Inleiding
1.1Achtergrond
Tegen de achtergrond dat kansenongelijkheid een belangrijke maatschappelijke en politieke kwestie betreft heeft het CBS in 2024 het onderzoek Belevingen uitgevoerd, een enquête onder ruim 8 duizend inwoners van Nederland van 18 jaar of ouder. Centraal stond de beleving van kansenongelijkheid in brede zin, dat wil zeggen op het terrein van onderwijs, arbeid, wonen en zorg. Hoe ervaren 18‑plussers de kansenongelijkheid in Nederland op deze terreinen? Hebben zij het gevoel dat iedereen gelijke kansen heeft? En in welke mate hebben zij zelf met kansenongelijkheid te maken gehad? Welke verschillen bestaan er op deze punten tussen bevolkingsgroepen en tussen regio’s? Deze vragen en meer worden in deze publicatie Kansenongelijkheid in Nederland 2024: Opvattingen en ervaringen beantwoord.
Daarmee vormt dit onderzoek een aanvulling op bestaande bronnen over kansenongelijkheid in Nederland, zoals het landelijk Dashboard Gelijke Kansen, het Regionaal Datadashboard van de Gelijke Kansen Alliantie, de Kansenatlas, de Kansenkaart en de beleidsindicatoren uit de beleidsagenda van de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, alsook onderzoek op dit terrein (e.g. Bluemink, Dorenbos, Fennema en De Vries, 2023; Hoff, Vrooman, Iedema, Boelhouwer en Kullberg, 2021; Mulder et al., 2023; Notten, 2022; SCP, 2015; Van Gent, 2021). Het doel is om aan de hand van opvattingen, percepties en ervaringen van inwoners van Nederland een beter beeld te krijgen van de ervaren kansenongelijkheid.
Al op jonge leeftijd kansenongelijkheid
Volgens het gelijkheidsideaal verdient iedereen in Nederland een goed bestaan en daarvoor zijn gelijke kansen van belang (Van de Werfhorst en Van Hest, 2019; SER, 2021). Op alle levensdomeinen – zoals in het onderwijs, op de arbeidsmarkt, in de zorg en op de woningmarkt – zouden mensen gelijke kansen moeten krijgen, ongeacht wie ze zijn of waar ze vandaan komen. De praktijk is anders. Literatuur laat zien dat kenmerken van personen en de omstandigheden waarin zij zijn geboren en opgegroeid van invloed zijn op de kansen die zij gedurende hun leven krijgen (SER, 2021). Dit speelt al op jonge leeftijd (SCP, 2021; Zumbuehl en Dillinghen, 2020). Zo hebben ouders met een hogere sociaaleconomische positie meer mogelijkheden en middelen om te investeren in de ontwikkeling van hun kinderen, financieel maar ook door het overbrengen van kennis, vaardigheden, gedragingen en door gebruik te maken van hun sociale netwerk (Badou en Day, 2021; De Graaf en De Graaf, 2003; Hoff e.a., 2021). Hierdoor behalen deze kinderen betere schoolprestaties en maken zij ambitieuzere onderwijskeuzes dan kinderen van ouders met een lagere sociaaleconomische positie, ook bij dezelfde capaciteiten en talenten. Dit resulteert in een hoger onderwijsniveau en op de langere termijn in meer kans op een goede toekomst. Op deze manier wordt ongelijkheid voor een belangrijk deel van ouders op kinderen overgedragen (Notten, 2022; Van de Werfhorst en Van Hest, 2019).
Het onderwijs slaagt er niet in om deze ongelijkheid terug te dringen door de wijze waarop het onderwijssysteem is ingericht (Badou en Day, 2021; Gaikhorst en Veerman, 2023; NJi, 2025; SER, 2021). De vroege voorsortering in het onderwijs zorgt ervoor dat laatbloeiers en achterstandsleerlingen onder hun niveau onderwijs volgen. En ook andere uitdagingen zoals het lerarentekort, verwachtingen die leerkrachten van leerlingen hebben, en grote klassen kunnen ontplooiing van leerlingen in de weg zitten.
Kansenongelijkheid in verschillende levensdomeinen
Niet alleen in het onderwijs, maar ook in andere levensdomeinen zijn er voorbeelden van kansenongelijkheid te geven. Zo laat onderzoek (AWVN, 2023; Movisie, 2020; SER, 2019, 2021) zien dat mensen met een herkomst buiten Nederland en mensen met een (arbeids)beperking vaker moeten solliciteren voordat ze een baan krijgen, dat mensen met een herkomst buiten Nederland en vrouwen minder kans maken bij het doorstromen naar hogere functies, dat het hebben van een goed sociaal netwerk helpt bij het vinden van een baan of woning, en dat een goede bereikbaarheid en hoog voorzieningenniveau in de woonomgeving bijdraagt aan een beter kansenpalet.
De overheid ziet het belang van kansengelijkheid – niet alleen voor het individu, maar ook voor de samenleving als geheel – en zet zich in om gelijke kansen te bevorderen. Voorbeelden van initiatieven om dit te bereiken zijn het landelijk actieprogramma Kansrijke Start (Ministerie van VWS, 2018), de Gelijke Kansen Alliantie (Ministerie van VWS, 2016), de Verklaring Gelijke Kansen (Rijksoverheid, 2024) en het Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie (Rijksoverheid, 2023). En ook op gemeentelijk niveau wordt gewerkt aan het bevorderen van kansengelijkheid binnen de samenleving (e.g. Bluemink, Dorenbos, Fennema en De Vries, 2023; Stichting PAS, 2024; VNG, 2023).
Kansenongelijkheid versus ongelijkheid van positie
In de literatuur wordt onderscheid gemaakt tussen ongelijkheid van kansen en ongelijkheid van positie (Van de Werfhorst en Van Hest, 2019). Bij ongelijkheid van positie gaat het om de objectieve verschillen in de mate waarin mensen over een waardevol goed beschikken, zoals inkomen en vermogen, gezondheid of een woning. Zo is de inkomensverdeling ongelijker als de verschillen in inkomen groot zijn. In het geval dat iedereen dichter bij het gemiddelde zit, is er sprake van een meer gelijke verdeling. Ongelijkheid van kansen verwijst niet zozeer naar de ongelijke verdeling, maar naar de mate waarin de positie die iemand inneemt in de verdeling wordt bepaald door kenmerken die er niet toe zouden moeten doen, zoals sociaal milieu of herkomst. Beide vormen van ongelijkheid verschillen conceptueel van elkaar, maar ze hangen ook met elkaar samen. Voorbeelden hiervan zijn dat de ongelijke positie van de ouders leidt tot ongelijke kansen voor hun kinderen, en dat mensen met veel geld meer kansen krijgen dan mensen met weinig geld. Hoewel de primaire focus van deze publicatie ligt op opvattingen over en ervaringen met kansenongelijkheid, zijn ook feitelijke cijfers over de verdeling van ongelijkheden opgenomen om de cijfers over ervaren kansenongelijkheid in een bredere context te plaatsen. De cijfers hierover zijn grotendeels afkomstig uit andere bronnen van het CBS. Tevens wordt op basis van het onderzoek Belevingen bekeken hoe de inwoners van Nederland denken over verschillen tussen arm en rijk en over het voorzieningenaanbod in hun regio.
Onderzoek Belevingen
Het thema van het onderzoek Belevingen verandert jaarlijks. In 2024 stond kansenongelijkheid centraal (CBS, 2025). De enquêtering voor het onderzoek is van eind april tot half oktober 2024 uitgevoerd. In totaal hebben 8 355 personen van 18 jaar of ouder aan dit onderzoek deelgenomen.
Belevingen is een steekproefonderzoek, dat wil zeggen dat niet de totale onderzoekspopulatie maar slechts een deel hiervan wordt bevraagd. Dit heeft als gevolg dat de gepresenteerde cijfers schattingen zijn die betrouwbaarheidsmarges hebben. In dit onderzoek is een betrouwbaarheidsniveau van 95 procent gekozen. Dit betekent dat de werkelijke waarde bij herhaald onderzoek naar verwachting in 95 van de 100 steekproeven zal liggen tussen de boven- en ondergrens die hoort bij de schatting. Bij kleine groepen zijn de marges groter. In deze publicatie zijn alleen cijfers weergegeven voor groepen met minimaal 100 waarnemingen. De betrouwbaarheidsmarges in de vorm van boven- en ondergrenzen van de in deze publicatie gepresenteerde cijfers zijn opgenomen in de tabellenset die aan de publicatie is toegevoegd. Meer informatie over het onderzoek Belevingen is opgenomen in de onderzoeksbeschrijving.
1.2Leeswijzer
Inhoud publicatie
In de hoofdstukken 2, 3, 5 en 6 wordt kansenongelijkheid op verschillende terreinen behandeld: het onderwijs (hoofdstuk 2), de arbeidsmarkt (hoofdstuk 3), de gezondheidszorg (hoofdstuk 5) en de woningmarkt (hoofdstuk 6). Elk van deze hoofstukken heeft in grote lijnen dezelfde opbouw. Eerst worden objectieve verschillen tussen bevolkingsgroepen beschreven waarmee inzicht wordt verkregen in ongelijkheden in positie. Vervolgens wordt beschreven in hoeverre de bevolking vindt dat iedereen in Nederland gelijke kansen heeft op het desbetreffende terrein, waarna ingegaan wordt op de eigen ervaringen met kansenongelijkheid.
In hoofdstuk 4 en hoofdstuk 7 wordt uitgebreider ingegaan op twee thema’s die nauw samenhangen met kansenongelijkheid: verschillen tussen arm en rijk (hoofdstuk 4) en verschillen tussen regio’s in voorzieningen (hoofdstuk 7). Deze vormen van ongelijkheid zijn van belang omdat ze kansenongelijkheid kunnen versterken. Afgesloten wordt met hoofdstuk 8 waarin de stapeling van kansen aan bod komt. Een onderzoeksbeschrijving is als bijlage bij deze publicatie opgenomen.
Persoons- en regionale kenmerken
In alle hoofdstukken zijn uitsplitsingen opgenomen naar geslacht, leeftijd, onderwijsniveau, herkomst, welvaart en armoede van het huishoudennoot1, aangevuld met persoonskenmerken die voor het betreffende thema relevant zijn (zie de onderzoeksbeschrijving voor een toelichting van deze kenmerken). Zo zijn er in het hoofdstuk over ongelijke kansen op de arbeidsmarkt uitsplitsingen opgenomen naar arbeidskenmerken, en wordt in het hoofdstuk over ongelijke kansen in de gezondheidszorg het belang van eigen ervaren gezondheid bekeken. Voor het overzicht en de leesbaarheid worden deze uitsplitsingen niet allemaal in de grafieken getoond. Standaard is de uitsplitsing naar geslacht en onderwijsniveau opgenomen samen met één of enkele andere relevante kenmerken. In de tabellenset staan wel alle cijfers.
Verder is er ook steeds naar een set van regiokenmerken gekeken, te weten provincie, de stedelijkheid van de woongemeente, grensregio en Randstad. Vooral voor hoofdstuk 8, waar gekeken is naar regionale verschillen in het aanbod van voorzieningen, zijn deze kenmerken relevant. In de overige hoofdstukken wordt alleen op de regionale uitkomsten ingegaan als deze van belang zijn. Ook alle regionale cijfers zijn terug te vinden in de tabellenset.
Significantietoetsing
In deze publicatie worden verschillen in ervaren kansenongelijkheid tussen bevolkingsgroepen beschreven. Met behulp van statistische toetsing is nagegaan of de geschatte waarde voor een groep (bijvoorbeeld jongeren) significant afwijkt van de geschatte waarde voor een andere groep (bijvoorbeeld ouderen). Daarna is bekeken of de gevonden verschillen statistisch significant blijven wanneer gecorrigeerd wordt voor andere kenmerken (bijvoorbeeld welvaartsniveau van het huishouden). De in deze publicatie beschreven verschillen zijn ook na correctie voor deze andere kenmerken statistisch significant tenzij anders aangegeven.
Alle cijfers
Het complete achterliggende cijfermateriaal dat behoort bij de in deze publicatie gepresenteerde uitkomsten uit het onderzoek Belevingen 2024 is inclusief 95%-betrouwbaarheidsmarges (boven- en ondergrens) opgenomen in een tabellenset die aan deze publicatie is toegevoegd.
1.3Literatuur
Literatuur
AWVN (2023). Manifest voor gelijke kansen. Algemene Werkgeversvereniging Nederland, Den Haag.
Badou, M. en M. Day (2021). Kansengelijkheid in het onderwijs. Verkennend onderzoek naar factoren die samenhangen met onderwijs(on)gelijkheid. Verwey-Jonker Instituut, Utrecht.
Bluemink, B., Dorenbos, R., J. Fennema en J. de Vries (2023). Kansenongelijkheid in grensregio’s. Een verkenning. Platform31, Den Haag.
CBS (2025). Onderzoeksbeschrijving: Belevingen. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire.
Gaikhorst, L. en E. Veerman (2023). Het positieve effect van hoge verwachtingen. UvA, Amsterdam.
Gent, W. van (2021). Hoe bepaalt je achtergrond je kansen op de woningmarkt? Studium Generale, Universiteit Utrecht.
Graaf, N.D. de en P. de Graaf (2003). Cultureel kapitaal en sociale reproductie: Cohorten tussen 1930 en 1975 vergeleken. In: Ganzeboom, H. en Damen, M. (ed.). Jaren van onderscheid: Trends in cultuurdeelname in Nederland, pp. 72–95.
Hoff, S., C. Vrooman, J. Iedema, J. Boelhouwer en J. Kullberg (2021). Verschil in Nederland 2014–2020. Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.
Ministerie van VWS (2016). Gelijke Kansen Alliantie. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Den Haag.
Ministerie van VWS (2018). Actieprogramma Kansrijke Start. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Den Haag.
Movisie (2020). De kracht van informele netwerken bij het vinden van werk. Movisie, Utrecht.
Mulder, L., E. Akwiwu, J. Twisk, A. Koster, J.H. Ravesloot, G. Croiset, R. Kusurkar, A. Wouters (2023). Inequality of opportunity in selection procedures limits diversity in higher education: An intersectional study of Dutch selective higher education programs. PLoS ONE, 18(10).
Notten, N. (2022). Kansenongelijkheid wordt van generatie op generatie overgedragen. Sociale Vraagstukken.
NJi (2025). Wat veroorzaakt kansenongelijkheid in het onderwijs? Nederlands Jeugdinstituut, Utrecht.
Rijksoverheid (2023). Voortgangsbrief Actieplan arbeidsmarktdiscriminatie 2022–2025. Rijksoverheid, Den Haag.
Rijksoverheid (2024). Verklaring Gelijke kansen. Rijksoverheid, Den Haag.
SCP (2015). Op afkomst afgewezen. Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.
SCP (2021). De kwestie: Ongelijke kansen in het onderwijs. Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.
SER (2019). Hoge verwachtingen – Kansen en belemmeringen voor jongeren in 2019. Sociaal-Economische Raad, Den Haag.
SER (2021). Gelijke kansen in het onderwijs – Structureel investeren in kansengelijkheid voor iedereen. Sociaal-Economische Raad, Den Haag.
Stichting PAS (2024). Monitor kansengelijkheid en inclusie. Stichting Primair onderwijs Arnhem in Samenwerking.
VNG (2023). De waarde van het sociaal domein. Een slimme investering in bestaanszekerheid, kansengelijkheid en gezond samenleven. Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Den Haag.
Werfhorst, H. van de en E. van Hest (2019). Gelijke kansen in de stad. Amsterdam University Press, Amsterdam.
Zumbuehl, M. en R. Dillingh (2020). Ongelijkheid van het jonge kind. Centraal Planbureau, Den Haag.
Noten
Het gaat om mensen in een arm huishouden, maar ook om mensen die deel uitmaken van een bijna-arm huishouden. Deze groepen zijn samengenomen vanwege het beperkte aantal arme mensen in het onderzoek Belevingen 2024.