Foto omschrijving: Een jonge vrouw fiets door een villawijk met jaren-30 woningen.

Ongelijkheid in financiële welvaart

Hoe was de ontwikkeling van de ongelijkheid in inkomen en in vermogen tijdens en na de vorige economische crisis en in coronajaar 2020? Welke rol speelt de herverdeling via sociale uitkeringen, belastingen en premies in de inkomensongelijkheid? Wat zijn de regionale verschillen in inkomens- en vermogensongelijkheid? En in hoeverre verschillen huishoudens in financiële welvaart, afgemeten aan een samenvoeging van het inkomen en het vermogen?

7.1Inkomensongelijkheid

Het primaire inkomen, het inkomen dat huishoudens ontvangen uit arbeid en kapitaal, wordt door de overheid herverdeeld door de heffing van premies en belasting en de verstrekking van uitkeringen en toelagen. Doel hiervan is te komen tot een gelijkmatigere inkomensverdeling: huishoudens met weinig of geen primair inkomen, zoals ouderen die gestopt zijn met werken of werklozen, krijgen compensatie via de inkomensherverdeling. Uit het proces van inkomensverwerving en -herverdeling resulteert het besteedbaar inkomen. In hoofdstuk 2 en in Bos, Van den Brakel en Otten (2018) staat meer uitleg over de inkomenscomponenten.

In dit schema is te zien hoe inkomen uit arbeid en kapitaal van huishoudens wordt herverdeeld tot uiteindelijk het besteedbaar inkomen. 7.1.1 Samenstelling inkomens van huishoudens + 1. Inkomen als werk- nemer 2. Inkomen als zelf- 3. Inkomen uit vermogen standige 5. Uitkering inkomens- verzekeringen 6. Uitkering sociale verzekeringen 7. Ontvangen gebonden overdrachten 8. Ontvangen inkomens- overdrachten 10. Betaalde inkomens- overdrachten 14. Besteedbaar inkomen 11. Premies inkomens- verzekeringen 12. Premies ziektenkosten verzekeringen 13. Belastingen 4. Primair inkomen 9. Bruto inkomen

Primaire inkomens ongelijker dan besteedbare inkomens

Het maakt veel uit hoeveel mensen binnen een huishouden van een bepaald inkomen moeten leven. Het heeft dan ook weinig zin om inkomensongelijkheid te bepalen zonder rekening te houden met de omvang van het huishouden. Om de inkomens van huishoudens van verschillende grootte en samenstelling vergelijkbaar te maken, worden ze gestandaardiseerd (zie Bijlage A). Uit de Lorenz-curvennoot1 is in een oogopslag duidelijk dat de verschillen in het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen kleiner zijn dan in het gestandaardiseerd primair inkomen: de Lorenz curve van het primair inkomen ligt immers verder van de gelijkheidslijn af. De Gini-coëfficiënt, de meest gangbare maat voor het meten van ongelijkheid (zie kader), is gerelateerd aan de Lorenz-curve en is gelijk aan twee keer het oppervlak tussen de gelijkheidslijn en de curve. De Gini-coëfficiënt was in 2020 gelijk aan 0,56 voor het primair inkomen. Voor het bruto inkomen was dat 0,36 en voor het besteedbaar inkomen 0,30.

Meten van ongelijkheid

In deze publicatie wordt de inkomens- en vermogensongelijkheid afgemeten aan de genormaliseerde Gini-coëfficiënt. Deze maatstaf is gepubliceerd ruim een eeuw nadat Corrado Gini in 1912 zijn inmiddels alom gebruikte Gini-coëfficiënt introduceerde. De genormaliseerde Gini-coëfficiënt houdt, anders dan de traditionele Gini-coëfficiënt, rekening met (veel) negatieve waarden in een verdeling (zie Bos et al., 2018). Op een schaal van 0 tot 1 geeft de genormaliseerde Gini-coëfficiënt weer hoe groot de ongelijkheid is, waarbij 0 staat voor volkomen gelijke huishoudens (iedereen heeft evenveel) en 1 voor volkomen ongelijke (één huishouden heeft alles).

7.1.2 Lorenz-curven gestandaardiseerde inkomens, 2020* (Cumulatief inkomensaandeel (%))
Populatieaandeel (%) Gelijk inkomen Primair inkomen Bruto inkomen Besteedbaar inkomen
0 0 0 0 0
1 1 -0,14 -0,02 -0,13
2 2 -0,15 0,07 -0,03
3 3 -0,15 0,22 0,15
4 4 -0,15 0,43 0,42
5 5 -0,15 0,69 0,75
6 6 -0,15 1 1,13
7 7 -0,15 1,32 1,55
8 8 -0,15 1,67 1,99
9 9 -0,15 2,03 2,45
10 10 -0,15 2,4 2,93
11 11 -0,15 2,78 3,41
12 12 -0,15 3,16 3,91
13 13 -0,15 3,56 4,42
14 14 -0,15 3,96 4,95
15 15 -0,15 4,37 5,48
16 16 -0,14 4,79 6,02
17 17 -0,14 5,22 6,58
18 18 -0,13 5,65 7,15
19 19 -0,11 6,1 7,73
20 20 -0,07 6,55 8,32
21 21 -0,01 7,01 8,92
22 22 0,07 7,49 9,53
23 23 0,16 7,97 10,15
24 24 0,27 8,46 10,79
25 25 0,39 8,96 11,43
26 26 0,52 9,48 12,08
27 27 0,66 10 12,73
28 28 0,81 10,54 13,4
29 29 0,96 11,09 14,08
30 30 1,14 11,65 14,76
31 31 1,32 12,22 15,46
32 32 1,51 12,81 16,16
33 33 1,72 13,4 16,87
34 34 1,94 14,01 17,6
35 35 2,18 14,64 18,33
36 36 2,44 15,27 19,07
37 37 2,74 15,92 19,83
38 38 3,06 16,58 20,59
39 39 3,43 17,26 21,37
40 40 3,83 17,95 22,15
41 41 4,27 18,66 22,95
42 42 4,75 19,38 23,75
43 43 5,28 20,11 24,57
44 44 5,84 20,86 25,4
45 45 6,44 21,62 26,24
46 46 7,08 22,39 27,08
47 47 7,76 23,18 27,94
48 48 8,48 23,98 28,81
49 49 9,23 24,8 29,69
50 50 10,01 25,63 30,58
51 51 10,82 26,48 31,49
52 52 11,67 27,34 32,4
53 53 12,55 28,22 33,32
54 54 13,47 29,11 34,26
55 55 14,41 30,01 35,2
56 56 15,38 30,94 36,16
57 57 16,39 31,87 37,12
58 58 17,42 32,82 38,1
59 59 18,48 33,79 39,09
60 60 19,57 34,77 40,1
61 61 20,69 35,77 41,11
62 62 21,83 36,78 42,14
63 63 23,01 37,81 43,17
64 64 24,21 38,86 44,22
65 65 25,44 39,92 45,29
66 66 26,7 41 46,36
67 67 27,98 42,1 47,45
68 68 29,3 43,22 48,55
69 69 30,64 44,35 49,66
70 70 32,01 45,51 50,78
71 71 33,41 46,68 51,92
72 72 34,84 47,87 53,08
73 73 36,3 49,08 54,25
74 74 37,79 50,32 55,43
75 75 39,32 51,57 56,63
76 76 40,87 52,85 57,84
77 77 42,46 54,15 59,07
78 78 44,09 55,48 60,32
79 79 45,75 56,83 61,59
80 80 47,44 58,21 62,87
81 81 49,18 59,61 64,18
82 82 50,95 61,04 65,5
83 83 52,77 62,51 66,85
84 84 54,63 64 68,21
85 85 56,54 65,53 69,61
86 86 58,5 67,1 71,03
87 87 60,5 68,7 72,47
88 88 62,57 70,34 73,95
89 89 64,69 72,03 75,46
90 90 66,88 73,77 77,01
91 91 69,15 75,56 78,6
92 92 71,49 77,42 80,23
93 93 73,93 79,35 81,91
94 94 76,47 81,36 83,66
95 95 79,15 83,47 85,49
96 96 81,99 85,71 87,41
97 97 85,04 88,12 89,47
98 98 88,4 90,78 91,74
99 99 92,34 93,91 94,39
100 100 100 100 100

Net als de Lorenz-curve is de parade van reuzen en dwergen, in 1971 geïntroduceerd door de Nederlandse econoom Jan Pen, ook een sprekende manier om de inkomensverdeling in kaart te brengen. In de parade van Pen komen huishoudens op volgorde van de hoogte van hun inkomen in één uur tijd voorbij. De lengte van de huishoudensleden is evenredig gemaakt aan hun inkomen, waarbij het gemiddelde huishoudensinkomen overeen komt met de gemiddelde lengte in Nederland (1,74 meter). Zie Inkomensparade van Pen.

Ongelijkheid in primair inkomen toegenomen

De ongelijkheid in het primair inkomen liep tussen 1977 en 2020noot2 op, maar niet voortdurend. Stijging was er vooral in perioden van economische achteruitgang, zoals in de jaren 1977–1985 en 2009–2013. Vergrijzing doet de ongelijkheid in perioden van conjuncturele neergang nog verder oplopen (zie Van den Brakel en Otten, 2017). Dat werkt als volgt: in een verslechterde economie groeit de groep met een werkloosheids- of bijstandsuitkering en door vergrijzing komen er steeds meer AOW’ers. Dit heeft tot gevolg dat er steeds meer huishoudens moeten rondkomen van een gering of geen primair inkomen, waardoor de inkomensongelijkheid toeneemt. Als de economie herstelt, stabiliseert de ongelijkheid in primair inkomen of neemt iets af, doordat de groep uitkeringsontvangers weer krimpt.

7.1.3 Ongelijkheid gestandaardiseerd inkomen1) (Gini-coëfficiënt)
Primair inkomen Besteedbaar inkomen
Tot 2000 1977, Tot 2000 0,459 0,238
Tot 2000 1981, Tot 2000 0,478 0,238
Tot 2000 1985, Tot 2000 0,514 0,237
Tot 2000 1989, Tot 2000 0,517 0,251
Tot 2000 1990, Tot 2000 0,516 0,266
Tot 2000 1991, Tot 2000 0,517 0,267
Tot 2000 1992, Tot 2000 0,517 0,264
Tot 2000 1993, Tot 2000 0,522 0,263
Tot 2000 1994, Tot 2000 0,529 0,266
Tot 2000 1995, Tot 2000 0,526 0,265
Tot 2000 1996, Tot 2000 0,523 0,266
Tot 2000 1997, Tot 2000 0,521 0,261
Tot 2000 1998, Tot 2000 0,514 0,257
Tot 2000 1999, Tot 2000 0,51 0,26
2000-2010 2000, 2000-2010 0,514 0,27
2000-2010 2001, 2000-2010 0,513 0,278
2000-2010 2002, 2000-2010 0,515 0,276
2000-2010 2003, 2000-2010 0,521 0,273
2000-2010 2004, 2000-2010 0,53 0,278
2000-2010 2005, 2000-2010 0,531 0,28
2000-2010 2006, 2000-2010 0,534 0,281
2000-2010 2007, 2000-2010 0,536 0,294
2000-2010 2008, 2000-2010 0,525 0,287
2000-2010 2009, 2000-2010 0,528 0,284
2000-2010 2010, 2000-2010 0,534 0,283
Vanaf 2011 2011, Vanaf 2011 0,545 0,288
Vanaf 2011 2012, Vanaf 2011 0,549 0,288
Vanaf 2011 2013, Vanaf 2011 0,551 0,284
Vanaf 2011 2014, Vanaf 2011 0,562 0,301
Vanaf 2011 2015, Vanaf 2011 0,553 0,286
Vanaf 2011 2016, Vanaf 2011 0,552 0,288
Vanaf 2011 2017, Vanaf 2011 0,55 0,295
Vanaf 2011 2018, Vanaf 2011 0,546 0,29
Vanaf 2011 2019, Vanaf 2011 0,556 0,306
Vanaf 2011 2020*, Vanaf 2011 0,555 0,299
1)Geen gegevens beschikbaar over de jaren '78-'80, '82-'84 en '86-'88.

Ongelijkheid steeg vooral bij fiscale maatregelen

De ongelijkheid in het besteedbaar (en ook primair) inkomen liet in 2007, 2014, 2017 en 2019 een toename zien. Die pieken waren het gevolg van gunstige fiscale maatregelen voor directeuren-grootaandeelhouders in die jaren. Ook in 2001 was er een stijging in de ongelijkheid van het besteedbaar inkomen. Die had te maken met het nieuwe belastingstelsel dat in dat jaar werd ingevoerd. Afgezien van de genoemde, incidentele pieken veranderde de ongelijkheid in het besteedbaar inkomen vrijwel niet in de eerste twintig jaar van de 21e eeuw (zie ook UL/CBS, 2021).

In de jaren negentig van de vorige eeuw waren de inkomensverschillen tussen huishoudens eveneens zo goed als stabiel. In de tweede helft van de jaren tachtig trad wel een toename van de inkomensongelijkheid op. Toen stegen de lonen fors en kwamen er steeds meer tweeverdieners, terwijl tegelijkertijd het minimumloon en veel uitkeringen werden bevroren. Ook demografische ontwikkelingen als vergrijzing, immigratie en een groeiende groep alleenstaanden speelden een rol. Met de Oort-operatie in 1990, waarbij een aanzienlijke lastenverlichting voor vooral werkenden plaatsvond, deed zich de grootste stijging van de ongelijkheid voor.

Herverdelend effect AOW-uitkeringen het grootst

Door herverdeling zakte de Gini-coëfficiënt in 2020 van 0,56 (primair inkomen) naar 0,30 (besteedbaar inkomen). Dit komt neer op een reductie van de primaire-inkomensongelijkheid met 46 procent. AOW-uitkeringen en aanvullende pensioenen zorgden samen voor de grootste afname in de ongelijkheid in het primair inkomen: met respectievelijk 16 procent en ruim 12 procent.noot3 Andere sociale uitkeringen speelden een kleinere rol. Premies en belastingen bewerkstelligden een reductie van nog eens bijna 12 procent.

Het aandeel van AOW-uitkeringen en aanvullende pensioenen in de ongelijkheidsreductie liep door vergrijzing in ruim veertig jaar op, vooral tussen 1990 en 2010. Ook hebben door de gestegen arbeidsdeelname van vrouwen steeds meer mensen een aanvullend pensioen. Vooral in de eerste tien jaar van de 21e eeuw gingen pensioenuitkeringen een grotere rol spelen in de ongelijkheidsreductie (zie ook UL/CBS, 2021). Tussen 2011 en 2020 stagneerde dit, aangezien er in deze periode veel pensioenen niet of beperkt geïndexeerd werden. Bovendien werd de instroom in pensioenuitkeringen afgeremd door verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd (CBS, 2021). Belastingen droegen over de periode 1977–2020 steeds ongeveer evenveel bij aan de ongelijkheidsreductie. De herverdelende werking van sociale uitkeringen was met ruim 16 procent het grootst in crisisjaar 1985, en liep daarna terug tot 6 procent in 2020.

7.1.4 Reductie ongelijkheid primair inkomen door herverdeling (%)
AOW-uitkering Aanvullend pensioen Overige sociale uitkeringen Premie- en belastingheffing
1977 16,8 7,3 11,1 12,8
1985 15,1 9,4 16,4 13
1990 14,6 9,4 14,3 10,1
2000 14,4 11,4 9,3 12
2011 16,2 12,7 7 11,7
2020* 16,1 12,4 6 11,6

Ongelijkheid persoonlijk inkomen afgenomen

In de periode 1977–2020 is de ongelijkheid in het persoonlijk inkomen (zie hoofdstuk 3) van de totale bevolking afgenomen. De afname was het sterkst tot 1990, maar ook in de jaren negentig daalde de ongelijkheid nog relatief hard. Dat kwam doordat met name in die tijd steeds meer vrouwen betaald werk en dus een eigen inkomen hadden, waardoor de inkomensverschillen kleiner werden (zie ook Van den Brakel en Otten, 2017).

Ongelijkheid persoonlijk inkomen (Gini-coëfficiënt)
Gini-coëfficiënt
Tot 2000 1977, Tot 2000 0,672
Tot 2000 1981, Tot 2000 0,652
Tot 2000 1985, Tot 2000 0,629
Tot 2000 1989, Tot 2000 0,606
Tot 2000 1990, Tot 2000 0,597
Tot 2000 1991, Tot 2000 0,591
Tot 2000 1992, Tot 2000 0,588
Tot 2000 1993, Tot 2000 0,586
Tot 2000 1994, Tot 2000 0,585
Tot 2000 1995, Tot 2000 0,582
Tot 2000 1996, Tot 2000 0,579
Tot 2000 1997, Tot 2000 0,573
Tot 2000 1998, Tot 2000 0,569
Tot 2000 1999, Tot 2000 0,566
2000-2010 2000, 2000-2010 0,568
2000-2010 2001, 2000-2010 0,566
2000-2010 2002, 2000-2010 0,564
2000-2010 2003, 2000-2010 0,562
2000-2010 2004, 2000-2010 0,567
2000-2010 2005, 2000-2010 0,566
2000-2010 2006, 2000-2010 0,567
2000-2010 2007, 2000-2010 0,564
2000-2010 2008, 2000-2010 0,561
2000-2010 2009, 2000-2010 0,558
2000-2010 2010, 2000-2010 0,554
Vanaf 2011 2011, Vanaf 2011 0,553
Vanaf 2011 2012, Vanaf 2011 0,553
Vanaf 2011 2013, Vanaf 2011 0,555
Vanaf 2011 2014, Vanaf 2011 0,556
Vanaf 2011 2015, Vanaf 2011 0,556
Vanaf 2011 2016, Vanaf 2011 0,554
Vanaf 2011 2017, Vanaf 2011 0,555
Vanaf 2011 2018, Vanaf 2011 0,545
Vanaf 2011 2019, Vanaf 2011 0,541
Vanaf 2011 2020*, Vanaf 2011 0,536

Meeste inkomensongelijkheid in rijke gemeenten

In gemeenten met een gemiddeld hoog gestandaardiseerd besteedbaar inkomen, zoals Blaricum, Wassenaar en Laren (CBS StatLine, 2021a), ligt de inkomensongelijkheid met een Gini-coëfficiënt van 0,50 of meer ver boven de landelijke van 0,29. Niet alleen in rijke gemeenten, maar ook in studentensteden, inclusief de vier grote steden, lopen de inkomens vaak bovenmatig uiteen. Daar is relatief veel verschil tussen het doorgaans geringe inkomen van studentenhuishoudens en dat van andere inwoners.

In gemeenten met relatief veel ouderen met overwegend lage inkomens liggen de inkomens doorgaans juist dicht bij elkaar. Zo hebben vergrijsde gemeenten in de regio Parkstad Limburg, zoals Landgraaf, Brunssum en Kerkrade, een naar verhouding kleine ongelijkheid. Ook in gemeenten in het noorden van Nederland (zoals Pekela, Veendam en Stadskanaal) is de ongelijkheid om die reden beperkt.

7.1.5 Ongelijkheid (Gini-coëfficiënt) inkomen, 2020*
Gini-coëfficiënt
Groningen 0,37
Almere 0,26
Stadskanaal 0,24
Veendam 0,23
Zeewolde 0,28
Achtkarspelen 0,23
Ameland 0,26
Harlingen 0,27
Heerenveen 0,28
Leeuwarden 0,29
Ooststellingwerf 0,24
Opsterland 0,26
Schiermonnikoog 0,28
Smallingerland 0,25
Terschelling 0,36
Vlieland 0,36
Weststellingwerf 0,24
Assen 0,24
Coevorden 0,25
Emmen 0,25
Hoogeveen 0,23
Meppel 0,25
Almelo 0,26
Borne 0,26
Dalfsen 0,25
Deventer 0,27
Enschede 0,32
Haaksbergen 0,25
Hardenberg 0,24
Hellendoorn 0,24
Hengelo 0,26
Kampen 0,24
Losser 0,26
Noordoostpolder 0,26
Oldenzaal 0,27
Ommen 0,27
Raalte 0,24
Staphorst 0,26
Tubbergen 0,26
Urk 0,26
Wierden 0,27
Zwolle 0,28
Aalten 0,23
Apeldoorn 0,27
Arnhem 0,3
Barneveld 0,28
Beuningen 0,26
Brummen 0,28
Buren 0,3
Culemborg 0,25
Doesburg 0,25
Doetinchem 0,26
Druten 0,25
Duiven 0,25
Ede 0,28
Elburg 0,24
Epe 0,29
Ermelo 0,3
Harderwijk 0,26
Hattem 0,29
Heerde 0,26
Heumen 0,27
Lochem 0,3
Maasdriel 0,3
Nijkerk 0,29
Nijmegen 0,34
Oldebroek 0,25
Putten 0,29
Renkum 0,31
Rheden 0,28
Rozendaal 0,44
Scherpenzeel 0,25
Tiel 0,26
Voorst 0,28
Wageningen 0,42
Westervoort 0,23
Winterswijk 0,3
Wijchen 0,26
Zaltbommel 0,28
Zevenaar 0,24
Zutphen 0,25
Nunspeet 0,27
Dronten 0,26
Amersfoort 0,28
Baarn 0,33
De Bilt 0,36
Bunnik 0,28
Bunschoten 0,26
Eemnes 0,29
Houten 0,26
Leusden 0,28
Lopik 0,27
Montfoort 0,29
Renswoude 0,28
Rhenen 0,3
Soest 0,29
Utrecht 0,34
Veenendaal 0,26
Woudenberg 0,27
Wijk bij Duurstede 0,25
IJsselstein 0,29
Zeist 0,38
Nieuwegein 0,24
Aalsmeer 0,33
Alkmaar 0,26
Amstelveen 0,37
Amsterdam 0,38
Beemster 0,29
Bergen (NH.) 0,39
Beverwijk 0,25
Blaricum 0,53
Bloemendaal 0,47
Castricum 0,28
Diemen 0,33
Edam-Volendam 0,28
Enkhuizen 0,3
Haarlem 0,3
Haarlemmermeer 0,29
Heemskerk 0,24
Heemstede 0,36
Heerhugowaard 0,23
Heiloo 0,29
Den Helder 0,23
Hilversum 0,32
Hoorn 0,26
Huizen 0,32
Landsmeer 0,31
Langedijk 0,26
Laren 0,5
Medemblik 0,27
Oostzaan 0,27
Opmeer 0,28
Ouder-Amstel 0,36
Purmerend 0,24
Schagen 0,27
Texel 0,27
Uitgeest 0,24
Uithoorn 0,27
Velsen 0,26
Weesp 0,3
Zandvoort 0,35
Zaanstad 0,25
Alblasserdam 0,25
Alphen aan den Rijn 0,27
Barendrecht 0,27
Drechterland 0,29
Brielle 0,27
Capelle aan den IJssel 0,28
Delft 0,4
Dordrecht 0,27
Gorinchem 0,28
Gouda 0,26
's-Gravenhage 0,34
Hardinxveld-Giessendam 0,27
Hellevoetsluis 0,25
Hendrik-Ido-Ambacht 0,28
Stede Broec 0,24
Hillegom 0,26
Katwijk 0,26
Krimpen aan den IJssel 0,28
Leiden 0,37
Leiderdorp 0,27
Lisse 0,28
Maassluis 0,25
Nieuwkoop 0,3
Noordwijk 0,35
Oegstgeest 0,33
Oudewater 0,33
Papendrecht 0,26
Ridderkerk 0,25
Rotterdam 0,33
Rijswijk 0,28
Schiedam 0,27
Sliedrecht 0,25
Albrandswaard 0,29
Westvoorne 0,38
Vlaardingen 0,26
Voorschoten 0,3
Waddinxveen 0,25
Wassenaar 0,51
Woerden 0,3
Zoetermeer 0,25
Zoeterwoude 0,27
Zwijndrecht 0,28
Borsele 0,25
Goes 0,27
West Maas en Waal 0,26
Hulst 0,26
Kapelle 0,24
Middelburg 0,27
Reimerswaal 0,27
Terneuzen 0,25
Tholen 0,25
Veere 0,27
Vlissingen 0,25
De Ronde Venen 0,37
Tytsjerksteradiel 0,23
Asten 0,28
Baarle-Nassau 0,29
Bergen op Zoom 0,26
Best 0,28
Boekel 0,25
Boxmeer 0,26
Boxtel 0,33
Breda 0,32
Deurne 0,26
Pekela 0,22
Dongen 0,25
Eersel 0,34
Eindhoven 0,32
Etten-Leur 0,26
Geertruidenberg 0,26
Gilze en Rijen 0,25
Goirle 0,26
Grave 0,24
Helmond 0,28
's-Hertogenbosch 0,3
Heusden 0,27
Hilvarenbeek 0,27
Loon op Zand 0,26
Mill en Sint Hubert 0,26
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 0,28
Oirschot 0,29
Oisterwijk 0,34
Oosterhout 0,27
Oss 0,27
Rucphen 0,26
Sint-Michielsgestel 0,28
Someren 0,3
Son en Breugel 0,28
Steenbergen 0,27
Waterland 0,3
Tilburg 0,3
Uden 0,27
Valkenswaard 0,27
Veldhoven 0,27
Vught 0,37
Waalre 0,36
Waalwijk 0,26
Woensdrecht 0,26
Zundert 0,27
Wormerland 0,28
Landgraaf 0,24
Beek 0,25
Beesel 0,24
Bergen (L.) 0,25
Brunssum 0,24
Gennep 0,25
Heerlen 0,25
Kerkrade 0,24
Maastricht 0,36
Meerssen 0,28
Mook en Middelaar 0,28
Nederweert 0,29
Roermond 0,27
Simpelveld 0,23
Stein 0,23
Vaals 0,29
Venlo 0,26
Venray 0,26
Voerendaal 0,26
Weert 0,27
Valkenburg aan de Geul 0,27
Lelystad 0,26
Horst aan de Maas 0,25
Oude IJsselstreek 0,25
Teylingen 0,31
Utrechtse Heuvelrug 0,34
Oost Gelre 0,25
Koggenland 0,27
Lansingerland 0,3
Leudal 0,24
Maasgouw 0,26
Gemert-Bakel 0,26
Halderberge 0,26
Heeze-Leende 0,29
Laarbeek 0,26
Reusel-De Mierden 0,24
Roerdalen 0,26
Roosendaal 0,26
Schouwen-Duiveland 0,29
Aa en Hunze 0,26
Borger-Odoorn 0,25
Cuijk 0,28
Landerd 0,27
De Wolden 0,26
Noord-Beveland 0,26
Wijdemeren 0,35
Noordenveld 0,26
Twenterand 0,24
Westerveld 0,27
Sint Anthonis 0,3
Lingewaard 0,25
Cranendonck 0,25
Steenwijkerland 0,25
Moerdijk 0,26
Echt-Susteren 0,24
Sluis 0,27
Drimmelen 0,26
Bernheze 0,28
Alphen-Chaam 0,3
Bergeijk 0,28
Bladel 0,27
Gulpen-Wittem 0,26
Tynaarlo 0,27
Midden-Drenthe 0,24
Overbetuwe 0,26
Hof van Twente 0,28
Neder-Betuwe 0,28
Rijssen-Holten 0,32
Geldrop-Mierlo 0,27
Olst-Wijhe 0,24
Dinkelland 0,25
Westland 0,3
Midden-Delfland 0,32
Berkelland 0,24
Bronckhorst 0,29
Sittard-Geleen 0,26
Kaag en Braassem 0,29
Dantumadiel 0,23
Zuidplas 0,3
Peel en Maas 0,24
Oldambt 0,24
Zwartewaterland 0,27
S�dwest-Frysl�n 0,26
Bodegraven-Reeuwijk 0,3
Eijsden-Margraten 0,25
Stichtse Vecht 0,33
Hollands Kroon 0,26
Leidschendam-Voorburg 0,31
Goeree-Overflakkee 0,27
Pijnacker-Nootdorp 0,28
Nissewaard 0,24
Krimpenerwaard 0,29
De Fryske Marren 0,26
Gooise Meren 0,39
Berg en Dal 0,28
Meierijstad 0,27
Waadhoeke 0,23
Westerwolde 0,23
Midden-Groningen 0,25
Beekdaelen 0,25
Montferland 0,25
Altena 0,27
West Betuwe 0,29
Vijfheerenlanden 0,27
Hoeksche Waard 0,28
Het Hogeland 0,24
Westerkwartier 0,24
Noardeast-Frysl�n 0,23
Molenlanden 0,31
Eemsdelta 0,24

Inkomensverschillen in Nederland ondergemiddeld

Nederland neemt de elfde plaats in bij de rangorde van EU-lidstaten op inkomensongelijkheid van laag naar hoog.noot4 In Slowakije is de minste ongelijkheid, gevolgd door Slovenië en Tsjechië. In deze Oost-Europese lidstaten gaat een verhoudingsgewijs laag gemiddeld inkomen samen met weinig inkomensverschillen. In andere Oost-Europese landen is het inkomen eveneens gering, maar is de ongelijkheid juist groot. Bulgarije spant daarbij de kroon. Ook Zuid-Europese lidstaten, zoals Griekenland, Portugal, Spanje en Italië, zijn minder welvarend terwijl de inkomensverschillen groot zijn. Wel is de inkomensongelijkheid in onder meer Griekenland en Portugal gedaald, terwijl die in Spanje sinds 1995 niet veranderde. In de Scandinavische lidstaten was juist sprake van een stijging (UL/CBS, 2021). Deze noordelijke landen behoren echter nog steeds tot de top-10 van lidstaten met minste ongelijkheid. Er wordt verhoudingsgewijs veel inkomen herverdeeld, waardoor de reductie van de primaire-ongelijkheid groot is.

7.1.6 Gestandaardiseerd inkomen1) en inkomensongelijkheid in EU-lidstaten, 20202)
Inkomensongelijkheid, Gini-coefficiënt Gemiddeld inkomen
Slowakije 0,209 10,4
Slovenië 0,235 18,2
Tsjechië 0,242 15,8
België 0,254 24
Finland 0,265 22,8
Zweden 0,269 21,7
Oostenrijk 0,27 25,9
Polen 0,272 14,8
Denemarken 0,273 24,4
Hongarije 0,28 10,9
Nederland 0,282 25,1
Kroatië 0,283 12,1
Ierland 0,287 22,5
Frankrijk 0,293 21,9
Cyprus 0,293 21,3
Malta 0,303 22
Estland 0,305 16,1
EU-27 0,308 19,8
Luxemburg 0,312 33,1
Portugal 0,312 14,5
Griekenland 0,314 11,6
Spanje 0,321 18,8
Italië³⁾ 0,328 19,5
Roemenië 0,338 8,8
Duitsland 0,344 25,6
Letland 0,345 13,4
Litouwen 0,351 15,3
Bulgarije 0,4 11,1
Bron: Eurostat
1) Gestandaardeerd besteedbaar inkomen, gecorrigeerd voor verschillen in koopkracht tussen EU-landen (PPP).
2) De uitkomsten voor Nederland verschillen met andere uitkomsten in deze publicatie vanwege bron-, populatie- en definitieverschillen (zie Bos et al., 2018).
3) De cijfers over Italië betreffen 2019.

7.2Vermogensongelijkheid

Vermogen scheef verdeeld

In 2020 bedroeg het gemiddeld vermogen van een Nederlands huishouden 231,9 duizend euro. Bij een volkomen gelijke verdeling zou iedereen over dit vermogen beschikken. Slechts weinig huishoudens zullen zich echter herkennen in dit bedrag. Er is een grote groep die beduidend minder heeft, terwijl de meest vermogende één procent huishoudens 26 keer zo veel heeft.

Begin 2020 had de rijkste 10 procent huishoudens 1 117 miljard euro aan vermogen (inclusief eigen woning) in handen. Dat komt overeen met 61 procent van het totale vermogen. De 90 procent overige huishoudens moesten het doen met de rest oftewel 713 miljard euro. Een aanzienlijk deel van deze huishoudens heeft bovendien een negatief vermogen. De 10 procent huishoudens met de laagste vermogens hebben samen meer schulden dan bezittingen.

7.2.1 Bezittingen en schulden naar vermogensgroepen, 1 januari 2020* (mld euro)
Eigen woning Aanmerkelijk belang Overig bezittingen Hypotheekschuld Overige schuld
1e 49,6 1,3 11,3 -73,8 -29,5
2e 6,2 0,0 1,3 -6,3 -1,9
3e 7,2 0,0 3,3 -7,1 -1,0
4e 32,4 0,2 12,0 -30,6 -2,4
5e 100,7 0,4 22,0 -85,5 -3,9
6e 171,1 0,9 29,6 -123,3 -5,1
7e 210,3 1,8 39,0 -117,5 -5,9
8e 242,0 3,3 53,6 -94,1 -6,9
9e 294,9 8,6 94,3 -79,7 -10,7
10e 434,5 379,9 484,2 -105,6 -75,5

Wanneer de eigen woning buiten beschouwing blijft, is het vermogen nog schever verdeeld. Begin 2020 was 82 procent van het vermogen exclusief het saldo van de eigen woning en hypotheekschuld in handen van de 10 procent rijkste huishoudens. Aanmerkelijk belang speelt hierbij een grote rol. Dat is zeer sterk vertegenwoordigd in de hogere vermogensgroepen. In 2020 hadden de 10 procent meest vermogende huishoudens 96 procent van het totale aanmerkelijk belang (397 miljard euro) in handen.

Ook uit de Lorenz-curven is in een oogopslag duidelijk dat de verschillen in het vermogen inclusief eigen woning kleiner zijn dan in het vermogen exclusief eigen woning: de Lorenz curve van het vermogen exclusief eigen woning ligt immers verder van de gelijkheidslijn af.

7.2.2 Lorenz-curven vermogen, 1 januari 2020* (Cumulatief vermogensaandeel (%))
Populatieaandeel (%) Gelijk vermogen Vermogen Vermogen exclusief eigen woning
0 0 0 0
1 1 -1,2 -1,2
2 2 -1,5 -1,6
3 3 -1,7 -1,9
4 4 -1,9 -2,1
5 5 -2 -2,3
6 6 -2,1 -2,4
7 7 -2,1 -2,5
8 8 -2,2 -2,6
9 9 -2,2 -2,7
10 10 -2,2 -2,8
11 11 -2,3 -2,8
12 12 -2,3 -2,8
13 13 -2,3 -2,9
14 14 -2,3 -2,9
15 15 -2,3 -2,9
16 16 -2,3 -2,9
17 17 -2,3 -2,9
18 18 -2,3 -2,9
19 19 -2,3 -2,9
20 20 -2,3 -2,9
21 21 -2,3 -2,9
22 22 -2,3 -2,9
23 23 -2,3 -2,9
24 24 -2,3 -2,9
25 25 -2,2 -2,9
26 26 -2,2 -2,8
27 27 -2,2 -2,8
28 28 -2,2 -2,8
29 29 -2,2 -2,8
30 30 -2,1 -2,8
31 31 -2,1 -2,8
32 32 -2,1 -2,7
33 33 -2 -2,7
34 34 -2 -2,7
35 35 -1,9 -2,6
36 36 -1,9 -2,6
37 37 -1,8 -2,6
38 38 -1,7 -2,5
39 39 -1,6 -2,5
40 40 -1,5 -2,4
41 41 -1,4 -2,3
42 42 -1,3 -2,3
43 43 -1,1 -2,2
44 44 -1 -2,1
45 45 -0,8 -2
46 46 -0,6 -1,9
47 47 -0,4 -1,8
48 48 -0,2 -1,7
49 49 0,1 -1,6
50 50 0,3 -1,5
51 51 0,6 -1,4
52 52 0,9 -1,2
53 53 1,3 -1,1
54 54 1,6 -0,9
55 55 2 -0,8
56 56 2,4 -0,6
57 57 2,9 -0,4
58 58 3,3 -0,2
59 59 3,8 0
60 60 4,3 0,2
61 61 4,9 0,4
62 62 5,5 0,6
63 63 6,1 0,9
64 64 6,7 1,1
65 65 7,4 1,4
66 66 8,1 1,7
67 67 8,9 2
68 68 9,6 2,3
69 69 10,5 2,6
70 70 11,3 3
71 71 12,2 3,4
72 72 13,1 3,8
73 73 14,1 4,2
74 74 15,1 4,6
75 75 16,2 5,1
76 76 17,3 5,6
77 77 18,4 6,1
78 78 19,6 6,6
79 79 20,8 7,2
80 80 22,1 7,9
81 81 23,5 8,6
82 82 24,9 9,3
83 83 26,4 10,1
84 84 27,9 10,9
85 85 29,5 11,9
86 86 31,2 12,9
87 87 33 14
88 88 34,8 15,2
89 89 36,8 16,6
90 90 38,9 18,1
91 91 41,2 19,8
92 92 43,6 21,7
93 93 46,3 23,9
94 94 49,1 26,5
95 95 52,4 29,6
96 96 56 33,4
97 97 60,4 38,3
98 98 65,9 45,1
99 99 73,7 56
100 100 100 100

Net als voor de inkomensverdeling (zie paragraaf 7.1) kan de parade van Pen ook opgesteld worden voor de vermogensverdeling. In een stoet van één uur trekken eerst de onvermogende dwergen en uiteindelijk de steenrijke reuzen voorbij die de vermogensverdeling weerspiegelen. Zie Vermogensparade van Pen.

Dalende vermogensongelijkheid bij stijgende huizenprijzen

Volgens de Gini-coëfficiënt bedroeg de ongelijkheid van vermogen 0,76 in 2020. Daarmee is de vermogensongelijkheid in Nederland aanmerkelijk hoger dan de inkomensongelijkheid (0,30).

In de periode 2011–2014 is de vermogensongelijkheid tussen huishoudens toegenomen. Dit hing sterk samen met de daling van de huizenprijzen tijdens de toenmalige economische crisis. Het merendeel van de huishoudens (bijna 6 op de 10) heeft een eigen woning en daarmee is hun vermogen gevoelig voor de ontwikkeling van huizenprijzen. In de toenmalige crisisjaren had een deel van de huizenbezitters een negatief vermogen, doordat hun hypotheekschuld hoger was dan de woningwaarde. Daarmee bevonden deze huishoudens zich aan de onderkant van de vermogensladder. Aangezien het eigen huis voor de minder vermogende huizenbezitters het belangrijkste vermogensbestanddeel is (zie figuur 7.2.1), trof de huizencrisis hun vermogen relatief harder dan de rijkeren, die vaak ook over andere vermogensbestanddelen beschikken. Dat is vooral aanmerkelijk belang. Doordat de huizenprijzen vanaf 2015 opliepen, nam de vermogensongelijkheid vanaf dat jaar weer af.

Blijft de eigen woning buiten beschouwing in het vermogen, dan zijn de verschillen tussen huishoudens vrijwel stabiel gebleven in de periode 2011–2020. Wel is de vermogensongelijkheid exclusief eigen woning zoals gezegd groter dan als de eigen woning meetelt.

7.2.3 Ongelijkheid vermogen (Gini-coëfficiënt)
Periode Vermogen Vermogen exclusief eigen woning
'11 0,777 0,859
'12 0,791 0,863
'13 0,818 0,874
'14 0,818 0,875
'15 0,814 0,872
'16 0,808 0,872
'17 0,8 0,873
'18 0,789 0,874
'19 0,774 0,874
'20* 0,761 0,87

Vermogensaandeel top afgenomen

Tegelijk met de dalende vermogensongelijkheid na 2015 nam ook het vermogensaandeel van de rijkste huishoudens af. De 10 procent meeste vermogende huishoudens hadden op 1 januari 2020 61 procent van het totale vermogen (1 830 miljard euro) in handen. Vijf jaar eerder was dat nog 70 procent. Bij de top 1 procent nam het vermogensaandeel in de periode 2015–2020 af van 32 naar 26 procent.

De huishoudens in de onderste helft van de verdeling hadden in totaal 6,1 miljard euro aan vermogen begin 2020. De bovenste helft bezat 1 824 miljard euro, en had hiermee bijna 300 keer zoveel vermogen als de onderste helft. Tot 2020 was het totale vermogen van de onderste helft huishoudens negatief: zij hadden meer schulden dan bezittingen. In 2013 en 2014 lag hun totale vermogen op een dieptepunt van –70 miljard euro. Begin 2020 kwam het voor het eerst in tien jaar weer boven de nul uit.

7.2.4 Vermogensaandeel huishoudens (% in totaal vermogen)
Periode Top 10% huishoudens Top 1% huishoudens
'11 62,4 25,6
'12 65,2 27,2
'13 71 31,8
'14 70,9 31,9
'15 69,8 31,8
'16 68,4 30,8
'17 66,9 30,4
'18 65,1 29,3
'19 62,9 27,8
'20* 61 26,3

Pensioenvermogen verlaagt vermogensongelijkheid

Pensioenvermogen dat is opgebouwd via pensioenfondsen telt normaal gesproken niet mee in het vermogen van huishoudens, omdat het niet vrijelijk beschikbaar en overdraagbaar is. Wordt dit pensioenvermogen wel meegeteld, dan blijkt het 40 procent van het totale vermogen van huishoudens te zijn. Het meetellen van pensioenvermogens vermindert de vermogensongelijkheid.

Zonder de pensioenvermogens hebben de 10 procent meest vermogende huishoudens in 2020 61 procent van het totale vermogen. Mét de pensioenvermogens hebben ze nog 48 procent. Het betekent tegelijkertijd dat de 90 procent minst vermogende huishoudens 13 procent meer van het totale vermogen te verdelen krijgen als de pensioenvermogens meetellen. Bij de 1 procent meest vermogende huishoudens waren de aandelen in 2020 respectievelijk 26 procent (zonder pensioen) en 17 procent (met pensioen).

In 2020 was de Gini-coëfficiënt van het vermogen exclusief pensioenvermogen 0,76. Na toerekening van de pensioenvermogens valt de Gini-coëfficiënt 0,10 lager. Veel huishoudens met weinig of geen vermogen, hebben wel vermogen als het pensioenvermogen meetelt. Bij de meer vermogende huishoudens wordt het totale vermogen uiteraard ook hoger als pensioen meetelt, maar het relatieve verschil tussen huishoudens aan de onderkant en de bovenkant van de vermogensverdeling vermindert.

Hoge vermogensongelijkheid in grote steden

In grote steden is de vermogensongelijkheid hoger dan landelijk (Gini-coëfficiënt 0,76). Zo is de Gini-coëfficiënt in Amsterdam en Rotterdam gelijk aan 0,86, en die in Den Haag 0,82. In grote steden wonen relatief veel jongeren en uitkeringsontvangers met een vermogen dat een stuk lager is dan dat van de andere inwoners (CBS StatLine, 2021b).

In gemeenten die door een relatief hoog doorsnee vermogen worden gekenmerkt, is de vermogensongelijkheid betrekkelijk laag. In gemeenten waarin naar verhouding veel ouderen wonen die gedurende hun leven een vermogen hebben kunnen opbouwen, liggen de vermogens doorgaans dichter bij elkaar. Dit zijn meestal kleine gemeenten, zoals Alphen-Chaam en Oirschot in Noord-Brabant. De waarde van de Gini-coëfficiënt is in deze gemeenten lager dan 0,65.

7.2.5 Ongelijkheid (Gini-coëfficiënt) vermogen, 1 januari 2020*
Gini-coëfficiënt
Groningen 0,83
Almere 0,72
Stadskanaal 0,75
Veendam 0,77
Zeewolde 0,78
Achtkarspelen 0,68
Ameland 0,65
Harlingen 0,79
Heerenveen 0,74
Leeuwarden 0,79
Ooststellingwerf 0,69
Opsterland 0,68
Schiermonnikoog 0,72
Smallingerland 0,74
Terschelling 0,7
Vlieland 0,88
Weststellingwerf 0,71
Assen 0,74
Coevorden 0,71
Emmen 0,75
Hoogeveen 0,72
Meppel 0,73
Almelo 0,79
Borne 0,68
Dalfsen 0,63
Deventer 0,75
Enschede 0,81
Haaksbergen 0,69
Hardenberg 0,71
Hellendoorn 0,68
Hengelo 0,75
Kampen 0,73
Losser 0,71
Noordoostpolder 0,78
Oldenzaal 0,73
Ommen 0,71
Raalte 0,66
Staphorst 0,63
Tubbergen 0,65
Urk 0,69
Wierden 0,71
Zwolle 0,76
Aalten 0,7
Apeldoorn 0,75
Arnhem 0,82
Barneveld 0,7
Beuningen 0,7
Brummen 0,72
Buren 0,69
Culemborg 0,7
Doesburg 0,76
Doetinchem 0,75
Druten 0,7
Duiven 0,72
Ede 0,73
Elburg 0,67
Epe 0,71
Ermelo 0,75
Harderwijk 0,72
Hattem 0,7
Heerde 0,64
Heumen 0,64
Lochem 0,7
Maasdriel 0,74
Nijkerk 0,7
Nijmegen 0,81
Oldebroek 0,64
Putten 0,68
Renkum 0,73
Rheden 0,78
Rozendaal 0,68
Scherpenzeel 0,66
Tiel 0,77
Voorst 0,67
Wageningen 0,81
Westervoort 0,72
Winterswijk 0,73
Wijchen 0,69
Zaltbommel 0,71
Zevenaar 0,72
Zutphen 0,73
Nunspeet 0,7
Dronten 0,77
Amersfoort 0,72
Baarn 0,73
De Bilt 0,74
Bunnik 0,6
Bunschoten 0,7
Eemnes 0,65
Houten 0,64
Leusden 0,67
Lopik 0,67
Montfoort 0,71
Renswoude 0,69
Rhenen 0,73
Soest 0,7
Utrecht 0,79
Veenendaal 0,73
Woudenberg 0,66
Wijk bij Duurstede 0,69
IJsselstein 0,7
Zeist 0,8
Nieuwegein 0,69
Aalsmeer 0,73
Alkmaar 0,71
Amstelveen 0,77
Amsterdam 0,86
Beemster 0,66
Bergen (NH.) 0,71
Beverwijk 0,74
Blaricum 0,83
Bloemendaal 0,73
Castricum 0,63
Diemen 0,75
Edam-Volendam 0,6
Enkhuizen 0,72
Haarlem 0,73
Haarlemmermeer 0,69
Heemskerk 0,67
Heemstede 0,65
Heerhugowaard 0,66
Heiloo 0,65
Den Helder 0,78
Hilversum 0,75
Hoorn 0,74
Huizen 0,77
Landsmeer 0,67
Langedijk 0,67
Laren 0,76
Medemblik 0,69
Oostzaan 0,66
Opmeer 0,65
Ouder-Amstel 0,73
Purmerend 0,67
Schagen 0,7
Texel 0,68
Uitgeest 0,61
Uithoorn 0,69
Velsen 0,71
Weesp 0,71
Zandvoort 0,77
Zaanstad 0,72
Alblasserdam 0,74
Alphen aan den Rijn 0,72
Barendrecht 0,69
Drechterland 0,68
Brielle 0,72
Capelle aan den IJssel 0,79
Delft 0,82
Dordrecht 0,76
Gorinchem 0,8
Gouda 0,73
's-Gravenhage 0,82
Hardinxveld-Giessendam 0,74
Hellevoetsluis 0,72
Hendrik-Ido-Ambacht 0,69
Stede Broec 0,68
Hillegom 0,69
Katwijk 0,68
Krimpen aan den IJssel 0,75
Leiden 0,79
Leiderdorp 0,67
Lisse 0,7
Maassluis 0,74
Nieuwkoop 0,72
Noordwijk 0,77
Oegstgeest 0,68
Oudewater 0,74
Papendrecht 0,72
Ridderkerk 0,76
Rotterdam 0,86
Rijswijk 0,74
Schiedam 0,79
Sliedrecht 0,73
Albrandswaard 0,72
Westvoorne 0,76
Vlaardingen 0,77
Voorschoten 0,71
Waddinxveen 0,71
Wassenaar 0,81
Woerden 0,72
Zoetermeer 0,72
Zoeterwoude 0,62
Zwijndrecht 0,79
Borsele 0,72
Goes 0,74
West Maas en Waal 0,68
Hulst 0,66
Kapelle 0,66
Middelburg 0,74
Reimerswaal 0,76
Terneuzen 0,71
Tholen 0,72
Veere 0,64
Vlissingen 0,77
De Ronde Venen 0,73
Tytsjerksteradiel 0,66
Asten 0,68
Baarle-Nassau 0,67
Bergen op Zoom 0,73
Best 0,67
Boekel 0,64
Boxmeer 0,69
Boxtel 0,7
Breda 0,76
Deurne 0,68
Pekela 0,77
Dongen 0,67
Eersel 0,72
Eindhoven 0,79
Etten-Leur 0,69
Geertruidenberg 0,73
Gilze en Rijen 0,68
Goirle 0,68
Grave 0,69
Helmond 0,78
's-Hertogenbosch 0,75
Heusden 0,69
Hilvarenbeek 0,6
Loon op Zand 0,72
Mill en Sint Hubert 0,64
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 0,63
Oirschot 0,61
Oisterwijk 0,74
Oosterhout 0,75
Oss 0,73
Rucphen 0,67
Sint-Michielsgestel 0,64
Someren 0,68
Son en Breugel 0,68
Steenbergen 0,77
Waterland 0,68
Tilburg 0,78
Uden 0,71
Valkenswaard 0,72
Veldhoven 0,66
Vught 0,74
Waalre 0,76
Waalwijk 0,74
Woensdrecht 0,68
Zundert 0,64
Wormerland 0,7
Landgraaf 0,7
Beek 0,65
Beesel 0,68
Bergen (L.) 0,66
Brunssum 0,72
Gennep 0,69
Heerlen 0,81
Kerkrade 0,74
Maastricht 0,81
Meerssen 0,66
Mook en Middelaar 0,76
Nederweert 0,65
Roermond 0,75
Simpelveld 0,68
Stein 0,61
Vaals 0,73
Venlo 0,75
Venray 0,72
Voerendaal 0,64
Weert 0,69
Valkenburg aan de Geul 0,7
Lelystad 0,76
Horst aan de Maas 0,66
Oude IJsselstreek 0,73
Teylingen 0,75
Utrechtse Heuvelrug 0,72
Oost Gelre 0,68
Koggenland 0,64
Lansingerland 0,69
Leudal 0,65
Maasgouw 0,63
Gemert-Bakel 0,69
Halderberge 0,68
Heeze-Leende 0,62
Laarbeek 0,69
Reusel-De Mierden 0,73
Roerdalen 0,66
Roosendaal 0,72
Schouwen-Duiveland 0,73
Aa en Hunze 0,67
Borger-Odoorn 0,73
Cuijk 0,71
Landerd 0,65
De Wolden 0,64
Noord-Beveland 0,72
Wijdemeren 0,72
Noordenveld 0,66
Twenterand 0,71
Westerveld 0,66
Sint Anthonis 0,64
Lingewaard 0,66
Cranendonck 0,65
Steenwijkerland 0,72
Moerdijk 0,72
Echt-Susteren 0,65
Sluis 0,71
Drimmelen 0,67
Bernheze 0,66
Alphen-Chaam 0,63
Bergeijk 0,62
Bladel 0,64
Gulpen-Wittem 0,65
Tynaarlo 0,65
Midden-Drenthe 0,69
Overbetuwe 0,69
Hof van Twente 0,72
Neder-Betuwe 0,74
Rijssen-Holten 0,78
Geldrop-Mierlo 0,7
Olst-Wijhe 0,69
Dinkelland 0,66
Westland 0,73
Midden-Delfland 0,69
Berkelland 0,66
Bronckhorst 0,72
Sittard-Geleen 0,73
Kaag en Braassem 0,71
Dantumadiel 0,69
Zuidplas 0,74
Peel en Maas 0,68
Oldambt 0,78
Zwartewaterland 0,79
S�dwest-Frysl�n 0,73
Bodegraven-Reeuwijk 0,73
Eijsden-Margraten 0,62
Stichtse Vecht 0,75
Hollands Kroon 0,74
Leidschendam-Voorburg 0,75
Goeree-Overflakkee 0,73
Pijnacker-Nootdorp 0,66
Nissewaard 0,73
Krimpenerwaard 0,73
De Fryske Marren 0,7
Gooise Meren 0,75
Berg en Dal 0,72
Meierijstad 0,7
Waadhoeke 0,73
Westerwolde 0,72
Midden-Groningen 0,75
Beekdaelen 0,66
Montferland 0,72
Altena 0,7
West Betuwe 0,69
Vijfheerenlanden 0,72
Hoeksche Waard 0,72
Het Hogeland 0,74
Westerkwartier 0,68
Noardeast-Frysl�n 0,72
Molenlanden 0,75
Eemsdelta 0,77

7.3Welvaartsongelijkheid

Om de financiële welvaart van huishoudens in kaart te brengen, worden meestal cijfers over de inkomens- en vermogensverdeling naast elkaar gepresenteerd. Het CBS heeft daarnaast een maat voor financiële welvaart die de inkomens- en vermogenspositie van een huishouden weergeeft met één indicator. De welvaartsmaat gaat uit van de relatieve inkomens- en vermogenspositie.

Wat zegt de welvaartsmaat?

De welvaartsmaat bevat informatie over zowel het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen als het vermogen van huishoudens. De rangschikkingen van huishoudens naar hoogte van het inkomen en van het vermogen zijn hierbij het uitgangspunt. De welvaart van een huishouden is vastgesteld als de som van het cumulatieve aandeel in het totale inkomen van alle huishoudens en het cumulatieve aandeel in het totale vermogen (zie Van den Brakel en Gidding, 2019). Op grond van de optelling zijn huishoudens opnieuw geordend over de welvaartsladder. Het resultaat hiervan is dat huishoudens in de laagste welvaartsgroep een laag inkomen én een laag vermogen hebben, zoals ontvangers van een uitkering. Naarmate het inkomen of vermogen hoger is, wordt een huishouden in een hogere groep ingedeeld. Huishoudens in de hoogste welvaartsgroep hebben een hoog inkomen én een hoog vermogen. Dit zijn overwegend werkenden en pensioenontvangers. Met de welvaartsmaat wordt een realistischer beeld van de welvaartsverdeling gepresenteerd dan wanneer alleen inkomen of vermogen in beschouwing wordt genomen. Zo worden de lage welvaartsgroepen niet vertekend door vermogende zelfstandigen met een incidenteel verlies, en de hoge welvaartsgroepen niet door hoge inkomens met een huis onder water.

7.3.1 Voornaamste inkomensbron kwintielgroepen, 2020* (% huishoudens)
Inkomen als werknemer Inkomen als zelfstandige Pensioenuitkering Andere uitkering
Totaal , Totaal 53,2 9 27,5 10,3
Inkomen 1e, Inkomen 28,1 6,1 26,7 39,1
Inkomen 2e, Inkomen 42,2 4,4 46 7,3
Inkomen 3e, Inkomen 60,6 6,6 29,7 3,1
Inkomen 4e, Inkomen 68,6 9 21 1,4
Inkomen 5e, Inkomen 66,5 18,9 14 0,6
Vermogen 1e, Vermogen 59,6 5,7 9,1 25,6
Vermogen 2e, Vermogen 47,1 4,4 32,1 16,3
Vermogen 3e, Vermogen 67,2 7,6 21 4,1
Vermogen 4e, Vermogen 55,5 9,1 32,2 3,3
Vermogen 5e, Vermogen 36,6 18,2 43 2,2
Welvaart 1e, Welvaart 30,4 4,9 25,4 39,3
Welvaart 2e, Welvaart 53,4 4,7 35,3 6,6
Welvaart 3e, Welvaart 63,7 6,4 26,9 3
Welvaart 4e, Welvaart 65,1 8,5 24,7 1,7
Welvaart 5e, Welvaart 53,5 20,5 25,2 0,9

Welvaart ongelijker verdeeld dan inkomen, maar gelijker dan vermogen

De welvaartsverdeling is gelijker dan de vermogensverdeling, maar schever dan de inkomensverdeling. De Lorenzcurve van inkomen ligt immers het dichtst bij die van de gelijke verdeling, en die van vermogen het verst daar vandaan. In 2020 was de ongelijkheid volgens de genormaliseerde Gini-coëfficiënt van de inkomens-, vermogens- en welvaartsverdeling respectievelijk 0,30, 0,76 en 0,45. Dit bevestigt nogmaals de tussenpositie van de welvaartsverdeling. Anders dan de vermogensverschillen, maar analoog aan de inkomensverschillen zijn de welvaartsverschillen sinds 2011 nauwelijks veranderd.

7.3.2 Lorenzcurven, 2020* (Cumulatief inkomen/vermogen/welvaart (%))
% huishoudens Gelijke verdeling Inkomen Vermogen Welvaart
0 0 0 0 0
1 1 -0,08 -1,21 -0,01
2 2 0,01 -1,53 0
3 3 0,2 -1,73 0
4 4 0,47 -1,88 0,02
5 5 0,81 -1,99 0,04
6 6 1,19 -2,07 0,07
7 7 1,6 -2,13 0,12
8 8 2,03 -2,18 0,17
9 9 2,49 -2,22 0,24
10 10 2,95 -2,24 0,31
11 11 3,43 -2,26 0,4
12 12 3,91 -2,27 0,5
13 13 4,41 -2,28 0,61
14 14 4,92 -2,28 0,73
15 15 5,44 -2,28 0,87
16 16 5,98 -2,28 1,02
17 17 6,52 -2,28 1,18
18 18 7,08 -2,28 1,36
19 19 7,64 -2,28 1,56
20 20 8,22 -2,27 1,77
21 21 8,81 -2,27 1,99
22 22 9,41 -2,26 2,23
23 23 10,02 -2,26 2,48
24 24 10,64 -2,25 2,75
25 25 11,27 -2,24 3,04
26 26 11,91 -2,22 3,34
27 27 12,55 -2,21 3,66
28 28 13,21 -2,19 3,99
29 29 13,87 -2,17 4,35
30 30 14,54 -2,14 4,73
31 31 15,23 -2,11 5,13
32 32 15,92 -2,08 5,54
33 33 16,62 -2,04 5,99
34 34 17,33 -1,99 6,45
35 35 18,05 -1,93 6,94
36 36 18,78 -1,87 7,45
37 37 19,52 -1,79 7,99
38 38 20,28 -1,71 8,55
39 39 21,04 -1,62 9,13
40 40 21,81 -1,52 9,74
41 41 22,6 -1,4 10,37
42 42 23,39 -1,28 11,02
43 43 24,19 -1,14 11,7
44 44 25,01 -0,98 12,4
45 45 25,83 -0,81 13,12
46 46 26,67 -0,62 13,86
47 47 27,52 -0,41 14,63
48 48 28,37 -0,18 15,43
49 49 29,24 0,06 16,25
50 50 30,12 0,33 17,09
51 51 31,01 0,62 17,95
52 52 31,91 0,93 18,84
53 53 32,81 1,27 19,75
54 54 33,73 1,63 20,69
55 55 34,67 2,01 21,65
56 56 35,61 2,42 22,64
57 57 36,56 2,86 23,65
58 58 37,52 3,32 24,68
59 59 38,5 3,81 25,74
60 60 39,48 4,33 26,83
61 61 40,48 4,88 27,94
62 62 41,49 5,47 29,08
63 63 42,51 6,08 30,24
64 64 43,54 6,72 31,43
65 65 44,59 7,4 32,65
66 66 45,64 8,11 33,89
67 67 46,71 8,86 35,16
68 68 47,79 9,64 36,46
69 69 48,89 10,46 37,79
70 70 49,99 11,31 39,14
71 71 51,11 12,2 40,52
72 72 52,25 13,13 41,93
73 73 53,4 14,1 43,37
74 74 54,56 15,12 44,84
75 75 55,73 16,17 46,34
76 76 56,93 17,27 47,87
77 77 58,13 18,41 49,43
78 78 59,36 19,6 51,03
79 79 60,6 20,84 52,66
80 80 61,86 22,13 54,32
81 81 63,14 23,48 56,01
82 82 64,44 24,89 57,75
83 83 65,76 26,35 59,52
84 84 67,1 27,89 61,33
85 85 68,46 29,5 63,18
86 86 69,85 31,19 65,07
87 87 71,27 32,97 67,01
88 88 72,71 34,84 69
89 89 74,19 36,83 71,05
90 90 75,71 38,94 73,15
91 91 77,26 41,19 75,32
92 92 78,85 43,62 77,56
93 93 80,5 46,25 79,89
94 94 82,21 49,14 82,31
95 95 84 52,36 84,84
96 96 85,89 56,04 87,48
97 97 87,91 60,39 90,27
98 98 90,15 65,85 93,22
99 99 92,83 73,7 96,41
100 100 100 100 100

7.4Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Bos, W., M. van den Brakel en F. Otten (2018). Meten van inkomen en inkomensongelijkheid. Statistische Trends, juni.

Brakel, M. van den en K. Gidding (2019). Hoe is de financiële welvaart verdeeld? Statistische Trends, december.

Brakel, M. van den en F. Otten (2017). Door crisis en vergrijzing stijgt ongelijkheid in primair inkomen. ESB, jaargang 102 (4756), pp. 579–582.

Caminada, C.L.J., K.P. Goudswaard en J. Been (2017). De ontwikkeling van inkomensongelijkheid en inkomensherverdeling in Nederland 1990–2014. Rapport. Universiteit Leiden.

CBS (2021). Meer werknemers met pensioen gegaan in 2020. CBS-nieuwsbericht, 13 april 2021.

CBS StatLine (2021a). Inkomen van huishoudens; huishoudenskenmerken, regio (indeling 2021).

CBS StatLine (2021b). Vermogen van huishoudens; huishoudenskenmerken, regio (indeling 2021).

UL/CBS (2021). Inkomen verdeeld, trends 1977–2021. UnivLeiden/CBS.

Noten

In een Lorenzcurve is het cumulatieve aandeel van het inkomen afgezet tegen het cumulatieve aandeel van oplopend gerangschikte huishoudens. Voor elk percentage huishoudens geeft de curve aan welk percentage van het totale inkomen zij bezitten.

De trend in inkomensongelijkheid is bepaald met de reeks herziene inkomensgegevens (zie paragraaf 2.2).

Het herverdelingseffect is bepaald volgens de decompositiemethode zoals toegepast door Caminada, Goudswaard en Been (2017).

In de jaren ervoor was de ongelijkheid lager en stond Nederland hoger op de ranglijst. De verschuiving heeft te maken met de inkomensgegevens van 2019 die ten grondslag liggen aan het Europese onderzoek van 2020. In 2019 was er door incidentele, fiscale maatregelen immers sprake van een piek in de ongelijkheid, zie figuur 7.1.3.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Judit Arends-Tóth

Koos Arts

Marion van den Brakel

Mitchell Dost

Kai Gidding

Bart Huynen

Koen Link

Reinder Lok

Jasper Menger

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Nadine Wesselius

Eindredactie

Marion van den Brakel

Ferdy Otten