Ontwikkelingen in de gegevensinwinning
De gegevensinwinning in het Netwerk Ecologische Monitoring bestaat van oudsher grotendeels uit gerichte monitoring door vrijwilligers, onder aansturing van verschillende soortenorganisaties. De ruim 15 000 bij deze organisaties aangesloten vrijwilligers werken daarbij volgens door de soortenorganisaties en het CBS ontwikkelde veldwerkprotocollen om zoveel mogelijk gestandaardiseerde gegevens te verkrijgen. In veel gevallen betreft dit aantalsgegevens ten behoeve van de berekening van populatietrends. Via de soortenorganisaties worden ook nieuwe vrijwilligers opgeleid en wordt gestimuleerd dat monitoring zoveel mogelijk op de gewenste plekken worden uitgevoerd.
Naast gestandaardiseerd verzamelde gegevens worden ook al heel lang gegevens verzameld zonder standaardisatie of protocol: opportunistische waarnemingen. Internetsites als waarneming.nl, telmee.nl, de verspreidingsatlas.nl en diverse apps hebben ertoe bijgedragen dat gemakkelijk allerlei soorten kunnen worden gedetermineerd en/of vastgelegd en het aantal waarnemingen enorm is toegenomen. Er zijn daardoor veel meer opportunistische waarnemingen dan gestandaardiseerde gegevens. De opportunistische gegevens kunnen wegens o.a. grote verschillen in veldmethoden en waarnemersinspanning alleen niet worden gebruikt voor het bepalen van trends in aantallen. Mits wordt gecorrigeerd voor de verschillen in waarnemingsinspanning, zijn ze echter wél te gebruiken voor het berekenen van trends in verspreiding. Voor correctie van verschillen in waarnemersinspanning zijn diverse statistische technieken beschikbaar of ontwikkeld, waardoor tegenwoordig, behalve aantalstrends, ook heel veel verspreidingstrends kunnen worden bepaald. De nieuwe technieken kunnen op hun beurt ook weer aanleiding zijn voor nieuwe veldwerkprotocollen, met name om rekening te kunnen houden met verschillen in trefkans onder verschillende omstandigheden. De veldwerkmethoden bij de Vleermuis Transect Telllingen en Het Nieuwe Strepen (flora-monitoring) zijn voorbeelden waarbij hierop wordt ingespeeld.
Alle gegevens die onder NEM-projecten worden verzameld, maar ook de meeste opportunistische gegevens en veel gegevens uit ander natuuronderzoek, worden centraal verzameld in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In principe zijn zij daarmee publiek toegankelijk.
Naast de gegevens van de soortenorganisaties en de NDFF gebruikt het CBS de laatste jaren ook andere databases met veelal gestandaardiseerde waarnemingen. Voorbeelden zijn de vissendatabase van het International Council for the Exploration of the Sea (ICES) en de gegevens van zeetrektellers. Ook hierdoor is het aantal soorten en soortgroepen waarvoor trends berekend kunnen worden, toegenomen.
Op grond van de evaluatie van de HR- en VR-rapportages en eerdere kwaliteitsrapportages kunnen ook enkele lacunes in de gegevensinwinning benoemd worden. Er blijken nog lacunes te zijn in vleermuisgegevens (landelijke verspreidingsgegevens van meerdere soorten, alsmede gegevens van de meervleermuis in Natura 2000 gebieden), zeezoogdieren (bruinvis, gewone en grijze zeehond) en trekvissen. Ook is duidelijk geworden dat de staat van instandhouding van habitattypen niet goed beoordeeld kan worden.
Voor de afzonderlijke meetprogramma’s zijn de volgende ontwikkelingen in gegevensinwinning te melden:
- Vleermuizen – wintertellingen. In 2019 konden diverse afgesloten groeven in de Limburgse Natura 2000 gebieden weer worden opengesteld voor tellingen dankzij door de provincie Limburg gefinancierde verbeteringen in de bouwkundige staat. Met de weer hervatte tellingen wordt trendberekening voor deze gebieden verbeterd, met name voor Bemelerberg en Schiepersberg. Het probleem blijft echter urgent, omdat nog altijd veel groeven niet mogen worden betreden. Werkbare budgetvriendelijke alternatieve methoden voor trendbepaling zijn vooralsnog niet beschikbaar.
- Vleermuizen – zomertellingen. In 2019 zijn ook weer – evenals in enkele voorgaande jaren – gegevens van zomerkolonietellingen (uitvliegtellingen) van de meervleermuis verkregen en geanalyseerd. Deze tellingen zijn nog geen onderdeel van het NEM, maar opname daarvan in het NEM is aan te raden, aangezien de wintertellingen van deze soort mager zijn en de wintertrend bovendien afwijkt van deze zomertelingen-trend. Er is bovendien al een lange tijdreeks zomertellingen beschikbaar, waarmee statistisch betrouwbare trends mogelijk zijn. Opname in het NEM kan worden vergemakkelijkt door aanpassing van het portal voor zoldertellingen. Financiering van de benodigde aanpassingen is echter nog een knelpunt, vanwege de hoogte van de geschatte kosten. In 2020 zal worden bezien in hoeverre met een eenvoudiger opzet een goedkoper oplossing mogelijk is.
- Zoogdieren. In het meetnet voor stadsvogels (MUS, een onderdeel van de broedvogeltellingen) is het sinds de start ervan in 2007, ook mogelijk om zoogdiergegevens door te geven. In 2019 zijn deze gegevens voor het eerst door Sovon, via de Zoogdiervereniging aan het CBS geleverd en meegenomen in de analyses. Tevens zijn afspraken gemaakt om deze gegevens jaarlijks aan de zoogdierdata toe te voegen. Met de MUS-data kunnen vooral voor eekhoorn en egel betrouwbaarder trends worden berekend.
- Broedvogels. Bij broedvogels is gewerkt aan het beschikbaar maken van SNL-data en is onderzoek uitgevoerd om regulier (vanaf de grond) verzamelde gegevens te kunnen koppelen aan tellingen met drones.
- Watervogels. Bij de watervogelprojecten is het meetprogramma recent uitgebreid met monitoring van zeevogels voor de Kader Richtlijn Mariene Strategie. Bij de vliegtuigtellingen heeft Rijkswaterstaat het vliegschema dat sinds 2014/2015 wordt gehanteerd, aangepast nadat gebleken was dat de teldekking in de kustzone te laag was. Voor een vergelijkbaar probleem met vliegtuigtellingen boven het IJsselmeer, wordt nog onderzocht wat de gevolgen hiervan zijn voor de landelijke trends van een aantal soorten.
- Reptielen. Bij de reptielenmonitoring zijn zorgen over het teruglopen van het aantal routes waarop jaarlijks naar reptielen wordt gezocht. Er zal worden onderzocht hoeveel routes minimaal nodig zijn om een betrouwbare trend te kunnen berekenen voor de HR-soorten. Wanneer blijkt dat het aantal te laag is en niet toeneemt is een herbezinning op het meetprogramma wenselijk.
- Vissen. Bij vissen zijn twee punten van zorg. In de eerste plaats loopt het meetprogramma voor aantalsmonitoring van de beekprik gevaar omdat Waterschap Limburg geen toestemming geeft voor monitoring door RAVON vrijwilligers in de beken die het waterschap onder haar hoede heeft. Daarnaast is de beschikbaarheid van de KRW-gegevens van Waterschappen een terugkerend probleem waar onvoldoende grip op is. Informatiehuis Water zou in beide gevallen een rol kunnen spelen ter verbetering van de gegevensvoorziening.
- Vlinders en libellen. De databases en het invoerportal voor de vlinder- en libellengegevens van de Vlinderstichting zijn verouderd en daarom leeft de wens om deze te moderniseren.
- Nachtvlinders. Voor de pilot nachtvlinders is een eerste inventarisatie uitgevoerd van al beschikbare gegevens. Daaruit is geconcludeerd dat aandacht nodig is voor voldoende en geschikte meetlocaties en een goede representativiteit van de meetpunten. Gegevens die al verzameld werden vóór de start van deze pilot bleken op deze punten te kort te schieten.
- Slakken. In 2019 is onderzocht in hoeverre e-DNA technieken bij kunnen dragen aan informatie over de slakkensoorten nauwe korfslak en platte schijfhoorn. De conclusie was dat dit voorlopig geen efficiëntere monitoring oplevert dan zichtwaarnemingen.
- Invasieve exoten. Voor de monitoring van de soorten die vermeld staan op de Unielijst van de Verordening invasieve uitheemse soorten (EU-verordening 1143/2014) zijn in 2019 diverse nieuwe projecten gestart of is bestaande monitoring uitgebreid ten behoeve van de betreffende soorten. Het betreft monitoring van diverse vogels, zoogdieren, vissen, vaatplanten en daarnaast monitoring van de stierkikker, lettersierschildpad, de Aziatische hoornaar, wolhandkrab en rivierkreeften.
- Medicinale bloedzuiger. Voor de medicinale bloedzuiger is in 2019 (en 2018), veldwerk verricht voor de ontwikkeling van een meetprotocol. De soort is in zes 10 x 10 km-hokken aangetroffen.