Wie zitten er net boven de armoedegrens?
Naast de arme bevolking zijn er mensen die financieel niet veel beter af zijn: zij hebben ook een vermogensbuffer onder de armoedegrens, maar een inkomen net boven de armoedegrens. Zij worden bijna-arm genoemd. Dit hoofdstuk gaat in op trends in de omvang van de groep en beschrijft in welke bevolkingsgroepen bijna-armoede veel of juist weinig voorkomt. Ook komt bijna-armoede in gemeenten aan bod.
5.1Trends bij bijna-armen
Groep bijna-armen alleen in 2022 gegroeid
In 2024 waren van de 17,5 miljoen mensen in particuliere huishoudens 551 duizend mensen arm en 1,1 miljoen mensen bijna-arm (6,4 procent). Bijna-arm zijn betekent dat het inkomen van het huishouden tot 25 procent boven de armoedegrens ligt en de vermogensbuffer onder de armoedegrens (zie hoofdstuk 1). Tussen 2018 en 2024 nam het aantal bijna-arme mensen af (zie ook StatLine). Dit hangt, net als bij de geslonken groep armen, samen met loonstijgingen en koopkrachtverhogende maatregelen, en in de coronajaren 2020 en 2021 met de steunmaatregelen van de overheid (zie hoofdstuk 2). In 2022 nam het aantal armen sterk af, maar het aantal bijna-armen nam toe. Dit heeft te maken met de invoering van de energietoeslag in dat jaar. Een groep die zonder energietoeslag onder de armoedegrens zou vallen, kwam er mét de toeslag net bovenuit (zie Van den Brakel en Pouwels-Urlings, 2025).
| Arm: inkomen énvermogen onder grens | Bijna-arm: inkomen tot 25% boven grens, vermogen onder grens |
|
|---|---|---|
| 2018 | 1199,9 | 1505,4 |
| 2019 | 1063,1 | 1407,1 |
| 2020 | 867,6 | 1285,5 |
| 2021 | 839,5 | 1231,6 |
| 2022 | 583,2 | 1308,9 |
| 2023 | 476,7 | 1157,2 |
| 2024* | 551,3 | 1128,8 |
Helft bijna-armen een jaar later nog steeds bijna-arm
Ruim de helft van de mensen die bijna-arm waren in de jaren 2018–2023, was dat het jaar erop nog steeds. Zo’n 35 procent was het jaar erop niet meer bijna-arm en ook niet arm, en minder dan 10 procent was het jaar erop daadwerkelijk arm geworden. Alleen in 2020 en 2023 was dat anders: meer bijna-armen werden arm. Het ging van 2020 op 2021 vooral om mensen in huishoudens met een zelfstandigeninkomen, die relatief sterk getroffen zijn tijdens de coronacrisis. In 2024 speelde het wegvallen van de energietoeslag een rol.
Meeste armen blijven arm
Tot en met 2020 was zo’n 60 procent van de arme bevolking het jaar erna ook arm. In de twee jaren daarna was dit percentage aanmerkelijk lager en kwamen meer armen in de groep bijna-armen terecht. De hogere uitstroom uit armoede kwam vooral door de energietoeslag. Met name bijstandsontvangers die in 2021 nog arm waren, kwamen het jaar erna net boven de armoedegrens uit. In eerdere jaren en ook van 2023 op 2024 bleven de meeste arme bijstandsontvangers arm (zie ook hoofdstuk 2 en Van den Brakel en Pouwels-Urlings, 2025).
| Arm jaar erna |
Bijna-arm jaar erna |
Niet arm en niet bijna-arm jaar erna1) |
||
|---|---|---|---|---|
| Arm | 2018, Arm | 61,7 | 22,5 | 15,8 |
| Arm | 2019, Arm | 54,2 | 28 | 17,9 |
| Arm | 2020, Arm | 59,5 | 20,8 | 19,7 |
| Arm | 2021, Arm | 40,8 | 38,9 | 20,2 |
| Arm | 2022, Arm | 40,1 | 33,5 | 26,4 |
| Arm | 2023, Arm | 55,5 | 19,6 | 24,9 |
| Bijna-arm | 2018, Bijna-arm | 8,7 | 57,5 | 33,7 |
| Bijna-arm | 2019, Bijna-arm | 8 | 53,2 | 38,7 |
| Bijna-arm | 2020, Bijna-arm | 12,2 | 59,8 | 28,1 |
| Bijna-arm | 2021, Bijna-arm | 6,6 | 58,9 | 34,4 |
| Bijna-arm | 2022, Bijna-arm | 5,1 | 56,3 | 38,7 |
| Bijna-arm | 2023, Bijna-arm | 10,4 | 61,9 | 27,7 |
| 1)Inclusief mensen in een studentenhuishouden. | ||||
Toename aandeel bijstandsontvangers in bijna-armoede
Onder bijna-armen steeg in de periode 2018–2024 het aandeel mensen in huishoudens met voornamelijk een bijstandsuitkering of andere sociale voorziening (kortweg: bijstandsontvangers). Tegelijkertijd nam het aandeel bijstandsontvangers onder de armen af (zie figuur 2.2.4). Vanaf 2022 vormen bijstandsontvangers de grootste groep onder de bijna-armen. In 2022 en 2023 komt doordat huishoudens met weinig inkomen (onder meer bijstandsontvangers) dan in aanmerking komen voor de energietoeslag. De meeste bijstandsontvangers komen doorgaans maximaal 10 procent tekort ten opzichte van de armoedegrens (zie StatLine), maar mét de toeslag kwamen ze in die jaren net boven de grens uit. In 2023 werkt bovendien de verhoging van het minimumloon door in het bijstandsniveau en zijn er naar verhouding nog iets meer bijstandsontvangers onder de bijna-armen. Ook hadden bijstandsontvangers profijt van de huurverlaging.
Tot 2022 maakten werknemers en gepensioneerden nog een groter deel uit van de groep bijna-armen dan bijstandsontvangers. In de periode 2018–2024 nam met name het aandeel werknemers voortdurend af. Vooral in 2020 was de koopkrachtontwikkeling voor werkenden gunstig (CBS, 2022). Een relatief groot deel van de werknemers raakte daardoor uit de bijna-armoede.
| Inkomen als werknemer | Inkomen als zelfstandige | Bijstand of andere sociale voorziening | Pensioen | Ander overdrachtsinkomen | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2018 | 40,6 | 3,3 | 13,3 | 32,9 | 9,9 |
| 2019 | 38,9 | 3,3 | 16,1 | 31,1 | 10,6 |
| 2020 | 33,4 | 2,8 | 24,3 | 26,9 | 12,5 |
| 2021 | 32,5 | 3 | 24 | 28 | 12,4 |
| 2022 | 29,6 | 3,3 | 31,8 | 23,1 | 12,1 |
| 2023 | 25,9 | 3,9 | 37,8 | 19,6 | 12,8 |
| 2024* | 24,7 | 4,1 | 36,2 | 22,2 | 12,7 |
5.2Inkomenstekort en vermogensbuffer
Inkomen bijna-armen iets verder van armoedegrens
Het procentuele inkomensverschil met de armoedegrens is bij bijna-armoede gelijkmatiger verdeeld dan bij armoede (zie hoofdstuk 2). Wel was in 2022 en vooral 2023 de groep bijna-armen met een inkomen tot 5 procent boven de grens wat kleiner dan in de voorgaande jaren. De groep is kleiner geworden doordat het inkomen van veel mensen sterker steeg dan de armoedegrens. Dat had te maken met de overheidssteun bij het betalen van de energierekening en met andere koopkrachtverhogende maatregelen die al genoemd zijn in paragraaf 5.1 en hoofdstuk 2.
| Tot 5% boven grens | 5 tot 10% boven grens | 10 tot 15% boven grens | 15 tot 20% boven grens | 20 tot 25% boven grens | |
|---|---|---|---|---|---|
| 2018 | 19,3 | 19,5 | 19 | 20,7 | 21,6 |
| 2019 | 19,7 | 20 | 18,9 | 19,8 | 21,6 |
| 2020 | 21 | 20,1 | 19,9 | 19 | 20 |
| 2021 | 20,9 | 20,7 | 19,9 | 18,9 | 19,7 |
| 2022 | 17,1 | 20,6 | 21,2 | 20,4 | 20,7 |
| 2023 | 12,7 | 19,5 | 22,1 | 22,4 | 23,2 |
| 2024* | 16,9 | 20,3 | 20,4 | 21,3 | 21,1 |
Voor de bijna-arme bevolking is de mediaan van het procentuele inkomensverschil ten opzichte van de armoedegrens in de periode 2018–2022 constant gebleven. Dat de groep met een inkomen tot 5 procent boven de armoedegrens in 2022 kleiner is (zie figuur 5.2.1), uitte zich dus niet in een toename dit mediane inkomensoverschot. Anders was dat voor bijna-armen in huishoudens die voornamelijk rondkomen van een uitkering. Bij hen steeg in 2022 en 2023 het inkomensoverschot wel, gevolgd door een daling in 2024. Vooral bijstandsontvangers hadden profijt van de koopkrachtverhogende maatregelen, waardoor bij hen het inkomensoverschot in 2022 en 2023 het sterkst toenam. In 2024 viel het mediane inkomensoverschot van alle groepen bijna-arme uitkeringsontvangers terug. Bij bijna-arme mensen in werknemershuishoudens was het overschot in 2023 en 2024 gelijk. Zij hadden in 2023 profijt van de verhoging van het minimumloon. Bijna-armen in zelfstandigenhuishoudens hadden in alle jaren eenzelfde overschot van in doorsnee 13 procent.
| Totaal | Inkomen als werknemer | Inkomen als zelfstandige | Bijstand of andere sociale voorziening | Pensioen | Ander overdrachtsinkomen | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 2018 | 12 | 14 | 13 | 6 | 14 | 9 |
| 2019 | 12 | 14 | 13 | 6 | 15 | 10 |
| 2020 | 12 | 14 | 13 | 6 | 15 | 10 |
| 2021 | 12 | 14 | 13 | 6 | 14 | 10 |
| 2022 | 12 | 14 | 13 | 8 | 16 | 12 |
| 2023 | 14 | 15 | 13 | 11 | 17 | 14 |
| 2024* | 13 | 15 | 13 | 9 | 15 | 12 |
Bij bijna-armoede vaak weinig vermogen om op terug te vallen
In 2024 was de vermogensbuffer in het huishouden voor bijna driekwart van de bijna-armen maximaal 25 procent van de armoedegrens. Dat betekent dat het huishouden hiermee nog geen drie maanden zonder inkomen zou kunnen overbruggen. Het vaakst komt dit voor bij bijna-armen in een huishoudens met vooral inkomen uit een bijstandsuitkering. Weinig bijna-armen (bijna 5 procent) leven in een huishouden dat negen maanden of langer zou kunnen overbruggen, dankzij een vermogensbuffer van 75 tot 100 procent van de armoedegrens. Bij mensen in een huishouden met inkomen uit eigen bedrijf of uit pensioen lukt dat nog het vaakst.
| 2024 | |
|---|---|
| Tot 25% | 73,4 |
| 25 tot 50% | 14,6 |
| 50 tot 75% | 7,3 |
| 75 tot 100% | 4,7 |
5.3Kenmerken van bijna-armen
Bijna-armoede komt vaakst voor in eenoudergezinnen
Mensen die deel uitmaken van een eenoudergezin met alleen kinderen tot 18 jaar hebben het vaakst met bijna-armoede te maken. In 2024 ging het om bijna 23 procent. Dat is 3,5 keer zo veel als in de totale bevolking (6,4 procent). Eenoudergezinnen die afhankelijk zijn van de bijstand, ontvangen meestal huurtoeslag en kindgebonden budget en komen dan net boven de armoedegrens uit (bijlage B). Ook onder alleenwonenden is de bijna-armoede groter dan gemiddeld. Bij alleenwonende AOW’ers is de armoede relatief laag (zie hoofdstuk 2). Dat komt doordat het besteedbaar inkomen van alleenwonende AOW’ers op het beleidsmatig boven de armoedegrens uitkwam (zie bijlage B). Dat laatste geldt ook voor AOW-paren. Maar anders dan bij alleenwonenden is hun vermogensbuffer doorgaans groter dan de armoedegrens (bijlage C) en dan blijven zij buiten de (bijna) armoede.
| Aandeel in groep | Aandeel in bevolking | ||
|---|---|---|---|
| Alleenwonend | tot AOW-leeftijd, Alleenwonend | 14,2 | 6,4 |
| Alleenwonend | vanaf AOW- leeftijd, Alleenwonend |
11,3 | 6,4 |
| Eenoudergezin | uitsluitend kinderen tot 18 jaar, Eenoudergezin |
22,9 | 6,4 |
| Eenoudergezin | minstens 1 kind 18 jaar of ouder, Eenoudergezin |
7,7 | 6,4 |
| Paar zonder kinderen | tot AOW-leeftijd, Paar zonder kinderen | 3 | 6,4 |
| Paar zonder kinderen | vanaf AOW- leeftijd, Paar zonder kinderen |
5,4 | 6,4 |
| Paar met kinderen | uitsluitend kinderen tot 18 jaar, Paar met kinderen |
4,2 | 6,4 |
| Paar met kinderen | minstens 1 kind 18 jaar of ouder, Paar met kinderen |
2,3 | 6,4 |
| Anders | , Anders | 3,5 | 6,4 |
Bijna-armoede relatief groot onder kinderen en aankomende AOW’ers
Onder de ruim 1,1 miljoen bijna-armen in 2024 bevonden zich 245 duizend kinderen tot 18 jaar. Dat betekent dat 7,5 procent van alle minderjarige kinderen deel uitmaakte van een bijna-arm huishouden. Bijna de helft van de bijna-arme kinderen leeft in een eenoudergezin. Het besteedbaar inkomen van eenoudergezinnen ligt in de regel boven de armoedegrens, omdat zij veelal van een bijstandsuitkering moeten rondkomen. In 2024 zorgden ook de verlaagde huur en verruiming van het kindgebonden budget en de huurtoeslag ervoor dat eenoudergezinnen die op het sociaal minimum leven, net boven de armoedegrens uitkwamen (zie bijlage B).
Onder mensen die binnen een paar jaar de AOW-leeftijd bereiken, ligt het percentage bijna-armen boven het gemiddelde in de bevolking. Op die leeftijd zijn relatief veel mensen door arbeidsongeschiktheid en werkloosheid afhankelijk van een uitkering. Na pensionering verbetert de inkomenssituatie voor velen doordat het (volledige) AOW-pensioen boven de armoedegrens uitkomt. Onder ouderen vanaf 80 jaar komt bijna-armoede het meest voor. Het gaat dan vooral om ouderen met een klein of geen aanvullend pensioen.
| Aandeel in groep | Aandeel in bevolking | |
|---|---|---|
| Tot 18 jaar | 7,5 | 6,4 |
| 18 tot 25 jaar | 5 | 6,4 |
| 25 tot 30 jaar | 5,8 | 6,4 |
| 30 tot 35 jaar | 6 | 6,4 |
| 35 tot 40 jaar | 6,3 | 6,4 |
| 40 tot 45 jaar | 6,2 | 6,4 |
| 45 tot 50 jaar | 5,7 | 6,4 |
| 50 tot 55 jaar | 5,5 | 6,4 |
| 55 tot 60 jaar | 5,9 | 6,4 |
| 60 tot 65 jaar | 7,2 | 6,4 |
| 65 tot 70 jaar | 6,5 | 6,4 |
| 70 tot 75 jaar | 6,4 | 6,4 |
| 75 tot 80 jaar | 7,2 | 6,4 |
| 80 tot 85 jaar | 8,3 | 6,4 |
| 85 jaar of ouder | 8,6 | 6,4 |
Bijna 3 op de 5 bijstandsontvangers bijna-arm
In 2024 was 59 procent van de mensen in een huishouden met voornamelijk bijstand of een andere sociale voorziening bijna-arm. Samen met het percentage armen (23 procent) maakt dat de bijstandsontvangers de meest financieel kwetsbare sociaaleconomische groep. Ontvangers van een arbeidsongeschiktheids- of werkloosheidsuitkering zijn 3 à 4 keer zo vaak bijna-arm als gemiddeld. De armoede is bij deze uitkeringsontvangers ook relatief groot (zie figuur 2.2.1), maar anders dan bij bijstandsontvangers gaat het bij beide groepen om een minderheid die arm of bijna-arm is. Onder mensen in werknemers- of ondernemershuishoudens komt bijna-armoede veel minder dan gemiddeld voor.
| Aandeel in groep | Aandeel in bevolking | |
|---|---|---|
| Inkomen als werknemer | 2,6 | 6,4 |
| Inkomen als zelfstandige | 2,1 | 6,4 |
| Uitkering werkloosheid | 20,2 | 6,4 |
| Uitkering arbeids- ongeschiktheid |
26,1 | 6,4 |
| Pensioenuitkering | 7,3 | 6,4 |
| Bijstand of andere sociale voorziening | 58,7 | 6,4 |
| Studiefinanciering | 2,6 | 6,4 |
Mensen in migrantenhuishoudens vaakst bijna-arm
Mensen in huishoudens met een hoofdkostwinner geboren in het buitenland (de hoofdkostwinner is een migrant, zie kader Herkomstindeling in paragraaf 2.4) hebben meer met bijna-armoede te maken dan wanneer de hoofdkostwinner in Nederland geboren is. Mensen in een migrantenhuishouden waren met ruim 15 procent bijna 2,5 keer zo vaak bijna-arm als gemiddeld. Is de hoofdkostwinner zelf in Nederland geboren en één of beide ouders niet (tweede generatie) dan waren de armoedepercentages respectievelijk 6 en 10. De minste armoede is er bij mensen in huishoudens met een hoofdkostwinner die zelf in Nederland geboren is en beide ouders ook: 4 procent.
De verschillen in bijna-armoede tussen herkomstgroepen kunnen deels worden toegeschreven aan andere kenmerken, zoals het onderwijsniveau en de leeftijd van de hoofdkostwinner. Bij de uitkomsten geldt net als bij de armoede-uitkomsten de kanttekening dat het CBS het inkomen en de vermogensbuffer van met name migranten mogelijk niet volledig in beeld heeft (zie ook hoofdstuk 2).
Vooral mensen in vluchtelingenhuishoudens bijna-arm
Het aandeel bijna-armen was in 2024 met bijna 50 procent het grootst bij mensen in Syrische migrantenhuishoudens. Ook in andere vluchtelingenhuishoudens kwam bijna-armoede vaak voor, in Somalische en Eritrese bijvoorbeeld was het percentage ruim 30. Mensen in huishoudens met een Marokkaanse herkomst hebben naar verhouding ook vaak te maken met bijna-armoede, zowel de tweede generatie als migranten. Is de hoofdkostwinner van Europese komaf, dan is het percentage bijna-armen in de tweede generatie meestal lager dan gemiddeld. Van de mensen in Europese migrantenhuishoudens hebben Poolse, Bulgaarse en Oekraïense het vaakst met bijna-armoede te maken.
| Geboren in Nederland, een of twee ouders geboren in buitenland | Geboren in buitenland | Geboren in Nederland, beide ouders ook | |
|---|---|---|---|
| Europa | 6,3 | 7,9 | 4 |
| België | 5,9 | 4,8 | . |
| Duitsland | 6,5 | 6,4 | . |
| Verenigd Koninkrijk | 5,3 | 4,3 | . |
| Polen | 5,9 | 8,4 | . |
| Oekraïne | 6,7 | 9,8 | . |
| Bulgarije | 7,7 | 11,5 | . |
| Roemenië | 6,3 | 8 | . |
| Overig Europa | 6,2 | 8,2 | . |
| Buiten-Europa | 8,3 | 19 | . |
| Indonesië | 4,8 | 7,7 | . |
| Turkije | 9 | 15,6 | . |
| Marokko | 14,1 | 22,8 | . |
| Suriname | 10,6 | 13,3 | . |
| Nederlandse Cariben | 10,1 | 15 | . |
| Syrië | 6,9 | 47,5 | . |
| Irak | 9,8 | 29,1 | . |
| Iran | 6,1 | 21,8 | . |
| Afghanistan | 8,3 | 27,1 | . |
| Somalië | 14 | 34,2 | . |
| Eritrea | 5 | 35 | . |
| Overig buiten-Europa | 6,6 | 14,2 | . |
| 1)De verticale lijn geeft het gemiddeld percentage bijna-armen (6,4 procent in 2024) weer. | |||
Bijna-armoede komt vaakst voor in Heerlen en Rotterdam
Per gemeente liep het percentage bijna-armen in 2024 uiteen van 1,7 tot 12,4 procent, tegen 6,4 procent gemiddeld voor heel Nederland. De top vijf van gemeenten met de meeste bijna-armoede werd aangevoerd door Heerlen (12,4 procent), op de voet gevolgd door Rotterdam (12,0 procent). De andere gemeenten in de top vijf waren Kerkrade (11,0 procent) en Den Haag en Amsterdam (beide 10,5 procent). Ook in het noordoosten en in het zuiden zijn gemeenten waar relatief veel bijna-armoede is.
In Rozendaal hadden de minste bewoners te maken met bijna-armoede te maken: 1,7 procent. Met enige afstand volgden vier gemeenten met een percentage van ongeveer 2,6: Eersel, Alphen-Chaam, Castricum en Reusel-De Mierden.
| Pecentage bijna-armen | |
|---|---|
| Groningen | 9 |
| Almere | 6,4 |
| Stadskanaal | 8,4 |
| Veendam | 8,6 |
| Zeewolde | 4,2 |
| Achtkarspelen | 6 |
| Ameland | 4,1 |
| Harlingen | 7,5 |
| Heerenveen | 6,4 |
| Leeuwarden | 9 |
| Ooststellingwerf | 6,1 |
| Opsterland | 4,7 |
| Schiermonnikoog | 5,7 |
| Smallingerland | 8 |
| Terschelling | 3,8 |
| Vlieland | 6,9 |
| Weststellingwerf | 5,2 |
| Assen | 6,9 |
| Coevorden | 6,1 |
| Emmen | 7,6 |
| Hoogeveen | 6,4 |
| Meppel | 5,6 |
| Almelo | 9,7 |
| Borne | 4,3 |
| Dalfsen | 3 |
| Deventer | 7,1 |
| Enschede | 10,3 |
| Haaksbergen | 4,4 |
| Hardenberg | 3,9 |
| Hellendoorn | 3,7 |
| Hengelo (O.) | 7,5 |
| Kampen | 5 |
| Losser | 5,3 |
| Noordoostpolder | 5,3 |
| Oldenzaal | 5,7 |
| Ommen | 4,5 |
| Raalte | 3,7 |
| Staphorst | 3,1 |
| Tubbergen | 3 |
| Urk | 3,1 |
| Wierden | 3,4 |
| Zwolle | 6,6 |
| Aalten | 4,8 |
| Apeldoorn | 6 |
| Arnhem | 10 |
| Barneveld | 3,8 |
| Beuningen | 4,5 |
| Brummen | 4,2 |
| Buren | 3,2 |
| Culemborg | 5,1 |
| Doesburg | 8,1 |
| Doetinchem | 6,6 |
| Druten | 4,7 |
| Duiven | 4,8 |
| Ede | 4,6 |
| Elburg | 3,9 |
| Epe | 4,3 |
| Ermelo | 4,8 |
| Harderwijk | 5,7 |
| Hattem | 3,6 |
| Heerde | 3,8 |
| Heumen | 4,7 |
| Lochem | 4,1 |
| Maasdriel | 4,3 |
| Nijkerk | 3,9 |
| Nijmegen | 9 |
| Oldebroek | 3,7 |
| Putten | 3,6 |
| Renkum | 5,4 |
| Rheden | 7,2 |
| Rozendaal | 1,7 |
| Scherpenzeel | 3 |
| Tiel | 7,2 |
| Voorst | 3,8 |
| Wageningen | 5,2 |
| Westervoort | 6,6 |
| Winterswijk | 5,9 |
| Wijchen | 5,2 |
| Zaltbommel | 4,7 |
| Zevenaar | 5,9 |
| Zutphen | 7,1 |
| Nunspeet | 3,9 |
| Dronten | 4,8 |
| Amersfoort | 5,8 |
| Baarn | 4,6 |
| De Bilt | 4,9 |
| Bunnik | 2,9 |
| Bunschoten | 3,6 |
| Eemnes | 3,8 |
| Houten | 3,5 |
| Leusden | 3,4 |
| Lopik | 3,7 |
| Montfoort | 3,4 |
| Renswoude | 3,5 |
| Rhenen | 4,5 |
| Soest | 4,9 |
| Utrecht (gemeente) | 7,5 |
| Veenendaal | 5,9 |
| Woudenberg | 3,3 |
| Wijk bij Duurstede | 3,9 |
| IJsselstein | 4,8 |
| Zeist | 6,1 |
| Nieuwegein | 6 |
| Aalsmeer | 4,4 |
| Alkmaar | 6,4 |
| Amstelveen | 5,7 |
| Amsterdam | 10,5 |
| Bergen (NH.) | 4 |
| Beverwijk | 6,7 |
| Blaricum | 3,6 |
| Bloemendaal | 3 |
| Castricum | 2,7 |
| Diemen | 6,6 |
| Edam-Volendam | 3,2 |
| Enkhuizen | 6,3 |
| Haarlem | 6,8 |
| Haarlemmermeer | 4,6 |
| Heemskerk | 5,7 |
| Heemstede | 3,4 |
| Heiloo | 3,3 |
| Den Helder | 6,9 |
| Hilversum | 6,7 |
| Hoorn | 6,8 |
| Huizen | 5,6 |
| Landsmeer | 4,2 |
| Laren (NH.) | 4 |
| Medemblik | 4,4 |
| Oostzaan | 3,8 |
| Opmeer | 3,7 |
| Ouder-Amstel | 5 |
| Purmerend | 6,1 |
| Schagen | 3,7 |
| Texel | 4,5 |
| Uitgeest | 3,6 |
| Uithoorn | 5 |
| Velsen | 5,9 |
| Zandvoort | 7,5 |
| Zaanstad | 7,2 |
| Alblasserdam | 5,1 |
| Alphen aan den Rijn | 4,4 |
| Barendrecht | 4,1 |
| Drechterland | 3,6 |
| Capelle aan den IJssel | 8 |
| Delft | 7,6 |
| Dordrecht | 7,7 |
| Gorinchem | 6,8 |
| Gouda | 7,1 |
| 's-Gravenhage (gemeente) | 10,5 |
| Hardinxveld-Giessendam | 3,6 |
| Hendrik-Ido-Ambacht | 3,6 |
| Stede Broec | 4,5 |
| Hillegom | 4,4 |
| Katwijk | 4,1 |
| Krimpen aan den IJssel | 5,5 |
| Leiden | 7,2 |
| Leiderdorp | 4,4 |
| Lisse | 3,7 |
| Maassluis | 7,3 |
| Nieuwkoop | 3,2 |
| Noordwijk | 4,1 |
| Oegstgeest | 3,4 |
| Oudewater | 3,5 |
| Papendrecht | 5 |
| Ridderkerk | 6,2 |
| Rotterdam | 12 |
| Rijswijk (ZH.) | 8,1 |
| Schiedam | 8,9 |
| Sliedrecht | 5,6 |
| Albrandswaard | 3,6 |
| Vlaardingen | 8,9 |
| Voorschoten | 3,9 |
| Waddinxveen | 3,9 |
| Wassenaar | 4,8 |
| Woerden | 4,2 |
| Zoetermeer | 6,9 |
| Zoeterwoude | 2,8 |
| Zwijndrecht | 7,6 |
| Borsele | 3,3 |
| Goes | 5,6 |
| West Maas en Waal | 4 |
| Hulst | 4,5 |
| Kapelle | 3,5 |
| Middelburg (Z.) | 6,4 |
| Reimerswaal | 4,1 |
| Terneuzen | 6 |
| Tholen | 4 |
| Veere | 2,8 |
| Vlissingen | 8,3 |
| De Ronde Venen | 4,1 |
| Tytsjerksteradiel | 4,7 |
| Asten | 3,9 |
| Baarle-Nassau | 4 |
| Bergen op Zoom | 7,1 |
| Best | 3,9 |
| Boekel | 3,2 |
| Boxtel | 4,9 |
| Breda | 6,7 |
| Deurne | 4,2 |
| Pekela | 9,5 |
| Dongen | 4,1 |
| Eersel | 2,6 |
| Eindhoven | 7,7 |
| Etten-Leur | 5,5 |
| Geertruidenberg | 4,6 |
| Gilze en Rijen | 5 |
| Goirle | 3,8 |
| Helmond | 7,9 |
| 's-Hertogenbosch | 6,8 |
| Heusden | 4,4 |
| Hilvarenbeek | 3 |
| Loon op Zand | 4 |
| Nuenen, Gerwen en Nederwetten | 3,7 |
| Oirschot | 3,2 |
| Oisterwijk | 4 |
| Oosterhout | 5,8 |
| Oss | 6 |
| Rucphen | 5 |
| Sint-Michielsgestel | 3 |
| Someren | 4 |
| Son en Breugel | 3,3 |
| Steenbergen | 4,5 |
| Waterland | 4,2 |
| Tilburg | 7,8 |
| Valkenswaard | 4,7 |
| Veldhoven | 4,1 |
| Vught | 3,7 |
| Waalre | 3,6 |
| Waalwijk | 5,6 |
| Woensdrecht | 4,8 |
| Zundert | 3,7 |
| Wormerland | 4,1 |
| Landgraaf | 8,2 |
| Beek (L.) | 6,2 |
| Beesel | 5,6 |
| Bergen (L.) | 4,2 |
| Brunssum | 9 |
| Gennep | 4,8 |
| Heerlen | 12,4 |
| Kerkrade | 11 |
| Maastricht | 9,4 |
| Meerssen | 4,1 |
| Mook en Middelaar | 3,3 |
| Nederweert | 3,4 |
| Roermond | 8,5 |
| Simpelveld | 5,8 |
| Stein (L.) | 5,1 |
| Vaals | 10,1 |
| Venlo | 8 |
| Venray | 5,5 |
| Voerendaal | 5,2 |
| Weert | 6 |
| Valkenburg aan de Geul | 6,2 |
| Lelystad | 7,7 |
| Horst aan de Maas | 3,7 |
| Oude IJsselstreek | 5,5 |
| Teylingen | 3,2 |
| Utrechtse Heuvelrug | 4,2 |
| Oost Gelre | 3,5 |
| Koggenland | 3 |
| Lansingerland | 3,5 |
| Leudal | 3,4 |
| Maasgouw | 4,6 |
| Gemert-Bakel | 4,7 |
| Halderberge | 5,3 |
| Heeze-Leende | 3 |
| Laarbeek | 4,3 |
| Reusel-De Mierden | 2,7 |
| Roerdalen | 5 |
| Roosendaal | 7 |
| Schouwen-Duiveland | 4,3 |
| Aa en Hunze | 4,5 |
| Borger-Odoorn | 5,2 |
| De Wolden | 3,2 |
| Noord-Beveland | 4,3 |
| Wijdemeren | 4 |
| Noordenveld | 4,4 |
| Twenterand | 5,1 |
| Westerveld | 4,3 |
| Lingewaard | 3,8 |
| Cranendonck | 4,3 |
| Steenwijkerland | 5,1 |
| Moerdijk | 4,7 |
| Echt-Susteren | 5,6 |
| Sluis | 4,8 |
| Drimmelen | 3,4 |
| Bernheze | 3,8 |
| Alphen-Chaam | 2,6 |
| Bergeijk | 2,9 |
| Bladel | 3 |
| Gulpen-Wittem | 4,4 |
| Tynaarlo | 3,5 |
| Midden-Drenthe | 4,2 |
| Overbetuwe | 4,1 |
| Hof van Twente | 4,3 |
| Neder-Betuwe | 4,3 |
| Rijssen-Holten | 3,6 |
| Geldrop-Mierlo | 5 |
| Olst-Wijhe | 4,3 |
| Dinkelland | 3,4 |
| Westland | 4,2 |
| Midden-Delfland | 3,5 |
| Berkelland | 4,2 |
| Bronckhorst | 3,3 |
| Sittard-Geleen | 8,4 |
| Kaag en Braassem | 3,7 |
| Dantumadiel | 6,5 |
| Zuidplas | 3,7 |
| Peel en Maas | 4,1 |
| Oldambt | 8,3 |
| Zwartewaterland | 3,2 |
| S�dwest-Frysl�n | 6 |
| Bodegraven-Reeuwijk | 3,4 |
| Eijsden-Margraten | 3,2 |
| Stichtse Vecht | 4,2 |
| Hollands Kroon | 4,3 |
| Leidschendam-Voorburg | 6,7 |
| Goeree-Overflakkee | 3,6 |
| Pijnacker-Nootdorp | 3,2 |
| Nissewaard | 7,1 |
| Krimpenerwaard | 3,8 |
| De Fryske Marren | 4,2 |
| Gooise Meren | 4,6 |
| Berg en Dal | 5,6 |
| Meierijstad | 4,1 |
| Waadhoeke | 5,7 |
| Westerwolde | 6,8 |
| Midden-Groningen | 7,7 |
| Beekdaelen | 4,8 |
| Montferland | 5 |
| Altena | 3,8 |
| West Betuwe | 3,3 |
| Vijfheerenlanden | 4,8 |
| Hoeksche Waard | 3,3 |
| Het Hogeland | 5,6 |
| Westerkwartier | 4,1 |
| Noardeast-Frysl�n | 6,1 |
| Molenlanden | 2,8 |
| Eemsdelta | 8 |
| Dijk en Waard | 4,5 |
| Land van Cuijk | 4,3 |
| Maashorst | 4,5 |
| Voorne aan Zee | 4,9 |
5.4Literatuur
Literatuur
Brakel, M. van den en N. Pouwels-Urlings (2025). Wie zit er onder en wie boven de armoedegrens? Statistische Trends, 27 juli.