Meetdoelen

Bij de gegevensinwinning in het Netwerk Ecologische Monitoring wordt uitgegaan van de informatiebehoefte die de samenwerkingspartners, vertegenwoordigd in de Stuurgroep Monitoring Natuur, hebben vastgelegd in meetdoelen. Afhankelijk van het belang dat aan de meetdoelen wordt gehecht, verschilt de mate waarin gestuurd wordt op deze meetdoelen.

Het Netwerk Ecologische Monitoring meet trends in aantallen en verspreiding van flora- en faunasoorten en in vegetatiesamenstelling. Deze trends zijn nodig voor de evaluatie van het landelijke en provinciale natuurbeleid. Om een zo efficiënt mogelijke gegevensinwinning te bereiken, hebben de samenwerkingspartners van het NEM hun informatiebehoeften gebundeld en vastgelegd in zogenaamde meetdoelen. Afhankelijk van het belang dat de samenwerkingspartners hechten aan een meetdoel wordt vervolgens meer of minder “gestuurd” op de gegevensinwinning. De belangrijkste as waarlangs de meetdoelen worden ingedeeld is een beleidsmatige. Op meetdoelen die voortkomen uit “zware” politieke verplichtingen, zoals de zes-jaarlijkse rapportages naar de EU in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn, wordt zwaarder gestuurd dan op meetdoelen die gebaseerd zijn op “lichte” beleidsmatige wensen. De meetdoelen in tabel 2.1 zijn langs deze lijn geordend naar hun politieke status in de volgende categorieën van afnemend gewicht:

  • Internationale rapportageverplichtingen.
  • Nationaal natuurbeleid – verantwoording naar de Tweede Kamer (door rijk en provincies).
  • Nationale graadmeters en bouwstenen voor beleidsvorming en -evaluatie.
  • Signalering op nationaal niveau – early warning system.

In de praktijk blijkt dat de gegevensinwinning voor de zwaarste categorie ook veel informatie oplevert voor de lichtere categorieën. Zo levert de gegevensinwinning ten behoeve van de Vogel- en Habitatrichtlijn ook veel gegevens op die gebruikt kunnen worden voor het vaststellen van Rode Lijsten, voor natuurgraadmeters of voor het volgen van exoten en schadesoorten. Dit komt enerzijds omdat veel beleidsthema’s overlappende soortenlijsten hebben en anderzijds omdat bij de gegevensinwinning met dezelfde methodiek vaak meerdere soorten uit een soortgroep op een meetpunt kunnen worden gevolgd en veel waarnemers dit ook graag doen. Hierdoor is het mogelijk om de gegevensinwinning efficiënt in te richten door op een beperkt aantal meetdoelen te sturen, waarbij de overige meetdoelen ook in meerdere of mindere mate bediend worden. In tabel 2.1 wordt aangegeven in welke mate sturing plaatsvindt op de meetdoelen, in drie categorieën:

  • Sterke sturing: Voor deze meetdoelen bestaat doorgaans een concrete gegevensbehoefte, met duidelijk voorgeschreven eindtermen/eenheden. De gegevensinwinning berust meestal op internationale verplichtingen.
  • Matige sturing: De gegevensbehoefte voor deze meetdoelen is concreet, maar de inwinning van de gegevens is minder bindend voorgeschreven dan bij ‘sterke sturing’.
  • Geen sturing: De gegevensbehoefte voor deze meetdoelen is vaak niet duidelijk voorgeschreven, of de gegevensbehoefte komt van gebruikers buiten het NEM. Voor deze meetdoelen vindt vanuit het NEM geen gerichte gegevensinwinning plaats, maar de informatie die voor meetdoelen met sterke of matige sturing is verkregen, kan wel worden benut.

Sturing gaat vooral over geld. Hoe hoger het sturingsniveau, hoe groter de kans is dat er geld voor het meetdoel wordt gereserveerd. Sterke sturing voor een meetdoel wil echter niet zeggen dat alles op alles wordt gezet om de gewenste gegevens te verkrijgen. Wanneer de monitoring voor een soort of soortgroep uitzonderlijk duur wordt, kan besloten worden om er van af te zien. Bij matige sturing wordt weliswaar geprobeerd de gewenste gegevens binnen te halen, maar hier wordt bij hoge kosten eerder besloten van monitoring af te zien. In een aantal gevallen verschilt het sturingsniveau tussen soortgroepen, zoals bij meetdoel 4, de populatiegrootte per Natura 2000‑gebied. Er bestaan geen harde budgettaire grenzen tussen de sturingsniveaus. De NEM-partners bepalen jaarlijks in onderling overleg hoeveel budget er beschikbaar wordt gesteld en welke meetprogramma’s daarmee worden gefinancierd.

Een overzicht van het sturingsniveau van de meetdoelen per meetprogramma staat ook in tabel 2.2.

Aanpassing van de meetdoelen

Zowel de meetdoelen als het sturingsniveau kunnen jaarlijks worden aangepast op basis van besluiten van de Stuurgroep Monitoring Natuur, bestaande uit vertegenwoordigers van de NEM-partners. Er zijn echter geen wijzigingen opgetreden met gevolgen voor het meetprogramma in 2019. Wél is eind 2019 besloten om het meetdoel voor invasieve exoten aan te passen en het sturingsniveau daarvoor van ‘geen’ op te hogen naar ‘matig’.

Het proces om te komen tot een nieuwe samenwerkingsovereenkomst NEM (SOK-NEM) en de daarmee samenhangende heroprichting van Stuurgroep Monitoring Natuur en kernteam NEM heeft wel impulsen gegeven tot heroriëntatie op de reikwijdte van het NEM en de meetdoelen. Zo heeft het NEM kernteam in 2019 de bestaande meetdoelen tegen het licht gehouden om te bezien in hoeverre deze nog actueel zijn, aangepast moeten worden (ook qua sturingsniveau) of kunnen vervallen. Ook is gekeken in hoeverre beleidsmatige ontwikkelingen aanleiding zijn voor nieuwe meetdoelen. Voor 2020 en daarna valt daarom te verwachten dat er diverse nieuwe meetdoelen zullen worden toegevoegd. Te denken valt aan:

  • Meetdoel invasieve exoten. Op grond van de EU verordening invasieve uitheemse soorten wordt monitoring van soorten op de Unielijst verplicht (besluit tot aanpassing van meetdoel is al genomen);
  • Meetdoel indicatoren Rijksbegroting. Voor het natuurdeel van de begroting LNV 2020 is niet meer uitsluitend gebruik gemaakt van de Rode Lijst Indicator, maar zijn aanvullende indicatoren gebruikt. Het lijkt daarom logisch om de gegevensvoorziening voor deze indicatoren te borgen met een hierop toegespitst meetdoel.
  • Meetdoel Sustainable Development Goals. Nederland heeft zich verbonden aan de VN-agenda voor de 17 Sustainable Development Goals 2015–2030 en heeft het CBS opdracht gegeven tot het jaarlijks samenstellen van de Monitor Brede Welvaart, waarin gerapporteerd wordt over het behalen van deze 17 SDG’s. Aangezien voor deze rapportage ook natuurinformatie nodig is (met name voor SDG 14 en 15), ligt het vaststellen van een meetdoel hiervoor voor de hand.
  • Meetdoel Biodiversiteit Insecten. De signalen van achteruitgang van insecten en de in ontwikkeling zijnde LNV visie op moitoring van insecten zal waarschijnlijk leiden tot nieuwe en/of aangepaste meetdoelen voor deze soortgroep;
  • Provinciale meetdoelen. Provincies hebben aangegeven relatief weinig van het provinciaal natuurbeleid terug te vinden in specifieke provinciale meetdoelen. Huidige ontwikkelingen waarvoor nog geen duidelijk meetdoelen geformuleerd zijn, betreffen provinciale graadmeters en de jaarlijks samen te stellen Voortgangsrapportage Natuur. Ook zijn er diverse losstaande provinciale monitoringprojecten (bijv. hamster-, das- en meervleermuismonitoring) die mogelijk via meetdoelen in het NEM verankerd kunnen worden.
  • Meetdoelen KRM en KRW. In het kader van de discussie over de reikwijdte van het NEM, wordt nagedacht over het onderbrengen van al bestaande natuurmonitoring voor de Kaderrichtlijn Water en Kaderrichtlijn Mariene Strategie in het NEM.
  • Meetdoelen voor energietransitie/klimaatmaatregelen. De maatregelen die voor de energietransitie en het behalen van de klimaatdoelstellingen worden genomen kunnen gevolgen hebben voor onder andere vogels (bij windmolenparken) of soorten in stedelijk gebied (bij na-isolatie van gebouwen). De noodzaak van het in kaart brengen van de mogelijke gevolgen daarvan kan worden vastgelegd in aanvullende meetdoelen.

2.1Meetdoelen van het Netwerk Ecologische Monitoring

Nr. Meetdoel Sturing
Internationale rapportageverplichtingen  
1 Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: landelijke trends in aantallen Sterk
  Landelijke trends in aantallen van soorten van Bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn en van alle inheemse vogelsoorten (broedvogels en overwinterende/doortrekkende watervogels).  
2 Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: verspreiding van soorten Sterk
(Trends in) de distribution (verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau) van soorten van Bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn en van alle inheemse vogelsoorten, en (trends in) het leefgebied (verspreiding op 1 x 1 km-hokniveau) van alle soorten van Bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn.  
3 Natura 2000: trends per Natura 2000-gebied Matig
Trends in aantallen van soorten in ieder Natura 2000-gebied dat voor deze soorten is aangewezen. Het gaat om soorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijn, soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn en de zogenaamde 1% soorten van de Vogelrichtlijn (trekkende watervogels).  
4 Natura 2000: populatiegrootte per Natura 2000-gebied Matig1)
  Populatiegrootte van soorten in ieder Natura 2000-gebied dat voor deze soorten is aangewezen. Dit meetdoel wordt in het NEM alleen gehanteerd voor soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn (broedvogels) en de zogenaamde 1% soorten van de Vogelrichtlijn (trekkende watervogels). Voor de meeste soorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijn zou betrouwbare schatting van de populatiegrootte per gebied een grote uitbreiding van de meetinspanning betekenen.  
5 Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: trends in gezamenlijke HR-/VR-gebieden Matig
  Trends in aantallen van soorten in de gezamenlijke Habitatrichtlijngebieden dan wel Vogelrichtlijngebieden (inclusief gebieden die niet voor de betreffende soort zijn aangewezen). Het gaat om soorten van Bijlage II van de Habitatrichtlijn, soorten van Bijlage I van de Vogelrichtlijn en de zgn. 1% soorten van de Vogelrichtlijn (trekkende watervogels). Het leveren van deze trendinformatie is nu nog optioneel, maar wordt naar verwachting in de toekomst verplicht.  
6 Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst-status van typische soorten) Matig
  Landelijke (trend in) verspreiding op uurhokniveau (5 x 5 km) van typische soorten van de habitattypen (Bijlage I). Deze gegevens zijn nodig voor het bepalen van de kwaliteit van de habitattypen, ten behoeve van de zesjaarlijkse rapportage aan de EU. Binnen de typische soorten wordt in eerste instantie gestuurd op de zogenaamde 'urgent bedreigde' soorten. Voor de typische soorten is het nodig de landelijke Rode Lijst-status te bepalen. Daarvoor is in de meeste gevallen de verspreiding op 5 x 5 km-hokniveau voldoende. De gegevensinwinning vindt echter plaats op het niveau van km-hokken.  
7 Habitatrichtlijn: aantallen en leefgebied van soorten van Bijlage V Sterk
  De sturing op de gegevensinwinning voor soorten van Bijlage V is beperkt tot de verspreiding op 10 x 10 km-hokniveau (meetdoel 2). Voor een deel van deze soorten levert de bestaande gegevensinwinning echter wel voldoende informatie op om (trends in) aantallen (meetdoel 1) en verspreiding op km-hokniveau (meetdoel 2) te bepalen.  
8 Trilateral Monitoring and Assessment Program: trends van vogels in het Waddengebied Sterk
  Trends in aantallen van zowel broedvogels als doortrekkende en overwinterende watervogels uit het TMAP-programma (overeenkomst tussen Denemarken, Duitsland en Nederland over de gegevensinwinning in het Waddengebied).  
9 Farmland Bird Index: landelijke trends van boerenlandvogels Sterk
  Landelijke trends van akker- en weidevogels. De Farmland Bird Index is een structurele indicator voor het landbouwbeleid van de EU.  
10 Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten Matig1)
  Landelijke verspreiding op uurhokniveau (5 x 5 km). Onder de Conventie van Bern moet Nederland Rode lijsten samenstellen. De soortgroepen waarvoor dit moet gebeuren, worden vastgesteld door het ministerie van LNV. Nederland kent Rode Lijsten van 18 soortgroepen, waarvan er zeven gebruikt worden voor de zogenaamde Rode Lijst indicator, een belangrijke biodiversiteitsindicator van het ministerie van LNV.  
11 Ramsar (wetlands): trends per Ramsargebied Geen
  Trends in aantallen van soorten per Ramsargebied. Voor de Wetlands- of Ramsarconventie is informatie nodig over de trends in aantallen van doortrekkende en overwinterende watervogels per Ramsargebied.  
12 Convention on Biological Diversity: landelijke trends Geen
  De CBD heeft geen voorgeschreven gegevensbehoefte. Landelijke trends in aantallen van soorten die voor andere meetdoelen worden verzameld, geven een indruk van de ontwikkeling van de biodiversiteit.  
13 OSPAR Commission: landelijke trends Sterk
  Landelijke trends van soorten ten behoeve van het Oslo/Parijs-verdrag over de bescherming van de NO-Atlantische oceaan. De deelnemende landen hebben biodiversiteitsindicatoren ontwikkeld waarover regelmatig gepubliceerd wordt in Quality Status Reports (10-jaarlijks, met tussendoor zogenaamde Intermediate Assessments). Deze indicatoren werken met voorgeschreven soortenlijsten.  
14 African Eurasian Waterbird Agreement: landelijke trends Geen
  Landelijke trends van trekkende watervogels. De AEWA-overeenkomst is afgesloten onder de conventie van Bonn. De gegevensbehoefte is niet strak voorgeschreven.  
15 Aviaire Influenza: landelijke trend en verspreiding Sterk
  Landelijke trend en verspreiding van met name trekkende watervogels. Voor Europese Richtlijn 2005/94/EC is informatie nodig over het voorkomen van vogelsoorten die een rol kunnen spelen bij de verspreiding van aviaire influenza (vogelgriep). Deze gegevens kunnen gebruikt worden om de risico's op de verspreiding van door vogels overgedragen ziektes te beoordelen.  
16 Eurobats: landelijke trends Geen
  Landelijke trends van alle vleermuizen. Eurobats is een van de dochterverdragen die is afgesloten onder de Bonn-conventie (Convention on the Conservation of Migratory Species). De gegevensbehoefte is niet strak voorgeschreven.  
     
Nationaal natuurbeleid – verantwoording naar Tweede Kamer (door rijk en provincies)  
17 Broedsucces weidevogels en waddenvogels Matig
  Ten behoeve van het weidevogelbeleid is inzicht nodig in veranderingen in het broedsucces van weidevogels. Deze kunnen helpen om aantalsveranderingen van weidevogelsoorten te verklaren en te voorspellen. Voor de Wadden gaat het om het broedsucces van broedvogels uit het TMAP-programma (overeenkomst tussen Denemarken, Duitsland en Nederland over de gegevensinwinning in het Waddengebied).  
18 Schadesoorten: landelijke trends Geen1)
  Hierbij gaat het met name om soorten die schade kunnen aanrichten aan landbouwgewassen, zoals ganzen, zwanen en enkele kraaiachtigen.  
19 Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijke trends Sterk
  Landelijke trends van soorten in gebieden met en zonder beheersmaatregelen in het kader van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer.  
     
Nationale graadmeters en bouwstenen voor beleidsvorming en -evaluatie  
20 Kwaliteit van het agrarisch gebied: landelijke trends Geen
  Landelijke trends in aantallen van broedende akker- en weidevogels ten behoeve van de evaluatie van het weidevogelbeleid; trends van ganzen en zwanen op pleisterplaatsen.  
21 Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels Geen
  Trends in aantallen per hoofdwatersysteem. Ten behoeve van de beoordeling van de kwaliteit van de hoofdwatersystemen heeft Rijkswaterstaat informatie nodig over de ontwikkeling van de aantallen broedparen van vogels en de overwinterende en doortrekkende watervogels.  
22 Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends Sterk1)
  Landelijke en regionale trends ten behoeve van de evaluatie van het milieubeleid. Het gaat met name om ontwikkelingen in de vegetatiesamenstelling in relatie tot verzuring, vermesting en verdroging, en om trends van paddenstoelen die gevoelig zijn voor verzuring en vermesting in bossen op zandgronden.  
23 Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen Geen
  Landelijke trends van warmte- en koudeminnende soorten en fenologische verschuivingen die het gevolg kunnen zijn van het warmer wordende klimaat.  
24 Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per provincie, per biotoop etc. Geen
  Voor de evaluatie van het natuurbeleid bestaat de behoefte aan gecombineerde trends van soorten die indicatief zijn voor ontwikkelingen in de biodiversiteit en de kwaliteit van de natuur, zowel op landelijk niveau als per provincie en per biotoop. Deze graadmeters worden met name gebruikt in rapporten van het PBL (o.a. bij de driejaarlijkse Evaluatie Natuurpact), in het Compendium voor de Leefomgeving en in het tweejaarlijkse Living Planet Report van het WNF.  
25 Stadsnatuur: landelijke trends Geen
  Landelijke trends van soorten in het stedelijk gebied ten behoeve van beleidsevaluaties.  
26 Invasieve exoten: landelijke trends Matig1)
  Landelijke trends van invasieve exoten. Het Team Invasieve Exoten heeft deze gegevens nodig om de ontwikkeling van exoten in de gaten te houden.  
     
Signalering op nationaal niveau – early warning system  
27 General Surveillance van ggo's: regionale trends Geen
  Regionale trends in gebieden waar in de toekomst wel en geen teelt van genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) verwacht wordt. Deze gegevens heeft het ministerie van IenW nodig voor de Europees verplichte General Surveillance van effecten van ggo’s.  

1)Sturingsniveau kan verschillen tussen meetprogramma's.

2.2 Meetdoelen per meetprogramma V i s s e n A m fi b i e ë n R e p t i e l e n S l a a p p l a a t s e n W a t er v o g e l s N e s t- k a ar t e n B r oe d v o g e l s La n d z oo g d i e r e n V l eer m ui z e n S tur i n g a l g e m e e n 1) P add e n- s t o e l e n ( K o r s t)- m o s s e n F l o r a & Mil i e u P l a n t e n W e e k d i e r e n Ke v e r s Lib e l l e n Vl i n d e r s N r Meetdoe l I n t e r nati o nal e r a p p or ta ge- 27 G G G Geen General Surveillance van ggo’s: regionale trends 20 21 22 23 24 25 26 G G G G Geen G G G Geen G S M Sterk G G G G G G G G G G G G Geen G G G G G G G G G G G G G Geen G G G G G G Geen M M M M M M M S Matig Invasieve exoten: landelijke trends 1) Stadsnatuur: landelijke trends Natuurgraadmeters: landelijke trends, trends per biotoop etc. Klimaatverandering: landelijke trends en fenologische verschuivingen Milieukwaliteit: landelijke en regionale trends 1) Kwaliteit hoofdwatersystemen: trends van vogels Kwaliteit van het agrarisch gebied: landelijke trends v e rpli c htin ge n en bouwstenen voor beleidsvorming en -evaluatie Signalering op nationaal –early warning system Nationaal natuurbeleid- verantwoording naar Tweede Kamer 17 18 19 M Matig G G G G Geen S S S S S S Sterk Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer: landelijke trends Schadesoorten: landelijke trends Broedsucces weidevogels en waddenvogels Nationale graadmeters 1 Sterk S S S S S S S S S S S S S M M M M S M M M M M M G G 2 3 4 4 4 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 Sterk S S S S S S S S S S S S Matig Geen G G M M S G G G G G M Matig S S S Sterk G Geen G G G G G G G G G G G G G G Geen S S Sterk G G G Geen M M M M M M M M G M G G Matig S Sterk S S Sterk S S S S S S Sterk M M M M M M M M M M M S Matig M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M M Matig Matig Matig Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: Landelijke trends Eurobats: Landelijke trend Aviaire Influenza: landelijke trends en verspreiding African Eurasian Waterbird Agreement: Landelijke trends OSPAR Commission: Landelijke trends Convention on Biological Diversity: landelijke trends Ramsar (wetlands): trends per Ramsargebied Rode Lijsten: Rode Lijst-status van soorten 1) Farmland Bird Index: Landelijke trends van boerenlandvogels Trilateral Monitoring and Assessment Program: trends van vogels in het waddengebied Habitatrichtlijn / Landelijke trends van soorten van Bijlage V status van typische soorten) Habitatrichtlijn: structuur & functie van habitattypen (o.a. Rode Lijst- Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: HR-/VR-gebieden Verspreiding van soorten Natura 2000: Natura 2000: Natura 2000: Natura 2000: Populatiegrootte Populatiegrootte Populatiegrootte Populatiegrootte per Natura 2000- per Natura 2000- per Natura 2000- per Natura 2000- gebied 1) gebied 1) gebied 1) gebied 1) Natura 2000: gebied Trends per Natura 2000- Habitatrichtlijn / Vogelrichtlijn: Verspreiding van soorten 1) Sturing per meetdoel, afzonderlijke meetprogramma's kunnen hier van afwijken; S=Sterk, M=Matig, G=Geen .

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Tom van der Meij (hoofdstuk 1-6, 7.2, 7.3, 7.4)

Martin Poot (hoofdstuk 7.10 en 7.11)

Leo Soldaat (hoofdstuk 7.5, 7.6 en 7.13)

Arco van Strien (hoofdstuk 7.15)

Richard Verweij (hoofdstuk 7.16 en 7.17)

Marnix de Zeeuw (hoofdstuk 7.7, 7.8, 7.9, 7.12 en 7.14)

Jelle van Zweden (hoofdstuk 7.1)

Marcel Straver (figuren, kaarten)

Deze publicatie kan worden geciteerd als:

CBS (2020). Meetprogramma’s voor flora en fauna. Kwaliteitsrapportage NEM over 2019. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag.