Meetprogramma’s

In de volgende 17 subhoofdstukken wordt de kwaliteit van alle NEM meetprogramma’s voor verschillende soortgroepen en typen monitoring in tekst, tabellen en figuren aangegeven. Ook worden aanbevelingen gedaan voor eventuele verbeteringen.

7.1Vleermuizen

Algemeen

Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten hebben een beschermde status omdat zij vermeld worden in bijlage II en/of IV van de Europese Habitatrichtlijn. Vanwege hun verborgen levenswijze is het een lastig te volgen groep van soorten. Binnen het meetprogramma vleermuizen, bestaande uit drie meetonderdelen, worden voor twaalf van de zeventien in Nederland voorkomende soorten trends in aantal bepaald. Zeven soorten worden gevolgd middels tellingen in winterslaap-verblijven (Wintertellingen Vleermuizen). Twee soorten worden gevolgd met tellingen in zomerverblijven (Zoldertellingen Vleermuizen) en vier soorten worden gevolgd middels het meetprogramma Vleermuis Transecttellingen.

Uitsluitend op verspreiding gericht vleermuisonderzoek vindt binnen het NEM niet plaats, maar binnen de lopende meetonderdelen voor aantalsmonitoring is het verzamelen van verspreidingsinformatie wel één van de doelen. Dit levert aanvullende verspreidingsgegevens op, óók voor andere soorten en aanvullende locaties. Daarnaast dragen ook waarnemingen van vleermuizen uit andere bronnen dan het NEM-meetprogramma bij aan de kennis over verspreiding. Dit betreft onder meer uitvliegtellingen, onderzoek naar vliegroutes, zwerm- en trekgedrag en incidentele waarnemingen.

Voor alle meetonderdelen voor vleermuizen geldt:

Coördinatie: Zoogdiervereniging (ZV).

Uitvoering: Vrijwilligers, ZV, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

7.1.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten
Matig sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Natura 2000: trends voor de gezamenlijke Natura 2000-gebieden
  Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
Niet sturende meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Eurobats: landelijke trend
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  Stadsnatuur: landelijke trends

Gegevens

Wintertellingen Vleermuizen

Voor mensen toegankelijke winterverblijfplaatsen van vleermuizen zoals mergelgroeven, kelders, bunkers en forten worden in de winter eenmalig bezocht, waarbij de aangetroffen soorten worden gedetermineerd en geteld. Met deze telling is de trend in aantal te volgen van de zeven soorten die voornamelijk in dergelijke verblijven hun winterslaap houden. Soorten die voornamelijk in lastig te tellen en ontoegankelijke verblijfplaatsen overwinteren (boomholten en spouwmuren e.d.), worden in dit meetprogramma onvoldoende aangetroffen om daarvan de trends in aantal te kunnen volgen.

Zoldertellingen Vleermuizen

De grijze grootoorvleermuis en de ingekorven vleermuis zijn zeldzame soorten die alleen in de drie zuidelijke provincies voorkomen. In de zomer hebben ze een voorkeur voor verblijven op zolders van kerken, kloosters en vergelijkbare gebouwen. Door jaarlijkse tellingen op deze zolders én op locaties waar deze soorten nieuw verschijnen is de trend van de grijze grootoorvleermuis en de ingekorven vleermuis te volgen. Daarnaast worden in het hele land ieder jaar veel (andere) kerkzolders onderzocht op het voorkomen van vleermuizen om voor alle soorten verspreidingsinformatie te verzamelen en om eventuele uitbreiding van het verspreidingsgebied van grijze grootoorvleermuis en ingekorven vleermuis te kunnen detecteren.

Vleermuis Transecttellingen

Van vier algemene soorten waarvan aantalstrends niet via de hiervoor beschreven tellingen in winterverblijven of (kerk)zolders kunnen worden verkregen, wordt de aantalsontwikkeling gevolgd door met batdetectoren vleermuisgeluiden op te nemen tijdens het rijden van vaste routes (per auto; voornamelijk in niet-stedelijk gebied). De geluidsopnamen worden gemaakt met een volautomatische batdetector, die tevens gps-coördinaten van de opnamen vastlegt. Met de geluidskarakteristieken van de opnames kunnen de soorten worden gedetermineerd en het aantal opnamen van een soort per gereden kilometer is indicatief voor de populatiegrootte ter plekke. De locatiegegevens van de opnames geven tevens informatie over de verspreiding van soorten.

Nadere informatie over de veldwerkmethoden is te vinden in veldwerkhandleidingen (zie Links).

Gegevensverwerking

Bij de verwerking van de gegevens wordt gecontroleerd op consistentie van de gegevens, volledigheid, betrouwbaarheid, representativiteit en mogelijke vertekening daardoor. Aantalsgegevens worden jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort in de meeste gevallen berekend worden met behulp van het statistisch programma Trim / Rtrim. Op beperkte schaal wordt ook met trefkansmodellen gewerkt. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Trendgegevens van de wintertellingen zijn beschikbaar vanaf 1986 en van de zoldertelingen vanaf 1984. Het project Vleermuis Transecttellingen is gestart in 2013 en leverde in 2017 voor het eerst voorlopige trendgegevens.

Soorten

Binnen het beschikbare meetprogramma kunnen niet alle Nederlandse vleermuissoorten worden gevolgd. De grote en kleine hoefijzerneus en de mopsvleermuis gelden als uitgestorven in Nederland, hoewel die laatste soort in de zomer van 2017 is waargenomen in Zeeuws Vlaanderen. Vijf andere soorten: Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, kleine dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis zijn (zeer) zeldzaam in Nederland of zo lastig herkenbaar dat er geen geschikte methode is om aantalsontwikkeling of verspreiding ervan te kunnen volgen.

Het volledige overzicht van soorten, meetonderdelen en kwaliteit van de landelijke resultaten is weergegeven in tabel 7.1.2.

7.1.2Vleermuizen: kwaliteitsbeoordeling per soort

Type monitoring
Wintertelling Zoldertelling Transecttelling Kwaliteit trend NL Opmerkingen
Soort
Baardvleermuis2) HR IV aantal goed  
Bechsteins vleermuis3) HR II & IV   (zeer) zeldzaam
Bosvleermuis HR IV   (zeer) zeldzaam
Brandts vleermuis HR IV   (zeer) zeldzaam
Franjestaart HR IV aantal goed  
         
Gewone dwergvleermuis HR IV aantal & verspreiding goed  
Gewone grootoorvleermuis4) HR IV aantal goed  
Grijze grootoorvleermuis HR IV aantal goed  
Grote hoefijzerneus HR IV   verdwenen uit NL
Ingekorven vleermuis HR II & IV aantal aantal goed  
       
Kleine dwergvleermuis HR IV   (zeer) zeldzaam
Kleine hoefijzerneus3) HR II & IV   verdwenen uit NL
Laatvlieger HR IV aantal & verspreiding goed  
Mopsvleermuis3) HR II & IV   (zeer) zeldzaam
Meervleermuis HR II & IV aantal goed  
         
Rosse vleermuis HR IV aantal & verspreiding goed  
Ruige dwergvleermuis HR IV aantal & verspreiding goed  
Tweekleurige vleermuis HR IV   (zeer) zeldzaam
Vale vleermuis HR II & IV aantal goed  
Watervleermuis HR IV aantal goed  

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van Bijlage; RL: Rode Lijst-soort; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.

2)Bij tellingen inclusief enkele niet hiervan te onderscheiden Brandts vleermuizen.

3)HR II-soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen omdat de soort niet op de Nederlandse referentielijst staat.

4)In wintertellingen inclusief enkele grijze grootoorvleermuizen.

Natura 2000‑gebieden

Voor de meervleermuis, vale vleermuis en ingekorven vleermuis geldt dat Natura 2000‑gebieden zijn aangewezen ter bescherming daarvan. Bij de meervleermuis betreft dit vooral Natura 2000‑gebieden met een foerageerfunctie, en voor de ingekorven vleermuis is één Natura 2000‑gebied aangewezen vanwege de functie als kraamverblijf (“Abdij Lilbosch & voormalig klooster Maria-hoop”). Daarnaast zijn er een aantal Natura 2000‑gebieden met o.a. mergelgroeven aangewezen vanwege de functie als winterverblijf. De aangewezen gebieden voor de vale vleermuis betreffen alleen groeves met een functie als winterverblijf. Een overzicht van de voor vleermuizen aangewezen Natura 2000‑gebieden en de kwaliteit van de monitoring is aangegeven in tabel 7.1.3. De kwaliteit van de resultaten is beoordeeld op basis van de beschikbaarheid van telgegevens in de laatste 3 jaar en de mogelijkheid om met de beschikbare gegevens betrouwbare langjarige trends te berekenen.

7.1.3Beoordeling vleermuismonitoring per Natura 2000-gebied

Aantal aangewezen HR-soorten Specificatie soorten van soorten niet goed
Natura 2000-gebied
 
Foergeerfunctie
Alde Feanen 1 Meervleermuis
Biesbosch 1 Meervleermuis
Botshol 1 Meervleermuis
De Wieden 1 Meervleermuis
Groote Wielen 1 Meervleermuis
 
IJsselmeer 1 Meervleermuis
Ilperveld cluster 1 Meervleermuis
Markermeer & IJmeer 1 Meervleermuis
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 1 Meervleermuis
Oostelijke Vechtplassen 1 Meervleermuis
 
Oudegaasterbrekken cluster 1 Meervleermuis
Polder Westzaan 1 Meervleermuis
Rijntakken 1 Meervleermuis
Rottige Meenthe & Brandemeer 1 Meervleermuis
Veluwerandmeren 1 Meervleermuis
 
Weerribben 1 Meervleermuis
Wormer & Jisper veld 1 Meervleermuis
Zwarte meer  1 Meervleermuis
     
Zomerverblijf    
Abdij Lilbosch cluster 1
   
Winterverblijf  
Bemelerberg & Schiepersberg 3 Ingekorven vleermuis, Meervleermuis, Vale vleermuis
Geuldal 3
Kennemerland-Zuid 1
Meijendel & Berkheide 1
Savelsbos 3 Ingekorven vleermuis, Meervleermuis, Vale vleermuis
 
Sint Pietersberg & Jekerdal 3
Veluwe 1

Voortgang 2019

Aantalsmonitoring

De meetprogramma’s voor aantalsmonitoring bevatten voldoende meetpunten om landelijk betrouwbare aantalstrends op te leveren voor twaalf soorten. Ook zijn er veel betrouwbare trendcijfers beschikbaar op gedetailleerder niveau, waaronder trends per provincie en trends per Natura 2000‑gebied, hoewel niet alle gebieden even goed gerepresenteerd zijn in elk meetprogramma.

Bij de wintertellingen is het niet kunnen tellen van afgekeurde groeven met een slechte bouwkundige staat een al langer bestaand probleem. De Mijnbouwwet verbiedt het betreden van groeven ten behoeve van vleermuistellingen wanneer deze zijn afgekeurd vanwege een te slechte bouwkundige staat. In twee van de vier Natura 2000‑gebieden met groeven in Limburg zijn daardoor geen of slechts enkele groeven waar de voor deze gebieden aangewezen soorten geteld kunnen worden. Trendbepaling per gebied is in deze Natura 2000‑gebieden daardoor ook niet of nauwelijks meer mogelijk (landelijke en provinciale trendberekeningen nog wél). Er zijn tot nu toe geen kosteneffectieve alternatieven voor deze tellingen, hoewel er vooronderzoek plaatsvindt aan het tellen van zwermende vleermuizen net buiten de groeven met behulp van mistnetten. Het goede nieuws is dat de provincie Limburg de afgelopen jaren een aantal afgekeurde groeves in het gebied Bemelerberg & Schiepersberg weer heeft verbeterd en dat de tellingen in deze groeves weer zijn opgestart. Voor het gebied Savelsbos blijft dit probleem echter bestaan.

Voor de zoldertellingen van de zeldzame ingekorven vleermuis geldt dat de representativiteit van de telpunten en tellingen een blijvend punt van aandacht is. Aangezien het dier erg zeldzaam is en geclusterd in slechts enkele verblijven voorkomt, dienen die zoveel mogelijk allemaal te worden geteld. Maar omdat de ingekorven vleermuis de laatste jaren ook is aangetroffen in andere, voorheen soms onbekende verblijven, is het mogelijk dat verblijven gemist worden en/of niet worden geteld binnen de voorgeschreven telperiode. Na overleg is in 2018 de trendberekening aangepast aan deze ‘ontclustering’, maar daarbij was het nog niet mogelijk om goede totaalschattingen van de populatie te maken. Die uitbreiding zal nog worden doorgevoerd met het inmiddels in gebruik genomen nieuwe reken- en verwerkingssysteem.

Voor de transecttellingen geldt dat de gegevensverzameling nog altijd kort is (2013–2018). Zowel voor aantalstrends als voor verspreidingstrends zijn geschikte methoden gevonden en grotendeels doorgevoerd, maar de automatisering van de gegevensverwerking is nog in ontwikkeling. Door het ontbreken van een deel van de voor analyse gewenste geografische informatie kon geen definitief besluit worden genomen over enkele details van de gegevensverwerking en kon de trendberekening nog niet volledig worden geautomatiseerd. In 2019 is een groot deel van deze ontbrekende gegevens verkregen en zijn er voorlopige trends berekend. De verwachting is dat de laatste ontbrekende gegevens in 2020 nog worden verkregen, waarmee de automatisering verder kan worden afgerond en reguliere jaarlijkse berekening van trends en indexen kan plaatsvinden.

Met gegevens van uitvliegtellingen (vooralsnog geen NEM-meetprogramma) zijn zomertrend-berekeningen uitgevoerd voor de meervleermuis. De zomertrends van deze soort wijken enigszins af van de wintertrends, maar zijn wél op basis van voldoende meetpunten en meetjaren. Er wordt naar gestreefd om deze tellingen binnen het reguliere vleermuizen-meetprogramma op te nemen en een geschikt portal voor het invoeren van deze tellingen te maken. De geraamde kosten daarvan vallen echter buiten het huidige budget en zijn nog een knelpunt.

Er zijn in totaal 18 Natura 2000‑gebieden met een foerageerfunctie aangewezen voor de meervleermuis, maar vooralsnog heeft monitoring in deze context nog niet plaatsgevonden op reguliere basis. Er zijn inmiddels wel pilots uitgevoerd om te bepalen welke methode en hoeveel meetpunten nodig zijn om in de toekomst de meetdoelen m.b.t. trends in Natura 2000 gebieden te kunnen halen. Het verdient aanbeveling om de methode van monitoring in alle gebieden zoveel mogelijk gelijk te trekken, opdat ook een landelijke trend zonder grote problemen kan worden bepaald.

Voor de wintertellingen, zoldertellingen en transecttellingen is een invoerportal beschikbaar. Bij de transecttellingen is het portal echter niet voldoende geschikt gebleken om ieder jaar GPS-gegevens van de gereden routes te kunnen leveren. Ook lijkt het gerealiseerde internetforum, waar deelnemers elkaar kunnen helpen met o.a. determinaties, niet vaak te worden gebruikt. Dientengevolge is er gezocht naar de nodige financiering om het portal voor transecttellingen geschikter te maken.

Het aantal meetpunten per meetprogramma is weergegeven in figuur 7.1.4 en de ligging van de meetpunten is weergegeven in de figuren 7.1.6 tot en met 7.1.8.

Verspreidingsmonitoring

Hoewel voor vleermuizen geen apart verspreidingsonderzoek wordt uitgevoerd, zijn er voor sommige soorten al veel verspreidingsgegevens beschikbaar, vooral uit de lopende projecten voor aantalsmonitoring. Het is inmiddels mogelijk om met de transecttellingen landelijke verspreidingstrends van vier soorten te bepalen, zij het nog maar over een korte periode. Een landsdekkend overzicht van de verspreiding op 10 x 10 km is echter niet mogelijk voor alle soorten, vooral vanwege het gebrek aan verspreidingsinformatie van een aantal zeldzame soorten en informatie over de kwaliteit van leefgebieden.

Op basis van de gegevens is in tabel 7.1.5 een overzicht gegeven van de stand van zaken voor de lopende rapportageperiode, waarvoor gegevens vanaf 2018 meetellen. Hieruit blijkt dat de gegevensvoorziening voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger het meest compleet is. Voor deze soorten is respectievelijk 79% en 64% van het potentiële verspreidingsgebied (10 x 10 km hokken) geïnventariseerd. Op basis van de huidige verspreidingsgegevens valt te verwachten dat voor zeven van de soorten meer dan 75% van het potentieel leefgebied geactualiseerd kan worden, maar dat er minder dan 25% beschikbaar komt voor Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, kleine dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en vale vleermuis. Ook voor de meervleermuis valt op basis van deze gegevens te verwachten dat over een periode van zes jaar voor minder dan 50% van het potentiële verspreidingsgebied voldoende gegevens beschikbaar zijn. Voor de ingekorven vleermuis en grijze grootoorvleermuis is het potentiële leefgebied klein genoeg om nog voldoende te worden geïnventariseerd binnen de huidige periode van zes jaar.

In 2019 heeft een door LNV geïnitieerde workshop plaatsgevonden over de effecten van de energietransitie (vooral na-isolatie en windmolens) op vleermuispopulaties en de kennislacunes daaromtrent. Hieruit bleek dat er eigenlijk nog te weinig bekend is over de verspreiding van veel soorten en dat hier wellicht meer vaart mee moet worden gemaakt. Het bleek ook dat er meer behoefte is aan schattingen van absolute populatiegroottes en aan meer informatie over stedelijk gebied, twee zaken waar de huidige NEM-meetprogramma’s niet in voorzien. Daarnaast werd duidelijk dat de upload en validatie van vleermuizengegevens in de NDFF, waaronder geluidsbestanden, verbetering behoeft om betere doorstroming van data naar het uitvoerportal mogelijk te maken.

7.1.5Stand van zaken verspreidingsinformatie vleermuizen

10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Baardvleermuis 443 13
Bechsteins vleermuis 123 2
Bosvleermuis 316 4
Brandts vleermuis 198 3
Franjestaart 443 26
Gewone dwergvleermuis 466 79
Gewone grootoorvleermuis 448 48
Grijze grootoorvleermuis 94 19
Ingekorven vleermuis 47 15
Kleine dwergvleermuis 203 6
Laatvlieger 482 64
Meervleermuis 469 15
Rosse vleermuis 482 46
Ruige dwergvleermuis 484 50
Tweekleurige vleermuis 443 5
Vale vleermuis 121 3
Watervleermuis 482 35

Aandachtspunten

  • In verband met de afgesloten groeven alert zijn op geschikte alternatieven voor de huidige telmethode, zoals zwermonderzoek). Ook alert zijn op het opnieuw opstarten van tellingen indien groeven worden opgeknapt en weer toegankelijk worden (ZV & CBS & provincie Limburg).
  • Verder verbeteren van de analysemethode in CBS-analysesystemen voor ingekorven vleermuis (CBS & ZV).
  • Gericht zoeken naar tot dusver onbekende verblijven van ingekorven vleermuis (ZV).
  • Geschikt maken van het portal van de zoldertellingen voor uitvliegtellingen van de meervleermuis (ZV & BIJ12).
  • Vergelijken van de kwaliteit en betekenis van wintertrends en zomertrends van de meervleermuis (ZV & CBS).
  • Aanpassen van de portal voor transecttellingen ten behoeve van aanvulling van de gewenste geografische en eventuele andere gegevens (ZV)
  • Afspraken maken over reguliere levering van gegevens van transecttellingen (CBS & ZV), en verder automatiseren van verwerking en trendberekening (CBS).
  • Kansen en mogelijkheden benutten om betere informatie te verkrijgen m.b.t. verspreiding van vleermuizen (ZV & CBS).

Methode en links naar handleidingen: Website NEM.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

Informatie over de Zoogdiervereniging: Website Zoogdiervereniging.

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar
Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar
Vleermuistransecten

7.2Landzoogdieren

Algemeen

Onder de noemer landzoogdieren wordt in dit hoofdstuk de monitoring van terrestrische zoogdieren besproken, met uitzondering van de vleermuizen. Vleermuizen worden apart in hoofdstuk 7.1 besproken. Zeezoogdieren vallen (nog) niet onder het NEM. Voor verschillende beschermde inheemse zoogdiersoorten dienen de aantalsontwikkelingen en/of de ontwikkelingen in de verspreiding van de soorten te worden gevolgd. Op grond van Europese regelgeving omtrent invasieve exoten is ook informatie nodig over enkele niet-inheemse zoogdiersoorten.

Buiten de meetprogramma’s van het NEM om wordt voor enkele andere soorten nog aanvullende informatie verzameld. Dit betreft met name das, hamster en eikelmuis. De kwaliteit van de informatievoorziening voor die soorten wordt hier niet besproken.

Voor alle deelprogramma’s geldt:

Coördinatie: Zoogdiervereniging (ZV).

Uitvoering: Vrijwilligers, ZV, Sovon, CBS, duinbeheerders, waterschappen.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

7.2.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten
  Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage V
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
Niet sturende meetdoelen
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Schadesoorten: landelijke trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  Invasieve exoten: landelijke trends
  General Surveillance van ggo's: regionale trends

Soorten

In het meetprogramma zijn niet alle landzoogdieren opgenomen, maar ligt de nadruk op soorten met een vermelding op bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn waarvoor geen monitoring buiten het NEM plaats vindt. Daarbij is aantalsmonitoring niet altijd mogelijk of zinvol vanwege de zeldzaamheid en/of de verborgen levenswijze van de soorten. Dat betekent niet perse dat er onvoldoende bekend is. Voor de nieuwkomer wolf geldt bijvoorbeeld dat het beperkte aantal aanwezige dieren ook zonder NEM-meetprogramma al voldoende gevolgd wordt. Naast de HR bijlage II, IV en V soorten zijn ook typische soorten van habitattypen (HR-bijlage I) opgenomen in het meetprogramma. Met het meetprogramma worden ook gegevens verzameld voor diverse soorten zonder beleidsstatus.

Het onderzoek naar invasieve exoten betreft 11 potentieel in Nederland voorkomende zoogdiersoorten van de Unielijst die recent door de EU is opgesteld. Monitoring van deze soorten is opgestart vanwege de verplichting tot rapportage hierover. Het bijbehorende meetdoel dient hiervoor nog te worden aangepast.

Gegevens

Aantalsmonitoring

De aantalsmonitoring is gericht op het verkrijgen van trends in aantallen van de soorten die onder de hiervoor genoemde meetdoelen vallen. Binnen het meetprogramma landzoogdieren zijn er drie meetonderdelen voor aantalsmonitoring.

Dagactieve zoogdieren worden tegelijk met broedvogels geteld in een deel van de telgebieden van het broedvogelmeetnet (BMP) door vrijwilligers van Sovon. Dit betreft tellingen in ongeveer tweeduizend vaste meetlocaties van circa 50-200 hectare groot. Deze meetlocaties worden in het voorjaar meerdere keren bezocht. Voor konijn, haas, ree, vos, eekhoorn, egel en muskusrat resulteren deze tellingen in voldoende betrouwbare aantalstrends. Voor andere soorten zijn de gegevens alleen geschikt voor het in kaart brengen van de verspreiding.

Voor konijnen zijn er tevens tellingen in de duinen, uitgevoerd door terreinbeheerders. Tijdens inspectierondes in de avonduren in voor- en najaar worden vanuit de auto op circa 250 vaste routes konijnen geteld die zichtbaar zijn in het licht van de koplampen.

Voor de hazelmuis zijn er tellingen van de nestjes die deze dieren in de zomer en het najaar maken in de randen van structuurrijke bossen van Zuid-Limburg. Deze tellingen worden uitgevoerd door vrijwilligers van de Zoogdiervereniging in ruim 50 vaste bosrand-transecten. Daarmee wordt het gehele bekende verspreidingsgebied van deze soort geïnventariseerd.

Verspreidingsonderzoek

Het verspreidingsonderzoek is gericht op het vaststellen van trends in de aan- of afwezigheid van de soorten op km-hokniveau. Het actuele leefgebied van de HR soorten dient gerapporteerd te worden op het niveau van 10 x 10 km. Het vaststellen van de afwezigheid van een soort in een 10 x 10 km-hok is alleen mogelijk wanneer een gestandaardiseerd protocol is gevolgd.

Ook voor verspreidingsonderzoek zijn er drie meetonderdelen. De verspreiding van (spits)muizen wordt onderzocht met behulp van braakballen van uilen. Daarbij wordt vooral gebruik gemaakt van braakballen van kerkuilen, omdat deze in het gehele land voorkomen en geen duidelijke voorkeur vertonen voor bepaalde muizensoorten. Braakballen worden op een groot aantal locaties in het land door vrijwilligers van uilenwerkgroepen verzameld, waarna vrijwilligers van de Uilenwerkgroepen en/of Zoogdiervereniging deze pluizen en de in de braakballen aanwezige schedelresten tot op soort determineren.

Voor de verspreiding van de Noordse woelmuis zijn in de provincies Noord- en Zuid-Holland, Friesland en Zeeland woelmuizenkeutels verzameld en onderzocht op het voorkomen van DNA van deze soort. Dit onderzoek vindt in Noord-Holland en Friesland plaats in het kader van een provinciale monitoring. In Zeeland en Zuid-Holland was dit vooralsnog bedoeld om de recente verspreiding in beeld te krijgen. In Brabant en Utrecht waar de Noordse woelmuis ook voorkomt, is geen DNA onderzoek naar de aanwezigheid van de soort uitgevoerd.

De verspreiding van otter en bever wordt onderzocht door vrijwilligers van de otter- en beverwerkgroep CaLutra in samenwerking met de waterschappen. Medewerkers van waterschappen geven eens per jaar de actuele verspreiding van de bever door aan de Zoogdiervereniging, en melden het ook als er voor het eerst in een gebied ottersporen (uitwerpselen e.d.) worden aangetroffen. Waarnemers van CaLutra onderzoeken vervolgens de locatie nader op de aanwezigheid van de otter.

De verspreiding van bunzing en boommarter wordt vanaf 2016 onderzocht met behulp van cameravallen. De cameravallen worden steeds een aantal weken op potentieel voor deze soorten geschikte locaties geplaatst. Dankzij sensoren worden automatisch foto’s gemaakt van passerende dieren, niet alleen van bunzing en boommarter, maar ook van andere soorten. Ook alle overige waarnemingen uit de NDFF en eventuele andere data-bronnen worden gebruikt bij het bepalen van de verspreiding van deze soorten.

Nadere informatie over de veldwerkmethoden is te vinden in veldwerkhandleidingen (zie Links).

Onderzoek invasieve exoten

Op de Unielijst van invasieve exoten staan 11 zoogdiersoorten: muskusrat, beverrat, muntjak, wasbeer, wasbeerhond, de Indische mangoeste, rode neusbeer en de drie eekhoornsoorten Pallas eekhoorn, Amerikaanse voseekhoorn en Siberische grondeekhoorn. Deze soorten komen niet allemaal al in Nederland voor. Het onderzoek is primair gericht op de vijf eerstgenoemde soorten, op basis van de verwachting dat het voor de overige zes soorten niet nodig zal zijn. Het onderzoek is met een pilot in 2018 gestart en wordt uitgevoerd in gebieden waar de kans op voorkomen van deze soorten het grootst is. Voor wasbeer en wasbeerhond worden cameravallen geplaatst, voor muntjak worden transecten gereden met warmtebeeldcamera’s en voor muskusrat en beverrat worden registraties van vangsten door de waterschappen opgevraagd. Ook worden meldingen van deze soorten via Waarneming.nl en Telmee.nl in de gaten gehouden om eventuele nieuwe vindplaatsen te achterhalen. In het geval van de muskusrat, kunnen met de BMP-tellingen ook trends worden berekend.

Gegevensverwerking

Bij de verwerking van de gegevens wordt gecontroleerd op consistentie, volledigheid, betrouwbaarheid, representativiteit en mogelijke vertekening daardoor. Bij de dagactieve zoogdieren wordt gecorrigeerd voor mogelijke vertekening als gevolg van over- of onderbemonstering van bepaalde fysisch geografische regio’s.

Aantalsgegevens worden jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort berekend worden met behulp van het statistisch programma Trim / Rtrim. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Trendgegevens van de dagactieve zoogdieren zijn beschikbaar vanaf 1994 (vos, ree, egel, muskusrat), 1996 (eekhoorn) of 1997 (haas en konijn). Voor de duinkonijnen zijn er trends vanaf 1984 en voor de hazelmuis vanaf 1992.

Het verspreidingsonderzoek is gericht op het vaststellen van trends in de aan- of afwezigheid van de soorten op uurhok-niveau (5 x 5 km). Tevens worden de inventarisatiegegevens van de HR bijlage II & IV-soorten verwerkt tot verspreidingskaarten per HR-verslagperiode op 10 x 10 km-hokniveau. Ook voor invasieve exoten wordt gestreefd naar verspreidingskaarten op 10 x 10 km. Verspreidingstrends worden veelal berekend met behulp van o.a. occupancy-modellen, waarbij – voor zover mogelijk – rekening wordt gehouden met trefkansen en waarnemersinspanning. Dergelijke trends zijn beschikbaar voor elf soorten muizen, waaronder Noordse woelmuis, vanaf 1995, voor otter vanaf 2003 en voor de bever vanaf 1993. Voor bunzing en boommarter zijn nog geen verspreidingstrends beschikbaar. Voor Noordse woelmuis is de verwachting dat met eDNA-onderzoek over enige jaren verspreidingstrends mogelijk zijn.

7.2.2Zoogdieren: kwaliteitsbeoordeling per soort

Soort Beleidsstatus1) Type onderzoek2) Kwaliteit trend NL Opmerkingen
Bever HR II, IV, TYP VO goed geherintroduceerd
Boommarter HR V VO in ontwikkeling  
Bunzing HR V VO in ontwikkeling  
Dwergmuis TYP VO    
Eikelmuis3) TYP      
         
Euraziatische lynx3) HR II, IV     mogelijk incidenteel in NL
Grote bosmuis TYP VO goed  
Haas TYP AO & VO goed  
Hamster3) HR IV      
Hazelmuis HR IV, TYP AO goed  
         
Konijn TYP, S AO goed  
Noordse woelmuis HR II* & IV VO goed  
Otter4) HR II & IV VO goed geherintroduceerd
Waterspitsmuis TYP VO goed  
Wilde kat4) HR IV     zeer zeldzaam
         
Wisent3)4) HR II & IV     geherintroduceerd, maar alleen in gesloten gebied.
Wolf3)4) HR II, IV & V     zeer zeldzaam

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van Bijlage; * = prioritaire soort; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn; S = schadesoort.

2)AO = aantalsonderzoek, VO = verspreidingsonderzoek.

3)Niet in NEM opgenomen.

4)Voor deze soort zijn geen Natura 2000-gebieden aangewezen.

Natura 2000‑gebieden

Voor bever en Noordse woelmuis zijn Natura 2000‑gebieden aangewezen (18, respectievelijk 22 gebieden). Hiervoor kunnen (nog) geen trends per gebied worden bepaald.

Voortgang 2019

Aantalsmonitoring

Alle meetprogramma’s voor aantalsmonitoring verlopen zonder noemenswaardige knelpunten. De meetprogramma’s bevatten voldoende meetpunten om betrouwbare landelijke aantalstrends te leveren van acht soorten landzoogdieren. Dit betreft hazelmuis, konijn, haas, vos, ree, eekhoorn en egel en muskusrat.

Behalve voor egel en muskusrat zijn naast betrouwbare landelijke trends ook diverse betrouwbare trends beschikbaar op een gedetailleerder niveau, waaronder trends per provincie. Voor de konijnen zijn er ook trends per duingebied. Aantalstrends voor bever en Noordse woelmuis in de Natura 2000‑gebieden zijn niet mogelijk.

Uit het MUS-onderdeel van de broedvogelmonitoring van Sovon zijn aanvullende zoogdiergegevens beschikbaar gekomen voor de stedelijke omgeving. Deze zijn met ingang van 2019 in de trendberekeningen meegenomen en leiden met name voor egel en konijn tot betere trendberekeningen. Ook zijn voor de egel aanvullende gegevens beschikbaar uit tuintellingen. Daarvan moet nog worden beoordeeld of die bruikbaar zijn bij de trendberekening.

Verspreidingsonderzoek

Bij de meetprogramma’s voor verspreidingsonderzoek worden jaarlijks inmiddels in circa 500 kilometerhokken braakballen verzameld. Dit is voldoende voor berekening van betrouwbare landelijke verspreidingstrends van 11 soorten (spits)muizen: Noordse woelmuis (HR-II en IV), dwergmuis, waterspitsmuis, bosspitsmuis (spec.), dwergspitsmuis, huisspitsmuis, veldmuis, aardmuis, ondergrondse woelmuis, rosse woelmuis en bosmuis. Voor veel van deze soorten zijn ook betrouwbare provinciale verspreidingstrends beschikbaar. Aangezien zowel voor het verkrijgen als het verwerken van de braakballen vrijwilligers nodig zijn en pluizen veel tijd kost, zijn van de meest recente jaren altijd beperkt gegevens beschikbaar en is er een aanzienlijke nalevering van die jaren. In figuur 7.2.4. is het aantal bemonsterde kilometerhokken voor de meest recente jaren daarom beperkt en geeft de figuur voor die jaren geen goed beeld van de uiteindelijke beschikbaarheid van braakbaldata.

Voor otter en bever worden voldoende gegevens verzameld voor het bepalen van een betrouwbare landelijke verspreidingstrend. Een punt van voortdurende aandacht in het overleg met waterschappen is dat ondanks de afspraken over het doorgeven van ottergegevens, is gebleken dat muskusrattenvangers dat niet altijd doen. Mogelijk hangt dit samen met de op te leggen beperking van de mogelijke vangmiddelen bij aanwezigheid van otters. Een ander punt van aandacht is dat vrijwilligers voor het doorgeven van gegevens aan de Zoogdiervereniging lang niet altijd het hiervoor beschikbare invoerportal gebruiken. Dit heeft tot gevolg dat niet altijd alle gewenste informatie geleverd wordt en details vaak moeten worden nagevraagd. In 2019 is het portal daarom gepromoot en het gebruik ervan gestimuleerd. Ook zal worden gekeken of de gebruiksvriendelijkheid kan worden verbeterd.

Voor bunzing en boommarter is het meetprogramma in 2016 gestart. Hierdoor is daarvan nog maar een korte reeks van waarnemingen beschikbaar en zijn er nog geen trends voor deze soorten mogelijk. Bij dit meetprogramma moeten grote aantallen foto’s verwerkt worden, wat gebeurt via een geautomatiseerd systeem voor fotoregistratie en determinatie van gefotografeerde dieren. Jaarlijks worden op deze wijze ongeveer 50–60 hokken van 5 x 5 km onderzocht. In 2019 werden de soorten 20 (bunzing), respectievelijk 223 keer (boommarter) aangetroffen. Kaarten van de voortgang van het verspreidingsonderzoek van de HR-soorten zijn in bijlage 2 opgenomen.

De voortgang van het in kaart brengen van de verspreidingsgebieden van de HR bijlage II, IV & V-soorten op 10 x 10 km niveau is weergegeven in tabel 7.2.5 en in de figuren in bijlage 2. Voor bever en hazelmuis is het potentiele leefgebied voor de eerstvolgende HR rapportage (in 2024) al compleet onderzocht. Ook voor de boommarter, bunzing en otter is al ruim de helft tot twee derde van het potentieel verspreidingsgebed geïnventariseerd. Voor de Noordse woelmuis blijft het onderzoek nog achter en is na 2 jaar 39% van het leefgebied onderzocht. Voor alle soorten lijkt dit voldoende om na zes jaar een goed beeld van de verspreiding te verkrijgen. Ondanks dat voor bever en Noordse woelmuis Natura 2000‑gebieden zijn aangewezen, worden daarvoor (nog) geen trends per gebied bepaald. De Noordse woelmuis wordt onvoldoende in braakballen aangetroffen om op grond daarvan trends per Natura 2000‑gebied te bepalen. Ook het eDNA onderzoek levert vooralsnog van te weinig jaren gegevens om trendberekening voor de gezamenlijke en/of afzonderlijke Natura 2000‑gebieden mogelijk te maken. Te verwachten valt dat dit op den duur wel mogelijk wordt in de provincies met een langjarig monitoringsprogramma (Friesland en Noord-Holland).

Van enkele zoogdieren zijn ook nog geen goede schattingen van landelijke trends in verspreiding of aantal voorhanden om de Rode Lijst-status te bepalen. Dit geldt met name voor de (kleine) marterachtigen, omdat daarvoor nog geen goede (wetenschappelijk verantwoorde) monitoringsmethodiek bekend is.

7.2.5Voortgang verspreidingsonderzoek zoogdieren

Soort 10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km)
  aantal %
Bever 429 100
Boommarter 310 58
Bunzing 431 68
Hazelmuis 4 100
Noordse woelmuis 82 39
Otter 226 61

Aandachtspunten

  • Aanpassen van het meetdoel invasieve exoten aan de informatiebehoefte (CBS, kernteam, stuurgroep).
  • (Verder) ontwikkelen van methoden voor verspreidingstrends bij boommarter en bunzing (CBS & ZV).
  • Stimuleren van het gebruik van het otterportaal voor opgave van ottergegevens en zo mogelijk de gebruiksvriendelijkheid verbeteren (ZV).
  • Onderzoeken of bij bever en Noordse woelmuis verspreidingstrends per Natura 2000‑gebied mogelijk zijn (ZV en CBS).
  • Onderzoeken of tuintellingen van de egel gebruikt kunnen worden bij trendberekening (CBS & ZV).

Methode en links naar handleidingen Website NEM.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

Informatie over Zoogdiervereniging: Website Zoogdiervereniging.

Informatie over Sovon: Website Sovon.

Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar
Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar
Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar 7.2.8 Meetpunten aantalsmonitoring Hazelmuis, 1986-2018

7.3Broedvogels en ANLb-wintervogels

Algemeen

Op grond van de Europese Vogelrichtlijn geldt een beschermde status voor alle inheemse broedvogels en is informatie nodig over de populatiegrootte, trends en verspreiding van de soorten, zowel op landelijk niveau als op het niveau van Natura 2000‑gebieden. Ook is informatie nodig over het voorkomen van invasieve exotische vogelsoorten die vermeld staan op de ‘Unielijst’.

De populatiegrootte en trends van de broedvogels worden gevolgd via diverse deelprojecten voor aantalsmonitoring. Er is geen afzonderlijk verspreidingsonderzoek voor broedvogels en er wordt ook niet actief gestuurd op het verkrijgen van verspreidingsinformatie. Daar staat tegenover dat het meetprogramma voor aantalsmonitoring dermate intensief is, dat daarmee voor de meeste soorten een goed beeld van de verspreiding wordt verkregen.

In dit hoofdstuk wordt ook ingegaan op het gebruik van wintertellingen van niet-broedvogels in het kader van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb).

Voor alle projecten geldt:

Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.

Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS, Rijkswaterstaat WVL, provincies, terreinbeherende organisaties.

Opdrachtgevers: Ministerie van LNV, Ministerie van IenW (Rijkswaterstaat WVL), provincies.

7.3.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke verspreiding van soorten
  Trilateral Monitoring and Assessment Program: trends van vogels in het Waddengebied
  Farmland Bird Index: landelijke trends van boerenlandvogels
  Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends
  OSPAR Commission: landelijke trends
  Aviaire Influenza: landelijke trend en landelijke verspreiding
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
Niet sturende meetdoelen
  Ramsar (wetlands): trends per Ramsargebied
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Schadesoorten: landelijke trends
  Kwaliteit van het agrarisch gebied: landelijke trends
  Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  Stadsnatuur: landelijke trends
  Invasieve exoten: landelijke trends
  General Surveillance van ggo's: regionale trends

Soorten

Aangezien alle inheemse broedvogels beschermd zijn en er over al deze soorten informatie verzameld wordt, zijn ze ook allemaal opgenomen in het meetprogramma broedvogels. Naast de inheemse soorten zijn bovendien enkele exoten opgenomen. Op de ‘Unielijst’ van te volgen en eventueel te bestrijden exoten staan vijf vogelsoorten: heilige ibis, huiskraai, nijlgans, rosse stekelstaart en treurmaina. Extra inspanning voor het volgen van deze soorten is maar beperkt, omdat ze, voor zover aanwezig, grotendeels meeliften binnen de projecten voor de overige soorten.

Gegevens

Projecten

Broedvogels worden gemeten in diverse projecten voor aantalsmonitoring, onder de overkoepelende naam Meetnet Broedvogels. Onder deze naam is oorspronkelijk gestart met tellingen van de algemene en schaarse broedvogels (BMP), niet veel later gevolgd door tellingen van zeldzame broedvogels (LSB) en kolonievogels (KOL). Voor algemene en schaarse soorten betreffen de tellingen een steekproef van de populaties. Bij de zeldzame soorten en kolonievogels wordt zoveel mogelijk gestreefd naar integrale tellingen.

Onder het BMP vallen ook enkele meer gespecialiseerde projecten gericht op bijzondere soorten en/of habitats, zoals voor boerenlandvogels (MAS), stadsvogels (MUS) en kustbroedvogels. Elk (deel-)project heeft zijn eigen meetprotocol en er zijn ook verschillende analyseprotocollen. Veelal worden (territoria van) broedparen in kaart gebracht, maar bijvoorbeeld bij de stadsvogeltellingen met het MUS-protocol, gaat het om tellingen van individuen en bij veel kolonievogels om bezette nesten.

Veldwerkhandleidingen en een onderzoeksbeschrijving zijn te vinden op de NEM-website en de Sovon-website (zie Links).

Broedvogels worden in de meeste gevallen geïnventariseerd door vrijwilligers, maar bij de provinciale boerenlandvogeltellingen, de metingen aan kustbroedvogels in het Waddengebied en metingen in de zoete en zoute Rijkswateren worden ook beroepskrachten ingeschakeld. Rijk en provincies hebben een ruilovereenkomst m.b.t. de gegevens. Onderdeel daarvan is een loketfunctie bij Sovon om vogelinformatie aan provincies te leveren. Dit gebeurt via de website van Sovon, waarop trend-, aantals- en verspreidingsinformatie wordt gepresenteerd op landelijk, provinciaal en gebiedsniveau.

Voor het beoordelen van de effectiviteit van agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) worden 60 vogelsoorten geselecteerd waarvan de trends in beheerd agrarisch gebied vergeleken kunnen worden met trends in niet-beheerd agrarisch gebied. Binnen het agrarisch gebied is daarbij ook onderscheid gemaakt naar open akkerland, open grasland, natte en droge dooradering, waarbij voor iedere soort gestreefd wordt naar voldoende meetpunten in de voor die soort relevante gebieden in zowel beheerd als niet beheerd gebied. Het grootste deel van deze soorten wordt al gevolgd via broedvogeltellingen en watervogeltellingen. Voor 11 soorten leveren de ‘punt transect tellingen’ (PTT) aanvullende gegevens. Met deze telmethode worden rond de jaarwisseling vogels geteld in transecten die bestaan uit 20 bij elkaar gelegen telpunten. Het gaat om de ANLB-soorten blauwe kiekendief, geelgors, goudplevier, grauwe gors, keep, koperwiek, kramsvogel, roek, ruigpootbuizerd, veldleeuwerik en velduil.

Gegevensverwerking

Voor elk van de deelprojecten en soorten is op grond van de beschikbaarheid van data een startjaar gekozen vanaf wanneer trendberekening kan plaats vinden. Op basis van de tellingen worden voor de meeste broedvogels standaard trends berekend vanaf 1990. Voor veel soorten geldt echter dat ook bruikbare gegevens beschikbaar zijn van vóór 1990. Voor die soorten worden ook aanvullende trends berekend over langere tijdreeksen, in sommige gevallen al vanaf 1980.

Bij de verwerking van de gegevens wordt gecontroleerd op uitbijters, op consistentie en volledigheid van de gegevens en op betrouwbaarheid en mogelijke vertekening van de berekende trends. Eventuele vertekening door over- of onderbemonstering van bepaalde gebieden wordt in veel gevallen gecorrigeerd door middel van stratificatie en weging. In de meeste gevallen betreft dat een weging op het niveau van fysisch geografische regio’s en/of biotoop, maar bij weidevogels wordt tevens rekening gehouden met verschillen in dichtheden van de soorten tussen weidevogelgebieden. Aantalsgegevens worden jaarlijks geanalyseerd, waarbij jaarcijfers en trends per soort berekend worden met behulp van het rtrim package in het statistisch programma R. Ten behoeve van het provinciaal beleid rondom het rapen van kievitseieren in Friesland worden de boerenlandvogelgegevens van deze provincie (tevens) nog tijdens het teljaar versneld verwerkt, om vóór het nieuwe broedseizoen Friese trendgegevens en indexen te verkrijgen die in het provinciaal beleid rondom het kievitseieren rapen worden gebruikt. De belangrijkste jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links) en op de website van Sovon.

Dankzij de intensieve monitoring kunnen naast betrouwbare landelijke resultaten (zie tabel 7.3.2) voor veel vogelsoorten ook op een lager niveau betrouwbare trends en indexen worden bepaald, onder meer op het niveau van provincies en gezamenlijke en afzonderlijke Natura 2000‑gebieden. Voor Natura 2000‑gebieden worden ook aantallen bepaald, waarbij het streven is minimaal eens per drie jaar een aantalsopgave beschikbaar te stellen.

De kwaliteit van de resultaten is in de meeste gevallen beoordeeld op grond van de berekende trends. In het geval van zeer zeldzame, incidentele of verdwenen soorten (bijvoorbeeld brilduiker en zwarte wouw) zijn te weinig gegevens beschikbaar voor een daadwerkelijke trendberekening. De kwaliteit van de trend in Nederland wordt in die gevallen beoordeeld op basis van een inschatting van de kans dat de betreffende soort wordt gevonden wanneer deze aanwezig is.

7.3.2Broedvogels: kwaliteitsbeoordeling per soort

Kwaliteit trend Kwaliteit trend
Beleids­status2) Kwaliteit trend NL3) Waddenzee (TMAP) Boerenlandvogels (FBI) Opmerkingen
Soort1)4)
Aalscholver (k) VR I, TMAP, Ai goed goed    
Appelvink VR, TYP goed
Baardman VR goed
Bergeend VR, TMAP, Ai, TYP goed goed  
Blauwborst VR I, TYP goed      
           
Blauwe kiekendief VR I, TMAP goed goed    
Blauwe reiger (k) VR, Ai goed      
Boerenzwaluw VR, FBI goed   goed  
Bontbekplevier VR I, TMAP, Ai goed goed    
Bonte strandloper VR, TMAP, Ai goed   incidenteel in NL
           
Bonte vliegenvanger VR goed      
Boomklever VR, TYP goed      
Boomkruiper VR goed      
Boomleeuwerik VR I, TYP goed    
Boompieper VR goed      
           
Boomvalk VR goed    
Bosrietzanger VR, TYP goed      
Bosuil VR, TYP goed      
Braamsluiper VR goed      
Brandgans VR, TMAP, Ai, S goed goed    
           
Brilduiker VR, Ai goed    
Bruine kiekendief VR I goed    
Buidelmees VR goed      
Buizerd VR goed      
Canadese gans Ai, S goed      
           
Cetti’s Zanger VR goed    
Dodaars VR I, TYP, Ai goed      
Draaihals VR I goed      
Duinpieper VR I, TYP goed     verdwenen uit NL
Dwergmeeuw VR, TMAP goed   incidenteel in NL
         
Dwergstern (k) VR I, TMAP goed goed    
Eider VR I, TMAP, TYP goed goed  
Ekster VR, S goed    
Europese kanarie VR goed      
Fazant Exoot, S goed      
           
Fitis VR goed      
Fluiter VR, TYP goed      
Fuut VR, Ai goed      
Gaai VR goed    
Geelgors VR, FBI, TYP, ANLb goed   goed  
           
Gekraagde roodstaart VR goed      
Gele kwikstaart (w) VR, FBI goed   goed  
Geoorde fuut VR I, TYP, Ai goed      
Gierzwaluw VR goed      
Glanskop VR goed      
           
Goudhaan VR goed      
Goudvink VR, TYP goed      
Grasmus VR, FBI goed   goed  
Graspieper (w) VR, FBI, TYP goed   goed  
Graszanger VR goed      
           
Grauwe gans VR, Ai, S goed      
Grauwe gors VR, FBI goed   goed
Grauwe kiekendief VR I goed goed  
Grauwe klauwier VR I goed goed  
Grauwe vliegenvanger VR goed    
           
Griel VR goed     verdwenen uit NL
Groene specht VR goed      
Groenling VR, ANLb goed      
Grote bonte specht VR, TYP goed      
Grote gele kwikstaart VR goed      
           
Grote karekiet VR I goed      
Grote Lijster VR, FBI goed   goed  
Grote mantelmeeuw VR, TMAP, Ai goed goed    
Grote stern (k) VR I, TMAP goed goed    
Grote zilverreiger VR I, Ai goed      
           
Grutto (w) VR, TMAP, FBI, Ai goed goed goed  
Halsbandparkiet Exoot goed      
Havik VR goed    
Heggenmus VR goed      
Heilige Ibis Exoot goed      
           
Holenduif VR, S goed      
Hop VR goed     verdwenen uit NL
Houtduif VR, S goed      
Houtsnip VR, TYP, Ai goed      
Huiskraai Exoot goed      
           
Huismus VR, S goed      
Huiszwaluw (k) VR goed      
IJsvogel VR I goed      
Kauw VR, S goed      
Kemphaan VR I, TMAP, FBI, Ai goed goed goed  
         
Kerkuil VR goed      
Kievit (w) VR, TMAP, FBI, Ai goed goed goed
Klapekster VR, TYP goed     verdwenen uit NL
Kleine barmsijs VR goed      
Kleine bonte specht VR goed      
           
Kleine Karekiet VR goed      
Kleine mantelmeeuw (k) VR I, TMAP, Ai goed goed    
Kleine plevier VR, Ai goed      
Kleine zilverreiger VR, TMAP, Ai goed goed    
Kleinst waterhoen VR matig      
           
Kluut VR I, TMAP, Ai, TYP goed goed    
Kneu VR goed      
Knobbelzwaan VR, Ai, S goed      
Koekoek VR goed      
Kokmeeuw (k) VR, TMAP, Ai goed goed  
           
Kolgans VR, Ai, S goed      
Koolmees VR goed    
Korhoen VR I goed      
Kraanvogel VR goed      
Krakeend VR, Ai goed      
           
Kramsvogel VR goed      
Krooneend VR, Ai goed      
Kruisbek VR goed      
Kuifeend (w) VR, Ai goed      
Kuifleeuwerik VR goed     verdwenen uit NL
           
Kuifmees VR goed      
Kwak VR, TYP goed    
Kwartel VR, FBI, TYP goed   goed
Kwartelkoning VR I goed      
Lachstern VR, TMAP goed   verdwenen uit NL
         
Lepelaar (k) VR I, TMAP, Ai goed goed    
Matkop VR, TYP goed      
Meerkoet VR, Ai, S goed      
Merel VR goed      
Middelste bonte specht VR goed    
         
Middelste zaagbek VR, TMAP goed    
Nachtegaal VR, TYP goed      
Nachtzwaluw VR I goed      
Nijlgans Ai, Exoot goed      
Noordse stern (k) VR I, TMAP goed goed    
           
Oehoe VR goed      
Oeverloper VR, Ai goed      
Oeverzwaluw (k) VR I goed    
Ooievaar VR, Ai goed      
Ortolaan VR goed     verdwenen uit NL
           
Paapje VR I, TYP goed    
Patrijs VR, FBI goed   goed  
Pijlstaart VR, TMAP, Ai goed    
Pimpelmees VR goed      
Porseleinhoen VR I goed      
           
Purperreiger (k) VR I, Ai goed      
Putter VR, FBI goed   goed  
Raaf VR goed      
Ransuil VR goed      
Rietgors VR goed      
           
Rietzanger VR I goed      
Ringmus VR, FBI, S goed   goed  
Rode wouw VR goed      
Roek (k) VR, FBI, S, ANLb goed   goed  
Roerdomp VR I, Ai goed    
           
Roodborst VR goed      
Roodborsttapuit VR I, FBI, TYP goed   goed
Roodhalsfuut VR goed      
Roodkopklauwier VR goed     verdwenen in NL
Rosse stekelstaart Exoot goed      
           
Ruigpootuil VR goed     incidenteel in NL
Scholekster (w) VR, TMAP, FBI, Ai goed goed goed  
Sijs VR goed      
Slechtvalk VR goed      
Slobeend (w) VR, FBI, Ai goed   goed  
           
Smient VR, TMAP, Ai, S goed  
Snor VR I goed      
Soepeend Exoot goed      
Soepgans Exoot goed      
Sperwer VR goed    
           
Spotvogel VR, FBI goed   goed  
Spreeuw VR, FBI, S goed   goed  
Sprinkhaanzanger VR, TYP goed      
Staartmees VR goed      
Stadsduif VR goed    
         
Steenloper VR, TMAP goed   incidenteel in NL
Steenuil VR, FBI goed   goed  
Steltkluut VR goed      
Stormmeeuw (k) VR, TMAP, Ai goed goed    
Strandplevier VR I, TMAP, TYP goed goed    
           
Tafeleend VR, Ai goed      
Tapuit VR I, TYP goed      
Tjiftjaf VR goed    
Torenvalk VR, FBI goed   goed  
Tuinfluiter VR goed      
         
Tureluur (w) VR, TMAP, Ai, FBI, TYP goed goed goed  
Turkse tortel VR goed    
Veldleeuwerik (w) VR, FBI, TYP, ANLb goed   goed
Velduil VR I, TMAP, TYP goed goed    
Vink VR goed      
         
Visdief (k) VR I, TMAP, Ai goed goed    
Vuurgoudhaan VR goed      
Waterhoen VR, Ai goed      
Waterral VR, Ai goed      
Watersnip VR I, TMAP, Ai, FBI, TYP goed goed goed  
           
Wespendief VR I, TYP goed      
Wielewaal VR, TYP goed      
Wilde eend VR, Ai, S goed      
Wilde zwaan VR, Ai goed      
Winterkoning VR goed      
           
Wintertaling VR, TYP, Ai goed      
Witte kwikstaart VR goed    
Woudaap VR I goed    
Wulp VR, TMAP, Ai, FBI, TYP goed goed goed  
Zanglijster VR goed      
           
Zeearend VR goed      
Zilvermeeuw (k) VR, TMAP, Ai goed goed    
Zomertaling VR, Ai goed      
Zomertortel VR, FBI goed   goed  
Zwarte kraai VR, S goed      
           
Zwarte mees VR goed      
Zwarte roodstaart VR goed      
Zwarte specht VR I, TYP goed      
Zwarte stern (k) VR I, TYP, Ai goed      
Zwarte wouw VR goed      
           
Zwartkop VR goed      
Zwartkopmeeuw (k) VR I, TMAP, Ai goed matig  

1)(k): Kolonievogel; (w): weidevogelmeetnet.

2)VR: Vogelrichtlijnsoort (alle inheemse vogelsoorten volgens art 1-3 VR), VR I: soorten waarvoor op basis van Bijlage I van de Vogelrichtlijn in één of meerdere Natura 2000-gebieden instandhoudingsdoelen worden geformuleerd; TMAP: Trilateral Monitoring and Assessment Program; FBI: Farmland Bird Index; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; Exoot: (invasieve) exoten; S: Schadesoorten (vastgesteld bij AMvB); ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.

3)Kwaliteit van trends voor meetdoel aviaire influenza is gelijk aan kwaliteit trends NL en daarom niet apart benoemd.

4)Keep en koperwiek ontbreken in deze lijst, omdat deze niet broeden in Nederland. Het zijn echter wél ANLB doelsoorten die met PTT tellingen wordt gevolgd.

Natura 2000‑gebieden

Voor 45 soorten vogels zijn er Natura 2000 gebieden aangewezen waar deze soorten speciale bescherming genieten. In totaal levert dit ruim 370 soort-gebied combinaties waarvoor informatie over trends en populatiegrootte gewenst is. Voor het beoordelen van de teldekking in Natura 2000‑gebieden is in 2016 een systematiek ontwikkeld, waarmee ongeveer tweederde van de soort-gebiedscombinaties automatisch kan worden beoordeeld. Dit gebeurt primair op basis van de mate waarin in de laatste drie jaren de telgebieden zijn geïnventariseerd waarin de soort in de afgelopen 12 jaar is aangetroffen. In het oordeel wordt tevens rekening gehouden met de relatieve aantallen van de soort in de recent getelde meetpunten. Alleen wanneer die informatie geen uitsluitsel geeft, wordt met aanvullende kennis over de situatie ter plaatse een eindoordeel gegeven.

7.3.5Beoordeling broedvogels per Natura 2000-gebied

Aantal2)
VR-soorten
Aantal VR-soorten niet goed3) Specifcatie soorten niet goed
Natura 2000-gebied1)
Alde Feanen 9    
Bargerveen 10    
Biesbosch 8    
Boezems Kinderdijk 4    
Brabantse Wal 6 3 boomleeuwerik, dodaars, nachtzwaluw
       
De Wieden 13 1 watersnip
Deelen 5 1 rietzanger
Deurnsche peel & Mariapeel 4    
Drents-Friese Wold & Leggelderveld 9    
Duinen Ameland 2 1 eider, porseleinhoen
       
Duinen en Lage Land Texel 12 2 eider, roodborsttapuit
Duinen Goeree & Kwade Hoek 1    
Duinen Schiermonnikoog 7    
Duinen Terschelling 10    
Duinen Vlieland 8    
       
Dwingelderveld 7    
Eemmeer en Gooimeer zuidoever 1    
Eilandspolder 1    
Engbertsdijksvenen 1    
Fochteloerveen 4 3 geoorde fuut, porseleinhoen, roodborsttapuit
       
Grevelingen 7    
Groote Peel 5 1 porseleinhoen
Groote Wielen 3    
Haringvliet 10 1 bruine kiekendief
Hollands diep 2    
       
IJsselmeer 10 1 snor
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske 7 2 rietzanger, snor
Kampina & Oisterwijkse Vennen 2    
Ketelmeer & Vossemeer 3 1 porseleinhoen
Krammer-Volkerak 8 1 bruine kiekendief
       
Lauwersmeer 13    
Leekstermeergebied 3    
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux 3    
Lepelaarplassen 2    
Maasduinen 8 1 grauwe klauwier
       
Markermeer en IJmeer 2    
Markiezaat 5 1 dodaars
Meinweg 3 2 boomleeuwerik, roodborsttapuit
Naardermeer 5    
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 6 1 zwarte stern
       
Noordzeekustzone 3    
Oostelijke Vechtplassen 9 1 ijsvogel
Oosterschelde 8 1 bruine kiekendief
Oostvaardersplassen 14    
Oudegaasterbrekken, Fluessen e. o. 1    
       
Rijntakken 12 1 ijsvogel
Sallandse Heuvelrug 3 1 roodborsttapuit
Sneekermeergebied 4    
Strabrechtse Heide & Beuven 2    
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht 5    
       
Van Oordt's Mersken 2    
Veerse Meer 3    
Veluwe 10 1 ijsvogel
Veluwerandmeren 2    
Voornes Duin 4    
       
Waddenzee 13    
Weerribben 8    
Weerter- en budelerbergen & Ringselven 3 2 boomleeuwerik, nachtzwaluw
Westerschelde & Saeftinghe 9    
Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder 3    
       
Zoommeer 4    
Zouweboezem 3    
Zuidlaardermeergebied 3    
Zwanenwater & Pettemerduinen 4    
Zwarte Meer 6    

1)De begrenzing van de gemonitorde gebieden valt niet altijd volledig samen met de begrenzing van de Natura 2000-gebieden.

2)Aantal kwalificerende VR-soorten per gebied.

3)Met het oog op trends per VR-gebied: gebaseerd op volledigheid van beschikbare tellingen in de laatste 3 jaar en expert judgement.

Voortgang 2019

Data en teldekking

De teldekking is onverminderd groot en neemt over het algemeen de laatste jaren zelfs nog toe. In totaal zijn voor de verschillende BMP-deelprojecten in de loop der jaren ongeveer 11 000 meetpunten onderzocht, verdeeld over de verschillende deelprojecten voor verschillende doeleinden en in verschillende biotopen. In de laatste jaren werd steeds ongeveer 30-35% van deze meetpunten geteld (zie figuur 7.3.3).

Bij de zeldzame soorten zijn telgegevens beschikbaar van bijna 5 900 locaties, waarvan de laatste jaren steeds ongeveer 45% werd geteld.

Voor kolonievogels zijn telgegevens beschikbaar van ongeveer 16 000 kolonies/meetpunten, waarvan in de laatste jaren bijna 75% is geteld. Het aantal kolonies per soort is min of meer stabiel en omvat vrijwel alle kolonies van de betreffende soorten. Recent werden telgegevens van kolonies van grote en kleine zilverreiger aan de kolonievogeldata toegevoegd.

Bij de PTT-tellingen zijn telgegevens beschikbaar van bijna 1 200 transecten met vele duizenden afzonderlijke meetpunten. Daarvan werd in de laatste jaren ongeveer 50% geteld (zie figuur 7.3.4). Trends voor de aangewezen ANLb-leefgebieden op basis van de PTT-tellingen zijn in 2019 nog niet doorgerekend. Wel heeft Sovon een overzicht gemaakt van het aantal geschikte meetpunten voor de 11 soorten. Vanwege de zeldzaamheid van veel van deze soorten en het lage aantal ANLb-winterpakketten bleken er bij de PTT-tellingen voor de meeste soorten onvoldoende ANLb- en/of referentiemeetpunten te zitten. Het voorstel is om de analyses voorlopig uit te voeren op het aantal aanwezige soorten per meetpunt.

Bij de MAS-tellingen die vanaf 2016 aan de BMP-dataset werden toegevoegd, is besloten om de tot en met 2018 doorgevoerde correctie voor waarnemerswisseling niet meer toe te passen. Uit nieuw onderzoek naar effecten van waarnemerswisseling bleek dat de gekozen correctie niet het gewenste resultaat opleverde en bovendien tot een veel minder efficiënt gebruik van MAS leidde.

Aangewezen broedvogelsoorten in de Natura 2000 gebieden worden in verreweg de meeste gevallen goed geteld. Slechts 32 (9%) van de 374 soort-gebiedscombinaties wordt niet goed geteld. Ten opzichte van vorig jaar is het percentage met 3 procentpunt afgenomen. In de lijst van soorten die niet goed geteld worden is wel enige verschuiving te zien, maar het betreft in vrijwel alle gevallen dezelfde gebieden waar nog verbetering in tellingen mogelijk zijn.

Ontwikkelingen

In de gegevensverzameling en –verwerking zijn weinig knelpunten te melden. De complexiteit van de gegevens en de uitgebreidheid van de te berekenen output zorgt wél voor een omvangrijk en tijdrovend verwerkingsproces waardoor weinig ruimte is voor opvang van tegenvallers. In 2019 was de druk op de gegevensverwerking opnieuw hoog, mede omdat de in 2018 in gang gezette vernieuwingen in de CBS-automatisering nog niet geheel waren afgerond. Daardoor is verbetering van de controles op provinciale trends maar zeer ten dele gerealiseerd en is ook de aanpassing van de weging nog niet afgerond. Beide zullen in 2020 verder worden aangepakt.

Aandachtspunten

  • Zorgen voor een strakke aanlevering van data en snel op orde brengen van eventueel geconstateerde fouten daarin (Sovon, CBS).
  • Nagaan op welke wijze de plausibiliteits- en representativiteitscontroles van provinciale trends kunnen worden verbeterd (CBS).
  • Verbetering van de trendresultaten van PTT-tellingen door stratificatie en weging (Sovon en CBS)
  • Het verbeteren/updaten van de wegingsprocedure voor broedvogels op basis van de recente atlasgegevens (CBS, Sovon).
  • Evalueren van de effectiviteit van ANLb aan de hand van een aantal goed gemeten pilot-soorten. (Sovon, CBS, Bij12).

Methode en links naar handleidingen: Website NEM.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

Informatie over Sovon: Website Sovon.

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar 7.3.6 Meetpunten aantalsmonitoring broedvogels (BMP), 1984-2018
7.3.7 Meetpunten aantalsmonitoring kolonievogels, 1990-2018 Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar
Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar 7.3.8 Kerngebieden en meetpunten zeldzame vogelsoorten (LSB), 1986-2018
7.3.9 Transecten wintervogeltellingen PTT, 1980-2018 Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar

7.4Nestkaarten

Algemeen

Het Meetprogramma Nestkaarten levert informatie over het broedsucces van vogels en over het tijdstip van het broeden en de veranderingen daarin. Met gegevens over de reproductie zijn toekomstige veranderingen in de populatiegrootte al in een vroeg stadium te signaleren en kan daarop worden geanticipeerd in het beleid, met name voor wadvogels (in het kader van TMAP) en weidevogels (in het kader van Agrarisch natuurbeheer). Tevens zijn fenologische veranderingen onder invloed van bijvoorbeeld klimaatverandering te signaleren.

Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.

Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, Werkgroep Roofvogels Nederland, Steenuilen Overleg Nederland,

CBS, Weidevogelwachten & LandschappenNL, Stichting Kerkuilenwerkgroep Nederland, Stichting Hirundo, Werkgroep NESTKAST, Werkgroep STORK, Gierzwaluwbescherming Nederland, e.a.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV, provincies

7.4.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen
  Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijke trends
Matig sturende meetdoelen
  Broedsucces weidevogels en waddenvogels
Niet sturende meetdoelen
  Kwaliteit van het agrarisch gebied: landelijke trends
  Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.

Gegevens

Gegevensverzameling

Het meetprogramma bestaat uit het jaarlijks verzamelen en analyseren van data over broedsucces en de eilegdatum. Per vogelsoort worden de lotgevallen van een aantal nesten tot het uitkomen van de eieren (bij nestvlieders) of uitvliegen van de jongen (bij nestblijvers) gevolgd gedurende het broedseizoen, zoals legselgrootte, eilegdatum en broedsucces. In het meetprogramma Nestkaarten wordt samengewerkt met een aantal organisaties die nestgegevens verzamelen.

Data

De nestgegevens worden op (digitale) kaart geregistreerd, vandaar de term nestkaarten. Voor algemene soorten wordt gestreefd naar een steekproef met een omvang van minimaal 60 nesten en nestkaarten per jaar. Voor zeldzame soorten wordt een lager aantal nog als voldoende beschouwd indien daarmee een substantieel deel van de nesten gevolgd kan worden. Van alle soorten samen worden jaarlijks enkele tienduizenden nestkaarten verzameld.

Het meetprogramma is gestart in 1995, maar voor sommige soorten zijn ook eerdere gegevens beschikbaar; soms al vanaf de jaren zestig.

Soorten

In het meetprogramma Nestkaarten is vastgelegd dat voor 43 broedvogelsoorten nestgegevens worden verzameld. Voor het Waddengebied gaat het om het broedsucces van broedvogels uit het TMAP-programma. Daarnaast is het broedsucces van weidevogels in relatie tot verschillende typen ingrepen en beheer van belang voor het agrarisch natuurbeheer, waarvan de verantwoordelijkheid bij de provincies ligt.

Analyse

Jaarlijks worden door Sovon eilegdata en broedsucces berekend van ruim 50 vogelsoorten. Deze worden per soort op de Sovon website gepubliceerd.

Voor de weidevogels zijn er te weinig data beschikbaar over nestsucces van onbeschermde nesten, waardoor uitsluitend betrouwbare uitspraken gedaan kunnen worden over het nestsucces van het (substantiële) deel van de populatie waarvan de nesten wordt beschermd.

7.4.2Nestkaarten: kwaliteitsbeoordeling per soort

Broedsucces2) Broedsucces2) Broedsucces3)
Beleidsstatus1) weidevogels waddenvogels (TMAP) landelijk
Soort
Blauwe kiekendief VR I, TMAP goed
Boerenzwaluw VR, FBI goed
Bontbekplevier VR I, TMAP, Ai matig
Bonte vliegenvanger VR goed
Boomklever VR, TYP goed
     
Boomvalk VR goed
Bruine kiekendief VR I goed
Buizerd VR goed
Eider VR I, TMAP, TYP matig
Gekraagde roodstaart VR matig
     
Gierzwaluw VR goed
Graspieper VR, FBI, TYP goed
Grauwe klauwier VR I slecht
Grote Stern VR I, TMAP slecht
Grutto VR, TMAP, FBI, Ai goed
     
Havik VR goed
Kerkuil VR goed
Kievit VR, TMAP, FBI, Ai . . goed
Kleine karekiet VR     matig
Kleine Mantelmeeuw VR I, TMAP, Ai   . matig
         
Kleine plevier VR, Ai   . goed
Kluut VR I, TMAP, Ai, TYP   . goed
Kokmeeuw VR, TMAP, Ai   . matig
Koolmees VR     goed
Lepelaar VR I, TMAP, Ai   . slecht
         
Merel VR     goed
Noordse Stern VR I, TMAP   . goed
Ooievaar VR, FBI, Ai .   goed
Pimpelmees VR     goed
Ringmus VR, FBI, S     goed
         
Scholekster VR, TMAP, Ai, FBI   . goed
Slobeend VR, FBI, Ai     goed
Sperwer VR     goed
Spreeuw VR, FBI, S .   goed
Steenuil VR, FBI     goed
         
Torenvalk VR, FBI .   goed
Tureluur VR, TMAP, Ai, FBI, TYP   . goed
Veldleeuwerik VR, FBI, TYP .   matig
Visdief VR I, TMAP, Ai   . goed
Wespendief VR I, TYP     goed
         
Wulp VR, TMAP, Ai, FBI, TYP   . goed
Zilvermeeuw VR, TMAP, Ai   . matig
Zwarte stern VR I, Ai, TYP     goed

1)VR: Vogelrichtlijnsoort (alle inheemse vogelsoorten volgens art 1-3 VR), VR I: soorten waarvoor op basis van Bijlage I van de Vogelrichtlijn in één of meerdere Natura 2000-gebieden instandhoudingsdoelen worden geformuleerd; TMAP: Trilateral Monitoring and Assessment Program; FBI: Farmland Bird Index; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; Exoot: (invasieve) exoten; S: Schadesoorten (vastgesteld bij AMvB).

2)Resultaten voor dit meetdoel nog niet in te vullen.

3)Beoordeling aantal kaarten over de laatste 3 jaar (met het oog op het kunnen bepalen van landelijke trends). Goed: 60 of meer; matig: 20-60; slecht: minder dan 20 nestkaarten. Bij schaarse soorten is een lager aantalscriterium aangehouden.

Voortgang 2019

Van het jaar 2018 kwamen in 2019 voor alle 43 soorten samen ruim 47 000 nestkaarten beschikbaar, een toename ten opzichte van het vorige jaar. Vrijwel alle gegevens (98%) worden inmiddels digitaal ingezonden, waarbij automatische foutcontrole plaats vindt. Uitgaande van de gegevens van de laatste drie jaren, zijn van 32 soorten (74%) voldoende nestkaarten verzameld. Van elf soorten zijn onvoldoende gegevens beschikbaar. Ten opzichte van vorig jaar zijn twee soorten anders beoordeeld. Dit betreft de Noordse stern die van matig naar goed is gegaan en de veldleeuwerik die van goed naar matig is gegaan.

Overigens is er altijd een nalevering van gegevens, waardoor vooral voor de laatste jaren het aantal nestkaarten iets gunstiger kan uitpakken. Bovendien geldt voor twee slecht scorende soorten (grote stern en lepelaar) dat weliswaar te weinig gegevens op nestniveau worden ingezameld, maar dat in het Reproductiemeetnet Waddenzee aanvullende gegevens worden verzameld over het aantal uitgevlogen jongen in uitgerasterde enclosures binnen de kolonies.

In 2018 was voorgenomen om de output van dit meetprogramma beter aan te laten sluiten bij het meetdoel door op basis van het door Sovon berekend broedsucces per soort een compendium indicator uit te werken voor het broedsucces per groep van de wad- en weidevogels, daarbij ook gebruik makend van gegevens uit het Reproductiemeetnet Waddenzee. Ook zou de selectie van vogelsoorten in de huidige indicator over 1e eilegdatum worden aangepast. In 2018 is dit voornemen onvolledig uitgevoerd en wegens tijdgebrek is dit ook in 2019 opnieuw blijven liggen. In december 2019 is dit overigens wel weer opgepakt zodat kan worden verwacht dat deze aanpassingen in 2020 kunnen worden doorgevoerd.

Aandachtspunten

  • Meer nestkaarten verkrijgen van te weinig bemonsterde soorten met speciale aandacht voor TMAP-soorten en voor weidevogels (Sovon).
  • Continuering van de samenwerking met soortgerichte werkgroepen en zorg dragen voor opname van hun gegevens in databestanden (Sovon).
  • Ontwikkelen van een CLO indicator broedsucces van wad- en weidevogels en aanpassing van de indicator eilegdatum (CBS, Sovon).
  • Aanpassen van de selectie van vogelsoorten om deze beter aan te sluiten op de meetdoelen, op basis van voorgaande aandachtspunt (Sovon, CBS).

Methode en links naar handleidingen: Website NEM.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

Informatie over Sovon: Website Sovon.

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

7.5Watervogels

Algemeen

In het meetprogramma voor watervogels worden doortrekkende en overwinterende watervogels gevolgd in alle belangrijke waterrijke gebieden, inclusief de Waddenzee en de Noordzee. Ganzen en zwanen worden daarnaast ook gevolgd in ganzengebieden (pleisterplaatsen, voornamelijk in agrarisch gebied). Op de Noordzee foeragerende vogels worden geteld vanuit vliegtuigen en langstrekkende vogels in de kustzone worden geteld vanaf land. Er wordt niet gestuurd op het inwinnen van verspreidingsgegevens, met uitzondering van de midwintertelling in januari. Bovendien ontstaat door de uitgebreidheid van het meetprogramma op land een goed beeld van de verspreiding van veel soorten.

Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.

Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS, Rijkswaterstaat, terreinbeheerders, provincies, Nederlandse Zeevogelgroep, Trektellen.nl, ecologische adviesbureaus.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV, Rijkswaterstaat WVL.

7.5.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends
  Trilateral Monitoring and Assessment Program: trends van vogels in het Waddengebied
  Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends
  OSPAR Commission: landelijke trends
  Aviaire Influenza: landelijke trend en verspreiding
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
Niet sturende meetdoelen
  Ramsar (wetlands): trends per Ramsargebied
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  African Eurasian Waterbird Agreement: landelijke trends
  Schadesoorten: landelijke trends
  Kwaliteit van het agrarisch gebied: landelijke trends
  Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  Invasieve exoten: landelijke trends

Gegevens

Niet-broedende watervogels zijn doorgaans erg mobiel omdat zij niet aan een nestlocatie gebonden zijn. Bij verslechterende omstandigheden verplaatsen zij zich snel naar andere gebieden. Hierdoor kunnen de aantallen in een gebied gedurende het seizoen en zelfs binnen enkele dagen sterk veranderen. Een andere factor die voor veel variatie in watervogelaantallen zorgt is het sterke clustergedrag van veel soorten (groepen van duizenden individuen zijn geen uitzondering). Ten slotte veroorzaakt het trekgedrag van veel watervogels sterke seizoenspatronen. Deze grote variatie in ruimte en tijd kan voor vertekeningen in de resultaten zorgen. In niet-mariene gebieden wordt de kans op dergelijke vertekeningen verkleind door een opzet waarin alle belangrijke gebieden op vaste teldatums maandelijks gedurende het gehele jaar geteld worden. Voor veel soorten, met name de soorten die sterk geconcentreerd voorkomen in de belangrijkste wetlands, benaderen de tellingen daardoor een totaaltelling. Op de open Noordzee is dit niet haalbaar en wordt gebruik gemaakt van een steekproefsgewijze opzet.

Het meetprogramma beschikt voor veel soorten over gegevens vanaf 1975 en bestaat uit de volgende onderdelen:

  1. Integrale maandelijkse tellingen van alle soorten watervogels in alle belangrijke waterrijke gebieden, waaronder de Rijkswateren en de Natura 2000-/Ramsar-gebieden. In totaal gaat het om 93 zogenaamde monitoringgebieden, waarvan er 65 Natura 2000‑gebied zijn. De tellingen vinden plaats van september–april, maar in een aantal gebieden van juli–juni. In het Waddengebied vindt elk jaar in vijf maanden (vier vaste en één jaarlijks wisselende maand) een gebiedsdekkende telling plaats en daarnaast zijn er maandelijkse tellingen in steekproefgebieden. Door een opzet met vaste, duidelijk begrensde, telgebieden en vaste teldatums worden dubbeltellingen zoveel mogelijk voorkomen. Het veldwerk wordt overdag uitgevoerd, op het moment waarop watervogels zich veelal in de foerageergebieden ophouden. Langs de kust wordt geteld rond het tijdstip van hoogwater, wanneer de vogels zich verzamelen op de hoogste delen, de zogenaamde hoogwatervluchtplaatsen. Tijdens een telling worden alle watervogels geteld alsmede aan wetlands gebonden roof- en zangvogels. De veldwerkhandleiding en een onderzoeksbeschrijving zijn te vinden op de websites van Sovon en het NEM (zie Links). In een aantal gebieden worden de tellingen niet uitgevoerd door vrijwilligers van Sovon, maar door terreinbeheerders (met name van Rijkswaterstaat) of in een enkel geval door een provincie (Randmeren en Haringvliet, waar boottellingen worden uitgevoerd door de provincies Flevoland en Zuid-Holland). Vrijwel alle tellingen worden online of via de mobiele app ingevoerd op het watervogelportal van Sovon.
  2. Tijdens maandelijkse tellingen (september–april + extra soortspecifieke maanden) worden pleisterplaatsen van ganzen en zwanen geteld in 84 zogenaamde aanvullende ganzengebieden. Samen met de 93 monitoringgebieden worden de ganzen en zwanen daarmee gevolgd in 177 gebieden. De teldata in de aanvullende ganzengebieden vallen samen met de tellingen in de monitoringgebieden en staan beschreven in de gezamenlijke handleiding (zie boven).
  3. Tijdens de telling in januari worden zoveel mogelijk alle wateren in heel Nederland geteld (midwintertelling) ten behoeve van de International Waterbird Census.
  4. Eiders en zwarte zee-eenden in de Waddenzee en langs de Noordzeekust worden twee keer per jaar geteld in november en januari vanuit een vliegtuig, in vier zogenaamde zee-eendgebieden.
  5. Het open water van het IJsselmeer wordt door Rijkswaterstaat geteld vanuit een vliegtuig. Deze tellingen worden maandelijks volgens een vaste vliegroute uitgevoerd, maar zijn niet vlakdekkend.
  6. Enkele soorten die niet goed met de tellingen van monitoringgebieden gevolgd kunnen worden (grutto, kemphaan, kraanvogel, reuzenstern, zwarte stern), worden geheel of gedeeltelijk geteld op slaapplaatsen (zie hoofdstuk 7.6).
  7. Een aantal zeevogelsoorten wordt door vrijwilligers geteld op trektelposten langs de kust. Er vindt geen sturing plaats op de tijdstippen en telposten waar geteld moet worden, maar de teldekking is hoog. De telgegevens worden via de Nederlandse Zeevogelgroep en Trektellen.nl geleverd aan Sovon.
  8. Zeevogels worden in opdracht van Rijkswaterstaat geteld vanuit een vliegtuig door een ecologisch adviesbureau. In de kustzone wordt zes keer per jaar geteld, in de maanden augustus, november, januari, februari, april en juni. Op open zee wordt vier keer geteld (augustus, november, januari en februari). De telgegevens worden door Sovon verzameld en doorgeleverd aan het CBS.

Soorten

Het meetprogramma streeft ernaar om alle soorten overwinterende en doortrekkende aan water gebonden vogels te volgen van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (soorten waarvoor gebieden zijn aangewezen, aangegeven met VR I in tabel 7.5.2), uit het TMAP-programma, van de lijst met ANLb-doelsoorten, van de lijst met soorten die mogelijk een rol spelen bij de verspreiding van aviaire influenza en van de niet-broedvogels uit het OSPAR-programma. Voor veel van deze soorten kunnen betrouwbare trends worden berekend (zie tabel 7.5.2). Voor de zes soorten die een rol spelen bij ANLb worden niet alleen tellingen uitgevoerd, maar worden ook de verblijfslocaties ingetekend. Een aantal OSPAR-soorten die nauwelijks in Nederland voorkomen is uit de tabel weggelaten. De meeste OSPAR-soorten worden in het meetprogramma weliswaar gevolgd via zeetrek- en vliegtuigtellingen, maar in officiële OSPAR-rapportages wordt tot nog toe alleen gebruikt gemaakt van landtellingen.

7.5.2Watervogels: beleidsstatus en kwaliteitsbeoordeling per soort

Kwaliteit trend
Beleidsstatus1) Deelmeetprogramma's waarvoor trends worden berekend Landelijk Waddengebied Opmerkingen
Soort
Aalscholver VR I, TMAP, Ai, OSPAR LAND + VLIEGTUIG goed goed  
Alk OSPAR VLIEGTUIG + ZEETREK Vliegtuigtrend alleen samen met zeekoet
Bergeend VR I, TMAP, Ai, OSPAR LAND matig goed  
Blauwe kiekendief ANLb LAND  
Blauwe reiger Ai LAND goed    
       
Bokje2) Ai    
Bontbekplevier VR I, TMAP, OSPAR LAND goed goed  
Bonte strandloper VR I, TMAP, Ai, OSPAR LAND goed goed  
Bosruiter OSPAR LAND 3)  
Brandgans VR I, TMAP, Ai, OSPAR LAND goed goed  
       
Brilduiker VR I, Ai, OSPAR LAND goed    
Dodaars VR I, Ai LAND goed    
Drieteenmeeuw OSPAR VLIEGTUIG  
Drieteenstrandloper VR I, TMAP, OSPAR LAND matig goed  
Dwerggans VR I LAND goed    
       
Dwergmeeuw VR I, OSPAR VLIEGTUIG + ZEETREK  
Dwergstern OSPAR ZEETREK  
Eider VR I, TMAP, OSPAR VLIEGTUIG matig matig  
Fuut VR I, Ai, OSPAR LAND + ZEETREK matig    
Geelpootmeeuw OSPAR LAND 3)  
       
Geoorde fuut VR I LAND + ZEETREK goed    
Goudplevier VR I, TMAP, Ai, ANLb, OSPAR LAND goed goed  
Grauwe gans VR I, Ai LAND goed    
Grauwe pijlstormvogel OSPAR ZEETREK  
Groenpootruiter VR I, TMAP, OSPAR LAND goed matig  
           
Grote Canadese gans Ai, OSPAR LAND goed    
Grote jager OSPAR ZEETREK  
Grote mantelmeeuw TMAP, Ai, OSPAR LAND + VLIEGTUIG goed matig  
Grote stern OSPAR VLIEGTUIG + ZEETREK  
Grote zaagbek VR I, Ai, OSPAR LAND goed    
       
Grote zee-eend OSPAR ZEETREK  
Grote zilverreiger VR I, Ai LAND goed    
Grutto VR I, OSPAR LAND + SLAAPPLAATS goed    
Houtsnip2) Ai    
IJseend OSPAR ZEETREK  
       
Jan van Gent OSPAR VLIEGTUIG  
Kanoet VR I, TMAP, OSPAR LAND goed goed  
Kemphaan VR I, TMAP, OSPAR LAND + SLAAPPLAATS goed
Kievit VR I, TMAP, Ai, OSPAR LAND goed goed  
Kleine alk OSPAR ZEETREK  
       
Kleine jager OSPAR ZEETREK  
Kleine mantelmeeuw OSPAR VLIEGTUIG + LAND3)  
Kleine rietgans VR I, Ai LAND goed    
Kleine strandloper OSPAR LAND3)  
Kleine zilverreiger VR I, Ai, OSPAR LAND goed    
       
Kleine zwaan VR I, Ai, ANLb, OSPAR LAND goed    
Kleinste jager OSPAR ZEETREK  
Kluut VR I, TMAP, OSPAR LAND goed goed  
Knobbelzwaan Ai, OSPAR LAND goed    
Kokmeeuw TMAP, Ai, OSPAR LAND goed matig  
           
Kolgans VR I, Ai, OSPAR LAND goed    
Krakeend VR I, Ai LAND goed    
Krombekstrandloper VR I, TMAP, OSPAR LAND goed goed  
Krooneend VR I, Ai LAND matig    
Kuifaalscholver OSPAR LAND3)  
       
Kuifduiker VR I, OSPAR LAND + ZEETREK goed    
Kuifeend VR I, Ai, OSPAR LAND goed    
Lepelaar VR I, TMAP, OSPAR LAND goed matig  
Meerkoet VR I, Ai LAND goed    
Middelste jager OSPAR ZEETREK  
       
Middelste zaagbek VR I, OSPAR LAND goed    
Nijlgans Ai LAND goed    
Nonnetje VR I, Ai, OSPAR LAND goed    
Noordse pijlstormvogel OSPAR ZEETREK  
Noordse stern OSPAR ZEETREK  
       
Noordse stormvogel OSPAR VLIEGTUIG  
Ooievaar2) Ai    
Paarse strandloper OSPAR LAND3)  
Papegaaiduiker OSPAR ZEETREK  
Parelduiker VR I, OSPAR ZEETREK  
       
Pijlstaart VR I, TMAP, Ai, OSPAR LAND goed goed  
Regenwulp TMAP, OSPAR LAND matig matig  
Roerdomp2) Ai    
Roodhalsfuut OSPAR ZEETREK  
Roodkeelduiker VR I, OSPAR ZEETREK  
       
Rosse franjepoot OSPAR ZEETREK  
Rosse grutto VR I, TMAP, OSPAR LAND goed goed  
Rotgans VR I, TMAP, Ai, ANLb, OSPAR LAND goed goed  
Ruigpootbuizerd ANLb LAND  
Scholekster VR I, TMAP, Ai, OSPAR LAND goed goed  
       
Slechtvalk VR I LAND goed    
Slobeend VR I, TMAP, Ai, OSPAR LAND goed goed  
Smient VR I, TMAP, Ai, OSPAR LAND goed goed  
Steenloper VR I, TMAP, OSPAR LAND goed matig  
Stormmeeuw TMAP, Ai, OSPAR LAND + VLIEGTUIG goed matig  
       
Strandplevier VR I, TMAP, OSPAR LAND goed matig  
Tafeleend VR I, Ai, OSPAR LAND goed    
Taigarietgans VR I LAND goed    
Toendrarietgans VR I, Ai LAND goed    
Topper VR I, OSPAR LAND goed    
       
Tureluur VR I, TMAP, OSPAR LAND goed goed  
Vaal stormvogeltje OSPAR ZEETREK  
Velduil ANLb LAND  
Visarend VR I LAND goed    
Visdief OSPAR VLIEGTUIG + ZEETREK Vliegtuigtrend alleen samen met noordse stern
       
Waterhoen Ai LAND  
Waterral2) Ai    
Watersnip2) Ai    
Wilde eend VR I, TMAP, Ai, OSPAR LAND goed goed  
Wilde zwaan VR I, Ai, OSPAR LAND goed    
       
Wintertaling VR I, TMAP, Ai, OSPAR LAND goed goed  
Wulp VR I, TMAP, Ai, OSPAR LAND goed goed  
Zeearend VR I LAND goed    
Zeekoet OSPAR VLIEGTUIG + ZEETREK Vliegtuigtrend alleen samen met alk
Zilvermeeuw TMAP, Ai, OSPAR LAND + VLIEGTUIG goed matig  
       
Zilverplevier VR I, TMAP, OSPAR LAND goed goed  
Zwarte ruiter VR I, TMAP, OSPAR LAND goed goed  
Zwarte zee-eend VR I, OSPAR VLIEGTUIG matig    

1)VR I: soort waarvoor op basis van Bijlage I van de Vogelrichtlijn Natura 2000-gebieden zijn aangewezen die een foerageerfunctie hebben voor de soort; TMAP: Trilateral Monitoring and Assessment Program; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer; OSPAR: soort waarover gerapporteerd wordt in het kader van het Oslo/Parijs-verdrag over de bescherming van de NO-Atlantische oceaan. De volgende OSPAR-soorten zijn weggelaten omdat ze in zeer lage aantallen in Nederland voorkomen: Dikbekzeekoet, Dougalls stern, IJsduiker, Koninseider, Kuhls pijlstormvogel, Stellers eider, Steltkluut, Zwartkopmeeuw, Zwarte zeekoet.

2)Voor deze soorten is nog niet bekend of gestuurd zal worden op gerichte monitoring.

3)Geen goede telgegevens uit reguliere tellingen. Sovon stelt daarom handmatig een tijdreeks samen.

7.5.3Natura 2000-gebieden

Aantal VR soorten2) Teldekking goed vanaf 2015/2016?3) Soorten niet in meetprogramma
Natura 2000-gebied1)
Abtskolk & De Putten 1 ja  
Alde Feanen 12 ja  
Arkemheen 2 ja  
Biesbosch 22 nee  
Boezems Kinderdijk 3 ja  
       
Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein 4 ja  
De Deelen 4 ja  
Donkse Laagten 1 ja  
Duinen Goeree & Kwade Hoek 18 ja  
Dwingelderveld 2 ja  
       
Eemmeer & Gooimeer Zuidoever 10 ja  
Eilandspolder 6 ja  
Fochteloërveen 2 nee  
Grevelingen 34 ja  
Groote Wielen 1 ja  
       
Haringvliet 25 ja  
Hollands Diep 8 ja  
IJsselmeer 30 ja dwergmeeuw
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske 5 nee  
Ketelmeer & Vossemeer 17 ja  
       
Krammer-Volkerak 25 ja  
Lauwersmeer 28 ja  
Leekstermeergebied 3 ja  
Lepelaarplassen 7 ja  
Markermeer & IJmeer 17 ja dwergmeeuw
       
Markiezaat 13 nee  
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 2 nee  
Noordzeekustzone 4) 10 nee  
Oostelijke Vechtplassen 7 ja  
Oosterschelde 36 ja  
       
Oostvaardersplassen 16 ja  
Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving 3 ja  
Oudeland van Strijen 4 ja  
Polder Zeevang 8 ja  
Rijntakken 26 ja kemphaan
       
Sneekermeergebied 12 ja  
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht 7 ja  
Van Oordts Mersken 3 ja  
Veerse Meer 19 ja  
Veluwerandmeren 15 ja  
       
Voordelta 5) 30 ja  
Waddenzee 36 ja  
Westerschelde & Saeftinghe 31 ja  
De Wieden 11 ja  
De Wilck 2 ja  
       
Witte en Zwarte Brekken 4 ja  
Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder 2 ja  
Yerseke en Kapelse Moer 1 ja  
Zoommeer 12 ja  
Zouweboezem 1 ja  
       
Zuidlaardermeergebied 4 ja  
Zwanenwater & Pettemerduinen 1 ja  
Zwarte Meer 14 ja  
Zwin & Kievittepolder 1 ja  

1)De begrenzing van de gemonitorde gebieden valt niet altijd volledig samen met de begrenzing van de Natura 2000-gebieden.

2)Niet-broedende kwalificerende soorten met concept-instandhoudingsdoelen en begrenzingssoorten samen. Soorten waarvoor het gebied alleen een slaapfunctie heeft zijn niet meegenomen.

3)Goede teldekking: gemiddeld is per soort uit de kolom "Aantal VR-soorten" naar verwachting meer dan 50% van de individuen in de laatste drie telseizoenen daadwerkelijk geteld (de overige individuen worden t.b.v. indexberekening bijgeschat). De berekening van het percentage getelde individuen is alleen gebaseerd op de maandelijkse tellingen in de monitoringgebieden en niet op de seizoensmaxima of zeetrektellingen die voor sommige soortgebiedcombinaties worden gebruikt.

4)Voor dwergmeeuw, parelduiker en roodkeelduiker trend op basis van zeetrektellingen.

5)Voor dwergmeeuw en roodkeelduiker trend op basis van zeetrektellingen.

Voortgang 2019

Het percentage van de aanwezige vogels in de monitoringgebieden en in de ganzengebieden dat de afgelopen tien jaar is geteld, ligt meestal boven de 75% (zie figuur 7.5.4 en 7.5.5) en is stabiel. De iets lagere teldekking in 2017 (seizoen 2016/2017) is een gevolg van de uitbraak van aviaire influenza in Nederland. In Flevoland kon daardoor enige maanden lang een groot deel van de Randmeren niet worden geteld. Verder waren op het hoogtepunt in december in het hele land meerdere gebieden niet of slecht toegankelijk. In het laatste seizoen is de teldekking weer op het oude niveau. In de figuren is eerst per soort het percentage getelde vogels per gebied per jaar bepaald. Deze percentages zijn vervolgens per jaar gemiddeld (over alle gebieden). Bij minder goed getelde gebieden gaat het meestal om gebieden met kleinere aantallen vogels. De lagere teldekking van de ganzengebieden vanaf 2011 (seizoen 2010/2011) heeft vooral te maken met het wegvallen van aanvullende tellingen in Gelderland door professionals.

De kwaliteit van de landelijke trends van zeevogels moet nog beoordeeld worden op basis van expert-judgement.

Bij de analyse van de vliegtuigtellingen is gebleken dat het nieuwe vliegschema dat sinds 2014/2015 wordt gehanteerd een veel lagere dekking heeft in de kustzone dan gepland was bij het herontwerp. Het CBS heeft in opdracht van het Informatiehuis Marien onderzocht wat de gevolgen hiervan zijn voor de betrouwbaarheid van de trend. Naar aanleiding hiervan heeft Rijkswaterstaat het vliegschema aangepast. Een vergelijkbare situatie komt voor op het IJsselmeer, waar delen van het open water niet worden geteld. Het CBS en Rijkswaterstaat zoeken uit wat de gevolgen hiervan zijn voor de landelijke trends van een aantal veel op IJsselmeer voorkomende soorten.

Voor zes van de soorten die mogelijk een rol spelen bij de verspreiding van aviaire influenza bestaat geen goede monitoring. Een voorstel hiervoor wordt in 2020 besproken door de Stuurgroep Monitoring Natuur.

Voor de dwergmeeuw bestaat waarschijnlijk behoefte aan informatie over de populatiegrootte in de Voordelta en Noordzeekustzone, in verband met de planning van windparken op zee. Daarover moet duidelijkheid komen vanuit Rijkswaterstaat. Er zijn al wel deeltrends van Dwergmeeuw beschikbaar (binnenland, kustzone Noordzee en open Noordzee). Daarnaast zijn er ook gegevens beschikbaar om het instandhoudingsdoel te kwantificeren voor de betreffende Natura 2000‑gebieden

De gemiddelde teldekking in Natura 2000‑gebieden is onveranderd hoog. Voor vier gebieden is de teldekking evenals in seizoen 2016/2017 echter onder de 50% gebleven (Biesbosch, Fochteloërveen, Ilperveld en Markiezaat). Voor de Biesbosch zijn inmiddels echter nieuwe tellers gevonden en ook Fochteloërveen wordt sinds seizoen 2017/2018 regelmatig geteld. Een groot deel van het Ilperveld wordt sinds 2019/2020 weer geteld. Voor twee gebieden (Nieuwkoopse plassen en Noordzeekustzone) is de teldekking het laatste seizoen onder 50% gedaald. Daar staan twee andere gebieden tegenover (Wieden en Zwanenwater) waar de teldekking sinds het laatste seizoen weer boven de 50% is. Voor een aantal van de minder goed getelde gebieden is het al langere tijd moeilijk om voldoende tellers te vinden.

Aandachtspunten

  • Bepalen van de informatiebehoefte m.b.t. populatiegrootte dwergmeeuw in de Noordzeekust­zone en Voordelta in het kader van planning windparken op zee (RWS/Sovon). Daarna uitzoeken of populatieschattingen mogelijk zijn (CBS).
  • Bepalen kwaliteit trends zeevogels (CBS, Sovon).
  • Uitzoeken of het niet tellen van grote stukken open water op het IJsselmeer gevolgen heeft voor de landelijke trends van soorten (CBS, RWS).
  • Nagaan of LNV aanvullende monitoring wenst voor AI-soorten waarvoor nog geen trends berekend kunnen worden (WEnR/Stuurgroep Monitoring Natuur).

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM

Informatie over Sovon: Website Sovon.

7.5.6 Monitoringgebieden watervogels, juli 2015-juni 2018 <50% 50-75% >75% Teldekking laatste 3 jaar
7.5.7 Ganzengebieden, juli 2015-juni 2018 <50% 50-75% >75% Teldekking laatste 3 jaar
7.5.8 Zee-eendgebieden, juli 2015-juni 2018 Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar

7.6Slaapplaatsen van vogels

In het meetprogramma voor slaapplaatsen van vogels worden de aantallen van 19 vogelsoorten gevolgd in Natura 2000‑gebieden die volgens de aanwijsbesluiten een functie hebben als slaapplaats voor deze soorten. Voor enkele soorten zijn de tellingen ook nodig om de landelijke trends te volgen, omdat het meetprogramma voor watervogels hierin niet voldoet. Het meetprogramma levert ook veel verspreidingsinformatie op.

Coördinatie: Sovon Vogelonderzoek Nederland.

Uitvoering: Vrijwilligers, Sovon, CBS.

Opdrachtgevers: Provincies, Ministerie van LNV.

Meetdoelen

Sinds 2016 wordt het meetprogramma medegefinancierd door de provincies, vanwege de provinciale informatiebehoefte over slaapplaatsen op het niveau van Natura 2000‑gebieden.

7.6.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends
  Aviaire Influenza: landelijke trend en verspreiding
  Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
Niet sturende meetdoelen
  Ramsar (wetlands): trends per Ramsargebied
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  African Eurasian Waterbird Agreement: landelijke trends
  Schadesoorten: landelijke trends
  Kwaliteit van het agrarisch gebied: landelijke trends
  Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  Stadsnatuur: landelijke trends
  Invasieve exoten: landelijke trends

Gegevens

Het meetprogramma is in eerste instantie gericht op de aantalsmonitoring van 19 soorten in de 53 Natura 2000‑gebieden die volgens de aanwijzingsbesluiten voor deze soorten een functie hebben als slaapplaats. In totaal worden 189 soort-gebiedcombinaties gevolgd. Voor kemphaan, kraanvogel, reuzenstern, zwarte stern en grutto wordt daarnaast gestuurd op tellingen buiten Natura 2000‑gebieden. Dit dient voor het bepalen van de landelijke trend, omdat deze soorten niet goed gevolgd kunnen worden in de monitoringgebieden van het meetprogramma voor watervogels (zie hoofdstuk 7.5). Eens in de drie of vier jaar wordt een slaapplaatstelling georganiseerd die speciaal gericht is op de kemphaan. Deze telling vindt ook plaats buiten Natura 2000‑gebieden. De laatste kemphaantelling heeft plaatsgevonden in het voorjaar van 2019, de volgende staat op het programma voor voorjaar 2022. Deze telling wordt deels door professionals uitgevoerd. Voor de landelijke trend kan echter volstaan worden met tellingen in de vier Natura 2000‑gebieden die voor de kemphaan zijn aangewezen met een slaapplaatsfunctie.

Er wordt matig gestuurd op gegevensinwinning voor slaapplaatsen buiten de Natura 2000‑gebieden. Deze gegevens zijn onder meer van belang in het model dat bijschattingen doet voor onvolledig getelde Natura 2000‑gebieden. Er wordt licht en onregelmatig gestuurd op gegevensinwinning van de 17 overige soorten in tabel 7.6.2 waarvoor gebieden geen officiële slaapplaatsfunctie hebben. Het meetprogramma is gestart in seizoen 2009/2010.

Veldwerkmethode

Er worden minimaal twee tellingen georganiseerd in de piekperiode van de soort. Bij de meeste soorten duurt deze piekperiode gemiddeld vijf maanden. De telperiode is een periode van iets meer dan twee weken rond een vooraf vastgestelde voorkeursdatum, inclusief drie weekenden. Dit voorkomt rechtstreekse concurrentie met de teldatums in het meetprogramma voor watervogels: waarnemers die meedoen aan beide meetprogramma’s kunnen de slaapplaatstellingen op andere dagen uitvoeren dan de watervogeltellingen, maar het is ook mogelijk om de slaapplaatstelling uit te voeren aansluitend op een watervogeltelling op dezelfde dag. Waarnemers worden aangespoord ook alle overige soorten te tellen die gebruik maken van de slaapplaats.

Voor kemphaan, kraanvogel, reuzenstern en zwarte stern worden minimaal drie tellingen georganiseerd in de piekperiode van de soort. Bij deze vier soorten duurt de piekperiode slechts enkele weken. De telperiode is een telweekend met een vooraf vastgestelde voorkeursdag om dubbeltellingen zo veel mogelijk te voorkomen. Bij de kraanvogel worden de tellingen ad hoc georganiseerd op momenten van sterke doortrek, waarvan de timing en omvang van jaar op jaar sterk kunnen verschillen.

Soorten

7.6.2Slaapplaatsen: soorten in het meetprogramma

Beleidsstatus1)
VR soorten  
Aalscholver VR I, Ai
Brandgans VR I, Ai
Dwerggans VR I
Grauwe gans VR I, Ai
Grote zilverreiger VR I, Ai
   
Grutto VR I
Kemphaan VR I
Kleine rietgans VR I, Ai
Kleine zwaan VR I, Ai
Kolgans VR I, Ai
   
Kraanvogel VR I
Reuzenstern VR I
Rotgans VR I, Ai
Scholekster VR I, Ai
Taigarietgans VR I
   
Toendrarietgans VR I, Ai
Wilde zwaan VR I, Ai
Wulp VR I
Zwarte stern VR I
   
Overige soorten  
Blauwe kiekendief  
Bruine kiekendief  
Grote mantelmeeuw Ai
Halsbandparkiet Exoot
Huiskraai Exoot
   
Kauw  
Kleine mantelmeeuw Ai
Kleine zilverreiger Ai
Kokmeeuw Ai
Lachstern  
   
Raaf  
Ransuil  
Regenwulp  
Roek  
Spreeuw  
   
Stormmeeuw Ai
Zilvermeeuw Ai

1)VR I: soorten waarvoor op basis van Bijlage I van de Vogelrichtlijn in één of meerdere Natura 2000-gebieden slaapplaatsdoelen worden geformuleerd; Ai: soort speelt mogelijk een rol bij verspreiding van aviaire influenza; Exoot: volgens de lijst die gehanteerd wordt door de NVWA.

Natura 2000‑gebieden

7.6.3Teldekking vogelsoorten op slaapplaatsen per Natura 2000-gebied

Aantal VR-soorten2) Teldekking3) laatste 3 seizoenen (2015/16-2017/18) Teldekking3) laatste 6 seizoenen (2012/13-2017/18)
Natura 2000-gebied1)
Aamsveen4) 1 100 100
Alde Feanen 4 75 75
Bargerveen 3 100 100
Biesbosch 7 100 100
Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein 1 100 100
       
Buurserzand & Haaksbergerveen4) 1 100 100
Deelen 4 92 83
Deurnsche Peel & Mariapeel 3 33 56
Donkse Laagten 3 100 100
Duinen Goeree & Kwade Hoek 2 100 100
       
Dwingelderveld 2 100 100
Eemmeer & Gooimeer Zuidoever 1 67 50
Eilandspolder 1 100 100
Engbertsdijksvenen 2 100 100
Fochteloërveen 4 92 96
       
Grevelingen 5 80 90
Groote Peel 4 67 83
Groote Wielen 3 89 94
Haringvliet 8 46 44
Hollands Diep 3 11 11
       
IJsselmeer 12 69 68
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske 2 17 8
Kampina & Oisterwijkse Vennen 1 100 100
Ketelmeer & Vossemeer 7 38 40
Krammer-Volkerak 6 11 14
       
Lauwersmeer 9 78 52
Leekstermeergebied 2 67 33
Lepelaarplassen 2 33 42
Markermeer & IJmeer 4 75 88
Markiezaat 2 100 100
       
Naardermeer 2 100 83
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 2 100 92
Noordzeekustzone 1 0 0
Oostelijke Vechtplassen 3 0 0
Oosterschelde 4 33 29
       
Oostvaardersplassen 6 83 83
Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving 5 100 83
Polder Zeevang 1 100 100
Rijntakken 10 83 87
Sneekermeergebied 6 78 86
       
Strabrechtse Heide & Beuven 1 100 100
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht 1 0 0
Van Oordt's Mersken 2 0 33
Veerse Meer 5 27 13
Veluwerandmeren 3 0 17
       
Voordelta 1 0 0
Waddenzee 7 14 14
Westerschelde & Saeftinghe 2 50 67
Wieden 4 100 92
Witte en Zwarte Brekken 5 87 87
       
Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder 1 100 100
Zoommeer 2 0 0
Zuidlaardermeergebied 2 0 17
Zwanenwater & Pettemerduinen 1 100 100
Zwarte Meer 5 13 27

1)Alleen gebieden met een slaapplaatsfunctie voor een of meer contractsoorten.

2)Aantal niet-broedende kwalificerende soorten waarvoor het gebied een slaapplaatsfunctie heeft.

3)Het gemiddelde percentage getelde soortgebiedcombinaties over de aangegeven periode.

4)Gebied (nog) niet aangewezen met slaapplaatsfunctie.

Voortgang 2019

De teldekking, gedefinieerd als het percentage goed getelde soort-gebiedcombinaties is de laatste jaren stabiel gebleven. Er zijn weliswaar tellingen uitgevoerd in meer combinaties, maar recent is afgesproken dat de teldekking in een gebied aan een ondergrens moet voldoen om mee te doen in trendanalyses. De teldekking is in de eerste jaren snel gestegen van ca. 40% tot bijna 70%, maar de laatste drie jaar ligt de teldekking net boven de 60%. Het aantal tellers lijkt de laatste jaren gestabiliseerd, maar er blijkt een hoge turnover van waarnemers te zijn: er komen jaarlijks veel waarnemers bij, maar er vallen er ook veel af. Sovon heeft daarom in 2019 extra aandacht besteed aan het binden van waarnemers, met name door één op één contacten via de mail.

Inmiddels zijn negen seizoenen met gegevens beschikbaar en zijn voor het eerst trends berekend. Voor veel soort-gebiedcombinaties zijn ook gegevens van voor de start van het meetprogramma beschikbaar. In 2019 zijn voor 140 soort-gebiedcombinaties trends berekend, waarvan er 90 (bijna 65%) een betrouwbare trendbeoordeling hebben gekregen. Voor de overige 50 soort-gebiedcombinaties is de trend nog onzeker. Naar verwachting zal een toenemend deel hiervan betrouwbare trends opleveren naarmate het aantal getelde jaren toeneemt.

Aandachtspunten

  • Het contact met waarnemers meer richten op langdurige binding (Sovon).
  • Uitzoeken voor welke soort-gebied-combinaties betrouwbare trends kunnen worden berekend (CBS, Sovon).

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

Informatie over Sovon: Website Sovon.

7.6.5 Natura2000-gebieden met slaapplaatsfunctie <50% 50-75% >75% Teldekking laatste 3 jaar

7.7Reptielen

Algemeen

Het meetprogramma voor reptielen volgt alle zeven inheemse reptielensoorten van ons land. Zowel de omvang van de populaties als de verspreiding van de soorten kunnen goed in kaart worden gebracht.

Coördinatie: Stichting RAVON.

Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting RAVON, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

7.7.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage II en IV
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van Bijlage II, IV en V
Matig sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
Niet sturende meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  Invasieve exoten: landelijke trends

Gegevens

De prioriteit van het meetprogramma ligt bij het volgen van de reptielen die op Bijlage IV van de habitatrichtlijn vermeld worden: gladde slang, muurhagedis en zandhagedis. De verzamelde gegevens kunnen echter ook goed gebruikt worden voor andere meetdoelen (zie tabel 7.7.1). Om die reden en vanwege de haalbaarheid van het tellen van de soorten, zijn adder, hazelworm en levendbarende hagedis, typische soorten van de Habitatrichtlijn, opgenomen in het meetprogramma. Voor de ringslang, ook een inheems reptiel, zijn er geen sturende meetdoelen, maar voor deze soort kan met een geringe extra inspanning toch zowel een betrouwbare landelijke aantalstrend als verspreidingstrend berekend worden. Tabel 7.7.2 geeft een overzicht van de soorten die zijn opgenomen in het meetprogramma en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends.

Voor het bepalen van de landelijke aantalstrends worden vaste meetlocaties van enige ha zeven maal per jaar geïnventariseerd op alle voorkomende soorten. Voor zes soorten gaat het om een steekproef van enige honderden meetlocaties uit hun leefgebieden (vooral duinen en heide). De uitzondering is de muurhagedis, Maastricht is de enige Nederlandse natuurlijke vindplaats van deze soort. In principe wordt de muurhagedis op alle locaties in Maastricht gevolgd. Trends in aantallen en indexcijfers worden berekend met het statistisch programma TRIM.

De gerichte gegevensinwinning voor het bepalen van de landelijke verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau bestaat uit inventarisaties van km-hokken door vrijwilligers binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken; vrijwilligers volgen hierbij een gestandaardiseerd protocol. De inventarisatiemethode verschilt per soort en is gericht op het vaststellen van de aan- of afwezigheid van de soort op km-hokniveau. Hierdoor kan ook op gedetailleerder schaal dan 10 x 10 km naar verspreiding worden gekeken. De verspreiding van de muurhagedis wordt bij het tellen van de locaties in Maastricht al volledig in kaart gebracht. De inventarisatiegegevens worden aangevuld met gegevens die verzameld zijn voor het bepalen van de landelijke aantalstrend en losse waarnemingen.

Trends in verspreiding op 1 x 1 km-hokniveau worden berekend met de gegevens uit de Nationale Database Flora en Fauna. Bij de berekeningen wordt gebruik gemaakt van occupancy-modellen. Voor de muurhagedis is het vanwege de beperkte verspreiding niet mogelijk een trend op 1 x 1 km-hokniveau te berekenen.

Nadere informatie over de veldwerkmethode is te vinden in de veldwerkhandleiding. Deze handleiding is te vinden op de NEM-website en de website van RAVON (zie Links).

7.7.2Reptielen: kwaliteitsbeoordeling per soort

Beleidsstatus1)  Trends in aantallen landelijk Trends in verspreiding landelijk
Soort
Adder TYP goed goed
Gladde slang HR IV goed goed
Hazelworm TYP goed goed
Levendbarende hagedis TYP goed goed
Muurhagedis HR IV goed  
Ringslang   goed goed
Zandhagedis HR IV, TYP goed goed

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van Bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.

Natura 2000‑gebieden

Er zijn geen reptielensoorten die vermeld worden op bijlage II van de Habitatrichtlijn, er zijn om deze reden geen Natura 2000‑gebieden aangewezen voor reptielen.

Voortgang in 2019

Teldekking aantalsmonitoring

Voor de meeste soorten in het meetprogramma zijn nog voldoende (recente) telgegevens beschikbaar en is de ligging van de telgebieden voldoende representatief voor de leefgebieden. Voor alle soorten kunnen daardoor jaarlijks door CBS betrouwbare landelijke trends berekend worden. Naast landelijke trends worden o.a. ook trends per FGR en per provincie bepaald. Het aantal getelde meetpunten in de duinen is punt van zorg. Dat aantal is sinds 2007 met tweederde afgenomen. Voor de zandhagedis brengt dat het gevaar van een vertekende trend met zich mee. In drie van de zeven duingebieden is er over de laatste 10 jaar geen betrouwbare trend te berekenen. Dat heeft een negatieve invloed op de betrouwbaarheid van de trend voor Nederland.

Het aantal getelde meetpunten neemt jaarlijks nog steeds wat af (zie figuur 7.7.3).

Verspreidingsonderzoek

Het jaar 2019 is het tweede jaar van de nieuwe HR-rapportageperiode. In de eerste jaren van een rapportageperiode is sturing op de gegevensinwinning nog niet zo nodig, maar het verspreidingsonderzoek op 10 x 10 km-hokniveau is goed van start gegaan, zie tabel 7.7.4. Het aantal unieke kilometerhokken dat bezocht is, ligt de laatste jaren steevast boven de 2000, zie tabel 7.7.5.

7.7.4Voortgang verspreidingsonderzoek reptielen

10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Gladde slang 66 67
Muurhagedis 2 100
Zandhagedis 98 80

Aandachtspunten

  • Zorgen dat het aantal getelde meetpunten weer toeneemt, zeker in de duinen (RAVON).
  • Zorgen dat het vrijwilligersnetwerk en de technische voorzieningen (database, invoerportaal) voor het verspreidingsonderzoek op peil blijven (RAVON).
  • In de gaten houden van de performance van het portal (RAVON).

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

Informatie over RAVON: Website RAVON.

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar 7.7.6 Meetpunten aantalsmonitoring reptielen, 1994-2018

7.8Amfibieën

Algemeen

Het meetprogramma voor amfibieën volgt alle 16 inheemse amfibieënsoorten van ons land. Voor een vijftal soorten richt het programma zich primair op het inwinnen van aantalsgegevens. Voor de 11 overige soorten is het meetprogramma gericht op het inwinnen van verspreidingsgegevens.

Coördinatie: Stichting RAVON.

Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting RAVON, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

7.8.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage II en IV
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van Bijlage II, IV en V
  Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
Niet sturende meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  Stadsnatuur: landelijke trends
  Invasieve exoten: landelijke trends

Gegevens

Van vijf soorten amfibieën (boomkikker, geelbuikvuurpad, knoflookpad, vroedmeesterpad en vuursalamander) worden aantallen geteld. Vaste meetpunten worden, afhankelijk van de soorten die er voorkomen, met diverse meetmethoden (zicht & geluidswaarneming, schepnet e.d.) jaarlijks enkele keren bemonsterd op het voorkomen van soorten. De vuursalamander is niet zo gebonden aan water. Voor deze soort zijn routes uitgezet in vochtige loofbossen, waar naar deze soort wordt gezocht. Van de geelbuikvuurpad, vroedmeesterpad en vuursalamander wordt het gehele leefgebied onderzocht. Bij de boomkikker en de knoflookpad betreffen de meetpunten een steekproef van het leefgebied. Met deze tellingen worden aantalstrends en indexcijfers berekend; hierbij wordt gebruik gemaakt van het programma TRIM. Voor de 11 overige soorten worden alleen verspreidingstrends bepaald, op basis van inventarisaties met daglijstjes. Met behulp van deze daglijstjes kunnen trefkansen worden bepaald en kunnen trends in verspreiding en indexcijfers worden berekend waarbij gebruik wordt gemaakt van occupancy-modellen. De verspreidingstrends zijn een alternatief voor aantalstrends, die bij deze soorten niet betrouwbaar genoeg konden worden bepaald. Het grootste deel van de tellingen wordt verzameld door vrijwilligers. Een klein deel van de werkzaamheden wordt uitgevoerd door betaalde krachten die worden aangestuurd door RAVON.

De gerichte gegevensinwinning voor het bepalen van de landelijke verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau bestaat uit inventarisaties van km-hokken door vrijwilligers binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken. Vrijwilligers volgen hierbij een gestandaardiseerd protocol. De inventarisatiemethode verschilt per soort en is gericht op het vaststellen van de aan- of afwezigheid van de soort op km-hokniveau. Hierdoor kan ook op gedetailleerder schaal dan 10 x 10 km naar verspreiding worden gekeken. De verspreiding van de geelbuikvuurpad, vroedmeesterpad en vuursalamander wordt via de aantalsmonitoring al volledig in kaart gebracht omdat deze soorten in hun gehele – beperkte – leefgebied worden geteld. Naast de gegevens die door vrijwilligers van RAVON verzameld worden, worden er ook gegevens verzameld door anderen. RAVON brengt deze gegevens bij elkaar en verrijkt ze met nulwaarnemingen. Vervolgens levert RAVON de gegevens aan het CBS voor het bepalen van de verspreiding en de trend in verspreiding. Nadere informatie over de veldwerkmethode is te vinden in de veldwerkhandleiding (zie Links).

Soorten

De prioriteit van het meetprogramma ligt bij het volgen van de amfibieën die op één of meerdere bijlagen van de habitatrichtlijn vermeld worden. Tabel 7.8.2 geeft een overzicht van deze soorten en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. De verzamelde gegevens kunnen echter ook goed gebruikt worden voor andere meetdoelen. Om die reden en vanwege de haalbaarheid van het tellen van de soorten, zijn de vinpootsalamander en de vuursalamander, typische soorten van de Habitatrichtlijn, ook opgenomen in het meetprogramma. Voor de Alpenwatersalamander, gewone pad en kleine watersalamander zijn er geen sturende meetdoelen, maar voor deze soorten kan met een geringe extra inspanning toch een betrouwbare landelijke verspreidingstrend berekend worden.

7.8.2Amfibieën: kwaliteitsbeoordeling per soort

Trends in aantallen Trends in verspreiding Trends in aantallen
Beleidsstatus1) landelijk landelijk Natura 2000
Soort
Alpenwatersalamander     goed  
Bastaardkikker2) HR V   goed  
Boomkikker HR IV goed goed  
Bruine kikker HR V   goed  
Gewone pad     goed  
       
Geelbuikvuurpad HR II & IV goed matig
Heikikker HR IV, TYP   goed  
Kamsalamander HR II & IV   goed 3)
Kleine watersalamander     goed
Knoflookpad HR IV goed
     
Meerkikker2) HR V   goed
Poelkikker2) HR IV, TYP   goed
Rugstreeppad HR IV, TYP   goed
Vinpootsalamander TYP   goed
Vroedmeesterpad HR IV goed
     
Vuursalamander TYP goed

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.

2)Vanwege het moeilijke onderscheid en voorkomende kruisingen tussen de soorten worden poelkikker, meerkikkers en bastaardkikkers ook wel samengenomen onder de naam "groene kikker complex".

3)Van de kamsalamander wordt alleen een trend in verspreiding berekend, de verspreidingstrend wordt gezien als een benadering voor de aantalstrend.

Natura 2000‑gebieden

De geelbuikvuurpad en de kamsalamander worden vermeld op Bijlage II van de Habitatrichtlijn. Vanwege deze vermelding en vanwege hun voorkomen in bepaalde Natura 2000‑gebieden, zijn er Natura 2000‑gebieden aangewezen voor deze soorten. Voor de geelbuikvuurpad zijn twee gebieden aangewezen, Geuldal en Bemelerberg & Schiepersberg. In beide gebieden wordt de soort geteld en kan een aantalstrend berekend worden. Voor de kamsalamander zijn 37 gebieden aangewezen (zie tabel 7.8.3). Het is nu nog niet duidelijk welke van deze gebieden in 2019 onderzocht zijn op het voorkomen van de kamsalamander. De gegevens zijn per definitie onvoldoende om voor de kamsalamander verspreidingstrends per gebied te berekenen.

7.8.3Natura 2000-gebieden

Natura 2000-gebied
Soort
Geelbuikvuurpad Bemelerberg & Schiepersberg
Geelbuikvuurpad Geuldal
   
Kamsalamander Aamsveen
Kamsalamander Achter de Voort etc.
Kamsalamander Bemelerberg & Schiepersberg
Kamsalamander Boetelerveld
Kamsalamander Brabantse Wal
   
Kamsalamander Brunssummerheide
Kamsalamander Buurserzand & Haaksbergerveen
Kamsalamander Drentsche Aa
Kamsalamander Drents-Friese Wold etc.
Kamsalamander Dwingelderveld1)
   
Kamsalamander Geuldal
Kamsalamander Holtingerveld
Kamsalamander Kampina & Oisterwijkse Vennen
Kamsalamander Korenburgerveen
Kamsalamander Landgoederen Brummen
   
Kamsalamander Landgoederen Oldenzaal
Kamsalamander Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
Kamsalamander Lingegebied & Diefdijk-Zuid
Kamsalamander Loevestein etc.
Kamsalamander Loonse en Drunense Duinen etc.
   
Kamsalamander Maasduinen
Kamsalamander Meijendel & Berkheide
Kamsalamander Meinweg
Kamsalamander Oeffelter Meent
Kamsalamander Rijntakken
   
Kamsalamander Roerdal
Kamsalamander Sallandse heuvelrug
Kamsalamander Springendal etc.
Kamsalamander Stelkampsveld
Kamsalamander Uiterwaarden Lek
   
Kamsalamander Vecht- en Beneden-Reggegebied
Kamsalamander Veluwe
Kamsalamander Vlijmens Ven etc.
Kamsalamander Willinks Weust
Kamsalamander Witte Veen
   
Kamsalamander Zouweboezem
Kamsalamander Zwin & Kievittepolder

1)Geen betredingstoestemming

Voortgang in 2019

Aantalsmonitoring

Voor de vijf soorten waarvan aantallen geteld worden, zijn voldoende (recente) telgegevens beschikbaar en is de ligging van de telgebieden voldoende representatief voor de leefgebieden. Voor deze soorten kunnen daardoor jaarlijks betrouwbare landelijke trends berekend worden. Het aantal getelde meetpunten in 2018 is ten opzichte van 2017 afgenomen (figuur 7.8.4). Het beeld van het aantal in 2018 getelde meetpunten is niet compleet, zeer waarschijnlijk is de afname minder groot. Het aantal getelde meetpunten blijft echter wel een punt van aandacht.

Verspreidingsonderzoek

Voor de andere soorten, waarvoor is overgestapt op het bepalen van verspreidingstrends met behulp van daglijstjes, zijn ruim voldoende gegevens beschikbaar. Het aantal bezochte kilometerhokken is hoog (figuur 7.8.5). De representativiteit van de verspreidingstrends is goed en ten opzichte van de methode waarbij gerekend werd met aantalsklassen sterk verbeterd. De gegevens zijn namelijk niet alleen afkomstig uit het meetprogramma, maar ook uit de NDFF. De NDFF bevat ook waarnemingen van groenbureaus en niet aan RAVON verbonden vrijwilligers.

Het jaar 2019 is het tweede jaar van de nieuwe HR-rapportageperiode.

7.8.6Voortgang verspreidingsonderzoek amfibieën

10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Bastaardkikker 391 73
Boomkikker 35 86
Bruine kikker 432 94
Geelbuikvuurpad 4 100
Heikikker 227 73
     
Kamsalamander 192 67
Knoflookpad 33 70
Meerkikker 250 41
Poelkikker 233 66
Rugstreeppad 280 68
     
Vroedmeesterpad 7 100

Aandachtspunten

  • Op peil houden van de bestaande aantalsmonitoring in meetpunten waar de vijf soorten voorkomen waarvan aantallen worden geteld (RAVON).
  • Levering verspreidingsgegevens amfibieën verrijkt met nulwaarnemingen en inclusief de gegevens uit de NDFF (RAVON).
  • Onderzoeken van de mogelijkheid verspreidingsgegevens te verrijken met informatie over Natura 2000 (RAVON).
  • Zorgen dat het vrijwilligersnetwerk en de technische voorzieningen (database, kaartmodule verspreidingsonderzoek) op peil blijven (RAVON).

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

Informatie over RAVON: Website RAVON.

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar 7.8.7 Meetpunten aantalsmonitoring amfibieën, 1997-2018

7.9Zoetwatervissen

Algemeen

Middels het meetprogramma voor zoetwatervissen van het NEM worden visgegevens uit alle belangrijke (zoet) waterrijke gebieden van Nederland bij elkaar gebracht. Er wordt gestuurd op het inwinnen van verspreidingsgegevens.

Coördinatie: Stichting RAVON.

Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting RAVON, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

7.9.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage II en IV
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van Bijlage II, IV en V
  Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  Natura 2000: trends in gezamenlijke Natura 2000-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
Niet sturende meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Invasieve exoten: landelijke trends

Gegevens

Visgegevens worden met verschillende methoden (zoals schepnet, elektrisch schepnet, zegen, kuil, fuik, hengel en eDNA) in verschillende delen van het watersysteem en door verschillende organisaties verzameld: Rijkswaterstaat (grote rivieren, kanalen en meren), de waterschappen (regionale wateren) en hengelaars (sportvisserijwateren). Deze gegevens, en gegevens van adviesbureaus en nog wat kleinere bronnen, worden bijeengebracht door RAVON. Toch zijn er nog wateren en regio’s die niet goed onderzocht zijn op het voorkomen van de soorten uit het meetprogramma. Om een goede landelijke dekking te verkrijgen, worden die gebieden door vrijwilligers met specifieke methoden (schepnet, zaklamp) geïnventariseerd. De coördinatie hiervan is in handen van RAVON. Een beschrijving van de werkwijze per soort is te vinden op de website van RAVON (zie Links). Voor veel soorten zijn betrouwbare gegevens beschikbaar vanaf 1990.

Soorten

De prioriteit van het meetprogramma voor zoetwatervissen ligt bij de vissoorten die vermeld worden op één of meerdere bijlagen van de Habitatrichtlijn. Tabel 7.9.2 geeft een overzicht van deze soorten en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. Daarnaast gaat er ook aandacht uit naar de vissensoorten die kenmerkend zijn voor een bepaald habitattype (de typische soorten). De opzet van het meetprogramma stelt het NEM echter in staat van veel meer zoetwatervissen de verspreiding en de trends in verspreiding (= aantal bezette 1 x 1 km-hokken per jaar) in beeld te brengen. De stand van de beekprik kan middels het monitoren van de verspreiding niet goed in beeld gebracht worden. De verspreiding is daarvoor te beperkt. Om die reden is er een meetprogramma ontwikkeld waarbij de aantallen worden gemonitord door het tellen van larven. Het programma is in 2018 gestart en omvat 50 trajecten verdeeld over het verspreidingsgebied. In 2019 zijn in 18 trajecten tellingen gedaan, er wordt gestreefd naar het jaarlijks tellen in 25 trajecten. De rivierprik is opgenomen in het meetprogramma voor de zoetwatervissen, maar de verzamelde gegevens zijn door de WOT niet gebruikt voor de VHR-rapportage over 2013-2018. Dat roept de vraag op of het zin heeft de soort via het NEM te blijven volgen.

7.9.2Zoetwatervissen: kwaliteitsbeoordeling per soort

) Verspreidingstrend Aantalstrend
Beleidsstatus1 landelijk landelijk
Soort
Beekdonderpad HR II goed  
Beekprik HR II, ANLb goed matig
Bermpje TYP goed  
Bittervoorn HR II, ANLb goed  
Grote modderkruiper HR II, ANLb goed  
       
Kleine modderkruiper HR II, ANLb goed  
Rivierdonderpad2) HR II, ANLb goed  
Rivierprik3) HR II & V goed  
Ruisvoorn TYP slecht  
Snoek TYP goed  
       
Zeelt TYP goed  

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort HR; ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.

2)De donderpad die op de Habitatrichtlijn genoemd wordt (Cottus gobio), blijkt niet in Nederland voor te komen, maar wel de enige jaren geleden ontdekte soorten rivierdonderpad (Cottus perifretum) en beekdonderpad (Cottus rhenanus). Het ministerie van LNV verwacht dat deze twee nieuwe soorten op termijn als HR-soort zullen worden aangemerkt.

3)WER verzamelt telgegevens van de rivierprik. Hiermee kunnen aantalstrends berekend worden.

Natura 2000‑gebieden

Er zijn zeven vissoorten die vermeld worden op Bijlage II van de Habitatrichtlijn. Voor zes van deze soorten zijn Natura 2000‑gebieden aangewezen. Zie tabel 7.9.3 voor een overzicht van de gebieden en de vissoorten waarvoor de gebieden aangewezen zijn. De gegevens zijn per definitie onvoldoende om voor de afzonderlijke soorten verspreidingstrends per gebied te berekenen.

7.9.3Natura 2000-gebieden

Soorten HR Bijlage II
Natura 2000-gebied
Alde Faenen bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Biesbosch bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, rivierprik
Binnenveld grote modderkruiper
Botshol kleine modderkruiper
Buurserzand & Haaksbergerveen grote modderkruiper
   
De Wieden bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Deurnse Peel & Mariapeel bittervoorn, kleine modderkruiper
Dinkelland beekprik, bittervoorn, rivierdonderpad
Drentsche Aa-gebied grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, rivierprik
Eilandspolder bittervoorn, kleine modderkruiper
   
Geuldal beekprik, rivierdonderpad
Grensmaas rivierdonderpad, rivierprik
Groote Wielen bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Haringvliet 1) bittervoorn, rivierdonderpad, rivierprik
Hollands Diep rivierprik
   
IJsselmeer rivierdonderpad
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Kampina & Oisterwijkse Vennen kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Kempenland-West kleine modderkruiper
Kennemerland-Zuid kleine modderkruiper
   
Krammer-Volkerak kleine modderkruiper
Langstraat grote modderkruiper, kleine modderkruiper
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux beekprik, bittervoorn, kleine modderkruiper
Leudal bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Lingegebied & Diefdijk-Zuid bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper
   
Loevestein, Pompveld & Kornsche boezem bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Maas bij Eijsden rivierdonderpad, rivierprik
Maasduinen kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Markermeer & IJmeer kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Meijendel & Berkheide kleine modderkruiper
   
Meinweg beekprik
Naardermeer bittervoorn, kleine modderkruiper
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Noordzeekustzone 1) rivierprik
Oeffelter Meent kleine modderkruiper
   
Olde Maten & Veerslootslanden bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper
Oostelijke Vechtplassen bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Oudegaasterbrekken etc kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Polder Westzaan bittervoorn, kleine modderkruiper
Rijntakken 2) bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, rivierprik
   
Roerdal beekprik, bittervoorn, grote modderkruiper, rivierprik, rivierdonderpad
Rottige Meenthe & Brandemeer bittervoorn, kleine modderkruiper
Springendal & Dal van de Mosbeek beekprik
Stabrechtse Heide & Beuven kleine modderkruiper
Swalmdal rivierdonderpad
   
Uiterwaarden Zwarte water en Vecht bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Van Oordts Mersken grote modderkruiper, kleine modderkruiper
Vecht- en Beneden-Reggegebied bittervoorn, grote moderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Veluwe beekprik, rivierdonderpad
Veluwerandmeren kleine modderkruiper, rivierdonderpad
   
Vlakte van de Raan 1) rivierprik
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper
Voordelta 1) rivierprik
Waddenzee 1) rivierprik
Weerribben bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
   
Weerter- en Budelerbergen & Ringselven bittervoorn, kleine modderkruiper
Westerschelde & Saeftinghe 1) rivierprik
Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad
Zouweboezem bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper
Zwarte Meer bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, rivierdonderpad

1)In deze gebieden vindt geen monitoring plaats in het kader van het NEM. De gebieden zijn niet geschikt voor monitoring door vrijwilligers.

2)Rivierprik wordt hier niet gemonitoord.

Voortgang in 2019

In 2019 is bij het meetprogramma voor de beekprik een knelpunt ontstaan. Vrijwilligers van RAVON krijgen in Limburg van Waterschap Limburg onvoldoende ruimte om het meetprotocol uit te voeren. Waterschap Limburg heeft vrijwilligers geen toestemming gegeven om de beken te betreden. Het bereiken van doel van het meetprogramma, een betrouwbaar beeld van de aantalsontwikkeling van de beekprik in Nederland, wordt hierdoor belemmerd. Een belangrijk deel van het verspreidingsgebied van deze soort ligt in de provincie Limburg.

Teldekking

Er worden in Nederland veel visgegevens verzameld, door verschillende organisaties die zich elk op specifieke wateren richten. Daardoor zijn de verzamelde gegevens representatief voor de leefgebieden van de verschillende soorten. De visgegevens die waterschappen verzamelen voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn vanwege de hoeveelheid gegevens en de goede landelijke dekking een belangrijke bron.

De bemonsteringen worden door de waterschappen echter niet elk jaar gedaan, maar eens in de paar jaar. Verder worden de gegevens met enige vertraging in de NDFF gezet en waarschijnlijk zetten niet alle waterschappen hun data in de NDFF, sommigen geven de data alleen aan het Informatiehuis Water (IHW). Dat bemoeilijkt het jaarlijks berekenen van trends.

Waarschijnlijk is het beter om de trendberekeningen eens in de paar jaar uit te voeren in plaats van jaarlijks. Om het tijdschema van de berekeningen te kunnen bepalen moet de gegevensstroom van waterschappen naar NDFF en IHW beter in kaart worden gebracht.

RAVON voegt aan iedere waarneming informatie toe over het watertype en het waterschap waaruit de waarneming afkomstig is. Dit jaar kwamen de KRW-gegevens laat beschikbaar voor RAVON. RAVON levert de dataset in het eerste kwartaal van 2020 aan het CBS.

Verspreidingsonderzoek

Het jaar 2019 is het tweede jaar van de nieuwe HR-rapportageperiode. In de eerste jaren van een rapportageperiode is sterke sturing op de gegevensinwinning nog niet zo nodig.

7.9.5Voortgang verspreidingsonderzoek vissen

10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Beekdonderpad 7 71
Beekprik 28 79
Bittervoorn 258 57
Grote modderkruiper 163 37
Kleine modderkruiper 331 63
     
Rivierdonderpad 219 22
Rivierprik 6 67

Aandachtspunten

  • Het bij elkaar brengen van de KRW-gegevens van waterschappen (RAVON).
  • In kaart brengen van de gegevensstroom van waterschappen naar de NDFF (CBS & RAVON).
  • Frequentie waarmee trends berekend worden heroverwegen (CBS & RAVON).
  • Verfijnen van dataleverantie door het verrijken van de data (toewijzen watertype, waterschap en Natura 2000) en betere aansluiting op de automatiseringssysteem van het CBS (RAVON).
  • Verfijnen van analysemethode door te stratificeren naar waterschap (CBS).
  • Sturen op inventarisaties in gebieden waarvan weinig gegevens van de contractsoorten bekend zijn en in kaart brengen van effectiviteit van de sturing (RAVON).
  • Het vinden van voldoende vrijwilligers voor het nieuwe beekprik-meetprogramma (RAVON).
  • In gesprek blijven met het Waterschap Limburg met het oog op het monitoren van de beekprik in de provincie Limburg (RAVON).
  • Overleggen met de WOT over de rivierprik om helder te krijgen welke gegevens gebruikt zullen worden in het volgende VHR-rapport zodat bepaald kan worden of het zin heeft de soort via het NEM te monitoren (Stuurgroep Monitoring).

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring Website NEM.

Informatie over RAVON Website RAVON.

Trends HR-soorten en graadmeter: Compendium voor de Leefomgeving

7.10Vlinders

Algemeen

Het meetprogramma vlinders bestaat uit twee onderdelen: aantalsmonitoring en verspreidingsonderzoek.

Voor beide onderdelen geldt:

Coördinatie: De Vlinderstichting.

Uitvoering: Vrijwilligers, De Vlinderstichting, terreinbeherende organisaties, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

7.10.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterke sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten
Matige sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
Niet sturende meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  Stadsnatuur: landelijke trends
  General Surveillance van ggo's: regionale trends

Gegevens

Aantalsmonitoring

In het meetonderdeel aantalsmonitoring worden alle in ons land voorkomende vlindersoorten geteld via vaste routes van doorgaans 1 km lang. Deze worden elk jaar op dezelfde manier geteld. Gedurende het hele seizoen tussen 1 april en 1 oktober wordt in principe wekelijks genoteerd welke soorten er voorkomen en in welke aantallen. Vanwege de vervroeging van de vliegtijd door de klimaatverandering is genoemde periode vrijgegeven en worden tellingen verricht onder weersomstandigheden die voldoen aan de minimumeisen buiten de aangegeven periode ook meegenomen. Daarnaast zijn er routes gericht op één soort, met alleen tellingen in de hoofdvliegtijd van die soort. Voor ruim de helft van de te volgen soorten gaat het om een steekproef van enige honderden meetlocaties uit hun leefgebieden. Van de andere soorten wordt op alle locaties waar de soort voorkomt een telroute uitgezet. Daarnaast zijn er drie soorten die geteld worden via ei-tellingen (gentiaanblauwtje, sleedoornpage en grote vuurvlinder), omdat tellen van de volwassen dieren niet mogelijk is. De veldwerkhandleiding is te vinden op de website van het NEM (zie Links).

Bij de statistische analyse worden de cijfers van de steekproefsoorten door weging gecorrigeerd voor over- en onderbemonstering van bepaalde regio's en begroeiingstypen.

Weegfactoren worden afgeleid uit de oppervlakte geschikt gebied per soort. De weegfactoren van een aantal soorten zijn verouderd doordat hun areaal in de loop van de jaren aanzienlijk is veranderd. Voor deze soorten zijn nieuwe weegfactoren geschat op basis van expert judgement. In 2019 zijn, om tot preciezere weegfactoren te komen, begroeiingstypekaarten gemaakt van de situatie in 1990 en die in 2015. Deze kaarten zullen dienen als basis voor de bepaling van nieuwe weegfactoren, werk dat in 2020 uitgevoerd zal worden.

Verspreidingsonderzoek

Het verspreidingsonderzoek bestaat uit verschillende gegevensstromen. Allereerst vindt er gegevensinzameling plaats die is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende HR II & IV-soorten op 10 x 10 km- en 5 x 5 km-hokniveau. Daarnaast is er verspreidingsonderzoek van de overige soorten op 5 x 5 km-hokniveau. Het doel daarvan is om de Rode Lijst-status van soorten te kunnen actualiseren, met bijzondere aandacht voor de urgent bedreigde typische soorten. De verdere gegevensinwinning van de HR-soorten en de typische soorten bestaat uit gerichte inventarisaties van km-hokken volgens een gestandaardiseerd protocol. Ook worden er veel gegevens over vlinders verzameld door vrijwilligers zonder gebruik van een vast meetprotocol, in de vorm van soortenlijsten of losse tellingen van één soort. Deze waarnemingen worden door de waarnemers ingevoerd op de verschillende invoerportals op internet die uiteindelijk bijeen komen via de NDFF voor de verwerking door CBS.

In 2019 is het beeld van de HR II & IV-soorten weer compleet. Het gaat hier om de grote vuurvlinder, pimpernelblauwtje, donker pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart en voor de Spaanse vlag.

De gegevens van HR-soorten worden verwerkt tot verspreidingskaarten op 10 x 10 km-hokniveau.

Voor het bepalen van de actuele verspreiding en de trend daarin, worden zogenaamde occupancy-modellen routinematig toegepast. Deze modellen zijn tevens bruikbaar om te onderzoeken of bepaalde hokken voldoende zijn onderzocht om een soort te vinden als die er zit.

Soorten

Het meetprogramma vlinders wordt beoordeeld op totaal 34 soorten die op grond van de meetdoelen en haalbaarheid goed gevolgd moeten worden. Het gaat hierbij om negen soorten die in de Habitatrichtlijn worden genoemd en totaal 27 soorten die als typische soort te boek staan (van deze groep behoren er twee ook tot de groep van negen soorten van de Habitatrichtlijn) .

Het doel is om in de 6‑jaarlijkse HR-rapportageperiode 2019–2024 alle hokken van het actuele en potentiële verspreidingsgebied te inventariseren. Omdat de gegevens uit 2018 niet meer konden worden meegenomen bij de vorige HR-rapportage (2013–2018), geldt 2018 als het eerste jaar van de huidige zesjarige rapportageperiode (2019–2024). Praktisch gezien is 2019 hiermee het tweede jaar van de huidige rapportageperiode.

7.10.2Vlinders: kwaliteitsbeoordeling per soort

Beleidsstatus1) Type meetgegevens Kwaliteit landelijke trend Opmerkingen
Soort
Aardbeivlinder TYP verspreiding goed3)  
Apollovlinder HR IV verdwenen uit NL
Bruin blauwtje TYP verspreiding goed3)  
Bruin dikkopje TYP verspreiding goed3)  
Donker pimpernelblauwtje HR II & IV aantal4) & verspreiding5) goed  
         
Duinparelmoervlinder TYP verspreiding goed3)  
Dwergblauwtje TYP verdwenen uit NL
Eikenpage TYP verspreiding goed3)  
Geelsprietdikkopje TYP verspreiding goed3)  
Gentiaanblauwtje TYP verspreiding goed3)  
         
Groentje TYP verspreiding goed3)  
Grote ijsvogelvlinder TYP verdwenen uit NL
Grote parelmoervlinder TYP verspreiding goed3)  
Grote vuurvlinder HR II & IV, TYP aantal4) & verspreiding5) goed  
Grote weerschijnvlinder TYP 6) moeilijk meetbaar
         
Heideblauwtje TYP verspreiding goed3)  
Heivlinder TYP verspreiding goed3)  
Kleine heivlinder TYP verspreiding goed3)  
Kleine ijsvogelvlinder TYP verspreiding goed3)  
Kleine parelmoervlinder TYP verspreiding goed3)  
         
Kommavlinder TYP verspreiding goed3)  
Moerasparelmoervlinder HR II, TYP verdwenen uit NL
Pimpernelblauwtje HR II & IV aantal4) & verspreiding5) goed  
Purperstreepparelmoervlinder TYP verdwenen uit NL
Spaanse vlag2) HR II* aantal4) & verspreiding5) goed  
       
Teunisbloempijlstaart2) HR IV 6) zeldzaam
Tijmblauwtje HR IV verdwenen uit NL
Tweekleurig hooibeestje TYP verdwenen uit NL
Vals heideblauwtje TYP verdwenen uit NL
Veenbesblauwtje TYP verspreiding goed3)  
         
Veenbesparelmoervlinder TYP verspreiding goed3)  
Veenhooibeestje TYP verspreiding goed3)  
Zilveren maan TYP verspreiding goed3)  
Zilverstreephooibeestje HR IV verdwenen uit NL

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage, * = prioritaire soort; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn

2)Nachtvlinder

3)Lift als goed gevolgd tevens mee in het meetnet aantalsmonitoring

4)Populatiegrootte in 1x1km, en populatietrend landelijk

5)Verspreiding in 10x10km, verspreidingstrend in 10x10km

6)Zeldzame en/of moeilijk meetbare soort die zo goed mogelijk gevolgd wordt via het verspreidingsonderzoek

7.10.3Beoordeling vlindermonitoring per Natura 2000-gebied

Meetpunten
Natura 2000-gebied laatste 3 jaar Opmerking
Soort
Donker pimpernelblauwtje Roerdal ja  
Donker pimpernelblauwtje Vlijmens ven, Moerputten etc. ja geen populatie aanwezig
       
Grote vuurvlinder De Wieden nee geen populatie aanwezig
Grote vuurvlinder Rottige Meente & Brandemeer ja  
Grote vuurvlinder Weerribben ja  
       
Pimpernelblauwtje Vlijmens ven, Moerputten etc. ja  
       
Spaanse vlag Bunder- en Elsloër bos ja  
Spaanse vlag Geuldal ja  
Spaanse vlag Savelsbos ja  
Spaanse vlag St.Pietersberg & Jekerdal ja  

Voortgang 2019

Teldekking meetnet aantalsmonitoring

De telgegevens zijn afkomstig van 1990–2018 van in totaal 2454 routes. In 2019 zijn er gegevens binnengekomen van totaal 996 routes, waarvan circa 687 algemene routes, 117 soortgerichte routes, 143 ei-telplots en 41 routes met totaaltellingen van zeldzame soorten.

Van vrijwel alle 34 voor de NEM-doelen onderzochte soorten zijn landelijke trend- en indexcijfers van goede kwaliteit beschikbaar, evenals per fysisch-geografische regio, provincie en begroeiingstype. Van alle Habitatrichtlijnsoorten zijn de tijdreeksen van goede kwaliteit. Er is één Natura 2000‑gebied zonder recente meetpunten, maar daaruit is de HR-soort inmiddels verdwenen (zie tabel 7.10.3).

Teldekking meetnet verspreidingsonderzoek

Er zijn inmiddels al voldoende 10 x 10 km-hokgegevens verzameld voor de vijf HR-soorten binnen de huidige verslagperiode (zie tabel 7.10.5). Ook zijn er veel actuele verspreidingsgegevens voorhanden op 5 x 5 km-hokniveau. Tot de eerstvolgende HR-rapportage kan het verspreidingsonderzoek daarom naar een basaal niveau worden teruggebracht.

7.10.5Voortgang verspreidingsonderzoek vlinders

10 x 10 km-hokken Geactualiseerd
na 2 jaar (10 x 10 km)
Ontwikkeling verspreidingsonderzoek1)
Soort aantal % oordeel
Donker pimpernelblauwtje 2 100 goed
Grote vuurvlinder 6 100 goed
Pimpernelblauwtje 2 100 goed
Spaanse vlag 43 98 goed
Teunisbloempijlstaart 45 100 goed

1)De ontwikkeling na 2 jaar van de 6-jarige rapportageperiode wordt als goed, matig of slecht beoordeeld bij een dekking van respectievelijk >50%, 34-50% en <34% van de hokken. De beoordelingscriteria staan beschreven in hoofdstuk 6.

2)De beooordelingscriteria van de totaalscore per meetdoel staan beschreven in hoofdstuk 6.

Ontwikkelingen

Het totaal aantal meetroutes voor de aantalsmonitoring is de laatste jaren min of min stabiel. Het aantal algemene routes groeide in 2018 door, maar het aantal ei-telplots liep verder terug. Het aantal soortgerichte routes liep wat terug. Dit komt deels door de omzetting van soortgerichte routes naar algemene routes (wat vanzelfsprekend vooral te beschouwen is als een uitbreiding van de waarneeminspanning), maar heeft in 2018 vooral te maken met de verdergaande afname van zeldzame soorten, waarbij in het geval van het lokaal verdwijnen van een soort de soort-specifieke route wordt gestopt. Ook het aantal ei-telplots daalt omdat veel gentiaanblauwtjesplots, waarop de soort verdwijnt, niet meer worden geteld.

Aandachtspunten

  • Zorgen dat het meetnet aantalsmonitoring op peil blijft (De Vlinderstichting).
  • Zorgen dat het vrijwilligersnetwerk en de technische voorzieningen voor het verspreidingsonderzoek (database, invoermogelijkheden) op peil blijven (De Vlinderstichting).
  • Herziening van de weegfactoren die gebruikt worden bij het berekenen van de aantalstrends. De weegprocedure wordt meer robuust gemaakt tegen areaalwijzigingen (CBS, De Vlinderstichting).

Methode en links naar handleidingen Website NEM.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

Informatie over De Vlinderstichting: Website De Vlinderstichting.

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Meetpunten aantalsmonitoring

Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar 7.10.7 Meetpunten aantalsmonitoring vlinders, 1997-2018

7.11Libellen

Algemeen

Het meetprogramma libellen bestaat uit twee onderdelen: aantalsmonitoring en verspreidingsonderzoek.

Voor beide onderdelen geldt:

Coördinatie: De Vlinderstichting.

Uitvoering: Vrijwilligers, De Vlinderstichting, terreinbeherende organisaties, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

7.11.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterke sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten
  Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijk trends
Matige sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
Niet sturende meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.
  Stadsnatuur: landelijke trends

Gegevens

Aantalsmonitoring

In het meetonderdeel aantalsmonitoring worden alle in ons land voorkomende libellensoorten geteld. Op vaste routes van gemiddeld 250 meter lang wordt elk jaar op dezelfde manier het aantal individuen van elke soort geteld. Gedurende het hele seizoen tussen 1 mei en 1 oktober wordt in principe om de twee weken of vaker genoteerd welke soorten er voorkomen en in welke aantallen. Daarnaast zijn er routes gericht op één soort, met alleen een drietal tellingen in de hoofdvliegtijd van die soort.

Voor algemene tot schaarse soorten zijn de routes een steekproef; voor de meer zeldzame soorten wordt in principe op alle locaties waar de soort voorkomt een telroute uitgezet. De gaffellibel wordt middels een aangepaste methode gevolgd. Ook de rivierrombout wordt vanaf 2014 middels een aangepaste methode gevolgd in de meest kansrijke hokken. De algemene veldwerkhandleiding is te vinden op de website van het NEM (zie Publicaties).

Voorheen werden alleen langs de eerste 100 meter van de route alle soorten geteld, en daarna alleen de ‘grote libellen’ (dit zijn de beekjuffers en de echte libellen (Anisoptera) minus de heidelibellen). Sinds 2017 is een nieuwe methode ingevoerd, waarbij langs de gehele route alle soorten worden geteld. Deze methode sluit aan bij de methodiek van de dagvlinders. Ze wordt zowel toegepast op alle routes die vanaf 2017 nieuw worden uitgezet als op al bestaande routes waarvan de tellers willen overstappen naar de nieuwe methode. Voor tellers die niet willen overstappen blijft het mogelijk om via de oude methodiek te tellen.

Voor de meeste meer algemene soorten blijkt het meetnet aantalsmonitoring niet voldoende routes te hebben om representatieve landelijke populatietrends te berekenen. Voor deze groep wordt alleen de trend in verspreiding in beeld gebracht op basis van informatie over aan- of afwezigheid in 1 x 1 km-hokken.

Verspreidingsonderzoek

Het verspreidingsonderzoek is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende HR II & IV-soorten op 10 x 10 km-hokniveau. Het doel is om in de zes-jaarlijkse HR-rapportageperiode alle hokken van het gezamenlijke actuele en potentiële verspreidingsgebied te inventariseren. Om het beeld compleet te krijgen, is ook in 2018 extra inspanning verricht voor een aantal soorten die voorkomen in kwetsbare of ontoegankelijke gebieden (noordse winterjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte witsnuitlibel, gaffellibel). Ook is er speciale aandacht uitgegaan naar de rivierrombout. Daarnaast wordt het verspreidingsonderzoek gebruikt om de landelijke trend van 19 typische soorten te volgen. Omdat de gegevens uit 2018 niet meer konden worden meegenomen bij de HR-rapportage 2013–2018 (zie hoofdstuk 6), geldt 2018 als het eerste jaar van de nieuwe rapportageperiode 2019–2024.

Daarnaast is er een meetdoel voor de trend in verspreiding van soorten op 5 x 5 km-hokniveau. Het doel daarvan is om de Rode Lijst-status van soorten te kunnen actualiseren, met bijzondere aandacht voor de urgent bedreigde typische soorten. Plus er is een afgeleid meetdoel, namelijk trends in aantal bezette 1 x 1 km-hokken voor een aantal soorten.

Veel gegevens over libellen worden verzameld buiten het NEM zonder gebruik van een vast meetprotocol, in de vorm van soortenlijsten of losse tellingen van één soort. Bij de noordse winterjuffer is gekozen om alleen de verspreiding in potentieel voortplantingsgebied in kaart te brengen. Onderzoek in hokken met waarnemingen van zwervende en overwinterende dieren wordt niet zinvol geacht.

De gegevens van HR-soorten worden verwerkt tot verspreidingskaarten op 10 x 10 km-hokniveau. Voor het bepalen van de actuele verspreiding en de trend daarin, worden zogenaamde occupancy-modellen routinematig toegepast. Deze modellen zijn tevens bruikbaar om te onderzoeken of bepaalde hokken voldoende zijn onderzocht om een soort te vinden als die er zit. Daartoe worden zogenaamde lacunekaarten per soort gemaakt.

Soorten

Het meetprogramma libellen volgt 22 soorten. Negen van deze soorten worden vermeld op 1 of meerdere bijlagen van de Habitatrichtlijn en 19 van de 22 soorten worden gezien als kenmerkend voor een bepaald habitattype (de typische soorten), zie tabel 7.11.2.

7.11.2Libellen: kwaliteitsbeoordeling per soort

Beleidsstatus1) Type meetgegevens Kwaliteit landelijke trend Opmerkingen
Soort
Beekrombout TYP verspreiding goed
Bruine korenbout TYP verspreiding goed
Bronslibel HR II & IV incidenteel in NL
Bruine winterjuffer TYP verspreiding goed
Donkere waterjuffer TYP verspreiding goed
       
Gaffellibel HR II & IV, TYP aantal goed afwijkende methode
Gevlekte witsnuitlibel HR II & IV, TYP aantal goed
Gewone bronlibel TYP verspreiding goed
Glassnijder TYP verspreiding goed
Groene glazenmaker HR IV, TYP, ANLb aantal goed
       
Hoogveenglanslibel TYP verspreiding goed
Kempense heidelibel TYP verspreiding 2) sterke fluctuaties
Mercuurwaterjuffer HR II verdwenen uit NL
Noordse glazenmaker TYP verspreiding 2) korte periode
Noordse winterjuffer HR IV aantal goed
       
Oostelijke witsnuitlibel HR IV, TYP aantal goed korte periode
Rivierrombout HR IV, TYP 2) afwijkende methode
Sierlijke witsnuitlibel HR IV, TYP 2) korte periode
Speerwaterjuffer TYP verspreiding goed
Venwitsnuitlibel TYP verspreiding goed
       
Vroege glazenmaker TYP verspreiding goed
Weidebeekjuffer TYP verspreiding goed

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage. TYP: Typische soort Habitatrichtlijn. ANLb: soort is doelsoort van de beleidsmonitoring in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.

2)Zeldzame en/of moeilijk meetbare soort die zo goed mogelijk gevolgd wordt via het verspreidingsonderzoek.

7.11.3Beoordeling libellenmonitoring per Natura 2000-gebied

Natura 2000-gebied Meetpunten laatste 3 jaar Opmerkingen
Soort
Gaffellibel Meinweg ja2)  
Gaffellibel Roerdal ja  
Gaffellibel Swalmdal ja  
Gevlekte witsnuitlibel Alde Feanen ja  
Gevlekte witsnuitlibel Buurserzand & Haaksbergerveen ja  
       
Gevlekte witsnuitlibel De Wieden ja
Gevlekte witsnuitlibel Drentsche Aa-gebied nee  
Gevlekte witsnuitlibel Fochteloërveen nee  
Gevlekte witsnuitlibel Holtingerveld1) nee  
Gevlekte witsnuitlibel Kampina & Oisterwijkse Vennen ja2)  
       
Gevlekte witsnuitlibel Korenburgerveen ja2)  
Gevlekte witsnuitlibel Leenderbos etc. ja2)  
Gevlekte witsnuitlibel Lonnekermeer ja
Gevlekte witsnuitlibel Maasduinen nee  
Gevlekte witsnuitlibel Oostelijke Vechtplassen ja
       
Gevlekte witsnuitlibel Noordhollands Duinreservaat ja  
Gevlekte witsnuitlibel Rottige Meenthe & Brandemeer ja  
Gevlekte witsnuitlibel Veluwe ja2)  
Gevlekte witsnuitlibel Weerribben ja

1)Tot 2013 heette dit Natura 2000-gebied Havelte Oost.

2)Wel meetpunten, maar aantal gevlekte witsnuitlibellen is tot nu toe te laag voor een soortgerichte telroute.

Voortgang 2019

Teldekking aantalsmonitoring

De telgegevens zijn afkomstig van 1998–2018 van in totaal bijna 1450 routes. In 2018 zijn er gegevens binnengekomen van totaal 474 routes, waarvan 178 algemene routes, 296 soortgerichte routes en 5 speciale routes voor de gaffellibel. De HR-soort mercuurwaterjuffer is na de ontdekking in 2011 niet meer waargenomen; daarvan lijkt momenteel geen populatie aanwezig.

Van veel van de typische soorten zijn betrouwbare landelijke aantalstrendcijfers beschikbaar. Van enige tientallen soorten die geen nadere beleidsstatus hebben, zijn de populatietrends niet voldoende betrouwbaar; wel de trends in verspreiding. In totaal zijn er 19 Natura 2000‑gebieden aangewezen voor een libellensoort. Van deze soort-gebied-combinaties zijn er zes zonder recente meetpunten voor de betreffende soort; dat betreft gebieden waar geen populatie aanwezig is (zie tabel 7.11.3).

Teldekking verspreidingsonderzoek

Het verzamelen van gegevens in 2019 om de verspreiding van de zeven HR-soorten in beeld te brengen ligt in het eerste van de zes jaar meteen goed op schema (zie tabel 7.11.5). Het percentage onderzochte 10x10 km-hokken ligt in 2019 voor vijf van de zeven voorkomende soorten al boven de 50%. Alleen de gaffellibel en de noordse winterjuffer liggen nog onder deze grens.

7.11.5Voortgang verspreidingsonderzoek libellen

10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Gaffellibel 13 54
Gevlekte witsnuitlibel 249 79
Groene glazenmaker 63 71
Mercuurwaterjuffer 1) 1 100
Noordse winterjuffer 41 54
Oostelijke witsnuitlibel 9 67
Rivierrombout 66 70
Sierlijke witsnuitlibel 65 91

1)Deze soort is sinds 2011 niet meer in Nederland gezien, maar de potentiële plek wordt nog wel gecontroleerd.

Ontwikkelingen

Het aantal algemene routes is vanaf 2010 gestabiliseerd, maar ligt lager dan het langjarig gemiddelde. Het aantal soortgerichte routes varieert wat meer en groeide in 2018 nog ietsje verder boven het langjarig gemiddelde.

Aandachtspunten

  • Focus van de coördinatie van het meetnet aantalsmonitoring tot de soorten van HR bijlage II en IV. Dit houdt met name gerichte coördinatie en werven van waarnemers in voor huidjestellingen bij de rivierrombout en het nauw volgen van de ontwikkelingen bij de witsnuitlibellen (De Vlinderstichting).

Methode en links naar handleidingen: Website NEM.

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

Informatie over De Vlinderstichting: Website De Vlinderstichting.

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar 7.11.7 Meetpunten aantalsmonitoring libellen, 1998-2018

7.12Kevers en andere ongewervelden

Algemeen

Het meetprogramma voor kevers en andere ongewervelden is in de eerste plaats gericht op het bepalen van de verspreiding van een zestal soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage II, IV en V). Het betreft de medicinale bloedzuiger, Europese rivierkreeft en vier soorten kevers. Voor de gestreepte waterroofkever worden ook structureel aantalsgegevens verzameld.

Daarnaast vindt monitoring plaats van een aantal “typische soorten”. Deze soorten worden niet direct beschermd door de Habitatrichtlijn, maar gebruikt als indicator voor beschermde habitattypen. Het betreft een aantal sprinkhanen, haften, steenvliegen en schietmotten die urgent bedreigd zijn.

Coördinatie: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden.

Uitvoering: EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

Meetdoelen

7.12.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage II en IV
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van Bijlage II, IV en V
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
Niet sturende meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends

Gegevens

De gegevensinwinning voor de twee soorten waterroofkevers bestaat uitsluitend uit gerichte inventarisaties van km-hokken binnen het actuele en potentiële verspreidingsgebied door professionals m.b.v. schepnetten en vallen. De gegevensinwinning voor het vliegend hert bestaat vrijwel uitsluitend uit losse waarnemingen, waarvan het aantal sterk vergroot wordt door oproepen via landelijke, regionale en lokale media. Vanwege de lage trefkans van de soort is gericht verspreidingsonderzoek niet efficiënt. De gegevensinwinning voor de vermiljoenkever bestaat uit gerichte inventarisaties van km-hokken binnen het actuele verspreidingsgebied en explorerende inventarisaties binnen potentieel verspreidingsgebied. De vermiljoenkever is pas in 2012 in Nederland aangetroffen, vandaar dat het beeld op de verspreiding van de soort nog niet compleet is. Gezien het kwetsbare habitat, de specialistische levenswijze en kans op verwarring met andere houtbewonende kevers, wordt de gegevensinwinning van deze soort door professionals uitgevoerd. De gegevens voor de sprinkhanen worden op zicht en gehoor verzameld. De gegevensinwinning voor de kleine wrattenbijter wordt jaarlijks verzorgd door biologen van de Inventarisatie en Monitoringgroep van de Dienst Vastgoed Defensie. De soort is namelijk alleen te vinden op een afgesloten militair oefenterrein, de Oldebroekse heide. De gegevensinwinning van de wrattenbijter wordt verzorgd door vrijwilligers. De gegevens voor de overige typische insectensoorten bestaan vrijwel uitsluitend uit losse waarnemingen. Afhankelijk van de soort kunnen de dieren het beste in het volwassen of larvale stadium geïnventariseerd worden.

Schietmotten (of kokerjuffers, zoals larvale schietmotten worden aangeduid) worden met lichtvallen gevangen (schietmotten) en/of middels schepnetmonsters (kokerjuffers). Haften (eendagsvliegen) worden als larve met het schepnet gevangen (vanwege de zeer korte levensduur van het volwassen stadium). De enige steenvlieg binnen het meetprogramma (Perlodes microcephalus) wordt geïnventariseerd door excuviae (vervellingshuidjes) te tellen op brugpeilers e.d. Voor veel haften, steenvliegen en schietmotten geldt dat de meetprogramma’s van de waterschappen (ter bepaling van de ecologische kwaliteit ten behoeve van de kaderrichtlijn water) een belangrijke bron van verspreidingsgegevens zijn. De Europese rivierkreeft heeft een zeer beperkt voorkomen in Nederland (één vindplaats, één 10 x 10 km-hok). De populaties worden gevolgd door middel van ‘schijnrondes’ (nachtelijke tellingen met behulp van een sterke zaklamp). De gegevensinwinning voor de medicinale bloedzuiger bestaat uit gerichte inventarisaties in structuurrijk, ondiep water door professionals. Middels het opwekken van trillingen en golven worden de bloedzuigers aangetrokken. Om het vrijwilligersnetwerk uit te breiden zijn er momenteel twee veldgidsen in voorbereiding, één voor schietmotten en één voor haften, het is de bedoeling beide manuscripten in 2020 in druk te nemen. Tabel 7.12.2 geeft een overzicht van de in het meetprogramma opgenomen soorten en de mogelijkheden voor het berekenen van betrouwbare aantals- en verspreidingstrends. Een beschrijving van de werkwijze per soort is te vinden in het inventarisatierapport Koese et al. 2013 op de website van EIS (zie Links).

7.12.2Kevers en andere ongewervelden: kwaliteitsbeoordeling per soort

Trends in aantallen Verspreiding
Beleidsstatus1) landelijk landelijk Opmerkingen
Soort
 
Kevers        
   Brede geelgerande waterroofkever2) HR II & IV slecht goed  
   Gestreepte waterroofkever HR II & IV slecht goed  
   Heldenbok HR IV     verdwenen uit NL
   Juchtleerkever2) HR II* & IV     verdwenen uit NL
   Vermiljoenkever2) HR II* & IV   goed  
         
   Vliegend hert HR II   goed  
         
Bloedzuigers        
   Medicinale bloedzuiger HR V   goed  
         
Kreeften        
   Europese rivierkreeft HR V   goed  
         
Sprinkhanen        
   Wrattenbijter TYP   goed  
   Kleine wrattenbijter TYP   goed  
         
Haften        
   Ecdyonurus torrentis TYP   goed  
         
Kokerjuffers        
   Athripsodes albifrons TYP   goed  
   Brachycentrus subnubilus TYP   goed  
   Lepidostoma hirtum TYP   goed  
   Plectrocnemia brevis TYP   goed  
         
Steenvliegen        
   Perlodes microcephalus TYP   goed

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van Bijlage. * = prioritaire soort.

2)HR II Soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen, omdat ten tijde van het aanwijzen van gebieden (2013) de soort niet op de Nederlandse referentielijst stond.

Natura 2000‑gebieden

De gestreepte waterroofkever en het vliegend hert worden vermeld op bijlage II van de Habitatrichtlijn. Vanwege deze vermelding en vanwege hun voorkomen in bepaalde Natura 2000‑gebieden, zijn er Natura 2000‑gebieden aangewezen voor deze soorten. Voor de brede geelgerande waterroofkever en de vermiljoenkever, ook vermeld op bijlage II, zijn geen gebieden aangewezen. Voor gestreepte waterroofkever en vliegend hert zijn zeven gebieden aangewezen (zie tabel 7.12.3). Alle Natura 2000‑gebieden die voor de gestreepte waterroofkever zijn aangewezen, zullen in de nieuwe rapportageperiode worden onderzocht op het voorkomen van de soort. Die gebieden die zijn aangewezen voor het vliegend hert worden niet gericht onderzocht, maar in de vorige rapportageperiode is de soort in alle voor de soort aangewezen gebieden waargenomen, de verwachting is dat dat wederom zal gebeuren. Voor beide soorten geldt dat de gegevens momenteel nog onvoldoende zijn om aantalstrends te berekenen.

7.12.3Natura 2000-gebieden aangewezen voor kevers

Natura 2000-gebied
Soort
Gestreepte waterroofkever De Wieden
Gestreepte waterroofkever Kampina & Oisterwijkse Vennen
Gestreepte waterroofkever Naardermeer
Gestreepte waterroofkever Nieuwkoopse Plassen & De Haeck
Gestreepte waterroofkever Oostelijke Vechtplassen
   
Gestreepte waterroofkever Rottige Meenthe & Brandermeer
Gestreepte waterroofkever Weerribben
   
Vliegend hert Geleenbeekdal
Vliegend hert Geuldal
Vliegend hert Noorbeemden & Hoogbos
Vliegend hert Savelsbos
Vliegend hert Sint Jansberg
   
Vliegend hert Springendal & Dal van de Mosbeek
Vliegend hert Veluwe

Voortgang in 2019

  • Het onderzoek naar de gestreepte waterroofkever is ingericht op het bepalen van een landelijke trend in aantallen. In acht van de twaalf kilometerhokken die in 2019 onderzocht zijn, is het voorkomen van de soort bevestigd en zijn er 45 kevers geteld.
  • Naar de verspreiding van het vliegend hert is in 2019 geen gericht onderzoek gedaan. Wel zijn er via diverse kanalen (telefoon, e-mail, waarneming.nl en telmee.nl) 805 betrouwbare meldingen binnengekomen. Daarnaast is er gewerkt aan het opzetten voor een programma waarmee aantallen gemonitord kunnen worden. In 2019 zijn al 14 routes bezocht. Het is de bedoeling nog meer routes op te nemen in het programma.
  • Twee sprinkhanensoorten zijn typische soort van de HR, de wrattenbijter en de kleine wrattenbijter. Beide soorten zijn momenteel van één locatie bekend, respectievelijk de Overasseltse en Hatertse vennen en de Oldebroekse heide en lijken hier stabiel. De wrattenbijter is in 2019 wederom niet waargenomen op de Veluwe en is hier vermoedelijk uitgestorven (laatste waarneming 2016).
  • Voor de medicinale bloedzuiger is, net als in 2018, veldwerk verricht voor de ontwikkeling van een meetprotocol. De soort is in zes 10 x 10 km-hokken aangetroffen.
  • Min-of-meer toevallige vondsten van de vermiljoenkever wijzen er op dat de soort zich aan het uitbreiden is, dan wel wijder verspreid is dan gedacht. Tot begin 2017 was de bekende verspreiding beperkt tot de regio De Kempen. In 2017 zijn veel vondsten buiten deze regio gedaan. In 2018 is de soort in acht nieuwe hokken aangetroffen, in Gelderland, Limburg en Noord-Brabant. In 2019 is de soort in vier nieuwe hokken aangetroffen, twee in Limburg en Noord-Brabant. Ondanks gerichte zoekacties is de soort niet aangetroffen in de provincies Utrecht en Zuid-Holland. Het actuele en potentiële leefgebied is uitgebreid van 15 10 x 10 km-hokken in 2017 tot 27 in 2019. Ongetwijfeld zullen nog meer vindplaatsen ontdekt worden.

Het jaar 2019 is het tweede jaar van de nieuwe HR-rapportageperiode (zie tabel 7.12.4).

7.12.4Voortgang verspreidingsonderzoek kevers

10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Brede geelgerande waterroofkever 2 0
Europese rivierkreeft 2 50
Gestreepte waterroofkever 23 57
Medicinale bloedzuiger 25 44
Vliegend hert 31 74
     
Vermiljoenkever 27 70

Aandachtspunten

  • Publicatie van de veldgids voor haften en schietmotten (EIS).
  • Opstellen meetprotocol bloedzuiger (EIS, CBS).

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

Informatie over European Invertebrate Survey – Nederland: Website EIS Kenniscentrum Insecten.

7.13Weekdieren en mariene typische soorten

Algemeen

In het meetprogramma voor weekdieren wordt de verspreiding van de in Nederland voorkomende weekdieren van Bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn gevolgd. De veldmetingen geven daarnaast voor drie soorten een globale indicatie over de aantalsveranderingen op basis van herhaalde bezoeken van locaties.

Het meetprogramma voor mariene typische soorten is gericht op het bepalen van trends van typische soorten bloemdieren, kreeftachtigen, stekelhuidigen, vissen, weekdieren en wormen van enkele mariene habitattypen.

Voor beide meetprogramma’s geldt:

Coördinatie: Stichting ANEMOON.

Uitvoering: Vrijwilligers, Stichting ANEMOON, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

7.13.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten
  Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage V
Matige sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)1)
Niet sturende meetdoelen
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten

1)In dit meetprogramma wordt afgeweken van het officiele meetdoel "RL-status van soorten" (zie tekst).

Gegevens

Weekdieren

Het meetprogramma voor weekdieren is gericht op het vaststellen van de verspreiding van de in Nederland voorkomende soorten van Bijlage II, IV en V van de HR op 10 x 10 km-hokniveau en het verkrijgen van een globale indicatie over aantalsveranderingen (op basis van herhaald verspreidingsonderzoek op sublocaties binnen een aantal locaties waar de soorten voorkomen). In de periode 2012–2017 zijn alle hokken van het gezamenlijke actuele en potentiële verspreidingsgebied onderzocht op aan-/afwezigheid van de soorten. Vanaf 2018 is een begin gemaakt met de nieuwe meetronde ten behoeve van de volgende HR-rapportage in 2023. Sinds 2016 geeft ANEMOON ook jaarlijks een overzicht van de verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau van de wijngaardslak, een soort van Bijlage V van de Habitatrichtlijn. Dit overzicht beperkt zich tot de hokken waar de soort 100 jaar of langer voorkomt.

In alle 10 x 10 km-hokken waarin de nauwe korfslak, de platte schijfhoren en de zegge-korfslak zouden kunnen voorkomen wordt op minimaal vijf kansrijke locaties op vijf sublocaties (tot 2014 twee tot zeven sublocaties) de aan-/afwezigheid van de soort bepaald. Deze sublocaties worden tijdens iedere HR-rapportageperiode één keer geïnventariseerd door professionals geassisteerd door vrijwilligers, volgens een gestandaardiseerd protocol. De verschillen in presentie tussen beide metingen geven een globale indicatie van aantalsveranderingen. Voor de nauwe korfslak worden ook de aantallen aangetroffen slakjes geteld in strooiselsmonsters die op de locaties worden verzameld. De afwezigheid van de soort wordt aangenomen wanneer de soort in 80 (zegge-korfslak en nauwe korfslak) of 40 (platte schijfhoren) locaties niet wordt gevonden. Determinatie gebeurt direct in het veld of tijdens het uitzoeken van uit het veld meegebrachte monsters in het laboratorium. Een handleiding voor het veldwerk is te vinden op de website van Stichting ANEMOON (zie Links).

Mariene typische soorten

Het meetprogramma voor mariene typische soorten is gericht op het bepalen van trends in aantallen (op basis van gemiddelde abundantieklassen) in de mariene habitattypen H1160, H1110A en H1110B. Het officiële meetdoel voor typische soorten is het bepalen van de RL-status (zie hoofdstuk 2). Dit is voor mariene soorten echter niet haalbaar, omdat dan het hele Nederlands Continentaal Plat onderzocht zou moeten worden. Anderzijds sluit de trend per habitattype veel beter aan bij het doel waarvoor typische soorten geselecteerd zijn, namelijk als indicatie voor de kwaliteit van het habitattype. In de praktijk wordt de RL-status van typische soorten bij het samenstellen van de HR-rapportage ook bij niet-mariene soorten nauwelijks gebruikt.

De typische soorten van H1160 (Grote baaien) worden gevolgd in het enige gebied in Nederland waar dit type voorkomt, de Oosterschelde, in het ANEMOON-project Monitoringproject OnderwaterOever (MOO). De typische soorten van zowel H1110A (Permanent overstroomde zandbanken, getijdengebied) als H1110B (Permanent overstroomde zandbanken, Noordzee-kustzone) worden uitsluitend gevolgd in de Noordzeekustzone, omdat het niet mogelijk is om in het waddengebied vrijwilligers te mobiliseren. Voor habitattype H1110B wordt gebruik gemaakt van het Strandaanspoelsel Monitoring Project (SMP). Voor zowel MOO als SMP wordt door ANEMOON gewerkt aan het verder uitbreiden van deze meetnetten zowel wat betreft het aantal waarnemers als het aantal monitoring-locaties. Voor de habitattypen H1130 (Estuaria), H1140 (Slik- en Zandplaten) en H1170 (Riffen van open zee) kan Stichting ANEMOON geen betrouwbare trends van typische soorten bepalen.

Soorten

In tabel 7.13.2 staan de soorten die met het meetprogramma gevolgd worden. De kwaliteitsbeoordeling van de trends is voor een aantal soorten gebaseerd op een expert-oordeel.

7.13.2aWeekdieren: kwaliteitsbeoordeling per soort: HR-soorten

Beleidsstatus1) Opmerkingen
Soort
Bataafse stroommossel2) HR II* & IV verdwenen uit NL
Nauwe korfslak HR II  
Platte schijfhoren HR II & IV  
Wijngaardslak HR V  
Zeggekorfslak HR II  

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van Bijlage, TYP = typische soort.

2)HR II-soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen omdat de soort niet op de Nederlandse referentielijst staat.

7.13.2bWeekdieren: kwaliteitsbeoordeling per soort: Mariene typsche soorten

Kwaliteit trend Kwaliteit trend
Beleidsstatus1) H1110 H1160 Opmerkingen
Soort
 
Bloemdieren        
   Slibanemoon TYP goed   trend H1110B en H1160 vanaf 1994
   Zeeanjelier TYP goed trend H1110B vanaf 2013 en H1160 vanaf 1994
       
Kreeftachtigen2)        
   Gewone zwemkrab TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
   Strandkrab TYP goed goed trend H1110B en H1160 vanaf 1994
         
Stekelhuidigen        
   Gewone zeester TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
   Hartegel TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
         
Vissen2)        
   Bot TYP   matig trend H1160 vanaf 1994
   Botervis TYP   goed trend H1160 vanaf 1994
   Gevlekte rog TYP     trend H1110A vanaf 20133)
   Gewone zeedonderpad TYP   goed trend H1160 vanaf 1994
   Puitaal TYP   matig trend H1160 vanaf 1994
   Schar TYP   slecht trend H1160 vanaf 1994
   Schol TYP   matig trend H1160 vanaf 1994
   Stekelrog TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
   Steenbolk TYP   goed trend H1160 vanaf 1994
   Wijting TYP   slecht trend H1160 vanaf 1997
   Zwarte grondel TYP   goed trend H1160 vanaf 1994
         
Weekdieren        
   Amerikaanse zwaardschede TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
   Glanzende tepelhoren TYP      
   Halfgeknotte strandschelp TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
   Kokkel TYP matig   trend H1110B vanaf 1994
   Mossel TYP goed goed trend H1110B vanaf 1994 en H1160 vanaf 1997
   Nonnetje TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
   Noordkromp TYP      
   Oester TYP   goed trend H1160 vanaf 1997
   Platte slijkgaper TYP      
   Rechtsgestreepte platschelp TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
   Stevige strandschelp TYP      
   Strandgaper TYP matig   trend H1110B vanaf 1994
   Wulk TYP goed   trend H1110B vanaf 1994
         
Wormen2)        
   Schelpkokerworm TYP goed goed trend H1110B en H1160 vanaf 1994

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van Bijlage, TYP = typische soort.

2)Van deze soortgroep zijn alleen de contractsoorten vermeld, maar er zijn meer typische soorten.

3)Typische soort van H1110C en H1110D, maar daar niet gemeten.

Natura 2000‑gebieden

De inventarisaties voor de nauwe korfslak vinden vrijwel uitsluitend binnen Natura 2000‑gebieden plaats, omdat de verspreiding van de soort zich grotendeels tot deze gebieden beperkt. De inventarisaties van het NEM hebben uitgewezen dat voor de zegge-korfslak en de platte schijfhoren de keuze van aangewezen gebieden niet goed aansluit op de verspreiding van de soorten. De zegge-korfslak komt weliswaar voor in de aangewezen gebieden in Limburg, maar er zijn ook grote stabiele populaties in andere provincies. Ook het voorkomen van de platte schijfhoren ligt vooral buiten de aangewezen gebieden.

Voortgang 2019

Sinds 2014 worden op alle locaties vijf sublocaties onderzocht op aanwezigheid van zegge-korfslak en platte schijfhoren. In 2018 is een begin gemaakt met een nieuwe inventarisatieronde van zes jaar. Inmiddels is al bijna 45% van de 10 x 10 km-hokken geïnventariseerd (tabel 7.13.3). Voor de drie slakjes van HR-II is na twee jaar precies een derde van de hokken geactualiseerd. Dit is weliswaar voldoende na twee jaar inventariseren, maar door twee extreem droge en warme seizoenen was de trefkans voor de drie HR-II soorten waarschijnlijk erg laag. Daardoor werden de soorten weinig waargenomen en moet de komende jaren extra inspanning worden geleverd. Voor de wijngaardslak is in 2018 door LNV besloten dat in de HR-rapportage alle 10 x10 km-hokken worden meegenomen waar de soort al minstens 100 jaar voorkomt. Dit betreft de 66 hokken die zijn opgenomen in tabel 7.13.3.

In 2019 zijn geen trends berekend voor de vier slakken. In 2020 zal het CBS een systeem bouwen voor automatische trendberekeningen.

Voor de wijngaardslak geldt geen meetdoel voor aantalstrends. Mocht dit veranderen, dan ziet ANEMOON kansen voor gestandaardiseerde monitoring met looproutes.

Voor de verwerking van gegevens van mariene typische soorten heeft het CBS nog geen geautomatiseerde controle en trendberekening. Dit zal door het CBS worden ontwikkeld zodra de lijst van soorten bekend is waarmee in de HR-rapportage van 2019 is gewerkt. Het achterhalen van het gebruik van de gegevens in de HR-rapportage blijkt bijzonder lastig, maar is essentieel voor de voortzetting van dit onderdeel van het meetprogramma.

Voor Habitattype 1160 (Oosterschelde) bestaan voor vissen (en mogelijk andere groepen) ook andere gegevensbronnen. ANEMOON en CBS zullen de bruikbaarheid van deze gegevensbronnen, eventueel in combinatie met de ANEMOON-gegevens, onderzoeken.

7.13.3Voortgang verspreidingsonderzoek weekdieren

10 x 10 km-hokken Geactualiseerd sinds 2018
Soort aantal %
Nauwe korfslak 28 39
Platte schijfhoren 77 32
Zegge-korfslak 42 31
Wijngaardslak 66 74
     
Totaalscore meetdoel1)   44

1)het gemiddelde van de vier soorten

Aandachtspunten

  • Trendberekeningen voor HR-II soorten verder verbeteren (CBS).
  • Uitzoeken of en hoe de gegevens van mariene typische soorten gebruikt zijn bij de HR-rapportage (CBS).
  • Dataverwerking mariene typische soorten overhevelen naar CBS als meer bekend is over het gebruik van deze soorten bij de HR-rapportage (CBS, ANEMOON).
  • Ontwikkelen van geautomatiseerde controle en trendberekening voor mariene typische soorten (CBS).
  • Vergelijken van trends op basis van verschillende gegevensbronnen voor de Oosterschelde (ANEMOON, CBS).

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

Informatie over Stichting ANEMOON: Website Stichting ANEMOON.

7.14Planten

Algemeen

De meetprogramma’s voor planten zijn gericht op het bepalen van de verspreiding en de trend in verspreiding. Er is een meetprogramma dat zich richt op het in kaart brengen van de verspreiding op 10 x 10 km-hok niveau van de soorten die worden vermeld op bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn. Daarnaast is er een meetprogramma gericht op het bepalen van de Rode Lijst-status van alle plantensoorten, met bijzondere aandacht voor de typische soorten van de Habitatrichtlijn (dat zijn de soorten die kenmerkend zijn voor een bepaald habitattype). In dit meetprogramma worden jaarlijks in ongeveer duizend kilometerhokken de plantensoorten zo compleet mogelijk genoteerd. Een deel van die hokken wordt jaarlijks twee keer bezocht (“Het Nieuwe Strepen”), waardoor het mogelijk is om de detectiekans van soorten te bepalen.

In opdracht van de NVWA wordt een aantal invasieve uitheemse plantensoorten gevolgd, hieronder bevinden zich ook de 23 plantensoorten die worden vermeld op de Unielijst. De Unielijst is opgesteld door de Europese Unie. Op de lijst staan soorten waarvan de negatieve effecten zodanig zijn dat gezamenlijk optreden op het niveau van de Europese Unie gewenst is, zie tabel 7.14.2.

Coördinatie: FLORON.

Uitvoering: Vrijwilligers, FLORON, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

7.14.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage II en IV
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten van Bijlage II, IV en V
  Invasieve exoten: landelijke trends (alleen sterk sturend bij financiering door Team Invasieve Exoten
Matig sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
Niet sturende meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends

Gegevens

De gegevensinwinning voor de Habitatrichtlijnsoorten bestaat uit gerichte inventarisaties van km-hokken binnen de te actualiseren 10 x 10 km-hokken. De gegevens worden verzameld door vrijwilligers, die daarbij een gestandaardiseerd protocol volgen. De inventarisatie houdt rekening met de variatie aan biotopen binnen het hok en is er op gericht om ook de afwezigheid van een soort met redelijke zekerheid vast te stellen. In de meeste gevallen wordt ook een schatting gedaan van de abundantie. Ook de gegevens die door terreinbeheerders in de NDFF worden ontsloten, worden gebruikt, echter alleen voor het vaststellen van aanwezigheid en eventueel abundantie van Habitatrichtlijnsoorten.

Het meetprogramma dat gericht is op typische soorten bestaat uit het inventariseren van km-hokken. Bij deze inventarisaties worden alle voorkomende soorten genoteerd. Inventarisatiegegevens worden verzameld op puntniveau met de NOVA-app (NDFF Verspreidingsatlas). Binnen het meetprogramma is ook voorzien in het behouden van landelijke dekking (voorkomen van zogenaamde “witte gebieden”) en het actualiseren van groeiplaatsen van zeer zeldzame soorten. Bij de analyse worden ook losse waarnemingen gebruikt uit waarneming.nl, en gegevens die door terreinbeheerders, provincies, waterschappen en bedrijven aan de NDFF worden aangeleverd. Tabel 7.14.2 geeft een overzicht van de soorten die zijn opgenomen in de meetprogramma’s van FLORON.

7.14.2Planten: soorten in het meetprogramma

Beleidsstatus1) Verspreidingsonderzoek? Opmerkingen
Soort
 
Drijvende waterweegbree HR II & IV, TYP ja moeilijk meetbaar
Gewoon sneeuwklokje HR V nee
Groenknolorchis HR II & IV, TYP ja  
Klaverbladvaren2) HR II nee incidenteel
Kruipend moerasscherm HR II & IV ja  
       
Valkruid3) HR V, TYP ja  
Wolfsklauw (5 soorten)4) HR V ja
Zomerschroeforchis HR IV nee verdwenen uit NL5)
       
Typische soorten TYP ja  
(ruim 300 soorten)      
       
Invasieve exoten      
Acaena novae-zelandia Exoot ja  
Acaena ovalifolia Exoot ja  
Afghaanse duizendknoop Exoot ja  
Alligatorkruid Exoot ja op Unielijst
Alsemambrosia Exoot ja  
Aponogeton distachyos Exoot ja  
       
Breed pijlkruid Exoot ja  
Canadese kornoelje Exoot ja  
Cotoneaster ambiguus Exoot ja  
Cotoneaster bullatus Exoot ja  
Cotoneaster dielsianus Exoot ja  
       
Driedelige ambrosia Exoot ja  
Egeria Exoot ja  
Fraai lampenpoetsergras Exoot ja op Unielijst
Gele maskerbloem Exoot ja  
Gestekelde duizendknoop Exoot ja op Unielijst
Gewone gunnera Exoot ja op Unielijst
Gifsumak Exoot ja  
       
Grauwe guldenroede Exoot ja  
Grote vlotvaren Exoot ja  
Grote waternavel Exoot ja op Unielijst
Hemelboom Exoot ja  
Hydrilla verticillata Exoot ja  
       
Hydrocotyle verticillata Exoot ja  
Impatiens edgeworthii Exoot ja  
Japans steltgras Exoot ja op Unielijst
Kleine waterteunisbloem Exoot ja op Unielijst
Kudzu Exoot ja op Unielijst
       
Moerashyacint Exoot ja  
Moeraslantaarn Exoot ja op Unielijst
Montbretia Exoot ja  
Myriophyllum robustum (brasiliense) Exoot ja  
Ongelijkbladig vederkruid Exoot ja op Unielijst
Parelvederkruid Exoot ja op Unielijst
       
Perzische berenklauw Exoot ja op Unielijst
Reuzenbalsemien Exoot ja op Unielijst
Reuzenberenklauw Exoot ja op Unielijst
Sarracenia purpurea Exoot ja  
Schijnambrosia Exoot ja op Unielijst
Smal kroos Exoot ja  
Smalle waterpest Exoot   op Unielijst
       
Sosnowsky's berenklauw Exoot ja op Unielijst
Stekelaugurk Exoot ja  
Struikaster Exoot ja op Unielijst
Theeboompje x Douglasspirea Exoot ja  
Trosbosbes Exoot ja  
Vallisneria Exoot ja  
       
Verspreidbladige waterpest Exoot ja op Unielijst
Vlakke dwergmispel Exoot ja  
Watercrassula Exoot ja  
Waterhyacint Exoot ja op Unielijst
Watersla Exoot ja  
       
Waterteunisbloem Exoot ja op Unielijst
Waterwaaier Exoot ja op Unielijst
Witte spirea Exoot ja  
Zandambrosia Exoot ja  
Zijdeplant Exoot ja op Unielijst

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.

2)HR II soort waarvoor geen gebieden zijn aangewezen omdat de soort niet op de Nederlandse referentielijst staat.

3)Valkruid is in 2007 eenmalig landsdekkend geïnventariseerd en daarna als typische soort opgenomen in het verspreidingsonderzoek.

4)Verspreiding en populatie hoeven niet gerapporteerd omdat het hierbij om een groep van soorten gaat.

5)De zomerschroeforchis leek in 2012 en 2013 terug te zijn, maar bij nader inzien ging het om knikkende schroeforchis.

Natura 2000‑gebieden

Er zijn vier plantensoorten die vermeld worden op bijlage II van de Habitatrichtlijn. Voor drie van deze soorten zijn Natura 2000‑gebieden aangewezen. Zie tabel 7.14.3 voor een overzicht van de gebieden en de plantensoorten waarvoor de gebieden aangewezen zijn. In bijna alle gevallen is in deze gebieden naar deze soorten gezocht. De eventuele gegevens zijn echter onvoldoende om verspreidingstrends per gebied te berekenen.

7.14.3Natura 2000-gebieden aangewezen voor planten

Aantal soorten HR Bijlage II
Natura 2000-gebied
Boetelerveld Drijvende waterweegbree
Brabantse Wal Drijvende waterweegbree
Canisvliet Kruipend moerasscherm
De Wieden Groenknolorchis
Drents-Friese Wold & Leggelderveld Drijvende waterweegbree
   
Duinen Ameland Groenknolorchis
Duinen en Lage Land Texel Groenknolorchis
Duinen Schiermonnikoog Groenknolorchis
Duinen Terschelling Drijvende waterweegbree, Groenknolorchis
Duinen Vlieland Groenknolorchis
   
Grevelingen Groenknolorchis
Groote Gat Kruipend moerasscherm
IJsselmeer Groenknolorchis
Kampina & Oisterwijkse Vennen Drijvende waterweegbree
Kempenland-West Drijvende waterweegbree
   
Kennemerland-Zuid Groenknolorchis
Kop van Schouwen Groenknolorchis
Landgoederen Brummen Drijvende waterweegbree
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux Drijvende waterweegbree
Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen Drijvende waterweegbree
   
Maasduinen Drijvende waterweegbree
Meinweg Drijvende waterweegbree
Naardermeer Groenknolorchis
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck Groenknolorchis
Oostelijke Vechtplassen Groenknolorchis
   
Rottige Meenthe & Brandemeer Groenknolorchis
Sarsven en De Banen Drijvende waterweegbree
Solleveld & Kapittelduinen Groenknolorchis
Springendal & Dal van de Mosbeek Drijvende waterweegbree
Strabrechtse Heide & Beuven Drijvende waterweegbree
   
Vecht- en Beneden-Reggegebied Kruipend moerasscherm
Veluwe Drijvende waterweegbree
Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek Drijvende waterweegbree
Vogelkreek Kruipend moerasscherm
Voornes Duin Groenknolorchis
   
Weerribben Groenknolorchis
Westerschelde & Saeftinghe Groenknolorchis

Voortgang 2019

Teldekking

Er worden in Nederland veel floristische gegevens verzameld, niet alleen door vrijwilligers, maar ook door verschillende terreinbeherende organisaties. Daardoor zijn de verzamelde gegevens representatief voor de leefgebieden van de verschillende soorten. Jaarlijks worden er ongeveer een miljoen waarnemingen van planten verzameld.

Verspreidingsonderzoek

Het jaar 2019 is het tweede jaar van de nieuwe HR-rapportageperiode.

7.14.4Voortgang verspreidingsonderzoek planten

10 x 10 km-hokken Geactualiseerd na 2 jaar (10 x 10 km)
Soort aantal %
Drijvende waterweegbree 135 33
Groenknolorchis 42 71
Kruipend moerasscherm 28 46
     
Valkruid 50 40
Wolfsklauw 246 81
 

Sinds 2016 worden voor veel plantensoorten trends berekend met de ‘list length’-methode. Het gaat om verspreidingstrends op 1 x 1 km-hokniveau. De trendberekening bleek mogelijk voor de Habitatrichtlijnsoorten en voor veel typische soorten. Van de Habitatrichtlijnsoorten zijn trends beschikbaar voor groenknolorchis, kruipend moerasscherm, drijvende waterweegbree, valkruid en wolfsklauw. Het gewoon sneeuwklokje wordt veel aangeplant; om die reden is het niet goed mogelijk een betrouwbare trend te berekenen. Zomerschroeforchis is verdwenen uit Nederland, klaverbladvaren is ooit wel in Nederland aangetroffen maar heeft geen bestendige populatie gevormd. In 2019 is door FLORON en het CBS aan validatie van de trends gewerkt. Het gaat om de trends van ca. 600 vrij zeldzame tot algemene soorten. Hiervoor zijn trends uit het LMF gebruikt. Veel trends bleken goed overeen te komen met die uit het LMF of anders bleken de verschillen goed te begrijpen. Tot slot is in 2019 gewerkt aan de ontwikkeling van provinciale indexcijfers van planten. Op basis van de gevalideerde plantentrends zijn voorlopige graadmeters gemaakt van plantentrends op provinciaal niveau. Over enkele jaren komt een nieuwe bron voor validatie van de plantentrends beschikbaar. Het gaat om de gegevens van Het Nieuwe Strepen, het is daarvoor wel nodig dat voldoende hokken in meerdere jaren zijn onderzocht. In 2020 zal een eerste publicatie over Het Nieuwe Strepen verschijnen waarin een exploratief onderzoek uit 2019 beschreven wordt. Het aantal vrijwilligers dat deelneemt aan Het Nieuwe Strepen is vanaf de start in 2012 gegroeid tot ruim 100 in 2019. Zie tabel 7.14.5 voor het aantal onderzochte kilometerhokken in het meetprogramma Het Nieuwe Strepen.

Aandachtspunten

  • Verfijnen van de trendanalyses door gebruik te maken van informatie over de bron van de veldwaarnemingen (vegetatie-opnamen, streeplijsten etc.) (CBS, FLORON).
  • De km-hok inventarisaties op peil houden inclusief hokken met herhalingen en inclusief hokken die enige jaren geleden in het kader van Het Nieuwe Strepen ook zijn onderzocht (FLORON).
  • Onderzoeken of met behulp van de beschikbare gegevens van de zeldzame plantensoorten betrouwbare trends berekend kunnen worden en de Rode-Lijst-status kan worden geactualiseerd (CBS, FLORON).

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring Website NEM.

Informatie over FLORON: Website FLORON.

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

7.15Flora en milieu

Algemeen

Veel plantensoorten zijn gevoelig voor vermesting, verzuring en verdroging. Veranderingen in de milieu-condities hebben daardoor duidelijke effecten op de samenstelling van de vegetatie. Het Landelijk Meetnet Flora (LMF) levert informatie over de vegetatiesamenstelling, natuurkwaliteit en biodiversiteit op gebiedsniveau en daarmee ook over de milieucondities die hierop van invloed zijn.

Deze informatie wordt onder andere toegepast bij de evaluatie van het Natuurpact door PBL en in het natuurbeleid van de provincies zélf.

In verschillende provincies bedient het meetprogramma ook aanvullende provinciale doelen. Zo wordt met het LMF in veel provincies de ontwikkeling van de natuurkwaliteit in agrarisch gebied gevolgd en volgt Rijkswaterstaat hiermee vegetatie-ontwikkelingen in de bermen van rijkswegen.

Voor dit meetprogramma geldt:

Coördinatie: CBS, BIJ12, provincies.

Uitvoering: provincies, provinciale medewerkers of groenbureaus, CBS, RWS Dienst Verkeer en Scheepvaart.

Opdrachtgevers: provincies, BIJ12

7.15.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterke sturende meetdoelen
  Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends
Niet sturende meetdoelen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.

Gegevens

Uitvoering veldwerk

Sinds 1999 worden in ruim 10 000 kleine, vaste meetpunten de aanwezigheid en bedekking van alle hogere plantensoorten geïnventariseerd en veelal ook de mossen. Het meetnet is op basis van de destijds heersende inzichten gestratificeerd in 50 deelgebieden, bestaande uit combinaties van begroeiïngstypen, fysisch-geografische regio’s en milieukwaliteitsgebieden. Alle meetpunten werden in een cyclus van vier jaar geïnventariseerd, waarbij elk jaar een kwart van alle meetpunten aan de beurt kwam. Naar aanleiding van de veranderingen in natuurbeleid, waaronder decentralisatie, is begin 2018 gestart met een aangepaste stratificatie. Daarbij is de indeling van meetpunten in fysisch geografische regio’s en milieukwaliteitsgebieden losgelaten, maar de indeling in begroeiingstypen is verfijnd: van 5 hoofdbegroeiingstypen naar 10 ‘LMF-natuurtypen’. Deze natuurtypen zijn daarbij ook verder onderverdeeld in gebieden met verschillende beleidsmatig beschermingsniveaus: Natura 2000-gebieden, andere natuurgebieden binnen het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en bosgebieden buiten NNN. De nieuwe stratificatie kan grotendeels met bestaande meetpunten worden ingevuld, waardoor de continuïteit van de meetreeksen grotendeels gewaarborgd is. Voor inventarisatie van agrarische gebieden (het vroegere 6e hoofdbegroeiingstype) zijn geen voorschriften of gezamenlijke landelijke afspraken meer. Iedere provincie kan dit geheel naar eigen wens al dan niet invullen of uitwerken. Vooralsnog blijft een groot deel van de provincies ook hieraan aandacht besteden.

In een deel van de provincies is de vierjarige opnamecyclus inmiddels ook ingekort tot een driejarige, om beter aan te sluiten bij de 6‑jarige rapportagecyclus van de Habitatrichtlijn. Het totaal aantal meetpunten binnen het landelijk voorgeschreven deel – dus exclusief meetpunten in het agrarisch gebied wordt daarmee teruggebracht tot ongeveer 5000.

Het veldwerk wordt gestandaardiseerd uitgevoerd volgens voorschriften in een handleiding (zie Links) door medewerkers van provincies zélf of medewerkers van groenbureaus in opdracht van de provincies.

Data

Met het LMF worden geen specifieke zeldzame, bedreigde of beschermde soorten gevolgd, zoals in het meetprogramma Planten (zie hoofdstuk 7.14), maar ligt de nadruk op een representatieve bemonstering van natuurtypen in natuurgebieden. Als gevolg daarvan worden vooral gegevens verzameld van de meer algemeen voorkomende plantensoorten. Per meetpunt wordt van alle aangetroffen soorten de aanwezigheid en bedekking genoteerd. In elk meetpunt worden daarnaast gegevens verzameld over de vegetatiestructuur, waaronder hoogte en bedekking van de verschillende vegetatielagen, en over vegetatietypering volgens IPI-codering, ligging en beheer. In een groot deel van de meetpunten worden ook mossen geïnventariseerd.

Gegevensverwerking

De gegevens worden door het CBS gecontroleerd op o.a. uitbijters, consistentie en volledigheid. Na eventuele correctie vindt trendberekening plaats. Het gaat daarbij om trends in milieu-indicaties voor vermesting, verzuring en verdroging en om trends in andere ‘ver-thema’s’ als verbossing, verstruiking en vergrassing. Het bepalen van milieu-indicaties en vegetatiekenmerken gebeurt aan de hand van kenmerken van afzonderlijke soorten die per opname en meetpunt worden gecombineerd tot indicaties voor o.a. verzuring, vermesting, verdroging, soortenrijkdom, kenmerkende soorten, bedekking bomen, bedekking struiken en bedekking kruiden e.d.. In totaal gaat het daarbij om ruim 100 verschillende parameters. Analyses worden uitgevoerd per natuurtype op landelijk en provinciaal niveau en in het landelijk gebied ook voor natuurlijke landschapselementen als bermen, sloten en houtwallen. Ook analyses op het niveau van grote gebiedseenheden (bijvoorbeeld Natura 2000 gebieden) zijn mogelijk indien er voldoende meetpunten zijn. Verder worden trends in de bedekking en presentie van veel soorten berekend.

De belangrijkste landelijke jaarcijfers en trends worden gepubliceerd op het Compendium voor de Leefomgeving (zie Links). Daarnaast worden ook provinciale cijfers berekend en geleverd aan de betreffende provincies en aan PBL ten behoeve van de driejaarlijkse evaluatie van het Natuurpact.

Voortgang 2019

Sinds 2016 is het LMF een door de gezamenlijke provincies gedragen en gefinancierd meetprogramma. Een en ander heeft te maken met de decentralisatie van overheidsbeleid en de enigszins gewijzigde meetdoelen.

In samenhang met de wijzigingen in de meetdoelen en verschuiving van prioriteiten is in 2017 de stratificatie aangepast. In 2018 is begonnen met het doorvoeren daarvan in het veldwerk, waarbij van elk meetpunt is gekeken hoe en in hoeverre het in de nieuwe stratificatie past. Tevens is begonnen met het leggen van nieuwe meetpunten in de natuurtypen en gebieden waarin volgens de nieuwe stratificatie niet voldoende meetpunten waren. In verband met de drie- of vierjarige cyclus zullen ook in 2019 tot en met 2021 dergelijke acties nodig zijn.

In 2019 is bij het CBS het automatiseringssysteem voor de analyse van de gegevens vernieuwd en omgezet naar een systeem in R en JAGS. De trendanalyses kunnen daardoor met een Bayesiaanse methode worden berekend, sluiten beter aan op de programmatuur van andere meetnetten op het CBS en op moderne verwerkingsmethoden van vegetatie-opnamen. De herziene analysemethode berekent overigens niet langer jaarlijkse indexcijfers, maar alleen indexcijfers per meetronde van vier jaar (of drie jaar).

In 2020 zal ook het automatiseringssysteem voor de controles van door de provincies aangeleverde gegevens worden vernieuwd en omgezet van MS-Access/VBA naar R. Inhoudelijk zal dit programma ook worden aangepast op de wijzigingen die in het meetnet en in het analyseprogramma zijn doorgevoerd.

Tot nu toe worden de gegevens van mossen en korstmossen die in het LMF worden verzameld nauwelijks gebruikt, omdat niet altijd duidelijk is of deze wel, niet of onvolledig zijn opgenomen. In 2020 wordt onderzocht of deze gegevens zijn te ontsluiten.

Het CBS berekent de trend in milieu-indicaties voor vermesting en dergelijke ten behoeve van onder meer PBL en provincies. Het CBS gebruikt daarbij verschillende methoden, omdat de gebruikers verschillende voorkeuren hebben. Het PBL geeft de voorkeur aan een methode op basis van Wamelinkgetallen, terwijl de provincies de methode Iteratio prefereren. Momenteel wordt onderzocht of het mogelijk is om een methode te kiezen die alle gebruikers accepteren.

De methode Iteratio was overigens in 2019 alleen te gebruiken als een losstaand programma van WEnR, waardoor de daarmee te berekenen milieu-indicaties steeds apart moesten worden berekend. In 2020 wordt dit programma zodanig aangepast dat het kan worden ingebouwd in de automatische verwerking van de LMF-gegevens op het CBS.

De uitkomsten van het LMF zijn al enkele keren gebruikt bij de internationale rapportage over de Habitatrichtlijn, met name bij het bepalen van structuur en functie van habitattypen. Maar vermoedelijk wordt het LMF hiervoor nog onderbenut. Daarom zullen het CBS en de WOT gezamenlijk bezien in hoeverre de LMF-gegevens een grotere rol kunnen spelen bij de Habitatrichtlijnrapportage.

Aandachtspunten

  • Verder doorvoeren van de herziene stratificatie van het LMF ten behoeve van de informatievoorziening over natuurtypen binnen en buiten Natura 2000 gebieden en NNN aan de herijkte meetdoelen (CBS, PBL, provincies).
  • Omzetten en herzien van het programma dat de door de provincies aangeleverde gegevens controleert van MS-Access naar R (CBS).
  • Ontsluiten van de gegevens over mossen en korstmossen (CBS, provincies).
  • Streven naar harmonisering van de methode om milieu-indicaties te berekenen (PBL, provincies, CBS).
  • Iteratio aanpassen om te kunnen inpassen in de automatische verwerking van de gegevens (BIJ12, WEnR, CBS).
  • Onderzoeken van de mogelijke bijdrage van LMF-gegevens aan de toekomstige rapportage over structuur en functie van habitattypen (CBS, WOT).

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring Website NEM.

Informatie over het Compendium voor de Leefomgeving.

Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar 7.15.2 Meetpunten landelijkmeetnet flora, 1999-2018

7.16Korstmossen en mossen

Algemeen

Sinds 1999 is er een meetprogramma voor korstmossen op de heide en op de stuifzanden. Aanvankelijk werden vooral bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst-soorten gemonitord, maar vanaf 2011 is het belangrijkste meetdoel het volgen van typische soorten korstmossen van de Habitatrichtlijn. Ook worden nu typische soorten korstmossen in de duinen gemonitord. Op stenige substraten wordt niet meer gemonitord.

Het onderdeel mossen betreft het gedetailleerd volgen van de verspreiding van geel schorpioenmos. Met ingang van 2016 vormt ook de inwinning van verspreidingsgegevens van soorten van HR Bijlage V een meetdoel.

Coördinatie: BLWG (Bryologische en Lichenologische Werkgroep).

Uitvoering: Vrijwilligers, BLWG, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

7.16.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterk sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn: landelijke trends
  Habitatrichtlijn: verspreiding van soorten
  Habitatrichtlijn: landelijke trends van soorten van Bijlage V
Matig sturende meetdoelen
  Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied
  Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied
  Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden
  Habitatrichtlijn: Rode Lijst-status van typische soorten
Niet sturende meetdoelen
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters, landelijke trends, trends per biotoop, etc.

Gegevens

Aantalsmonitoring

Sinds 1999 worden alle bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst-soorten korstmossen op heide en stuifzanden vrijwel integraal gevolgd op 84 meetpunten in 51 km-hokken. Vanaf seizoen 2011/2012 is dit meetprogramma uitgebreid met typische soorten korstmossen van de Habitatrichtlijn. Daartoe is het meetprogramma uitgebreid met een steekproef van 82 km-hokken met heiden en stuifzanden en een steekproef van 47 km-hokken in de duinen. In ieder hok worden op een of twee kansrijke locaties alle korstmossen geïnventariseerd d.m.v. een score op een eenvoudige abundantieschaal met zes ordinale klassen. Iedere locatie wordt door twee onafhankelijke waarnemers geïnventariseerd. Van de in totaal 180 km-hokken worden er jaarlijks ca. 30 onderzocht, zodat ieder hok eens in de zes jaar geïnventariseerd wordt. Een deel van de hokken wordt herhaald bezocht. Voor de Rode Lijst-soorten op heiden en stuifzanden was dit tot nu toe eens in de vijf jaar. Nieuwe meetlocaties worden geen vaste meetlocaties meer, maar wel zodanig geïnventariseerd dat ze geschikt zijn voor analyse met trefkansmodellen.

De methode en veldwerkhandleiding van dit meetprogramma is opgenomen in de jaarlijks gepubliceerde onderzoeksrapporten die te vinden zijn op de website van de BLWG.

Verspreidingsonderzoek

De verspreiding van geel schorpioenmos, een soort van HR bijlage II, wordt eens in de drie jaar integraal gemeten (aan- of afwezigheid op het niveau van 10 x 10 meterhokken) in de gebieden waar deze soort voorkomt. Er zijn in de afgelopen jaren enkele nieuwe vindlocaties bijgekomen. In 2019 is een nieuwe meetronde geweest, met weer twee nieuwe vindlocaties.

Van een andere soort van HR bijlage II, tonghaarmuts, worden ook verspreidingsgegevens verzameld, zij het zonder actieve monitoring. Met ingang van 2016 vormt ook de inwinning van verspreidingsgegevens van soorten van HR Bijlage V een meetdoel. Dit betreft de rendiermossen, de veenmossen en het kussentjesmos.

Het Landelijk Meetnet Flora wordt voor de verspreidingstrend van met name kussentjesmos als aanvullende bron gebruikt.

Soorten

In het meetprogramma korstmossen worden de typische soorten van duinen, heide en stuifzanden gevolgd. Een deel van de locaties op heiden en stuifzanden is van oorsprong gekozen vanwege het voorkomen van bedreigde en ernstig bedreigde Rode Lijst-soorten. Deze soorten worden nog steeds gevolgd, maar de bepaling van Rode Lijst-status van soorten –anders dan typische HR-soorten- vormt geen sturend meetdoel meer. Deze soorten staan daarom niet in onderstaande tabel.

7.16.2Mossen en korstmossen: soorten in het meetprogramma

Beleidsstatus1) Opmerkingen
Soort
 
Mossen2)
   Geel schorpioenmos HR II  
   Kussentjesmos HR V, TYP  
   Tonghaarmuts HR II, TYP moeilijk meetbaar, geen actieve gegevensinwinning
   Veenmos (30 soorten)3) HR V  
     
Korstmossen    
   Bruin Heidestaartje TYP  
   Echt rendiermos HR V verdwenen uit NL
   Elandgeweimos TYP  
   Ezelspootje TYP  
   Girafje TYP  
     
   Gebogen rendiermos HR V  
   Gevlekt heidestaartje TYP  
   Gewoon kraakloof TYP  
   Hamerblaadje TYP  
   IJslands mos TYP  
     
   Kronkelheidestaartje TYP  
   Maleboskorst TYP niet te berekenen
   Open rendiermos HR V, TYP  
   Plomp bekermos TYP  
   Rode heidelucifer TYP  
     
   Sierlijk rendiermos HR V, TYP  
   Slank stapelbekertje TYP  
   Stuifzandkorrelloof TYP  
   Stuifzandstapelbekertje TYP  
   Wollig korrelloof TYP  
     
   Wrattig bekermos TYP  
   Cladina mitis4) HR V  

1)HR: Habitatrichtlijnsoort met nummer van bijlage; TYP: Typische soort Habitatrichtlijn.

2)De 36 typische soorten mossen waarop niet wordt gestuurd staan niet in deze tabel

3)Genus Sphagnum. Sterk sturend meetdoel vanaf 2016.

4)Samengevoegd met Gebogen rendiermos (Cladonia arbuscula).

Natura 2000‑gebieden

In Nederland is natuurgebied de Meppelerdieplanden vanwege het voorkomen van Geel schorpioenmos aangewezen als Natura 2000‑gebied (De Wieden). In dit gebied wordt deze soort integraal gemeten.

Voortgang 2019

Aantalsmonitoring korstmossen

Meetseizoen 2018/2019 (meetronde “2018”) is het tweede jaar van de zesjarige meetcyclus 2017–2022. Zie ook figuur 7.16.3. Op 1/3 van de meetcyclus ligt het aantal bezochte meetlocaties goed op schema (+/- 33%). Het aantal geïnventariseerde kilometerhokken voor de nieuwe steekproef ligt iets boven schema in zowel de duinen als de stuifzanden. De kilometerhokken op Vlieland zijn in meetperiode 2018 bezocht. Terschelling en Ameland moeten in de komende vier jaar bezocht worden.

Verspreidingsonderzoek mossen en korstmossen

In 2019 is er weer een nieuwe meetronde geweest voor de verspreiding van geel schorpioenmos. De eindrapportage is tijdig opgeleverd. De verspreidingsgegevens van de HR-soorten mossen en korstmossen zijn ook opgeleverd.

Landelijk Meetnet flora

In het Landelijk Meetnet Flora wordt ook een aantal proefvlakken op mossen en korstmossen onderzocht. Het is echter niet altijd duidelijk wanneer er mossen en/of korstmossen zijn meegenomen bij de inventarisatie en daarom zijn die gegevens tot nu toe niet ontsloten. Dat vergt navraag bij de provincies die de opnamen verzorgen.

Ontwikkelingen

De gegevens uit het meetonderdeel korstmossen zijn in 2018 voor het eerst geanalyseerd met een cumulative link model, welke rekening houdt met het ordinale karakter van de abundantieklassen. Hiermee zijn trendschattingen over de meetrondes gemaakt. De stap naar het maken van indexen moet nog worden gemaakt. De gegevens t/m meetronde 2018/2019 worden gelijktijdig met de gegevens van korstmossen uit het Landelijk Meetnet Flora (LMF) geanalyseerd (zie hierboven). Dit gebeurt in Q1/Q2 van 2020. Dit geldt ook voor de verspreidingsgegevens van de HR-mossen en de gegevens van mossen uit het LMF.

Aandachtspunten

  • Methode ontwikkelen om indexen per meetcyclus te maken van de korstmossoorten (CBS).
  • Navragen bij provincies in welke LMF-pq’s gelet is op korstmossen en op grond daarvan bekijken of het de moeite is om die te combineren met gegevens van het korstmossenmeetnet (CBS).
  • Onderzoeken of de mossengegevens van het LMF betrouwbare trends opleveren van mossoorten van de HR (CBS).
  • Publiceren van resultaten (BLWG & CBS).

Link naar onderzoeksrapporten BLWG: Onderzoeksrapporten

Informatie over het Netwerk Ecologische Monitoring: Website NEM.

Informatie over Bryologische en Lichenologische Werkgroep: Website BLWG.

Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar 7.16.3 Meetpunten aantalsmonitoring korstmossen, 2017-2018

7.17Paddenstoelen

Algemeen

Het meetprogramma voor paddenstoelen bestaat uit drie meetonderdelen: een onderdeel in bossen op zandgronden (sinds 1998), een onderdeel in de zeereep (sinds 2014) en een onderdeel in moerassen/venen (sinds 2016). Een vierde meetonderdeel, in jeneverbesstruwelen (opgestart in 2016), is met ingang van het telseizoen 2018 gestaakt. Naast de gestandaardiseerde monitoring worden tevens met niet-gestandaardiseerde verspreidingsgegevens trends van (bos)paddenstoelen berekend.

Coördinatie: Paddenstoelenstichting, Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV).

Uitvoering: Vrijwilligers, NMV, CBS.

Opdrachtgever: Ministerie van LNV.

Meetdoelen

Waar het meetonderdeel in bossen aanvankelijk vooral gericht was op het monitoren van paddenstoelen als indicator voor milieukwaliteit, is nu voor alle onderdelen van het meetprogramma het belangrijkste meetdoel het bepalen van de landelijke trend in verspreiding van typische soorten van de Habitatrichtlijn.

7.17.1Meetdoelen voor deze soortgroep

Sterke sturende meetdoelen
  Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten)
Matige sturende meetdoelen
  Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends 1)
  Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten
Niet sturende meetdoelen
  Convention on Biological Diversity: landelijke trends
  Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen
  Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc.

Gegevens

Tot aan het teljaar 2016 werden vaste meetpunten in bosgebieden op de hoge zandgronden en duinen jaarlijks in de periode juli tot en met december drie tot zes keer geïnventariseerd op het voorkomen van vruchtlichamen van paddenstoelen. De tellingen betroffen overwegend steekproeftellingen, maar bij een aantal soorten ging het om integrale tellingen waarbij geprobeerd werd om alle bekende vindplaatsen in het meetprogramma op te nemen. Vanaf het jaar 2017 is de methode voor het meetonderdeel in bossen aangepast: i.p.v. vaste meetpunten worden nu km-hokken (deels) herhaald geïnventariseerd. Een veldwerkhandleiding en een beschrijving van de nieuwe methode is beschikbaar op de websites van het NEM en de NMV (zie Links).

Voor de soorten die in andere habitattypen dan bossen voorkomen (zeereep, moerassen/venen), werd al een andere methode gevolgd: in plaats van vaste meetpunten met gestandaardiseerde telmethoden worden per onderzocht km-hok (idealiter) twee keer in het seizoen de voorkomende typische soorten alsmede meelift-soorten genoteerd en ingevoerd in een daarvoor ontworpen invoermodule. Deze manier van gegevensverzameling laat toe dat trends per soort m.b.v. occupancy modellen kunnen worden bepaald, waarbij voor verschil in meetinspanning wordt gecorrigeerd.

Soorten

Het meetonderdeel in bossen richt zich primair op vier typische soorten van de Habitatrichtlijn, waarvan twee soorten – Regenboogrussula en Smakelijke russula – pas in 2014 aan het programma zijn toegevoegd. De overige 108 telsoorten uit het oorspronkelijke meetprogramma worden als meelift-soorten ook nog steeds gemeld. Het aantal meeliftsoorten is sinds 2016 nog met 26 soorten verder toegenomen tot 134.

Het meetonderdeel in de zeereep richt zich op een zestal typische soorten van de Habitatrichtlijn. Het gaat hier om de habitattypen witte en grijze duinen. In 2016 is een begin gemaakt met de monitoring van zeven typische soorten in moerassen en venen, en één typische soort van jeneverbesstruwelen.

In onderstaande tabel zijn de soorten met sterk sturende meetdoelen opgenomen, in dit geval de typische soorten van de Habitatrichtlijn. Het sturingsniveau van de meetdoelen wijkt af voor deze soortgroep t.o.v. tabel 2.1 (zie hoofdstuk 2). Vanwege de korte meetreeksen kunnen de meeste trends van soorten nog niet beoordeeld worden.

7.17.2Paddenstoelen: soorten in het meetprogramma

Beleidsstatus1)
Soort
 
Bossen  
   Hanenkam TYP
   Smakelijke russula TYP
   Regenboogrussula TYP
   Zwavelmelkzwam TYP
   
Zeereep  
   Duinfranjehoed TYP
   Duinstinkzwam TYP
   Duinveldridderzwam TYP
   Helmharpoenzwam TYP
   Zandtulpje TYP
   Zeeduinchampignon TYP
   
Moerassen, venen  
   Broos vuurzwammetje TYP
   Kaal veenmosklokje TYP
   Moerashoningzwam TYP
   Veenmosbundelzwam TYP
   Veenmosgrauwkop TYP
   Veenmosvuurzwammetje TYP
   Witte berkenboleet TYP

1)TYP: Typische soort Habitatrichtlijn

Voortgang 2019

Teldekking bossen

Omdat het aantal typische soorten dat gemonitord moet worden in bossen zeer klein is in verhouding tot de omvang van het meetonderdeel werd in de afgelopen jaren minder gestuurd op het werven van vrijwilligers voor vrijgekomen meetpunten. Daarnaast is de telmethode m.i.v. van 2017 aangepast (inventarisatie van km-hokken met herhaalde bezoeken). Een aantal vrijwilligers heeft dit moment aangegrepen om te stoppen. Dit blijkt ook uit figuur 7.17.3. Een verdere achteruitgang van het aantal meetpunten lag daarom in de lijn der verwachting. Nu moeten wel alle zeilen bijgezet worden om het aantal meetpunten niet nog verder terug te laten lopen. In 2018 is het gelukt om een gelijk aantal km-hokken te inventariseren als in 2017.

Zeereep

In 2018 zijn in totaal 74 km-hokken in de zeereep geïnventariseerd. Momenteel is het aantal onderzochte km-hokken in het zeereepproject geconcentreerd op enkele plekken in Zuid- en Noord-Holland en een aantal Waddeneilanden. Met name in de provincie Zeeland zijn vrijwilligers moeilijk te vinden. Echter, de NMV en de Provincie Zeeland zijn in 2018 een project begonnen om in twee jaar tijd alle 85 km-hokken met grijze en witte duinen in Zeeland te inventariseren, waarbij de coördinatoren van het NEM-meetprogramma en de Paddenstoelenwerkgroep Zeeland het werk op zich hebben genomen. In 2019 zijn 48 kilometerhokken in Zeeland gemonitord. Het betreft 10 km-hokken die in 2018 al waren gemonitord, maar waarvan onvoldoende data beschikbaar waren, en 38 km-hokken die nog niet geïnventariseerd waren. Daarmee zijn in 2018 en 2019 alle Zeeuwse km-hokken in de zeereep onderzocht op de typische soorten. De gegevens zijn ook beschikbaar voor het NEM meetprogramma. Het is mooi dat er de afgelopen twee jaar veel in Zeeland is gemonitord, maar dit is gedaan met éénmalige externe financiering.

Moerassen en venen

In 2018 zijn 21 km-hokken in moerassen en venen geïnventariseerd. Toegang tot gebieden blijft een uitdaging, en het project moet het voornamelijk hebben van gegevens verzameld tijdens excursies.

Aandachtspunten

  • Consolideren van het aantal km-hokken in het meetonderdeel bossen (NMV).
  • Uitbouwen van de meetnetten in de zeereep en in moerassen en venen, met ook aandacht voor het herhaalde bezoek, zowel binnen het telseizoen als in verschillende jaren (NMV).
  • Het vrijwilligersnetwerk (voornamelijk voor zeereep en moerassen/venen) en de technische voorzieningen (database, invoerportaal) voor de diverse meetonderdelen op peil houden (NMV).
  • Zorg dragen dat de NMV verspreidingsgegevens jaarlijks geleverd worden aan CBS ter analyse (NMV).

Methode en links naar handleidingen: Website NEM.

Informatie over het meetprogramma Paddenstoelen: Website paddenstoelenmeetnet.

Informatie over NMV: Website Mycologische Vereniging.

Trends per soort en graadmeters: Compendium voor de Leefomgeving.

Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar 7.17.4 Meetpunten paddenstoelen in bossen op zandgronden, 2017-2018
7.17.5 Meetpunten paddenstoelen in de zeereep, 2014-2018 Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar
7.17.6 Meetpunten paddenstoelen in moerassen en venen, 2016-2018 Geen telling in de laatste 3 jaar Minstens 1 telling in de laatste 3 jaar

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Tom van der Meij (hoofdstuk 1-6, 7.2, 7.3, 7.4)

Martin Poot (hoofdstuk 7.10 en 7.11)

Leo Soldaat (hoofdstuk 7.5, 7.6 en 7.13)

Arco van Strien (hoofdstuk 7.15)

Richard Verweij (hoofdstuk 7.16 en 7.17)

Marnix de Zeeuw (hoofdstuk 7.7, 7.8, 7.9, 7.12 en 7.14)

Jelle van Zweden (hoofdstuk 7.1)

Marcel Straver (figuren, kaarten)

Deze publicatie kan worden geciteerd als:

CBS (2020). Meetprogramma’s voor flora en fauna. Kwaliteitsrapportage NEM over 2019. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.