Ontwikkelingen in gegevensanalyse en output
De gegevensanalyse van de meetprogramma’s van het Netwerk Ecologische Monitoring wordt waar nodig en mogelijk verbeterd door aanpassingen van de statistische analyses en het ontwikkelen van nieuwe vormen van output.
Een groot deel van de gegevensverwerking, analyses en productie van indexen, trends en output voor publicaties vindt geautomatiseerd plaats via daarvoor ontwikkelde CBS-programmatuur. Soortenorganisaties leveren jaarlijks databestanden met nieuwe gegevens, die in een aantal stappen door de programma’s voor datacontroles, statistische modelberekeningen en samenstellen van output worden geleid. Ook tussen- en eindresultaten worden daarbij steeds gecontroleerd op mogelijke fouten of afwijkingen. De berekende trends en indexen worden teruggezonden naar de soortenorganisaties en door het CBS verwerkt in graadmeters en gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving.
Het CBS werkt voortdurend aan verbeteringen in zowel de programmatuur als de analysemethoden. In 2019 is de programmatuur voor de berekening van aantalstrends voor alle projecten, met uitzondering van de watervogels, omgezet van MS-access/VBA en TRIM naar volledig in R met rtrim draaiende programma’s. De programmatuur is bovendien modulair gemaakt, om bij problemen gemakkelijker te kunnen ingrijpen en aanpassing van de programmatuur gemakkelijker te maken. Deze stap heeft tot gevolg dat de lange rekentijd bij omvangrijke projecten aanzienlijk is afgenomen en sneller over resultaten kan worden beschikt. In 2019 was daarvan overigens nog geen sprake, omdat de omzetting van de programmatuur en het testen ervan ook de nodige tijd kostte. In 2020 wordt aan deze ontwikkeling nog een beperkt vervolg gegeven in de vorm van aanvullende controles en verbeterde visualisatie van de output. In 2020 zal bovendien ook gewerkt worden aan omzetting van de analyseprogrammatuur voor watervogels en verbetering van de programmatuur voor het samenstellen van de output.
Voor enkele recent gestarte meetprogramma’s geldt dat nog weinig gegevens beschikbaar zijn en dat daarom ook de gegevensverwerking en analyse nog weinig ontwikkeld en/of geautomatiseerd zijn. Voor dergelijke meetprogramma’s wordt daarom op basis van de in de eerste jaren verkregen data, onderzocht of het programma aan de verwachtingen voldoet en hoe en in hoeverre hiermee verspreiding en/of trends kunnen worden bepaald. Ook in 2020 zal dit voor enkele meetprogramma’s worden uitgezocht.
Soms komen nieuwe statistische technieken beschikbaar waardoor resultaten verbeterd kunnen worden of waardoor datasets ontsloten kunnen worden die voorheen ongeschikt leken voor het bereiken van de NEM-meetdoelen. Het grootste voorbeeld van dit laatste zijn de occupancy-modellen en de lijst-lengte methode waarmee sinds een aantal jaren verspreidingstrends kunnen worden berekend op basis van niet-gestandaardiseerde waarnemingen. Ook in 2020 zal aandacht worden besteed aan de vraag of met deze technieken aanvullende trends kunnen worden bepaald voor relevante soorten of soortgroepen.
Voor de afzonderlijke meetprogramma’s zijn de onderstaande ontwikkelingen te melden:
- Vleermuizen – transecttellingen. Voor de transecttellingen is inmiddels uitgekristalliseerd hoe de gegevens het beste kunnen worden geanalyseerd en zijn aantals- én verspreidingstrends voor 4 soorten berekend. Knelpunt is nog wel dat de portal voor opgave van de tellingen is verouderd en dat daarmee ook niet alle voor trendberekening gewenste gegevens worden verzameld. Vernieuwing en uitbreiding van het portal is prijzig, maar hopelijk kan daarmee in 2020 worden gestart.
- Broedvogels – nestkaarten. In 2019 is een gewerkt aan ontwikkeling van een nieuwe indicator voor broedsucces van wad- en weidevogels. Tevens wordt daarbij gewerkt aan betere aansluiting van de bestaande indicator voor veranderingen in de eilegdata op de doelstelling van het nestkaartenproject. Afronding hiervan wordt begin 2020 verwacht.
- Slaapplaatsen. Voor het slaapplaatsen project zijn voor het eerst trendberekeningen uitgevoerd. De gegevensanalyse lift mee met de watervogelanalyses.
- Broedvogels. Bij broedvogels blijkt de toegepaste (generiek voor alle soortgroepen) plausibiliteitscontrole onvoldoende hulp te bieden bij het beoordelen van provinciale trends, waardoor een groot aantal trends toch nog handmatig beoordeeld moet worden. In 2020 zal daarom onderzocht worden of deze controle kan worden verbeterd. Bij broedvogels zal in 2020 ook de weging worden aangepast op basis van de eind 2018 verschenen nieuwe broedvogelatlas. In combinatie daarmee zal ook een vereenvoudigde stratificatie worden doorgevoerd.
- Watervogels. In 2020 zal ook de programmatuur voor trendberekening bij watervogels worden omgebouwd van MS-Access/VBA met TRIM naar R/rtrim. Daarbij zal tevens worden onderzocht of overstap op alternatieve berekening via rtrim met maandcijfers mogelijk is.
- Weekdieren & mariene soorten. In 2018 zijn ten behoeve van de HR-rapportage vooralsnog éénmalige trendberekeningen uitgevoerd voor de nauwe korfslak en platte schijfhoren. Deze berekeningen zijn in 2019 niet herhaald. In 2020 zal de gegevensverwerking worden geautomatiseerd om standaard jaarlijkse of tweejaarlijkse trendberekening mogelijk te maken. Voor typische mariene soorten (uit diverse soortgroepen) geldt min of meer hetzelfde. Hier dient echter eerst duidelijk te zijn of de lijst typische soorten voor de eerstvolgende HR-rapportage gehandhaafd blijft.
- Planten. In 2019 is door FLORON en het CBS gebruik gemaakt van LMF-gegevens om de landelijke trends van circa 600 vrij zeldzame tot algemene soorten te valideren. Tevens is gewerkt aan de ontwikkeling van provinciale indexcijfers van planten. In 2020 zullen ook deze provinciale indexcijfers worden gevalideerd.
- ANLb. Voor de vogel- en amfibie-gegevens die verzameld worden om de effectiviteit van het agrarisch natuur en landschapsbeheer te onderzoeken, zullen in 2020 de eerste analyses worden uitgevoerd.
- Bunzing en boommarter. De gegevens van de eerste teljaren van het meetprogramma voor deze HR-V soorten zullen in 2020 worden onderzocht op bruikbaarheid voor trendbepaling.
- Hazelmuis. Bij hazelmuizen wordt in toenemende mate gebruik gemaakt van nestbuizen voor o.a. onderzoek van nieuwe leefgebieden. Aangezien overlap plaats vindt met locaties van reguliere tellingen, zal worden nagegaan of dit aanleiding kan zijn tot afwijkende trends. Ook zal worden nagegaan of het mogelijk is om dergelijke problemen te voorkomen door (gedeeltelijk) over te stappen op een nestbuizen-methode voor tellingen.
- BIMAG: Voor de nieuw gestarte insectenmonitoring op boerenbedrijven (BIMAG = Boeren Insecten Monitoring in het AGrarisch gebied) zal met de eerste pilotresultaten een poweranalyse worden uitgevoerd om te bezien hoe dit project het beste kan worden vervolgd.
- Korstmossen en mossen. In het LMF worden naast alle vaatplanten ook veel mossen en korstmossen geïnventariseerd. Om te bezien in hoeverre hiermee trendberekening plaats kan vinden, wordt in 2020 onderzocht in hoeverre opname van deze soorten standaard werd uitgevoerd in de provincies en bij de verschillende groenbureaus. Op basis daarvan kan worden nagegaan in hoeverre deze gegevens bruikbaar zijn voor trendberekeningen.
- LMF. In 2019 is bij het CBS het automatiseringssysteem voor de analyse van de gegevens vernieuwd en omgezet naar een systeem in R en JAGS. De trendanalyses sluiten daardoor beter aan op de programmatuur van andere meetnetten en op moderne verwerkingsmethoden van vegetatie-opnamen. In 2020 zal ook het automatiseringssysteem voor de controles van door de provincies aangeleverde gegevens worden vernieuwd en omgezet van MS-Access/VBA naar R. Inhoudelijk zal dit programma ook worden aangepast op de wijzigingen die in het meetnet en in het analyseprogramma zijn doorgevoerd.