Foto omschrijving: Apple Pay nu ook beschikbaar voor ABN Amro-klanten.

Koopkrachtontwikkeling

Bij de koopkrachtontwikkeling gaat het om de jaar-op-jaar verandering in inkomen bij personen. In 2018 is de koopkracht van de Nederlandse bevolking ten opzichte van 2017 gestegen. Welke groepen gingen er wel en welke gingen er niet op vooruit?

Koopkracht in 2018 licht toegenomen

De (dynamische) koopkracht (zie kader ‘Dynamische versus statische koopkracht­ontwikkeling’) van de Nederlandse bevolking nam in 2018 met 0,3 procent toe, de laagste groei na 2013. Deze ontwikkeling was iets minder gunstig dan in 2017, toen de koopkracht in doorsnee met 0,7 procent toenam. Sinds 2014 laat de koopkracht weer een positieve trend zien. De koopkrachtdaling in de jaren 2010–2013 als gevolg van de economische crisis stond in schril contrast met de groei van de koopkracht in de periode 2001–2009, waarbij alleen in 2005 sprake was van een lichte daling.

4.1.1 Koopkrachtontwikkeling (%-mutatie t.o.v. jaar eerder)
Categories Totale bevolking
2000 .
2001 5,0
2002 1,6
2003 0,1
2004 0,7
2005 -0,3
2006 3,0
2007 3,1
2008 1,4
2009 1,9
2010 -0,5
2011 -0,7
2012 -1,1
2013 -1,1
2014 1,9
2015 1,3
2016 3,0
2017 0,7
2018* 0,3

Dynamische versus statische koopkrachtontwikkeling

De dynamische koopkrachtontwikkeling is bepaald als de, aan ieder lid van het huishouden toegekende, procentuele verandering in het waargenomen gestandaardiseerde besteedbare huishoudensinkomen dat gecorrigeerd is voor de prijsontwikkeling. Voor de koopkracht­ontwikkeling van een groep is uitgegaan van de mediaan (de middelste van de naar grootte gerangschikte koopkrachtontwikkeling van personen uit deze groep). Positieve en negatieve uitschieters hebben dan nauwelijks invloed op de uitkomst (Bos, 2007). De dynamische koopkracht kan door allerlei oorzaken veranderen. Het inkomen verandert bijvoorbeeld door een algemene loonsverhoging, een promotie, het aanvaarden van (ander) werk of pensionering. Een wijziging in de samenstelling van het huishouden (een kind gaat het huis uit, partners scheiden, etc.) leidt eveneens tot een inkomensverandering. Daarnaast wordt de koopkracht beïnvloed door de prijsontwikkeling en veranderingen in de inkomstenbelasting. Al deze veranderingen zijn in de hier gepresenteerde dynamische koopkrachtcijfers verdisconteerd.

De statische koopkrachtontwikkeling is de koopkrachtverandering als gevolg van factoren waarop de burger zelf geen invloed heeft, zoals een cao-loonstijging, de prijsontwikkeling, maar ook beleidsmaatregelen van de overheid die de burger in zijn portemonnee merkt. Bij de statische koopkrachtontwikkeling worden waargenomen inkomens door het Centraal Planbureau doorberekend naar verwachtingen in het actuele jaar en het daaropvolgende jaar (CPB, 2016). De dynamische koopkrachtwikkeling daarentegen is volledig gebaseerd op feitelijke inkomenswaarnemingen en loopt daarmee in de tijd achter op de ramingen van de statische koopkracht.

Dynamische en statische koopkrachtontwikkeling (%-mutatie t.o.v. jaar eerder)
Dynamisch (CBS) Statisch (CBS/CPB)1)
1985 1,6 0,2
1986 4,2 3,0
1987 3,9 1,8
1988 1,5 0,9
1989 2,7 1,4
1990 3,7 2,9
1991 0,7 0,0
1992 0,5 -0,2
1993 1,0 0,5
1994 0,0 -0,4
1995 1,0 1,0
1996 1,3 0,9
1997 1,5 0,5
1998 2,8 1,9
1999 1,2 0,3
2000 2,0 1,1
2001 5,0 3,3
2002 1,6 0,5
2003 0,1 -1,2
2004 0,7 0,2
2005 -0,3 -1,4
2006 3,0 1,9
2007 3,1 1,2
2008 1,4 0,1
2009 1,9 1,4
2010 -0,5 -0,5
2011 -0,7 -1,2
2012 -1,1 -1,7
2013 -1,1 -1,4
2014 1,9 1,3
2015 1,3 1,0
2016 3,0 2,6
2017 0,7 0,2
2018 0,3 0,1
2019 . 1,0
2020 . 2,1
1) Bron: t/m 1996 CBS, daarna CPB

De dynamische koopkrachtontwikkeling lag in de jaren 1985–2018 gemid­deld 0,8 procent­punt boven de statische koopkrachtontwikkeling. Bij de bepaling van de statische koopkrachtontwikkeling is immers geen rekening gehouden met incidentele beloningen of inkomensmutaties als gevolg van verandering van arbeidsmarktpositie. In tijden dat het beter gaat met de economie, ondervinden veel mensen een stijging van hun koopkracht. Niet alleen gaan lonen en uitkeringen dan vaak wat meer omhoog, maar ook is er bijvoorbeeld meer betaald overwerk en vinden mensen gemakkelijker hun eerste, of een beter betaalde baan. De feitelijke koopkrachtontwikkeling ligt hierdoor doorgaans wat hoger dan de statische koopkrachtontwikkeling. In slechtere tijden, zoals tijdens de recente economische crisis, gaan veel mensen er wegens de ongunstige arbeidsmarkt in inkomen op achteruit. De dynamische en statische koopkrachtontwikkeling liggen dan juist dichter bij elkaar.

4.2Verschillen tussen bevolkingsgroepen

Aanzienlijke spreiding in koopkrachtontwikkeling

Als de koopkracht in doorsnee stijgt, wil dat niet zeggen dat iedereen erop vooruitgaat. Zo kromp de koopkracht vorig jaar bij bijna 48 procent van de bevolking. Daarbij varieerden de onderlinge koopkrachtontwikkelingen fors. Bij een kwart van de bevolking daalde de koopkracht met ten minste 4,2 procent. Een dergelijk koopkrachtverlies kan het gevolg zijn van minder werken of pensionering. Bij de 25 procent van de bevolking met de hoogste koopkrachtontwikkeling steeg de koopkracht met 7,8 procent of meer; een situatie die kan voorkomen bij een nieuwe baan met meer loon.

4.2.1 Spreiding koopkrachtontwikkeling bij gelijkblijvende inkomensbron, 2018* (% koopkrachtverandering)
5e percentiel 25e percentiel mediaan 75e percentiel 95e percentiel
Totale bevolking -29,2 -4,2 0,3 7,8 39,2
Werknemer -22,5 -3,4 1,8 8,9 35,2
Zelfstandige -37,5 -11,5 -0,3 12 52,9
Bijstandsontvanger -17,5 -1,7 -0,2 4,4 24,4
Arbeidsongeschikte -22,1 -3,3 0 4,8 26,2
Gepensioneerde -17,2 -1,9 -0,5 0,8 15,2

Werknemers gingen er met 1,8 procent het meest op vooruit in 2018. Zelfstandigen en uitkeringsontvangers hadden met koopkrachtverlies of stilstand te maken. De spreiding in koopkrachtontwikkeling is bij zelfstandigen het grootst, doordat hun inkomen van jaar op jaar flink kan fluctueren.

Koopkracht werkenden gestegen in afgelopen jaren

De koopkracht van werknemers was in 2018 bijna 15 procent hoger dan in 2011, wat blijkt uit de geaccumuleerde koopkrachtmutatie (zie kader). De groei is pas ingezet vanaf 2014, na afloop van de economische crisis. Tot en met 2013 was de koopkracht van werknemers vrijwel constant. Zelfstandigen hadden tijdens de crisis zelfs te maken met dalende koop­kracht, maar daarna profiteerden ook zij van grote koopkrachtstijgingen. Werkenden weten in economisch gunstige tijden hun inkomenspositie vaak te verbeteren en gaan er in slechtere tijden alleen sterk op achteruit als zij bijvoorbeeld hun baan verliezen.

4.2.2 Koopkrachtindex naar voornaamste inkomensbron (2011 = 100)
Totale bevolking Inkomen als werknemer Inkomen als zelfstandige Bijstandsuitkering Arbeidsongeschiktheidsuitkering Pensioen
2011 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0
2012 98,9 99,3 98,2 98,2 98,7 98,8
2013 97,8 99,7 95,3 96,7 97,0 95,9
2014 99,7 102,5 99,2 98,8 97,9 96,7
2015 101,0 105,3 100,6 99,9 98,4 96,8
2016 104,0 110,4 105,9 101,4 99,7 97,6
2017 104,7 112,1 109,1 102,3 100,0 97,4
2018* 105,0 114,1 108,7 102,0 100,0 96,9

Koopkrachtindex: geaccumuleerde koopkrachtmutatie

Door procentuele, mediane koopkrachtmutaties vanaf een bepaald startjaar op te tellen, kan van (groepen in) de bevolking in kaart worden gebracht hoe de koopkracht zich in doorsnee vanaf het startjaar heeft ontwikkeld.

Zo ging de koopkracht van werknemers er in 2012 in doorsnee 0,7 procent op achteruit, zie Statline. Met 2011 als startjaar (koopkrachtindex=100) was de index in 2012 voor werknemers 99,3. In 2013 wonnen werknemers 0,4 procent aan koopkracht vergeleken met 2012. Geaccumuleerd vanaf 2011 hadden ze in doorsnee 0,3 procent minder koopkracht en was hun koopkrachtindex in 2013 dus 99,7.

Met de koopkrachtindex kan op eenvoudige wijze in kaart worden gebracht hoe de koopkracht van een bevolkingsgroep zich in doorsnee ontwikkelt in de tijd. Daarmee is het vervolgens mogelijk om de koopkrachtontwikkeling van verschillende bevolkings­groepen te vergelijken. Wel met de kanttekening dat bij een koopkrachtindex voorbij wordt gegaan aan het feit dat bevolkingsgroepen telkens van samenstelling veranderen.

Koopkracht gepensioneerden daalt tweede jaar op rij

Gepensioneerden zagen hun koopkracht in 2018 in doorsnee met 0,5 procent dalen. In 2017 daalde hun koopkracht al met 0,2 procent. De koopkracht van de totale groep gepensio­neerden was in recente jaren nauwelijks hoger dan in 2013 op het dieptepunt van de crisis. Dat komt vooral doordat gepensioneerden hun inkomenssituatie niet meer kunnen veranderen. Hun koopkracht is daardoor sterk afhankelijk van de indexering van de AOW en aanvullende pensioenen en van fiscale maatregelen. Omdat de rendementen van pensioenfondsen al enkele jaren onder druk staan, zijn pensioenuitkeringen nauwelijks of niet geïndexeerd. Voor gepensioneerden met relatief veel aanvullend (pensioen)inkomen naast de AOW (20 duizend euro op jaarbasis of meer) daalde daardoor de koopkracht in 2018 ten opzichte van 2017 in doorsnee met 0,9 procent. Door hoofdzakelijk negatieve koopkracht­ontwikkelingen in recente jaren heeft deze groep sinds 2011 in doorsnee bijna 7 procent aan koopkracht ingeleverd.

4.2.3 Koopkrachtindex gepensioneerden naar hoogte aanvullend inkomen naast AOW (2011 = 100)
tot 5 000 euro per jaar 5 000 tot 10 000 euro per jaar 10 000 tot 20 000 euro per jaar 20 000 euro en meer per jaar
2011 100,0 100,0 100,0 100,0
2012 98,7 98,9 99,0 98,6
2013 97,8 97,0 96,0 94,9
2014 99,7 97,9 96,5 95,4
2015 100,7 98,5 96,2 95,3
2016 102,3 99,8 97,0 95,3
2017 103,0 100,3 96,9 94,4
2018* 102,6 99,9 96,4 93,5

Meer koopkracht voor nieuwe generatie ouderen

In de periode 2011 tot en met 2018 had de jongste generatie ouderen gemiddeld een hoger gestandaardiseerd besteedbaar inkomen (koopkracht) dan de generatie die al eerder met pensioen ging.

Zo hadden personen in de leeftijdsgroep van 66 tot en met 70 jaar, geboren tussen 1946 en 1950, een koopkracht van gemiddeld 30,5 duizend euro. Personen die tien jaar eerder werden geboren hadden op dezelfde leeftijd een gemiddelde koopkracht van 27,8 duizend euro. Jongere generaties ouderen zijn in de regel vaker werkzaam geweest en hoger opgeleid dan oudere generaties, waardoor ze vaker en meer aanvullend pensioen hebben opgebouwd. Vooral vrouwen hebben tegenwoordig vaker een eigen aanvullend pensioen opgebouwd dan in het verleden (zie hoofdstuk 3).

De koopkrachtverschillen tussen opeenvolgende generaties zijn goed zichtbaar tot een leeftijd van 80 jaar, maar vanaf die leeftijd zijn de verschillen tussen verschillende generaties aanzienlijk kleiner.

Gemiddelde koopkracht gepensioneerden per geboortecohort (x 1 000 euro (prijzen 2018))
Leeftijdsgroep 1926-1930 1931-1935 1936-1940 1941-1945 1946-1950
66-70 jaar . . 27,8 29,3 30,5
71-75 jaar . 25,7 26,4 27,9 29,0
76-80 jaar 24,8 25,0 25,6 26,4 .
81-85 jaar 24,4 24,6 24,8 . .
86-90 jaar 24,0 24,4 . . .

Koopkrachtontwikkeling verschilt tussen gemeenten

In 2018 had de gemeente Almere de sterkste (mediane) koopkrachtgroei met 1,1 procent ten opzichte van 2017 en kende de gemeente Vaals de minst voorspoedige ontwikkeling met een doorsnee koopkrachtdaling van 0,4 procent. In het algemeen was in gemeenten met relatief veel paren met kinderen en werkenden de koopkrachttoename het grootst, terwijl in gemeenten met een relatief hoog aantal welgestelde gepensioneerden de koopkracht het minst toenam of zelfs daalde.

4.2.4 Koopkrachtontwikkeling per gemeente, 2018*
Gemeentenaam Koopkrachtontwikkeling
Appingedam 0,1
Delfzijl 0,3
Groningen 0,2
Loppersum 0,1
Almere 1,1
Stadskanaal 0,1
Veendam 0,4
Zeewolde 0,9
Achtkarspelen 0,4
Ameland 0,3
Harlingen 0
Heerenveen 0,2
Leeuwarden 0,2
Ooststellingwerf 0,1
Opsterland 0,2
Schiermonnikoog 0
Smallingerland 0,3
Terschelling 0,1
Vlieland 0,3
Weststellingwerf 0,2
Assen 0,5
Coevorden 0,2
Emmen 0,3
Hoogeveen 0,5
Meppel 0,3
Almelo 0,3
Borne 0,4
Dalfsen 0,4
Deventer 0,3
Enschede 0,3
Haaksbergen 0,3
Hardenberg 0,7
Hellendoorn 0,4
Hengelo 0,3
Kampen 0,6
Losser 0,2
Noordoostpolder 0,5
Oldenzaal 0,2
Ommen 0,2
Raalte 0,4
Staphorst 1
Tubbergen 0,5
Urk 0,5
Wierden 0,6
Zwolle 0,4
Aalten 0,3
Apeldoorn 0,2
Arnhem 0,3
Barneveld 0,9
Beuningen 0,5
Brummen 0,3
Buren 0,4
Culemborg 0,6
Doesburg 0,3
Doetinchem 0,3
Druten 0,5
Duiven 0,8
Ede 0,4
Elburg 0,4
Epe 0,2
Ermelo 0,1
Harderwijk 0,6
Hattem 0,5
Heerde 0,4
Heumen 0,1
Lochem 0
Maasdriel 0,5
Nijkerk 0,8
Nijmegen 0,2
Oldebroek 0,7
Putten 0,4
Renkum -0,2
Rheden 0
Rozendaal -0,2
Scherpenzeel 0,7
Tiel 0,6
Voorst 0,4
Wageningen 0,2
Westervoort 0,6
Winterswijk 0,3
Wijchen 0,3
Zaltbommel 0,4
Zevenaar 0,2
Zutphen 0,1
Nunspeet 0,4
Dronten 0,7
Amersfoort 0,6
Baarn 0,2
De Bilt -0,1
Bunnik 0
Bunschoten 0,8
Eemnes 0,2
Houten 0,5
Leusden 0,3
Lopik 0,4
Montfoort 0,5
Renswoude 0,8
Rhenen 0,2
Soest 0,2
Utrecht 0,9
Veenendaal 0,5
Woudenberg 0,6
Wijk bij Duurstede 0,5
IJsselstein 0,6
Zeist 0,1
Nieuwegein 0,3
Aalsmeer 0,4
Alkmaar 0,2
Amstelveen 0,2
Amsterdam 0,4
Beemster 0,1
Bergen (NH.) -0,1
Beverwijk 0,3
Blaricum -0,3
Bloemendaal -0,2
Castricum 0,2
Diemen 0,3
Edam-Volendam 0,5
Enkhuizen 0,4
Haarlem 0,3
Haarlemmermeer 0,6
Heemskerk 0,1
Heemstede -0,1
Heerhugowaard 0,6
Heiloo 0,2
Den Helder 0,1
Hilversum 0,2
Hoorn 0,4
Huizen 0,2
Landsmeer 0,5
Langedijk 0,5
Laren -0,2
Medemblik 0,3
Oostzaan 0,2
Opmeer 0,5
Ouder-Amstel 0,1
Purmerend 0,4
Schagen 0,2
Texel -0,1
Uitgeest 0,7
Uithoorn 0,5
Velsen 0,1
Weesp 0,2
Zandvoort 0
Zaanstad 0,3
Alblasserdam 0,5
Alphen aan den Rijn 0,4
Barendrecht 0,7
Drechterland 0,3
Brielle 0,5
Capelle aan den IJssel 0,2
Delft 0,2
Dordrecht 0,4
Gorinchem 0,2
Gouda 0,4
's-Gravenhage 0,3
Hardinxveld-Giessendam 0,9
Hellevoetsluis 0,5
Hendrik-Ido-Ambacht 0,7
Stede Broec 0,4
Hillegom 0,5
Katwijk 0,4
Krimpen aan den IJssel 0,3
Leiden 0,4
Leiderdorp 0,3
Lisse 0,3
Maassluis 0,2
Nieuwkoop 0,5
Noordwijk 0,2
Oegstgeest 0,3
Oudewater 0,1
Papendrecht 0,4
Ridderkerk 0,2
Rotterdam 0,3
Rijswijk 0,1
Schiedam 0,5
Sliedrecht 0,5
Albrandswaard 0,7
Westvoorne 0
Vlaardingen 0,3
Voorschoten 0,2
Waddinxveen 0,4
Wassenaar -0,1
Woerden 0,5
Zoetermeer 0,5
Zoeterwoude 0,4
Zwijndrecht 0,2
Borsele 0,5
Goes 0,1
West Maas en Waal 0,3
Hulst -0,2
Kapelle 0,4
Middelburg 0,1
Reimerswaal 0,6
Terneuzen 0,1
Tholen 0,6
Veere 0,1
Vlissingen 0
De Ronde Venen 0,3
Tytsjerksteradiel 0,3
Asten 0,3
Baarle-Nassau -0,2
Bergen op Zoom 0,3
Best 0,5
Boekel 0,6
Boxmeer 0,2
Boxtel 0,3
Breda 0,2
Deurne 0,2
Pekela 0,3
Dongen 0,4
Eersel 0,2
Eindhoven 0,4
Etten-Leur 0,4
Geertruidenberg 0,2
Gilze en Rijen 0,4
Goirle 0,2
Grave 0,4
Haaren 0,3
Helmond 0,5
's-Hertogenbosch 0,4
Heusden 0,3
Hilvarenbeek 0,3
Loon op Zand 0,3
Mill en Sint Hubert 0,4
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 0,1
Oirschot 0,4
Oisterwijk -0,1
Oosterhout 0,2
Oss 0,4
Rucphen 0
Sint-Michielsgestel 0,4
Someren 0,2
Son en Breugel 0,4
Steenbergen 0,3
Waterland 0,2
Tilburg 0,4
Uden 0,2
Valkenswaard 0,1
Veldhoven 0,5
Vught 0,2
Waalre 0,2
Waalwijk 0,3
Woensdrecht 0
Zundert 0,3
Wormerland 0
Landgraaf 0
Beek 0
Beesel 0,3
Bergen (L.) 0,3
Brunssum 0,1
Gennep 0,2
Heerlen 0
Kerkrade 0
Maastricht 0
Meerssen 0
Mook en Middelaar -0,1
Nederweert 0,2
Roermond 0,1
Simpelveld 0
Stein 0
Vaals -0,4
Venlo 0,2
Venray 0,2
Voerendaal 0
Weert 0,2
Valkenburg aan de Geul -0,1
Lelystad 0,6
Horst aan de Maas 0,4
Oude IJsselstreek 0,2
Teylingen 0,4
Utrechtse Heuvelrug 0
Oost Gelre 0,5
Koggenland 0,5
Lansingerland 0,6
Leudal 0,1
Maasgouw 0
Gemert-Bakel 0,3
Halderberge 0,2
Heeze-Leende 0,2
Laarbeek 0,3
Reusel-De Mierden 0,4
Roerdalen 0,1
Roosendaal 0,3
Schouwen-Duiveland 0,1
Aa en Hunze 0,1
Borger-Odoorn 0,2
Cuijk 0,4
Landerd 0,2
De Wolden 0,1
Noord-Beveland 0
Wijdemeren 0,2
Noordenveld -0,1
Twenterand 0,6
Westerveld 0,1
Sint Anthonis 0,1
Lingewaard 0,4
Cranendonck 0,3
Steenwijkerland 0,3
Moerdijk 0,5
Echt-Susteren 0
Sluis -0,2
Drimmelen 0,2
Bernheze 0,3
Alphen-Chaam 0,1
Bergeijk 0,2
Bladel 0,3
Gulpen-Wittem -0,1
Tynaarlo 0,1
Midden-Drenthe 0,2
Overbetuwe 0,4
Hof van Twente 0,1
Neder-Betuwe 0,6
Rijssen-Holten 0,9
Geldrop-Mierlo 0,3
Olst-Wijhe 0,2
Dinkelland 0,3
Westland 0,4
Midden-Delfland 0,3
Berkelland 0,2
Bronckhorst 0,1
Sittard-Geleen 0
Kaag en Braassem 0,3
Dantumadiel 0,3
Zuidplas 0,3
Peel en Maas 0,3
Oldambt 0
Zwartewaterland 0,7
Súdwest-Fryslân 0,1
Bodegraven-Reeuwijk 0,4
Eijsden-Margraten 0,1
Stichtse Vecht 0,2
Hollands Kroon 0,3
Leidschendam-Voorburg 0,1
Goeree-Overflakkee 0,3
Pijnacker-Nootdorp 0,7
Nissewaard 0,6
Krimpenerwaard 0,5
De Fryske Marren 0,1
Gooise Meren 0,2
Berg en Dal 0,1
Meierijstad 0,4
Waadhoeke 0,3
Westerwolde 0,1
Midden-Groningen 0,2
Beekdaelen 0,1
Montferland 0,2
Altena 0,5
West Betuwe 0,5
Vijfheerenlanden 0,5
Hoeksche Waard 0,3
Het Hogeland 0,2
Westerkwartier 0,3
Noardeast-Fryslân 0,3
Molenlanden 0,8

4.2.5Gemeenten met hoogste en laagste koopkrachtontwikkeling, 2018*

Mediane koopkrachtontwikkeling
%
Totaal Nederland 0,3
 
Almere 1,1
Staphorst 1,0
Barneveld, Hardinxveld-Giessendam, Rijssen-Holten, Utrecht, Zeewolde 0,9
 
Baarle-Nassau, Bloemendaal, Hulst, Laren, Renkum, Rozendaal, Sluis –0,2
Blaricum –0,3
Vaals –0,4

4.3Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Bos, W. (2007). Meten van koopkrachtontwikkeling. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen (www.cbs.nl).

CPB (2016). MIMOSI: Microsimulatiemodel voor belastingen, sociale zekerheid, loonkosten en koopkracht. Publicatie, 30 maart 2016.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2019–2020 2019 tot en met 2020
2019/2020 Het gemiddelde over de jaren 2019 tot en met 2020
2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2019 en eindigend in 2020
2017/’18–2019/’20 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2017/’18 tot en met 2019/’20

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Koos Arts

Wim Bos

Marion van den Brakel

Kai Gidding

Daniël Herbers

Bart Huynen

Koen Link

Reinder Lok

Jasper Menger

Jeroen Nieuweboer

Ferdy Otten

Noortje Pouwels-Urlings

Eindredactie

Marion van den Brakel en Ferdy Otten

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er achteraf enkele onvolkomenheden geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Datum: 16 november 2020

In de figuur “Samenstelling van bezittingen, 1 januari 2018*” was een fout opgetreden. De labels van de staven, t.w. “Miljonairs” en “Niet-miljonairs”, stonden verkeerd om. De bovenste staaf betreft dus “Niet-miljonairs” en de onderste staaf betreft “Miljonairs”. Het gaat om de laatste figuur in het kader “Aantal miljonairs opnieuw toegenomen” in paragraaf “5.3 Vermogensverdeling” van de publicatie “Materiële Welvaart in Nederland 2020”.

Foutieve versie:

Created with Highcharts 7.0.3%Samenstelling van bezittingen, 1 januari 2018*Bank- en spaartegoedenEffectenEigen woningOverig onroerend goedOndernemingsvermogenAanmerkelijk belangOverige bezittingenMiljonairsNiet-miljonairs020406080100

Gecorrigeerde versie:

Created with Highcharts 7.0.3%Samenstelling van bezittingen, 1 januari 2018*Bank- en spaartegoedenEffectenEigen woningOverig onroerend goedOndernemingsvermogenAanmerkelijk belangOverige bezittingenNiet-miljonairsMiljonairs020406080100