van braakballen van uilen. Daarbij wordt vooral gebruik gemaakt van braakballen van kerkuilen, omdat deze in het gehele land voorkomen en geen duidelijke voorkeur vertonen voor bepaalde muizensoorten. Braakballen worden op een groot aantal locaties in het land door vrijwilligers van uilenwerkgroepen verzameld, waarna ze via de Zoogdiervereniging door vrijwillige ‘pluizers’ worden onderzocht op schedelresten van de verschillende muizensoorten.
Voor de verspreiding van de noordse woelmuis in de daarvoor aangewezen Natura 2000‑gebieden wordt, aanvullend op het braakballen onderzoek, door de provincies waar de soort voorkomt, Noord- en Zuid-Holland, Fryslân, Utrecht, Zeeland en Noord-Brabant, eDNA onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek houdt in dat woelmuizenkeutels worden verzameld, waarna met DNA-onderzoek wordt bepaald of deze van de noordse woelmuis afkomstig zijn. Dit eDNA onderzoek past weliswaar onder verschillende meetdoelen, maar valt – in afwachting van een besluit van de provincies – nog niet onder het NEM.
De verspreiding van otter en bever wordt onderzocht door vrijwilligers van de otter- en beverwerkgroep CaLutra (onderdeel van de Zoogdiervereniging) in samenwerking met de waterschappen. Medewerkers van waterschappen geven eens per jaar de actuele verspreiding van de bever door aan de Zoogdiervereniging, en melden het ook als er voor het eerst in een gebied ottersporen (uitwerpselen e.d.) worden aangetroffen. Waarnemers van CaLutra onderzoeken vervolgens de locatie nader op de aanwezigheid van de otter.
De verspreiding van bunzing en boommarter wordt gemonitord op basis van waarnemingen in de NDFF, die voor de ‘witte vlekken’ worden aangevuld met waarnemingen via cameravallen. De cameravallen worden steeds een aantal weken op potentieel voor deze soorten geschikte locaties geplaatst. In 2022 is geconcludeerd dat hiermee weliswaar de verspreiding op 10 x 10 km kan worden bepaald, maar dat daarmee (nog) geen trends kunnen worden bepaald. Er is een andere opzet met intensiever onderzoek nodig om in de toekomst ook trends te kunnen bepalen.
Voor de verspreiding van bruinvis worden bovenop de aantalsmonitoring geen aanvullende gegevens verzameld. Voor de HR rapportage wordt op basis van de beschikbare gegevens de verspreiding gemodelleerd.
Onderzoek invasieve exoten
Op de Unielijst van invasieve exoten staan elf zoogdiersoorten: muskusrat, beverrat, muntjak, wasbeer, wasbeerhond, Indische mangoeste, rode neusbeer en vier eekhoornsoorten Pallas’ eekhoorn, grijze eekhoorn, Amerikaanse voseekhoorn en Siberische grondeekhoorn. Deze soorten komen niet allemaal in Nederland voor. Het onderzoek is dan ook primair gericht op de vijf eerstgenoemde soorten, er van uitgaande dat het voor de overige zes soorten niet nodig is zolang zij afwezig zijn of nog maar zeer incidenteel of beperkt voorkomen. Het onderzoek is primair gericht op het in kaart brengen van verspreiding, is in 2018 gestart en wordt uitgevoerd in gebieden waar de kans op voorkomen van de soorten het grootst is. Voor wasbeer en wasbeerhond worden cameravallen geplaatst, voor muntjak worden transecten gereden met warmtebeeldcamera’s en voor muskusrat en beverrat worden de vangsten bij de Unie van Waterschappen (UVW) opgevraagd. Meldingen van deze soorten worden via de NDFF, met o.a. input uit waarneming.nl en telmee.nl, in de gaten gehouden om eventuele nieuwe vindplaatsen te achterhalen. Voor muntjak en wasbeer zijn op de website van de Zoogdiervereniging ook meldpunten ingericht voor het melden van ‘losse waarnemingen’.
Voor muskusratten kan ook een landelijke trend worden berekend met de BMP tellingen.
Het voor drie van deze soorten nieuw opgestarte onderzoek loopt sinds 2018. In bijlage 2 is in kaarten weergegeven welke 10 x 10 km-hokken sinds de start van de huidige rapportage periode (2019) zijn onderzocht en in welk van deze hokken de betreffende exoot is aangetroffen.
Gegevensverwerking
Bij de verwerking van de teldata en verspreidingsgegevens wordt gecontroleerd op consistentie, volledigheid, betrouwbaarheid, representativiteit en mogelijke vertekening daardoor. Bij de dagactieve zoogdieren wordt gecorrigeerd voor mogelijke vertekening als gevolg van over- of onderbemonstering van bepaalde fysisch geografische regio’s.
Aantalsgegevens worden voor de meeste soorten jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort berekend worden met behulp van het TRIM model in het R package rtrim. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Trendgegevens van de dagactieve zoogdieren zijn beschikbaar vanaf 1994 (vos, ree, egel, muskusrat), 1996 (eekhoorn) of 1997 (haas en konijn). Voor de duinkonijnen zijn er trends vanaf 1984 en voor de hazelmuis vanaf 1992. Voor de vliegtuigtellingen van de bruinvis zijn er trends beschikbaar vanaf 1991. Strandingsgegevens en trektelgegevens zijn ook van eerdere jaren beschikbaar.
Op basis van verspreidingsgegevens van inheemse soorten worden trends in de aan- of afwezigheid van de soorten op het niveau van 1 x 1 km-hokken of 5 x 5 km-hokken (‘uur-hokken’) bepaald. Tevens worden de inventarisatiegegevens van de HR bijlage II en IV soorten verwerkt tot verspreidingskaarten per HR verslagperiode op 10 x 10 km-hokniveau. Ook voor invasieve exoten worden kaarten op 10 x 10 km-hokniveau gemaakt. Verspreidingstrends worden veelal berekend met behulp van occupancy-modellen, waarbij – voor zover mogelijk – rekening wordt gehouden met trefkansen en waarnemersinspanning. Dergelijke trends zijn beschikbaar voor elf soorten muizen, waaronder noordse woelmuis vanaf 1995, voor otter vanaf 2003 en voor de bever vanaf 1993. Voor bunzing en boommarter zijn nog geen geschikte verspreidingstrends beschikbaar, omdat het nog ontbreekt aan geschikte veldwerkmethoden en/of data. Voor noordse woelmuis zijn inmiddels op basis van het eDNA-onderzoek voor het eerst verspreidingstrends mogelijk.
| Kwaliteit trends | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Soort | Beleidsstatus1) | Type onderzoek2) | Nederland | Natura 2000‑ gebieden |
Opmerkingen |
| Bever | HR II en IV, TYP | VO | goed | onbekend4) | |
| Boommarter | HR V | VO | in ontwikkeling | ||
| Bruinvis | HR II en IV | AO | goed | onbekend4) | |
| Bunzing | HR V | VO | in ontwikkeling | ||
| Dwergmuis | TYP | VO | |||
| Euraziatische lynx | HR II en IV | niet in NEM, incidenteel in NL | |||
| Grote bosmuis | TYP | VO | goed | ||
| Goudjakhals | HR V | niet in NEM, incidenteel in NL | |||
| Haas | TYP | AO, VO | goed | ||
| Hamster | HR IV | niet in NEM, schaars in NL | |||
| Hazelmuis | HR IV, TYP | AO | goed | ||
| Konijn | TYP, S | AO | goed | ||
| Noordse woelmuis | HR II* en IV | VO | goed | onbekend4) | |
| Otter | HR II en IV | VO | goed | slecht | |
| Waterspitsmuis | TYP | VO | goed | ||
| Wilde kat | HR IV | niet in NEM, schaars in NL | |||
| Wisent3) | HR II en IV | niet in NEM, geherintroduceerd in gesloten gebieden | |||
| Wolf3) | HR II* en IV | niet in NEM, schaars in NL | |||
| Invasieve exoten | |||||
| Beverrat | IE | AO, VO | . | ||
| Muntjak | IE | VO | . | ||
| Muskusrat | IE | AO, VO | goed | ||
| Wasbeer | IE | VO | . | ||
| Wasbeerhond | IE | VO | . | ||
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van Bijlage, * = prioritaire soort; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn; IE = Invasieve exoot.
2)AO = aantalsonderzoek; VO = verspreidingsonderzoek.
3)Voor deze HR II soort zijn nog geen Natura 2000‑gebieden aangewezen.
4)Voor deze HR II soort wordt buiten het NEM om in sommige gebieden (ook) onderzoek uitgevoerd.
Voortgang 2023
Alle meetprogramma’s voor aantalsmonitoring zijn verlopen zonder noemenswaardige knelpunten. De meetprogramma’s bevatten voldoende meetpunten om betrouwbare landelijke aantalstrends te leveren van acht soorten landzoogdieren. Dit betreft hazelmuis, konijn, haas, vos, ree, eekhoorn, egel en muskusrat. Het aantal BMP meetpunten met zoogdierwaarnemingen is al enkele jaren achtereen fors toegenomen, waardoor verwacht mag worden dat trends steeds betrouwbaarder worden en uiteindelijk voor meer soorten en gebieden trends kunnen worden berekend. Op provinciaal niveau worden voor de talrijkst aangetroffen soorten ook trends berekend (als indirect meetdoel). Voor konijn zijn er ook trends per duingebied. Voor haas en konijn is op grond van de Rode Lijst status door de WUR de landelijke staat van instandhouding bepaald en als ongunstig beoordeeld. Het hiermee samenhangend landelijk jachtverbod op het konijn en de jachtverboden in drie provincies voor de haas, heeft o.a. geleid tot stevige discussies en kamervragen over de betrouwbaarheid van provinciale trends voor die soort, met name omdat BMP tellingen in sommige provincies schaars zijn. Tegelijk is door deze ontwikkelingen de behoefte aan betrouwbare provinciale data en trends toegenomen, terwijl dit (nog) niet gedekt is in de NEM meetdoelen. Er is echter eind 2023 al wel een onderzoek gestart om te bezien of aanvullende telgegevens van o.a. wildbeheereenheden en MAS tellingen een bijdrage kunnen leveren aan betrouwbaarder trends op provinciaal niveau.
De vliegtuigtellingen voor bruinvis (en vogels) op de Noordzee en de trektellingen langs de kust zijn ook in 2023 weer uitgevoerd door trektellers van Sovon in opdracht van Rijkswaterstaat. Bijzonderheden zijn niet bekend.
| Jaar | Dagactieve zoogdieren | Hazelmuizen | Duinkonijnen |
|---|---|---|---|
| '95 | 235 | 12 | 158 |
| '96 | 297 | 12 | 156 |
| '97 | 283 | 9 | 162 |
| '98 | 395 | 12 | 166 |
| '99 | 362 | 14 | 143 |
| '00 | 444 | 14 | 167 |
| '01 | 326 | 40 | 165 |
| '02 | 407 | 33 | 172 |
| '03 | 438 | 13 | 164 |
| '04 | 495 | 15 | 187 |
| '05 | 475 | 27 | 209 |
| '06 | 412 | 32 | 216 |
| '07 | 402 | 39 | 216 |
| '08 | 408 | 47 | 204 |
| '09 | 517 | 42 | 216 |
| '10 | 574 | 37 | 216 |
| '11 | 778 | 42 | 215 |
| '12 | 752 | 43 | 218 |
| '13 | 785 | 51 | 218 |
| '14 | 803 | 49 | 218 |
| '15 | 967 | 44 | 218 |
| '16 | 990 | 60 | 218 |
| '17 | 1109 | 55 | 231 |
| '18 | 1126 | 57 | 231 |
| '19 | 1260 | 58 | 231 |
| '20 | 1369 | 62 | 235 |
| '21 | 1632 | 49 | 195 |
| '22 | 1630 | 56 | 221 |
Bij het muizenonderzoek met braakballen worden jaarlijks inmiddels in circa 500 km-hokken braakballen verzameld. Dit is voldoende voor berekening van betrouwbare landelijke verspreidingstrends van twaalf soorten (spits)muizen: noordse woelmuis (HR II en IV), dwergmuis, waterspitsmuis, bosspitsmuis (spec.), dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, aardmuis, ondergrondse woelmuis, rosse woelmuis, bosmuis en grote bosmuis. Uit het muizenonderzoek met braakballen zijn ook betrouwbare provinciale verspreidingstrends beschikbaar. Voor noordse woelmuis zijn trends per Natura 2000‑gebied nog niet mogelijk. Provinciaal eDNA onderzoek kan hieraan een bijdrage leveren, maar valt (nog) niet onder het NEM. Wél is op basis van braakballen onderzoek een trend beschikbaar voor de gezamenlijke Natura 2000‑gebieden. In figuur 7.2.4. is het aantal bemonsterde km-hokken per jaar weergegeven. Het verkrijgen en verwerken van de braakballen kost veel tijd, waardoor van de meest recente jaren altijd beperkt gegevens beschikbaar zijn en de figuur voor die jaren geen goed beeld geeft van de uiteindelijk beschikbare data. De gegevens van 2022 zijn daarom ook nog niet gebruikt voor de trendberekening.
Voor otter en bever worden vooralsnog voldoende gegevens verzameld voor het bepalen van een betrouwbare landelijke verspreidingstrend. Landelijke aantalstrends zijn echter niet mogelijk en verspreidingstrends per gebied ook niet. Uitbreiding of aanpassing van dit onderzoek is nodig om dat mogelijk te maken. Het verkrijgen van gegevens van waterschappen is overigens niet altijd vanzelfsprekend en een blijvend punt van aandacht. Een ander punt van aandacht is het blijven doorgeven van otterwaarnemingen aan het otterportaal, ook als langere tijd geen otters of sporen worden gezien.
Voor bunzing en boommarter is in 2016 een meetprogramma gestart met cameravallen. Verwerking en determinatie van de grote aantallen foto’s die dit oplevert gebeurt grotendeels automatisch met het programma Agouti van de Wageningen Universiteit (WUR) en het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). Omdat dit vooralsnog gericht is op ‘witte vlekken’ in de verspreiding, draagt dit relatief weinig bij aan het aantal waarnemingen voor deze soorten op landelijke schaal. Voor verspreidingstrends leveren de waarnemingen vooralsnog te weinig bruikbare gegevens. Aantalstrends zijn ook nog niet mogelijk.
De voortgang van het in kaart brengen van de verspreidingsgebieden van de HR bijlage II, IV en V soorten op 10 x 10 km-hokniveau is weergegeven in tabel 7.2.5 en in de figuren in bijlage 2. Bever en hazelmuis zijn in alle hokken van het potentiële leefgebied weer aangetroffen. Ook boommarter, bunzing en otter zijn al in >80% van het potentieel verspreidingsgebed aangetroffen. Voor de noordse woelmuis blijft de aanwezigheid nog wat achter en is na vijf jaar de soort nog maar in 70% van het leefgebied aangetoond. Voor alle soorten lijkt dit voldoende om na zes jaar (ten behoeve van de eerstvolgende HR rapportage) een goed beeld van de verspreiding te krijgen.
Kwaliteit trends
Landelijke trends
Voor de meeste soorten die onder de NEM meetdoelen vallen, en tevens voor diverse andere soorten die qua veldwerk en/of methodiek meeliften, zijn goede landelijke trends beschikbaar. Voor de HR V soorten bunzing en boommarter is dat echter nog niet het geval. Met name het kunnen vaststellen van afwezigheid van deze soorten is een knelpunt. Er wordt al gewerkt aan het omvormen van het meetnet met cameravallen door meetpunten (ook) juist in het bekende verspreidingsgebied te situeren.
Natura 2000‑gebieden
Ondanks dat voor otter, bever en noordse woelmuis inmiddels respectievelijk 9, 18 en 22 Natura 2000‑gebieden zijn aangewezen, worden daarvoor (nog) geen trends per gebied of trends over de gezamenlijke Natura 2000‑gebieden berekend. Mogelijk kan het verbeteren hiervan worden aangepakt in het kader van het ‘Verbeterprogramma VHR monitoring’. Voor de noordse woelmuis kunnen met het braakballen onderzoek weliswaar trends voor de gezamenlijke Natura 2000‑gebieden worden berekend, maar niet per Natura 2000‑gebied. Het eDNA onderzoek van de provincies kan daaraan een belangrijke bijdrage leveren, maar trendberekening met deze gegevens is nog geen onderdeel van het NEM programma. Voor gebiedstrends op basis van het eDNA onderzoek is waarschijnlijk bovendien een verdichting van het aantal meetpunten en/of intensivering van de monitoring nodig. Ook voor bever en otter is intensiever onderzoek nodig om trends in Natura 2000‑gebieden te kunnen bepalen.
| jaren | Verspreidingsonderzoek muizen |
|---|---|
| '90 | 40 |
| '91 | 48 |
| '92 | 49 |
| '93 | 68 |
| '94 | 200 |
| '95 | 153 |
| '96 | 241 |
| '97 | 243 |
| '98 | 314 |
| '99 | 341 |
| '00 | 307 |
| '01 | 415 |
| '02 | 320 |
| '03 | 457 |
| '04 | 486 |
| '05 | 452 |
| '06 | 521 |
| '07 | 364 |
| '08 | 489 |
| '09 | 523 |
| '10 | 455 |
| '11 | 452 |
| '12 | 513 |
| '13 | 455 |
| '14 | 529 |
| '15 | 561 |
| '16 | 455 |
| '17 | 506 |
| '18 | 378 |
| '19 | 412 |
| '20 | 351 |
| '21 | 316 |
| '22 | 215 |
| '23 | 31 |
| Laatste 3 jaar nog niet volledig i.v.m. lange verwerkingstijd en nalevering | |
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 6 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Bever | 430 | 100 |
| Boommarter | 348 | 83 |
| Bunzing | 438 | 91 |
| Hazelmuis | 4 | 100 |
| Noordse woelmuis | 82 | 70 |
| Otter | 242 | 85 |
Aandachtspunten
- Onder het NEM brengen en zo nodig opstarten, opschalen of uitbreiden van de monitoring van HR soorten die nog niet onder het NEM vallen of onvoldoende gemonitord worden. Dit betreft in ieder geval onderzoek naar noordse woelmuis (eDNA onderzoek), hamster, wolf (LNV, BIJ12, provincies, ZV, CBS).
- Omvormen van cameravallen onderzoek voor bunzing en boommarter naar een meetnet voor trendbepaling van deze soorten (ZV, CBS).
- Uitbreiden van de monitoring van otter, bever en noordse woelmuis ten behoeve van trendbepaling in aangewezen Natura 2000‑gebieden (provincies, ZV, CBS).
- Zorgen voor de continuïteit van levering van otter- en bevergegevens door waterschappen en via het otterportaal (ZV, waterschappen).
- Nagaan of het bepalen van provinciale trends van de jachtsoorten haas en konijn als meetdoel van het NEM moet worden opgenomen en zoeken naar mogelijkheden om deze trends betrouwbaarder te kunnen berekenen (provincies, ZV, CBS).
- Voortzetting van de meldpunten voor exoten (BIJ12, provincies, ZV).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.
Informatie over bruinvistellingen: CBS.
Informatie over Zoogdiervereniging: Website Zoogdiervereniging.
Informatie over Sovon: Website Sovon.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.



7.3Broedvogels en ANLb wintervogels
Algemeen
Op grond van de Europese Vogelrichtlijn geldt een beschermde status voor alle van nature in Nederland voorkomende broedvogels en is informatie nodig over de populatiegrootte, trends en verspreiding van deze soorten, zowel op landelijk niveau als op het niveau van Natura 2000‑gebieden. Ook op grond van andere verdragen en regelgeving is informatie nodig over inheemse broedvogels en daarnaast ook over het voorkomen van invasieve exotische vogelsoorten die vermeld staan op de ‘Unielijst’.
De populatiegrootte en de trends van de broedvogels worden gevolgd via diverse deelprogramma’s voor aantalsmonitoring in het NEM. Het NEM voorziet niet in afzonderlijk verspreidingsonderzoek voor broedvogels en er wordt ook niet actief gestuurd op het verkrijgen van verspreidingsinformatie. Daar staat tegenover dat het meetprogramma voor aantalsmonitoring al een goed beeld van de verspreiding oplevert (zie Links). Dit beeld wordt bovendien aangevuld door de in 2018 verschenen Vogelatlas en het daarop aansluitende LiveAtlas werk.
In dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op de wintertellingen van enkele soorten niet-broedvogels waarvan de informatie gebruikt wordt ter beoordeling van de effectiviteit van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb).
Voor alle deelprogramma’s geldt:
Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.
Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS, Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS WVL), provincies, terreinbeherende organisaties.
Opdrachtgevers: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), provincies.
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten | |
| Trilateral Monitoring and Assessment Program: trends van vogels in het Waddengebied | |
| Farmland Bird Index: landelijke trends van boerenlandvogels | |
| OSPAR Commission: landelijke trends | |
| Aviaire Influenza: landelijke trend en verspreiding | |
| EU Kaderrichtlijn Mariene Strategie: landelijke trends | |
| Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijke trends | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000‑gebieden en per biotoop | |
| Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Verspreiding van invasieve exoten | |
| Graadmeters Natuurnetwerk Nederland: provinciale trends | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Ramsar (wetlands): trends per Ramsar gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Schadesoorten: landelijke trends | |
| Biodiversiteit van het agrarisch gebied: landelijke trends | |
| Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
| Stadsnatuur: landelijke trends | |
Soorten
Aangezien alle van nature in Nederland voorkomende broedvogels beschermd zijn en er over al deze soorten informatie nodig is, zijn ze ook allemaal opgenomen in het meetprogramma broedvogels. Naast deze inheemse soorten zijn bovendien enkele exoten opgenomen. Op de ‘Unielijst’ van te volgen en eventueel te bestrijden exoten staan zes vogelsoorten: heilige ibis, huiskraai, nijlgans, roodbuikbuulbuul, rosse stekelstaart en treurmaina. Extra inspanning voor het volgen van deze soorten is maar beperkt, omdat de monitoring van deze soorten, voor zover aanwezig, grotendeels meelift binnen de projecten voor de overige soorten.
Gegevens
Gegevensinwinning
Projecten
Broedvogels worden geïnventariseerd in diverse projecten voor aantalsmonitoring, onder de overkoepelende naam Meetnet Broedvogels. Onder deze naam is oorspronkelijk gestart met tellingen van de algemene en schaarse broedvogels (BMP), niet veel later gevolgd door tellingen van zeldzame broedvogels (Z) en kolonievogels (KOL). Voor algemene en schaarse soorten betreffen de tellingen een steekproef van de populaties. Bij de zeldzame soorten en kolonievogels wordt zoveel mogelijk gestreefd naar integrale tellingen.
Onder het BMP vallen ook enkele meer gespecialiseerde projecten gericht op bijzondere soorten en/of habitats, zoals voor boerenlandvogels (MAS), stadsvogels (MUS) en kustbroedvogels. Elk (deel) project heeft zijn eigen meetprotocol en er zijn ook verschillende analyseprotocollen. Veelal worden (territoria van) broedparen in kaart gebracht, maar bijvoorbeeld bij de stadsvogeltellingen met het MUS protocol, gaat het om tellingen van individuen en bij veel kolonievogels om bezette nesten.
Veldwerkhandleidingen en een onderzoeksbeschrijving zijn te vinden op de NEM website en de Sovon website (zie onder Links).
Broedvogels worden in de meeste gevallen geïnventariseerd door vrijwilligers, maar bij de provinciale boerenlandvogeltellingen, de tellingen van kustbroedvogels in het Wadden- en Deltagebied en tellingen in de zoete en zoute Rijkswateren worden ook beroepskrachten ingeschakeld. Rijk en provincies hebben een ruilovereenkomst m.b.t. de gegevens. Onderdeel daarvan is een loketfunctie op de website van Sovon om provinciale vogelinformatie beschikbaar te stellen (zie Links). Op deze website worden trend-, aantals- en verspreidingsgegevens gepresenteerd op landelijk, provinciaal en gebiedsniveau.
Voor het beoordelen van de effectiviteit van het in 2016 ingevoerde Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) zijn 61 vogelsoorten geselecteerd waarvan de trends in beheerd agrarisch gebied vergeleken kunnen worden met trends in niet-beheerd agrarisch gebied. Binnen het agrarisch gebied is daarbij ook onderscheid gemaakt naar de leefgebieden open akkerland, open grasland, natte en droge dooradering, waarbij voor iedere soort gestreefd wordt naar voldoende meetpunten in de voor die soort relevante gebieden in zowel beheerd als niet beheerd referentiegebied. Het grootste deel van deze soorten wordt al gevolgd via broedvogeltellingen en watervogeltellingen. Met deze telmethode worden in de laatste twee weken van december vogels geteld in vaste routes met twintig telpunten.
Vrijwel alle telgegevens worden via internetportals of apps ingevoerd. De basis daarvoor is het programma Avimap, dat in verschillende varianten voor de diverse vogeltellingen beschikbaar is.
Gegevensverwerking
Voor elk van de deelprojecten en soorten is op grond van de beschikbaarheid van data een startjaar gekozen vanaf wanneer trendberekening plaats kan vinden. Op basis van de tellingen worden voor de meeste broedvogels standaard trends berekend vanaf 1990. Voor veel soorten geldt echter dat ook bruikbare gegevens beschikbaar zijn van vóór 1990. Voor die soorten worden ook aanvullende trends berekend over langere tijdreeksen, in sommige gevallen al vanaf 1980.
Bij de verwerking van de gegevens wordt gecontroleerd op uitbijters, op consistentie en volledigheid van de gegevens en op betrouwbaarheid en mogelijke vertekening van de berekende trends. Eventuele vertekening door over- of onderbemonstering van bepaalde gebieden wordt in veel gevallen gecorrigeerd door middel van stratificatie en weging. In vrijwel alle gevallen betreft dat een weging op het niveau van fysisch geografische regio’s en daarbinnen soms ook naar biotoop. Bij soorten die vrijwel integraal gevolgd worden, vindt soms nog wel stratificatie plaats omdat dat betere schattingen van missende telwaarden oplevert, maar is weging niet nodig. Aantalsgegevens worden jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort berekend worden met het TRIM model in het R package rtrim. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving, op de website van het CBS (Statline) en op de website van Sovon (zie Links).
Dankzij de intensieve monitoring kunnen naast betrouwbare landelijke resultaten (zie tabel 7.3.2) voor veel vogelsoorten ook op een lager niveau betrouwbare trends en indexen worden bepaald, onder meer op het niveau van provincies, hoofdwatersystemen en gezamenlijke en afzonderlijke Natura 2000‑gebieden.
De kwaliteit van de resultaten is in de meeste gevallen beoordeeld op grond van de teldekking en de statistische betrouwbaarheid van de berekende trendresultaten. In het geval van zeer zeldzame, incidentele of verdwenen soorten (bijvoorbeeld brilduiker en zwarte wouw) zijn te weinig gegevens beschikbaar voor betrouwbare trendberekening met rtrim. De kwaliteit van de trend in Nederland wordt in die gevallen beoordeeld op basis van een inschatting van de kans dat de betreffende soort wordt gevonden wanneer deze aanwezig is.
Voor Natura 2000‑gebieden worden door Sovon ook aantallen bepaald, waarbij het streven is om minimaal eens per drie jaar een aantalsopgave beschikbaar te stellen. Het protocol daarvoor is in overleg met het CBS tot stand gekomen, maar beoordeling van de resultaten maakt geen deel uit van deze rapportage.
| Kwaliteit trend | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Soort1)2) | Beleidsstatus3) | Kwaliteit trend NL4) | Waddenzee (TMAP) | boerenlandvogels (FBI) | Opmerkingen |
| Aalscholver (k) | VR I, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Appelvink | VR, TYP | goed | |||
| Baardman | VR | goed | |||
| Bergeend | VR, TMAP, Ai, TYP | goed | goed | ||
| Blauwborst | VR I, TYP | goed | |||
| Blauwe kiekendief | VR I, TMAP | goed | goed | ||
| Blauwe reiger (k) | VR, Ai | goed | |||
| Boerenzwaluw | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Bontbekplevier | VR I, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Bonte strandloper | VR, TMAP, Ai | goed | incidenteel in NL | ||
| Bonte vliegenvanger | VR | goed | |||
| Boomklever | VR, TYP | goed | |||
| Boomkruiper | VR | goed | |||
| Boomleeuwerik | VR I, TYP | goed | |||
| Boompieper | VR, ANLb | goed | |||
| Boomvalk | VR | goed | |||
| Bosrietzanger | VR, TYP | goed | |||
| Bosuil | VR, TYP | goed | |||
| Braamsluiper | VR, ANLb | goed | |||
| Brandgans | VR, TMAP, Ai, S | goed | goed | ||
| Brilduiker | VR, Ai | goed | |||
| Bruine kiekendief | VR I | goed | |||
| Buidelmees | VR | goed | |||
| Buizerd | VR | goed | |||
| Bijeneter | VR | goed | |||
| Canadese gans | Ai, S | goed | |||
| Cetti’s Zanger | VR | goed | |||
| Dodaars | VR I, TYP, Ai | goed | |||
| Draaihals | VR I | goed | |||
| Duinpieper | VR I, TYP | goed | verdwenen uit NL | ||
| Dwergmeeuw | VR, TMAP | goed | incidenteel in NL | ||
| Dwergstern (k) | VR I, TMAP | goed | goed | ||
| Eider | VR I, TMAP, TYP | goed | goed | ||
| Ekster | VR, S | goed | |||
| Europese kanarie | VR | goed | |||
| Fazant | Exoot, S | goed | |||
| Fitis | VR | goed | |||
| Fluiter | VR, TYP | goed | |||
| Fuut | VR, Ai | goed | |||
| Gaai | VR | goed | |||
| Geelgors | VR, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | ||
| Gekraagde roodstaart | VR, ANLb | goed | |||
| Gele kwikstaart | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Geoorde fuut | VR I, TYP, Ai | goed | |||
| Gierzwaluw | VR | goed | |||
| Glanskop | VR | goed | |||
| Goudhaan | VR | goed | |||
| Goudvink | VR, TYP | goed | |||
| Grasmus | VR, FBI | goed | goed | ||
| Graspieper | VR, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | ||
| Graszanger | VR | goed | |||
| Grauwe gans | VR, Ai, S | goed | |||
| Grauwe gors | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Grauwe kiekendief | VR I, ANLb | goed | goed | ||
| Grauwe klauwier | VR I, ANLb | goed | goed | ||
| Grauwe vliegenvanger | VR, ANLb | goed | |||
| Griel | VR | goed | verdwenen uit NL | ||
| Groene specht | VR, ANLb | goed | |||
| Groenling | VR, ANLb | goed | |||
| Grote bonte specht | VR, TYP | goed | |||
| Grote gele kwikstaart | VR | goed | |||
| Grote karekiet | VR I | goed | |||
| Grote Lijster | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Grote mantelmeeuw | VR, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Grote stern (k) | VR I, TMAP | goed | goed | ||
| Grote zilverreiger (k) | VR I, Ai | goed | |||
| Grutto | VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | goed | |
| Halsbandparkiet | Exoot | goed | |||
| Havik | VR | goed | |||
| Heggenmus | VR | goed | |||
| Heilige Ibis | Exoot | goed | |||
| Holenduif | VR, S | goed | |||
| Hop | VR | goed | incidenteel in NL | ||
| Houtduif | VR, S, ANLb | goed | |||
| Houtsnip | VR, TYP, Ai | goed | |||
| Huiskraai | Exoot | goed | |||
| Huismus | VR, S, ANLb | goed | |||
| Huiszwaluw (k) | VR, ANLb | goed | |||
| IJsvogel | VR I | goed | |||
| Kauw | VR, S | goed | |||
| Kemphaan | VR I, TMAP, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | goed | |
| Kerkuil | VR | goed | |||
| Kievit | VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | goed | |
| Klapekster | VR, TYP | goed | verdwenen uit NL | ||
| Kleine barmsijs | VR | goed | |||
| Kleine bonte specht | VR | goed | |||
| Kleine Karekiet | VR | goed | |||
| Kleine mantelmeeuw (k) | VR I, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Kleine plevier | VR, Ai | goed | |||
| Kleine zilverreiger (k) | VR, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Kleinst waterhoen | VR | goed | |||
| Kluut | VR I, TMAP, Ai, TYP | goed | goed | ||
| Kneu | VR, ANLb | goed | |||
| Knobbelzwaan | VR, Ai, S | goed | |||
| Koekoek | VR, ANLb | goed | |||
| Kokmeeuw (k) | VR, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Kolgans | VR, Ai, S | goed | |||
| Koolmees | VR | goed | |||
| Korhoen | VR I | goed | |||
| Kraanvogel | VR | goed | |||
| Krakeend | VR, Ai | goed | |||
| Kramsvogel | VR, ANLb | goed | |||
| Krooneend | VR, Ai | goed | |||
| Kruisbek | VR | goed | |||
| Kuifeend | VR, Ai | goed | |||
| Kuifleeuwerik | VR | goed | verdwenen uit NL | ||
| Kuifmees | VR | goed | |||
| Kwak | VR, TYP | goed | |||
| Kwartel | VR, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | ||
| Kwartelkoning | VR I, ANLb | goed | |||
| Lachstern | VR, TMAP | goed | Incidenteel in NL | ||
| Lepelaar (k) | VR I, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Matkop | VR, TYP | goed | |||
| Meerkoet | VR, Ai, S | goed | |||
| Merel | VR | goed | |||
| Middelste bonte specht | VR | goed | |||
| Middelste zaagbek | VR, TMAP | goed | goed | ||
| Nachtegaal | VR, TYP | goed | |||
| Nachtzwaluw | VR I | goed | |||
| Nijlgans | Ai, Exoot | goed | |||
| Nonnetje | VR I | goed | |||
| Noordse stern (k) | VR I, TMAP | goed | goed | ||
| Oehoe | VR | goed | |||
| Oeverloper | VR, Ai | goed | |||
| Oeverzwaluw (k) | VR I | goed | |||
| Ooievaar | VR, Ai | goed | |||
| Ortolaan | VR | goed | verdwenen uit NL | ||
| Paapje | VR I, TYP | goed | |||
| Patrijs | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Pijlstaart | VR, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Pimpelmees | VR | goed | |||
| Pontische meeuw | VR I | Goed | |||
| Porseleinhoen | VR I | goed | |||
| Purperreiger (k) | VR I, Ai, ANLb | goed | |||
| Putter | VR, FBI | goed | goed | ||
| Raaf | VR | goed | |||
| Ransuil | VR | goed | |||
| Rietgors | VR, ANLb | goed | |||
| Rietzanger | VR I | goed | |||
| Ringmus | VR, FBI, S, ANLb | goed | goed | ||
| Rode wouw | VR | goed | |||
| Roek (k) | VR, FBI, S, ANLb | goed | goed | ||
| Roerdomp | VR I, Ai | goed | |||
| Roodborst | VR | goed | |||
| Roodborsttapuit | VR I, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | ||
| Roodhalsfuut | VR | goed | |||
| Roodkopklauwier | VR | goed | verdwenen uit NL | ||
| Rosse stekelstaart | Exoot | goed | |||
| Ruigpootuil | VR | goed | incidenteel in NL | ||
| Scholekster | VR, TMAP, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | goed | |
| Sijs | VR | goed | |||
| Slechtvalk | VR | goed | |||
| Slobeend | VR, FBI, Ai, ANLb | goed | goed | ||
| Smient | VR, TMAP, Ai, S | goed | goed | ||
| Snor | VR I | goed | |||
| Soepeend | Exoot | goed | |||
| Soepgans | Exoot | goed | |||
| Sperwer | VR | goed | |||
| Spotvogel | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Spreeuw | VR, FBI, S, ANLb | goed | goed | ||
| Sprinkhaanzanger | VR, TYP | goed | |||
| Staartmees | VR | goed | |||
| Stadsduif | VR | goed | |||
| Steenloper | VR, TMAP | goed | incidenteel in NL | ||
| Steenuil | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Steltkluut | VR | goed | |||
| Stormmeeuw (k) | VR, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Strandplevier | VR I, TMAP, TYP | goed | goed | ||
| Tafeleend | VR, Ai | goed | |||
| Tapuit | VR I, TYP | goed | |||
| Tjiftjaf | VR | goed | |||
| Torenvalk | VR, FBI, ANLb | goed | goed | ||
| Treurmaina | Exoot | goed | |||
| Tuinfluiter | VR, ANLb | goed | |||
| Tureluur | VR, TMAP, Ai, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | goed | |
| Turkse tortel | VR | goed | |||
| Veldleeuwerik | VR, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | ||
| Velduil | VR I, TMAP, TYP, ANLb | goed | goed | ||
| Vink | VR | goed | |||
| Visarend | VR I | goed | |||
| Visdief (k) | VR I, TMAP, Ai, ANLb | goed | goed | ||
| Vuurgoudhaan | VR | goed | |||
| Waterhoen | VR, Ai, ANLb | goed | |||
| Waterral | VR, Ai | goed | |||
| Watersnip | VR I, TMAP, Ai, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | goed | |
| Wespendief | VR I, TYP | goed | |||
| Wielewaal | VR, TYP, ANLb | goed | |||
| Wilde eend | VR, Ai, S | goed | |||
| Wilde zwaan | VR, Ai | goed | |||
| Winterkoning | VR | goed | |||
| Wintertaling | VR, TYP, Ai, ANLb | goed | |||
| Witte kwikstaart | VR, ANLb | goed | |||
| Witwangstern | VR I | goed | |||
| Woudaap | VR I | goed | |||
| Wulp | VR, TMAP, Ai, FBI, TYP, ANLb | goed | goed | goed | |
| Zanglijster | VR | goed | |||
| Zeearend | VR | goed | |||
| Zilvermeeuw (k) | VR, TMAP, Ai | goed | goed | ||
| Zomertaling | VR, Ai, ANLb | goed | |||
| Zomertortel | VR, FBI | goed | goed | ||
| Zwarte kraai | VR, S | goed | |||
| Zwarte mees | VR | goed | |||
| Zwarte roodstaart | VR | goed | |||
| Zwarte specht | VR I, TYP | goed | |||
| Zwarte stern (k) | VR I, TYP, Ai, ANLb | goed | |||
| Zwarte wouw | VR | goed | |||
| Zwartkop | VR | goed | |||
| Zwartkopmeeuw (k) | VR I, TMAP, Ai | goed | goed | ||
1)(k): Kolonievogel.
2)VR: Vogelrichtlijnsoort (alle inheemse vogelsoorten volgens art 1–3 VR); VR I: soorten waarvoor op basis van bijlage I van de Vogelrichtlijn in één of meerdere Natura 2000‑gebieden instandhoudingsdoelen worden geformuleerd; TMAP: Trilateral Monitoring and Assessment Program; FBI: Farmland Bird Index; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; Exoot: (invasieve) exoten; S: Schadesoorten (vastgesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur); ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.
3)Kwaliteit van trends voor meetdoel aviaire influenza is gelijk aan kwaliteit trends NL en daarom niet apart benoemd.
4)Enkele voor ANLb geselecteerde PTT soorten ontbreken in deze lijst, omdat deze niet broeden in Nederland.
| jaren | Agrarisch gebied | Stedelijk gebied | Overig |
|---|---|---|---|
| '90 | 579 | 41 | 509 |
| '91 | 454 | 61 | 497 |
| '92 | 640 | 68 | 578 |
| '93 | 575 | 64 | 598 |
| '94 | 774 | 62 | 612 |
| '95 | 731 | 51 | 651 |
| '96 | 859 | 49 | 742 |
| '97 | 851 | 49 | 732 |
| '98 | 1166 | 58 | 847 |
| '99 | 1056 | 77 | 827 |
| '00 | 1207 | 71 | 860 |
| '01 | 693 | 74 | 668 |
| '02 | 1300 | 74 | 877 |
| '03 | 1145 | 72 | 826 |
| '04 | 1303 | 87 | 923 |
| '05 | 1213 | 92 | 900 |
| '06 | 1639 | 91 | 905 |
| '07 | 1090 | 482 | 842 |
| '08 | 1008 | 542 | 837 |
| '09 | 1674 | 540 | 841 |
| '10 | 959 | 625 | 878 |
| '11 | 1230 | 668 | 973 |
| '12 | 1772 | 691 | 1073 |
| '13 | 2115 | 696 | 1022 |
| '14 | 1802 | 793 | 1012 |
| '15 | 1805 | 720 | 1139 |
| '16 | 2263 | 751 | 1203 |
| '17 | 2351 | 763 | 1170 |
| '18 | 2373 | 781 | 1239 |
| '19 | 2484 | 799 | 1118 |
| '20 | 2563 | 840 | 1177 |
| '21 | 2890 | 900 | 1226 |
| '22 | 2799 | 893 | 1139 |
| Jaren | Aantal transecten |
|---|---|
| '80 | 151 |
| '81 | 143 |
| '82 | 164 |
| '83 | 331 |
| '84 | 419 |
| '85 | 379 |
| '86 | 383 |
| '87 | 417 |
| '88 | 405 |
| '89 | 383 |
| '90 | 352 |
| '91 | 359 |
| '92 | 342 |
| '93 | 299 |
| '94 | 321 |
| '95 | 348 |
| '96 | 368 |
| '97 | 408 |
| '98 | 421 |
| '99 | 436 |
| '00 | 407 |
| '01 | 399 |
| '02 | 410 |
| '03 | 419 |
| '04 | 441 |
| '05 | 450 |
| '06 | 429 |
| '07 | 436 |
| '08 | 435 |
| '09 | 416 |
| '10 | 382 |
| '11 | 457 |
| '12 | 449 |
| '13 | 450 |
| '14 | 443 |
| '15 | 472 |
| '16 | 575 |
| '17 | 591 |
| '18 | 610 |
| '19 | 653 |
| '20 | 675 |
| '21 | 675 |
| '22 | 638 |
Natura 2000‑gebieden en zoete Rijkswateren
Voor 45 soorten broedvogels zijn Natura 2000‑gebieden aangewezen waar deze soorten speciale bescherming genieten. In totaal levert dit 374 soort-gebiedscombinaties waarvoor informatie over trends en populatiegrootte gewenst is. Het beoordelen van de teldekking in Natura 2000‑gebieden gebeurt primair op basis van de mate waarin in de laatste drie jaren de telgebieden zijn geïnventariseerd waarin de soort in de afgelopen twaalf jaar is aangetroffen. In het oordeel wordt tevens rekening gehouden met de relatieve aantallen van de soort in de recent getelde meetpunten binnen de gebieden: meetpunten met veel individuen tellen zwaarder mee. Alleen wanneer die informatie geen uitsluitsel geeft, wordt met aanvullende expert kennis over de situatie ter plaatse een eindoordeel gegeven. Deze systematiek wordt ook gehanteerd voor het beoordelen van de teldekking van een aantal indicatieve soorten van de zoete Rijkswateren. Het gaat hier om 288 combinaties van 63 indicatieve soorten in vijf onderscheiden hoofdwatersystemen.
| Aantal VR soorten2) | Aantal VR soorten niet goed3) | Specificatie soorten niet goed | |
|---|---|---|---|
| Natura 2000‑gebied1) | |||
| Alde Feanen | 9 | ||
| Bargerveen | 10 | ||
| Biesbosch | 8 | ||
| Boezems Kinderdijk | 4 | ||
| Brabantse Wal | 6 | 4 | boomleeuwerik, dodaars, wespendief, zwarte specht |
| De Wieden | 13 | ||
| Deelen | 5 | ||
| Deurnsche peel & Mariapeel | 4 | 1 | nachtzwaluw |
| Drents-Friese Wold & Leggelderveld | 9 | ||
| Duinen Ameland | 9 | 1 | eider |
| Duinen en Lage Land Texel | 12 | 2 | kleine mantelmeeuw, roodborsttapuit |
| Duinen Goeree & Kwade Hoek | 1 | ||
| Duinen Schiermonnikoog | 7 | ||
| Duinen Terschelling | 10 | 2 | bruine kiekendief, tapuit |
| Duinen Vlieland | 8 | ||
| Dwingelderveld | 7 | ||
| Eemmeer en Gooimeer zuidoever | 1 | ||
| Eilandspolder | 1 | ||
| Engbertsdijksvenen | 1 | ||
| Fochteloerveen | 4 | ||
| Grevelingen | 7 | 1 | bruine kiekendief |
| Groote Peel | 5 | ||
| Groote Wielen | 3 | ||
| Haringvliet | 10 | ||
| Hollands diep | 2 | ||
| IJsselmeer | 10 | 3 | bruine kiekendief, rietzanger, snor |
| Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | 7 | 1 | bruine kiekendief |
| Kampina & Oisterwijkse Vennen | 2 | ||
| Ketelmeer & Vossemeer | 3 | 1 | porseleinhoen |
| Krammer-Volkerak | 8 | 1 | bruine kiekendief |
| Lauwersmeer | 13 | ||
| Leekstermeergebied | 3 | ||
| Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux | 3 | 1 | boomleeuwerik |
| Lepelaarplassen | 2 | ||
| Maasduinen | 8 | 1 | nachtzwaluw |
| Markermeer en IJmeer | 2 | ||
| Markiezaat | 5 | ||
| Meinweg | 3 | 3 | boomleeuwerik, nachtzwaluw, roodborsttapuit |
| Naardermeer | 5 | ||
| Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | 6 | ||
| Noordzeekustzone | 3 | ||
| Oostelijke Vechtplassen | 9 | ||
| Oosterschelde | 8 | 1 | bruine kiekendief |
| Oostvaardersplassen | 14 | 4 | blauwborst, dodaars, rietzanger, snor |
| Oudegaasterbrekken, Fluessen e. o. | 1 | ||
| Rijntakken | 12 | ||
| Sallandse Heuvelrug | 3 | 1 | roodborsttapuit |
| Sneekermeergebied | 4 | ||
| Strabrechtse Heide & Beuven | 2 | ||
| Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | 5 | ||
| Van Oordt’s Mersken | 2 | ||
| Veerse Meer | 3 | ||
| Veluwe | 10 | ||
| Veluwerandmeren | 2 | ||
| Voornes Duin | 4 | ||
| Waddenzee | 13 | ||
| Weerribben | 8 | 3 | rietzanger, snor, watersnip |
| Weerter- en budelerbergen & Ringselven | 3 | 3 | boomleeuwerik, nachtzwaluw, roodborsttapuit |
| Westerschelde & Saeftinghe | 9 | ||
| Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | 3 | 1 | roerdomp |
| Zoommeer | 4 | ||
| Zouweboezem | 3 | ||
| Zuidlaardermeergebied | 3 | ||
| Zwanenwater & Pettemerduinen | 4 | ||
| Zwarte Meer | 6 |
1)De begrenzing van de gemonitorde gebieden valt niet altijd volledig samen met de begrenzing van de Natura 2000‑gebieden.
2)Aantal kwalificerende VR soorten per gebied.
3)Met het oog op trends per VR gebied: gebaseerd op volledigheid van beschikbare tellingen in de laatste 3 jaar en expert judgement.
Voortgang 2023
Broedvogels – landelijk
De landelijke teldekking voor broedvogels is onverminderd groot en neemt over het algemeen nog steeds toe. Evenals in voorgaande jaren is de datavoorziening voor broedvogels dus goed en kunnen voor alle soorten betrouwbare landelijke trends worden bepaald, evenals vele trends op een lager schaalniveau.
In totaal zijn voor de verschillende BMP deelprojecten in de loop der jaren ongeveer 14 600 meetpunten onderzocht, verdeeld over de verschillende deelprojecten voor verschillende doeleinden en in verschillende biotopen. In de laatste jaren werd steeds ongeveer 35% van deze meetpunten geteld (zie figuur 7.3.3). Bij de zeldzame soorten zijn telgegevens beschikbaar van bijna 6 000 locaties, waarvan de laatste jaren steeds ongeveer 45% werd geteld. Voor kolonievogels zijn telgegevens beschikbaar van ongeveer 16 500 kolonies/meetpunten, waarvan in de laatste jaren ongeveer 75% is geteld. Het aantal kolonies per soort is min of meer stabiel en omvat vrijwel alle kolonies van de betreffende soorten.
In 2023 is aanzienlijke tijdwinst geboekt in de totstandkoming van de resultaten. In de eerste plaats heeft Sovon, mede dankzij verbeteringen in de invoerapps en controles, een vervroegde datalevering mogelijk gemaakt, waardoor de data ruim drie maanden eerder aan het CBS konden worden geleverd. Maar daarnaast zijn resultaten ook eerder beschikbaar door aanpassingen in de automatisering bij het CBS. Resultaten zijn daardoor in het vroege voorjaar (ca. 1 april) na het laatste teljaar al beschikbaar. Deze vervroeging had o.a. tot gevolg dat de afzonderlijke vervroegde trendberekeningen voor de boerenlandvogels van Fryslân (ten behoeve van de eierraap-vergunningen) niet meer nodig waren. Deze berekeningen liften nu weer mee met de reguliere trendberekeningen.
Broedvogels – gebieden
Aangewezen broedvogelsoorten in de Natura 2000‑gebieden worden in verreweg de meeste gevallen goed geteld. Slechts 35 (9%) van de 374 soort-gebiedscombinaties werden in de laatste drie jaar onvoldoende geteld. Dit zijn drie combinaties meer dan vorig jaar en evenveel als in 2021, waarmee het aantal de laatste jaren stabiel blijft op een laag niveau. In de lijst van soorten die onvoldoende geteld worden is wel enige verschuiving te zien, maar een groot deel van de huidige knelpunten was ook in eerdere jaren al een knelpunt.
Ook bij de indicatieve soorten van de zoete Rijkswateren is de teldekking over het algemeen goed. Slechts voor 13 van de 288 soort-gebiedscombinaties was de teldekking een knelpunt. Een groot deel van deze knelpunten betrof de teldekking van moerasvogels in het IJsselmeergebied, waarbij met name van de Friese IJsselmeerkust weinig gegevens binnenkomen.
De berekening van trends van stadsvogels heeft tot nu toe via een afzonderlijke MUS datalevering plaats gevonden, omdat niet alle soorten in de reguliere BMP datalevering zitten. Aanpassing in de automatisering is nog nodig om ook deze soorten in de reguliere BMP datastroom mee te kunnen nemen.
Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb)
Voor ANLb gebieden en referentiegebieden is opnieuw met BMP data getoetst of de trends in deze gebieden van elkaar verschillen. Dat is gedaan voor 38 verschillende soorten broedvogels. Hiervoor zijn gegevens gebruikt van de periode 2016–2022. Voor slechts drie soorten (grutto, kievit en spreeuw) kon worden aangetoond dat de trend positiever is bij ANLb meetpunten in vergelijking met de referentiegebieden. De resultaten verschillen enigszins, afhankelijk van de gebruikte statistische testmethode en uitgangspunten voor het ANLb meetnet (ongewijzigd beheer gedurende de analyseperiode of maximaal eenmaal gewijzigd beheer).
De basis voor deze statistisch significante resultaten lijkt nog steeds smal: weinig plots en een korte tijdreeks, zodat toeval waarschijnlijk nog een aanzienlijke rol speelt. Er zijn daarom aanbevelingen gedaan om met BMP data een betere basis te krijgen voor de ANLb beleidsmonitoring. Enkele daarvan zijn:
- Het jaarlijks tellen van meer ANLb meetpunten.
- Meer stabiliteit in het ANLb beheer van jaar tot jaar.
- Een meer zuivere toewijzing van locaties aan een type beheer.
Ook van opsplitsing van de relatief grote en moeilijk aan ANLb of referentiegebied toe te delen BMP meetpunten en/of het mee-modelleren van het aandeel ANLb in de meetlocaties wordt verwacht dat dit kan bijdragen aan het gemakkelijker aantonen van verschillen.
In het PTT meetnet zijn telgegevens beschikbaar van circa 1 200 routes met elk twintig afzonderlijke meetpunten. De laatste jaren werd ongeveer 50% van deze routes geteld (zie figuur 7.3.4). Het aantal getelde routes is duidelijk gegroeid sinds het PTT ten behoeve van de berekening van de effectiviteit van Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) in het NEM is opgenomen. Er zijn overigens indicaties dat de leeftijd van de waarnemers van invloed kan zijn op de monitoring.
Powerberekeningen met data van de PTT wintertellingen uit ANLb gebieden en de huidige selectie van elf ANLb doelsoorten (blauwe kiekendief, geelgors, goudplevier, grauwe gors, keep, koperwiek, kramsvogel, roek, ruigpootbuizerd, veldleeuwerik, velduil) geven aan dat PTT data voor deze soorten over een periode van zes jaar niet bruikbaar zijn voor het aantonen van effecten van het agrarisch natuurbeheer. Voor deze analyse zijn in de eerste plaats PTT data op telpuntniveau gebruikt, omdat ANLb beheer niet op routeniveau valt toe te wijzen. De grauwe gors, de ruigpootbuizerd en de velduil kwamen te weinig voor in de data om trends te kunnen bepalen. Voor de overige soorten was de conclusie dat een sterke verhoging van het aantal geschikte telpunten in agrarisch gebied nodig is om betrouwbare trends te berekenen. Bij een langere tijdreeks (twaalf jaar) is het benodigd aantal telpunten weliswaar veel lager, maar voor zes van de negen soorten nog steeds onvoldoende. Deze berekeningen lijken te bevestigen dat soorten die in groepen rondtrekken moeilijk te volgen zijn met punttellingen (van Strien et al. 1994). Met name voor niet in de ANLb selectie zittende, meer algemene en verspreid voorkomende soorten als koolmees en merel, is het benodigde aantal telpunten waarschijnlijk wél haalbaar. De vraag is echter of het selecteren van dergelijke soorten zinvol is ter beoordeling van het effect van agrarisch natuurbeheer. Dit kan onderdeel uitmaken van de evaluatie van de effectiviteit van het ANLb door de Wageningen Environmental Research (WEnR).
Exoten
Van de zes invasieve vogelsoorten van de Unielijst komen alleen nijlgans en rosse stekelstaart als recente broedvogel in Nederland voor. Beide worden met het huidige meetprogramma goed gevolgd. Naast deze soorten van de Unielijst, worden ook diverse andere vogelexoten gevolgd (zie tabel 7.3.2).
Aandachtspunten
- Meenemen van MUS stadsvogeldata van alle beschikbare soorten in de BMP datalevering en trendberekening (Sovon en CBS).
- Bijdragen aan de evaluatie van het systeem van Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer ANLb (CBS, Sovon, WEnR).
- Beoordelen van het nut van nog langer gebruiken van PTT data, met name of dit met een robuustere selectie van soorten mogelijk is (Sovon, BIJ12).
- Onderzoek naar mogelijke vertekening van PTT trends door met name (een toename van) de leeftijd van de waarnemers. Met name gericht op soorten uit de robuustere selectie van PTT soorten en bij voortzetting van het onderzoek naar effecten van ANLb met PTT data (CBS, Sovon).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving, CBS-Statline en Sovon.
Resultaten toetsing Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: Website CBS.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM; Website SOVON/PTT.
Informatie over Sovon: Website Sovon.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.




7.4Nestkaarten
Algemeen
Het meetprogramma Nestkaarten levert informatie over het broedsucces van vogels en over het tijdstip van het broeden en de veranderingen daarin. Met gegevens over de reproductie zijn toekomstige veranderingen in de populatiegrootte al in een vroeg stadium te signaleren en kan daarop worden geanticipeerd in het beleid, met name voor wadvogels (in het kader van Trilateral Monitoring and Assesment Program TMAP) en boerenlandvogels (in het kader van Agrarisch Natuur-en Landschapsbeheer ANLb). Tevens zijn fenologische veranderingen onder invloed van bijvoorbeeld klimaatverandering te signaleren.
Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.
Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, Werkgroep Roofvogels Nederland, Steenuilen Overleg Nederland, CBS, Weidevogelwachten en LandschappenNL, Stichting Kerkuilenwerkgroep Nederland, Stichting Hirundo, Werkgroep NESTKAST, Werkgroep STORK, Gierzwaluwbescherming Nederland, e.a.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), provincies.
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijke trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Broedsucces boerenlandvogels en waddenvogels | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Biodiversiteit van het agrarisch gebied: landelijke trends | |
| Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
Soorten
In het meetprogramma Nestkaarten is vastgelegd dat voor 43 broedvogelsoorten nestgegevens worden verzameld. Deze soortselectie is gebaseerd op de inmiddels verouderde indicator over veranderingen in eerste eilegdatum en dient te worden aangepast wanneer de indicator vernieuwd wordt begin 2024. Tevens zal bij de selectie meer rekening moeten worden gehouden met de meetdoelen voor dit meetprogramma. Daarbij gaat het om het broedsucces van broedvogels uit het TMAP programma, het broedsucces van boerenlandvogels in relatie tot de Europese Farmland Bird Indicator (FBI) en het broedsucces van soorten waarvoor het Agrarisch Natuur-en Landschapsbeheer van belang is. Andere soorten waarvan in voldoende mate gegevens beschikbaar zijn, kunnen hierin meeliften.
Gegevens
Gegevensinwinning
De nestgegevens worden op (digitale) kaarten geregistreerd, vandaar de term ‘nestkaarten’. Het meetprogramma bestaat uit het jaarlijks verzamelen en analyseren van data over broedsucces en de eilegdatum. Per vogelsoort worden de lotgevallen van een aantal nesten tot het uitkomen van de eieren (bij nestvlieders) of uitvliegen van de jongen (bij nestblijvers) gevolgd gedurende het broedseizoen, zoals legselgrootte, eilegdatum en broedsucces. In het meetprogramma Nestkaarten wordt samengewerkt met een groot aantal organisaties die nestgegevens verzamelen.
Het meetprogramma is gestart in 1995, maar voor sommige soorten zijn ook eerdere gegevens beschikbaar; soms al vanaf de jaren zestig.
Data
Jaarlijks worden enkele tienduizenden nestkaarten ingevuld. Voor berekening van het broedsucces wordt gebruik gemaakt van de Mayfield methode en wordt de kwaliteit o.a. beoordeeld op basis van de statistische betrouwbaarheid van de berekende trend. Voor algemene soorten wordt gestreefd naar een steekproef van minimaal dertig nesten en nestkaarten per jaar, voor zeldzame soorten van minimaal vijftien en voor zeer zeldzame soorten is de minimale steekproef vijf nesten en nestkaarten per jaar, mits daarmee een substantieel deel van de nesten wordt gevolgd. Op basis van nieuwe berekeningen (zie Voortgang 2023) is de oude minimale grootte van de steekproef voor algemene soorten van zestig bijgesteld naar dertig. Er worden daarnaast wel nieuwe eisen gesteld, o.a. aan de verdeling van de nestkaartgegevens over de periode waarover wordt gerekend.
Gegevensverwerking
Jaarlijks worden door Sovon eilegdatum en broedsucces berekend van zeventig vogelsoorten. Deze worden per soort op de Sovon website gepubliceerd en ook door het CBS gebruikt voor enkele indicatoren over broedsucces en verschuivingen in de eilegdatum op het Compendium voor de Leefomgeving (CLO). Het broedsucces van boerenlandvogels kan worden gebaseerd op nestgegevens van elf van de veertien FBI soorten en het broedsucces van wadvogels op nestgegevens van negen van de vijftien wadvogels.
Voor de boerenlandvogels zijn er te weinig data beschikbaar over nestsucces van onbeschermde nesten, waardoor uitsluitend betrouwbare uitspraken gedaan kunnen worden over het nestsucces van het (substantiële) deel van de populatie waarvan de nesten wordt beschermd. Voor het bepalen van het effect van het agrarisch natuurbeheer (ANLb) zijn deze gegevens uiteraard nog steeds relevant.
| Soort | Beleidsstatus1) | Broedsucces boerenlandvogels2) | Broedsucces waddenvogels (TMAP)2) | Eilegdatum landelijk3) |
|---|---|---|---|---|
| Blauwe kiekendief | VR I, TMAP | . | slecht | |
| Boerenzwaluw | VR, FBI | goed | goed | |
| Bontbekplevier | VR I, TMAP, Ai | . | goed | |
| Bonte vliegenvanger | VR | goed | ||
| Boomklever | VR, TYP | goed | ||
| Boomvalk | VR | goed | ||
| Bruine kiekendief | VR I | goed | ||
| Buizerd | VR | goed | ||
| Eider | VR I, TMAP, TYP | matig | goed | |
| Gekraagde roodstaart | VR | goed | ||
| Gierzwaluw | VR | goed | ||
| Graspieper | VR, FBI, TYP | . | goed | |
| Grauwe klauwier | VR I | slecht | ||
| Grote Stern | VR I, TMAP | matig | slecht | |
| Grutto | VR, TMAP, FBI, Ai | goed | goed | |
| Havik | VR | goed | ||
| Kerkuil | VR, ANLb | goed | ||
| Kievit | VR, TMAP, FBI, Ai | goed | . | goed |
| Kleine karekiet | VR | slecht | ||
| Kleine Mantelmeeuw | VR I, TMAP, Ai | matig | goed | |
| Kleine plevier | VR, Ai | goed | ||
| Kluut | VR I, TMAP, Ai, TYP | matig | goed | |
| Kokmeeuw | VR, TMAP, Ai | goed | goed | |
| Koolmees | VR | goed | ||
| Lepelaar | VR I, TMAP, Ai | matig | slecht | |
| Merel | VR | goed | ||
| Noordse Stern | VR I, TMAP | matig | goed | |
| Ooievaar | VR, FBI, Ai | . | goed | |
| Pimpelmees | VR | goed | ||
| Ringmus | VR, FBI, S | goed | goed | |
| Scholekster | VR, TMAP, Ai, FBI | goed | matig | goed |
| Slobeend | VR, FBI, Ai | goed | goed | |
| Sperwer | VR | goed | ||
| Spreeuw | VR, FBI, S | goed | goed | |
| Steenuil | VR, FBI, ANLb | goed | goed | |
| Torenvalk | VR, FBI | goed | goed | |
| Tureluur | VR, TMAP, Ai, FBI, TYP | goed | . | goed |
| Veldleeuwerik | VR, FBI, TYP | . | goed | |
| Visdief | VR I, TMAP, Ai | . | goed | |
| Wespendief | VR I, TYP | goed | ||
| Wulp | VR, TMAP, Ai, FBI, TYP | goed | . | goed |
| Zilvermeeuw | VR, TMAP, Ai | goed | goed | |
| Zwarte stern | VR I, Ai, TYP | goed |
1)VR: Vogelrichtlijnsoort (alle inheemse vogelsoorten volgens art 1–3 VR); VR I: soorten waarvoor op basis van bijlage I van de Vogelrichtlijn in één of meerdere Natura 2000‑gebieden instandhoudingsdoelen worden geformuleerd; TMAP: Trilateral Monitoring and Assessment Program; FBI: Farmland Bird Index; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; Exoot: (invasieve) exoten; S: Schadesoorten (vastgesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur); ANLb: Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.
2)Meetdoel nog niet in te vullen.
3)Beoordeling aantal kaarten over de laatste 3 jaar (met het oog op het kunnen bepalen van landelijke trends). Goed: 30 of meer; matig: 15–30; slecht: minder dan 15 nestkaarten. Bij schaarse soorten is een lager aantalscriterium aangehouden.
Voortgang 2023
Over het broedseizoen 2022 kwamen in 2023 voor alle soorten samen ruim 50 000 nestkaarten beschikbaar, waarvan 49 000 voor de 43 doelsoorten. Dit is wat lager dan in 2021, maar er vindt altijd nalevering plaats, waardoor het aantal in de laatste jaren nog wat toe zal nemen. Vrijwel alle gegevens worden inmiddels digitaal ingezonden, waarbij automatische foutcontrole plaats vindt. Uitgaande van de gegevens van de laatste drie jaren, zijn van 38 doelsoorten (88%) voldoende nestkaarten verzameld. Van acht soorten zijn onvoldoende gegevens beschikbaar. Op basis van de ervaringen met berekening van trend en broedsucces, zijn de streefwaarden voor de minimale teldekking in de laatste drie jaren voor algemene soorten bijgesteld van zestig naar dertig nestkaarten en voor de zeer zeldzame soorten is het minimum opgehoogd van één naar vijf nestkaarten. Voor de beoordeling van de teldekking per soort heeft dat overigens weinig consequenties. Alleen de blauwe kiekendief krijgt hierdoor als oordeel slecht in plaats van matig. Voor 38 van de 43 soorten wordt de teldekking beoordeeld als goed. Ten opzichte van vorig jaar is de teldekking verbeterd en inmiddels goed bij bontbekplevier, kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw. Voor twee van de vijf slecht scorende soorten (grote stern en lepelaar) geldt overigens dat weliswaar te weinig gegevens op nestniveau worden ingezameld, maar dat in het Reproductiemeetnet Waddenzee aanvullende gegevens worden verzameld over het aantal uitgevlogen jongen in uitgerasterde enclosures binnen de kolonies.
In 2021 is een nieuwe indicator over het broedsucces van boerenlandvogels uitgebracht en zijn de resultaten van het broedsucces van wadvogels toegevoegd aan de al bestaande indicator over vogels in het Waddengebied. Update van deze indicatoren stond gepland voor eind 2023 en begin 2024, maar is vertraagd en eind 2023 nog niet gerealiseerd. Update staat echter nog wel voor de eerste helft van 2024 gepland. Voor boerenlandvogels kunnen trends in broedsucces goed worden bepaald op basis van de nestkaarten. Voor wadvogels zijn aanvullende gegevens nodig uit het Reproductiemeetnet Waddenzee en is berekening momenteel voor tien soorten mogelijk. Voor wadvogels kan het broedsucces worden afgezet tegen de waarde die minimaal nodig is om een stabiele populatie in stand te houden. Voor boerenlandvogels is dat niet mogelijk omdat met nestkaarten alleen nestsucces wordt bepaald, en de overleving van de kuikens ook van veel andere factoren afhangt.
Aan de herziening van de rekenmethode en soortselectie bij de CLO indicator over verschuivingen in de eilegdatum is in 2023 veel gedaan. Bij de soortselectie is uitgebreid gekeken naar welke criteria een rol dienen te spelen. Niet alleen het aantal nestkaartgegevens per soort per jaar is onder de loep genomen, maar ook de continuïteit van de aanlevering van gegevens door de jaren heen, de representativiteit van de nestlocaties en de mogelijke bias door data van vervolglegsels. Hoewel niet alle problemen voor alle soorten konden worden opgelost, staan gegevens van 32 soorten klaar om daarmee begin 2024 de vervangende indicator te publiceren.
Aandachtspunten
- Aanpassen van de soortselectie voor het meetnet aanpassen aan de gewijzigde meetdoelen en eisen (CBS, Sovon).
- Meer nestkaarten verkrijgen van te weinig bemonsterde soorten met speciale aandacht voor TMAP soorten en weidevogels (Sovon).
- Continuering van de samenwerking met soortgerichte werkgroepen en zorg dragen voor opname van hun gegevens in de databestanden (Sovon).
- Herberekening van trends van CLO indicatoren boerenland- en wadvogels (CBS).
- Herziening van de CLO indicator over verschuiving in de eilegdatum (CBS, Sovon).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en link naar handleiding Nestkaarten: Website Sovon/nestkaarten.
Informatie over Sovon: Website Sovon.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.
7.5Watervogels
Algemeen
In het meetprogramma voor watervogels worden doortrekkende en overwinterende watervogels gevolgd in alle belangrijke waterrijke gebieden, inclusief de Waddenzee en de Noordzee. Ganzen en zwanen worden daarnaast ook gevolgd in zogenaamde aanvullende ganzengebieden (plaatsen waar veel ganzen en zwanen foerageren, voornamelijk in agrarisch gebied). Op de Noordzee foeragerende vogels worden geteld vanuit vliegtuigen en vogels in de kustzone worden geteld vanaf trektelposten langs de kust. Er wordt niet gestuurd op het inwinnen van verspreidingsgegevens, maar door de uitgebreidheid van het meetprogramma ontstaat een goed beeld van de verspreiding van veel soorten.
Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.
Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS, Rijkswaterstaat (RWS), terreinbeheerders, provincies, Nederlandse Zeevogelgroep, Trektellen.nl, ecologische adviesbureaus.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS WVL).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends | |
| Trilateral Monitoring and Assessment Program: trends van vogels in het Waddengebied | |
| KRM/OSPAR Commission: landelijke trends | |
| Aviaire Influenza: landelijke trend en verspreiding | |
| EU Kaderrichtlijn Water: trends in zoete Rijkswateren | |
| Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000-gebieden en biotopen | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Invasieve exoten: landelijke trends | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Ramsar (wetlands): trends per Ramsar gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| African Eurasian Waterbird Agreement: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Schadesoorten: landelijke trends | |
| Biodiversiteit van het agrarisch gebied: landelijke trends | |
| Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
Soorten
Het meetprogramma streeft ernaar om alle beleidsrelevante soorten overwinterende en doortrekkende aan watergebonden vogels te volgen. Dit betreft:
- Soorten waarvoor op basis van de Vogelrichtlijn (VR) gebieden zijn aangewezen die een foerageerfunctie hebben voor de soort, omdat deze in bijlage I van de VR staan (aangegeven met VR I in tabel 7.5.2) of een regelmatig voorkomende trekvogel is (VR T);
- soorten van het Trilateral Monitoring and Assesment Program (TMAP) programma;
- de lijst met Agrarisch Natuur en -Landschapsbeheer (ANLb) doelsoorten;
- de lijst met soorten die mogelijk een rol spelen bij de insleep en verspreiding van aviaire influenza;
- de niet-broedvogels uit het OSPAR programma (Convention for the Protection of the Marine Environment of the North-East Atlantic of de ‘OSPAR Conventie’), en daarmee uit het Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) programma dat aansluit bij OSPAR).
Voor veel van de soorten kunnen betrouwbare trends worden berekend (zie tabel 7.5.2).
Gegevens
Gegevensinwinning
Niet-broedende watervogels zijn doorgaans erg mobiel omdat zij niet aan een nestlocatie gebonden zijn. Bij verslechterende omstandigheden verplaatsen zij zich snel naar andere gebieden. Hierdoor kunnen de aantallen in een gebied gedurende het seizoen en zelfs binnen enkele dagen sterk veranderen. Een andere factor die voor veel variatie in watervogelaantallen zorgt is het sterke clustergedrag van veel soorten (groepen van duizenden individuen zijn geen uitzondering). Ten slotte veroorzaakt het trekgedrag van veel watervogels sterke seizoenspatronen. Deze grote variatie in ruimte en tijd kan voor vertekeningen in de resultaten zorgen. In niet-mariene gebieden wordt de kans op dergelijke vertekeningen sterk verkleind door een opzet waarin alle belangrijke gebieden op vaste teldatums maandelijks gedurende het gehele jaar geteld worden. Voor veel soorten, met name de soorten die sterk geconcentreerd voorkomen in de belangrijkste wetlands, benaderen de tellingen daardoor een totaaltelling. Op de open Noordzee is dit niet haalbaar en wordt gebruik gemaakt van een steekproefsgewijze opzet.
Het meetprogramma beschikt voor veel soorten over gegevens vanaf seizoen 1975/1976 en bestaat uit de volgende onderdelen:
- Maandelijkse gebiedsdekkende tellingen van alle soorten watervogels in alle belangrijke waterrijke gebieden, waaronder de Rijkswateren en de Natura 2000-/Ramsargebieden. In totaal gaat het om 94 zogenaamde monitoringgebieden, waarvan er 68 in onder de Vogelrichtlijn aangewezen Natura 2000‑gebieden liggen (en meestal het hele Natura 2000‑gebied omvatten). De tellingen vinden in ieder geval plaats van september-april, en met name in de grote Rijkswateren ook in de zomermaanden. In het Waddengebied vindt elk jaar in vijf maanden (vier vaste en één jaarlijks wisselende maand) een gebiedsdekkende telling plaats en daarnaast zijn er maandelijkse tellingen in steekproefgebieden met vaste grenzen. Door een opzet met vaste, duidelijk begrensde telgebieden en vaste teldatums worden dubbeltellingen zoveel mogelijk voorkomen. Het veldwerk wordt overdag uitgevoerd, op het moment waarop watervogels zich veelal in de foerageergebieden ophouden. Langs de kust wordt geteld rond het tijdstip van hoogwater, wanneer de vogels zich verzamelen op de hoogste delen, de zogenaamde hoogwatervluchtplaatsen. Tijdens een telling worden alle watervogels geteld alsmede aan wetlands gebonden roof- en zangvogels. De veldwerkhandleiding en een onderzoeksbeschrijving zijn te vinden op de websites van Sovon en het NEM (zie Links). In een aantal gebieden worden de tellingen niet uitgevoerd door vrijwilligers van Sovon, maar door terreinbeheerders (met name van Rijkswaterstaat) of in een enkel geval door een provincie (Randmeren en Haringvliet, waar boottellingen worden uitgevoerd door respectievelijk de provincies Flevoland en Zuid-Holland). Vrijwel alle tellingen worden online of via de mobiele app ingevoerd op de watervogelportal van Sovon.
- Maandelijkse gebiedsdekkende tellingen (september-april + extra soortspecifieke maanden) van pleisterplaatsen van ganzen en zwanen in 84 zogenaamde aanvullende ganzengebieden. Samen met de 94 monitoringgebieden worden de ganzen en zwanen daarmee gevolgd in 178 gebieden. De teldatums in de aanvullende ganzengebieden vallen samen met de teldatums in de monitoringgebieden en staan beschreven in de gezamenlijke handleiding (zie boven).
- Midwintertelling in januari. Tijdens deze telling worden zoveel mogelijk wateren (naast de maandelijks getelde gebieden) in heel Nederland geteld ten behoeve van de International Waterbird Census. Ganzen en zwanentellers wordt gevraagd om tijdens deze telling in hun gebied alle watervogels te tellen.
- Tellingen van eider en zwarte zee-eend langs de Noordzeekust en in de Waddenzee. Twee keer per jaar (november en januari) worden deze soorten vanuit een vliegtuig geteld, in de vier zogenaamde zee-eendgebieden.
- Tellingen van het open water van het IJsselmeer door Rijkswaterstaat vanuit een vliegtuig. Deze tellingen worden maandelijks volgens een vaste vliegroute uitgevoerd, maar zijn niet gebiedsdekkend.
- Enkele soorten die niet goed met de tellingen van monitoringgebieden gevolgd kunnen worden (grutto, kemphaan, kraanvogel, reuzenstern, zwarte stern), worden geheel of gedeeltelijk geteld op slaapplaatsen (zie hoofdstuk 7.6).
- Een aantal zeevogelsoorten wordt door vrijwilligers geteld op trektelposten langs de kust. Er vindt geen sturing plaats op de tijdstippen en telposten waar geteld moet worden, maar de teldekking is hoog en de registratie van tellingen en telomstandigheden is sterk gestandaardiseerd. De telgegevens worden via Trektellen.nl geleverd aan Sovon.
- Tellingen van zeevogels op de Noordzee (kustzone en Nederlands Continentaal Plat NCP) vanuit een vliegtuig door een ecologisch adviesbureau in opdracht van Rijkswaterstaat. Zowel de kustzone als de open zee worden zes keer per jaar geteld, in de maanden augustus, november, januari, februari, april en juni. Er wordt een vaste vliegroute gevolgd over het hele NCP, maar de telling beslaat vanwege de grote oppervlakte van de Noordzee slechts een klein deel van de populaties van zeevogels. De telgegevens worden door Sovon bij het ecologisch adviesbureau opgevraagd en doorgeleverd aan het CBS.
Gegevensverwerking
Van de berekende trends heeft ruim 90% de beoordeling ‘goed’, de overige (vijf soorten) ‘matig’. De oorzaak voor een matige kwaliteit is dat er onvoldoende geteld kan worden, meestal door ontoegankelijkheid van gebieden of door gebrek aan tellers in specifieke gebieden. Van de zes soorten die een rol spelen bij ANLb (blauwe kiekendief, goudplevier, kleine zwaan, rotgans, ruigpootbuizerd, velduil) worden zoveel mogelijk waarnemingen ingetekend. Een aantal OSPAR soorten die nauwelijks in Nederland voorkomen zijn uit de tabel weggelaten. De meeste OSPAR soorten worden in het meetprogramma weliswaar gevolgd via zeetrek- en vliegtuigtellingen, maar in officiële OSPAR rapportages wordt tot nog toe alleen gebruikt gemaakt van landtellingen.
| Kwaliteit trend | ||||
|---|---|---|---|---|
| Soort | Beleidsstatus1) | Deelmeetprogramma’s waarvoor trends worden berekend | landelijk | waddengebied |
| Aalscholver | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND + VLIEGTUIG | goed | goed |
| Alk | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG4) + ZEETREK | . | |
| Bergeend | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | matig | goed |
| Blauwe kiekendief | ANLb | LAND | . | |
| Blauwe reiger | Ai | LAND | goed | |
| Bokje2) | Ai | . | ||
| Bontbekplevier | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Bonte strandloper | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Bosruiter | OSPAR/KRM | LAND3) | . | |
| Brandgans | VR I, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Brilduiker | VR T, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Dodaars | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Drieteenmeeuw | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG | . | |
| Drieteenstrandloper | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Dwerggans | VR I | LAND | goed | |
| Dwergmeeuw | VR I, OSPAR/KRM | VLIEGTUIG + ZEETREK | . | |
| Dwergstern | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Eider | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | VLIEGTUIG | matig | matig |
| Fuut | VR T, Ai, OSPAR/KRM | LAND + ZEETREK | matig | |
| Geelpootmeeuw | OSPAR/KRM | LAND3) | . | |
| Geoorde fuut | VR T | LAND + ZEETREK | goed | |
| Goudplevier | VR I, TMAP, Ai, ANLb, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Grauwe gans | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Grauwe pijlstormvogel | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Groenpootruiter | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | matig |
| Grote Canadese gans | Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Grote jager | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Grote mantelmeeuw | TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND + VLIEGTUIG | goed | matig |
| Grote stern | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG+ZEETREK | . | |
| Grote zaagbek | VR T, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Grote zee-eend | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Grote zilverreiger | VR I, Ai | LAND | goed | |
| Grutto | VR T, OSPAR/KRM | LAND + SLAAPPLAATS | goed | |
| Houtsnip2) | Ai | . | ||
| IJseend | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Jan van Gent | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG | . | |
| Kanoet | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Kemphaan | VR I, TMAP, OSPAR/KRM | LAND + SLAAPPLAATS | goed | . |
| Kievit | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Kleine alk | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Kleine jager | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Kleine mantelmeeuw | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG + LAND3) | . | |
| Kleine rietgans | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Kleine strandloper | OSPAR/KRM | LAND3) | . | |
| Kleine zilverreiger | VR I, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Kleine zwaan | VR I, Ai, ANLb, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Kleinste jager | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Kluut | VR I, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Knobbelzwaan | Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Kokmeeuw | TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | matig |
| Kolgans | VR T, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Kraanvogel | VR I | SLAAPPLAATS | goed | |
| Krakeend | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Krombekstrandloper | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Krooneend | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Kuifaalscholver | OSPAR/KRM | LAND3) | . | |
| Kuifduiker | VR I, OSPAR/KRM | LAND + ZEETREK | goed | |
| Kuifeend | VR T, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Lepelaar | VR I, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | matig |
| Meerkoet | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Middelste jager | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Middelste zaagbek | VR T, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Nijlgans | Ai | LAND | goed | |
| Nonnetje | VR I, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Noordse pijlstormvogel | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Noordse stern | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG5) + ZEETREK | . | |
| Noordse stormvogel | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG | . | |
| Ooievaar2) | Ai | . | ||
| Paarse strandloper | OSPAR/KRM | LAND3) | . | |
| Papegaaiduiker | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Parelduiker | VR I, OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Pijlstaart | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Regenwulp | TMAP, OSPAR/KRM | LAND | matig | matig |
| Reuzenstern | VR I | SLAAPPLAATS | goed | |
| Roerdomp2) | Ai | . | ||
| Roodhalsfuut | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Roodkeelduiker | VR I, OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Rosse franjepoot | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Rosse grutto | VR I, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Rotgans | VR T, TMAP, Ai, ANLb, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Ruigpootbuizerd | ANLb | LAND | . | |
| Scholekster | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Slechtvalk | VR I | LAND | goed | |
| Slobeend | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Smient | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Steenloper | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | matig |
| Stormmeeuw | TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND + VLIEGTUIG | goed | matig |
| Strandplevier | VR I, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | matig |
| Tafeleend | VR T, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Taigarietgans | VR T | LAND | goed | |
| Toendrarietgans | VR T, Ai | LAND | goed | |
| Topper | VR T, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Tureluur | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Vaal stormvogeltje | OSPAR/KRM | ZEETREK | . | |
| Velduil | ANLb | LAND | ||
| Visarend | VR I | LAND | goed | |
| Visdief | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG5) + ZEETREK | . | |
| Waterhoen | Ai | LAND | goed | |
| Waterral2) | Ai | . | ||
| Watersnip2) | Ai | . | ||
| Wilde eend | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Wilde zwaan | VR I, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | |
| Wintertaling | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Wulp | VR T, TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Zeearend | VR I | LAND | goed | |
| Zeekoet | OSPAR/KRM | VLIEGTUIG4) + ZEETREK | . | |
| Zilvermeeuw | TMAP, Ai, OSPAR/KRM | LAND + VLIEGTUIG | goed | matig |
| Zilverplevier | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Zwarte ruiter | VR T, TMAP, OSPAR/KRM | LAND | goed | goed |
| Zwarte stern | VR I, OSPAR/KRM | SLAAPPLAATS | goed | |
| Zwarte zee-eend | VR T, OSPAR/KRM | VLIEGTUIG | matig | |
1)VR I en VR T: soort waarvoor op basis van de Vogelrichtlijn Natura 2000‑gebieden zijn aangewezen die een foerageerfunctie hebben voor de soort, omdat deze of in bijlage I staat (VR I) of een regelmatig voorkomende trekvogel is (VR T); TMAP: Trilateral Monitoring and Assessment Program; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer; OSPAR/KRM: soort waarover gerapporteerd wordt in het kader van het Oslo/Parijs-verdrag over de bescherming van de NO-Atlantische Oceaan, en daarmee ook in het kader van de KaderRichtlijn Mariene strategie. De volgende OSPAR soorten zijn weggelaten omdat ze in zeer lage aantallen in Nederland voorkomen: dikbekzeekoet, Dougalls stern, ijsduiker, koningseider, Kuhls pijlstormvogel, Stellers eider, steltkluut, zwartkopmeeuw, zwarte zeekoet.
2)Voor deze soorten is nog niet bekend of gestuurd zal worden op gerichte monitoring.
3)Geen goede telgegevens uit reguliere tellingen. Sovon stelt daarom handmatig een tijdreeks samen.
4)Vliegtuigtrend wordt voor alk en zeekoet gezamenlijk berekend.
5)Vliegtuigtrend wordt voor visdief en noordse stern gezamenlijk berekend.
| Natura 2000‑gebied1) | Aantal VR soorten2) | Teldekking goed in 2019/20–2021/223) | Soorten niet in meetprogramma |
|---|---|---|---|
| Abtskolk & De Putten | 1 | ja | |
| Alde Feanen | 12 | ja | |
| Arkemheen | 2 | ja | |
| Biesbosch | 22 | ja | |
| Boezems Kinderdijk | 3 | ja | |
| Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein | 4 | ja | |
| De Wieden | 11 | ja | |
| De Wilck | 2 | ja | |
| De Deelen | 4 | ja | |
| Donkse Laagten | 1 | ja | |
| Duinen Goeree & Kwade Hoek | 18 | ja | |
| Dwingelderveld | 2 | ja | |
| Eemmeer & Gooimeer Zuidoever | 10 | ja | |
| Eilandspolder | 6 | ja | |
| Fochteloërveen | 2 | nee | |
| Grevelingen | 34 | ja | |
| Groote Wielen | 1 | ja | |
| Haringvliet | 25 | ja | |
| Hollands Diep | 8 | ja | |
| IJsselmeer | 30 | ja | Dwergmeeuw |
| Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | 5 | ja | |
| Ketelmeer & Vossemeer | 17 | ja | |
| Krammer-Volkerak | 25 | ja | |
| Lauwersmeer | 28 | ja | |
| Leekstermeergebied | 3 | ja | |
| Lepelaarplassen | 7 | ja | |
| Markermeer & IJmeer | 17 | ja | Dwergmeeuw |
| Markiezaat | 13 | ja | |
| Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | 2 | ja | |
| Noordzeekustzone4) | 10 | nee | |
| Oostelijke Vechtplassen | 7 | ja | |
| Oosterschelde | 36 | ja | |
| Oostvaardersplassen | 16 | ja | |
| Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | 3 | ja | |
| Oudeland van Strijen | 4 | ja | |
| Polder Zeevang | 8 | ja | |
| Rijntakken | 26 | ja | Kemphaan |
| Sneekermeergebied | 12 | ja | |
| Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | 7 | ja | |
| Van Oordts Mersken | 3 | ja | |
| Veerse Meer | 19 | ja | |
| Veluwerandmeren | 15 | ja | |
| Voordelta5) | 30 | ja | |
| Waddenzee | 36 | ja | |
| Westerschelde & Saeftinghe | 31 | ja | |
| Witte en Zwarte Brekken | 4 | ja | |
| Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | 2 | ja | |
| Yerseke en Kapelse Moer | 1 | ja | |
| Zoommeer | 12 | ja | |
| Zouweboezem | 1 | ja | |
| Zuidlaardermeergebied | 4 | ja | |
| Zwanenwater & Pettemerduinen | 1 | ja | |
| Zwarte Meer | 14 | ja | |
| Zwin & Kievittepolder | 1 | ja |
1)De begrenzing van de gemonitorde gebieden valt niet altijd volledig samen met de begrenzing van de Natura 2000‑gebieden.
2)Niet-broedende kwalificerende soorten met concept instandhoudingsdoelen en begrenzingssoorten samen. Soorten waarvoor het gebied alleen een slaapfunctie heeft zijn niet meegenomen.
3)Goede teldekking: gemiddeld is per soort uit de kolom ‘Aantal VR soorten’ naar verwachting meer dan 50% van de individuen in de laatste drie telseizoenen daadwerkelijk geteld (de overige individuen worden t.b.v. indexberekening bijgeschat). De berekening van het percentage getelde individuen is alleen gebaseerd op de maandelijkse tellingen in de monitoringgebieden en niet op de seizoensmaxima of zeetrektellingen die voor sommige soortgebiedscombinaties worden gebruikt.
4)Voor dwergmeeuw, parelduiker en roodkeelduiker trend op basis van zeetrektellingen.
5)Voor dwergmeeuw en roodkeelduiker trend op basis van zeetrektellingen.
Voortgang 2023
Het percentage van de aanwezige vogels dat geteld wordt ligt de laatste vijf jaar in de monitoringgebieden boven de 80% en in de ganzengebieden net daaronder (zie figuur 7.5.4 en 7.5.5). De coronacrisis lijkt geen negatieve invloed te hebben gehad op de telbereidheid van de vrijwilligers. In de figuren is eerst per soort het percentage getelde vogels per gebied per jaar bepaald. Deze percentages zijn vervolgens per jaar gemiddeld (over alle gebieden). Bij minder goed getelde gebieden gaat het meestal om gebieden met kleinere aantallen vogels. De kwaliteit van de landelijke trends van zeevogels zal in 2024 voor het eerst formeel beoordeeld worden.
Er bestaat twijfel of bij de niet-gebiedsdekkende vliegtuigtellingen op het IJsselmeer van sommige soorten groepen worden gemist, wat door zou kunnen werken in de landelijke cijfers. Rijkswaterstaat bereidt een dataset voor, waarmee het CBS dit kan uitzoeken. Het is nog niet duidelijk wanneer de resultaten van dit onderzoek bekend worden.
De gemiddelde teldekking in bestaande Natura 2000‑gebieden is onveranderd hoog. Voor slechts twee gebieden (Fochteloërveen en Noordzeekustzone) is de teldekking over de laatste drie seizoenen onder de 50% gebleven. Voor Fochteloërveen is sinds 2020/2021 een teller beschikbaar, zodat het gebied binnenkort waarschijnlijk uit deze lijst verdwijnt. Voor de Noordzeekustzone ligt de teldekking al jaren net onder de 50%, wat voornamelijk veroorzaakt wordt door onvoldoende beschikbare tellers op de Waddeneilanden.
De automatisering van de analyse van vliegtuigtellingen boven de Noordzee is in 2023 afgerond. De analysemethode lijkt robuust genoeg tegen de grote veranderingen in telmethode sinds seizoen 2013/14 (met name in de kustzone). In 2024 zal een methode ontwikkeld worden om de kwaliteit van de landelijke trends te beoordelen.
| jaren | GemPercGeteldMonitoring |
|---|---|
| '76 | 45,1822413 |
| '77 | 48,38301031 |
| '78 | 48,75521786 |
| '79 | 45,73922011 |
| '80 | 49,16738691 |
| '81 | 51,85846596 |
| '82 | 53,18110231 |
| '83 | 53,07479415 |
| '84 | 44,39260658 |
| '85 | 41,5243004 |
| '86 | 48,32968615 |
| '87 | 49,70446912 |
| '88 | 53,89642272 |
| '89 | 51,0551609 |
| '90 | 54,0126794 |
| '91 | 53,01676931 |
| '92 | 56,18152428 |
| '93 | 57,35816658 |
| '94 | 59,66884563 |
| '95 | 60,67981666 |
| '96 | 62,23822635 |
| '97 | 62,97153026 |
| '98 | 64,49682015 |
| '99 | 66,41573538 |
| '00 | 65,33444668 |
| '01 | 72,73511159 |
| '02 | 75,32798995 |
| '03 | 76,72225241 |
| '04 | 77,0940402 |
| '05 | 80,47044493 |
| '06 | 81,20705745 |
| '07 | 78,53324973 |
| '08 | 80,59686352 |
| '09 | 77,63413223 |
| '10 | 78,76760087 |
| '11 | 74,00261517 |
| '12 | 79,14592501 |
| '13 | 76,64675728 |
| '14 | 78,90420966 |
| '15 | 79,81879455 |
| '16 | 80,57471386 |
| '17 | 76,56369752 |
| '18 | 80,59712841 |
| '19 | 82,67020104 |
| '20 | 81,21402682 |
| '21 | 82,37646413 |
| '22 | 81,9499363 |
| Jaar | GemPercGeteld |
|---|---|
| '76 | 69,52255998 |
| '77 | 70,88763056 |
| '78 | 68,08505269 |
| '79 | 62,96407562 |
| '80 | 74,28343864 |
| '81 | 72,86465824 |
| '82 | 72,98359304 |
| '83 | 74,09070211 |
| '84 | 66,35658334 |
| '85 | 62,19501235 |
| '86 | 70,22514268 |
| '87 | 74,99807196 |
| '88 | 74,18499974 |
| '89 | 74,73865473 |
| '90 | 74,69274055 |
| '91 | 73,42985766 |
| '92 | 78,42424749 |
| '93 | 78,46269577 |
| '94 | 79,92124383 |
| '95 | 71,72635221 |
| '96 | 70,20065008 |
| '97 | 71,73331463 |
| '98 | 73,03896634 |
| '99 | 74,69857957 |
| '00 | 73,73681247 |
| '01 | 78,13092186 |
| '02 | 76,92751661 |
| '03 | 77,8501889 |
| '04 | 81,72494518 |
| '05 | 84,30876375 |
| '06 | 83,48802005 |
| '07 | 80,49011976 |
| '08 | 82,35625746 |
| '09 | 81,13754495 |
| '10 | 80,21465387 |
| '11 | 74,34488384 |
| '12 | 77,99682791 |
| '13 | 75,94666305 |
| '14 | 76,02946259 |
| '15 | 77,09602509 |
| '16 | 77,87260161 |
| '17 | 75,27307187 |
| '18 | 77,6877849 |
| '19 | 79,16640214 |
| '20 | 78,17844618 |
| '21 | 77,99049383 |
| '22 | 79,87484995 |
Aandachtspunten
- Bepalen kwaliteit trends zeevogels (CBS, Sovon).
- Uitzoeken of het niet tellen van grote stukken open water op het IJsselmeer gevolgen heeft voor de landelijke trends van soorten, waaronder de fuut (RWS, CBS).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en link naar handleiding: Website NEM.
Informatie over Sovon: Website Sovon.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.



7.6Slaapplaatsen van vogels
Algemeen
In het meetprogramma voor slaapplaatsen van vogels worden de aantallen van negentien vogelsoorten gevolgd in Natura 2000‑gebieden die volgens de aanwijsbesluiten een functie hebben als slaapplaats voor deze soorten. Voor enkele soorten zijn de tellingen ook nodig om de landelijke trends te volgen, omdat het meetprogramma voor watervogels hier niet of minder geschikt voor is. Het meetprogramma levert veel verspreidingsinformatie over slaapplaatsen van vogels op, ook buiten vogelrichtlijngebieden. Dat geldt ook voor een aantal soorten met grote slaapplaatsen die niet betrokken zijn bij het formuleren van instandhoudingsdoelen voor slaapplaatsen in vogelrichtlijngebieden.
Sinds 2016 wordt het meetprogramma medegefinancierd door de provincies, vanwege de provinciale informatiebehoefte over slaapplaatsen op (vooral) het niveau van Natura 2000‑gebieden.
Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.
Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS, sommige provincies.
Opdrachtgevers: Provincies, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Aviaire Influenza: landelijke trend en verspreiding | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Verspreiding van invasieve exoten | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Ramsar (wetlands): trends per Ramsar gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| African Eurasian Waterbird Agreement: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Schadesoorten: landelijke trends | |
| Biodiversiteit van het agrarisch gebied: landelijke trends | |
| Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
| Stadsnatuur: landelijke trends | |
Soorten
Het meetprogramma is gestart in seizoen 2009/2010 en in eerste instantie gericht op de aantalsmonitoring van negentien soorten (zie tabel 7.6.2) in de 53 Natura 2000‑gebieden die volgens de aanwijzingsbesluiten voor deze soorten een functie hebben als slaapplaats. In totaal worden 191 soort-gebiedscombinaties gevolgd. Voor kemphaan, kraanvogel, reuzenstern, zwarte stern en grutto wordt daarnaast gestuurd op tellingen buiten Natura 2000‑gebieden. Dit is nodig voor het bepalen van de landelijke trend, omdat deze soorten niet voldoende gevolgd kunnen worden in de monitoringgebieden van het meetprogramma voor watervogels (zie hoofdstuk 7.5). Eens in de drie of vier jaar wordt een landelijk simultane slaapplaatstelling georganiseerd die speciaal gericht is op de kemphaan. Deze telling vindt ook plaats buiten Natura 2000‑gebieden. De laatste kemphaantelling heeft plaatsgevonden in het voorjaar van 2023. Deze telling wordt deels door professionals uitgevoerd. Voor de landelijke trend kan echter volstaan worden met tellingen in de vier Natura 2000‑gebieden met een slaapplaatsfunctie die voor de kemphaan zijn aangewezen. Er wordt matig gestuurd op gegevensinwinning voor slaapplaatsen buiten de Natura 2000‑gebieden. Deze gegevens zijn onder meer van belang in het model dat bijschattingen doet voor onvolledig getelde Natura 2000‑gebieden. Er wordt beperkt gestuurd op gegevensinwinning van de overige zeventien soorten in tabel 7.6.2 waarvoor gebieden geen officiële slaapplaatsfunctie hebben. Voor halsbandparkieten wordt eens in de drie jaar een aparte telling georganiseerd op verzoek van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
| Soort | Beleidsstatus1) | Natura 2000‑gebieden | Berekende trends 2023 |
|---|---|---|---|
| VR soorten | |||
| Aalscholver | VR I, Ai | 13 | 9 |
| Brandgans | VR I, Ai | 24 | 22 |
| Dwerggans | VR I | 3 | 2 |
| Grauwe gans | VR I, Ai | 27 | 23 |
| Grote zilverreiger | VR I, Ai | 4 | 4 |
| Grutto | VR I | 20 | 18 |
| Kemphaan | VR I | 5 | 5 |
| Kleine rietgans | VR I, Ai | 4 | 3 |
| Kleine zwaan | VR I, Ai | 19 | 17 |
| Kolgans | VR I, Ai | 28 | 25 |
| Kraanvogel | VR I | 6 | 6 |
| Reuzenstern | VR I | 3 | 3 |
| Rotgans | VR I, Ai | 6 | 5 |
| Scholekster | VR I, Ai | 1 | 1 |
| Taigarietgans | VR I | 3 | 2 |
| Toendrarietgans | VR I, Ai | 12 | 10 |
| Wilde zwaan | VR I, Ai | 4 | 4 |
| Wulp | VR I | 6 | 5 |
| Zwarte stern | VR I | 3 | 3 |
| Overige soorten | |||
| Blauwe kiekendief | |||
| Bruine kiekendief | |||
| Grote mantelmeeuw | Ai | ||
| Halsbandparkiet | Exoot | ||
| Huiskraai2) | Exoot | ||
| Kauw | |||
| Kleine mantelmeeuw | Ai | ||
| Kleine zilverreiger | Ai | ||
| Kokmeeuw | Ai | ||
| Lachstern | |||
| Raaf | |||
| Ransuil | |||
| Regenwulp | |||
| Roek | |||
| Spreeuw | |||
| Stormmeeuw | Ai | ||
| Zilvermeeuw | Ai |
1)VR I: soorten waarvoor op basis van bijlage I van de Vogelrichtlijn in één of meerdere Natura 2000‑gebieden slaapplaatsdoelen worden geformuleerd; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; Exoot: volgens de lijst die gehanteerd wordt door de NVWA.
2)Inmiddels verdwenen uit Nederland.
Gegevens
Gegevensinwinning
Er worden minimaal twee tellingen georganiseerd in de piekperiode van de soort. Bij de meeste soorten duurt deze piekperiode gemiddeld vijf maanden. De telperiode is een periode van iets meer dan twee weken rond een vooraf vastgestelde voorkeursdatum, inclusief drie weekenden. Dit voorkomt rechtstreekse concurrentie met de teldatums in het meetprogramma voor watervogels: waarnemers die meedoen aan beide meetprogramma’s kunnen de slaapplaatstellingen op andere dagen uitvoeren dan de watervogeltellingen, maar het is ook mogelijk om de slaapplaatstelling uit te voeren aansluitend op een watervogeltelling op dezelfde dag. Waarnemers worden aangespoord ook alle overige soorten te tellen die gebruik maken van de slaapplaats. Voor grote zilverreiger, kraanvogel, reuzenstern en zwarte stern worden minimaal drie tellingen georganiseerd in de piekperiode van de soort. Bij deze drie soorten duurt de piekperiode slechts enkele weken. De telperiode is een telweekend met een vooraf vastgestelde voorkeursdag om dubbeltellingen zo veel mogelijk te voorkomen. Bij de kraanvogel worden de tellingen ad hoc georganiseerd op momenten van sterke doortrek, waarvan de timing en omvang van jaar op jaar sterk kunnen verschillen.
Natura 2000‑gebieden
| Aantal VR soorten2) | Teldekking3) | ||
|---|---|---|---|
| laatste 3 seizoenen (2019/20–2021/22) | laatste 6 seizoenen (2016/17–2021/22) | ||
| Natura 2000‑gebied1) | |||
| Aamsveen4) | 1 | 100 | 100 |
| Alde Feanen | 4 | 75 | 71 |
| Bargerveen | 3 | 100 | 100 |
| Biesbosch | 7 | 100 | 98 |
| Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein | 1 | 67 | 67 |
| Buurserzand & Haaksbergerveen4) | 1 | 100 | 100 |
| Deelen | 4 | 92 | 92 |
| Deurnsche Peel & Mariapeel | 3 | 78 | 56 |
| Donkse Laagten | 3 | 56 | 78 |
| Duinen Goeree & Kwade Hoek | 2 | 100 | 100 |
| Dwingelderveld | 2 | 100 | 100 |
| Eemmeer & Gooimeer Zuidoever | 1 | 100 | 100 |
| Eilandspolder | 1 | 67 | 67 |
| Engbertsdijksvenen | 2 | 100 | 100 |
| Fochteloërveen | 4 | 100 | 96 |
| Grevelingen | 5 | 87 | 87 |
| Groote Peel | 4 | 92 | 79 |
| Groote Wielen | 3 | 100 | 94 |
| Haringvliet | 8 | 50 | 56 |
| Hollands Diep | 3 | 22 | 33 |
| IJsselmeer | 12 | 89 | 89 |
| Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | 2 | 67 | 58 |
| Kampina & Oisterwijkse Vennen | 1 | 100 | 100 |
| Ketelmeer & Vossemeer | 7 | 43 | 50 |
| Krammer-Volkerak | 6 | 67 | 64 |
| Lauwersmeer | 9 | 96 | 94 |
| Leekstermeergebied | 2 | 100 | 67 |
| Lepelaarplassen | 2 | 67 | 83 |
| Markermeer & IJmeer | 4 | 92 | 88 |
| Markiezaat | 2 | 100 | 100 |
| Naardermeer | 2 | 100 | 100 |
| Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | 2 | 50 | 67 |
| Noordzeekustzone | 1 | 0 | 0 |
| Oostelijke Vechtplassen | 3 | 67 | 61 |
| Oosterschelde | 4 | 83 | 88 |
| Oostvaardersplassen | 6 | 100 | 100 |
| Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | 5 | 93 | 93 |
| Polder Zeevang | 1 | 100 | 100 |
| Rijntakken | 10 | 73 | 78 |
| Sneekermeergebied | 6 | 100 | 94 |
| Strabrechtse Heide & Beuven | 1 | 100 | 100 |
| Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | 1 | 33 | 17 |
| Van Oordt’s Mersken | 2 | 100 | 67 |
| Veerse Meer | 5 | 40 | 43 |
| Veluwerandmeren | 3 | 67 | 56 |
| Voordelta | 1 | 100 | 100 |
| Waddenzee | 7 | 86 | 86 |
| Westerschelde & Saeftinghe | 2 | 50 | 50 |
| Wieden | 4 | 100 | 100 |
| Witte en Zwarte Brekken | 5 | 60 | 73 |
| Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | 1 | 100 | 100 |
| Zoommeer | 2 | 50 | 50 |
| Zuidlaardermeergebied | 2 | 100 | 58 |
| Zwanenwater & Pettemerduinen | 1 | 100 | 100 |
| Zwarte Meer | 5 | 40 | 40 |
1)Alleen gebieden met een slaapplaatsfunctie voor een of meer contractsoorten.
2)Aantal niet-broedende kwalificerende soorten waarvoor het gebied een slaapplaatsfunctie heeft.
3)Het gemiddelde percentage getelde soortgebiedscombinaties over de aangegeven periode.
4)Gebied (nog) niet aangewezen met slaapplaatsfunctie.
Voortgang 2023
De teldekking – gedefinieerd als het percentage getelde soort-gebiedscombinaties – is in de eerste jaren snel gestegen van ca. 50% tot ca. 80% in de laatste drie jaar (figuur 7.6.4). Door invoer van historische slaapplaatsgegevens of door nalevering van tellingen uit met name de laatste jaren kunnen deze percentages op den duur nog hoger uitvallen. Overigens zijn er ook tellingen uitgevoerd in een klein aantal andere soort-gebiedscombinaties, maar die voldoen niet aan de ondergrens van de telinspanning (minimaal twee keer per jaar geteld, maximaal 90% van de vogels statistisch bijgeschat) om meegenomen te kunnen worden in de trendanalyses. Het aantal tellers lijkt de laatste jaren gestabiliseerd te zijn. Inmiddels zijn dertien seizoenen met gegevens beschikbaar. In ruim honderd soort-gebiedscombinaties zijn tellingen beschikbaar uit meer dan tien van deze seizoenen. Daarmee bereikt het meetnet een hoge teldekking. Er worden inmiddels op reguliere basis trends berekend voor de meeste soort-gebiedscombinaties, maar de kwaliteit van deze trends wordt nog niet op een gestandaardiseerde wijze beoordeeld. Een methode hiervoor zal in 2024 door het CBS en Sovon worden ontwikkeld.
Van de ‘Overige soorten’ uit tabel 7.6.2. wordt de lachstern al jarenlang goed geteld. Sovon zoekt in een pilot in de seizoenen 2023/24–2024/25 uit in hoeverre de soort meegenomen kan worden als focussoort in de reguliere slaapplaatsmonitoring. In dat geval kunnen de telgegevens mogelijk gebruikt worden voor het bepalen van landelijke trends van de soort en in de toekomst mogelijk bij het actualiseren van instandhoudingsdoelstellingen voor vogelrichtlijngebieden.
Voor de reuzenstern zijn in 2022 historische slaapplaatsgegevens ingevoerd, en ook voor kiekendieven en halsbandparkieten (‘Overige soorten’).
Voor de scholekster is een oproep gedaan om slaapplaatsen te tellen in het kader van het Jaar van de Scholekster (2023). Dit heeft geleid tot een verdubbeling van het aantal tellingen ten opzichte van het vorige seizoen.
| Jaren | Percentage Geteld |
|---|---|
| 2009 | 54,97382199 |
| 2010 | 61,2565445 |
| 2011 | 72,2513089 |
| 2012 | 73,82198953 |
| 2013 | 80,62827225 |
| 2014 | 71,72774869 |
| 2015 | 76,96335079 |
| 2016 | 75,91623037 |
| 2017 | 77,48691099 |
| 2018 | 79,05759162 |
| 2019 | 81,15183246 |
| 2020 | 79,05759162 |
| 2021 | 76,96335079 |
Aandachtspunten
- Ontwikkelen methode voor de beoordeling van de kwaliteit van trends (CBS, Sovon).
- Voorstel schrijven voor toevoegen lachstern aan focussoorten van het meetprogramma (Sovon).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en link naar handleiding: Website NEM.
Informatie over Sovon: Website Sovon.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

7.7Reptielen
Algemeen
Het meetprogramma voor reptielen volgt alle zeven inheemse reptielensoorten van ons land. Zowel de omvang van de populaties als de verspreiding van de soorten kunnen goed in kaart worden gebracht. Het meetprogramma volgt tevens een exoot, de lettersierschildpad. Van deze soort komen drie ondersoorten voor in ons land, ze worden elk vermeld op de Unielijst.
Coördinatie: Stichting Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland (RAVON).
Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting RAVON, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage II en IV | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V | |
| Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst | |
| Graadmeters Natuurnetwerk Nederland: provinciale trends | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
Soorten
De prioriteit van het meetprogramma ligt bij het volgen van de reptielen die op bijlage IV van de Habitatrichtlijn (HR) vermeld worden: gladde slang, muurhagedis en zandhagedis. De verzamelde gegevens kunnen echter ook goed gebruikt worden voor andere meetdoelen (zie tabel 7.7.1). Om die reden en vanwege de haalbaarheid van het tellen van de soorten, zijn adder, hazelworm en levendbarende hagedis, typische soorten van de Habitatrichtlijn, opgenomen in het meetprogramma. Voor de ringslang zijn er geen sturende meetdoelen, maar voor deze soort kan met een geringe extra inspanning toch zowel een betrouwbare landelijke aantalstrend als verspreidingstrend berekend worden. Drie ondersoorten van de lettersierschildpad (Trachemys scripta) zijn in 2020 opgenomen in het meetprogramma. Het gaat om de geelbuikschildpad (T. s. scripta), de geelwangschildpad (T. s. troostii) en de roodwangschildpad (T. s. elegans). Het zijn invasieve exoten die worden vermeld op de Unielijst van de EU. De soort wordt gevolgd in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Bij exoten in het algemeen ligt de focus op het in kaart brengen van de verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau, bij de lettersierschildpadden is echter een programma opgezet om op vaste locaties de aantallen te monitoren. Handel en kweek in deze schildpadden is verboden, succesvolle voortplanting in Nederland is nog niet vast gesteld. Dat maakt dat de verwachting is dat de aantallen zullen afnemen. Tabel 7.7.2 geeft een overzicht van de soorten die zijn opgenomen in het meetprogramma en de mogelijkheid van het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends.
| Soort | Beleidsstatus1) | Trends in aantallen landelijk | Trends in verspreiding landelijk |
|---|---|---|---|
| Adder | TYP | goed | goed |
| Geelbuikschildpad | Exoot | . | . |
| Geelwangschildpaf | Exoot | . | . |
| Gladde slang | HR IV | goed | goed |
| Hazelworm | TYP | goed | goed |
| Levendbarende hagedis | TYP | goed | goed |
| Muurhagedis | HR IV | goed | |
| Ringslang | goed | goed | |
| Roodwangschildpad | Exoot | . | . |
| Zandhagedis | HR IV, TYP | goed | goed |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.
Gegevens
Voor het bepalen van de landelijke aantalstrends worden vaste meetlocaties van twee à drie hectare zeven maal per jaar geïnventariseerd op alle voorkomende soorten. Voor zes soorten gaat het om een steekproef van enige honderden meetlocaties uit hun leefgebieden (vooral duinen en heide). De uitzondering is de muurhagedis. Maastricht telt de enige natuurlijke populatie van deze soort in Nederland. De muurhagedis wordt op vrijwel alle locaties in Maastricht gevolgd. Trends in aantallen en indexcijfers worden berekend met het TRIM model in het R package rtrim.
De gerichte gegevensinwinning voor het bepalen van de landelijke verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau bestaat uit inventarisaties van km-hokken door vrijwilligers binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken. Vrijwilligers volgen hierbij een gestandaardiseerd protocol. De inventarisatiemethode verschilt per soort en is gericht op het vaststellen van de aan- of afwezigheid van de soort op km-hokniveau. Hierdoor kan ook op meer gedetailleerde schaal dan 10 x 10 km naar verspreiding worden gekeken. De verspreiding van de muurhagedis wordt bij het monitoren in Maastricht al volledig in kaart gebracht. De inventarisatiegegevens worden aangevuld met gegevens die verzameld zijn voor het bepalen van de landelijke aantalstrend en losse waarnemingen. Trends in verspreiding op 1 x 1 km-hokniveau worden berekend met de gegevens uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Bij de berekeningen wordt gebruik gemaakt van occupancy-modellen. Voor de muurhagedis is het vanwege de beperkte verspreiding niet mogelijk een trend op 1 x 1 km-hokniveau te berekenen. Nadere informatie over de veldwerkmethode is te vinden in de veldwerkhandleiding. Deze handleiding is te vinden op de website van RAVON (zie Links).
Natura 2000‑gebieden
Er zijn geen reptielensoorten die vermeld worden op bijlage II van de Habitatrichtlijn, daarom zijn er geen Natura 2000‑gebieden aangewezen voor reptielen.
Voortgang in 2023
In 2023 is door RAVON, in opdracht van het Ministerie van LNV, gewerkt aan een nieuwe Rode Lijst voor reptielen en amfibieën. De Rode Lijst wordt waarschijnlijk in het eerste kwartaal van 2024 gepubliceerd in de Staatscourant. Uiteraard wordt bij het maken van deze Rode Lijst gebruik gemaakt van in het kader van het NEM verzamelde informatie. RAVON heeft in 2022 tevens gewerkt aan de ontwikkeling van een ‘app’ waarmee vrijwilligers tellingen via hun mobiele telefoon al in het veld kunnen doorgeven. De app is in het telseizoen van 2023 door de vrijwilligers in gebruik genomen. Dezelfde app zal ook gebruikt worden bij het tellen van amfibieën (en in andere NEM meetprogramma’s).
Teldekking aantalsmonitoring
Het aantal getelde meetpunten neemt de laatste jaren toe. Nog nooit zijn er in één seizoen op zoveel plots tellingen van de reptielen verzameld als in 2022. Voor de meeste soorten in het meetprogramma zijn voldoende (recente) telgegevens beschikbaar en is de ligging van de telgebieden voldoende representatief voor de leefgebieden. Voor alle soorten kunnen jaarlijks door het CBS betrouwbare landelijke trends vanaf de start van het meetprogramma (1994) berekend worden. Naast landelijke trends worden o.a. ook trends per fysisch geografische regio en per provincie bepaald. Het aantal getelde meetpunten in de duinen is een punt van zorg. Dat aantal is op het vasteland in de periode 2007–2018 met tweederde afgenomen. Voor de zandhagedis brengt dat het gevaar van een vertekende trend met zich mee. In vier van de zeven duingebieden is er over de laatste twaalf jaar geen betrouwbare trend te berekenen. Dat heeft een negatieve invloed op de betrouwbaarheid van de trend voor Nederland. Wanneer het aantal getelde plots ook in de regio’s waar het wat moeilijker is vrijwilligers te vinden op het huidige niveau (aantal getelde plots in 2022) blijft of liever nog wat stijgt, zal dat de betrouwbaarheid van die trends ten goede komen.
Het aantal getelde meetpunten is in 2022 wederom toegenomen (zie figuur 7.7.3). Er blijven wat regio’s waarvoor het lastig is tellers te vinden, zoals de Waddeneilanden en de provincies Drenthe, Friesland en Groningen. RAVON neemt, met het organiseren van excursies en het bezoeken van vrijwilligers, initiatief om vrijwilligers te werven. Ook wordt contact gelegd met andere organisaties teneinde de monitoring van soorten op een nog hoger peil te brengen.
| Jaren | Meetpunten |
|---|---|
| '94 | 104 |
| '95 | 167 |
| '96 | 198 |
| '97 | 205 |
| '98 | 217 |
| '99 | 258 |
| '00 | 264 |
| '01 | 258 |
| '02 | 318 |
| '03 | 316 |
| '04 | 346 |
| '05 | 340 |
| '06 | 338 |
| '07 | 369 |
| '08 | 352 |
| '09 | 363 |
| '10 | 324 |
| '11 | 313 |
| '12 | 266 |
| '13 | 222 |
| '14 | 279 |
| '15 | 269 |
| '16 | 264 |
| '17 | 262 |
| '18 | 275 |
| '19 | 270 |
| '20 | 359 |
| '21 | 434 |
| '22 | 444 |
Verspreidingsonderzoek
Het jaar 2023 is het zesde en laatste jaar van de nieuwe HR rapportageperiode. Het verspreidingsonderzoek op 10 x 10 km-hokniveau is volgens schema uitgevoerd. Voor de muurhagedis en de zandhagedis was er al een betrouwbaar beeld van de actuele verspreiding. Voor de gladde slang is dat doel in 2023 bereikt, zie tabel 7.7.4. Het aantal unieke kilometerhokken dat bezocht is, is de jaren duidelijk toegenomen (zie tabel 7.7.5), en dat ligt in lijn met het aantal plots waarop naar reptielen is gezocht (zie figuur 7.7.3).
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 6 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Gladde slang | 66 | 89 |
| Muurhagedis | 2 | 100 |
| Zandhagedis | 97 | 97 |
| jaren | Kilometerhokken |
|---|---|
| '94 | 569 |
| '95 | 652 |
| '96 | 596 |
| '97 | 752 |
| '98 | 768 |
| '99 | 809 |
| '00 | 856 |
| '01 | 717 |
| '02 | 756 |
| '03 | 766 |
| '04 | 949 |
| '05 | 1279 |
| '06 | 1136 |
| '07 | 1854 |
| '08 | 1677 |
| '09 | 2088 |
| '10 | 2164 |
| '11 | 2210 |
| '12 | 2093 |
| '13 | 2004 |
| '14 | 2473 |
| '15 | 2381 |
| '16 | 2274 |
| '17 | 2414 |
| '18 | 2307 |
| '19 | 2942 |
| '20 | 3606 |
| '21 | 3912 |
| '22 | 3745 |
Aandachtspunten
- Zorgen dat het aantal getelde meetpunten op peil blijft, zeker in de duinen, op de Waddeneilanden en in het noorden van ons land (RAVON).
- Zorgen dat het vrijwilligersnetwerk en de technische voorzieningen (database, invoerportaal) voor het verspreidingsonderzoek op peil blijven (RAVON).
- RAVON is veel tijd kwijt aan het aanvragen van terreinontheffingen bij diverse terreinbeheerders. Vrijwilligers hebben deze ontheffingen nodig om tellingen te kunnen doen. Al met al vergt de papierwinkel duidelijk meer tijd dan voorheen (Stuurgroep Monitoring).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.
Informatie over RAVON: Website RAVON.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

7.8Amfibieën
Algemeen
Het meetprogramma voor amfibieën volgt alle zestien inheemse amfibieënsoorten van ons land en een exoot, de Amerikaanse stierkikker.
Voor een zestal inheemse soorten richt het programma zich primair op het inwinnen van
aantalsgegevens. Voor de tien overige inheemse soorten is het meetprogramma gericht op het inwinnen van verspreidingsgegevens. Voor de Amerikaanse stierkikker is een signaleringssysteem opgezet.
Coördinatie: Stichting Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland (RAVON).
Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting RAVON, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV)Ministerie van LNV, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage II en IV | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V | |
| Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
| Stadsnatuur: landelijke trends | |
Soorten
De prioriteit van het meetprogramma ligt bij het volgen van de amfibieën die op één of meerdere bijlagen van de Habitatrichtlijn vermeld worden. Tabel 7.8.2 geeft een overzicht van deze soorten en de mogelijkheid van het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. De verzamelde gegevens kunnen echter ook goed gebruikt worden voor andere meetdoelen. Om die reden en vanwege de haalbaarheid van het tellen van de soorten, zijn de vinpootsalamander en de vuursalamander, typische soorten van de Habitatrichtlijn, ook opgenomen in het meetprogramma. Voor de Alpenwatersalamander, gewone pad en kleine watersalamander zijn er geen sturende meetdoelen, maar voor deze soorten kan met een geringe extra inspanning toch een betrouwbare landelijke verspreidingstrend berekend worden. De Amerikaanse stierkikker is in 2020 opgenomen in het meetprogramma. Het is een invasieve exoot die wordt vermeld op de Unielijst van de EU. De Amerikaanse stierkikker komt momenteel niet in ons land voor, maar wel vlak over de grens met België. Om die reden en vanwege de serieuze dreiging die de soort vormt voor de inheemse amfibieën, is door RAVON een waarschuwingssysteem opgezet. Vrijwilligers, terreinbeheerders en muskusrattenbestrijders zijn opgeleid om de soort te herkennen en houden drie risicogebieden extra in de gaten.
Gegevens
Van zes soorten amfibieën (boomkikker, geelbuikvuurpad, knoflookpad, vroedmeesterpad vuursalamander en kamsalamander) worden aantallen geteld. Vaste meetpunten worden, afhankelijk van de soorten die er voorkomen, met diverse meetmethoden (zicht- en geluidswaarneming, schepnet e.d.) jaarlijks enkele keren bemonsterd op het voorkomen van soorten. De vuursalamander is niet zo gebonden aan water. Voor deze soort zijn routes uitgezet in vochtige loofbossen, waar naar deze soort wordt gezocht. Van de geelbuikvuurpad, vroedmeesterpad en vuursalamander wordt het gehele leefgebied onderzocht. Bij de boomkikker en de knoflookpad betreffen de meetpunten een steekproef van het leefgebied. Met deze tellingen worden indexcijfers en aantalstrends berekend; hierbij wordt gebruik gemaakt van het TRIM model in het R package rtrim. Voor de elf overige soorten worden alleen verspreidingstrends bepaald, op basis van inventarisaties met daglijstjes. Met behulp van deze daglijstjes kunnen trefkansen worden bepaald en kunnen trends in verspreiding en indexcijfers worden berekend waarbij gebruik wordt gemaakt van occupancy-modellen. De verspreidingstrends zijn een alternatief voor aantalstrends, die bij deze soorten niet betrouwbaar genoeg kunnen worden bepaald. Het grootste deel van de tellingen wordt verzameld door vrijwilligers. Een klein deel van de werkzaamheden wordt uitgevoerd door betaalde krachten die worden aangestuurd door RAVON. De gerichte gegevensinwinning voor het bepalen van de landelijke verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau bestaat uit inventarisaties van km-hokken door vrijwilligers binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken. Vrijwilligers volgen hierbij een gestandaardiseerd protocol. De inventarisatiemethode verschilt per soort en is gericht op het vaststellen van de aan- of afwezigheid van de soort op km-hokniveau. Hierdoor kan ook op meer gedetailleerde schaal dan 10 x 10 km naar verspreiding worden gekeken. De verspreiding van de geelbuikvuurpad, vroedmeesterpad en vuursalamander wordt via de aantalsmonitoring al volledig in kaart gebracht omdat deze soorten in hun gehele – beperkte – leefgebied worden geteld. Naast de gegevens die door vrijwilligers van RAVON verzameld worden, worden er ook gegevens verzameld door anderen. RAVON brengt deze gegevens bij elkaar en levert de gegevens aan het CBS voor het bepalen van de verspreiding en de trend in verspreiding. Nadere informatie over de veldwerkmethode is te vinden in de veldwerkhandleiding (zie Links).
| Soort | Beleidsstatus1) | Trends in aantallen landelijk | Trends in verspreiding landelijk | Trends in aantallen Natura 2000 |
|---|---|---|---|---|
| Alpenwatersalamander | goed | |||
| Amerikaanse stierkikker | Exoot | . | . | |
| Bastaardkikker2) | HR V | . | goed | |
| Boomkikker | HR IV | matig | matig | |
| Bruine kikker | HR V | goed | ||
| Gewone pad | . | goed | ||
| Geelbuikvuurpad | HR II en IV | goed | matig | |
| Heikikker | HR IV, TYP | . | goed | |
| Kamsalamander | HR II en IV | . | goed | 3) |
| Kleine watersalamander | goed | |||
| Knoflookpad | HR IV | goed | . | |
| Meerkikker2) | HR V | . | goed | |
| Poelkikker2) | HR IV, TYP | . | goed | |
| Rugstreeppad | HR IV, TYP | . | goed | |
| Vinpootsalamander | TYP | . | goed | |
| Vroedmeesterpad | HR IV | matig | . | |
| Vuursalamander | TYP | goed | . |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.
2)Vanwege het moeilijke onderscheid en voorkomende kruisingen tussen de soorten worden poelkikker, meerkikkers en bastaardkikkers ook wel samengenomen onder de naam ‘groene kikker complex’.
3)Van de kamsalamander wordt alleen een trend in verspreiding berekend, de verspreidingstrend wordt gezien als een benadering voor de aantalstrend. In 2023 is een gestart met het tellen van de kamsalamander waarmee een aantalstrend in zicht komt.
Natura 2000‑gebieden
De geelbuikvuurpad en de kamsalamander worden vermeld op bijlage II van de Habitatrichtlijn. Vanwege deze vermelding en vanwege hun voorkomen in bepaalde Natura 2000‑gebieden, zijn er Natura 2000‑gebieden aangewezen voor deze soorten. Voor de geelbuikvuurpad zijn twee gebieden aangewezen, Geuldal en Bemelerberg en Schiepersberg. In beide gebieden wordt de soort geteld en kan een aantalstrend berekend worden. Voor de kamsalamander zijn 38 gebieden aangewezen (zie tabel 7.8.3). Het is niet duidelijk welke van deze gebieden in 2023 onderzocht zijn op het voorkomen van de kamsalamander. De gegevens zijn per definitie onvoldoende om voor de kamsalamander verspreidingstrends per gebied te berekenen. Aantallen van de kamsalamander worden pas sinds 2023 geteld, om die reden kunnen aantalstrends nog niet berekend worden.
| Soort | Natura 2000‑gebied |
|---|---|
| Geelbuikvuurpad | Bemelerberg & Schiepersberg |
| Geelbuikvuurpad | Geuldal |
| Kamsalamander | Aamsveen |
| Kamsalamander | Achter de Voort etc. |
| Kamsalamander | Bemelerberg & Schiepersberg |
| Kamsalamander | Boetelerveld |
| Kamsalamander | Brabantse Wal |
| Kamsalamander | Brunssummerheide |
| Kamsalamander | Buurserzand & Haaksbergerveen |
| Kamsalamander | Drentsche Aa |
| Kamsalamander | Drents-Friese Wold etc. |
| Kamsalamander | Dwingelderveld |
| Kamsalamander | Geuldal |
| Kamsalamander | Holtingerveld |
| Kamsalamander | Kampina & Oisterwijkse Vennen |
| Kamsalamander | Korenburgerveen |
| Kamsalamander | Landgoederen Brummen |
| Kamsalamander | Landgoederen Oldenzaal |
| Kamsalamander | Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux |
| Kamsalamander | Lingegebied & Diefdijk-Zuid |
| Kamsalamander | Loevestein etc. |
| Kamsalamander | Loonse en Drunense Duinen etc. |
| Kamsalamander | Maasduinen |
| Kamsalamander | Meijendel & Berkheide |
| Kamsalamander | Meinweg |
| Kamsalamander | Oeffelter Meent |
| Kamsalamander | Rijntakken |
| Kamsalamander | Roerdal |
| Kamsalamander | Sallandse heuvelrug |
| Kamsalamander | Springendal etc. |
| Kamsalamander | Stelkampsveld |
| Kamsalamander | Uiterwaarden Lek |
| Kamsalamander | Vecht- en Beneden-Reggegebied |
| Kamsalamander | Veluwe |
| Kamsalamander | Vlijmens Ven etc. |
| Kamsalamander | Willinks Weust |
| Kamsalamander | Witte Veen |
| Kamsalamander | Zouweboezem |
| Kamsalamander | Zwin & Kievittepolder |
Voortgang in 2023
In 2023 is door RAVON, in opdracht van het Ministerie van LNV, gewerkt aan een nieuwe Rode Lijst voor reptielen en amfibieën. De Rode Lijst zal begin 2024 gepubliceerd worden in de Staatscourant. Uiteraard wordt bij het maken van deze Rode Lijst gebruik gemaakt van in het kader van het NEM verzamelde informatie. Ook is in 2023 de handleiding van het meetprogramma amfibieën geheel geactualiseerd en is de vormgeving ervan in een nieuw jasje gestoken.
Aantalsmonitoring
Voor drie van de zes soorten waarvan aantallen geteld worden, zijn voldoende (recente) telgegevens beschikbaar en is de ligging van de telgebieden voldoende representatief voor de leefgebieden. Dat maakt dat voor geelbuikvuurpad, knoflookpad en vuursalamander jaarlijks betrouwbare landelijke trends berekend kunnen worden. Voor de kamsalamander kan nog geen aantalstrend berekend worden omdat in 2023 voor het eerst geteld is. De aantalstrends van de boomkikker en vroedmeesterpad zijn minder betrouwbaar. De boomkikker is in grote delen van Nederland uitgezet in gebieden waar de soort vroeger voorkwam en later verdwenen is. De uitzettingen zijn buiten de aandacht van het meetprogramma gebleven. Bij het opstellen van de Rode Lijst Reptielen en Amfibieën is recent, in samenspraak met het ministerie van LNV, besloten alle gebieden waar de soort is uitgezet en de soort vroeger ook al voorkwam, ook mee te nemen bij de Habitatrichtlijn rapportage. Dat betekent dat in die gebieden ook geteld moet worden teneinde een representatieve trend te kunnen berekenen die weergeeft hoe het met de soort in Nederland gaat. Hiervoor wordt het meetprogramma de komende jaren uitgebreid, want met de beslissing de gebieden waar de boomkikker is uitgezet mee te nemen is het verspreidingsgebied van de soort viermaal zo groot geworden. Er is tijd nodig om vrijwilligers te vinden om ook in die gebieden te tellen. De betrouwbaarheid van de aantalstrend van de vroedmeesterpad wordt om een andere reden betwijfeld. De indruk van RAVON is dat de trend, in vergelijking met wat RAVON waarneemt in het veld, te positief is. In 2023 is een start gemaakt met aantalsmonitoring van de kamsalamander, een HR-soort van bijlage II (zie tabel 7.8.3). Vrijwilligers zijn geworven en geïnstrueerd hoe te tellen. In vijftig poelen zijn fuikjes uitgezet (zes per poel).
Het aantal door vrijwilligers bezochte telgebieden in 2022, voor het tellen van boomkikker, vuursalamander, vroedmeesterpad, geelbuikvuurpad en knoflookpad, is ten opzichte van 2021 iets afgenomen (figuur 7.8.4). Voor de kamsalamander is nog niet duidelijk hoe de poelen zijn verdeeld over de telgebieden.
| Jaren | Watertjes |
|---|---|
| '97 | 50 |
| '98 | 57 |
| '99 | 55 |
| '00 | 66 |
| '01 | 77 |
| '02 | 85 |
| '03 | 78 |
| '04 | 83 |
| '05 | 90 |
| '06 | 79 |
| '07 | 85 |
| '08 | 94 |
| '09 | 74 |
| '10 | 93 |
| '11 | 89 |
| '12 | 102 |
| '13 | 92 |
| '14 | 100 |
| '15 | 116 |
| '16 | 121 |
| '17 | 126 |
| '18 | 130 |
| '19 | 129 |
| '20 | 129 |
| '21 | 126 |
| '22 | 112 |
Verspreidingsonderzoek
Voor de andere soorten, waarvoor met behulp van daglijstjes verspreidingstrends worden bepaald, zijn ruim voldoende gegevens beschikbaar. Het aantal bezochte km-hokken is hoog (figuur 7.8.5). De representativiteit van de verspreidingstrends is goed. De gegevens zijn namelijk niet alleen afkomstig uit het meetprogramma, maar ook uit de Nationale Database Flora & Fauna (NDFF). De NDFF bevat ook waarnemingen van groene bureaus, overheden en niet aan RAVON verbonden vrijwilligers. Voor de boomkikker lukt het momenteel niet een betrouwbare verspreidingstrend te berekenen.
| jaren | Kilometerhokken |
|---|---|
| '97 | 1910 |
| '98 | 1660 |
| '99 | 2192 |
| '00 | 2208 |
| '01 | 1923 |
| '02 | 2263 |
| '03 | 2154 |
| '04 | 2447 |
| '05 | 3551 |
| '06 | 2869 |
| '07 | 4415 |
| '08 | 4743 |
| '09 | 5259 |
| '10 | 5464 |
| '11 | 5472 |
| '12 | 5173 |
| '13 | 5036 |
| '14 | 5737 |
| '15 | 5403 |
| '16 | 6027 |
| '17 | 6196 |
| '18 | 6568 |
| '19 | 6910 |
| '20 | 8366 |
| '21 | 9801 |
| '22 | 10196 |
Het jaar 2023 is het laatste jaar van de huidige HR rapportageperiode. Het verspreidingsonderzoek is volgens schema verlopen.
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 6 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Bastaardkikker | 406 | 95 |
| Boomkikker | 61 | 98 |
| Bruine kikker | 438 | 99 |
| Geelbuikvuurpad | 5 | 100 |
| Heikikker | 229 | 86 |
| Kamsalamander | 200 | 88 |
| Knoflookpad | 47 | 91 |
| Meerkikker | 265 | 75 |
| Poelkikker | 241 | 93 |
| Rugstreeppad | 292 | 88 |
| Vroedmeesterpad | 7 | 100 |
Aandachtspunten
- Op peil houden van de bestaande aantalsmonitoring op meetpunten waar de zes soorten voorkomen waarvan aantallen worden geteld (RAVON). Voor de vroedmeesterpad, geteld door professionals, is er een probleem. In het verleden is er bezuinigd op deze tellingen. RAVON kan dit niet alleen oplossen.
- Zorgen dat het vrijwilligersnetwerk en de technische voorzieningen (database, kaartmodule verspreidingsonderzoek) op peil blijven (RAVON).
- RAVON is veel tijd kwijt aan het aanvragen van vergunningen die vrijwilligers nodig hebben om tellingen te kunnen doen. Sinds de decentralisatie van het natuurbeleid verloopt de vergunningaanvraag niet meer centraal maar voor iedere provincie apart. Daarnaast stellen de provincies elk verschillende eisen, valt soms moeilijk aan de eisen te voldoen en roepen de eisen vragen op. Al met al vergt de papierwinkel duidelijk meer tijd dan voorheen (Stuurgroep Monitoring).
- Opschalen van de aantalsmonitoring van boomkikker en kamsalamander, (RAVON).
- Levering tellingen kamsalamander tezamen met tellingen van de vijf overige soorten die geteld worden (RAVON) en uitvoeren poweranalyse teneinde aantal telronden per jaar te bepalen (CBS).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.
Informatie over RAVON: Website RAVON.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

7.9Zoetwatervissen
Algemeen
Middels het meetprogramma voor zoetwatervissen van het NEM worden visgegevens uit alle belangrijke (zoet) waterrijke gebieden van Nederland bij elkaar gebracht. Er wordt gestuurd op het inwinnen van verspreidingsgegevens.
Coördinatie: Stichting Reptielen, Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland (RAVON).
Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting RAVON, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage II en IV | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V | |
| EU Kaderrichtlijn Water: trends in zoete Rijkswateren | |
| Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000-gebieden en biotopen | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Natura 2000: trends in gezamenlijke Natura 2000‑gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
Soorten
De prioriteit van het meetprogramma voor zoetwatervissen ligt bij de vissoorten die vermeld worden op één of meerdere bijlagen van de Habitatrichtlijn. Tabel 7.9.2 geeft een overzicht van deze soorten en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. Daarnaast gaat er ook aandacht uit naar de vissensoorten die kenmerkend zijn voor een bepaald habitattype (de typische soorten). De opzet van het meetprogramma stelt het NEM echter in staat van veel meer zoetwatervissen de verspreiding en de trends in verspreiding (= aantal bezette 1 x 1 km-hokken per jaar) in beeld te brengen. De stand van de beekprik kan middels de opzet van het huidige meetprogramma niet goed in beeld gebracht worden. Om die reden is er een meetprogramma ontwikkeld waarbij de aantallen worden gemonitord door het tellen van larven. Het programma is in 2018 gestart en omvat vijftig trajecten verdeeld over het verspreidingsgebied. In 2021 zijn in 39 trajecten tellingen gedaan, daarmee is het streefaantal van 25 trajecten, waar tijdens een seizoen geteld wordt, ruimschoots gehaald. De rivierprik is opgenomen in het meetprogramma voor de zoetwatervissen, maar de verzamelde gegevens zijn door de Wettelijke Onderzoekstaken (WOT) niet gebruikt voor de Vogel- en Habitatrichtlijn rapportage over 2013–2018. Dat roept de vraag op of het zin heeft de soort via het NEM te blijven volgen. Vier invasieve exoten, amoergrondel, blauwband, zonnebaars en zwarte dwergmeerval, zijn opgenomen in het meetprogramma. Deze soorten worden vermeld op de Unielijst van de EU en worden gevolgd in opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De amoergrondel is nog niet in Nederland aangetroffen, de drie overige soorten wel. De zwarte dwergmeerval staat sinds 2022 op de Unielijst en is lastig te onderscheiden van de bruine dwergmeerval die ook in Nederland voorkomt. Tabel 7.9.2 geeft een overzicht van de soorten die zijn opgenomen in het meetprogramma en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. Voor de verspreiding van deze soorten, zie de figuren in de bijlage.
| Soort | Beleidsstatus1) | Verspreidingstrend landelijk | Aantalstrend landelijk |
|---|---|---|---|
| Amoergrondel | Exoot | . | . |
| Beekdonderpad | HR II | goed | . |
| Beekprik | HR II, ANLb | goed | matig |
| Bermpje | TYP | goed | . |
| Bittervoorn | HR II, ANLb | goed | . |
| Blauwband | Exoot | goed | . |
| Grote modderkruiper | HR II, ANLb | goed | . |
| Kleine modderkruiper | HR II, ANLb | goed | . |
| Rivierdonderpad2) | HR II, ANLb | goed | . |
| Rivierprik3) | HR II en V | goed | . |
| Ruisvoorn | TYP | slecht | . |
| Snoek | TYP | goed | . |
| Zeelt | TYP | goed | . |
| Zonnebaars | Exoot | goed | . |
| Zwarte dwergmeerval | Exoot | slecht |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort HR; ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.
2)De donderpad, die op de Habitatrichtlijn genoemd wordt (Cottus gobio), blijkt niet in Nederland voor te komen, maar wel de enige jaren geleden ontdekte soorten rivierdonderpad (Cottus perifretum) en beekdonderpad (Cottus rhenanus). Het ministerie van EZ verwacht dat deze twee nieuwe soorten op termijn als HR soort zullen worden aangemerkt.
3)Wageningen Marine Research verzamelt i.o.v. Rijkswaterstaat telgegevens van de rivierprik. Die gegevens worden gebruikt voor de HR rapportage.
Gegevens
Visgegevens worden met verschillende methoden (zoals schepnet, elektrisch schepnet, zegen, kuil, fuik, hengel en eDNA) in verschillende delen van het watersysteem en door verschillende waterbeherende organisaties verzameld: grote rivieren, kanalen en meren veelal door Rijkswaterstaat en regionale wateren veelal door waterschappen. Deze gegevens, en gegevens van adviesbureaus en nog wat kleinere bronnen, worden bijeengebracht door RAVON. Toch zijn er nog wateren en regio’s die niet goed onderzocht zijn op het voorkomen van de soorten uit het meetprogramma. Om een goede landelijke dekking te verkrijgen, worden die gebieden door vrijwilligers met specifieke methoden (schepnet, zaklamp, prikkencilinder) geïnventariseerd. De coördinatie hiervan is in handen van RAVON. Een beschrijving van de werkwijze per soort is te vinden op de website van RAVON (zie onder Links). Voor veel soorten zijn betrouwbare landelijke trends beschikbaar vanaf 1990.
Natura 2000‑gebieden
Er zijn zeven vissoorten die vermeld worden op bijlage II van de Habitatrichtlijn. Voor zes van deze soorten zijn Natura 2000‑gebieden aangewezen. Zie tabel 7.9.3 voor een overzicht van de gebieden en de vissoorten waarvoor de gebieden aangewezen zijn. De gegevens zijn per definitie onvoldoende om voor de afzonderlijke soorten verspreidingstrends per gebied te berekenen.
| Natura 2000‑gebied | Soorten HR Bijlage II |
|---|---|
| Alde Faenen | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Biesbosch | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, rivierprik |
| Binnenveld | grote modderkruiper |
| Botshol | kleine modderkruiper |
| Buurserzand & Haaksbergerveen | grote modderkruiper |
| De Wieden | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Deurnse Peel & Mariapeel | bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Dinkelland | beekprik, bittervoorn, rivierdonderpad |
| Drentsche Aa-gebied | grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, rivierprik |
| Eilandspolder | bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Geuldal | beekprik, rivierdonderpad |
| Grensmaas | rivierdonderpad, rivierprik |
| Groote Wielen | bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Haringvliet1) | bittervoorn, rivierdonderpad, rivierprik |
| Hollands Diep | rivierprik |
| IJsselmeer | rivierdonderpad |
| Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Kampina & Oisterwijkse Vennen | kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Kempenland-West | kleine modderkruiper |
| Kennemerland-Zuid | kleine modderkruiper |
| Krammer-Volkerak | kleine modderkruiper |
| Langstraat | grote modderkruiper, kleine modderkruiper |
| Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux | beekprik, bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Leudal | bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Lingegebied & Diefdijk-Zuid | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper |
| Loevestein, Pompveld & Kornsche boezem | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Maas bij Eijsden | rivierdonderpad, rivierprik |
| Maasduinen | kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Markermeer & IJmeer | kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Meijendel & Berkheide | kleine modderkruiper |
| Meinweg | beekprik |
| Naardermeer | bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Noordzeekustzone1) | rivierprik |
| Oeffelter Meent | kleine modderkruiper |
| Olde Maten & Veerslootslanden | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper |
| Oostelijke Vechtplassen | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Oudegaasterbrekken etc | kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Polder Westzaan | bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Rijntakken2) | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, rivierprik |
| Roerdal | beekprik, bittervoorn, grote modderkruiper, rivierprik, rivierdonderpad |
| Rottige Meenthe & Brandemeer | bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Springendal & Dal van de Mosbeek | beekprik |
| Stabrechtse Heide & Beuven | kleine modderkruiper |
| Swalmdal | rivierdonderpad |
| Uiterwaarden Zwarte water en Vecht | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Van Oordts Mersken | grote modderkruiper, kleine modderkruiper |
| Vecht- en Beneden-Reggegebied | bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Veluwe | beekprik, rivierdonderpad |
| Veluwerandmeren | kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Vlakte van de Raan1) | rivierprik |
| Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper |
| Voordelta1) | rivierprik |
| Waddenzee1) | rivierprik |
| Weerribben | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Weerter- en Budelerbergen & Ringselven | bittervoorn, kleine modderkruiper |
| Westerschelde & Saeftinghe1) | rivierprik |
| Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
| Zouweboezem | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper |
| Zwarte Meer | bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad |
1)In deze gebieden vindt geen monitoring plaats in het kader van het NEM. De gebieden zijn niet geschikt voor monitoring door vrijwilligers.
2)Rivierprik wordt hier niet gemonitord.
Voortgang in 2023
In 2019 is in het meetprogramma voor de beekprik een knelpunt ontstaan. Vrijwilligers van RAVON kregen in Limburg van Waterschap Limburg onvoldoende ruimte om het meetprotocol uit te voeren. Waterschap Limburg gaf de vrijwilligers namelijk geen toestemming om de beken te betreden. Na overleg tussen RAVON en Waterschap Limburg heeft het waterschap in 2021 wel toestemming gegeven voor monitoring van de beekprik in dat jaar. RAVON heeft echter sinds 2022 geen toestemming meer gekregen voor de monitoring. Het niet kunnen monitoren van de beekprik in Limburg blijft dus een knelpunt, terwijl de Limburgse populatie een substantieel deel van de Nederlandse beekprikkenpopulatie omvat. Zonder informatie uit Limburg is er geen representatieve trend voor de Nederlandse beekprikkenpopulatie te bepalen. Voor de beekdonderpad, een soort die, wat Nederland betreft, bijna alleen in Limburg voorkomt, geldt ook dat RAVON-vrijwilligers geen toestemming van het waterschap krijgen om naar deze soort te zoeken.
Teldekking
Er worden in Nederland veel visgegevens verzameld door verschillende organisaties die zich elk op specifieke wateren richten. Daardoor zijn de verzamelde gegevens representatief voor de leefgebieden van de verschillende soorten. De visgegevens die waterschappen verzamelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn vanwege de hoeveelheid gegevens en de goede landelijke dekking een belangrijke bron.
De bemonsteringen worden door de waterschappen echter niet elk jaar gedaan, maar eens in de drie tot zes jaar. Verder worden de gegevens met enige vertraging in de NDFF gezet en waarschijnlijk zetten niet alle waterschappen hun data in de NDFF, sommigen geven de data alleen aan het Informatiehuis Water (IHW). Dat bemoeilijkt het jaarlijks berekenen van trends. Rijkswaterstaat verzamelt jaarlijks visgegevens van de grote rivieren, maar deze gegevens worden tot nu toe niet door Rijkswaterstaat in de NDFF gezet. Het IJsselmeer wordt bemonsterd door WMR. Ook deze gegevens komen niet direct in de NDFF terecht.
Afgesproken is om, vanwege de tijd die nodig is om de gegevens van alle partijen bij elkaar te krijgen, de trendberekeningen vanaf 2022 eens in de twee jaar uit te voeren in plaats van jaarlijks (in 2022 zijn verspreidingstrends berekend). Om het tijdschema van de berekeningen te kunnen bepalen moet de gegevensstroom van waterschappen, RWS en andere partijen naar NDFF en IHW beter in kaart worden gebracht.
RAVON voegt aan iedere waarneming informatie toe over het watertype waaruit de waarneming afkomstig is. Tegenwoordig wordt bij het berekenen van de verspreidingstrends gestratificeerd naar waterschap i.p.v. naar fysisch geografische regio. Dit betekent dat er voor veel soorten trends per waterschap beschikbaar zijn.
In 2023 is door RAVON gewerkt aan het in kaart brengen van de mogelijkheden om met behulp van KRW data aantalstrends te berekenen voor een aantal vissoorten. Gebleken is dat in veel datasets informatie om dat te kunnen doen ontbreekt. Denk bijvoorbeeld aan de coördinaten van een traject waarop gevist is. Bij een aantal waterbeheerders zijn die gegevens wel beschikbaar, maar dan op een te hoog aggregatieniveau, zoals waterlichaamniveau. Voor de analyses moet dit op trajectniveau zijn. Hierdoor lukt het niet om op landelijk niveau aantalstrends te berekenen.
| jaren | Kilometerhokken |
|---|---|
| '90 | 797 |
| '91 | 891 |
| '92 | 1316 |
| '93 | 1520 |
| '94 | 2057 |
| '95 | 1234 |
| '96 | 1666 |
| '97 | 1361 |
| '98 | 1056 |
| '99 | 1288 |
| '00 | 1359 |
| '01 | 1282 |
| '02 | 1688 |
| '03 | 1888 |
| '04 | 1960 |
| '05 | 2626 |
| '06 | 3658 |
| '07 | 4750 |
| '08 | 4633 |
| '09 | 5926 |
| '10 | 5689 |
| '11 | 6175 |
| '12 | 7629 |
| '13 | 8546 |
| '14 | 9288 |
| '15 | 7156 |
| '16 | 6950 |
| '17 | 6020 |
| '18 | 6411 |
| '19 | 4461 |
| '20 | 4485 |
| '21 | 4122 |
Verspreidingsonderzoek
Het jaar 2023 is het laatste jaar van de huidige HR-rapportageperiode. Het verspreidingsonderzoek is voor vijf van de zeven soorten volgens planning verlopen. Voor de rivierdonderpad is dit niet het geval. Deze soort gaat de laatste jaren achteruit vanwege de opkomst van de exotische grondels (Kesslers grondel, marmergrondel, Pontische stroomgrondel en zwartbekgrondel). Met name de zwartbekgrondel lijkt verantwoordelijk voor de achteruitgang. Voor het vaststellen dat een 10 x 10 km-hok bezet is door een soort, kan één bezoek al volstaan. Om vast te stellen dat een soort niet meer voorkomt in een 10 x 10 km-hok, zijn meer bezoeken nodig. Het beeld van de verspreiding van de rivierdonderpad op 10 x 10 km-hokniveau is nu onvoldoende helder. Het verspreidingsonderzoek naar de grote modderkruiper is eveneens wat moeizamer verlopen, gelukkig gaat deze soort niet achteruit. Wel is deze soort moeilijk te vinden, waardoor veel inspanning nodig is om aan- en afwezigheid op 10 x 10 km-hokniveau vast te stellen. Vergeleken met de vorige rapportageperiode is het zicht op de verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau net zo duidelijk, maar er zijn 33 10 x 10 hokken waarvan al twee rapportageperiodes achtereen niet duidelijk is of de soort er wel of niet voorkomt. De volgende rapportageperiode zal er meer aandacht uit moeten gaan naar het actualiseren van de verspreiding van deze twee soorten. Voor de verspreiding van deze soorten, zie de figuren in de bijlage. In 2023 is onderzoek gedaan naar hoe op efficiënte wijze aan- en afwezigheid van de zwarte dwergmeerval is aan te tonen. In 2024 wordt daar een notitie over opgeleverd die helderheid geeft welk vangtuig het best gebruikt kan worden en welke vangstinspanning daarbij minimaal geleverd dient te worden.
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 6 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Beekdonderpad | 7 | 100 |
| Beekprik | 28 | 89 |
| Bittervoorn | 258 | 85 |
| Grote modderkruiper | 163 | 69 |
| Kleine modderkruiper | 331 | 87 |
| Rivierdonderpad | 219 | 60 |
| Rivierprik | 6 | 83 |
Aandachtspunten
- Actualisatie van het actueel en potentieel leefgebied van de grote modderkruiper en de rivierdonderpad (RAVON).
- In kaart brengen van de gegevensstroom van waterschappen naar de NDFF (CBS, RAVON).
- In gesprek blijven met Waterschap Limburg over het monitoren van de beekprik in Limburg (RAVON, Stuurgroep Monitoring).
- Duidelijke afspraken over samenstelling van de beekprik-dataset (RAVON, CBS).
- Herkennen KRW data van waterschappen en Rijkswaterstaat in de visgegevens die RAVON levert (RAVON).
- Overleggen met de WOT over de rivierprik om helder te krijgen welke gegevens gebruikt zullen worden in de volgende VHR rapportage, zodat bepaald kan worden of het zin heeft de soort via het NEM te monitoren (Stuurgroep Monitoring).
- In kaart brengen welke voor vissen aangewezen Natura 2000‑gebieden onderbemonsterd zijn (RAVON).
Links
Trends HR soorten en graadmeter: Compendium voor de Leefomgeving.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.
Informatie over RAVON: Website RAVON.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.
7.10Vlinders
Algemeen
Vlinders worden geteld via twee meetprogramma’s: vlinders en nachtvlinders.Beide meetprogramma’s bestaan uit twee onderdelen: aantalsmonitoring en verspreidingsonderzoek.
Coördinatie: De Vlinderstichting.
Uitvoering: Vrijwilligers, De Vlinderstichting, terreinbeherende organisaties, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000-gebieden en per biotoop | |
| Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Biodiversiteit Insecten | |
| Graadmeters Natuurnetwerk Nederland | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied1) | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, per biotoop etc. | |
| Stadsnatuur: landelijke trends | |
1)Van matig sturend naar indirect meetdoel.
Soorten
Tabel 7.10.2 geeft een overzicht van de in totaal 34 soorten die zijn opgenomen in de meetprogramma’s en de mogelijkheid van het berekenen van betrouwbare aantals- en/of verspreidingstrends. Het gaat hierbij om negen soorten die in de Habitatrichtlijn worden genoemd en 27 soorten die als typische soort te boek staan (van deze groep behoren er twee ook tot de groep van negen soorten van de Habitatrichtlijn).
| Soort | Beleidsstatus1) | Type meetgegevens | Kwaliteit landelijke trend | Opmerkingen |
|---|---|---|---|---|
| Aardbeivlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Apollovlinder | HR IV | . | . | verdwenen uit NL |
| Bruin blauwtje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Bruin dikkopje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Donker pimpernelblauwtje | HR II en IV | aantal4) en verspreiding5) | goed | |
| Duinparelmoervlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Dwergblauwtje | TYP | . | . | verdwenen uit NL |
| Eikenpage | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Geelsprietdikkopje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Gentiaanblauwtje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Groentje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Grote ijsvogelvlinder | TYP | . | . | verdwenen uit NL |
| Grote parelmoervlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Grote vuurvlinder | HR II en IV, TYP | aantal4) en verspreiding5) | goed | |
| Grote weerschijnvlinder | TYP | . | .6) | moeilijk meetbaar |
| Heideblauwtje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Heivlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Kleine heivlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Kleine ijsvogelvlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Kleine parelmoervlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Kommavlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Moerasparelmoervlinder | HR II, TYP | . | . | verdwenen uit NL |
| Pimpernelblauwtje | HR II en IV | aantal4) en verspreiding5) | goed | |
| Purperstreepparelmoervlinder | TYP | . | . | verdwenen uit NL |
| Spaanse vlag2) | HR II* | aantal4) en verspreiding5) | goed | |
| Teunisbloempijlstaart2) | HR IV | . | .6) | zeldzaam |
| Tijmblauwtje | HR IV | . | . | verdwenen uit NL |
| Tweekleurig hooibeestje | TYP | . | . | verdwenen uit NL |
| Vals heideblauwtje | TYP | . | . | verdwenen uit NL |
| Veenbesblauwtje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Veenbesparelmoervlinder | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Veenhooibeestje | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Zilveren maan | TYP | verspreiding | goed3) | |
| Zilverstreephooibeestje | HR IV | . | . | verdwenen uit NL |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage, * = prioritaire soort; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.
2)Nachtvlinder.
3)Deze soort lift als goed gevolgd tevens mee in het meetnet aantalsmonitoring.
4)Populatiegrootte in 1 x 1 km-hok, en populatietrend landelijk.
5)Verspreiding in 10 x 10 km-hok, verspreidingstrend in 10 x 10 km-hok.
6)Zeldzame en/of moeilijk meetbare soort die zo goed mogelijk gevolgd wordt via het verspreidingsonderzoek.
Gegevens
Gegevensinwinning
Aantalsmonitoring vlinders
In het meetonderdeel aantalsmonitoring worden alle in ons land voorkomende dagvlindersoorten en enkele dagactieve nachtvlinders geteld via vaste routes van doorgaans 1 km lang. Deze worden elk jaar op dezelfde manier geteld. Gedurende het hele seizoen tussen 1 april en 1 oktober wordt in principe wekelijks genoteerd welke soorten er voorkomen en in welke aantallen. Vanwege de vervroeging van de vliegtijd door klimaatverandering is genoemde periode vrijgegeven en worden tellingen verricht onder weersomstandigheden die voldoen aan de minimumeisen buiten de aangegeven periode ook meegenomen. Daarnaast zijn er routes gericht op één soort, met alleen tellingen in de hoofdvliegtijd van die soort. Voor ruim de helft van de te volgen soorten gaat het om een steekproef van enige honderden meetlocaties in hun leefgebieden. Van de andere soorten wordt op alle locaties waar de soort voorkomt een telroute uitgezet. Daarnaast zijn er drie soorten die geteld worden via ei-tellingen (gentiaanblauwtje, sleedoornpage en grote vuurvlinder), omdat tellen van de volwassen dieren niet mogelijk is (ze zijn te zeldzaam en obscuur om aantallen van betekenis te kunnen vaststellen door middel van telroutes). De veldwerkhandleiding is te vinden via de website van het NEM (zie Links).
Bij de statistische analyse worden de cijfers van de steekproefsoorten door weging gecorrigeerd voor over- en onderbemonstering van bepaalde regio’s en begroeiingstypen.
Weegfactoren worden per soort afgeleid uit de oppervlakte geschikt leefgebied binnen het maximale verspreidingsareaal. Omdat de weegfactoren van een aantal soorten verouderd waren, is in 2022 een nieuwe wegingsmethode ontwikkeld waarbij het potentieel leefgebied wordt bepaald aan de hand van de kans op aanwezigheid op basis van de occupancy uitkomsten op 10 x 10 km hokniveau, waarbij gewogen wordt naar substrata/subpopulaties op basis van fysisch geografische regio in combinatie met begroeiingstype. Er zijn hiervoor begroeiingstypekaarten gemaakt van de situatie in 1990 (start aantalsmeetnet) en die in 2015, die als basis dienen voor de bepaling van nieuwe weegfactoren. De nieuwe weegfactoren zijn voor het eerst toegepast bij de berekening van de trends tot en met 2022 (publicatie maart 2023).
Aantalsmonitoring nachtvlinders
Systematische aantalsmonitoring van nachtvlinders wordt gedaan met behulp van gestandaardiseerde vlindervallen, met name de speciaal hiervoor ontwikkelde LedEmmer. De val wordt minimaal eens in de twee weken aan het begin van de avond geplaatst en bij zonsopkomst worden de nachtvlinders in de val geïdentificeerd, geteld en weer losgelaten. Een aantal dagactieve nachtvlindersoorten wordt geteld via de aantalsmonitoring dagvlinders. Tenslotte zijn er enkele soortgerichte routes voor de Spaanse vlag en de Phegeavlinder.
Verspreidingsonderzoek dag- en nachtvlinders
Het verspreidingsonderzoek bestaat uit verschillende gegevensstromen. Allereerst vindt er gegevensinzameling plaats die is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende soorten van bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn (HR) op 10 x 10 en 5 x 5 km-hokniveau. Daarnaast is er verspreidingsonderzoek van de overige soorten op 5 x 5 km-hokniveau. Het doel daarvan is om de Rode Lijst status van soorten te kunnen actualiseren, met bijzondere aandacht voor de urgent bedreigde typische soorten. De verdere gegevensinwinning van de HR soorten en de typische soorten bestaat uit gerichte inventarisaties van km-hokken volgens een gestandaardiseerd protocol.
Naast het systematisch opgezette aantalsmeetnet en het gerichte verspreidingsonderzoek worden veel gegevens over dagvlinders verzameld zonder gebruik van een vast meetprotocol, in de vorm van soortenlijsten (ook wel flextellingen genoemd) of losse tellingen van één soort. Flextellingen via LiveAtlas of ButterflyCount komen op dit moment nog niet in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) terecht, maar er wordt aan gewerkt om dit te realiseren, zodat het CBS deze data mee kan nemen in de analyse. Daarnaast zijn er waarnemingen van professionals, zoals boswachters en ecologen, die inventarisaties uitvoeren in minder toegankelijke gebieden, bijvoorbeeld in het kader van Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Een deel hiervan komt in de NDFF terecht, afhankelijk van het gekozen invoerplatform, en is daarmee beschikbaar voor verspreidingsonderzoek.
De gegevens van HR soorten worden verwerkt tot verspreidingskaarten op 10 x 10 km-hokniveau. Het gaat om de grote vuurvlinder, pimpernelblauwtje, donker pimpernelblauwtje (dagvlinders), en de teunisbloempijlstaart en de Spaanse vlag (nachtvlinders).
Voor het bepalen van de actuele verspreiding en de trend daarin, worden zogenaamde occupancy-modellen routinematig toegepast. Deze modellen zijn tevens bruikbaar om te onderzoeken of bepaalde hokken voldoende zijn onderzocht om een soort te vinden wanneer deze aanwezig is.
Het doel is om in de zesjaarlijkse HR rapportageperiode 2019–2024 alle hokken van het actuele en potentiële verspreidingsgebied te inventariseren. Omdat de gegevens uit 2018 niet meer konden worden meegenomen bij de vorige HR rapportage (2013–2018), geldt 2018 als het eerste jaar van de huidige zesjarige rapportageperiode (2019–2024). Praktisch gezien is 2023 hiermee het zesde jaar van de huidige rapportageperiode.
| Soort | Natura 2000‑gebied | Meetpunten laatste 3 jaar | Opmerking |
|---|---|---|---|
| Donker pimpernelblauwtje | Roerdal | ja | |
| Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | ja | geen populatie aanwezig | |
| Grote vuurvlinder | De Wieden | nee | geen populatie aanwezig |
| Rottige Meente & Brandemeer | ja | ||
| Weerribben | ja | ||
| Pimpernelblauwtje | Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | ja | |
| Spaanse vlag | Bemelerberg & Schiepersberg | ja | |
| Geuldal | ja | ||
| Savelsbos | ja | ||
| Sint Pietersberg & Jekerdal | ja |
Voortgang 2023
Teldekking meetnet aantalsmonitoring (t/m 2023)
De telgegevens voor dagvlinders zijn afkomstig van in totaal 3 362 routes over de periode 1990–2023. In 2023 zijn er gegevens binnengekomen van in totaal 1 361 routes (figuur 7.10.4), waarvan circa 1 116 algemene routes, 123 soortgerichte routes (waarvan dertig routes met totaal schattingen) en 122 ei-telplots. Daarnaast zijn ook nog aparte, soortgerichte routes voor twee soorten dagactieve nachtvlinders: zestien voor de Spaanse vlag en vier voor de Phegeavlinder.
Van vrijwel alle 34 voor de NEM meetdoelen onderzochte soorten zijn landelijke trend- en indexcijfers van goede kwaliteit beschikbaar (tabel 7.10.2), evenals per fysisch geografische regio, provincie en begroeiingstype. Van alle habitatrichtlijnsoorten zijn de tijdreeksen van goede kwaliteit. Er is één Natura 2000‑gebied zonder recente meetpunten, maar daaruit is de betreffende HR soort inmiddels verdwenen (tabel 7.10.3).
De telgegevens voor nachtvlinders zijn sterk gegroeid sinds de start van het meetnet. Er zijn inmiddels 1 199 meetpunten, waarvan 44% in het agrarisch gebied en 40% in stedelijk gebied. De vele meetpunten in agrarisch gebied zijn mogelijk gemaakt door het project Boeren Insecten Monitoring Agrarisch Gebied (BIMAG), dat tenminste tot 2024 doorloopt. Het aantal meetpunten in meer natuurlijke habitats (bos, duin, heide, etc.) is relatief laag (16%).
| jaren | dagvlinders | nachtvlinders |
|---|---|---|
| '90 | 114 | 3 |
| '91 | 171 | 2 |
| '92 | 250 | 2 |
| '93 | 268 | 2 |
| '94 | 286 | 2 |
| '95 | 315 | 2 |
| '96 | 351 | 2 |
| '97 | 406 | 2 |
| '98 | 448 | 3 |
| '99 | 508 | 3 |
| '00 | 557 | 5 |
| '01 | 601 | 5 |
| '02 | 616 | 5 |
| '03 | 794 | 5 |
| '04 | 784 | 5 |
| '05 | 833 | 5 |
| '06 | 833 | 5 |
| '07 | 908 | 6 |
| '08 | 901 | 7 |
| '09 | 866 | 7 |
| '10 | 880 | 7 |
| '11 | 909 | 10 |
| '12 | 903 | 12 |
| '13 | 933 | 17 |
| '14 | 909 | 66 |
| '15 | 964 | 48 |
| '16 | 976 | 55 |
| '17 | 1080 | 56 |
| '18 | 1067 | 164 |
| '19 | 1210 | 303 |
| '20 | 1237 | 612 |
| '21 | 1391 | 828 |
| '22 | 1444 | 1030 |
| '23 | 1379 | 1199 |
Teldekking meetnet verspreidingsonderzoek
Van de vijf HR soorten zijn alle bekende 10 x 10 km-hokken onderzocht binnen de huidige verslagperiode (geactualiseerd overzicht in tabel 7.10.5). Ook zijn er veel actuele verspreidingsgegevens voorhanden op 5 x 5 km-hokniveau.
| 10 x 10 km- hokken | Geactualiseerd na 6 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Donker pimpernelblauwtje | 2 | 100 |
| Grote vuurvlinder | 6 | 100 |
| Pimpernelblauwtje | 2 | 100 |
| Spaanse vlag | 148 | 100 |
| Teunisbloempijlstaart | 204 | 100 |
| jaren | geteld |
|---|---|
| '90 | 1832 |
| '91 | 3431 |
| '92 | 4476 |
| '93 | 5210 |
| '94 | 5695 |
| '95 | 7416 |
| '96 | 7843 |
| '97 | 7591 |
| '98 | 6897 |
| '99 | 6757 |
| '00 | 7921 |
| '01 | 5843 |
| '02 | 6638 |
| '03 | 8326 |
| '04 | 7747 |
| '05 | 9969 |
| '06 | 11407 |
| '07 | 13792 |
| '08 | 10605 |
| '09 | 17578 |
| '10 | 15511 |
| '11 | 16184 |
| '12 | 15888 |
| '13 | 18133 |
| '14 | 20251 |
| '15 | 17783 |
| '16 | 18448 |
| '17 | 20144 |
| '18 | 20407 |
| '19 | 22124 |
| '20 | 23158 |
| '21 | 24790 |
| '22 | 24842 |
Ontwikkelingen
Het totaal aantal meetroutes voor de aantalsmonitoring van vlinders groeit nog steeds gestaag door. Er komen vooral algemene routes bij waarop ook vaak dagactieve nachtvlinders en hommels geteld worden. Het aantal soortgerichte routes en ei-telplots blijft licht dalen. Deels komt dit bij de soortgerichte routes door de omzetting naar algemene routes (wat beschouwd moet worden als een uitbreiding van de waarneeminspanning), maar de continuering van de afname heeft vooral te maken met de verdergaande afname van zeldzame soorten, waarbij in het geval van het lokaal verdwijnen van een soort wordt gestopt met tellen (bij de ei-telplots speelt dit met name bij het gentiaanblauwtje).
Vanaf seizoen 2023 kunnen waarnemingen van zowel dag- als nachtvlinders rechtstreeks in het veld ingevoerd worden via een speciaal daarvoor ontwikkelde app. Dit heeft de efficiëntie van het meetnet sterk bevorderd. De app beschikt nog niet over automatische beeldherkenning. Dit zou, met name voor tellers van nachtvlinders, de efficiëntie van het meetnet nog verder kunnen bevorderen.
Het aantal flextellingen neemt de afgelopen jaren sterk toe. Voor het verspreidingsonderzoek is het zaak om deze tellingen toe te voegen aan de NDFF, zodat het CBS deze data op gestandaardiseerde wijze kan meenemen in de analyse.
Aandachtspunten
- Zorgen dat het vrijwilligersnetwerk en de technische voorzieningen (database, invoermogelijkheden, beeldherkenning voor nachtvlinders) op peil blijven (De Vlinderstichting).
- Uitbreiding van het aantal nachtvlindermeetpunten in natuurgebieden (De Vlinderstichting).
- Blijven inzetten op standaardisatie van nachtvlindervallen (gebruik van LedEmmer).
- Flextellingen toevoegen aan de NDFF (De Vlinderstichting).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en links naar handleidingen: Website De Vlinderstichting.
Informatie over De Vlinderstichting: Website De Vlinderstichting.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.


7.11Libellen
Algemeen
Het meetprogramma libellen bestaat uit twee onderdelen: aantalsmonitoring en verspreidingsonderzoek.
Coördinatie: De Vlinderstichting.
Uitvoering: Vrijwilligers, De Vlinderstichting, EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden (EIS), terreinbeherende organisaties, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten | |
| Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijke trends | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000-gebieden en per biotoop | |
| Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten | |
| Biodiversiteit Insecten | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied1) | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, per biotoop etc. | |
| Stadsnatuur: landelijke trends | |
1)Van matig sturend naar indirect meetdoel.
Soorten
Het meetprogramma libellen volgt 22 soorten. Negen van deze soorten worden vermeld op één of meerdere bijlagen van de Habitatrichtlijn en 19 van de 22 soorten worden gezien als kenmerkend voor een bepaald habitattype (de typische soorten), zie tabel 7.11.2.
Het doel is om in de zesjaarlijkse HR rapportageperiode 2019–2024 alle hokken van het actuele en potentiële verspreidingsgebied te inventariseren. Omdat de gegevens uit 2018 niet meer konden worden meegenomen bij de vorige HR rapportage (2013–2018), geldt 2018 als het eerste jaar van de huidige zesjarige rapportageperiode (2019–2024).
| Soort | Beleidsstatus1) | Type meetgegevens | Kwaliteit landelijke trend | Opmerkingen |
|---|---|---|---|---|
| Beekrombout | TYP | verspreiding | goed | |
| Bruine korenbout | TYP | verspreiding | goed | |
| Bronslibel | HR II en IV | . | . | incidenteel in NL |
| Bruine winterjuffer | TYP | verspreiding | goed | |
| Donkere waterjuffer | TYP | verspreiding | goed | aantal wordt gevolgd |
| Gaffellibel | HR II en IV, TYP | aantal | goed | afwijkende methode |
| Gevlekte witsnuitlibel | HR II en IV, TYP | aantal | goed | |
| Gewone bronlibel | TYP | verspreiding | goed | |
| Glassnijder | TYP | verspreiding | goed | |
| Groene glazenmaker | HR IV, TYP, ANLb | aantal | goed | |
| Hoogveenglanslibel | TYP | verspreiding | goed | |
| Kempense heidelibel | TYP | verspreiding | .2) | sterke fluctuaties |
| Mercuurwaterjuffer | HR II | . | . | verdwenen uit NL |
| Noordse glazenmaker | TYP | verspreiding | .2) | korte periode |
| Noordse winterjuffer | HR IV | aantal | goed | |
| Oostelijke witsnuitlibel | HR IV, TYP | aantal | goed | |
| Rivierrombout | HR IV, TYP | . | .2) | afwijkende methode |
| Sierlijke witsnuitlibel | HR IV, TYP | aantal | goed | |
| Speerwaterjuffer | TYP | verspreiding | goed | aantal wordt gevolgd |
| Venwitsnuitlibel | TYP | verspreiding | goed | |
| Vroege glazenmaker | TYP | verspreiding | goed | |
| Weidebeekjuffer | TYP | verspreiding | goed |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn; ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.
2)Zeldzame en/of moeilijk meetbare soort die zo goed mogelijk gevolgd wordt via het verspreidingsonderzoek.
Gegevens
Gegevensinwinning
Aantalsmonitoring
Vrijwilligers van De Vlinderstichting verzamelen tellingen van alle in ons land voorkomende libellensoorten. Op vaste routes van gemiddeld 250 meter lang wordt elk jaar op dezelfde manier het aantal individuen van elke soort geteld. Gedurende het hele seizoen tussen 1 mei en 1 oktober wordt in principe om de twee weken genoteerd welke soorten voorkomen en in welke aantallen. Daarnaast zijn er routes gericht op één soort, met alleen een drietal tellingen in de hoofdvliegtijd van de soort.
Voor algemene tot schaarse soorten zijn de routes een steekproef; voor de meer zeldzame soorten wordt in principe op alle locaties waar de soort voorkomt een telroute uitgezet. De gaffellibel wordt middels een aangepaste methode gevolgd. Ook de rivierrombout wordt vanaf 2012 middels een aangepaste methode gevolgd op plekken waar de kans het grootst is de soort aan te treffen (riviersluiptelling). De algemene veldwerkhandleiding en die van de rivierrombouttelling zijn te vinden via de website van het NEM en De Vlinderstichting (zie onderaan bij links).
Tot 2017 werden alleen langs de eerste 100 meter van de route alle soorten geteld, en daarna alleen de ‘grote libellen’ (dit zijn de beekjuffers en de echte libellen (Anisoptera) minus de heidelibellen). In 2017 is een nieuwe methode ingevoerd, waarbij langs de gehele route alle soorten worden geteld. Deze methode sluit aan bij de methodiek van de dagvlinders. Ze wordt zowel toegepast op alle routes die vanaf 2017 nieuw worden uitgezet als op al bestaande routes waarvan de tellers wilden overstappen naar de nieuwe methode. Voor tellers die niet wilden overstappen bleef het mogelijk om via de oude methodiek te tellen.
Voor de meeste meer algemene soorten blijkt het meetprogramma onvoldoende routes te omvatten om representatieve landelijke populatietrends te berekenen. Voor deze groep wordt alleen de trend in verspreiding in beeld gebracht op basis van informatie over aan- of afwezigheid in 1 x 1 km-hokken.
Verspreidingsonderzoek
Het verspreidingsonderzoek is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende soorten van bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn (HR) op 10 x 10 km-hokniveau. Het doel is om in de zesjaarlijkse HR rapportageperiode alle hokken van het gezamenlijke actuele en potentiële verspreidingsgebied te inventariseren. Om het beeld compleet te krijgen, zowel qua verspreiding als aantallen, is extra inspanning verricht voor een aantal soorten die voorkomen in kwetsbare of ontoegankelijke gebieden (noordse winterjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte witsnuitlibel, sierlijke witsnuitlibel, gaffellibel). Ook wordt er speciale aandacht besteed aan de rivierrombout, een soort die het beste door middel van tellingen van huidjes van uitgeslopen libellenlarven op rivierstranden geteld kan worden. Daarnaast wordt het verspreidingsonderzoek gebruikt om de landelijke trend van negentien typische soorten te volgen.
Daarnaast is er een meetdoel voor de trend in verspreiding van soorten op 5 x 5 km-hokniveau. Het doel daarvan is om de Rode Lijst status van soorten te kunnen actualiseren, met bijzondere aandacht voor de urgent bedreigde typische soorten. En er is een afgeleid meetdoel, namelijk trends in aantal bezette 1 x 1 km-hokken voor de typische soorten.
Naast het systematisch opgezette aantalsmeetnet en het gerichte verspreidingsonderzoek worden veel gegevens over libellen verzameld zonder gebruik van een vast meetprotocol, in de vorm van soortenlijsten (ook wel flextellingen genoemd) of losse tellingen van één soort. Flextellingen via LiveAtlas of ButterflyCount komen op dit moment nog niet in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) terecht, maar er wordt aan gewerkt om dit te realiseren, zodat het CBS deze data mee kan nemen in de analyse. Daarnaast zijn er waarnemingen van professionals, zoals boswachters en ecologen, die inventarisaties uitvoeren in minder toegankelijke gebieden, bijvoorbeeld in het kader van Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Een deel hiervan komt in de NDFF terecht, afhankelijk van het gekozen invoerplatform, en is daarmee beschikbaar voor verspreidingsonderzoek.
De gegevens van HR soorten worden verwerkt tot verspreidingskaarten op 10 x 10 km-hokniveau. Voor het bepalen van de actuele verspreiding en de trend daarin, worden zogenaamde occupancy modellen routinematig toegepast. Deze modellen zijn tevens bruikbaar om te onderzoeken of bepaalde hokken voldoende zijn onderzocht om een soort te vinden als die er zit. Daartoe worden zogenaamde lacunekaarten per soort gemaakt. Bij de noordse winterjuffer is gekozen om alleen de verspreiding in potentieel voortplantingsgebied in kaart te brengen. Onderzoek in hokken met waarnemingen van zwervende en overwinterende dieren wordt niet zinvol geacht.
| Soort | Natura 2000-gebied | Meetpunten laatste 3 jaar | Opmerkingen |
|---|---|---|---|
| Gaffellibel | Meinweg | nee | |
| Gaffellibel | Roerdal | ja | |
| Gaffellibel | Swalmdal | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Alde Feanen | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Buurserzand & Haaksbergerveen | ja2) | |
| Gevlekte witsnuitlibel | De Wieden | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Drentsche Aa-gebied | nee | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Fochteloërveen | ja2) | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Holtingerveld1) | nee | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Kampina & Oisterwijkse Vennen | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Korenburgerveen | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Leenderbos etc. | ja2) | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Lonnekermeer | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Maasduinen | nee | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Nieuwkoopse plassen & De Haeck | ja2) | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Noordhollands Duinreservaat | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Oostelijke Vechtplassen | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Rottige Meenthe & Brandemeer | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Veluwe | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Voornes duin | ja2) | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Weerribben | ja | |
| Gevlekte witsnuitlibel | Zwanenwater & Pettemerduinen | ja2) |
1)Tot 2013 heette dit Natura 2000-gebied Havelte Oost.
2)Wel meetpunten, maar het aantal gevlekte witsnuitlibellen is tot nu toe te laag voor een soortgerichte telroute.
Voortgang 2023
Teldekking aantalsmonitoring (t/m 2023)
De telgegevens zijn afkomstig van in totaal bijna 1 935 routes over de periode 1998–2023. In 2022 zijn er gegevens binnengekomen van in totaal 523 routes, waarvan 282 algemene routes en 238 soortgerichte routes. De HR soort mercuurwaterjuffer is na de ontdekking in 2011 niet meer in Nederland waargenomen.
Van veel van de typische soorten zijn betrouwbare landelijke trend- en indexcijfers beschikbaar. In totaal zijn er 21 Natura 2000‑gebieden aangewezen voor gaffellibel en gevlekte witsnuitlibel. Van deze soort-gebiedscombinaties zijn er drie zonder recente meetpunten voor de betreffende soort; dit betreft gebieden waar geen populatie meer aanwezig is (zie tabel 7.11.3).
| jaren | geteld |
|---|---|
| '98 | 130 |
| '99 | 240 |
| '00 | 349 |
| '01 | 352 |
| '02 | 380 |
| '03 | 443 |
| '04 | 468 |
| '05 | 454 |
| '06 | 495 |
| '07 | 493 |
| '08 | 444 |
| '09 | 476 |
| '10 | 406 |
| '11 | 405 |
| '12 | 489 |
| '13 | 455 |
| '14 | 400 |
| '15 | 389 |
| '16 | 454 |
| '17 | 497 |
| '18 | 517 |
| '19 | 537 |
| '20 | 565 |
| '21 | 566 |
| '22 | 578 |
| '23 | 520 |
Teldekking verspreidingsonderzoek
De teldekking van de gegevens om de verspreiding van de acht HR soorten op basis van 10 x 10 km-hokken in beeld te brengen is in de periode 2018–2023 hoog (zie tabel 7.11.5): het percentage onderzochte hokken voor zeven van de acht te onderzoeken HR soorten ligt op 95% of hoger.
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 6 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Gaffellibel | 12 | 92 |
| Gevlekte witsnuitlibel | 290 | 97 |
| Groene glazenmaker | 61 | 95 |
| Mercuurwaterjuffer1) | 1 | 100 |
| Noordse winterjuffer | 45 | 100 |
| Oostelijke witsnuitlibel | 24 | 98 |
| Rivierrombout | 77 | 96 |
| Sierlijke witsnuitlibel | 118 | 99 |
1)Deze soort is sinds 2011 niet meer in Nederland gezien, maar de potentiële plek wordt nog wel gecontroleerd.
| jaren | geteld |
|---|---|
| '90 | 490 |
| '91 | 553 |
| '92 | 980 |
| '93 | 1232 |
| '94 | 2579 |
| '95 | 3968 |
| '96 | 4376 |
| '97 | 2862 |
| '98 | 2199 |
| '99 | 2869 |
| '00 | 2980 |
| '01 | 2545 |
| '02 | 2856 |
| '03 | 4087 |
| '04 | 4424 |
| '05 | 5321 |
| '06 | 6462 |
| '07 | 8061 |
| '08 | 5927 |
| '09 | 8982 |
| '10 | 8740 |
| '11 | 8906 |
| '12 | 9310 |
| '13 | 9821 |
| '14 | 10487 |
| '15 | 9852 |
| '16 | 10934 |
| '17 | 11355 |
| '18 | 12391 |
| '19 | 12715 |
| '20 | 14405 |
| '21 | 16279 |
| '22 | 16583 |
Ontwikkelingen
Het aantal algemene routes lag een tijdje rond de tweehonderd routes, maar sinds 2017 is het niveau weer terug naar het piekniveau van bijna driehonderd actieve routes van voor 2010. Het aantal soortgerichte routes kende een sprong in 2015 naar ongeveer hetzelfde aantal actieve routes, vooral door routes voor de groene glazenmaker. In 2021 trad voor het eerst een kleine terugval op, mede doordat het met de groene glazenmaker niet zo goed gaat en tellers daarom noodgedwongen stoppen met een route. In 2023 zijn de meeste plots die in het verleden geteld zijn en waar de groene glazenmaker verdwenen is, herbezocht met veel nultellingen als resultaat.
Het aantal flextellingen neemt de afgelopen jaren sterk toe. Voor het verspreidingsonderzoek is het zaak om deze tellingen toe te voegen aan de NDFF, zodat het CBS deze data op gestandaardiseerde wijze kan meenemen in de analyse.
Aandachtspunten
- Focus van de coördinatie van het meetnetprogramma aantalsmonitoring op de soorten
van HR bijlage II en IV. Dit houdt met name gerichte coördinatie en werving van waarnemers
in voor:
- huidjestellingen bij de rivierrombout;
- het nauw volgen van de ontwikkelingen bij de witsnuitlibellen;
- de groene glazenmaker in relatie tot ANLb.
- Flextellingen toevoegen aan de NDFF (De Vlinderstichting).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en link naar de algemene handleiding: Website De Vlinderstichting.
Link naar de handleiding speciale telling rivierrombout: Website De Vlinderstichting.
Informatie over De Vlinderstichting: Website De Vlinderstichting.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

7.12Kevers, hommels en andere ongewervelden
Algemeen
Het meetprogramma voor kevers, hommels en andere ongewervelden is in de eerste plaats gericht op het bepalen van de verspreiding van een zevental soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage II, IV en V). Het betreft de medicinale bloedzuiger, Europese rivierkreeft en vijf soorten kevers. Voor de gestreepte waterroofkever worden ook gestandaardiseerd aantalsgegevens verzameld.
Coördinatie: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden (EIS).
Uitvoering: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage II en IV | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst | |
| Biodiversiteit insecten: landelijke trends | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
Soorten
Naast monitoring van de Habitatrichtlijnsoorten vindt tevens monitoring plaats van een aantal ‘typische soorten’. Deze soorten worden niet direct beschermd door de Habitatrichtlijn, maar worden gebruikt als indicator voor beschermde habitattypen. Het betreft een aantal sprinkhanen, haften, steenvliegen en schietmotten die urgent bedreigd zijn. Vanaf 2021 gelden twee nieuwe meetdoelen die het meetprogramma, door uitbreiding ervan, (mede) kan bedienen. Het gaat om de invasieve exoten van de Unielijst en om de biodiversiteit van insecten (met name bestuivers). Gegevensinwinning voor de invasieve exoten loopt al, voor de bestuivers geldt dat ook, maar wel in bescheiden mate. Het NEM is per 2023 uitgebreid met een monitoringsprogramma voor hommels. Voor vijf soorten en drie groepjes van soorten kan tegenwoordig een aantalstrend berekend worden. De verwachting is dat er nog twee soorten bijkomen waarvoor dat ook mogelijk moet zijn en dat, afhankelijk van de omvang van de verspreiding van de soorten, voor de meeste van deze soorten ook een verspreidingstrend berekend kan worden.
Gegevens
Gegevensinwinning
De gegevensinwinning voor de twee soorten waterroofkevers bestaat uitsluitend uit gerichte inventarisaties van km-hokken binnen het actuele en potentiële verspreidingsgebied door professionals m.b.v. schepnetten en vallen. De gegevensinwinning voor het vliegend hert bestaat enerzijds uit losse waarnemingen, en anderzijds uit tellingen gedaan langs vastgelegde trajecten. Het doorgeven van losse waarnemingen wordt gestimuleerd middels oproepen via landelijke, regionale en lokale media. Vanwege de lage trefkans van de soort is gericht verspreidingsonderzoek niet efficiënt. De gegevensinwinning voor de vermiljoenkever bestaat uit gerichte inventarisaties van km-hokken binnen het actuele verspreidingsgebied en explorerende inventarisaties binnen potentieel verspreidingsgebied. De vermiljoenkever is pas in 2012 in Nederland aangetroffen, daarom is het beeld op de verspreiding van de soort nog niet compleet. Gegevensinwinning voor deze soort werd voorheen door professionals uitgevoerd, maar die inzet is niet meer nodig. De soort wordt hoe langer hoe meer door een kleine, maar toegewijde en kundige groep vrijwilligers geïnventariseerd. De gegevens voor de sprinkhanen worden op zicht en gehoor verzameld. De gegevensinwinning voor de kleine wrattenbijter wordt jaarlijks verzorgd door biologen van de Inventarisatie en Monitoringgroep van de Dienst Vastgoed Defensie. De soort is namelijk alleen te vinden op een afgesloten militair oefenterrein, de Oldebroekse heide. De gegevensinwinning van de wrattenbijter wordt verzorgd door vrijwilligers. De gegevens voor de overige typische insectensoorten bestaan vrijwel uitsluitend uit losse waarnemingen. Afhankelijk van de soort kunnen de dieren het beste in het volwassen of larvale stadium geïnventariseerd worden.
Schietmotten (of kokerjuffers, zoals larvale schietmotten worden aangeduid) worden met lichtvallen gevangen (schietmotten) en/of middels schepnetmonsters (kokerjuffers). Haften (eendagsvliegen) worden als larve met een schepnet gevangen vanwege de zeer korte levensduur van het volwassen stadium. De enige steenvliegsoort binnen het meetprogramma (Perlodes microcephalus) wordt geïnventariseerd door exuviae (vervellingshuidjes) te tellen op brugpijlers, steigers, peilschalen, e.d. Voor veel haften, steenvliegen en schietmotten geldt dat de meetprogramma’s van de waterschappen (ter bepaling van de ecologische kwaliteit ten behoeve van de Kaderrichtlijn Water) een belangrijke bron van verspreidingsgegevens zijn. De Europese rivierkreeft heeft een zeer beperkt voorkomen in Nederland (thans nog één overgebleven ‘historische’ vindplaats in één 10 x 10 km-hok). Recent is de soort in twee gebieden geherintroduceerd. Of de soort zich hier duurzaam heeft kunnen vestigen moet nog blijken. De populaties worden gevolgd door middel van ‘schijnrondes’ (nachtelijke tellingen met behulp van een sterke zaklamp). In 2020 zijn een aantal kreeftensoorten en een krab opgenomen in het meetprogramma, zie tabel 7.12.2. Het zijn invasieve exoten die worden vermeld op de Unielijst van de Europese Unie. De soorten wordt gevolgd in opdracht van het ministerie van LNV en in samenwerking met de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Gegevensinwinning gaat bij de invasieve exoten niet om het berekenen van trends, maar om zicht te houden op de aanwezigheid en verspreiding. De gegevensinwinning voor de medicinale bloedzuiger bestaat uit gerichte inventarisaties in structuurrijk, ondiep water door professionals. Middels het opwekken van trillingen en golven worden de bloedzuigers aangetrokken. Om het vrijwilligersnetwerk uit te breiden is momenteel een veldgids voor haften in voorbereiding. De publicatie daarvan staat gepland voor begin 2024. Daarnaast is in 2023 een veldgids voor schietmotten gepubliceerd. Tabel 7.12.2 geeft een overzicht van de in het meetprogramma opgenomen soorten en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. Een beschrijving van de werkwijze per soort is te vinden in het inventarisatierapport Koese et al. (2013) op de website van EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden (EIS; zie onder Links).
| Soort | Beleidsstatus1) | Trends in aantallen landelijk | Verspreiding landelijk | Opmerkingen |
|---|---|---|---|---|
| Kevers | ||||
| Brede geelgerande waterroofkever2) | HR II en IV | slecht | goed | |
| Gestreepte waterroofkever | HR II en IV | goed | goed | |
| Heldenbok | HR IV | verdwenen uit NL | ||
| Juchtleerkever2) | HR II* en IV | slecht | goed | |
| Vermiljoenkever2) | HR II en IV | . | goed | |
| Vliegend hert | HR II | slecht | goed | |
| Bloedzuigers | ||||
| Medicinale bloedzuiger | HR V | slecht | goed | |
| Krabben & Kreeften | ||||
| Californische rivierkreeft | Exoot | . | . | |
| Chinese wolhandkrab | Exoot | . | . | |
| Europese rivierkreeft | HR V | . | goed | |
| Geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft | Exoot | . | . | |
| Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft | Exoot | . | . | |
| Marmerkreeft | Exoot | . | . | |
| Rode Amerikaanse rivierkreeft | Exoot | . | . | |
| Sprinkhanen | ||||
| Wrattenbijter | TYP | . | goed | |
| Kleine wrattenbijter | TYP | . | goed | |
| Haften | ||||
| Ecdyonurus torrentis | TYP | . | goed | |
| Kokerjuffers | ||||
| Athripsodes albifrons | TYP | . | goed | |
| Brachycentrus subnubilus | TYP | . | goed | |
| Lepidostoma hirtum | TYP | . | goed | |
| Plectrocnemia brevis | TYP | . | goed | |
| Steenvliegen | ||||
| Perlodes microcephalus | TYP | . | goed | |
| Hommels | ||||
| Aardhommelcomplex | matig | . | ||
| Akkerhommel | matig | . | ||
| Boomhommel | matig | . | ||
| Grote en tweekleurige koekoekshommel | slecht | . | ||
| Heidehommel | slecht | . | ||
| Steenhommel | matig | . | ||
| Tuinhommel | matig | . | ||
| Vierkleurige- en boomkoekoekshommel | slecht | . | ||
| Weidehommel | matig | . | ||
| Zandhommel | slecht | . |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van Bijlage, * = prioritaire soort.
2)HR II soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen, omdat ten tijde van het aanwijzen van gebieden (2013) de soort niet op de Nederlandse referentielijst stond.
Natura 2000‑gebieden
De gestreepte waterroofkever, de brede geelgerande waterroofkever en het vliegend hert worden vermeld op bijlage II van de Habitatrichtlijn. Vanwege deze vermelding en vanwege hun voorkomen in bepaalde Natura 2000‑gebieden, zijn er Natura 2000‑gebieden aangewezen voor deze soorten. Voor de juchtleerkever en de vermiljoenkever, ook vermeld op bijlage II, zijn (nog) geen gebieden aangewezen. Voor gestreepte waterroofkever en vliegend hert zijn zeven gebieden aangewezen, voor de brede geelgrande is in 2022 één gebied aangewezen (zie tabel 7.12.3). Alle Natura 2000‑gebieden die voor beide waterkevers zijn aangewezen worden elke rapportageperiode onderzocht op het voorkomen van de soort. De gebieden die zijn aangewezen voor het vliegend hert worden niet gericht onderzocht, maar in de vorige en huidige rapportageperiode is de soort in alle voor de soort aangewezen gebieden waargenomen. Voor alle kevers geldt dat de gegevens onvoldoende zijn om aantalstrends op gebiedsniveau te berekenen.
| Soort | Natura 2000‑gebied |
|---|---|
| Brede geelgerande waterroofkever | Holtingerveld |
| Gestreepte waterroofkever | De Wieden |
| Gestreepte waterroofkever | Kampina & Oisterwijkse Vennen |
| Gestreepte waterroofkever | Naardermeer |
| Gestreepte waterroofkever | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck |
| Gestreepte waterroofkever | Oostelijke Vechtplassen |
| Gestreepte waterroofkever | Rottige Meenthe & Brandermeer |
| Gestreepte waterroofkever | Weerribben |
| Vliegend hert | Geleenbeekdal |
| Vliegend hert | Geuldal |
| Vliegend hert | Noorbeemden & Hoogbos |
| Vliegend hert | Savelsbos |
| Vliegend hert | Sint Jansberg |
| Vliegend hert | Springendal & Dal van de Mosbeek |
| Vliegend hert | Veluwe |
Voortgang in 2023
Juchtleerkever
Na voor het laatst in 1946 in Zuid-Limburg waargenomen te zijn, is de juchtleerkever in 2020 opnieuw waargenomen op twee locaties in Zuid-Limburg. In 2023 is tevergeefs naar de kever gezocht. Vastgesteld is dat de enige broedboom van het land niet langer geschikt is voor een vitale populatie van de juchtleerkever. Meer onderzoek naar de huidige broedboom is vereist om te bepalen of de populatie momenteel wellicht al uitgestorven is, of slechts enkele individuen telt.
Gestreepte waterroofkever
Het onderzoek naar de gestreepte waterroofkever is gericht op het bepalen van een landelijke trend in aantallen. In de 24 kilometerhokken die in 2023 onderzocht zijn, is het voorkomen van de soort bevestigd: er zijn 226 exemplaren waargenomen. Positief om te vermelden is dat in 2023 drie vrijwilligers hebben geholpen bij het tellen van de soort. Hierdoor kunnen per jaar meer tellingen verzameld worden wat uiteindelijk de betrouwbaarheid van de aantalstrend ten goede zal komen. In januari 2024 is een artikel, voortgekomen uit samenwerking tussen EIS en het CBS, over de aantals- en verspreidingstrend van de gestreepte waterroofkever geaccepteerd door het Journal of Insect Conservation.
Brede geelgerande waterroofkever
Voor de brede geelgerande waterroofkever wordt het actueel en potentieel leefgebied eens in de zes jaar geactualiseerd. De laatste actualisatie vond vier vennen in Drenthe, gelegen in twee 10 x 10 km-hokken. Er is in 2023 geen gericht onderzoek verricht en er zijn geen losse waarnemingen binnengekomen. De balans voor de periode 2018–2023 komt daarmee uit op één bevestigde populatie in één ven bestaande uit naar schatting minder dan vijftig individuen.
Vliegend hert
Het gaat goed met het vliegend hert. Naar de verspreiding van deze soort is in 2023 geen gericht onderzoek gedaan. Wel zijn er via diverse kanalen (telefoon, e-mail, waarneming.nl en telmee.nl) 1 836 betrouwbare meldingen binnengekomen, iets minder dan vorig jaar. Er zijn in 2023 geen waarnemingen buiten het bekende actuele en potentiële verspreidingsgebied geregistreerd. Naast het verspreidingsonderzoek loopt een programma waarmee aantallen gemonitord kunnen worden. In 2023 zijn 27 routes bezocht. Het aantal geschikte locaties voor de monitoring blijft een knelpunt. Er zijn maar weinig plekken waar een transect van 500 meter neergelegd kan worden waar ook daadwerkelijk vliegend herten op te vinden zijn. De hoge aantallen nulwaarnemingen blijven een probleem voor de motivatie van de vrijwilligers.
Vermiljoenkever
De vermiljoenkever is in 2023 in drie nieuwe 10 x 10 km-hokken aangetroffen, waarmee het actuele en potentiële leefgebied is uitgebreid. Min of meer toevallige vondsten van de vermiljoenkever wijzen er op dat de soort zich nog steeds aan het uitbreiden is, dan wel wijder verspreid is dan voorheen gedacht. Tot begin 2017 was de bekende verspreiding beperkt tot de regio De Kempen. Vanaf 2017 zijn veel vondsten buiten deze regio gedaan in Limburg, Noord-Brabant en Gelderland. Het actuele en potentiële leefgebied is uitgebreid van 15 10 x 10 km-hokken in 2017 tot 53 in 2023. Ongetwijfeld zullen nog meer vindplaatsen ontdekt worden, zeker omdat de groep vrijwilligers die zich met de soort bezig houdt, groeiende is.
Sprinkhanen
Twee sprinkhanensoorten zijn aangewezen als typische soort van de Habitatrichtlijn (HR), de wrattenbijter en de kleine wrattenbijter. Beide soorten zijn momenteel van één locatie bekend, respectievelijk de Overasseltse en Hatertse vennen en de Oldebroekse heide. Beide populaties zijn groot en stabiel.
Hommels
Vanaf 2023 maakt het meetprogramma hommels deel uit van het NEM. In 2022 is door EIS een werkplan gemaakt om dit mogelijk te maken. Het programma zelf loopt al sinds 2018. Het aantal routes is gegroeid van 182 in 2018 naar 444 in 2023. Bij het bespreken van dit meetprogramma mag De Vlinderstichting niet onvermeld blijven, EIS en De Vlinderstichting hebben het meetprogramma hommels samen opgezet. Het meetprogramma is in 2018 begonnen met tellers van dagvlinders die gevraagd werden om op hun dagvlinderroutes ook hommels te tellen (zonder ze op naam te hoeven brengen). Inmiddels melden zich steeds meer tellers speciaal om op een nieuwe route hommels te tellen. Maar ook bij deze tellers wordt gekeken of dat gecombineerd kan worden met het tellen van vlinders. Het ziet er naar uit dat uiteindelijk van tenminste tien afzonderlijke soorten trends berekend kunnen worden. Er worden nu ook soorten samen geregistreerd (aardhommelcomplex bijvoorbeeld).
In 2023 zijn trends berekend voor zeven soorten en drie groepen van soorten (zie tabel 7.12.2). Voor de vijf meest algemene soorten en het aardhommelcomplex lijken de aantalstrends overeen te komen met de verwachtingen van EIS. Voor de verzamelsoorten grote/tweekleurige koekoekshommel en boom-/vierkleurige koekoekshommel zijn er voldoende tellingen voor het berekenen van een trend, maar deze trends lijken niet betrouwbaar. Het lijkt erop dat een leereffect van de tellers deze trends vertroebelt. Hierdoor wordt een trend berekend die duidt op een toename van deze verzamelsoorten, terwijl het waarschijnlijker is dat deze soorten afnemen. Het idee is dat met meer ervaring en na het volgen van een cursus deze soorten beter herkend zullen worden.
Het jaar 2023 is het zesde en laatste jaar van de huidige HR rapportageperiode (zie tabel 7.12.4).
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 6 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Brede geelgerande waterroofkever | 2 | 100 |
| Europese rivierkreeft | 2 | 50 |
| Gestreepte waterroofkever | 24 | 96 |
| Juchtleerkever | 2 | 100 |
| Medicinale bloedzuiger | 31 | 94 |
| Vliegend hert | 37 | 95 |
| Vermiljoenkever | 53 | 94 |
Aandachtspunten
- Vliegend hert, het aantal transecten is wat aan de lage kant en de motivatie van tellers verdwijnt wanneer zij te vaak geen vliegende herten waarnemen bij een bezoek (EIS, CBS).
- Uitbreiding van het aantal routes waarop zandhommels geteld worden, idem voor routes waarop heidehommel geteld wordt (EIS).
- Verfijnen van de methode waarmee aantalstrends voor hommels berekend worden. Denk aan de manier waarop jaarcijfers gemaakt worden en rekening houdend met leereffect van tellers (CBS, EIS).
- Mogelijkheid om verspreidingstrends op 1 x 1 km-hokniveau te berekenen (CBS, EIS).
- Zeldzame hommelsoorten opnemen in het meetprogramma (EIS).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en links naar handleidingen: Website NEM.
Informatie over EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden: Website EIS Kenniscentrum Insecten.
Informatie over De Vlinderstichting: Website De Vlinderstichting.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.
7.13Weekdieren en mariene typische soorten
Algemeen
In het meetprogramma voor weekdieren wordt de verspreiding van de in Nederland voorkomende weekdieren van bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn (HR) gevolgd. De veldmetingen geven daarnaast voor drie soorten een indicatie over populatieveranderingen op basis van herhaalde bezoeken van locaties.
Het meetprogramma voor mariene typische soorten is gericht op het bepalen van trends van typische soorten bloemdieren, kreeftachtigen, stekelhuidigen, vissen, weekdieren en wormen van twee mariene habitattypen van de Habitatrichtlijn.
Voor beide meetprogramma’s geldt:
Coördinatie: Stichting ANEMOON.
Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting ANEMOON, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: landelijke trends | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten | |
| Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage V | |
| Matige sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten)1) | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
1)In dit meetprogramma wordt afgeweken van het officiële meetdoel ‘Rode Lijst status van soorten’ (zie tekst).
Soorten
In tabel 7.13.2 staan de soorten die met het meetprogramma gevolgd worden. De kwaliteitsbeoordeling van de trends is voor een aantal soorten gebaseerd op een expertoordeel.
| Soort | Beleidsstatus1) | Kwaliteit trend H11102) | Kwaliteit trend H11603) | Opmerkingen |
|---|---|---|---|---|
| HR SOORTEN | ||||
| Bataafse stroommossel4) | HR II* en IV | verdwenen uit NL | ||
| Nauwe korfslak | HR II | |||
| Platte schijfhoren | HR II en IV | |||
| Wijngaardslak | HR V | |||
| Zegge-korfslak | HR II | |||
| MARIENE TYPSCHE SOORTEN | ||||
| Bloemdieren | ||||
| Slibanemoon | TYP | goed | trend H1110B5) en H1160 vanaf 1994 | |
| Zeeanjelier | TYP | . | goed | trend H1110B vanaf 2013 en H1160 vanaf 1994 |
| Kreeftachtigen6) | ||||
| Gewone zwemkrab | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Strandkrab | TYP | goed | goed | trend H1110B en H1160 vanaf 1994 |
| Stekelhuidigen | ||||
| Gewone zeester | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Hartegel | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Vissen6) | ||||
| Bot | TYP | matig | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Botervis | TYP | goed | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Gevlekte rog | TYP | trend H1110B vanaf 20137) | ||
| Gewone zeedonderpad | TYP | goed | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Puitaal | TYP | matig | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Schar | TYP | slecht | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Schol | TYP | matig | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Stekelrog | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Steenbolk | TYP | goed | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Wijting | TYP | slecht | trend H1160 vanaf 1997 | |
| Zwarte grondel | TYP | goed | trend H1160 vanaf 1994 | |
| Weekdieren | ||||
| Amerikaanse zwaardschede | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Glanzende tepelhoren | TYP | |||
| Halfgeknotte strandschelp | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Kokkel | TYP | matig | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Mossel | TYP | goed | goed | trend H1110B vanaf 1994 en H1160 vanaf 1997 |
| Nonnetje | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Noordkromp | TYP | |||
| Oester | TYP | goed | trend H1160 vanaf 1997 | |
| Platte slijkgaper | TYP | |||
| Rechtsgestreepte platschelp | TYP | goed | trend H1110B5) vanaf 1994 | |
| Stevige strandschelp | TYP | |||
| Strandgaper | TYP | matig | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Wulk | TYP | goed | trend H1110B vanaf 1994 | |
| Wormen6) | ||||
| Schelpkokerworm | TYP | goed | goed | trend H1110B en H1160 vanaf 1994 |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP = typische soort.
2)H1110: Permanent overstroomde zandbanken.
3)H1160: Grote baaien.
4)HR II soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen omdat de soort niet op de Nederlandse referentielijst staat.
5)H1110B: Permanent overstroomde zandbanken, Noordzeekustzone.
6)Van deze soortgroep zijn alleen de contractsoorten vermeld, maar er zijn meer typische soorten.
7)Typische soort van H1110C ‘Permanent overstroomde zandbanken, Doggersbank’, maar daar niet gemeten.
Gegevens
Gegevensinwinning
Weekdieren
Het meetprogramma voor weekdieren is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende soorten van bijlage II, IV en V van de HR op 10 x 10 km-hokniveau en het verkrijgen van een globale indicatie over aantalsveranderingen (op basis van herhaald verspreidingsonderzoek op sublocaties binnen een aantal locaties waar de soorten voorkomen). In 2017 is een begin gemaakt met een meetronde over zes jaar ten behoeve van de HR rapportage in 2025. Deze meetronde is in 2023 beëindigd. De HR rapportage voor de slakken zal betrekking hebben op de periode juni 2017 t/m oktober 2023.
Voor de nauwe korfslak, de platte schijfhoren en de zegge-korfslak wordt gericht onderzoek gedaan in het gehele actuele en potentiële verspreidingsgebied. In alle 10 x 10 km-hokken waarin de soorten zouden kunnen voorkomen wordt op minimaal vijf kansrijke locaties op één tot vijf sublocaties (tot 2014 twee tot zeven sublocaties) de aan-/afwezigheid van de soort bepaald. Een deel van de sublocaties wordt tijdens iedere HR rapportageperiode geïnventariseerd ten behoeve van trendbepalingen. De inventarisaties worden uitgevoerd door professionals, geassisteerd door vrijwilligers, volgens een gestandaardiseerd protocol. Sommige locaties worden door ervaren vrijwilligers geïnventariseerd, waarbij waarnemingen door experts worden gevalideerd. Voor de nauwe korfslak worden ook de aantallen aangetroffen slakjes geteld in strooiselsmonsters die op de locaties worden verzameld. De afwezigheid binnen een 10 x 10 km-hok van de soort wordt aangenomen wanneer de soort op maximaal tachtig (nauwe korfslak) of maximaal veertig (platte schijfhoren en zegge-korfslak) kansrijke locaties niet wordt gevonden. Determinatie gebeurt direct in het veld of tijdens het uitzoeken van uit het veld meegebrachte monsters in het laboratorium. Een handleiding voor het veldwerk is te vinden op de website van Stichting ANEMOON (zie Links).
Voor de wijngaardslak worden alleen oproepen gedaan om waarnemingen door te geven, maar worden geen gerichte inventarisaties uitgevoerd. Vanwege de veelvuldige verplaatsing van wijngaardslakken door mensen, is met het ministerie van LNV afgesproken dat de HR rapportage zich beperkt tot de 10 x 10 km-hokken waar de soort honderd jaar of langer voorkomt.
Mariene typische soorten
Het meetprogramma voor mariene typische soorten is gericht op het bepalen van trends in aantallen (op basis van gemiddelde abundantieklassen) in de mariene habitattypen H1160 en H1110B (zie hieronder). Het officiële meetdoel voor typische soorten is het bepalen van de Rode Lijst status (zie hoofdstuk 2). Dit is voor mariene soorten echter niet haalbaar, omdat dan het hele Nederlands Continentaal Plat onderzocht zou moeten worden. Anderzijds sluit de trend per habitattype veel beter aan bij het doel waarvoor typische soorten geselecteerd zijn, namelijk als indicatie voor de kwaliteit van het habitattype. In de praktijk wordt de Rode Lijst status van typische soorten bij het samenstellen van de HR rapportage ook bij niet-mariene soorten nauwelijks gebruikt.
De typische soorten van H1160 (Grote baaien) worden gevolgd in het enige gebied in Nederland waar dit type voorkomt: de Oosterschelde, in het Monitoringproject Onderwater Oever (MOO) van Stichting ANEMOON. Enkele typische soorten van H1110A (Permanent overstroomde zandbanken, getijdengebied) worden niet in het getijdengebied (Waddenzee) gevolgd vanwege het ontbreken van een voor vrijwilligers geschikte methode. H1110B (Permanent overstroomde zandbanken, Noordzeekustzone) wordt vrijwel geheel gevolgd langs de Hollandse en Zeeuwse Noordzeekust, omdat het tot nog toe lastig blijkt om voor de Waddeneilanden vrijwilligers te mobiliseren (met uitzondering van Texel). Voor habitattype H1110B wordt gebruik gemaakt van het Strandaanspoelsel Monitoring Project (SMP). Voor zowel MOO als SMP wordt door ANEMOON gewerkt aan het verder uitbreiden van deze meetnetten zowel wat betreft het aantal waarnemers als het aantal monitoring locaties. Voor de habitattypen H1130 (Estuaria), H1140 (Slik- en Zandplaten) en H1170 (Riffen van open zee) kan Stichting ANEMOON geen betrouwbare trends van typische soorten bepalen.
Natura 2000‑gebieden
De inventarisaties voor de nauwe korfslak vinden vrijwel uitsluitend binnen Natura 2000‑gebieden plaats, omdat de verspreiding van de soort zich grotendeels tot deze gebieden beperkt. De inventarisaties van het NEM hebben uitgewezen dat voor de zegge-korfslak en de platte schijfhoren de keuze van aangewezen gebieden niet goed aansluit op de verspreiding van deze soorten. De zegge-korfslak komt weliswaar voor in de aangewezen gebieden in Limburg, maar er zijn ook grote stabiele populaties in andere provincies. Ook het voorkomen van de platte schijfhoren ligt vooral buiten de aangewezen gebieden.
Voortgang 2023
Slakken van de Habitatrichtlijn
In 2023 is de inventarisatieronde van zes jaar ten behoeve van de HR rapportage afgerond. Voor alle geplande 10 x 10 km-hokken is de aan- of afwezigheid van de vier soorten bepaald (tabel 7.13.3). Gedurende deze zes jaar is het bekende verspreidingsgebied voor platte schijfhoren en zegge-korfslak uitgebreid met enkele hokken. Het areaal van de soorten lijkt daarmee te zijn uitgebreid, maar Stichting ANEMOON vermoedt dat het hier gaat om niet eerder ontdekte populaties.
In 2023 heeft het CBS de trendberekening voor de nauwe korfslak grotendeels geautomatiseerd, maar een methode voor trendbeoordeling moet nog ontwikkeld worden. Voor de platte schijfhoren en de zegge-korfslak heeft het CBS in 2023 de trendberekening met behulp van trefkansmodellen geautomatiseerd.
Stichting ANEMOON vermoedt dat bij gestandaardiseerde monitoring met looproutes ook voor de wijngaardslak trendberekeningen betrouwbare trends berekend kunnen worden.
Mariene typische soorten
De monitoring van mariene typische soorten verliep grotendeels volgens planning. Het aantal deelnemers voor zowel SMP als MOO is in 2023 weer iets toegenomen. Een groeiende groep MOO deelnemers verzamelt waarnemingen tijdens snorkelen. Deze waarnemingen kunnen in de toekomst meegenomen worden bij de trendberekeningen. Daarvoor moet de methode waarschijnlijk wel aangepast worden.
De verwerking van SMP gegevens is door het CBS in 2023 geautomatiseerd. Ook is de methode voor trendberekening verbeterd. Een nog niet doorgevoerde maar wel gewenste verbetering is het corrigeren van trends voor verstorende factoren zoals golfhoogte en windrichting voor en tijdens de waarnemingen en het effect van zandsuppleties.
Voor MOO gegevens heeft het CBS in 2023 een trendmethode ontwikkeld, waarvan de bruikbaarheid voor de meeste soorten de komende tijd getest zal worden.
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd juni 2017 t/m november 2023 | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Nauwe korfslak | 29 | 100 |
| Platte schijfhoren | 84 | 100 |
| Zegge-korfslak | 48 | 100 |
| Wijngaardslak | 66 | 100 |
| Totaalscore meetdoel1) | 100 |
1)Het gemiddelde van de vier soorten.
Aandachtspunten
- Vaststellen definitieve lijst typische en karakteristieke soorten (Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, LNV, ANEMOON).
- Verder automatiseren analysesystemen voor trendberekening van de nauwe korfslak, de platte schijfhoren en de zegge-korfslak (CBS).
- Ontwikkelen van geautomatiseerde gegevenscontrole voor mariene typische soorten (CBS).
- Nadat de definitieve lijst met typische en karakteristieke soorten is vastgesteld: Vergelijken van trends op basis van verschillende gegevensbronnen voor de Oosterschelde (ANEMOON, CBS).
- Trendbeoordeling voor trends van HR soorten ontwikkelen (CBS, ANEMOON).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.
Informatie over Stichting ANEMOON: Website Stichting ANEMOON.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.
7.14Planten
Algemeen
De meetprogramma’s voor planten zijn gericht op het bepalen van de verspreiding en de trend in verspreiding. Er is een meetprogramma dat zich richt op het in kaart brengen van de verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau van de soorten die worden vermeld op bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn (HR). Daarnaast is er een meetprogramma gericht op het bepalen van de Rode Lijst status van alle plantensoorten, met bijzondere aandacht voor de typische soorten van de Habitatrichtlijn. In dit meetprogramma worden jaarlijks in ongeveer duizend kilometerhokken de plantensoorten zo compleet mogelijk genoteerd. Een deel van die hokken wordt jaarlijks twee keer bezocht (‘Het Nieuwe Strepen’; zie Links), waardoor het mogelijk is om de detectiekans van soorten te bepalen.
In opdracht van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) wordt een aantal invasieve uitheemse plantensoorten gevolgd, waaronder de 35 plantensoorten die worden vermeld op de Unielijst. De Unielijst is opgesteld door de Europese Unie. Op deze lijst staan soorten waarvan de negatieve effecten zodanig zijn dat gezamenlijk optreden op het niveau van de Europese Unie gewenst is, zie tabel 7.14.2.
Coördinatie: FLORON.
Uitvoering: Vrijwilligers, FLORON, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van bijlage II, IV en V | |
| Habitatrichtlijn: aantallen en leefgebied van soorten van bijlage V | |
| Invasieve exoten: Invasieve exoten: verspreiding van soorten vermeld op de Unielijst | |
| Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Graadmeters Natuurnetwerk Nederland: provinciale trends | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Sustainable Development Goals: landelijke trends | |
Gegevens
Gegevensinwinning
De gegevensinwinning voor de HR soorten bestaat uit gerichte inventarisaties van 1 x 1 km-hokken binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken. De gegevens worden verzameld door vrijwilligers, die daarbij een gestandaardiseerd protocol volgen. De inventarisatie houdt rekening met de variatie aan biotopen binnen het hok en is er op gericht om ook de afwezigheid van een soort met redelijke zekerheid vast te stellen. In de meeste gevallen wordt ook een schatting gedaan van de abundantie. Ook de gegevens die door terreinbeheerders in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) worden ontsloten, worden gebruikt, echter alleen voor het vaststellen van aanwezigheid en eventueel abundantie van HR soorten.
Het meetprogramma dat gericht is op typische soorten bestaat uit het inventariseren van 1 x 1 km-hokken. Bij deze inventarisaties worden alle voorkomende soorten genoteerd. Inventarisatiegegevens worden verzameld op puntniveau met een app (NDFF Verspreidingsatlas). Binnen het meetprogramma is ook voorzien in het bijhouden van landelijke dekking (voorkomen van zogenaamde ‘witte gebieden’) en het actualiseren van groeiplaatsen van zeer zeldzame soorten. Bij de analyse worden ook losse waarnemingen gebruikt uit waarneming.nl, en gegevens die door terreinbeheerders, provincies, waterschappen en bedrijven aan de NDFF worden aangeleverd. Tabel 7.14.2 geeft een overzicht van de soorten die zijn opgenomen in de meetprogramma’s van FLORON.
| Soort | Beleidsstatus1) | Verspreidingsonderzoek | Opmerkingen |
|---|---|---|---|
| Drijvende waterweegbree | HR II en IV, TYP | ja | moeilijk meetbaar |
| Gewoon sneeuwklokje | HR V | nee | |
| Groenknolorchis | HR II en IV, TYP | ja | |
| Klaverbladvaren2) | HR II | nee | incidenteel |
| Kruipend moerasscherm | HR II en IV | ja | |
| Valkruid3) | HR V, TYP | ja | |
| Wolfsklauw (5 soorten)4) | HR V | ja | |
| Zomerschroeforchis | HR IV | nee | verdwenen uit NL5) |
| Typische soorten | TYP | ja | |
| (ruim 300 soorten) | |||
| Invasieve exoten | |||
| Acaena novae-zelandia | Exoot | ja | |
| Acaena ovalifolia | Exoot | ja | |
| Afghaanse duizendknoop | Exoot | ja | op Unielijst |
| Alligatorkruid | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Alsemambrosia | Exoot | ja | |
| Amerikaans bezemgras | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Aponogeton distachyos | Exoot | ja | |
| Ballonrank | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Boomwurger | Exoot | ja | op Unielijst |
| Breed pijlkruid | Exoot | ja | |
| Canadese kornoelje | Exoot | ja | |
| Chinese struikklaver | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Cotoneaster ambiguus | Exoot | ja | |
| Cotoneaster bullatus | Exoot | ja | |
| Cotoneaster dielsianus | Exoot | ja | |
| Driedelige ambrosia | Exoot | ja | |
| Egeria | Exoot | ja | |
| Fraai lampenpoetsergras | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Gele maskerbloem | Exoot | ja | |
| Gestekelde duizendknoop | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Gewone gunnera | Exoot | ja | op Unielijst |
| Gifsumak | Exoot | ja | |
| Grauwe guldenroede | Exoot | ja | |
| Grote vlotvaren | Exoot | ja | op Unielijst |
| Grote waternavel | Exoot | ja | op Unielijst |
| Hakea | op Unielijst6) | ||
| Hemelboom | Exoot | ja | op Unielijst |
| Hoog pampagras | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Hydrilla verticillata | Exoot | ja | |
| Hydrocotyle verticillata | Exoot | ja | |
| Impatiens edgeworthii | Exoot | ja | |
| Japanse klimvaren | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Japans steltgras | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Kudzu | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Mesquite | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Moerashyacint | Exoot | ja | |
| Moeraslantaarn | Exoot | ja | op Unielijst |
| Montbretia | Exoot | ja | |
| Myriophyllum robustum (brasiliense) | Exoot | ja | |
| Ongelijkbladig vederkruid | Exoot | ja | op Unielijst |
| Oosterse hop | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Parelvederkruid | Exoot | ja | op Unielijst |
| Perzische berenklauw | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Postelein-waterlepeltje | Exoot | ja | op Unielijst |
| Reuzenbalsemien | Exoot | ja | op Unielijst |
| Reuzenberenklauw | Exoot | ja | op Unielijst |
| Roze rimpelgras | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Sarracenia purpurea | Exoot | ja | |
| Schijnambrosia | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Smal kroos | Exoot | ja | |
| Smalle theeplant | Exoot | ja | op Unielijst |
| Smalle waterpest | Exoot | ja | op Unielijst |
| Sosnowsky’s berenklauw | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Stekelaugurk | Exoot | ja | |
| Struikaster | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Talgboom | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Theeboompje x Douglasspirea | Exoot | ja | |
| Trosbosbes | Exoot | ja | |
| Vallisneria | Exoot | ja | |
| Verspreidbladige waterpest | Exoot | ja | op Unielijst |
| Vlakke dwergmispel | Exoot | ja | |
| Watercrassula | Exoot | ja | |
| Waterhyacinth | Exoot | ja | op Unielijst |
| Watersla | Exoot | ja | op Unielijst |
| Waterteunisbloem | Exoot | ja | op Unielijst |
| Waterwaaier | Exoot | ja | op Unielijst |
| Wilgacacia | Exoot | ja | op Unielijst6) |
| Witte spirea | Exoot | ja | |
| Zandambrosia | Exoot | ja | |
| Zijdeplant | Exoot | ja | op Unielijst |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.
2)HR II soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen omdat de soort niet op de Nederlandse referentielijst staat en niet in ons land voorkomt.
3)Valkruid is in 2007 eenmalig landsdekkend geïnventariseerd en daarna als typische soort opgenomen in het verspreidingsonderzoek.
4)Verspreiding en populatie hoeven niet gerapporteerd omdat het hierbij om een groep van soorten gaat.
5)Zomerschroeforchis leek in 2012 en 2013 terug te zijn, bij nader inzien ging het om knikkende schroeforchis. De soort is in 2020 geherintroduceerd in Nederland.
6)Heeft zich niet in Nederland gevestigd.
Natura 2000‑gebieden
Er zijn vier plantensoorten die vermeld worden op bijlage II van de Habitatrichtlijn. Voor drie van deze soorten zijn Natura 2000‑gebieden aangewezen. Zie tabel 7.14.3 voor een overzicht van de gebieden en de plantensoorten waarvoor de gebieden aangewezen zijn. In bijna alle gevallen is in deze gebieden naar deze soorten gezocht. De eventuele gegevens zijn echter onvoldoende om verspreidingstrends per gebied te kunnen berekenen.
| Natura 2000‑gebied | Aantal soorten HR Bijlage II |
|---|---|
| Boetelerveld | Drijvende waterweegbree |
| Brabantse Wal | Drijvende waterweegbree |
| Canisvliet | Kruipend moerasscherm |
| De Wieden | Groenknolorchis |
| Drents-Friese Wold & Leggelderveld | Drijvende waterweegbree |
| Duinen Ameland | Groenknolorchis |
| Duinen & Lage Land Texel | Groenknolorchis |
| Duinen Schiermonnikoog | Groenknolorchis |
| Duinen Terschelling | Drijvende waterweegbree, Groenknolorchis |
| Duinen Vlieland | Groenknolorchis |
| Grevelingen | Groenknolorchis |
| Groote Gat | Kruipend moerasscherm |
| IJsselmeer | Groenknolorchis |
| Kampina & Oisterwijkse Vennen | Drijvende waterweegbree |
| Kempenland-West | Drijvende waterweegbree |
| Kennemerland-Zuid | Groenknolorchis |
| Kop van Schouwen | Groenknolorchis |
| Landgoederen Brummen | Drijvende waterweegbree |
| Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux | Drijvende waterweegbree |
| Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen | Drijvende waterweegbree |
| Maasduinen | Drijvende waterweegbree |
| Meinweg | Drijvende waterweegbree |
| Naardermeer | Groenknolorchis |
| Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | Groenknolorchis |
| Oostelijke Vechtplassen | Groenknolorchis |
| Rottige Meenthe & Brandemeer | Groenknolorchis |
| Sarsven & De Banen | Drijvende waterweegbree |
| Solleveld & Kapittelduinen | Groenknolorchis |
| Springendal & Dal van de Mosbeek | Drijvende waterweegbree |
| Strabrechtse Heide & Beuven | Drijvende waterweegbree |
| Vecht- en Beneden-Reggegebied | Kruipend moerasscherm |
| Veluwe | Drijvende waterweegbree |
| Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | Drijvende waterweegbree |
| Vogelkreek | Kruipend moerasscherm |
| Voornes Duin | Groenknolorchis |
| Weerribben | Groenknolorchis |
| Westerschelde & Saeftinghe | Groenknolorchis |
Voortgang 2023
Teldekking
Er worden in Nederland veel floristische gegevens verzameld, niet alleen door vrijwilligers, maar ook door verschillende terreinbeherende organisaties. Daardoor zijn de verzamelde gegevens representatief voor de leefgebieden van de verschillende soorten. Jaarlijks worden er ruim een miljoen waarnemingen van planten verzameld.
Verspreidingsonderzoek
Het jaar 2023 is het zesde en laatste jaar van de huidige HR rapportageperiode. Het verspreidingsonderzoek is volgens schema verlopen. Voor iedere soort geldt dat van alle hokken die tezamen het actueel en potentieel leefgebied vormen, duidelijk is geworden of de soort er wel of niet voorkomt.
| 10 x 10 km-hokken | Geactualiseerd na 5 jaar (10 x 10 km) | |
|---|---|---|
| Soort | aantal | % |
| Drijvende waterweegbree | 133 | 100 |
| Groenknolorchis | 49 | 100 |
| Kruipend moerasscherm | 30 | 100 |
| Valkruid | 49 | 100 |
| Wolfsklauw | 253 | 100 |
Trends
Sinds 2016 worden, op basis van gegevens uit de NDFF, voor veel plantensoorten trends berekend met de ‘list length’ methode. Het gaat om verspreidingstrends op 1 x 1 km-hokniveau, met indexcijfers per periode van vier jaar. De trends worden tweejaarlijks berekend, met 2024 als het eerstvolgende jaar. De trendberekening bleek mogelijk voor de HR soorten en voor veel typische soorten. Van de HR soorten zijn trends beschikbaar voor groenknolorchis, kruipend moerasscherm, drijvende waterweegbree, valkruid en wolfsklauw. Het gewoon sneeuwklokje wordt veel aangeplant; om die reden is het niet goed mogelijk een betrouwbare trend te berekenen. Zomerschroeforchis was verdwenen uit Nederland, is geherintroduceerd, maar heeft nog niet tien aaneengesloten jaren stand gehouden. Klaverbladvaren is ooit wel in Nederland aangetroffen maar heeft geen bestendige populatie gevormd.
In 2022 is het werk aan de methode waarmee plantentrends berekend worden door het CBS afgerond. Dit was nodig om voor meer soorten trends te kunnen berekenen, met een grotere precisie. Het gaat om de trends van ca. zeshonderd vrij zeldzame tot algemene soorten berekend op basis van de NDFF gegevens. Voor deze trends geldt, ook na afronding van de verbeterslag in de methode, dat ze niet zonder meer gebruikt kunnen worden om trends van soorten tot graadmeters te combineren. Het resultaat van dat soort combinaties levert vaak beelden op die tegenstrijdig zijn met resultaten uit het Landelijk Meetnet Flora. De trends zullen wel goed bruikbaar zijn voor bijvoorbeeld het bepalen van de Rode Lijst status van soorten. Het vergt nog meer denkwerk en discussie om verder te komen en te weten welke koers uit te zetten voor analyses, dataverzameling en duiding. Momenteel gaan de gedachten onder meer uit naar trends in meer zeldzame soorten.
Over enkele jaren komt een nieuwe bron voor plantentrends beschikbaar: het programma Het Nieuwe Strepen, een programma waarin de vrijwilligers van FLORON op gestandaardiseerde wijze waarnemingen verzamelen. Circa 250 vrijwilligers helpen mee met het inventariseren van kilometerhokken en Het Nieuwe Strepen. Het Nieuwe Strepen zal de huidige werkwijze niet volledig vervangen. Voor de zeldzamere soorten zal het niet lukken om met de gegevens uit dat programma trends te berekenen. Voor een aantal van deze soorten zal het wel mogelijk worden om op basis van de NDFF gegevens trends te berekenen. Voor soorten waarvoor ook dat niet lukt, wordt naar alternatieven gezocht. Zie tabel 7.14.5 voor het aantal onderzochte kilometerhokken in het meetprogramma Het Nieuwe Strepen.
| jaren | Kilometerhokken |
|---|---|
| 2012 | 102 |
| 2013 | 265 |
| 2014 | 339 |
| 2015 | 461 |
| 2016 | 460 |
| 2017 | 465 |
| 2018 | 507 |
| 2019 | 471 |
| 2020 | 480 |
| 2021 | 506 |
| 2022 | 524 |
| 2023 | 564 |
Aandachtspunten
- Het Nieuwe Strepen op peil houden en uitbreiding van het aantal km-hokken dat meerdere jaren onderzocht is (FLORON).
- Onderzoeken of met behulp van de beschikbare gegevens van de zeldzame plantensoorten betrouwbare trends berekend kunnen worden en de Rode Lijst status kan worden geactualiseerd (CBS, FLORON).
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methodes en links naar handleidingen: Website NEM.
Het in 2022 verschenen wetenschappelijke artikel over Het Nieuwe Strepen.
Informatie over FLORON: Website FLORON.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.
7.15Flora en milieu
Algemeen
Veel plantensoorten zijn gevoelig voor vermesting, verzuring en verdroging. Veranderingen in de milieucondities hebben daardoor duidelijke effecten op de samenstelling van de vegetatie. Het Landelijk Meetnet Flora (LMF) levert informatie over de vegetatiesamenstelling, natuurkwaliteit en biodiversiteit en daarmee ook over de milieucondities die hierop van invloed zijn.
Deze informatie wordt onder andere toegepast bij de evaluatie van het Natuurpact door Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en in het natuurbeleid van de provincies zélf. In verschillende provincies bedient het meetnet ook aanvullende provinciale doelen. Zo wordt met het LMF in een aantal provincies de ontwikkeling van de natuurkwaliteit in agrarisch gebied gevolgd. Sinds 2016 is het LMF een door de gezamenlijke provincies gedragen en gefinancierd meetnet. Dat heeft te maken met de decentralisatie van overheidsbeleid. Rijkswaterstaat (RWS) neemt ook deel aan het LMF en volgt de vegetatieontwikkelingen in de bermen van rijkswegen.
Voor dit meetprogramma geldt:
Coördinatie: CBS, BIJ12, provincies.
Uitvoering: Provincies, provinciale medewerkers of groenbureaus, CBS, Rijkswaterstaat Dienst Verkeer en Scheepvaart (RWS DVS).
Opdrachtgevers: Provincies, BIJ12.
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Indicatoren rijksbegroting: trends landelijk, Natura 2000-gebieden en biotopen | |
| Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends | |
| Evaluatie Natuurpact: landelijke en provinciale trends | |
| Graadmeters Natuurnetwerk Nederland: provinciale trends | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
Gegevens
Gegevensinwinning
Sinds 1999 worden in ruim 12 000 kleine, vaste meetpunten (permanente kwadraten, pq’s) de aanwezigheid en bedekking van alle hogere plantensoorten geïnventariseerd. Het meetnet is op basis van de destijds heersende inzichten gestratificeerd in vijftig deelgebieden, bestaande uit combinaties van begroeiingstypen, fysisch geografische regio’s en milieukwaliteitsgebieden. Alle meetpunten werden in een cyclus van vier jaar geïnventariseerd, waarbij elk jaar een kwart van alle meetpunten aan de beurt kwam.
Naar aanleiding van de veranderingen in natuurbeleid, waaronder decentralisatie, is begin 2018 gestart met een aangepaste stratificatie. Daarbij is de indeling van meetpunten in fysisch geografische regio’s en milieukwaliteitsgebieden losgelaten. De indeling in begroeiingstypen is verfijnd: van vijf hoofdbegroeiingstypen naar tien ‘LMF natuurtypen’. Dit is beter afgestemd op de provinciale systematiek en gebiedsindeling naar beheertype. Deze natuurtypen zijn daarbij ook verder onderverdeeld in gebieden met verschillende beleidsmatige beschermingsniveaus: Natura 2000‑gebieden, andere natuurgebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bosgebieden buiten NNN. De nieuwe stratificatie kon grotendeels met bestaande meetpunten worden ingevuld, waardoor de continuïteit van de meetreeksen grotendeels gewaarborgd is. Voor inventarisatie van agrarische gebieden (het vroegere zesde hoofdbegroeiingstype) zijn geen voorschriften of gezamenlijke landelijke afspraken meer. Iedere provincie kan dit geheel naar eigen wens al dan niet invullen of uitwerken.
In een deel van de provincies is de vierjarige opnamecyclus inmiddels ingekort tot een driejarige, om beter aan te sluiten bij de zesjarige rapportagecyclus van de Habitatrichtlijn. Het totaal aantal meetpunten binnen het landelijk voorgeschreven deel – dus exclusief meetpunten in het agrarisch gebied – wordt daarmee iets verminderd.
Het veldwerk wordt gestandaardiseerd uitgevoerd volgens de voorschriften in de handleiding (zie Links), door medewerkers van de provincies zélf of door medewerkers van groenbureaus in opdracht van de provincies.
Data
Met het LMF worden geen specifieke zeldzame, bedreigde of beschermde soorten gevolgd, zoals in het meetprogramma Planten (zie hoofdstuk 7.14), maar ligt de nadruk op de bemonstering van natuurtypen in natuurgebieden. Als gevolg daarvan worden vooral gegevens verzameld van de meer algemeen voorkomende plantensoorten. Per meetpunt wordt van alle aangetroffen soorten de aanwezigheid en bedekking (in klassen) genoteerd. Daarnaast worden gegevens verzameld over onder meer het beheer. In de helft van de provincies worden ook mossen en korstmossen meegenomen bij de inventarisatie.
Gegevensverwerking
De gegevens worden geleverd aan het CBS. Die controleert of de data geldige codes bevatten en verzameld zijn conform de voorschriften in de LMF handleiding en tevens of de gegevens kunnen kloppen. Daartoe wordt onder meer gekeken of de waarnemingen per soort kloppen met hun verspreiding volgens de NDFF data. Ook wordt elke opname vergeleken met de voorgaande opnamen van het meetpunt om onregelmatigheden op te sporen, zoals het plotseling verschijnen van bomen, de verwisseling met verwante soorten of soorten met gelijkluidende naam of een totaal onvergelijkbare soortenlijst tussen meetronden. De gevonden onregelmatigheden worden ter controle voorgelegd aan de provincies en in overleg eventueel gecorrigeerd. Daarna worden de gegevens toegevoegd aan de landelijke database van LMF data die het CBS onderhoudt.
Na de controle vindt analyse plaats, waarbij indexcijfers per meetronde en trends over de gehele periode worden berekend. Het gaat daarbij om trends in milieu indicatoren en vegetatiekenmerken. Het bepalen daarvan gebeurt aan de hand van kenmerken van afzonderlijke soorten die per opname en meetpunt worden gecombineerd tot indicatoren voor o.a. verzuring, vermesting, verdroging, soortenrijkdom, bedekking bomen, bedekking struiken en bedekking kruiden. Analyses worden uitgevoerd per begroeiingstype of per natuurtype op landelijk en provinciaal niveau. Inmiddels worden ook trends in de bedekking en presentie van veel afzonderlijke soorten berekend.
De belangrijkste uitkomsten worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Daarnaast worden ook provinciale cijfers berekend en geleverd aan de betreffende provincies en aan PBL.
Voortgang 2023
In 2022 is een moderne analysemethode (beta regressie) ontwikkeld om vegetatiebedekking op statistisch correcte wijze te modelleren. Deze methode houdt rekening met het feit dat bedekkingspercentages begrensd zijn tussen 0 en 100 en dat bedekkingen in klassen worden genoteerd. Het CBS heeft de methode in 2023 als Bayesiaanse modellen geïmplementeerd, uitgevoerd met behulp van de programmeertaal R en het analyseprogramma JAGS. Daarmee is het nu mogelijk om trends in de bedekking van soorten (en soortgroepen) te berekenen. Met de resultaten zijn kwantitatieve natuurgraadmeters samengesteld, waaronder een aantal indicatoren die in 2023 op het CLO zijn gepubliceerd. Ook heeft het CBS in 2023 een wetenschappelijk artikel aangeboden aan het Journal of Vegetation Science, waarin onze toepassing van de beta regressie methode is beschreven en voor andere onderzoekers toegankelijk en reproduceerbaar is (verwachte publicatiedatum begin 2024).
In 2023 is in samenwerking met de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) een nieuwe procedure ontwikkeld waarmee het CBS voortaan eenvoudig de LMF data naar de NDFF kan uploaden. Deze procedure wordt op dit moment gevalideerd, en zal daarna onderdeel worden van het jaarlijkse dataverwerkingsproces van het CBS. De landelijke LMF dataset bevat meer dan 75 000 vegetatieopnamen en groeit inmiddels met meer dan 3 500 opnamen per jaar. Zo komen alle nieuwe waarnemingen van het LMF op een voorspelbare manier publiek beschikbaar en kunnen ze voor meer onderzoek worden toegepast.
Het CBS berekende op basis van LMF data voorheen trends in milieu indicatorwaarden voor vermesting en dergelijke, ten behoeve van onder meer het PBL en de provincies. Vanaf 2021 is dat echter niet meer gedaan, omdat de uitkomsten bleken af te hangen van de toegepaste indicator methode (Wamelinkgetallen dan wel ITERATIO). Wageningen Environmental Research (WEnR) is in 2021 begonnen met een nader onderzoek van deze indicator methoden. Dit onderzoek is eind 2023 afgerond en heeft geleid tot een tweetal rapporten (waarvan één momenteel is gepubliceerd en het tweede binnenkort wordt verwacht, zie Links). We hopen met de daaruit voortkomende aanbevelingen in 2024 de berekening en analyse van milieu indicatorwaarden weer op te pakken.
De toepassingsmogelijkheden van de gegevens over mossen worden nader onderzocht. De moeilijkheid daarbij is dat niet alle provincies daarover gegevens verzamelen, dus dat niet alle natuurtypen even goed bemonsterd zijn. Het onderzoek hiernaar is nog niet afgerond.
Aandachtspunten
- Upload van LMF gegevens naar de NDFF wordt onderdeel van het jaarlijkse dataverwerkingsproces (CBS).
- Opnemen van pq’s die tot dusver buiten het LMF zijn gebleven (provincies, CBS).
- Verder ontwikkelen van natuurgraadmeter toepassingen (provincies, CBS).
- Een methode om milieu indicatoren te berekenen in gebruik nemen, zodra de uitkomsten van het onderzoek van Wageningen University & Research duidelijk zijn (WUR, PBL, BIJ12, CBS).
- Verder ontsluiten van de gegevens over mossen (CBS).
- Vergelijken van trends in bedekking (LMF) en verspreiding (waarnemingen uit FLORON meetnetten waarmee het CBS verspreidingsanalyses uitvoert) (CBS).
- Onderzoek naar het gebruik van luchtfoto’s bij de detectie van beheermaatregelen (plaggen) (CBS).
Links
Trends en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en link naar de handleiding: Website NEM.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.
Vergelijking van het ITERATIO- en Wamelink-indicatorsysteem: WOt-rapport 140

7.16Korstmossen en mossen
Algemeen
Sinds 1999 is er een meetprogramma voor korstmossen op de heide en op de stuifzanden. Aanvankelijk werden vooral bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst soorten gemonitord, maar vanaf 2011 is het belangrijkste meetdoel het volgen van typische soorten korstmossen van de Habitatrichtlijn. In de duinen werd ook gemonitord, maar de typische soorten van de duinen worden in het vervolg gemonitord binnen het Landelijk Meetnet Flora. Deze verplaatsing is gecompenseerd door extra meetpunten in de heiden en stuifzanden, waardoor het meetprogramma is versterkt. Op stenige substraten wordt in NEM-verband niet meer gemonitord.
Het onderdeel mossen betreft het gedetailleerd volgen van de verspreiding van geel schorpioenmos. Sinds 2016 vormt ook de inwinning van verspreidingsgegevens van soorten van HR bijlage V een meetdoel.
Coördinatie: Bryologische en Lichenologische Werkgroep (BLWG).
Uitvoering: Vrijwilligers, BLWG, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
| Sterk sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn: landelijke trends | |
| Habitatrichtlijn: verspreiding van soorten | |
| Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van bijlage V | |
| Matig sturende meetdoelen | |
| Natura 2000: trends per Natura 2000‑gebied | |
| Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000‑gebied | |
| Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden | |
| Habitatrichtlijn: Rode Lijst status van typische soorten | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters, landelijke trends, trends per biotoop, etc. | |
Soorten
In het meetprogramma korstmossen worden de typische soorten heide en stuifzanden (en tot voor kort duinen) gevolgd. Een deel van de locaties op heiden en stuifzanden is van oorsprong gekozen vanwege het voorkomen van bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst soorten. Deze soorten worden nog steeds gevolgd, maar de bepaling van Rode Lijst-status van soorten -anders dan typische HR soorten vormt geen sturend meetdoel meer. Deze soorten staan daarom niet in onderstaande tabel. Overigens is in 2022 wel gewerkt aan een nieuwe Rode Lijst korstmossen, o.a. m.b.v. trends uit het NEM meetprogramma. Deze zal naar verwachting in 2024 worden gepubliceerd.
| Soort | Beleidsstatus1) | Opmerkingen |
|---|---|---|
| Mossen2) | ||
| Geel schorpioenmos | HR II | |
| Kussentjesmos | HR V, TYP | |
| Tonghaarmuts | HR II, TYP | moeilijk meetbaar, geen actieve gegevensinwinning |
| Veenmos (30 soorten)3) | HR V | |
| Korstmossen | ||
| Bruin Heidestaartje | TYP | |
| Echt rendiermos | HR V | verdwenen uit NL |
| Zomersneeuw | TYP | |
| Ezelspootje | TYP | |
| Girafje | TYP | |
| Gebogen rendiermos | HR V | |
| Gevlekt heidestaartje | TYP | |
| Gewoon kraakloof | TYP | |
| Hamerblaadje | TYP | |
| IJslands mos | TYP | |
| Kronkelheidestaartje | TYP | |
| Maleboskorst | TYP | niet te berekenen |
| Open rendiermos | HR V, TYP | |
| Plomp bekermos | TYP | |
| Rode heidelucifer | TYP | |
| Sierlijk rendiermos | HR V, TYP | |
| Slank stapelbekertje | TYP | |
| Stuifzandkorrelloof | TYP | |
| Stuifzandstapelbekertje | TYP | |
| Wollig korrelloof | TYP | |
| Wrattig bekermos | TYP |
1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.
2)De 36 typische soorten mossen waarop niet wordt gestuurd staan niet in deze tabel.
3)Genus Sphagnum. Sterk sturend meetdoel vanaf 2016.
Gegevens
Aantalsmonitoring
Sinds 1999 worden alle bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst soorten korstmossen op heide en stuifzanden vrijwel integraal gevolgd op 84 meetpunten in 51 km-hokken. Vanaf seizoen 2011/2012 is dit meetprogramma uitgebreid met typische soorten korstmossen van de Habitatrichtlijn. Daartoe is het meetprogramma uitgebreid met een steekproef van 82 km-hokken met heiden en stuifzanden en een steekproef van 47 km-hokken in de duinen. In ieder hok worden op een of twee kansrijke locaties alle korstmossen geïnventariseerd d.m.v. een score op een eenvoudige abundantieschaal met zes ordinale klassen. Iedere locatie wordt door twee onafhankelijke waarnemers geïnventariseerd. Van de in totaal 180 km-hokken worden er jaarlijks ca. 30 onderzocht, zodat ieder hok eens in de zes jaar geïnventariseerd wordt. Een deel van de hokken wordt herhaald bezocht. Voor de Rode Lijst soorten op heiden en stuifzanden was dit tot nu toe eens in de vijf jaar. In het veldseizoen 2021/2022 is de monitoringstrategie aangepast, waarbij de steekproef van kilometerhokken komt te vervallen en er meer grotere, vaste meetpunten bij komen in het binnenland.
De methode en veldwerkhandleiding van dit meetprogramma is opgenomen in de jaarlijks gepubliceerde onderzoeksrapporten die te vinden zijn op de website van de BLWG (zie Links).
Verspreidingsonderzoek
De verspreiding van geel schorpioenmos, een soort van HR bijlage II, wordt eens in de drie jaar integraal gemeten (aan- of afwezigheid op het niveau van 10 x 10 meterhokken) in de gebieden waar deze soort voorkomt. Er zijn in de afgelopen jaren steeds meer nieuwe vindlocaties bijgekomen. In 2022 heeft een nieuwe meetronde plaatsgevonden.
Van een andere soort van HR bijlage II, tonghaarmuts, worden ook verspreidingsgegevens verzameld, zij het zonder actieve monitoring. Sinds 2016 vormt ook de inwinning van verspreidingsgegevens van soorten van HR bijlage V een meetdoel. Dit betreft de rendiermossen, de veenmossen en het kussentjesmos. Het Landelijk Meetnet Flora wordt voor de verspreidingstrend van met name kussentjesmos als aanvullende bron gebruikt.
Voortgang in 2023
Meetseizoen 2022/2023 (meetronde ’2022’) was het zesde jaar van de zesjarige meetcyclus 2017–2022. Zie ook figuur 7.16.3. Het aantal bezochte kilometerhokken ligt goed op schema. In het veldseizoen 2021–2022 is de monitoringstrategie aangepast, waarbij de steekproef van kilometerhokken is komen te vervallen en er meer grotere, vaste meetpunten bij komen in het binnenland. Hiermee wordt het bestaande meetnet versterkt, dat betrouwbare trends geeft voor stuifzandkorstmossen. Het seizoen 2022–2023 was tevens het tweede jaar van de eerste vijfjaarlijkse cyclus van de nieuwe monitoringsstrategie, waardoor er dit seizoen veel nieuwe meetlocaties zijn uitgezet. In seizoen 2022–2023 zijn in totaal 26 meetlocaties bezocht, 10 herhalingen van bestaande meetlocaties en 16 nieuwe meetlocaties.
Verspreidingsonderzoek mossen en korstmossen
De verspreidingsgegevens van de HR soorten mossen en korstmossen zijn tijdig opgeleverd.
Aandachtspunten
- Bespreken en publiceren van resultaten (BLWG, CBS).
Links
Link naar onderzoeksrapporten BLWG: Onderzoeksrapporten.
Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.
Informatie over Bryologische en Lichenologische Werkgroep: Website BLWG.

7.17Paddenstoelen
Algemeen
Het meetprogramma voor paddenstoelen bestaat uit drie meetonderdelen: een onderdeel in bossen op zandgronden (sinds 1998), een onderdeel in de zeereep (sinds 2014) en een onderdeel in moerassen/venen (sinds 2016). Een vierde meetonderdeel, in jeneverbesstruwelen (opgestart in 2016), is met ingang van het telseizoen 2018 gestaakt. Naast de gestandaardiseerde monitoring worden tevens met niet-gestandaardiseerde verspreidingsgegevens trends van (bos)paddenstoelen berekend.
Coördinatie: Paddenstoelenstichting, Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV).
Uitvoering: Vrijwilligers, NMV, CBS.
Opdrachtgever: Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV).
| Sterke sturende meetdoelen | |
| Habitatrichtlijn: structuur en functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst status van typische soorten) | |
| Matige sturende meetdoelen | |
| Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends | |
| Rode Lijsten: Rode Lijst status van soorten | |
| Indirecte meetdoelen | |
| Convention on Biological Diversity: landelijke trends | |
| Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen | |
| Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. | |
Soorten
Het meetonderdeel in bossen richt zich primair op vier typische soorten van de Habitatrichtlijn: hanenkam, zwavelmelkzwam, regenboogrussula en smakelijke russula. Het aantal begeleidende soorten is in de loop der jaren toegenomen tot 138.
Het meetonderdeel in de zeereep richt zich op een zestal typische soorten van de Habitatrichtlijn (en achttien begeleidende soorten). Het gaat hier om de habitattypen witte en grijze duinen. In 2016 is begonnen met de monitoring van zeven typische soorten (en veertig begeleidende soorten) in moerassen en venen.
In onderstaande tabel zijn de soorten met sterk sturende meetdoelen opgenomen, in dit geval de typische soorten van de Habitatrichtlijn. Het sturingsniveau van de meetdoelen wijkt af voor deze soortgroep t.o.v. tabel 2.1 (zie hoofdstuk 2, tevens tabel 2.2). Vanwege de korte meetreeksen kunnen de meeste trends van soorten nog niet goed beoordeeld worden. De verwachting is dat dit in de komende jaren voor steeds meer soorten wél kan. Zo zijn in 2023 voor het eerst echt trends berekend voor vijf van de zes typische zeereepsoorten, waarvan vier soorten een statistisch significante trend hadden.
| Soort | Beleidsstatus1) |
|---|---|
| Bossen | |
| Hanenkam | TYP |
| Smakelijke russula | TYP |
| Regenboogrussula | TYP |
| Zwavelmelkzwam | TYP |
| Zeereep | |
| Duinfranjehoed | TYP |
| Duinstinkzwam | TYP |
| Duinveldridderzwam | TYP |
| Helmharpoenzwam | TYP |
| Zandtulpje | TYP |
| Zeeduinchampignon | TYP |
| Moerassen, venen | |
| Broos vuurzwammetje | TYP |
| Kaal veenmosklokje | TYP |
| Moerashoningzwam | TYP |
| Veenmosbundelzwam | TYP |
| Veenmosgrauwkop | TYP |
| Veenmosvuurzwammetje | TYP |
| Witte berkenboleet | TYP |
1)TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.
Gegevens
Tot en met het teljaar 2016 werden vaste meetpunten in bosgebieden op de hoge zandgronden en duinen jaarlijks in de periode juli tot en met december drie tot zes keer geïnventariseerd op het voorkomen van vruchtlichamen van paddenstoelen. De tellingen betroffen overwegend steekproeftellingen, maar bij een aantal soorten ging het om integrale tellingen waarbij geprobeerd werd om alle bekende vindplaatsen in het meetprogramma op te nemen. Vanaf het jaar 2017 is de methode voor het meetonderdeel in bossen aangepast: i.p.v. vaste meetpunten worden nu 1 x 1 km-hokken (deels) herhaald geïnventariseerd. Een veldwerkhandleiding en een beschrijving van de nieuwe methode is beschikbaar op de websites van het NEM en de NMV; zie Links.
Voor de soorten die in de zeereep worden gemonitord werd al een andere methode gevolgd: in plaats van vaste meetpunten met gestandaardiseerde telmethoden worden per onderzocht km-hok (idealiter) twee keer in het seizoen de voorkomende typische soorten alsmede meelift-soorten genoteerd en ingevoerd in een daarvoor ontworpen invoermodule. Deze manier van gegevensverzameling laat toe dat trends per soort m.b.v. occupancy modellen kunnen worden bepaald, waarbij achteraf voor verschil in meetinspanning wordt gecorrigeerd.
Bij het meetonderdeel in moerassen en venen wordt niet zo zeer gestuurd op herhaling van km-hokken binnen het telseizoen. Omdat bij dit meetonderdeel het aantal vrijwilligers dat zelfstandig km-hokken inventariseert nog beperkt is en het meetnet daarom erg afhankelijk is van door de NMV georganiseerde excursies, is de strategie om km-hokken minstens twee keer te bezoeken in de periode van zes jaar tussen HR rapportages. Zodoende wordt gepoogd het aantal verschillende geïnventariseerde km-hokken te verhogen.
Voortgang 2023
Teldekking bossen
In 2022 zijn 439 inventarisaties ontvangen uit 159 km-hokken van 83 hoofdtellers. In de loop van 2023 hebben relatief veel potentiële nieuwe tellers interesse getoond om mee te werken aan (vooral) het meetnet in bossen. Dit lijkt een direct gevolg van de Basiscursus paddenstoelen die in 2023 voor het eerst is georganiseerd. Ook veel vrijwilligers die al telden voor het meetnet hebben de cursus gevolgd, met hopelijk positieve gevolgen voor het op naam brengen van de vondsten. Het aantal inventarisaties, onderzochte km-hokken en hoofdtellers is in 2023 verder toegenomen. De precieze aantallen zijn nog niet bekend.
| jaren | Bossen op zandgronden | Zeereep | Moerassen en venen |
|---|---|---|---|
| 2014 | . | 31 | . |
| 2015 | . | 62 | . |
| 2016 | . | 68 | 23 |
| 2017 | 147 | 51 | 28 |
| 2018 | 148 | 74 | 25 |
| 2019 | 148 | 100 | 35 |
| 2020 | 155 | 102 | 33 |
| 2021 | 151 | 94 | 36 |
| 2022 | 159 | 67 | 55 |
| 2023 | 203 | 57 | 33 |
Zeereep
De onderzochte km-hokken in het zeereepproject concentreren zich op een aantal plekken in Zeeland, Zuid- en Noord-Holland en op enkele Waddeneilanden. Vooral op de Waddeneilanden en in Zeeland leunt dit meetonderdeel op inventarisaties door de meetnetcoördinatoren. Het totaal aantal in 2022 geïnventariseerde km-hokken in de zeereep is 67: fors lager dan het jaar ervoor (94 km-hokken in 2021). In 2023 is het aantal geïnventariseerde km-hokken nog iets verder afgenomen.
Moerassen en venen
Voor het moerasmeetonderdeel, dat van juni tot oktober loopt, was het een zeer matig seizoen: de hete droge junimaand gaf een slechte start en de natte zomer had tot gevolg dat grote delen van veenmosrietland, venoevers en berkenbroek in de zomer onder water kwamen te staan, waarna een heel droge september volgde. In 2023 zijn 34 km-hokken gemonitord door negen hoofdtellers (2022: 55 km-hokken gemonitord door zes tellers, 2021: 33 km-hokken door vijf tellers). Het toenemende aantal tellers in dit meetnet is een positieve ontwikkeling.
Aandachtspunten
- Consolideren/uitbreiden van het aantal km-hokken in alle meetonderdelen met aandacht voor het herhaalde bezoek, zowel binnen het telseizoen als in verschillende jaren (NMV).
- Het vrijwilligersnetwerk (voornamelijk voor zeereep en moerassen/venen) en de technische voorzieningen (database, invoerportaal, VERA app) voor de diverse meetonderdelen op peil houden (NMV).
- Inschatting maken hoe robuust het meetonderdeel in moerassen/venen is (CBS).
- Onderzoeken wat er mogelijk is met zeldzame soorten (CBS)
Links
Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.
Methode en links naar handleidingen: Website NEM, Website Mycologische Vereniging.
Informatie over NMV en het meetprogramma Paddenstoelen: Website Mycologische Vereniging.


