Samenvatting
In Leven in armoede 2025 presenteert het CBS de nieuwste gegevens over het deel van de bevolking van Nederland dat in financieel en sociaal opzicht is achtergebleven bij de rest. Door de financiële situatie ook in relatie tot de sociale situatie te beschrijven, plaatst het CBS de armoedeproblematiek in een breder perspectief.
Om armoede af te bakenen is in deze publicatie gebruikgemaakt van de armoedemeting ontwikkeld door het CBS, Nibud en SCP. Volgens die meting is een huishouden – en de mensen die er deel van uitmaken – arm als er na het betalen van de vaste lasten aan wonen, energie en zorg te weinig middelen (inkomen en eventueel spaargeld of ander direct te besteden bezit) overblijven voor de andere basisbehoeften. De hoogte van de armoedegrens is vastgesteld op basis van de uitgavenposten die minimaal nodig zijn om volwaardig mee te kunnen doen in de samenleving. De grens verschilt per huishoudenstype. In 2024 ging het bij een alleenwonende om 1 600 euro per maand, bij een paar om 2 145 euro. Met twee kinderen tot 13 jaar was de grens voor een paar 2 625 euro en voor een éénoudergezin 2 215 euro. Bij twee kinderen van 13 tot 18 jaar waren de grenzen respectievelijk 3 000 euro en 2 605 euro. In deze publicatie komen ook mensen in beeld die nét iets meer te besteden hebben dan de armoedegrens: de bijna-armen. En voor een internationale vergelijking van armoede wordt de Europese armoedegrens gebruikt.
Armoede in 2024 licht gestegen
In 2024 maakten 551 duizend van de 17,5 miljoen mensen deel uit van een arm huishouden. Dat komt neer op 3,1 procent van de bevolking. In 2023 was het armoedepercentage nog 2,7. De toename van de armoede heeft te maken met het wegvallen van de energiemaatregelen in 2024. Huishoudens met weinig inkomen kregen in 2022 en 2023 nog een energietoeslag van veelal 1 300 euro. Met andere koopkrachtverhogende maatregelen zoals de verruiming van de huurtoeslag en de verhoging van het kindgebonden budget bleef het armoedepercentage in 2024 wel onder het niveau van 2021.
Ruim 130 duizend mensen (0,7 procent) waren in 2024 al minstens drie jaar op rij arm. Dat betekent dat 1 op de 4 armen langdurig arm was. Het percentage langdurig armen was in 2024 vrijwel gelijk aan dat in 2023 (0,8 procent). Bij mensen in eenoudergezinnen, alleenwonenden tot aan de AOW-leeftijd, mensen in een migrantenhuishouden, bijstandsontvangers, jongvolwassenen en mensen met basisonderwijs of een vmbo-diploma komt (langdurige) armoede in verhouding vaak voor.
Inkomenstekort arme mensen toegenomen
Armen komen inkomen tekort. In 2024 was het inkomen in doorsnee 19 procent lager dan de armoedegrens. Dat betekent dat de helft van de mensen in armoede in dat jaar meer dan 19 procent onder de armoedegrens verkeerde. Het tekort was in 2018 nog 12 procent en liep vooral in 2022 en 2023 op. In die jaren maakten bijstandsontvangers door de energietoeslag een minder groot deel uit van de arme bevolking en werkenden juist een groter deel. In arme huishoudens die voornamelijk inkomen uit werk hebben, komen mensen in doorsnee meer inkomen tekort dan in bijstandshuishoudens. In 2024 ging het bij bijstandsontvangers om 13 procent. In werknemershuishoudens was het tekort 22 procent en in zelfstandigenhuishoudens 33 procent.
Vermogensbuffer meestal genoeg voor hooguit drie maanden
Voor driekwart van de armen was de vermogensbuffer in het huishouden in 2024 maximaal 25 procent van de armoedegrens. Zonder inkomen kunnen huishoudens daarmee nog geen drie maanden overbruggen. Het vaakst (86 procent) komt zo’n kleine vermogensbuffer voor in huishoudens met vooral inkomen uit een bijstandsuitkering. Maar weinig armen (5 procent) leven in huishoudens die negen maanden of langer zouden kunnen overbruggen (met een vermogensbuffer van 75 tot 100 procent van de armoedegrens). Het vaakst is dat zo bij mensen in huishoudens met inkomen uit eigen bedrijf of uit pensioen.
Ruim 1,1 miljoen mensen bijna-arm
Naast de 551 duizend armen waren 1,1 miljoen mensen bijna-arm: het inkomen van hun huishouden lag tot 25 procent bóven de armoedegrens, maar hun vermogensbuffer eronder. Dat komt neer op 6,4 procent van de bevolking. Het inkomen van bijna-armen ligt in doorsnee 13 procent boven de armoedegrens, maar – net als bij de arme bevolking – was voor bijna driekwart van de bijna-armen de vermogensbuffer maximaal 25 procent van de grens. Bijna-armoede komt relatief vaak voor bij alleenwonenden en eenoudergezinnen, bij kinderen tot 18 jaar en ouderen vanaf 80 jaar, bij uitkeringsontvangers en in migrantenhuishoudens.
Betalingsachterstanden en andere financiële problemen
Mensen in een huishouden dat arm of bijna-arm is, ondervinden op verschillende terreinen financiële problemen. Zo had het merendeel van de (bijna-) armen onvoldoende geld om versleten meubels te vervangen, jaarlijks een week op vakantie te gaan of regelmatig nieuwe kleren te kopen. Ook had 17 procent achterstanden bij de betaling van de maandelijkse huur- of hypotheeklasten, de elektriciteits-, water- of gasrekeningen of bij het afbetalen van een lening of op krediet gekochte artikelen. Mensen die niet arm en ook niet bijna-arm zijn, hadden hier relatief weinig mee te maken.
Van de mensen die arm of bijna-arm zijn, gaf 35 procent in 2024 aan (zeer) moeilijk te kunnen rondkomen. Bij de mensen die niet arm en niet bijna-arm zijn, was dat 5 procent. Het percentage armen en bijna-armen dat zegt schulden te moeten maken, kwam uit op bijna 12. Van de mensen in huishoudens met meer inkomen of een voldoende vermogensbuffer was dat 2 procent. Arme en bijna-arme mensen hebben bovendien vaker problematische schulden en komen vaker in de schuldsanering terecht dan mensen die dat niet zijn. Ook zijn armen en bijna-armen minder tevreden over hun financiële situatie en somberder over de financiële toekomst.
Achterstanden op sociaal gebied
Armen en bijna-armen ervaren vaker sociale overlast in de buurt dan mensen die niet arm en niet bijna-arm zijn. Het gaat dan om overlast van rondhangende jongeren, overlast door buurtbewoners, overlast door dronken mensen op straat, drugsgebruik of drugshandel, of lastiggevallen worden op straat. Ook van geweld (mishandeling, bedreiging of seksuele delicten), diefstal en inbraak, vernielingen, online criminaliteit en huiselijk geweld zijn armen en bijna-armen vaker slachtoffer. Overigens ligt bij hen niet alleen het aandeel dat slachtoffer is geworden van criminaliteit maar ook het aandeel dat verdacht wordt van het plegen van een misdrijf hoger dan bij mensen die niet arm en ook niet bijna-arm zijn.
Bij armen en bijna-armen is bovendien sprake van een stapeling van gezondheidsproblemen. Mensen die arm of bijna-arm zijn, geven aan een minder goede gezondheid en een ongezondere leefstijl te hebben. Ze bewegen minder, roken meer en zijn vaker te zwaar dan mensen met meer inkomen of een voldoende vermogensbuffer. Ook doen arme en bijna-arme mensen minder mee in de samenleving: ze zijn minder vaak actief in een vereniging, doen minder vaak vrijwilligerswerk en voelen zich vaker eenzaam. Ze hebben tevens minder vertrouwen in de medemens en in instituties als rechters, leger, politie en pers.
Zzp’ers het meest kwetsbaar voor armoede
Van de mensen met hoofdzakelijk inkomen uit betaald werk maakte 2,0 procent (175 duizend werkenden) in 2024 deel uit van een arm huishouden. In 2018 was dat nog 3,1 procent. Zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) zijn met 4,4 procent ruim 2 keer zo vaak arm als werknemers en zelfstandigen met personeel (zmp’ers). Ook langdurige armoede komt onder zzp’ers meer voor dan onder werknemers en zmp’ers. Per bedrijfstak lopen de percentages armen sterk uiteen. In de cultuur, recreatie en overige dienstverlening is de armoede bij alle drie de groepen werkenden relatief groot. Dat geldt ook voor de handel, vervoer en horeca. In de zakelijke dienstverlening hebben vooral werknemers en zzp’ers met armoede te maken, in het onderwijs en de bouwnijverheid vooral zzp’ers. Relatief weinig armoede is er bij werkenden in de financiële dienstverlening.
1 op de 10 kinderen in een financieel kwetsbaar gezin
In 2024 maakten 93 duizend minderjarige kinderen deel uit van een arm gezin. Dat komt neer op 2,8 procent van alle kinderen en dat is evenveel als in 2023. Dat de armoede – anders dan in de gehele bevolking – bij kinderen niet steeg, komt vooral door het in 2024 verhoogde kindgebonden budget. Bij 245 duizend kinderen (7,5 procent) was het gezin bijna-arm. Dat betekent dat in totaal 10,3 procent van alle kinderen in een financieel kwetsbaar gezin woont: het gezinsinkomen is maximaal 125 procent van de armoedegrens en de vermogensbuffer is kleiner dan de grens.
Kinderen in armoede of bijna-armoede wonen overwegend in een huurwoning van een woningcorporatie. Vaker dan bij kinderen in gezinnen met meer inkomen of een voldoende vermogensbuffer is er te weinig geld voor een jaarlijkse vakantie, regelmatig nieuwe kleren en om de dag een warme maaltijd met vlees, vis of vleesvervanger. De gezondheid van (bijna-)arme kinderen is daarnaast minder goed. Ook komt crimineel gedrag onder hen vaker voor dan onder kinderen uit gezinnen die niet arm en ook niet bijna-arm zijn.
Hoogste armoedepercentage in Vaals
Per gemeente liep het armoedepercentage in 2024 uiteen van 1,1 tot 6,9 procent, tegen 3,1 procent gemiddeld voor heel Nederland. De top vijf van gemeenten met de meeste armoede werd aangevoerd door Vaals (6,9 procent). De andere gemeenten in de top vijf waren Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Groningen. In Heerlen woonden relatief de meeste bijna-arme inwoners: 12,4 procent in 2024. Dat is bijna 2 keer zoveel als gemiddeld (6,4 procent). Ook in Rotterdam, Kerkrade, Den Haag en Amsterdam kwam bijna-armoede veel voor. Behalve het zuiden trof bijna-armoede relatief veel gemeenten in het noordoosten van Nederland. Aanvullend op het landelijke beleid treffen de meeste gemeenten specifieke maatregelen ter bestrijding van armoede in hun gemeente. Deze regelingen zijn niet in de CBS-cijfers verwerkt.
Binnen EU scoort Nederland relatief gunstig
Van de bevolking van de lidstaten van de Europese Unie leefde 16 procent in 2024 onder de Europese armoedegrens (60 procent van het mediane gestandaardiseerde besteedbaar huishoudensinkomen in een land) en liep daarmee risico op armoede. In Nederland was het armoederisico met 12 procent relatief laag. In drie lidstaten waren de percentages nog lager, waarbij Tsjechië met bijna 10 procent koploper was. Een vijfde (21 procent) van de EU-bevolking had te maken met een risico op armoede of sociale uitsluiting. Dat betekent dat het inkomen lager is dan de Europese armoedegrens, er ernstige financiële of sociale beperkingen zijn, of de economische activiteit van de huishoudensleden die kunnen werken gering is. Ook bij het risico op armoede of sociale uitsluiting had Nederland met 15 procent een gunstige positie ten opzichte van de andere lidstaten. Alleen in Tsjechië (11 procent) en Slovenië (14 procent) waren de aandelen lager.