Opvattingen over de energietransitie
De energietransitie is de overgang van het gebruik van fossiele energie, opgewekt door de verbranding van steenkool, aardolie en aardgas, naar energie uit hernieuwbare bronnen zoals de wind, de zon, de aarde, waterkracht en biomassa. De verbranding van fossiele brandstoffen veroorzaakt niet alleen de uitstoot van broeikasgassen die leiden tot opwarming van de aarde, maar heeft ook uitputting van toegankelijke (fossiele) bronnen op de lange termijn tot gevolg. Hierdoor is het beleid erop gericht om een (meer) duurzame energievoorziening tot stand te brengen. Nederland heeft in EU-verband afgesproken om in 2030 minstens 27 procent van het totale energieverbruik op te wekken met hernieuwbare energie. Recentelijk zijn de Europese afspraken aangescherpt en de verwachting is dat de doelstelling voor Nederland in 2030 zal uitkomen op 38 procent (PBL, TNO, CBS en RIVM, 2023). In 2050 zou de energievoorziening in Nederland (bijna) helemaal duurzaam en CO2‑neutraal moeten zijn (CBS, 2023b; Ministerie van EZK, 2019; Rijksoverheid, 2019).
In Nederland is in 2022 een kwart minder aardgas verbruikt dan in 2021, vooral vanwege de fors hogere aardgasprijzen. Daarmee kwam het aardgasverbruik op het laagste niveau in 50 jaar (CBS, 2023c). Aardgas is met een aandeel van 36 procent nog wel dominant in de energievoorziening, samen met olie. In 2022 is het aandeel hernieuwbare energie toegenomen tot 15 procent van het totale energieverbruik in Nederland (CBS StatLine, 2023a). Vooral het verbruik van zonne- en windenergie steeg; het energieverbruik uit biomassa daalde juist iets tussen 2021 en 2022 (CBS, 2023b).
Om de doelen voor 2030 en 2050 te bereiken is draagvlak onder de bevolking nodig. Hoe denken burgers over het gebruik van verschillende fossiele en duurzame energiebronnen in Nederland? Wat vinden ze ervan dat de overheid volledig wil gaan stoppen met het gebruik van aardgas? En hoe denken ze over de bouw van nieuwe windmolens in Nederland? Deze en andere vragen worden in dit hoofdstuk beantwoord. Daarbij wordt ook geschetst in hoeverre de standpunten van burgers op deze terreinen tussen 2020 en 2023 zijn veranderd. Alle cijfers zijn afkomstig uit het onderzoek Belevingen.
3.1Opvattingen over het gebruik van verschillende energiebronnen
Draagvlak voor minder fossiel en voor meer duurzaam
Een meerderheid van de volwassen bevolking is voorstander van het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen of vindt dat er helemaal mee gestopt moet worden. Bijna de helft vindt dat aardolie (47 procent) en aardgas (48 procent) minder gebruikt moeten worden; 11 respectievelijk 9 procent wil helemaal stoppen met het gebruik van aardolie en aardgas. Van steenkolen vindt ongeveer een derde dat er minder gebruik van moet worden gemaakt, en het deel dat van mening is dat er helemaal mee gestopt moet worden is 38 procent. Wel zeggen in 2023 iets minder mensen dan drie jaar eerder dat aardolie en steenkool helemaal niet meer gebruikt moeten worden.
Duurzame energiebronnen zoals windenergie, zonne-energie, aardwarmte en waterkracht moeten volgens een meerderheid juist meer gebruikt worden. Dit deel is met 78 procent het grootst voor zonne-energie, gevolgd door windenergie met 69 procent. Deze percentages zijn wel iets lager dan in 2020.
Het standpunt over het gebruik van biomassa veranderde nauwelijks tussen 2020 en 2023. Opvallend is dat, net zoals in 2020, een relatief groot deel van de bevolking (27 procent) niet weet of biomassa meer of minder gebruikt moet worden.
| Meer | Evenveel als nu | Minder | Helemaal niet | Weet ik niet | Ik ken deze bron niet | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Aardolie | 2023, Aardolie | 2,1 | 15,6 | 46,7 | 11,3 | 20,4 | 3,8 |
| Aardolie | 2020, Aardolie | 1,3 | 15,7 | 48,4 | 13,1 | 18,3 | 3,2 |
| Steenkool | 2023, Steenkool | 2,1 | 7,1 | 31,5 | 38,4 | 17,7 | 3,1 |
| Steenkool | 2020, Steenkool | 1,3 | 6,3 | 32,5 | 43,7 | 14,1 | 2,2 |
| Aardgas | 2023, Aardgas | 6,7 | 22,1 | 48,1 | 9,0 | 12,5 | 1,7 |
| Aardgas | 2020, Aardgas | 6,5 | 24,8 | 48,4 | 8,6 | 10,5 | 1,1 |
| Windenergie | 2023, Windenergie | 68,6 | 17,3 | 4,6 | 1,8 | 6,7 | 1,1 |
| Windenergie | 2020, Windenergie | 72,5 | 14,4 | 4,9 | 1,7 | 5,7 | 0,9 |
| Zonne-energie | 2023, Zonne-energie | 78,2 | 12,2 | 2,2 | 0,9 | 5,5 | 1,0 |
| Zonne-energie | 2020, Zonne-energie | 83,0 | 9,0 | 1,3 | 1,0 | 5,0 | 0,7 |
| Aardwarmte | 2023, Aardwarmte | 56,8 | 11,9 | 3,6 | 1,9 | 19,2 | 6,6 |
| Aardwarmte | 2020, Aardwarmte | 56,3 | 10,8 | 4,0 | 2,6 | 17,7 | 8,5 |
| Waterkracht | 2023, Waterkracht | 66,1 | 11,5 | 1,9 | 1,1 | 15,6 | 3,8 |
| Waterkracht | 2020, Waterkracht | 67,9 | 10,5 | 1,4 | 1,3 | 14,6 | 4,3 |
| Kernenergie | 2023, Kernenergie | 35,7 | 13,9 | 12,3 | 14,7 | 20,6 | 2,8 |
| Kernenergie | 2020, Kernenergie | 25,0 | 12,4 | 17,8 | 25,4 | 16,4 | 2,9 |
| Biomassa | 2023, Biomassa | 23,3 | 15,3 | 14,5 | 11,3 | 27,4 | 8,1 |
| Biomassa | 2020, Biomassa | 23,0 | 15,1 | 15,1 | 13,4 | 24,6 | 8,7 |
Nederlanders positiever over het gebruik van kernenergie
Het standpunt ten aanzien van kernenergie is veranderd in de afgelopen drie jaar: in 2020 vond 25 procent dat Nederland meer gebruik zou moeten maken van kernenergie, 18 procent vond juist dat het gebruik moest verminderen, en 25 procent was helemaal tegen het gebruik van kernenergie. In 2023 vindt 36 procent dat kernenergie meer gebruikt zou moeten worden. De percentages die vinden dat het gebruik minder moet worden (12 procent) of er helemaal mee gestopt moet worden (15 procent) zijn afgenomen. Per saldo is de Nederlandse bevolking dus positiever gaan denken over het gebruik van kernenergie.
Vooral mannen, ouderen, hoogopgeleiden en personen uit huishoudens met een hoge welvaart staan vaak positief tegenover het gebruik van kernenergie.
| Meer | Evenveel als nu | Minder | Helemaal niet | Weet ik niet | Ik ken deze bron niet | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | 35,7 | 13,9 | 12,3 | 14,7 | 20,6 | 2,8 |
| Geslacht | . | . | . | . | . | . |
| Man | 49,1 | 15,3 | 10,4 | 12,0 | 11,7 | 1,6 |
| Vrouw | 22,6 | 12,5 | 14,2 | 17,4 | 29,2 | 4,1 |
| Leeftijd | . | . | . | . | . | . |
| 18 tot 25 jaar | 35,4 | 13,9 | 14,6 | 10,8 | 20,2 | 5,2 |
| 25 tot 35 jaar | 34,4 | 10,6 | 13,4 | 13,6 | 24,1 | 3,9 |
| 35 tot 45 jaar | 30,4 | 12,9 | 15,0 | 15,2 | 23,4 | 3,1 |
| 45 tot 55 jaar | 34,2 | 13,5 | 13,4 | 15,3 | 21,8 | 1,9 |
| 55 tot 65 jaar | 36,7 | 16,1 | 10,0 | 15,9 | 19,7 | 1,5 |
| 65 tot 75 jaar | 38,3 | 16,5 | 10,5 | 17,3 | 15,7 | 1,7 |
| 75 jaar of ouder | 42,7 | 13,9 | 8,9 | 14,1 | 17,2 | 3,2 |
| Opleidingsniveau | . | . | . | . | . | . |
| Laag | 29,7 | 15,0 | 13,5 | 15,3 | 22,0 | 4,5 |
| Middelbaar | 36,3 | 14,2 | 13,1 | 14,2 | 19,9 | 2,4 |
| Hoog | 40,3 | 13,1 | 10,7 | 15,2 | 19,4 | 1,3 |
Zeeuwen het meest voorstander van het gebruik van kernenergie
Inwoners van Zeeland, de enige provincie waar een werkende kerncentrale staat (in Borssele), zijn het meest positief over het gebruik van kernenergie: 4 op de 10 Zeeuwen zeggen dat Nederland meer gebruik zou moeten maken van kernenergie. Ter vergelijking: van de Groningers zijn 3 op de 10 voorstander van meer kernenergie in Nederland.
| Meer | Evenveel als nu | Minder | Helemaal niet | Weet ik niet | Ik ken deze bron niet | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Groningen | 30,6 | 14,7 | 11,7 | 19,8 | 20,1 | 3,1 |
| Fryslân | 37,9 | 14,4 | 11,3 | 15,7 | 18,3 | 2,4 |
| Drenthe | 31,5 | 14,6 | 15,2 | 14,7 | 21,1 | 2,9 |
| Overijssel | 36,3 | 13,6 | 13,4 | 14,3 | 19,8 | 2,6 |
| Flevoland | 32,2 | 12,8 | 14,6 | 12,3 | 24,7 | 3,4 |
| Gelderland | 35,2 | 13,1 | 12,3 | 15,6 | 20,6 | 3,3 |
| Utrecht | 38,3 | 14,9 | 10,2 | 13,7 | 20,2 | 2,7 |
| Noord-Holland | 36,8 | 12,6 | 12,0 | 15,2 | 20,4 | 3,1 |
| Zuid-Holland | 36,4 | 14,5 | 11,5 | 13,5 | 21,2 | 3,0 |
| Zeeland | 40,1 | 23,9 | 10,3 | 9,4 | 13,9 | 2,3 |
| Noord-Brabant | 34,2 | 13,3 | 14,0 | 15,0 | 21,2 | 2,2 |
| Limburg | 34,6 | 13,1 | 12,6 | 16,5 | 20,5 | 2,7 |
3.2Opvattingen over de transitie van aardgas naar duurzame energie
Meerderheid voorstander van transitie aardgas naar duurzame energie
Een meerderheid van de volwassen Nederlanders (58 procent) vindt het (heel) positief dat het overheidsbeleid erop gericht is om volledig te stoppen met het gebruik van aardgas in Nederland en over te stappen op duurzame energiebronnen. Dat is een groter deel dan drie jaar geleden, toen 53 procent hier positief tegenover stond. 15 procent vindt het juist (heel) negatief dat de overheid volledig wil gaan stoppen met het gebruik van aardgas. In 2020 was dit nog 19 procent. Vooral vrouwen, jongeren, hoogopgeleiden en stedelingen staan positiever tegenover de transitie van aardgas naar duurzame energie (zie tabellenset).
Argumenten voor- en tegenstanders energietransitie in 2020
In Belevingen 2020 konden de voor- en tegenstanders van de energietransitie hun antwoorden toelichten (Kloosterman et al., 2021). Door voorstanders van het volledig stoppen met het aardgasgebruik werd de bijdrage aan de CO2‑uitstoot het vaakst als reden genoemd. Dit werd als ongewenst gezien met het oog op klimaatverandering. Een andere veelgenoemde reden was dat de winning van aardgas leidt tot ondergrondse verschuivingen en verzakkingen van de bodem. Veel mensen noemden hier als voorbeeld de aardbevingen in Groningen. Verder was een deel van mening dat het goed is om met aardgas te stoppen, omdat de voorraad hiervan op den duur opraakt.
De tegenstanders van het volledig stoppen met het aardgasgebruik noemden in 2020 het vaakst als reden hiervoor dat aardgas een relatief schone fossiele brandstof is. Het draagt naar verhouding weinig bij aan de CO2‑uitstoot en we kunnen niet zomaar zonder. Er zou volgens de tegenstanders beter eerst gestopt kunnen worden met meer vervuilende energiebronnen als steenkool en aardolie. Dat in Duitsland huishoudens juist worden aangemoedigd om op aardgas over te stappen is ook een argument dat genoemd werd. Ook zeiden tegenstanders dat duurzame energiebronnen nog erg duur en niet rendabel zijn, en dat er nog geen goede alternatieven zijn voor aardgas.
Groningers meest positief over transitie van aardgas naar duurzame energie
Bijna 2 op de 3 inwoners van Groningen (64 procent), de provincie waar de gaswinning tot aardbevingsschade aan huizen en andere gebouwen heeft geleid, vinden het (heel) positief dat de overheid volledig wil gaan stoppen met het gebruik van aardgas in Nederland door over te stappen op duurzame energiebronnen. Ook in Utrecht en Noord-Holland is meer dan 60 procent voorstander hiervan. Zeeuwen zien het minst in deze transitie, 49 procent is voorstander.
| (Heel) positief | Niet positief, niet negatief | (Heel) negatief | Weet ik niet | Ik ken deze bron niet | Geen antwoord | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | 58,3 | 20,5 | 15,1 | 3,3 | 1,7 | 1,0 |
| Provincie | . | . | . | . | . | . |
| Groningen | 64,2 | 19,3 | 11,4 | 2,6 | 1,6 | 0,9 |
| Fryslân | 52,2 | 24,5 | 17,4 | 3,9 | 1,1 | 0,9 |
| Drenthe | 55,1 | 27,2 | 13,1 | 2,5 | 1,0 | 1,1 |
| Overijssel | 56,8 | 21,9 | 15,6 | 3,1 | 1,8 | 0,9 |
| Flevoland | 55,3 | 22,5 | 15,9 | 3,9 | 1,6 | 0,7 |
| Gelderland | 58,1 | 19,4 | 15,7 | 3,6 | 2,2 | 1,1 |
| Utrecht | 62,7 | 18,6 | 13,5 | 2,3 | 1,9 | 1,0 |
| Noord-Holland | 62,7 | 18,0 | 13,2 | 2,7 | 2,0 | 1,4 |
| Zuid-Holland | 57,6 | 20,7 | 15,4 | 3,6 | 1,7 | 1,0 |
| Zeeland | 49,3 | 26,1 | 19,9 | 2,0 | 1,7 | 1,0 |
| Noord-Brabant | 57,7 | 20,6 | 15,6 | 3,9 | 1,4 | 0,8 |
| Limburg | 53,8 | 22,7 | 17,1 | 4,3 | 1,2 | 1,0 |
3.3Opvattingen over windmolens in Nederland
Ruime meerderheid voorstander van nieuwe windmolens
Een meerderheid van 66 procent is in het algemeen voor de bouw van nieuwe windmolens in Nederland; 16 procent is tegen. Het draagvlak is in de afgelopen drie jaar wel iets afgenomen: in 2020 was 71 procent voor en 14 procent tegen de bouw van nieuwe windmolens in Nederland. Mannen, jongeren, hoogopgeleiden, personen uit huishoudens met een hoge welvaart en stedelingen staan relatief vaak positief tegenover de bouw van nieuwe windmolens in Nederland (zie tabellenset).
| Voor | Tegen | Weet ik niet | Geen antwoord | |
|---|---|---|---|---|
| Totaal | 65,8 | 16,2 | 14,7 | 3,3 |
| Geslacht | . | . | . | . |
| Man | 67,7 | 18,0 | 11,5 | 2,7 |
| Vrouw | 64,0 | 14,5 | 17,8 | 3,8 |
| Leeftijd | . | . | . | . |
| 18 tot 25 jaar | 70,1 | 10,0 | 15,6 | 4,2 |
| 25 tot 35 jaar | 71,2 | 11,7 | 14,1 | 3,0 |
| 35 tot 45 jaar | 66,1 | 14,4 | 16,7 | 2,8 |
| 45 tot 55 jaar | 65,5 | 15,9 | 15,2 | 3,5 |
| 55 tot 65 jaar | 65,6 | 18,5 | 12,7 | 3,1 |
| 65 tot 75 jaar | 63,9 | 20,7 | 12,5 | 3,0 |
| 75 jaar of ouder | 56,7 | 23,2 | 16,7 | 3,4 |
| Opleidingsniveau | . | . | . | . |
| Laag | 57,3 | 19,8 | 18,1 | 4,8 |
| Middelbaar | 64,0 | 18,6 | 14,7 | 2,7 |
| Hoog | 74,3 | 12,1 | 11,9 | 1,7 |
Argumenten tegenstanders bouw nieuwe windmolens in Nederland in 2020
In Belevingen 2020 konden tegenstanders van de bouw van nieuwe windmolens in Nederland hun antwoord toelichten (Kloosterman et al., 2021). Hun belangrijkste argument was de horizonvervuiling. Een ander argument was dat windmolens milieuproblemen veroorzaken, zoals sterfte van vogels, vissen en insecten. Daarnaast zouden windmolens een beperkte levensduur hebben en niet heel duurzaam zijn; bij het produceren, vervoeren en bouwen van de windmolens zou CO2 vrijkomen. Een veelgenoemde reden was ook dat windmolens niet rendabel zouden zijn. De hoge investeringskosten zouden niet terugverdiend kunnen worden met de energieopbrengst, en er is teveel subsidie nodig. Windmolens zouden ook weinig energie leveren, onder meer omdat het niet altijd waait. Verder noemden enkele tegenstanders overlast door windmolens, voornamelijk geluidsoverlast.
Helft voorstander van nieuwe windmolens op land en zee
Ruim de helft van alle Nederlanders van 18 jaar of ouder (51 procent) vindt in 2023 dat nieuwe windmolens zowel op land als op zee gebouwd moeten worden. In 2020 was dit nog 56 procent. Een kleine 2 procent is van mening dat nieuwe windmolens alleen op land gebouwd zouden moeten worden en volgens 10 procent zou dat alleen op zee moeten gebeuren.
Meer Nederlanders tegen dan voor windmolens in eigen woonomgeving
Van alle volwassen Nederlanders is 19 procent voor windmolens in de eigen woonomgeving, 33 procent is tegen windmolens in de eigen woonomgeving, 43 procent zegt dat het ervan afhangt en de rest weet het niet of geeft geen antwoord. Deze percentages zijn vergelijkbaar met die van 2020.
Argumenten tegenstanders en twijfelaars windmolens in eigen woonomgeving in 2020
In Belevingen 2020 konden mensen die tegen windmolens in de eigen woonomgeving waren of daarover twijfelden hun antwoorden toelichten (Kloosterman et al., 2021). De tegenstanders zeiden dat windmolens beter geplaatst zouden kunnen worden in dunbevolkte gebieden zoals in weilanden, langs snelwegen, langs dijken of in zee. Voor twijfelaars was de belangrijkste factor voor de bepaling van hun standpunt (hoewel minder vergaand) vergelijkbaar met die van de tegenstanders, namelijk dat de nieuwe windmolens niet vlakbij hun woning of in hun direct woonomgeving moeten staan. Zij wezen op geschiktere plekken zoals industriegebieden, weilanden, en havens of plekken aan de rand van het dorp.