Foto omschrijving: Een ouder echtpaar uit Geldermalsen maakt er een jaarlijkse traditie van om met kinderen en klein kinderen noten te zoeken op landgoed Marienwaerdt inn Beesd.

Inkomen van huishoudens

In dit hoofdstuk staat het inkomen van huishoudens centraal. De samenstelling van het inkomen alsmede de herverdeling van het inkomen via premies, belastingen en uitkeringen komen aan bod. Het besteedbare inkomen is het netto inkomen van het huishouden voor het doen van uitgaven voor goederen en diensten. Hoe is dit inkomen tussen huishoudens verdeeld, wat was de ontwikkeling vanaf 1977? En hoe zit het met de regionale inkomensverdeling?

2.1Samenstelling huishoudensinkomen

Uitkeringen vormen ruim een vijfde van het bruto-inkomen

Het bruto-inkomen van huishoudens bedroeg in 2020 gemiddeld 75 200 euro. Ruim driekwart van dit bedrag wordt gevormd door loon, inkomen uit eigen onderneming en vermogensinkomsten (het primaire inkomen). De resterende 22 procent bestaat bijna geheel uit uitkeringen (inclusief pensioen).

Inkomensbegrippen

Primair inkomen: de beloning voor arbeid en vermogen

Het primaire inkomen van huishoudens bestaat uit de beloning voor het beschikbaar stellen van hun arbeid en kapitaal. Inkomen uit arbeid betreft het brutoloon van werknemers. Het (‘gemengde’) inkomen uit eigen onderneming vormt de beloning van zelfstandigen voor de inzet van hun arbeid en ondernemingsvermogen. Inkomen uit vermogen bestaat onder meer uit rente over spaartegoeden, dividenden en opbrengsten uit onroerend goed (waaronder de eigen woning). Betaalde rente (waaronder de hypotheekrente) wordt in mindering gebracht.

Besteedbaar inkomen: het inkomen na herverdeling

Huishoudens verzekeren zich tegen het verlies aan inkomen wegens werkloosheid, ziekte- en arbeidsongeschiktheid, ouderdom en het overlijden van een partner. Het gaat hier enerzijds om verplichte werknemers- en volksverzekeringen, anderzijds om (aanvullende) particuliere verzekeringen. De uitkeringen worden bij het inkomen geteld, terwijl de betaalde premies in mindering worden gebracht.

Uitkeringen sociale voorzieningen, waartoe onder meer de bijstandsuitkering behoort, vormen het financiële vangnet voor huishoudens waarvoor het primaire inkomen en de uitkeringen inkomensverzekering ontbreken of onvoldoende zijn. Tot de uitkering sociale voorzieningen, die uit de algemene middelen wordt gefinancierd, behoren ook de kinderbijslag (waarvoor geen inkomenstoets geldt) en het inkomensafhankelijke kindgebonden budget.

Huishoudens met een gering inkomen hebben ook recht op tegemoetkomingen die gebonden zijn aan bepaalde bestedingen zoals de huur. Inkomensoverdrachten betreffen de partneralimentatie die door het ene huishouden ontvangen en door het andere betaald wordt. Overige overdrachten zoals kinderalimentatie en financiële bijdragen van ouders aan hun studerende, uitwonende kinderen blijven evenwel buiten beschouwing omdat hiervan geen waarnemingen beschikbaar zijn. Het bruto-inkomen bestaat uit het primaire inkomen en het ontvangen, herverdeelde inkomen. Het bruto-inkomen van alle huishoudens tezamen is geflatteerd, doordat het zowel de uitkeringen als de premies inkomensverzekeringen (die in het brutoloon verdisconteerd zijn) omvat. Om te komen tot het besteedbare inkomen worden deze premies, de belastingen op inkomen en vermogen en de betaalde inkomensoverdrachten op het bruto-inkomen in mindering gebracht.

Premies ziektekostenverzekeringen zijn verplicht en deels inkomensafhankelijk. Daarom worden zij niet als een (vrije) besteding gezien, maar eveneens in mindering gebracht op het inkomen.

2.1.1Samenstelling van het inkomen van huishoudens, 2020*
  Aantal huishoudens Gemiddeld bedrag Totaal bedrag Aandeel van bruto-inkomen
  x 1 000 % 1 000 euro mln euro %
1 Inkomen als werknemer 5 072 64,3 72,1 365 900 61,6
2 Inkomen als zelfstandige 1 608 20,4 37,6 60 497 10,2
3 Inkomen uit vermogen 7 892 100,0 4,9 38 429 6,5
4 Primair inkomen (1+2+3) 7 892 100,0 58,9 464 825 78,3
5 Uitkering inkomensverzekering 3 865 49,0 27,5 106 468 17,9
6 Uitkering sociale voorziening 2 828 35,8 6,3 17 908 3,0
7 Ontvangen gebonden overdracht 1 476 18,7 2,6 3 818 0,6
8 Overdracht ontvangen van huishouden 47 0,6 11,6 541 0,1
9 Bruto-inkomen (4+5+6+7+8) 7 892 100,0 75,2 593 560 100,0
10 Overdracht betaald aan huishouden 65 0,8 9,9 640 0,1
11 Premie inkomensverzekering 7 342 93,0 13,2 97 124 16,4
12 Premie ziektekostenverzekering 7 892 100,0 7,2 56 945 9,6
13 Belasting op inkomen 7 309 92,6 9,5 69 117 11,6
14 Besteedbaar inkomen (9–10–11–12–13) 7 892 100,0 46,8 369 735 62,3

De samenstelling van het bruto-inkomen verschilt sterk tussen diverse bevolkingsgroepen, zoals inkomensgroepen. Huishoudens uit de laagste decielgroepen van het bruto-inkomen zijn in sterkere mate afhankelijk van een uitkering inkomensverzekering of sociale voorziening, terwijl het inkomen van de hogere inkomensgroepen grotendeels uit primair inkomen bestaat.

2.1.2 Samenstelling van bruto-inkomen per 10%-groep1), 2020* (%)
Primair inkomen Uitkering inkomensverzekeringen Uitkering sociale voorzieningen Ontvangen gebonden overdrachten en overige inkomensoverdrachten
Totaal (75 200 euro) 78,3 17,9 3,0 0,7
. . . .
1e (13 800 euro) 23,2 35,7 31,5 9,6
2e (24 300 euro) 21,1 55,1 16,2 7,6
3e (32 000 euro) 35,1 52,3 9,4 3,3
4e (41 000 euro) 48,3 45,6 4,9 1,3
5e (52 000 euro) 60,4 35,8 3,3 0,5
6e (65 200 euro) 70,8 26,3 2,7 0,3
7e (80 900 euro) 80,4 17,3 2,2 0,2
8e (99 900 euro) 87 11,3 1,7 0,1
9e (127 100 euro) 91 7,7 1,2 0,1
10e (229 200 euro) 93,8 5,5 0,6 0,1
1)Tussen haakjes staat het gemiddeld bruto jaarinkomen per inkomensgroep.

Drie kwart bruto-inkomen ouderen komt uit pensioen

De samenstelling van het inkomen varieert met de levensfase. Jongeren zijn voor hun levensonderhoud deels aangewezen op sociale voorzieningen, waaronder de bijstandsuitkering en (in afnemende mate) de studiefinanciering. De sociale voorzieningen worden uit de algemene middelen betaald. In september 2015 werd het sociale leenstelsel ingevoerd en bleef alleen de aanvullende studiefinanciering voor kinderen van ouders met een smalle beurs nog als een sociale voorziening overeind. Sindsdien daalt het aandeel van de sociale voorzieningen in het bruto-inkomen van jongeren tot 25 jaar, zie Statline.

In de leeftijd van 25 tot 45 jaar wordt het inkomen hoofdzakelijk uit arbeid betrokken, terwijl 45- tot 65‑jarigen al wat vaker een beroep doen op een uitkering inkomensverzekering. Zo komt krap een tiende deel van hun bruto-inkomen uit een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering. Huishoudens met een 65‑plusser als hoofdkostwinner halen meer dan 70 procent van hun bruto-inkomen uit een (pensioen)uitkering en profiteren daarmee het meest van de herverdeling.

In 2020 werd gemiddeld 38 procent van het bruto-inkomen afgedragen in de vorm van premies en belastingen. Hierdoor resteerde een besteedbaar inkomen van gemiddeld 46,8 duizend euro. De premies inkomensverzekering drukken relatief zwaar op huishoudens met een hoofdkostwinner tussen 25 en 65 jaar, een vijfde deel van hun bruto-inkomen gaat hieraan op. Huishoudens met 65‑plussers betalen nauwelijks nog premies voor inkomensverzekeringen: hiervoor hebben zij hun bijdrage al in hun actieve beroepsleven geleverd.

2.1.3Samenstelling van het inkomen naar leeftijd, 2020*
Totaal Leeftijd hoofdkostwinner
tot 25 25 tot 45 45 tot 65 65+
  bruto-inkomen = 100
1 Inkomen als werknemer 62 81 79 69 9
2 Inkomen als zelfstandige 10 5 11 12 4
3 Inkomen uit vermogen 7 1 2 7 14
4 Primair inkomen (1+2+3) 78 87 92 88 27
5 Uitkering inkomensverzekering 18 3 3 9 71
6 Uitkering sociale voorziening 3 8 4 3 1
7 Ontvangen gebonden overdracht 1 2 1 0 1
8 Overdracht ontvangen van huishouden 0 0 0 0 0
9 Bruto-inkomen (4+5+6+7+8) 100 100 100 100 100
10 Overdracht betaald aan huishouden 0 0 0 0 0
11 Premie inkomensverzekering 16 19 21 19 2
12 Premie ziektekostenverzekering 10 10 10 9 11
13 Belasting op inkomen 12 4 10 13 10
14 Besteedbaar inkomen (9–10–11–12–13) 62 67 59 59 76
  1 000 euro
Gemiddeld besteedbaar inkomen 46,8 16,3 47,1 57,7 36,8
Gemiddeld gestandaardiseerd inkomen 32,4 14,1 31,8 37,4 29,3
  x 1 000
Aantal huishoudens 7 892 346 2 406 2 942 2 198

Bijna 2,2 miljoen huishoudens met AOW

In 2020 ontvingen krap 2,2 miljoen huishoudens een AOW-uitkering. Van deze AOW-huishoudens ontvingen er 2,1 miljoen ook aanvullend pensioen, zoals ouderdoms- of partnerpensioen. De AOW-uitkering bedroeg gemiddeld 35 procent van het bruto inkomen, ongeveer net zo veel als het aanvullend pensioen (34 procent).

2.1.4 Samenstelling bruto inkomen van AOW-huishoudens1), 2020* (% van bruto inkomen)
AOW Aanvullend pensioen Inkomen uit vermogen Inkomen als werknemer of
zelfstandige
Overig aanvullend inkomen
Totaal
(4 130 euro)
34,9 33,8 13,4 14,9 2,9
Alleenstaande
vrouw (2 540 euro)
50,3 32,6 12,3 1,2 3,6
Alleenstaande
man (3 000 euro)
41,6 38,4 14 4,1 1,8
Paar, beiden
AOW'er (4 590 euro)
39 40,3 15,9 4,2 0,7
Paar, een partner
AOW'er (5 870 euro)
18,6 33 13,5 29,7 5,1
1) Tussen haakjes is het gemiddeld bruto maandinkomen vermeld.

AOW belangrijkste pensioenpijler van alleenstaande vrouwen

Voor alleenstaande AOW-gerechtigde vrouwen vormde de AOW-uitkering de belangrijkste inkomenscomponent. Gemiddeld was de AOW goed voor de helft van hun bruto-inkomen, aanmerkelijk meer dan het aanvullend pensioen (33 procent). Bij alleenstaande mannen was de verhouding tussen beide inkomensposten evenwichtiger: de AOW voorzag in 42 procent en het aanvullend pensioen in 38 procent van het bruto-inkomen. Alleenstaande mannen ontvangen gemiddeld meer aanvullend pensioen dan alleenstaande vrouwen.

Ook bij AOW-gerechtigde paren was de verhouding tussen AOW en aanvullend pensioen evenwichtig, het aandeel van de AOW-uitkering in het gezamenlijke bruto-inkomen kwam uit op gemiddeld 39 procent en het aandeel van het aanvullend pensioen op gemiddeld 40 procent. Het bijbehorende, gemiddelde inkomen van deze paren was 1,5 keer zo hoog als dat van alleenstaande mannen en 1,8 keer zo hoog als dat van alleenstaande vrouwen. Bij paren bestaande uit een AOW’er met een jongere partner voorzag het inkomen als werknemer of zelfstandige in een groter deel van het bruto inkomen dan de AOW zelf: gemiddeld 30 tegen 19 procent.

AOW-huishoudens en aanvullend inkomen

De AOW-huishoudens betreffen vooral alleenstaanden en paren, maar kunnen ook andere huishoudenstypen omvatten met ten minste één persoon in de AOW-gerechtigde leeftijd. Het gaat dan bijvoorbeeld om ouderen die bij één van hun kinderen wonen. AOW’ers die in een verzorgingstehuis verblijven, zijn hier buiten beschouwing gelaten.

Vrijwel alle AOW-huishouden ontvangen ook aanvullende inkomsten. Het aanvullend inkomen kan bestaan uit inkomen als werknemer of als zelfstandige, inkomen uit vermogen (waaronder het inkomen uit eigen woning), aanvullend pensioen, andere uitkeringen, huurtoeslag en overige ontvangen overdrachten. De zorgtoeslag is niet tot het aanvullend inkomen gerekend.

Bijna 1 op de 20 heeft kale AOW met een beetje extra

Alleenstaande AOW’ers ontvingen in 2020 gemiddeld 1 260 euro bruto AOW per maand. Partners, beiden met AOW, ontvingen samen 1 730 euro AOW. De aanvullende inkomsten verschilden sterk. Zo waren er 97 000 duizend huishoudens (4,5 procent) die bovenop hun AOW geen of hooguit 250 euro bruto per maand aan aanvullende inkomsten hadden. Dit betrof vooral alleenstaande AOW’ers, alleenstaande vrouwen overigens iets vaker dan alleenstaande mannen (9 tegen 8 procent). Ruim 205 duizend huishoudens (9 procent) moesten het maandelijks stellen met 250 tot 500 euro bovenop de AOW. Ook dit zijn relatief vaak alleenstaanden. Onder alleenstaande AOW-gerechtigde vrouwen was het aandeel met maandelijks 250 tot 500 euro extra groter dan onder alleenstaande AOW-gerechtigde mannen (19 tegen 13 procent). Aan de andere kant ontving 66 procent van de AOW-huishoudens (vooral paren) maandelijks aanvullende inkomsten van 1 000 euro bruto of meer. Bij meer dan 6 op de 10 van deze AOW-huishoudens ging het zelfs om 2 duizend euro bruto of meer, dus om een aanvullend bedrag ruimschoots boven de AOW zelf.

2.1.5 Hoogte aanvullend inkomen van AOW-huishoudens, 2020* (% huishoudens)
Tot 250 euro per maand 250 tot 500 euro per maand 500 tot 1 000 euro per maand 1 000 tot 2 000 euro per maand 2 000 euro of meer per maand
Alleenstaande
vrouw
8,8 19 31,3 23,8 16,9
Alleenstaande
man
8,1 12,8 25,4 27 26,7
Paar, beiden AOW'er 1,4 4,3 17,5 29,4 47,4
Paar, een partner AOW'er 0,5 1,4 5,9 14,7 77,6

Bruto inkomen groeide met ruim een kwart in 43 jaar

In prijzen van 2020 is het gemiddelde bruto inkomen van huishoudens opgelopen van 59,2 duizend euro in 1977 naar 75,2 duizend euro in 2020. Dat komt overeen met een stijging van 27 procent. Duidelijk zichtbaar in de lange reeks is de sterke terugval in het bruto inkomen in 1985. Toentertijd, begin jaren tachtig, was er sprake van de zwaarste economische crisis in Nederland in de naoorlogse jaren. Ook de weerslag van de voorlaatste economische crisis die in 2009 toesloeg en een lange nasleep kende (tot en met 2013), is duidelijk zichtbaar in de reeks.

2.2.1 Gemiddeld bruto inkomen van huishoudens (1 000 euro (in prijzen van 2020))
Gemiddeld bruto inkomen
'77-'00 1977, '77-'00 59,2
'77-'00 1981, '77-'00 58,5
'77-'00 1985, '77-'00 53,8
'77-'00 1989, '77-'00 57,5
'77-'00 1990, '77-'00 59,3
'77-'00 1991, '77-'00 59,8
'77-'00 1992, '77-'00 60
'77-'00 1993, '77-'00 59,1
'77-'00 1994, '77-'00 58,1
'77-'00 1995, '77-'00 58,1
'77-'00 1996, '77-'00 58,1
'77-'00 1997, '77-'00 57,9
'77-'00 1998, '77-'00 58,8
'77-'00 1999, '77-'00 60,5
'00-'10 2000, '00-'10 61,8
'00-'10 2001, '00-'10 65,5
'00-'10 2002, '00-'10 65,9
'00-'10 2003, '00-'10 65,9
'00-'10 2004, '00-'10 67,6
'00-'10 2005, '00-'10 67,8
'00-'10 2006, '00-'10 69,5
'00-'10 2007, '00-'10 71,9
'00-'10 2008, '00-'10 71,8
'00-'10 2009, '00-'10 71,4
'00-'10 2010, '00-'10 71,3
'11-'20* 2011, '11-'20* 69,3
'11-'20* 2012, '11-'20* 68,4
'11-'20* 2013, '11-'20* 67,4
'11-'20* 2014, '11-'20* 69,5
'11-'20* 2015, '11-'20* 67,6
'11-'20* 2016, '11-'20* 69,3
'11-'20* 2017, '11-'20* 71,4
'11-'20* 2018, '11-'20* 71,8
'11-'20* 2019, '11-'20* 74,6
'11-'20* 2020*, '11-'20* 75,2

Conjuncturele, demografische en sociaal-economische ontwikkelingen maar ook het gevoerde inkomensbeleid van de opeenvolgende kabinetten in al die jaren speelden een rol bij de ontwikkeling van het inkomen. Conjuncturele schommelingen zijn doorgaans het duidelijkst zichtbaar in de inkomenscijfers. Bij demografische ontwikkelingen zoals de ontgroening, vergrijzing, instroom van migranten, groei van het aantal eenpersoonshuishouden en meer in het algemeen de vorming van kleinere huishoudens is dit al een stuk lastiger. Dat geldt ook voor belangrijke sociaal-economische ontwikkelingen zoals de stijging van de welvaart, de alsmaar verder oplopende arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van vrouwen en de stijging van het gemiddelde opleidingsniveau (CBS/SCP, 2020). Al deze factoren zijn met elkaar verweven en het is lastig ze in afzonderlijke bijdragen aan de groei van het inkomen uiteen te leggen. In deze paragraaf worden de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen en de veranderende sociaal-economische samenstelling van huishoudens in relatie tot de ontwikkeling van het bruto inkomen bezien. Ook komen de conjuncturele effecten aan bod. Deze worden voor de periode 1977–2020 in relatie tot het besteedbaar inkomen besproken.

Consistente inkomensgegevens vanaf 1977

De waarneming van het inkomen met (voornamelijk) belastinggegevens had in de beginjaren betrekking op afzonderlijke inkomensonderzoeken in 1977, 1981 en 1985. Vanaf 1989 werd het inkomensonderzoek in de vorm van een (steekproef)panel doorlopend uitgevoerd. Vanaf 2011 is het onderzoek integraal. In samenwerking met de Universiteit Leiden heeft het CBS in 2020 en 2021 deze gegevens uit ruim veertig jaar inkomensonderzoek herzien. De herziening heeft geleid tot een geharmoniseerde en meer consistente reeks van het inkomen voor de periode vanaf 1977. De herziening kon de verschillen tussen de deelreeksen echter niet volledig opheffen. Breuken in 2011 en met name 2000 bleven bestaan, maar zijn een stuk kleiner dan voorheen. De herziene uitkomsten over de ontwikkeling in het inkomen, ook voor bevolkingsgroepen, zijn verzameld in de publicatie ‘Inkomen verdeeld, trends 1977–2019’ (UL/CBS, 2021). In die publicatie komen ook thema’s als koopkrachtontwikkeling, risico op armoede en inkomensongelijkheid aan bod.

Toenemende inbreng van vrouwen in bruto inkomen huishoudens

Door de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen, niet alleen in personen maar vooral ook in uren, verminderde in 43 jaar het aantal eenverdieners en steeg het aantal anderhalf- en tweeverdienershuishoudens. Deze ontwikkeling is zichtbaar in de verhouding tussen het totale persoonlijk primair inkomen (oftewel bruto inkomen uit werk) van vrouwen en het totale bruto inkomen van het huishouden. De bijdrage van het persoonlijk primair inkomen van vrouwen in het bruto inkomen van het huishouden kwam in 1977 uit op 13,3 procent. Dat aandeel verdubbelde naar 26,2 procent in 2020. Bij mannen daalde de bijdrage van het persoonlijk primair inkomen in deze periode van 66,0 procent naar 45,7 procent. In 1977 stonden tegenover 10 vrouwen met een eigen primair inkomen 22 mannen met een eigen primair inkomen. In 2020 is de verhouding dichter bij elkaar komen te liggen, tegenover 10 vrouwen staan dan 11 mannen met primair inkomen. Het gemiddeld primair inkomen van mannen is (in prijzen van 2020) maar beperkt gestegen: van ruim 46 duizend euro in 1977 naar ruim 52 duizend euro in 2020, terwijl het gemiddeld primair inkomen van vrouwen in deze periode opliep van bijna 21 duizend euro naar bijna 34 duizend euro.

2.2.2 Totaal persoonlijk bruto inkomen uit werk (in % van totaal bruto inkomen huishoudens)
Mannen Vrouwen
'77-'00 1977, '77-'00 66 13,3
'77-'00 1981, '77-'00 62,6 14,1
'77-'00 1985, '77-'00 60 14,1
'77-'00 1989, '77-'00 58,3 16
'77-'00 1990, '77-'00 58,1 16,5
'77-'00 1991, '77-'00 57,3 17,3
'77-'00 1992, '77-'00 56,4 17,7
'77-'00 1993, '77-'00 55,5 18,2
'77-'00 1994, '77-'00 55,5 18,5
'77-'00 1995, '77-'00 55,9 18,7
'77-'00 1996, '77-'00 55,5 19,3
'77-'00 1997, '77-'00 55,9 19,8
'77-'00 1998, '77-'00 56,5 20,4
'77-'00 1999, '77-'00 57,1 21,2
'00-'10 2000, '00-'10 56,5 21,4
'00-'10 2001, '00-'10 55,1 21,5
'00-'10 2002, '00-'10 54,7 22
'00-'10 2003, '00-'10 54,3 22,2
'00-'10 2004, '00-'10 53,8 22,2
'00-'10 2005, '00-'10 53,7 22,6
'00-'10 2006, '00-'10 53,7 23
'00-'10 2007, '00-'10 52,7 23,2
'00-'10 2008, '00-'10 53 24
'00-'10 2009, '00-'10 51,8 24,3
'00-'10 2010, '00-'10 51,2 24,6
'11-'20* 2011, '11-'20* 50,6 24,8
'11-'20* 2012, '11-'20* 49,9 25
'11-'20* 2013, '11-'20* 48,9 25
'11-'20* 2014, '11-'20* 47,6 24,5
'11-'20* 2015, '11-'20* 48,2 25,2
'11-'20* 2016, '11-'20* 47,7 25,3
'11-'20* 2017, '11-'20* 46,9 25,2
'11-'20* 2018, '11-'20* 47,2 25,8
'11-'20* 2019, '11-'20* 46,1 25,7
'11-'20* 2020*, '11-'20* 45,7 26,2

Veranderingen in samenstelling van het inkomen

De diverse sociaal-economische en demografische ontwikkelingen hebben er toe bijgedragen dat de samenstelling van het bruto inkomen in de loop van de tijd is gewijzigd. Zo steeg het aandeel van inkomen uit pensioen (inclusief AOW) van 11 procent in 1977 naar bijna 15 procent in 2020. Deze toename houdt verband met de vergrijzing maar ook met de instroom van cohorten gepensioneerden met een alsmaar hoger aanvullend pensioen bovenop de AOW (zie hoofdstuk 3). Wel hebben de verhoging van de pensioenleeftijd en de minder gunstige regelingen voor vervroegde uittreding de groei van pensioenen in het afgelopen decennium afgevlakt. Daarnaast nam het inkomen uit vermogen substantieel toe: van 1 procent in 1977 naar 6,5 procent in 2020. Ook hier speelt de vergrijzing een rol. Ouderen beschikken relatief vaak over een eigen woning waarop geen of nauwelijks hypotheekschuld rust. Het volume van de opbrengsten uit de eigen woning neemt door de vergrijzing dus verder toe waardoor het aandeel inkomen uit vermogen in het totale bruto inkomen alsmaar groter wordt.

De toename van het aantal zelfstandigen in 43 jaar ging gepaard met een oplopend inkomensaandeel: van 8,5 procent in 1977 naar ruim 10 procent in 2020. Het percentage met vooral inkomen als werknemer daalde van krap 71 procent in 1977 naar krap 62 procent in 2020. Ook het percentage inkomen uit loondervingsregelingen voor werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid daalde in de periode 1977–2020. 

2.2.3 Samenstelling bruto inkomen huishoudens (% van bruto inkomen)
Inkomen als werknemer Inkomen als zelfstandige Inkomen uit vermogen Uitkering werkloos- of
arbeidsongeschiktheid
Pensioen Uitkering sociale voorziening Toeslagen en overdrachten
'77-'00 1977, '77-'00 70,8 8,5 1,1 4,4 10,7 3,5 1
'77-'00 1981, '77-'00 69,8 7 1 5,5 11,3 4,3 1,2
'77-'00 1985, '77-'00 67,3 6,8 1,2 4,8 12,6 6 1,3
'77-'00 1989, '77-'00 65,8 8,4 1,4 5,6 12,7 4,6 1,4
'77-'00 1990, '77-'00 65,7 8,9 1,6 5,3 12,9 4,2 1,4
'77-'00 1991, '77-'00 66 8,6 1,7 5,3 12,9 4,1 1,4
'77-'00 1992, '77-'00 66,1 8 1,9 5,6 13,1 4 1,3
'77-'00 1993, '77-'00 66,2 7,5 1,6 6 13,4 4 1,3
'77-'00 1994, '77-'00 66,1 7,9 1,5 5,9 13,4 4 1,2
'77-'00 1995, '77-'00 65,6 9 1,6 5,6 13,3 3,7 1,1
'77-'00 1996, '77-'00 66,2 8,5 1,5 5,4 13,5 3,6 1,3
'77-'00 1997, '77-'00 67,1 8,6 1,3 4,9 13,6 3,3 1,2
'77-'00 1998, '77-'00 68,6 8,4 0,9 4,1 13,4 3,3 1,4
'77-'00 1999, '77-'00 69,8 8,5 0,7 3,6 13,1 3 1,3
'00-'10 2000, '00-'10 68,7 9,2 1,4 3,6 12,9 2,9 1,4
'00-'10 2001, '00-'10 68,1 8,5 2,8 3,5 13,1 2,8 1,4
'00-'10 2002, '00-'10 68,4 8,3 2,4 3,6 13,3 2,7 1,4
'00-'10 2003, '00-'10 68,6 7,9 1,6 3,9 13,7 2,7 1,5
'00-'10 2004, '00-'10 67,5 8,6 2 3,9 13,9 2,6 1,5
'00-'10 2005, '00-'10 67,1 9,3 1,6 3,9 14,1 2,6 1,5
'00-'10 2006, '00-'10 67,1 9,6 1,6 3,8 14,3 2,5 1,1
'00-'10 2007, '00-'10 65,8 10,1 3,3 3,3 14,1 2,4 1
'00-'10 2008, '00-'10 66,3 10,7 2 3,2 14,4 2,4 1
'00-'10 2009, '00-'10 66,4 9,7 2 3,5 14,8 2,5 0,9
'00-'10 2010, '00-'10 66 9,8 1,8 3,7 15,2 2,6 0,9
'11-'20* 2011, '11-'20* 65,5 9,9 2,1 3,9 15 2,9 0,7
'11-'20* 2012, '11-'20* 65,2 9,6 2,4 4 15,2 2,9 0,7
'11-'20* 2013, '11-'20* 64,3 9,5 2,5 4,4 15,5 3,1 0,7
'11-'20* 2014, '11-'20* 62,5 9,6 4,6 4,3 15,2 3 0,7
'11-'20* 2015, '11-'20* 63,3 10,2 2,8 4,2 15,6 3,2 0,8
'11-'20* 2016, '11-'20* 62,5 10,5 3,5 3,9 15,6 3,1 0,8
'11-'20* 2017, '11-'20* 61,5 10,6 4 3,7 16,4 3 0,8
'11-'20* 2018, '11-'20* 62,2 10,9 4,8 3,5 15 2,8 0,8
'11-'20* 2019, '11-'20* 61 10,7 7,2 3,3 14,4 2,7 0,7
'11-'20* 2020*, '11-'20* 61,6 10,2 6,5 3,3 14,6 3 0,7

Besteedbare ruimte huishoudens toegenomen

Het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen van een huishouden in Nederland bedroeg in 2020 gemiddeld 32,4 duizend euro. Hiermee had een doorsnee-huishouden 50 procent meer te besteden dan in 1977, toen het gestandaardiseerde inkomen (in prijzen van 2020) 21,6 duizend euro bedroeg. Deze welvaartsverbetering kwam tot stand ondanks perioden van conjuncturele neergang, demografische ontwikkelingen zoals de vergrijzing en de toename van alleenstaanden. Zoals zojuist al is toegelicht speelde de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen en dienovereenkomstige hogere inkomen van vrouwen (CBS, 2022) een wezenlijke rol in de stijging van het gemiddelde inkomen. Tegelijkertijd waren er ontwikkelingen die het inkomen juist omlaag drukken. Zo had het groeiende aandeel alleenstaanden en gepensioneerden in de bevolking een dempende uitwerking op het gemiddeld inkomen, doordat deze groepen relatief vaak een wat lager inkomen hebben.

Koopkracht: standaardisatie en correctie voor inflatie

Om inkomensbedragen van nu te vergelijken met een tijdstip in het verleden moet met een tweetal factoren rekening gehouden worden. In de eerste plaats speelt de prijsontwikkeling een rol. Ter wille van de vergelijkbaarheid is het inkomen daarom met de consumentenprijsindex (zie bijlage B) gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling. In de tweede plaats wordt de gemiddelde omvang van huishoudens kleiner. Zo moesten in 2020 gemiddeld 2,2 personen van het huishoudensinkomen rondkomen, terwijl dit in 1977 nog 2,9 personen waren. Met behulp van equivalentiefactoren (zie bijlage A) is het inkomen eveneens gecorrigeerd voor verschillen in de omvang en samenstelling van het huishouden. Het aldus gecorrigeerde besteedbare huishoudensinkomen wordt gestandaardiseerd inkomen of ook wel koopkracht genoemd.

Stijgende trend meermaals geremd door conjuncturele terugval

De stijgende trend in het gemiddelde besteedbaar inkomen van huishoudens werd in de periode 1977–2020 meerdere keren onderbroken door een (conjuncturele) inzinking. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd Nederland tot twee keer toe (in 1973 en 1979) geconfronteerd met een oliecrisis. Met name in de jaren na de tweede oliecrisis was er sprake van een hoge inflatie, snel oplopende werkloosheid, dalende koopkracht en sterk oplopende begrotingstekorten. Door deze economische malaise kwam het gemiddeld besteedbaar inkomen in 1985 12,5 procent lager uit dan in 1981. De overheid reageerde toentertijd met stringente bezuinigingen op de sociale voorzieningen en in afstemming met werkgevers- en werknemersorganisaties werd er een algehele loonsverlaging doorgevoerd. Dit beleid wierp vruchten af. Gaandeweg de jaren negentig van de vorige eeuw ontwikkelde zich een relatief stabiele periode van economisch herstel en trok ook het gemiddelde besteedbaar inkomen verder aan.

Het meten van inkomensontwikkeling

Als het gemiddelde inkomen stijgt, profiteert niet iedereen daarvan. De reeks van het gemiddelde inkomen laat weliswaar zien hoe het inkomen zich van het ene tot het andere jaar verhoudt, maar dit zegt niets over de inkomensontwikkeling van afzonderlijke huishoudens en de mensen die daar deel van uitmaken. Voor het bepalen van de inkomensontwikkeling van (groepen in) de bevolking kan het best uitgegaan worden van jaar-op-jaar mutaties van het aan personen toegekende gestandaardiseerde huishoudensinkomen (individuele koopkrachtmutaties) zoals die in hoofdstuk 4 gepresenteerd zijn.

Cijfers over het gemiddelde inkomen geven bijvoorbeeld een antwoord op de vraag of de 65‑plussers van nu het beter hebben dan de 65‑plussers van tien jaar geleden, terwijl cijfers over de koopkrachtontwikkeling laten zien hoe de koopkracht van personen die tot de 65‑plussers (zijn gaan) behoren, zich door de tijd heen ontwikkeld heeft (zie Bos, 2016).

De belastingherziening rond de eeuwwisseling bewerkstelligde een substantiële verhoging van het gemiddelde inkomen in 2001, maar in de navolgende jaren tot 2014 werd de stijgende trend in het gemiddelde inkomen van huishoudens twee keer onderbroken door een (conjuncturele) inzinking. Rond 2004 was sprake van een verhoudingsgewijs kleine achteruitgang als gevolg van de teruggelopen bedrijvigheid. Een relatief hoog inkomensniveau werd bereikt in 2007, toen de economie floreerde. In de navolgende economische crisis nam het gemiddelde inkomen sterk af. Met het aantrekken van de economie in 2014 ging ook het gemiddelde inkomen weer omhoog. In de jaren 2007, 2014, 2017 en 2019 kregen de inkomens nog een extra duw omhoog vanwege gunstige fiscale maatregelen voor directeuren-grootaandeelhouders in deze jaren. Opmerkelijk genoeg bleek de stijgende trend van het gemiddelde inkomen relatief ongevoelig voor de coronapandemie. In 2020, het eerste jaar van de coronapandemie, steeg het gemiddelde inkomen ten opzichte van 2019 nog met ruim 1 procent. Van overheidswege werd een omvangrijk pakket aan steunmaatregelen in het geweer gebracht om de economische terugval door corona zoveel mogelijk te verzachten. Daarnaast speelden eerder in cao’s vastgelegde loonstijgingen een rol.

2.2.4 Gemiddeld inkomen huishoudens (1 000 euro (in prijzen van 2020))
Besteedbaar inkomen Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen
'77-'00 1977, '77-'00 34,3 21,6
'77-'00 1981, '77-'00 33,4 21,5
'77-'00 1985, '77-'00 30 19,9
'77-'00 1989, '77-'00 33,3 22,4
'77-'00 1990, '77-'00 34,6 23,5
'77-'00 1991, '77-'00 34,6 23,6
'77-'00 1992, '77-'00 34,2 23,4
'77-'00 1993, '77-'00 34 23,3
'77-'00 1994, '77-'00 34 23,4
'77-'00 1995, '77-'00 34,5 23,8
'77-'00 1996, '77-'00 34,6 23,9
'77-'00 1997, '77-'00 34,8 24,1
'77-'00 1998, '77-'00 35,2 24,6
'77-'00 1999, '77-'00 35,5 24,8
'00-'10 2000, '00-'10 36,6 25,3
'00-'10 2001, '00-'10 40,9 28,2
'00-'10 2002, '00-'10 40,9 28,4
'00-'10 2003, '00-'10 40,3 27,9
'00-'10 2004, '00-'10 41 28,4
'00-'10 2005, '00-'10 40,9 28,4
'00-'10 2006, '00-'10 42,1 29,3
'00-'10 2007, '00-'10 44,2 30,7
'00-'10 2008, '00-'10 43,9 30,6
'00-'10 2009, '00-'10 43,7 30,5
'00-'10 2010, '00-'10 43,2 30,2
'11-'20* 2011, '11-'20* 42 29,4
'11-'20* 2012, '11-'20* 41,2 28,9
'11-'20* 2013, '11-'20* 40,4 28,3
'11-'20* 2014, '11-'20* 42,2 29,5
'11-'20* 2015, '11-'20* 41,5 29,1
'11-'20* 2016, '11-'20* 43,1 30,2
'11-'20* 2017, '11-'20* 44 30,9
'11-'20* 2018, '11-'20* 44,2 30,7
'11-'20* 2019, '11-'20* 46,3 32
'11-'20* 2020*, '11-'20* 46,8 32,4

2.3Verdeling huishoudensinkomen

Inkomens scheef verdeeld

In 2020 hadden huishoudens in Nederland gemiddeld 46,8 duizend euro te besteden. Het gestandaardiseerde inkomen kwam uit op gemiddeld 32,4 duizend euro. De inkomens zijn niet gelijk verdeeld. Het mediane oftewel middelste inkomen was met 28,6 duizend euro lager dan het gemiddelde. De hoogste piek in de inkomensverdeling betrof 6,8 procent van de bijna 7,9 miljoen huishoudens. Zij hadden een inkomen tussen 20 en 22 duizend euro, bij de helft van hen ging het vooral om een pensioeninkomen. Bij de huishoudens met voornamelijk een uitkering lag de piek met een inkomen tussen de 14 en 16 duizend euro lager. Het betreft huishoudens die in 2020 in hoofdzaak van een bijstandsuitkering moesten rondkomen. Ruim een kwart van alle huishoudens met een uitkering viel in dit inkomensbereik. Bij een half procent van alle huishoudens (ruim 41 duizend) was er sprake van een negatief inkomen. Dit betrof veelal huishoudens van zelfstandigen die verlies hebben geleden. Aan de andere kant van de inkomensverdeling staan de huishoudens met de hoogste inkomens. Bijna 770 duizend huishoudens (9,7 procent) hadden een gestandaardiseerd inkomen van meer dan 50 duizend euro. Van hen beschikten er 79 duizend over meer dan een ton.

De verdeling van huishoudens die hun inkomen vooral uit loon en winst betrekken was platter en evenwichtiger dan de verdeling op basis van alle inkomenscomponenten. De hoogste piek van de 4,9 miljoen huishoudens met vooral inkomen uit werk betrof de groep met een inkomen van 30 tot 32 duizend euro (6,5 procent). Bijna 1 op de 5 werkende huishoudens had een inkomen tussen de 28 en 34 duizend euro.

2.3.1 Huishoudens naar hoogte van het gestandaardiseerd inkomen1), 2020* (Aantal huishoudens (x 1000))
Gestandaardiseerd inkomen (1 000 euro) Totaal Vooral loon- en winstinkomen Vooral pensioeninkomen Vooral uitkeringsinkomen
0 0 0 0 0
2 46 31 4 10
4 52 32 5 12
6 56 32 6 13
8 59 35 6 13
10 66 38 9 16
12 84 42 13 27
14 179 55 27 94
16 368 81 68 217
18 425 111 149 163
20 463 157 238 66
22 539 226 271 41
24 495 256 209 29
26 464 269 171 22
28 467 299 150 17
30 460 315 131 13
32 441 318 112 10
34 417 311 97 8
36 388 296 85 6
38 348 271 72 4
40 303 244 55 3
42 261 216 42 2
44 223 188 33 2
46 188 160 26 1
48 158 136 21 1
50 132 114 17 1
52 110 95 13 1
54 90 79 11 0
56 75 65 9 0
58 62 54 7 0
60 52 45 6 0
62 43 37 5 0
64 36 31 4 0
66 31 27 3 0
68 26 22 3 0
70 22 19 3 0
72 19 17 2 0
74 17 14 2 0
76 15 13 2 0
78 13 11 1 0
80 11 10 1 0
82 10 9 1 0
84 9 8 1 0
86 8 7 1 0
88 7 6 1 0
90 7 6 1 0
92 6 5 1 0
94 5 5 1 0
96 5 4 0 0
98 4 4 0 0
100 4 4 0 0
1)Aantal huishoudens per inkomensklasse met een breedte van 2000 euro

2.4Inkomen naar kenmerken van huishoudens

Inkomen aan het eind carrière het hoogst

Huishoudens met een hoofdkostwinner tot 25 jaar hadden met gemiddeld 14,1 duizend euro in 2020 het laagste gestandaardiseerd inkomen. Deze kostwinners staan nog aan het begin van hun loopbaan. Tot 65 jaar geldt: hoe ouder de leeftijdsgroep, hoe hoger het inkomen. Gemiddeld het hoogste inkomenspeil – 37,6 duizend euro – wordt bereikt bij huishoudens met een hoofdkostwinner in de leeftijdsgroep van 55 tot 65 jaar. Doorgaans hebben zij in de loop van hun carrière een steeds hoger inkomen opgebouwd en blijven veelal dat hoge inkomen vasthouden totdat men stopt met werken. Pensionering betekent doorgaans een inkomensterugval en 65‑plussers hebben gemiddeld dan ook minder inkomen dan de jongere leeftijdsgroepen.

Laagste inkomen bij alleenstaanden met jonge kinderen

De verbijzondering naar huishoudenssamenstelling (zie Statline) laat voor alleenstaande ouders met louter minderjarige kinderen het laagste inkomen zien: gemiddeld 23,4 duizend euro. Deze huishoudens zijn aangewezen op het inkomen van maar één persoon, meestal de moeder. Relatief vaak betreft het dan een bijstandsuitkering. De hoogste inkomens worden aangetroffen bij paren tot AOW-leeftijd zonder thuiswonende kinderen (41,2 duizend euro) of paren met ten minste één inwonend meerderjarig kind (42,4 duizend euro). Het gaat dikwijls om 50- tot 65‑jarigen van wie de kinderen al het huis uit zijn of van wie de kinderen eigen inkomen hebben en daarmee bijdragen aan het gezamenlijke gezinsinkomen. Jonge paren zonder kinderen zijn veelal tweeverdieners, oftewel beide partners hebben inkomen uit betaald werk (zie kader). Het gestandaardiseerd inkomen van tweeverdieners kwam in 2020 met 42,6 duizend euro logischerwijs hoger uit dan dat van een- en nulverdieners (respectievelijk 32,1 duizend en 24,3 duizend euro).

Aantal verdieners in een huishouden

Bij de indeling in nul-, een of tweeverdieners is alleen het aantal personen in de huishoudenskern met inkomen uit werk geteld, dus bij een eenpersoonshuishouden of een eenoudergezin wordt alleen gekeken of de alleenstaande respectievelijk de ouder al dan niet inkomen uit werk betrekt. Bij huishoudens rondom paren tellen alleen de verdiensten van de beide partners. Meerderjarige kinderen of anderen in het huishouden blijven in deze indeling buiten beschouwing.

Inkomen ondernemershuishoudens het hoogst

Gemiddeld hadden huishoudens met voornamelijk inkomen uit een eigen onderneming met ruim 48 duizend euro meer inkomen dan werknemershuishoudens en uitkeringsontvangers.

De groep zelfstandigenhuishoudens met vooral inkomen als directeur-grootaandeelhouder van een vennootschap, had verreweg het hoogste gestandaardiseerd inkomen (gemiddeld 78,6 duizend euro). Bij de zelfstandigen zijn de onderlinge inkomensverschillen het grootst. Zelfstandigen kunnen immers zowel flinke winsten boeken als verlies lijden. Daardoor zijn deze huishoudens niet alleen oververtegenwoordigd in de hoogste inkomensregionen, maar ook in de groep met een laag of negatief inkomen (Statline). Bijna 1 op de 10 huishoudens had in 2020 voornamelijk inkomen als zelfstandige, ruim de helft van alle huishoudens betrok het inkomen hoofdzakelijk uit loondienst. Gemiddeld kwamen de werknemershuishoudens uit op een inkomen van 34,4 duizend euro. Daarnaast moest ruim een derde van de huishoudens grotendeels rondkomen van een uitkering. In bijna driekwart van de gevallen betrof het huishoudens met voornamelijk inkomen uit pensioen.

2.4.1Inkomen naar huishoudenskenmerken, 2020*
Aantal Gemiddeld gestandaardiseerd
besteedbaar inkomen
x 1 000 1 000 euro
Totaal 7 892 32,4
Leeftijd hoofdkostwinner
Tot 25 jaar 346 14,1
25 tot 35 jaar 1 198 30,2
35 tot 45 jaar 1 208 33,4
45 tot 55 jaar 1 493 37,2
55 tot 65 jaar 1 449 37,6
65 tot 75 jaar 1 201 31,7
75 jaar of ouder 997 26,4
Aantal verdieners in huishouden
Nulverdieners 2 484 24,1
Eénverdieners 2 887 30,7
Tweeverdieners 2 521 42,5
Voornaamste inkomensbron
Inkomen uit arbeid 4 200 34,4
Inkomen uit eigen onderneming 711 48,4
inkomen directeur-grootaandeelhouder 169 78,6
Uitkering werkloosheid of arbeidsongeschiktheid 328 21
Uitkering pensioen 2 169 29,2
Uitkering bijstand of overige sociale voorziening 437 15,8
Studiefinanciering 48 4,3

2.5Regionale inkomensverdeling

Rijkste gemeenten vooral in het westen van het land

De tien gemeenten met het hoogste gemiddelde huishoudensinkomen bevinden zich vrijwel allemaal in het westen van het land. De hoogste plek is voorbehouden aan Blaricum in Noord-Holland met in 2020 een gemiddeld gestandaardiseerd inkomen van 61,7 duizend euro. Dat is 90 procent hoger dan het landelijk gemiddelde (32,4 duizend euro). Op nummer twee stond Bloemendaal met een inkomen van 58,7 duizend euro, gevolgd door Laren (56,8 duizend euro) en Wassenaar (55,1 duizend euro). Hekkensluiter in de top-10 waren De Ronde Venen waar het gemiddelde 42,7 duizend euro bedroeg. Het Brabantse Waalre, gelegen onder de rook van Eindhoven, is de enige rijke gemeente die niet in het westen van het land is gesitueerd. Met gemiddeld 43,4 duizend euro kwam Waalre op de achtste plek. De top-10 van de gemeenten met het laagste inkomen wordt gedomineerd door studentensteden: Wageningen, Groningen, Enschede, Delft, Nijmegen, en Maastricht.

2.5.1 Gestandaardiseerd besteedbaar inkomen per gemeente, 2020*
Gemeente Gemiddeld gestandaardiseerd inkomen
Aa en Hunze 33,6
Aalsmeer 39,5
Aalten 31,2
Achtkarspelen 28,3
Alblasserdam 31,8
Albrandswaard 38,2
Alkmaar 31,7
Almelo 28,7
Almere 31,8
Alphen aan den Rijn 34,6
Alphen-Chaam 37,4
Altena 34,1
Ameland .
Amersfoort 34,3
Amstelveen 37,2
Amsterdam 33,2
Apeldoorn 32,3
Arnhem 28,4
Assen 29,9
Asten 33,4
Baarle-Nassau 33,2
Baarn 38,3
Barendrecht 37,4
Barneveld 34,6
Beek (L.) 32,6
Beekdaelen 32,8
Beemster 38,9
Beesel 30,8
Berg en Dal 32,1
Bergeijk 36
Bergen (L.) 31,8
Bergen (NH.) 42,5
Bergen op Zoom 31,3
Berkelland 31,7
Bernheze 35,8
Best 36,2
Beuningen 34,4
Beverwijk 31
De Bilt 40,8
Bladel 34,9
Blaricum 61,7
Bloemendaal 58,7
Bodegraven-Reeuwijk 38,1
Boekel 34,6
Borger-Odoorn 30,9
Borne 33,8
Borsele 33,4
Boxmeer 33,9
Boxtel 35,9
Breda 32,9
Brielle 36,8
Bronckhorst 35,2
Brummen 34,1
Brunssum 28,7
Bunnik 38,5
Bunschoten 35,2
Buren 37,2
Capelle aan den IJssel 31,9
Castricum 38,1
Coevorden 30,9
Cranendonck 33,4
Cuijk 33
Culemborg 33,3
Dalfsen 33,8
Dantumadiel 28,8
Delft 27
Deurne 32,7
Deventer 30,3
Diemen 30,5
Dinkelland 34,6
Doesburg 29,8
Doetinchem 31,3
Dongen 33,5
Dordrecht 31,2
Drechterland 35,6
Drimmelen 34,4
Dronten 31,9
Druten 33
Duiven 33,2
Echt-Susteren 32,1
Edam-Volendam 37,3
Ede 33,4
Eemnes 37,3
Eemsdelta 28,3
Eersel 40,4
Eijsden-Margraten 35,4
Eindhoven 30,2
Elburg 31,8
Emmen 28,8
Enkhuizen 33,2
Enschede 26,6
Epe 33,9
Ermelo 34,9
Etten-Leur 32,7
De Fryske Marren 31,8
Geertruidenberg 33,1
Geldrop-Mierlo 33,4
Gemert-Bakel 32,5
Gennep 32,4
Gilze en Rijen 32,6
Goeree-Overflakkee 33,8
Goes 32,1
Goirle 34,6
Gooise Meren 44
Gorinchem 32,2
Gouda 31,8
Grave 32,4
's-Gravenhage (gemeente) 30,8
Groningen (gemeente) 25,6
Gulpen-Wittem 32,8
Haaksbergen 33
Haarlem 34,2
Haarlemmermeer 36,3
Halderberge 32,9
Hardenberg 31,3
Harderwijk 32,7
Hardinxveld-Giessendam 34
Harlingen 28,9
Hattem 35,7
Heemskerk 32,8
Heemstede 45
Heerde 33,9
Heerenveen 31,3
Heerhugowaard 32,5
Heerlen 26,8
Heeze-Leende 38,5
Heiloo 37,6
Den Helder 29,1
Hellendoorn 32,1
Hellevoetsluis 33,3
Helmond 30,8
Hendrik-Ido-Ambacht 36,5
Hengelo (O.) 30
's-Hertogenbosch 33,4
Heumen 35,9
Heusden 34,1
Hillegom 33,7
Hilvarenbeek 36,8
Hilversum 34,9
Hoeksche Waard 36,2
Hof van Twente 34,1
Het Hogeland 29,5
Hollands Kroon 32,2
Hoogeveen 29,1
Hoorn 31,7
Horst aan de Maas 33
Houten 37,3
Huizen 36,1
Hulst 31,9
IJsselstein 36,4
Kaag en Braassem 37
Kampen 30,4
Kapelle 33,9
Katwijk 33,5
Kerkrade 26,9
Koggenland 35,6
Krimpen aan den IJssel 33,9
Krimpenerwaard 35
Laarbeek 33,9
Landerd 35,5
Landgraaf 29,5
Landsmeer 39,2
Langedijk 35,2
Lansingerland 40,3
Laren (NH.) 56,8
Leeuwarden 27,5
Leiden 29,4
Leiderdorp 35,4
Leidschendam-Voorburg 35,9
Lelystad 30,2
Leudal 32,9
Leusden 37,8
Lingewaard 33,2
Lisse 34,8
Lochem 36,3
Loon op Zand 33,3
Lopik 36
Losser 32,2
Maasdriel 35,1
Maasgouw 33,6
Maassluis 31,1
Maastricht 27,5
Medemblik 33,2
Meerssen 34,9
Meierijstad 34,7
Meppel 30,9
Middelburg (Z.) 31,3
Midden-Delfland 40,8
Midden-Drenthe 31,7
Midden-Groningen 28,8
Mill en Sint Hubert 33,8
Moerdijk 33,1
Molenlanden 37,3
Montferland 31,7
Montfoort 38,3
Mook en Middelaar 37
Neder-Betuwe 32,8
Nederweert 34,7
Nieuwegein 31,9
Nieuwkoop 37,8
Nijkerk 35,8
Nijmegen 27,4
Nissewaard 31,4
Noardeast-Frysl�n 28,8
Noord-Beveland 32,1
Noordenveld 32,8
Noordoostpolder 31,2
Noordwijk 38,1
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 38,3
Nunspeet 33,2
Oegstgeest 43,3
Oirschot 37,8
Oisterwijk 39,1
Oldambt 27,7
Oldebroek 31,6
Oldenzaal 32,5
Olst-Wijhe 32,8
Ommen 33,2
Oost Gelre 33,7
Oosterhout 33
Ooststellingwerf 29,7
Oostzaan 36,4
Opmeer 34,4
Opsterland 32,1
Oss 32,4
Oude IJsselstreek 30,6
Ouder-Amstel 41,4
Oudewater 39,6
Overbetuwe 34,2
Papendrecht 33,5
Peel en Maas 32,7
Pekela 27
Pijnacker-Nootdorp 38,3
Purmerend 31,3
Putten 35,3
Raalte 32,8
Reimerswaal 31,9
Renkum 36,1
Renswoude .
Reusel-De Mierden 33,8
Rheden 31
Rhenen 35,4
Ridderkerk 31,7
Rijssen-Holten 35,6
Rijswijk (ZH.) 32,3
Roerdalen 33,2
Roermond 30,2
De Ronde Venen 42,7
Roosendaal 30,9
Rotterdam 28,9
Rozendaal .
Rucphen 31,7
Schagen 34
Scherpenzeel 34,6
Schiedam 29,5
Schiermonnikoog .
Schouwen-Duiveland 33,8
Simpelveld 30,5
Sint Anthonis 36,4
Sint-Michielsgestel 37,4
Sittard-Geleen 29,8
Sliedrecht 31,2
Sluis 31
Smallingerland 29,6
Soest 36,2
Someren 35
Son en Breugel 37,9
Stadskanaal 27,6
Staphorst 33,8
Stede Broec 31,7
Steenbergen 31
Steenwijkerland 30,9
Stein (L.) 31,6
Stichtse Vecht 38,7
S�dwest-Frysl�n 30,9
Terneuzen 30,6
Terschelling 31,7
Texel 32,2
Teylingen 38,5
Tholen 31,4
Tiel 30,4
Tilburg 28,6
Tubbergen 34,7
Twenterand 30,6
Tynaarlo 35,8
Tytsjerksteradiel 30,9
Uden 33,1
Uitgeest 35,8
Uithoorn 34,8
Urk 32
Utrecht (gemeente) 31,3
Utrechtse Heuvelrug 39,2
Vaals 28,1
Valkenburg aan de Geul 32,2
Valkenswaard 33
Veendam 28,2
Veenendaal 32
Veere 35,1
Veldhoven 35,6
Velsen 32,8
Venlo 29,4
Venray 32,2
Vijfheerenlanden 33,8
Vlaardingen 29,7
Vlieland .
Vlissingen 28,4
Voerendaal 33,9
Voorschoten 38,6
Voorst 35,2
Vught 41,5
Waadhoeke 29,7
Waalre 43,4
Waalwijk 31,9
Waddinxveen 33,9
Wageningen 25
Wassenaar 55,1
Waterland 38,1
Weert 32,3
Weesp 35,5
West Betuwe 36,4
West Maas en Waal 33,4
Westerkwartier 31,4
Westerveld 33,3
Westervoort 30,7
Westerwolde 28,8
Westland 36,1
Weststellingwerf 29,4
Westvoorne 44
Wierden 35,4
Wijchen 33,3
Wijdemeren 40,9
Wijk bij Duurstede 35,4
Winterswijk 32,9
Woensdrecht 32,1
Woerden 37,4
De Wolden 33,6
Wormerland 35
Woudenberg 36,2
Zaanstad 30,7
Zaltbommel 33,6
Zandvoort 35,7
Zeewolde 33,2
Zeist 38,3
Zevenaar 30,7
Zoetermeer 32,6
Zoeterwoude 37,6
Zuidplas 37,5
Zundert 34,1
Zutphen 30,1
Zwartewaterland 33,4
Zwijndrecht 32,3
Zwolle 31
2.5.2Top-10 gemeenten met hoogste en laagste gemiddelde gestandaardiseerd huishoudensinkomen, 2018*
Hoogste inkomen Laagste inkomen
1 000 euro 1 000 euro
Baricum 61,7 Wageningen 25
Bloemendaal 58,7 Groningen 25,6
Laren (NH.) 56,8 Enschede 25,6
Wassenaar 55,1 Heerlen 26,8
Heemstede 45 Kerkrade 26,9
Westvoorne 44 Delft 27
Gooise Meren 44 Pekela 27
Waalre 43,4 Nijmegen 27,4
Oegstgeest 43,3 Leeuwarden 27,5
De Ronde Venen 42,7 Maastricht 27,5

2.6Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Bos, W. (2016). Koopkracht van ouderen flink gedaald tijdens crisis. ESB.

CBS/SCP (2020). Emancipatiemonitor 2020. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek

CBS (2022). Inkomen werkende vrouwen sinds 1977 met ruim 60 procent gestegen. CBS-nieuwsbericht, 8 maart.

UL/CBS (2021). Inkomen verdeeld, trends 1977–2019, UnivLeiden/CBS.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Judit Arends-Tóth

Koos Arts

Marion van den Brakel

Mitchell Dost

Kai Gidding

Bart Huynen

Koen Link

Reinder Lok

Jasper Menger

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Nadine Wesselius

Eindredactie

Marion van den Brakel

Ferdy Otten