Aandachtspunten en aanbevelingen voor 2020
De meetprogramma’s van het Netwerk Ecologische Monitoring worden waar nodig en mogelijk aangepast aan de veranderende informatiebehoefte en aan mogelijkheden die nieuwe veldwerk- determinatie- en analysetechnieken bieden. Daarnaast wordt steeds vaker gebruik gemaakt van NEM-gegevens door partijen met een informatiebehoefte die (nog) niet onder de NEM-meetdoelen valt. In dit hoofdstuk worden de voor aansturing van het NEM relevante ontwikkelingen en knelpunten benoemd en worden aanbevelingen en mogelijke oplossingen of oplossingsrichtingen gegeven om daarop in te spelen.
Aandachtspunten voor de meetdoelen
In de meetdoelen en de mate van sturing daarop was de enige verandering in 2019 dat het meetdoel voor invasieve exoten is aangescherpt en matige sturing heeft verkregen (zie hoofdstuk 2). Vooruitlopend op deze aanpassing is in de meetprogramma’s ook meer aandacht gekomen voor monitoring van de betreffende soorten (zie hoofdstuk 3 en details in hoofdstuk 7). In 2019 hebben wel allerlei ontwikkelingen plaatsgevonden die aanleiding (kunnen) zijn voor aanpassing van de meetdoelen in 2020 en volgende jaren. Een belangrijk deel hiervan heeft geen of nauwelijks consequenties voor het NEM-programma omdat het bijvoorbeeld bredere toepassing van al bestaande NEM-resultaten betreft. Enkele andere potentiële meetdoelen kunnen wél gevolgen hebben voor het NEM meetprogramma. Deze potentiële doelen en aandachtspunten daarbij zijn:
- Biodiversiteit insecten. Afhankelijk van de beleidskeuzes hiervoor in (o.a.) de door LNV op te stellen visie op insectenmonitoring, kan dit leiden tot aanpassing van bestaande NEM-meetprogramma’s (bijvoorbeeld voor nachtvlinders), opnemen van al bestaande initiatieven van buiten het NEM (bijvoorbeeld het Deltaplan Biodiversiteit) of geheel nieuw opgezette monitoring. Vooral de tweede en derde optie vergen waarschijnlijk ook de nodige investeringen en financiering.
- Provinciale meetdoelen. De verantwoordelijkheid van de provincies voor natuurbeleid is toegenomen en krijgt ook zijn beslag in de nieuwe samenwerkingsovereenkomst NEM, kernteam NEM en Stuurgroep Monitoring Natuur. Het gevolg kan zijn dat allerlei monitoring die nu door provincies wordt uitgevoerd, maar niet onder het NEM valt, daarvan alsnog deel gaat uitmaken. Voor zover deze monitoring onder het NEM gaat vallen, dient aandacht te zijn voor 1) de kwaliteitsborging (is dat bij al deze projecten geregeld?), 2) de efficiëntie (in hoeverre zijn er verschillen tussen monitoring van dezelfde soorten in verschillende provincies en wat zijn daarvan de eventuele gevolgen?) en 3) overzicht houden over welke meetprogramma’s allemaal onder het NEM vallen en voor welk meetdoel.
- Monitoring voor de Kaderrichtlijn Water en Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRW en KRM). Het gaat hierbij vooralsnog om het onder het NEM brengen van bestaande monitoring, waarvoor dezelfde hierboven genoemde drie aandachtspunten gelden: kwaliteitsborging, efficiëntie en overzicht houden.
- Energietransitie/klimaatmaatregelen. De maatregelen die voor de energietransitie en het behalen van de klimaatdoelstellingen worden genomen kunnen gevolgen hebben voor onder andere vogels (bij windmolenparken) en soorten van het stedelijk gebied (bij na-isolatie van gebouwen). Het verdient aanbeveling om te bezien in hoeverre onderzoek naar de mogelijke effecten daarvan moet worden opgenomen in het NEM.
Aandachtspunten voor de gegevensinwinning
Voor de gegevensinwinning wordt tegenwoordig overwegend gebruik gemaakt van portals en apps. Voordeel daarvan is o.a. dat de gegevens snel ter beschikking komen, direct automatisch kunnen worden gecontroleerd en dat snelle terugkoppeling met de waarnemers mogelijk is. Portals moeten echter geprogrammeerd, getest, beveiligd en onderhouden worden. Bij verschillende meetprogramma’s zijn acties gewenst om portals aan te passen aan de gewenste gegevensleveringen, aan herziene eisen m.b.t. databeheer en privacy van de gebruikers. Kleine wijzigingen kunnen worden meegenomen in de reguliere kosten van de meetprogramma’s, maar er leven enkele wensen tot ingrijpender wijziging. Het betreft met name het portal voor de Vleermuis Transect Tellingen (vernieuwing en uitbreiding in verband met datavereisten), het portal voor zoldertellingen van vleermuizen (uitbreiding ten behoeve van meervleermuis monitoring) en het portal voor vlindertellingen (vernieuwing database). In overleg met de penvoerder van het NEM-consortium en het CBS zal moeten worden bezien in hoeverre voor deze wensen binnen het NEM-budget financiële ruimte is of dat hiervoor wellicht aanvullende financiering mogelijk is.
Voor vissen is er een probleem met de voorziening van KRW data vanuit de waterschappen en verkrijgt RAVON geen toestemming voor monitoring van de beekprik in de wateren van het Waterschap Limburg. Het is daarom aan te bevelen de waterschappen wat meer bij het NEM te betrekken, bijvoorbeeld door dit samen met vertegenwoordigers van het Informatiehuis Water met hen te bespreken.
Overige aandachtspunten
Uit de evaluatie van de VHR-rapportage over 2013–2018 is gebleken dat er voor wat betreft enkele HR-soorten nog lacunes zijn in de datavoorziening. Het betreft vleermuizen, zeezoogdieren en trekvissen. Voor zeezoogdieren en trekvissen lijkt dit op korte termijn oplosbaar, omdat wel gegevens beschikbaar zijn, maar een betere ontsluiting daarvan en beschikbaarstelling voor analyse nog nodig is. Overleg met de betrokken partijen is deels ook al van de grond gekomen.
Voor de vleermuizen zijn potentieel wel meer gegevens beschikbaar, maar zijn er desondanks ook nog lacunes. In 2019 zijn de problemen met betrekking tot vleermuisonderzoek en wenselijkheid en beschikbaarheid van data o.a. besproken in IAWM-verband, in overleg tussen CBS en de Zoogdiervereniging en tijdens een door LNV geïnitieerde workshop met verschillende vleermuizenexperts en het CBS. Enkele aanbevelingen die hieruit voortvloeien zijn dat de upload en validatie van vleermuizengegevens in de NDFF verbetering behoeft om betere doorstroming van data naar het uitvoerportal mogelijk te maken. Ook verdient het aanbeveling om een voorziening te maken voor de upload van geluidsbestanden, naar analogie van de upload bij de transecttellingen. En ook dient te worden nagegaan hoe de monitoring van de meervleermuis in Natura 2000 gebieden met een foerageerfunctie voor deze soort het beste kan worden aangepakt.
Uit de evaluatie van de HR bleek ook dat de monitoring en kwaliteitsbeoordeling van de structuur en functie van habitattypen gebrekkig is. Het lijkt er daarbij op dat sowieso met bestaande gegevens meer kan worden gedaan om dit te verbeteren. Afhankelijk van de daarbij te maken keuzes, kan ook nieuwe monitoring nodig zijn. Het verdient daarom aanbeveling om door WOT en CBS te laten onderzoeken op welke wijze dit kan worden verbeterd.