Foto omschrijving: In de oude fabriekshal stort een arbeider beton in een vorm om prefab elementen voor woningbouw te maken.

Inkomen van werkenden

Er komen steeds meer zelfstandigen, vooral zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) zijn al enige jaren in opmars. Maar hoe ging dat in coronajaar 2020? Hoe hoog was het inkomen van zzp’ers en zelfstandigen met personeel (zmp’ers) toen vergeleken met dat van werknemers? Zijn er meer werknemers en zelfstandigen, ondanks hun inkomen uit werk, onder de armoedegrens terecht gekomen? En wat was het vermogen van werkenden? In het hoofdstuk is behalve voor de hele groep zelfstandigen ook speciale aandacht voor directeuren-grootaandeelhouders.

6.1Werknemers en zelfstandigen

Meeste werkenden zijn werknemers

Werknemers zijn veruit de grootste groep werkenden (zie kader). Van de ruim 7,9 miljoen mensen van 15 tot 75 jaar met vooral inkomen uit werk was voor 84 procent in 2020 loon als werknemer de voornaamste inkomensbron. Voor ruim 12 procent waren dat vooral inkomsten als zelfstandige zonder personeel en voor bijna 4 procent als zelfstandige met personeel.

6.1.1 Samenstelling werkenden, 2020*
Aandeel
Zzp'ers 12,2
Zmp'ers 3,7
Werknemers 84,1

In totaal waren er bijna 1,3 miljoen zelfstandigen in 2020: 968 duizend zzp’ers en 293 duizend zmp’ers. Onder alle zelfstandigen waren er bijna 222 duizend directeuren-grootaandeelhouders, van wie de meesten (58 procent) geen personeel in dienst hadden.

Werkenden

Onder werkenden worden in deze publicatie werknemers, zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) en zelfstandigen met personeel (zmp’ers) van 15 tot 75 jaar verstaan. Of iemand tot een van deze drie categorieën behoort, wordt bepaald door de voornaamste inkomensbron gedurende het jaar. Dit betekent dat iemand die bijvoorbeeld vooral inkomen uit loon heeft en dus als werknemer wordt beschouwd, daarnaast in een jaar ook andere inkomensbronnen kan hebben, zoals een arbeidsongeschiktheidsuitkering of winst als zelfstandig ondernemer.

 

Een zelfstandige is een persoon die arbeid verricht voor eigen rekening of risico:

  • In een eigen bedrijf of praktijk (zelfstandig ondernemer).
  • Als directeur-grootaandeelhouder (dga). Voor dga’s geldt weliswaar dat zij net als werknemers loon ontvangen, maar wel van het eigen bedrijf. Daarmee zijn de positie en verantwoordelijkheden in het bedrijf vergelijkbaar met die van andere zelfstandigen.
  • In het bedrijf of de praktijk van een gezinslid (meewerkend gezinslid).
  • Als overige zelfstandige (personen met inkomen uit overige arbeid, freelancers en alfahulpen).

 

De zelfstandigen worden verder onderverdeeld in zelfstandigen zonder personeel, zelfstandigen met personeel en meewerkende gezinsleden.

  • Een zelfstandige zonder personeel is hetzij een zelfstandige ondernemer zonder personeel, hetzij een directeur-grootaandeelhouder zonder personeel, of een overige zelfstandige. De overige zelfstandigen hebben in principe geen bedrijf en hebben daarmee niemand in dienst.
  • Een zelfstandige met personeel is een zelfstandig ondernemer met personeel of een dga met personeel.
  • Meewerkende gezinsleden vormen een aparte categorie binnen de zelfstandigen. Het zijn personen die arbeid verrichten, niet op basis van een expliciete arbeidsovereenkomst, in het bedrijf of de praktijk van de partner of de ouders. Meewerkende gezinsleden worden in deze publicatie niet meegenomen. Het gaat om een kleine groep van 22 duizend personen, voornamelijk vrouwelijke partners (CBS StatLine, 2021a).
Dit schema laat zien hoe de populatie werkenden is onderverdeeld in werknemers en zelfstandigen met en zonder personeel. Schema W erkenden W erkneme r s Z elfstandigen Zzp'e r s Zmp'e r s W e r k e n d e n

De voorlopige inkomensgegevens van zelfstandigen zijn voor ruim een derde deel gebaseerd op waarnemingen en voor krap twee derde deel op bijschattingen. Daardoor zijn de (op het moment van samenstellen van deze publicatie) nieuwste, voorlopige 2020‑cijfers van zelfstandigen minder zuiver dan de definitieve cijfers voor 2019.

Relatief veel zzp’ers in de bouw en de zakelijke dienstverlening

De grootste groep zzp’ers was in 2020 werkzaam in de specialistische zakelijke dienstensector, op de voet gevolgd door de bouwnijverheid. Ook in de twee qua omvang grootste sectoren, de gezondheids- en welzijnszorg en de handel, werkten verhoudingsgewijs veel zzp’ers. De handel was ook de sector waar de meeste zmp’ers opereerden, gevolgd door de horeca. Bij waterbedrijven en afvalbeheer, de kleinste sector, waren nauwelijks zelfstandigen te vinden. Ook in de verhuur en handel van onroerend goed werkten overwegend werknemers.

6.1.2 Werkenden per bedrijfstak, 2020* (x 1 000)
Zzp'ers Zmp'ers Werknemers
Gezondheids- en welzijnszorg 103 26,9 1232,8
Handel 86,6 72,8 937,2
Industrie 30,8 17 689,2
Verhuur en overige zakelijke diensten 43,2 15 645,4
Specialistische zakelijke diensten 172,6 27,4 430
Onderwijs 43,7 3,9 484,6
Bouwnijverheid 147,6 24 300,6
Vervoer en opslag 26 10,2 331,3
Informatie en communicatie 42,8 6,7 258,8
Financiële dienstverlening 51,4 7,5 197,4
Horeca 19 36,6 192,1
Overige dienstverlening 58,6 13,4 108,7
Landbouw, bosbouw en visserij 59,3 21,2 62,5
Cultuur, sport en recreatie 45,4 5,2 86
Verhuur en handel van onroerend goed 9,4 3,9 56
Waterbedrijven en afvalbeheer 0,7 0,3 34,6

Groei werknemers en zzp’ers stagneert in 2020

In de vorige economische crisis, en ook daarna, groeide het aantal zelfstandigen zonder personeel vrijwel voortdurend. Hun aantal liep op van 767 duizend in 2011 naar bijna 970 duizend in 2019 en in 2020 bleef dat zo. De stagnatie in 2020 komt voor rekening van het dalende aantal overige zelfstandigen (CBS StatLine, 2021b) die, anders dan zelfstandig ondernemers, tijdens de coronacrisis geen recht hadden op financiële steun van de overheid. De ontwikkeling van het aantal zzp’ers verschilt dan ook met die van zelfrapportages vanuit de Enquête beroepsbevolking (CBS StatLine, 2021c).

Het aantal werknemers en het aantal zmp’ers ontwikkelden zich in de periode 2011–2018 min of meer hetzelfde. Na een daling gedurende de vorige economische crisis, zaten de aantallen weer in de lift. In 2019 liep het aantal zmp’ers echter terug, in 2020 bleef het stabiel. Het aantal werknemers groeide in 2019 en 2020 wel door, maar in 2020 was dat minder sterk. In dat eerste coronajaar raakten vooral werknemers met een flexibel contract hun baan kwijt (CBS StatLine, 2021c).

6.1.3 Ontwikkeling van de aantallen werkenden (2011=100)
Zzp'ers Zmp'ers Werknemers
'11 100 100 100
'12 102,8 97,4 99,2
'13 105,7 95,1 97,7
'14 109,8 94,8 96,9
'15 113,7 94,9 97,6
'16 116 98,5 98,6
'17 120,1 98,3 100,3
'18 121,2 100,2 102,9
'19 126,4 97,6 105
20* 126,2 97,4 105,5

Sterke terugloop in horeca en in cultuursector

Tijdens de coronapandemie werden de horeca en de cultuur, sport en recreatie sterk getroffen door lock-downs (zie bijvoorbeeld CBS, 2020) en liepen de aantallen zelfstandigen en werknemers relatief het meest terug van 2019 op 2020. In de horeca nam het aantal werknemers met bijna 9 procent af, en het aantal zzp’ers met bijna 5 procent. In de cultuur, sport en recreatie was de daling onder zzp’ers met 8 procent twee keer zo groot als onder werknemers en zmp’ers. In de sector vervoer en opslag slonk eveneens vooral het aantal zzp’ers.

In de qua omvang vierde sector verhuur en zakelijke dienstverlening (zie ook figuur 6.1.2) liep het aantal werknemers sterk terug, terwijl het aantal zzp’ers er toenam. Het aantal zzp’ers groeide ook in de bouwsector. Bij werknemers was de grootste toename van 2019 op 2020 in de sector informatie en communicatie.

6.1.4 Aantal werkenden per bedrijfstak1), 2020* (%-verandering t.o.v. 2019)
Zzp'ers Zmp'ers Werknemers
Gezondheids- en welzijnszorg -0,6 -1 3
Handel -1 0,1 1,5
Industrie 0,6 -2 -0,1
Verhuur en overige zakelijke diensten 4,4 -0,4 -5,9
Specialistische zakelijke diensten -0,8 -0,3 0,6
Onderwijs -0,1 -0,4 2
Bouwnijverheid 5 3,1 2,4
Vervoer en opslag -5,6 -1,2 -1,5
Informatie en communicatie 1,5 1,1 4,5
Financiële dienstverlening 0,9 0,5 3,4
Horeca -4,6 -1,2 -8,5
Overige dienstverlening -1,3 -0,2 -0,2
Landbouw, bosbouw en visserij -0,3 -0,9 2,5
Cultuur, sport en recreatie -8 -4,1 -4,3
Verhuur en handel van onroerend goed 4,6 3,1 1,3
Waterbedrijven en afvalbeheer -1,4 -9,2 1,7
1) De bedrijfstakken zijn hier aflopend naar omvang gerangschikt.

6.2Inkomen(sontwikkeling) van werknemers en zelfstandigen

Zelfstandigen met personeel hebben hoogste inkomen

In 2020 bedroeg het mediane persoonlijk inkomen (zie hoofdstuk 3) van werkenden 37,8 duizend euro. Zelfstandigen met personeel hadden met 51,2 duizend euro het hoogste doorsnee-inkomen. Op de tweede plek stonden de werknemers met 38,0 duizend euro. De zzp’ers sloten de ranglijst met een mediaan inkomen van 31,7 duizend euro. Een werkende kan naast inkomen uit werk ook ander inkomen hebben, bijvoorbeeld uit een AOW- of arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ook kunnen zelfstandigen tevens inkomen als werknemer hebben, of andersom. Deze inkomsten zijn hier bij het inkomen meegerekend. Daarnaast konden zelfstandig ondernemers tijdens de coronacrisis financiële overheidssteun krijgen (zie kader), die meetelt in het inkomen van 2020.

Tijdelijke coronasteunmaatregelen

In maart 2020 werden diverse steunmaatregelen ingevoerd door de overheid, waaronder de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Zelfstandig ondernemers konden uit deze regeling een bedrag krijgen om hun inkomen aan te vullen tot het sociaal minimum. Andere steunmaatregelen voor zelfstandig ondernemers waren de TVL (Tegemoetkoming Vaste Lasten) en de TOGS (Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19).

Inkomen zelfstandigen schever verdeeld dan bij werknemers

De verdeling van het persoonlijk inkomen van beide groepen zelfstandigen is duidelijk schever dan die van het inkomen van werknemers. Vrijwel geen werknemer had in 2020 een negatief inkomen, terwijl 32 duizend zelfstandigen een negatief inkomen hadden. Dit zijn zelfstandigen die verlies hebben geleden, onder wie er iets meer zzp’ers dan zmp’ers waren. Van elke 100 zmp’ers hadden er ruim 2 een inkomen van minimaal 2 ton, tegen minder dan 1 zzp’er en 1 werknemer.

Bij de inkomensverdeling van zzp’ers ligt het zwaartepunt meer op de onderkant dan bij de verdeling van werknemers en zmp’ers. Dat komt doordat een deel van de zzp’ers aan de onderkant bestaat uit, voornamelijk vrouwelijke, partners van de hoofdkostwinner in het gezin (zie StatLine). Voor de meesten is dit geringe zzp-inkomen weliswaar het hoofdinkomen, voor het huishouden waar men deel van uitmaakt is het een bijverdienste.

De kleine piek rond 44 duizend euro bij zmp’ers weerspiegelt het grote aandeel directeuren-grootaandeelhouders in deze groep die het wettelijk verplichte gebruikelijke loon aan zichzelf uitbetalen. Deze piek is eveneens te zien bij de zzp’ers.

6.2.1 Verdeling persoonlijk inkomen1), 2020* (Aantal werkenden (x 1 000))
Persoonlijk inkomen (1 000 euro) Zzp'ers Zmp'ers Werknemers
-20 0,3 0,1 0
-18 0,3 0,2 0
-16 0,4 0,2 0
-14 0,6 0,2 0
-12 0,8 0,3 0
-10 1 0,3 0
-8 1,7 0,3 0,1
-6 2,6 0,4 0,1
-4 4,7 0,5 0,1
-2 11,1 0,7 0,4
0 31,4 1,5 45,3
2 27,7 2,5 43,2
4 29,8 2,1 48,7
6 31,4 3,9 61,3
8 31,6 3,4 73,4
10 32,6 3,8 90,7
12 31,8 4,2 130,7
14 32,6 4,7 174,8
16 30,6 5,1 204,6
18 29,9 5,6 226,8
20 28,4 6 248,8
22 27,5 6,3 270,4
24 26,8 6,5 280,2
26 25,7 7 274,6
28 25,7 7,2 271,9
30 24,2 7,4 272,1
32 23,2 7,4 278,4
34 23 7,7 273,7
36 21,1 7,2 265,8
38 20,4 7,5 253,2
40 19,7 7,6 238,4
42 18,8 7,8 218,9
44 21,2 10,1 200,7
46 17,4 8 186,3
48 16,1 7,5 164
50 14,8 7,1 149,7
52 13,6 6,8 140,3
54 13 6,6 122,6
56 12 6,2 110
58 12 6,5 107,8
60 10,5 6,1 92
62 10 5,7 82,7
64 9,8 6 76,1
66 9 5,2 70,6
68 8,7 5,3 61,6
70 8,1 5 53,5
72 7,5 4,6 49,8
74 7,1 4,5 46,9
76 6,8 4,2 41,5
78 6,2 3,9 36
80 5,9 3,7 33,2
82 5,7 3,6 30,4
84 5,1 3,2 26,5
86 4,8 3,1 23,8
88 4,6 2,8 21,8
90 4,3 2,8 20,7
92 3,9 2,6 18,1
94 3,9 2,4 16,4
96 3,5 2,2 15,2
98 3,4 2,1 14,2
100 3,1 1,9 12,5
102 3 1,9 11,5
104 2,8 1,7 10,7
106 2,6 1,7 10
108 2,4 1,5 9,5
110 2,4 1,4 8,6
112 2,3 1,4 7,7
114 2 1,4 7,2
116 2 1,2 7
118 2,1 1,2 6,2
120 1,7 1,1 5,9
122 1,7 1 5,5
124 1,7 1 5,3
126 1,5 0,9 4,8
128 1,5 0,9 4,5
130 1,4 0,8 4,2
132 1,3 0,8 4
134 1,3 0,8 3,9
136 1,2 0,7 3,6
138 1,1 0,7 3,5
140 1,1 0,7 3,3
142 1 0,6 3
144 1 0,6 2,8
146 0,9 0,5 2,9
148 0,9 0,6 2,7
150 0,7 0,5 2,6
152 0,7 0,5 2,3
154 0,7 0,5 2,2
156 0,6 0,5 2,2
158 0,6 0,5 2,1
160 0,6 0,4 2,1
162 0,5 0,4 1,9
164 0,6 0,4 1,9
166 0,5 0,4 1,9
168 0,5 0,3 1,7
170 0,4 0,3 1,6
172 0,4 0,3 1,5
174 0,4 0,3 1,4
176 0,4 0,3 1,4
178 0,4 0,3 1,5
180 0,3 0,2 1,3
182 0,3 0,3 1,3
184 0,3 0,3 1,2
186 0,3 0,2 1,1
188 0,3 0,2 1
190 0,3 0,2 1,1
192 0,2 0,2 1
194 0,3 0,2 1
196 0,2 0,2 0,9
198 0,2 0,2 0,9
1) Aantal werkenden per inkomensklasse met een breedte van 2 duizend euro.

Helft dga’s heeft inkomen tussen 50 en 100 duizend euro

Het inkomen van de bijna 222 duizend directeuren-grootaandeelhouders bedroeg in doorsnee 63,7 duizend euro in 2020. De meeste dga’s hadden een inkomen tussen 50 en 100 duizend euro. Ook een inkomen tussen 40 en 50 duizend euro kwam relatief vaak voor, evenals een inkomen tussen 100 en 200 duizend euro. Ruim 1 op de 100 dga’s had een inkomen van twee ton of meer.

6.2.2 Dga's naar klassen persoonlijk inkomen, 2020*
Aandeel
Minder dan 20 000 euro 5,5
20 000 tot 40 000 euro 12,4
40 000 tot 50 000 euro 14,6
50 000 tot 100 000 euro 51,1
100 000 tot 200 000 euro 15,2
200 000 euro of meer 1,3

Inkomen zelfstandigen loopt terug in 2020

Het doorsnee persoonlijk inkomen van werknemers is, na correctie voor de prijsontwikkeling (zie Bijlage B), opvallend stabiel gebleven gedurende 2011–2019, een periode die in het begin werd bepaald door recessie. In coronajaar 2020 was sprake van een toename, die toe te schrijven is aan de relatief grote koopkrachtverbetering voor werknemers (zie hoofdstuk 4). Zelfstandigen ondervonden wel hinder van de vorige economische crisis, vooral de zmp’ers, met 2013 als dieptepunt. Ook in 2020 viel het inkomen van zelfstandigen terug. Tijdens lock-downs konden zelfstandigen hun inkomen niet altijd op peil houden. Zo gaf ruim de helft van de zelfstandig ondernemers zonder personeel aan dat de vraag naar hun producten en diensten was afgenomen tijdens de coronacrisis (CBS, 2021). Coronasteun kon de gemiste inkomsten niet helemaal compenseren.

6.2.3 Mediaan persoonlijk inkomen (1 000 euro (prijspeil 2020))
Zzp'ers Zmp'ers Werknemers
'11 29,3 48,4 37,5
'12 27,7 46,9 36,9
'13 26,5 45,9 36,7
'14 27,1 47,6 36,7
'15 27,7 49,2 36,9
'16 29,2 51,7 37,2
'17 30,5 52,7 37,2
'18 31,9 53,5 37,2
'19 33 53,5 37,1
20* 31,7 51,2 38

Steeds minder zelfstandigen verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid

In tegenstelling tot werknemers zijn zelfstandigen zelf verantwoordelijk voor verzekering tegen arbeidsongeschiktheid en voor pensioenopbouw (via lijfrente). Het aandeel zelfstandigen met een arbeidsongeschiktheidsverzekering (aov) is echter laag en is de afgelopen jaren steeds verder afgenomen. In 2020 verzekerde 17,6 procent van alle zzp’ers zich tegen arbeidsongeschiktheid. In 2011 betaalde nog ruim 23 procent van de zzp’ers premie voor een aov. Zmp’ers verzekeren zich vaker tegen arbeidsongeschiktheid: in 2020 bijna 30 procent. Ook dit aandeel is gedaald.

Met name jongeren verzekeren zich minder tegen arbeidsongeschiktheid. In 2020 betaalde 6 procent van de zzp’ers tot 25 jaar een premie aov, tegen 18 procent in 2011. In de groep zzp’ers van 25 tot 45 jaar is dit aandeel gedaald van 28 procent naar 19 procent. De groep zzp’ers van 45 tot 65 jaar was in 2020 vrijwel even vaak verzekerd als in 2011; in beide jaren was dat ongeveer een vijfde van hen.

In bijna alle sectoren is het aandeel zzp’ers met een aov in de periode 2011–2020 gedaald. De daling was het grootst in de bouw en in de bedrijfstak cultuur, recreatie en overige diensten. Het aandeel verzekerden in de bouw is bijna gehalveerd: van 43 procent in 2011 naar 23 procent in 2020. Zzp’ers in de financiële dienstverlening hadden in 2020 even vaak een aov als in de jaren ervoor (30 procent).

Behalve de verzekering tegen arbeidsongeschiktheid, sparen zelfstandigen ook minder voor hun pensioen. In 2020 betaalde 9,4 procent van de zzp’ers een premie voor een lijfrenteverzekering, tegen 14,6 procent van de zmp’ers. In 2011 was dit nog 13,3 procent versus 20,6 procent. Een belangrijk deel van de pensioenvoorziening van zelfstandigen zit mogelijk in het ondernemingsvermogen. Als de eigen onderneming wordt verkocht, kan via een lijfrente eenmalig een groot bedrag worden ingelegd voor het pensioen.

Zelfstandigen met premie aov en lijfrente (%)
Premie aov zzp Premie aov zmp Premie lijfrente zzp Premie lijfrente zmp
'11 23,3 35,5 13,3 20,6
'12 22,8 35,3 12,5 19,6
'13 21,7 34,6 11,6 18,5
'14 20,3 33,4 10,7 17,5
'15 19,5 32,6 10,1 17
'16 18,9 31,8 9,6 16,3
'17 18,3 31,1 9,4 15,8
'18 17,8 30,2 9,5 15,5
'19 17,6 29,6 9,3 15,1
'20* 17,6 29,5 9,4 14,6

6.3Inkomen van groepen werknemers en zelfstandigen

Inkomen piekt bij doorwerkende AOW-gerechtigden

Het doorsnee persoonlijk inkomen van werkenden kent naar leeftijd een specifiek verloop. De piek ligt bij diegenen die net de AOW-gerechtigde leeftijd (66 jaar en 4 maanden in 2020) hebben bereikt. Zij ontvangen naast inkomen uit werk ook AOW en pensioen. Het gaat echter om een kleine groep; het aantal werkenden neemt af richting de AOW-gerechtigde leeftijd, vooral bij werknemers. Van de zelfstandigen werkt een relatief groot aandeel door (CBS, 2021a).

Als de pensioenpiek buiten beschouwing blijft, dan geldt dat werknemers rond hun 40ste levensjaar veelal hun maximale inkomen hebben bereikt. Tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd blijft dit inkomen nagenoeg gelijk. Bij zelfstandigen is dat anders. Ook bij hen loopt het doorsnee-inkomen op tot rond de 40 jaar, daarna blijft het enkele jaren op hetzelfde niveau om vervolgens weer te dalen. Bij zzp’ers is deze daling aanzienlijk sterker dan bij zmp’ers.

6.3.1 Persoonlijk inkomen werkenden, 2020* (Mediaan (1 000 euro))
Leeftijd Zzp'ers Zmp'ers Werknemers
15 . . .
16 . . 15,3
17 17,3 . 14,8
18 16,8 25,5 15,9
19 16,7 29,4 17,8
20 18,7 31,1 20,4
21 20,6 33,3 22,6
22 21,8 34 24,6
23 23,7 36 26,9
24 24,2 37,8 29,3
25 25,8 40,7 31,6
26 27,2 41,8 33,3
27 28,1 43 34,8
28 29,3 44 35,9
29 29,8 45,4 36,7
30 30,3 45,5 37,4
31 31 46,6 38
32 31,9 46,5 38,6
33 32,2 47,5 39
34 32,5 49,2 39,6
35 33,5 49,3 40
36 33,2 49,2 40,2
37 34,3 49,8 40,6
38 34,9 50,8 41,1
39 35,1 51,6 41,3
40 35,3 52,4 41,5
41 35,7 52,3 41,7
42 35,9 54,6 42
43 36 53,8 42,3
44 36,6 54,2 42,3
45 36 54,3 42,2
46 36,2 54 42,3
47 36 53,8 42,4
48 36 53,9 42,5
49 35,2 53,6 42,6
50 35,3 53 42,6
51 34,3 54,1 42,4
52 33,6 53 42,5
53 33,6 53 42,2
54 32,7 53,1 42,2
55 31,9 53,4 42,2
56 30,3 52,7 42,1
57 30,2 52,5 42
58 28,9 51,6 42,2
59 28,1 51,5 42
60 27,3 50,8 41,8
61 26,2 51,2 41,7
62 25,6 50,8 41,7
63 24,7 48,5 41,8
64 24,1 49,4 42
65 26,9 50 42,1
66 41,1 61,3 53,2
67 40,8 60,3 53,7
68 37,8 56,6 52
69 35,9 53,4 48,4
70 35,7 52,1 45
71 33 50,1 45,1
72 30,8 47,1 42,9
73 30,7 46,7 41,5
74 28,9 45,8 41,7

Inkomenskloof werkende mannen en vrouwen

Werkende mannen van 15 tot 75 jaar hebben een hoger doorsnee-inkomen dan dito vrouwen: in 2020 was dat 45,1 duizend tegen 30,1 duizend euro. Met name onder zzp’ers was het verschil groot. Het verschil in inkomen tussen man en vrouw is vooral een gevolg van het hoge aandeel vrouwen dat in deeltijd werkt. Zo had in de leeftijd van 15 tot 75 jaar bijna driekwart van de werkende vrouwen een deeltijdbaan in 2020, tegen een kwart van de werkende mannen (CBS StatLine, 2021d). Onder vrouwen hebben zmp’ers een gemiddeld langere werkweek dan werknemers en zzp’ers, wat tot uitdrukking komt in hun inkomen.

Hoogopgeleide werkenden hebben in doorsnee meer inkomen dan lager opgeleiden. In 2020 bedroeg het mediane persoonlijke inkomen van hoogopgeleide werkenden ruim 49 duizend euro. Het inkomen van de middelbaar opgeleiden was met 33,6 duizend een stuk lager; de laagopgeleide werkenden zaten daar nog eens bijna 5 duizend euro onder.

6.3.2 Persoonlijk inkomen naar kenmerken, 2020* (Mediaan (1 000 euro))
Zzp'ers Zmp'ers Werknemers Totaal
Alle werkenden 31,7 51,2 38 37,8
Geslacht . . . .
Mannen 39,7 56,6 45,2 45,1
Vrouwen 19,9 40 30,6 30,1
Opleidingsniveau . . . .
Laag 27,7 42,1 28,4 28,7
Middelbaar 29 46,6 33,7 33,6
Hoog 39,3 65,3 49,5 49,1

Inkomen zmp’ers in overheid- en zorgsector springt eruit

Zmp’ers die in de gezondheids- of welzijnszorg werken, hadden met bijna 86 duizend euro van alle zmp’ers het hoogste doorsnee inkomen in 2020. Vooral artsen die als zelfstandige in de zorg werken verdienen relatief veel (CBS StatLine, 2021e). Na de gezondheids- en welzijnszorg volgden zmp’ers werkzaam in de financiële dienstverlening met een doorsnee inkomen van ruim 73 duizend euro. In deze bedrijfstak ontliepen de inkomens van zmp’ers en zzp’ers elkaar het minst. Het is tevens de bedrijfstak waar de hoogste inkomens van zzp’ers en werknemers aangetroffen worden. Op enige afstand volgden bij zzp’ers de sectoren verhuur en handel van onroerend goed, specialistische zakelijke dienstverlening, en informatie en communicatie. In de horeca, overige dienstverlening en cultuur, sport en recreatie hadden zmp’ers, zzp’ers en werknemers een naar verhouding laag doorsnee inkomen. Ook liep in de horeca en in de cultuur, sport en recreatie het inkomen van zzp’ers en zmp’ers terug ten opzichte van het jaar ervoor (zie StatLine). Vooral deze sectoren werden getroffen door lock-downs en zelfstandigen konden er minder inkomen genereren.

6.3.3 Persoonlijk inkomen per bedrijfstak, 2020* (Mediaan ( 1 000 euro))
Zzp'ers Zmp'ers Werknemers
Gezondheids- en welzijnszorg 31,6 85,8 31,5
Financiele dienstverlening 64,5 73,4 57,5
Verhuur en handel van onroerend goed 46,4 70 43,2
Waterbedrijven en afvalbeheer 37 69,2 45,3
Specialistische zakelijke diensten 44,3 64,9 46,4
Informatie en communicatie 44,2 62,9 52,3
Bouwnijverheid 39,5 59,9 44,9
Industrie 34,9 57,7 43,6
Verhuur en overige zakelijke diensten 26,1 52 27,5
Handel 25 50,2 32,1
Onderwijs 21,4 46,9 42,5
Vervoer en opslag 24,4 46,8 41,9
Landbouw, bosbouw en visserij 32,4 46,5 33,5
Cultuur, sport en recreatie 18,8 39,5 31,5
Overige dienstverlening 14,8 32,1 31,2
Horeca 17 27,4 23

Inkomen voltijds werknemers 66 procent hoger dan van deeltijders

De lengte van een werkweek is in deze publicatie gebaseerd op de uit het Stelsel van Sociaal-statistische bestanden afgeleide deeltijdfactor. Deze biedt bij benadering inzicht in de omvang van een gebruikelijke werkweek van werkenden. Bij werknemers is de wekelijkse arbeidsduur afgeleid uit gegevens van de Polisadministratie over het aantal contracturen. Bij zelfstandigen wordt een schatting gemaakt op basis van (gemiddelde) maandinkomsten en een standaard voltijdmaandloon. Vanwege de diverse coronasteunmaatregelen in 2020 zijn de schattingen voor zelfstandigen mogelijk minder valide dan in de voorgaande niet-coronajaren. Daarom wordt voor 2020 de deeltijdfactor alleen voor werknemers gepresenteerd. Bij hen wordt onderscheid gemaakt in een werkweek van minder dan 36 uur (onvolledige werkweek) en van ten minste 36 uur (volledige werkweek).

Het mediane inkomen van werknemers die voltijds werken, was in 2020 bijna 1,7 keer zo groot als dat van deeltijds werkende werknemers. Ook in 2019 was het inkomensverschil tussen voltijds en deeltijds werknemers van die ordegrootte. Het mediane inkomen van alle werknemers nam in 2020 met 2,4 procent toe vergeleken met 2019 (zie figuur 6.2.3). Bij werknemers die in deeltijd werken, was de toename met 3,7 procent bijna 2,5 keer zo groot als bij voltijds werkende werknemers.

Persoonlijk inkomen werknemers naar deeltijdfactor (Mediaan (1 000 euro))
2019 2020*
Deeltijd 26,9 27,9
Voltijd 45,6 46,3

6.4Armoederisico van werknemers en zelfstandigen

Daling armoederisico zet ook in 2020 door

Van de bevolking van 15 tot 75 jaar met vooral inkomen uit betaald werk maakte in 2020 1,9 procent (147 duizend personen) deel uit van een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Dat is minder dan in 2019 toen het aandeel werkenden met een laag inkomen op 2,1 procent uitkwam. Vanaf het piekjaar 2013 toen nog 3,5 procent van de werkenden een armoederisico had, daalde het percentage gemiddeld met 0,2 procent per jaar. Ook in 2020, het jaar waarin de Covid-19 pandemie de kop opstak en de economie terugviel, zette de daling verder door. De gunstige ontwikkeling van het armoederisico houdt verband met de relatief sterke koopkrachtontwikkeling als gevolg van reeds gemaakte cao-afspraken over loonstijgingen, fiscale maatregelen van de overheid en het grootschalige pakket aan tijdelijke coronasteunmaatregelen (zie CBS, 2021b).

De verbijzondering naar sociaal-economische positie laat zien dat onder werknemers het percentage met een laag inkomen verreweg het kleinst was (1,2 procent in 2020). Onder zmp’ers was het aandeel ruim 2 keer zo groot (2,8 procent) en onder zzp’ers 5 keer zo groot (5,9 procent). De ontwikkeling van het risicopercentage bij de afzonderlijke groepen werkenden is vergelijkbaar met die van de gehele werkende bevolking. In de periode 2013–2020 viel in alle drie de groepen een daling van het armoederisico te noteren.

6.4.1 Werkenden in huishoudens met een laag inkomen (%)
Zzp'ers Zmp' ers Werknemers
'11 9,4 7,6 2
'12 10,3 8,3 2,2
'13 10,6 8,1 2,3
'14 9,6 6,5 2,1
'15 9,2 5,8 1,9
'16 8,1 4,5 1,6
'17 7,5 4 1,5
'18 6,9 3,7 1,5
'19 6,5 3,3 1,4
'20* 5,9 2,8 1,2

Ook het percentage werkenden met ten minste vier jaar een inkomen onder de lage-inkomensgrens lag in 2020 lager dan in 2019 en 2018. De daling kwam volledig voor rekening van verminderde langdurige armoederisico’s voor zmp’ers en zzp’ers. Bij werknemers bleef het langdurige armoederisico in alle drie jaren onveranderd op 0,3 procent uitkomen.

Beperkingen in de meting

De voorlopige inkomensgegevens 2020 van zelfstandigen zijn voor ruim een derde deel gebaseerd op waarnemingen en voor krap twee derde deel op bijschattingen. Daardoor zijn de nieuwste, voorlopige cijfers van zelfstandigen minder zuiver dan de definitieve cijfers voor 2019.

Met de gegevens is het niet mogelijk om een eventueel temperend effect van de tijdelijke coronasteunmaatregelen van de overheid in 2020 op het armoederisico van zelfstandigen te kwantificeren. Deze financiële steun (zie paragraaf 6.2) is wel in het (huishoudens)inkomen opgenomen.

Hoger armoederisico bij kortere werkweek

Werknemers in deeltijd (zie kader paragraaf 6.3) lopen meer armoederisico dan voltijds werknemers. In 2020 maakte 2,3 procent van de deeltijdwerknemers deel uit van een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens, tegen 0,4 procent van de voltijdswerknemers. In 2019 was het armoederisico van deeltijdwerknemers groter (2,6 procent). Onder voltijdswerknemers bleef het armoederisico in beide jaren ongewijzigd (0,4 procent). Het risico op langdurige armoede was bij voltijds werkenden in beide jaren miniem, bij deeltijders had rond 0,5 procent een langdurig armoederisico.

6.4.2 Werknemers met (langdurig) armoederisico naar deeltijdfactor (%)
2019 2020*
Laag inkomen Deeltijd, Laag inkomen 2,6 2,3
Laag inkomen Voltijds, Laag inkomen 0,4 0,4
Langdurig laag inkomen Deeltijd, Langdurig laag inkomen 0,6 0,5
Langdurig laag inkomen Voltijds, Langdurig laag inkomen 0,1 0,1

Beperkte verschillen tussen werkende mannen en vrouwen

Het aandeel mannelijke werknemers dat deel uitmaakt van een huishouden met een inkomen onder de lage-inkomensgrens kwam in 2020 uit op 1,0 procent, bij de vrouwelijke werknemers was dat 1,5 procent. Onder zmp’ers was het verschil iets kleiner: van de mannelijke zmp’ers had 2,9 procent een laag inkomen, bij de vrouwelijke zmp’ers was dat 2,7 procent. Bij de zzp’ers had 5,8 procent van de mannen een laag inkomen tegen 6,1 procent van de vrouwen.

Type huishouden, leeftijd en opleiding maken onderscheid

De verbijzondering naar de samenstelling van het huishouden laat zien dat de hoogste armoederisico’s waren voorbehouden aan werkenden die alleen staan of deel uitmaken van een eenoudergezin. Dat geldt voor zowel werknemers, zmp’ers als zzp’ers. Wel was ook hier het armoederisico het grootst voor zzp’ers en het kleinst voor werknemers. Van de alleenstaande zzp’ers liep in 2020 bijna een vijfde risico op armoede en van de zzp’ers in een eenoudergezin meer dan een tiende.

De uitsplitsing naar leeftijd laat zien dat in 2020 voor zowel werknemers, zmp’ers als zzp’ers het hoogste armoederisico was voorbehouden aan personen in de jongste leeftijdsgroep (15 tot 25 jaar). Wel zij hierbij opgemerkt dat het aantal jongeren dat als zzp’er of zmp’er werkte naar verhouding klein is. In de oudste leeftijdsgroep (65 tot 75 jaar) was het risico op armoede voor de onderscheiden groepen werkenden het laagst. De meesten van hen ontvangen volledige AOW en komen daardoor per definitie boven de lage-inkomensgrens uit. Ook voor de ouderen geldt dat het aantal nog werkenden naar verhouding klein is.

Een hoger opleidingsniveau gaat gepaard met een lager armoederisico. Bij zzp’ers waren de verschillen in 2020 het minst uitgesproken, alleen bij de laagopgeleiden was er sprake van verhoogd aandeel met een laag inkomen (7,1 procent), onder middelbaar en hoog opgeleiden was het aandeel met een laag inkomen gelijk (5,3 procent).

6.4.3Werkenden in huishoudens met een laag inkomen, 2020*
Zzp’ers Zmp’ers Werknemers
Leeftijd
tot 25 jaar 7,7 4,2 2,6
25 tot 45 jaar 6,7 3,8 1,3
45 tot 65 jaar 5,5 2,3 0,9
65 tot 75 jaar 3,6 1,8 0,6
Samenstelling huishouden
Alleenstaand 18,1 7,3 3,1
Paar zonder kinderen 4 2,5 0,6
Paar met kinderen 3 2,2 0,7
Eenoudergezin 11,8 4,8 3
Opleidingsniveau
Laag 7,1 4,9 2,6
Middelbaar 5,3 3 1,2
Hoog 5,3 2,2 0,6

Armoederisico van werknemers in overheidsdienst het kleinst

Voor werknemers is het type bedrijfstak beperkt onderscheidend in het armoederisico. Werknemers in het openbaar bestuur en overheidsdiensten liepen met 0,2 procent het minste risico. Het hoogste armoederisico wordt aangetroffen bij werknemers in de zakelijke dienstverlening (2,3 procent).

Bij zmp’ers en meer nog bij zzp’ers is de bandbreedte van de aan de bedrijfstak gerelateerde armoederisico’s groter. De armoederisico’s van zmp’ers varieerden van 0,7 procent in de financiële dienstverlening en 0,9 procent in de gezondheids- en welzijnszorg tot 4,2 procent in de cultuur, recreatie en overige dienstverlening en 4,4 procent in het openbaar bestuur en overheidsdiensten. Ook in de handel, vervoer en horeca kwam het aandeel zmp’ers met een laag inkomen verhoudingsgewijs hoog uit (4,0 procent). Het lage armoederisico van zmp’ers in de gezondheids- en welzijnszorg houdt verband met de vele medische maatschappen in deze bedrijfstak. Deze behoren door de bank genomen tot de hogere inkomenssegmenten. Bij de zzp’ers hadden de werkenden in de financiële dienstverlening het laagste armoederisico (1,2 procent), in de handel, vervoer en horeca en in de cultuur, recreatie en overige dienstverlening liepen zzp’ers naar verhouding de hoogste risico’s met 9 procent.

6.4.4 Armoederisico naar bedrijfstak, 2020* (%)
Zzp'ers Zmp'ers Werknemers
Landbouw, bosbouw en visserij 5,5 2,7 1,1
Nijverheid en energie 5,4 1,7 0,6
Bouwnijverheid 4,7 1,8 0,4
Handel, vervoer en horeca 9 4 1,9
Informatie en communicatie 5,5 1,5 0,5
Financiele dienstverlening 1,2 0,7 0,3
Verhuur van en handel in onroerend goed 3,8 1,4 0,7
Zakelijke dienstverlening 5,2 2 2,3
Openbaar bestuur en overheidsdiensten 3,7 4,4 0,2
Onderwijs 6,9 2,4 0,5
Gezondheids- en welzijnszorg 3,8 0,9 1
Cultuur, recreatie en overige dienstverlening 9 4,2 2,1

6.5Vermogen van werknemers en zelfstandigen

Zelfstandigen met personeel meest vermogend

De huishoudens waar zelfstandigen met personeel deel van uitmaken hebben meer vermogen (zie hoofdstuk 5 voor definitie) dan de huishoudens van werknemers en zelfstandigen zonder personeel. Begin 2020 bedroeg het doorsnee vermogen van het huishouden van een zmp’er 341 duizend euro. Bij zzp’ers lag dit op 190 duizend euro, bij werknemers op 83 duizend euro.

De ontwikkeling van het vermogen van de drie groepen werkenden is vergelijkbaar met de landelijke trend: een daling gedurende de vorige economische crisis die eind 2008 inzette en een toename vanaf 2014, toen de economie zich weer begon te herstellen.

15 procent van zzp’ers heeft geen of nauwelijks vermogen

Bijna twee derde van de zmp´ers had begin 2020 minimaal 200 duizend euro aan vermogen. Onder zzp’ers en werknemers was dat respectievelijk 49 procent en 28 procent. Bij 9 procent van de zmp’ers was het vermogen negatief of schommelde tussen 0 en 5 duizend euro. Bij zzp’ers was dat meer: 11 procent had een negatief vermogen en 4 procent had geen of een klein vermogen van maximaal 5 duizend euro. Onder werknemers kwam een negatief vermogen vaker voor (15 procent), evenals een klein vermogen (8 procent).

6.5.1 Werkenden naar vermogensklassen, 1 januari 2020* (%)
Negatief 0 tot 5 000 euro 5 000 tot 20 000 euro 20 000 tot 100 000 euro 100 000 tot 200 000 euro 200 000 euro en meer
Zzp'ers 11 4 6 16 15 49
Zmp'ers 8 1 3 11 13 64
Werknemers 15 8 8 23 18 28

Bedrijfsvermogen belangrijkste bezit van zmp’ers

Bij zelfstandigen vormt het bedrijfsvermogen een relatief groot deel van de bezittingen. Het bedrijfsvermogen van zmp’ers was goed voor de helft van de totale bezittingen. Bij zzp’ers was dat 37 procent. Zelfstandigen moeten in tegenstelling tot werknemers voor hun eigen pensioen zorgen. Ook zijn ze minder vaak verzekerd tegen inkomensverlies tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid (zie paragraaf 6.1). Het bedrijfsvermogen wordt dan gebruikt als buffer tegen dergelijke risico’s.

Werknemers beschikken logischerwijs over weinig ondernemingsvermogen, voor hen is een eventuele eigen onderneming een bijverdienste. De eigen woning vormt het belangrijkste vermogensbestanddeel voor zowel werknemers als zzp’ers.

6.5.2 Samenstelling bezittingen van werkenden, 1 januari 2020* (%)
Eigen woning Bedrijfsvermogen Financiele bezittingen Overig onroerend goed Overige bezittingen
Zzp'ers 41,7 37,1 11,1 7,8 2,3
Zmp'ers 31 49,7 7,6 9 2,7
Werknemers 67,5 12,7 14,5 4 1,2

Vermogen van directeuren-grootaandeelhouders

Begin 2020 bedroeg het doorsnee vermogen van de bijna 222 duizend directeuren-grootaandeelhouder (dga’s) 676 duizend euro. Het bedrijfsvermogen vormt het belangrijkste vermogensbestanddeel van dga’s. Vrijwel iedere dga (96 procent) heeft bedrijfsvermogen en de doorsnee waarde is 367 duizend euro. Het bedrijfsvermogen is daarmee goed voor 56 procent van de totale bezittingen. Daarna volgen de eigen woning (24 procent), overig onroerend goed (9 procent) en financiële bezittingen (7 procent). Naast de bezittingen zijn er ook schulden, vooral hypotheekschulden. Bij dga’s bedraagt de hypotheekschuld 62 procent van de totale schuld, de doorsnee waarde is 308 duizend euro.

Het hoogste vermogen is te vinden bij dga’s met personeel. Zij hebben begin 2020 een doorsnee vermogen van 727 duizend euro tegen 635 duizend euro bij dga’s zonder personeel.

Samenstelling vermogen dga's, 1 januari 2020* (%)
Eigen woning Financiele bezittingen Bedrijfsvermogen Overig onroerend goed Overige bezittingen Hypotheekschuld Overige schuld
Bezittingen 24,5 7,2 56,1 9,3 2,9 . .
Schulden . . . . . 62,2 37,8

Zmp’ers hoogste hypotheekschuld

De schulden van werknemers en zelfstandigen bestaan vooral uit hypotheekschulden. Bij werknemers bedroeg de hypotheekschuld 90 procent van de totale schuld die ze hadden, bij zzp’ers was dat 76 procent en bij zmp’ers 70 procent. Zmp’ers hadden daarentegen het vaakst een hypotheekschuld, die met een doorsnee waarde van 228 duizend euro tevens het hoogste was. De overige schulden bestaan uit studieschulden en schulden voor bijvoorbeeld consumptieve doeleinden en rood staan (zie hoofdstuk 5).

6.6Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

CBS (2020). Coronacrisis leidt tot ongekende daling aantal banen. CBS-nieuwsbericht, 14 augustus.

CBS (2021a). 300 duizend werkende 65-plussers in 2020. CBS-nieuwsbericht, 25 augustus.

CBS (2021b). Koopkracht groeit met 2,2 procent in coronajaar 2020. CBS-nieuwsbericht, 15 september.

CBS StatLine (2021a). Zelfstandigen; inkomen, vermogen, kenmerken.

CBS StatLine (2021b). Zelfstandigen; inkomen, vermogen, kenmerken.

CBS StatLine (2021c). Arbeidsdeelname; kerncijfers.

CBS StatLine (2021d). Werkzame beroepsbevolking; arbeidsduur.

CBS StatLine (2021e). Beloning van in zorg werkzame artsen; leeftijd en geslacht.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Judit Arends-Tóth

Koos Arts

Marion van den Brakel

Mitchell Dost

Kai Gidding

Bart Huynen

Koen Link

Reinder Lok

Jasper Menger

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Nadine Wesselius

Eindredactie

Marion van den Brakel

Ferdy Otten