Foto omschrijving: Een leraar basisonderwijs geeft online les

School

Jongeren in het voortgezet onderwijs

Auteurs: Marijke Hartgers, Kiki van Neden

In schooljaar 2020/’21 volgde ongeveer de helft van de leerlingen in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs een vmbo-opleiding. In het coronajaar 2019/’20 waren de schooladviezen in groep 8 lager dan in voorgaande jaren, was het aandeel zittenblijvers in de bovenbouw van vmbo, havo en vwo lager dan het jaar ervoor en naderden de slagingspercentages de 100 procent. Van de geslaagde havisten en vwo’ers bleef een hoger aandeel onderwijs volgen.

5.1Aandeel vmbo’ers

In het schooljaar 2020/’21 zaten bijna 188 duizend leerlingen in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs (exclusief praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs). In 2015/’16 waren dit er nog ruim 206 duizend en in 2019/’20 bijna 194 duizend. De daling van het aantal leerlingen in het derde leerjaar gaat samen met een daling van het aantal 14- en 15‑jarigen in de bevolking.

94 000 vmbo’ers in de derde klas Buitenvorm Binnenvorm

Ongeveer de helft (50,2 procent) van de leerlingen die in 2020/’21 in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs zaten, volgde een opleiding binnen het vmbo; dit zijn ruim 94 duizend leerlingen. De andere helft zat op de havo of het vwo. Het aandeel vmbo-leerlingen daalt al enige jaren. In 2015/’16 was dit 54,2 procent en in 2019/’20 was dit 51,3 procent. De daling is het grootst bij de basisberoepsgerichte leerweg (vmbo-b). Het aandeel vmbo-b leerlingen van alle leerlingen in het derde leerjaar daalde van 12,3 procent in 2010/’11 tot 8,6 procent in 2020/’21. In 2020/’21 volgde 23,5 procent van de leerlingen in het derde leerjaar havo, 23,1 procent zat op het vwo en 3,2 procent van de leerlingen zat in een gemengde havo/vwo-klas.

5.1.1 Onderwijspositie leerlingen, voortgezet onderwijs derde leerjaar (x 1 000)
leerjaar vmbo-b vmbo-k vmbo-g vmbo-t havo havo/vwo1) vwo
2010/'11 23,683 28,012 15,441 35,252 40,865 5,863 42,765
2011/'12 22,689 28,533 15,941 36,981 41,496 6,669 43,061
2012/'13 22,718 28,878 16,408 37,461 43,227 6,318 42,970
2013/'14 22,260 30,067 17,095 39,323 44,366 6,152 42,987
2014/'15 22,504 30,538 17,523 40,236 44,751 5,641 43,552
2015/'16 22,678 30,503 17,209 41,351 45,158 4,909 44,417
2016/'17 21,709 30,610 17,277 39,679 44,826 4,992 44,455
2017/'18 19,969 30,225 16,925 40,062 46,255 5,222 45,255
2018/'19 18,623 29,471 16,190 39,533 44,967 5,502 44,931
2019/'20 17,225 28,349 15,676 38,048 44,631 5,605 44,008
2020/'21* 16,146 27,165 15,060 35,948 44,177 5,981 43,359
*voorlopige cijfers
1) havo/vwo is algemeen derde leerjaar

Jongens vaker dan meisjes op vmbo

Jongens zitten vaker dan meisjes op het vmbo. In 2020/’21 zat 52,8 procent van de jongens in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs op het vmbo, bij de meisjes was dit 47,5 procent. Binnen het vmbo zijn jongens vooral vaker dan meisjes te vinden in vmbo-b. Meisjes volgen binnen het vmbo vaker dan jongens de leerwegen vmbo-g of vmbo-t. Op de havo en het vwo zijn meisjes oververtegenwoordigd. Het verschil tussen jongens en meisjes is het grootst op het vwo. In 2020/’21 zat 21,4 procent van de jongens in het derde leerjaar op het vwo tegenover 24,8 procent van de meisjes.

Hoger aandeel vmbo’ers in minder stedelijke gemeente

Het aandeel vmbo-leerlingen in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs verschilt per woongemeente. Dit verschilt met name naar de mate van stedelijkheid van de gemeenten. De stedelijkheid geeft de bevolkingsdichtheid van een gemeente aan, het aantal adressen per vierkante kilometer. Hoe stedelijker de gemeente, hoe lager het aandeel van de leerlingen dat op het vmbo zit. In niet stedelijke gemeenten, met minder dan 500 adressen per vierkante kilometer, volgde in 2020/’21 54,5 procent van de leerlingen in het derde leerjaar een vmbo-opleiding. In de zeer sterk stedelijke woongemeente (2 500 of meer adressen per vierkante kilometer) was dit 47,1 procent van de leerlingen. Zeer sterk stedelijke gemeenten zijn vooral te vinden in de Randstad, terwijl niet en weinig stedelijke gemeenten bijna allemaal buiten de Randstad liggen.

5.1.2 Leerlingen derde leerjaar voortgezet onderwijs op vmbo naar regio, 2020/'21* (%)
locatie vmbo
Rotterdam 56,3
s-Gravenhage 48,3
Amsterdam 43,4
Utrecht (gemeente) 38,8
.
G4 totaal 47,4
.
Niet stedelijk 54,5
Weinig stedelijk 52,8
Matig stedelijk 49,9
Sterk stedelijk 49,7
Zeer sterk stedelijk 47,1
.
Totaal Nederland 50,2
*voorlopige cijfers

Ook binnen de categorieën van stedelijkheid zijn er verschillen tussen gemeenten in het aandeel leerlingen dat in het derde leerjaar naar het vmbo gaat. In de vier grootste gemeenten was dit gemiddeld 47,4 procent, maar dit varieerde van 38,8 procent in de gemeente Utrecht tot 56,3 procent in Rotterdam. Gemeenten met de laagste percentages leerlingen op het vmbo zijn vooral sterk of matig stedelijk en liggen veelal in de omgeving van Wassenaar en Bloemendaal, of in het Gooi: Oegstgeest (17,5 procent), Laren (19,4 procent) en Heemstede (23,8 procent). Gemeenten met de hoogste percentages leerlingen op het vmbo liggen over het algemeen in minder stedelijke gebieden in Groningen, Zeeland en Fryslân, zoals Pekela (73,6 procent), Reimerswaal (67,4 procent) en Weststellingwerf (65,3 procent).

Op de Waddeneilanden is het aandeel vmbo’ers met 67,1 procent hoger dan gemiddeld. Texel, het in inwonersaantal grootste Waddeneiland, wijkt met 55,9 procent het minst af van het Nederlandse gemiddelde. Op Texel wordt voortgezet onderwijs aangeboden op alle niveaus, van vmbo-b tot vwo. Dat is op de overige eilanden niet, of voor maar een deel van de opleiding het geval. Leerlingen die havo of vwo willen volgen moeten vanaf het eerste leerjaar of na de brugperiode naar de wal.

5.1.3 Leerlingen in het derde leerjaar voortgezet onderwijs op het vmbo, 2020/'21*
Gemeente vmbo
Aa en Hunze 49,2
Aalsmeer 46,3
Aalten 54,0
Achtkarspelen 59,6
Alblasserdam 50,7
Albrandswaard 45,0
Alkmaar 46,8
Almelo 62,1
Almere 53,5
Alphen aan den Rijn 48,7
Alphen-Chaam 48,3
Altena 57,4
Ameland 97,8
Amersfoort 43,4
Amstelveen 30,1
Amsterdam 43,4
Apeldoorn 51,0
Appingedam 63,2
Arnhem 47,8
Assen 52,3
Asten 45,3
Baarle-Nassau 33,3
Baarn 41,2
Barendrecht 46,3
Barneveld 59,1
Beek 54,4
Beekdaelen 48,8
Beemster 38,3
Beesel 55,1
Berg en Dal 50,4
Bergeijk 61,5
Bergen (L.) 63,3
Bergen (NH.) 42,2
Bergen op Zoom 52,3
Berkelland 55,8
Bernheze 52,8
Best 46,6
Beuningen 43,7
Beverwijk 58,8
Bladel 61,0
Blaricum 25,5
Bloemendaal 26,8
Bodegraven-Reeuwijk 47,3
Boekel 63,0
Borger-Odoorn 59,2
Borne 52,9
Borsele 54,1
Boxmeer 49,5
Boxtel 55,8
Breda 43,6
Brielle 50,6
Bronckhorst 55,9
Brummen 59,9
Brunssum 54,2
Bunnik 28,2
Bunschoten 51,8
Buren 57,5
Capelle aan den IJssel 54,3
Castricum 47,7
Coevorden 60,7
Cranendonck 53,6
Cuijk 49,6
Culemborg 42,2
Dalfsen 52,3
Dantumadiel 48,5
De Bilt 28,0
De Fryske Marren 53,7
De Ronde Venen 39,8
De Wolden 57,1
Delft 45,2
Delfzijl 65,3
Den Helder 60,4
Deurne 55,5
Deventer 51,7
Diemen 41,6
Dinkelland 53,4
Doesburg 63,7
Doetinchem 48,2
Dongen 53,1
Dordrecht 56,2
Drechterland 58,2
Drimmelen 52,0
Dronten 50,3
Druten 48,7
Duiven 56,9
Echt-Susteren 48,8
Edam-Volendam 51,7
Ede 49,6
Eemnes 53,8
Eersel 50,2
Eijsden-Margraten 41,0
Eindhoven 49,0
Elburg 52,9
Emmen 61,0
Enkhuizen 61,6
Enschede 58,7
Epe 62,2
Ermelo 47,8
Etten-Leur 50,8
Geertruidenberg 57,1
Geldrop-Mierlo 52,3
Gemert-Bakel 57,1
Gennep 60,1
Gilze en Rijen 53,0
Goeree-Overflakkee 56,8
Goes 51,6
Goirle 42,9
Gooise Meren 27,5
Gorinchem 47,3
Gouda 42,8
Grave 45,0
Groningen 41,2
Gulpen-Wittem 44,2
Haaksbergen 56,3
Haaren 47,2
Haarlem 41,7
Haarlemmermeer 45,9
Halderberge 47,9
Hardenberg 59,7
Harderwijk 46,9
Hardinxveld-Giessendam 53,1
Harlingen 53,6
Hattem 43,9
Heemskerk 55,4
Heemstede 23,8
Heerde 61,3
Heerenveen 49,4
Heerhugowaard 56,3
Heerlen 57,7
Heeze-Leende 52,4
Heiloo 37,3
Hellendoorn 55,8
Hellevoetsluis 53,5
Helmond 53,5
Hendrik-Ido-Ambacht 41,2
Hengelo 51,5
Het Hogeland 56,2
Heumen 40,8
Heusden 53,3
Hillegom 57,9
Hilvarenbeek 48,6
Hilversum 33,0
Hoeksche Waard 49,9
Hof van Twente 53,4
Hollands Kroon 59,5
Hoogeveen 64,6
Hoorn 53,5
Horst aan de Maas 58,0
Houten 35,7
Huizen 42,7
Hulst 58,8
IJsselstein 41,1
Kaag en Braassem 49,5
Kampen 53,4
Kapelle 44,6
Katwijk 51,9
Kerkrade 57,8
Koggenland 57,3
Krimpen aan den IJssel 58,3
Krimpenerwaard 52,1
Laarbeek 55,0
Landerd 52,9
Landgraaf 54,7
Landsmeer 36,5
Langedijk 51,6
Lansingerland 40,8
Laren 19,4
Leeuwarden 49,5
Leiden 36,0
Leiderdorp 40,3
Leidschendam-Voorburg 40,8
Lelystad 65,0
Leudal 51,7
Leusden 40,4
Lingewaard 47,4
Lisse 56,5
Lochem 46,8
Loon op Zand 53,0
Lopik 53,1
Loppersum 51,0
Losser 57,1
Maasdriel 49,6
Maasgouw 44,9
Maassluis 61,5
Maastricht 37,3
Medemblik 58,1
Meerssen 34,2
Meierijstad 55,9
Meppel 56,9
Middelburg 52,7
Midden-Delfland 49,6
Midden-Drenthe 51,4
Midden-Groningen 62,9
Mill en Sint Hubert 63,3
Moerdijk 54,7
Molenlanden 51,1
Montferland 61,0
Montfoort 57,8
Mook en Middelaar 36,5
Neder-Betuwe 56,0
Nederweert 52,7
Nieuwegein 50,6
Nieuwkoop 44,5
Nijkerk 54,9
Nijmegen 43,6
Nissewaard 61,5
Noardeast-Frysl�n 61,1
Noord-Beveland 59,4
Noordenveld 51,5
Noordoostpolder 53,4
Noordwijk 46,1
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 40,5
Nunspeet 60,0
Oegstgeest 17,5
Oirschot 58,2
Oisterwijk 48,2
Oldambt 65,7
Oldebroek 60,5
Oldenzaal 49,8
Olst-Wijhe 63,8
Ommen 47,3
Oost Gelre 49,2
Oosterhout 56,7
Ooststellingwerf 53,4
Oostzaan 37,4
Opmeer 56,3
Opsterland 54,6
Oss 57,5
Oude IJsselstreek 60,2
Ouder-Amstel 30,3
Oudewater 47,3
Overbetuwe 47,2
Papendrecht 54,5
Peel en Maas 61,5
Pekela 73,6
Pijnacker-Nootdorp 41,5
Purmerend 59,2
Putten 52,5
Raalte 50,4
Reimerswaal 67,4
Renkum 36,2
Renswoude 64,0
Reusel-De Mierden 63,0
Rheden 46,2
Rhenen 52,4
Ridderkerk 50,2
Rijssen-Holten 54,4
Rijswijk 45,4
Roerdalen 56,7
Roermond 52,5
Roosendaal 48,2
Rotterdam 56,3
Rozendaal .
Rucphen 57,3
Schagen 54,9
Scherpenzeel 54,5
Schiedam 62,6
Schiermonnikoog .
Schouwen-Duiveland 55,2
's-Gravenhage 48,3
's-Hertogenbosch 49,1
Simpelveld 43,8
Sint Anthonis 49,2
Sint-Michielsgestel 37,4
Sittard-Geleen 47,6
Sliedrecht 46,8
Sluis 60,5
Smallingerland 53,9
Soest 36,7
Someren 58,9
Son en Breugel 36,8
Stadskanaal 57,6
Staphorst 59,4
Stede Broec 56,1
Steenbergen 49,8
Steenwijkerland 59,8
Stein 46,8
Stichtse Vecht 37,9
S�dwest-Frysl�n 53,7
Terneuzen 55,3
Terschelling 68,6
Texel 55,9
Teylingen 44,2
Tholen 59,5
Tiel 59,1
Tilburg 53,0
Tubbergen 55,9
Twenterand 63,3
Tynaarlo 39,3
Tytsjerksteradiel 49,6
Uden 54,5
Uitgeest 46,1
Uithoorn 37,8
Urk 62,7
Utrecht 38,8
Utrechtse Heuvelrug 32,0
Vaals 57,9
Valkenburg aan de Geul 44,1
Valkenswaard 57,9
Veendam 64,6
Veenendaal 50,4
Veere 48,9
Veldhoven 44,6
Velsen 54,4
Venlo 63,8
Venray 49,2
Vijfheerenlanden 54,6
Vlaardingen 60,8
Vlieland 70,6
Vlissingen 54,5
Voerendaal 50,9
Voorschoten 27,3
Voorst 54,0
Vught 36,3
Waadhoeke 54,0
Waalre 35,9
Waalwijk 56,6
Waddinxveen 59,4
Wageningen 33,8
Wassenaar 24,0
Waterland 32,9
Weert 47,2
Weesp 44,7
West Betuwe 50,0
West Maas en Waal 53,1
Westerkwartier 52,4
Westerveld 53,1
Westervoort 54,3
Westerwolde 62,7
Westland 58,8
Weststellingwerf 65,3
Westvoorne 49,4
Wierden 47,1
Wijchen 48,7
Wijdemeren 41,4
Wijk bij Duurstede 52,4
Winterswijk 59,8
Woensdrecht 52,4
Woerden 48,3
Wormerland 52,5
Woudenberg 44,2
Zaanstad 56,7
Zaltbommel 55,2
Zandvoort 50,9
Zeewolde 36,9
Zeist 31,2
Zevenaar 58,9
Zoetermeer 51,9
Zoeterwoude 37,8
Zuidplas 43,3
Zundert 51,8
Zutphen 48,8
Zwartewaterland 61,3
Zwijndrecht 60,1
Zwolle 50,3
*voorlopige cijfers

5.2Schooladvies

In het schooljaar 2019/’20 werd de eindtoets basisonderwijs in groep 8 vanwege de coronapandemie niet afgenomen. Het eerste advies van de leerkracht kon daardoor niet naar boven worden bijgesteld en was het definitieve advies. Hierdoor viel het definitieve advies gemiddeld lager uit dan in de jaren daarvoor. Zo kreeg 58,5 procent van de achtstegroepers een advies voor vmbo-gt/havo of hoger in 2018/’19, in 2019/’20 was dat 55,2 procent.

Vooral meisjes kregen in 2019/’20 een lager eindadvies dan in de jaren daarvoor. Dit komt omdat meisjes in het verleden vaker dan jongens de eindtoets beter maakten dan verwacht kon worden op basis van het eerste advies van de leerkracht. Daarna kregen zij ook vaker dan jongens een bijstelling van het eerste advies. In 2018/’19 kreeg gemiddeld 22,5 procent van de jongens met een hogere eindtoetsscore een bijstelling van het advies naar boven, tegen 23,7 procent van de meisjes. Alleen na een eerste advies havo/vwo en een toetsadvies vwo kregen jongens vaker dan meisjes een bijstelling naar vwo.

5.2.1 Toetsadvies tov 1e schooladvies en bijstellingen, 2018/'191) (%)
niveau Jongens Meisjes
Bijstelling na hoger toetsadvies²⁾ . .
havo/vwo 28,4 25,1
havo 16,8 18,2
vmbo-gt/havo 45,0 45,5
vmbo-gt 20,9 21,3
vmbo-k/gt 41,0 46,1
vmbo-k 22,6 22,9
vmbo-b/k 32,9 34,9
vso/pro/vmbo-b³⁾ 14,6 17,5
Totaal 1e schooladvies 22,5 23,7
. .
Advies toets hoger dan 1e advies . .
havo/vwo 25,5 30,7
havo 48,6 52,5
vmbo-gt/havo 24,4 26,3
vmbo-gt 55,2 58,8
vmbo-k/gt 33,6 36,3
vmbo-k 68,3 71,9
vmbo-b/k 44,6 47,6
vso/pro/vmbo-b³⁾ 98,3 98,9
Totaal 1e schooladvies 39,9 42,6
1)Voor leerlingen met een eerste schooladvies vwo is dit niet van toepassing.
2)Aandeel leerlingen dat een bijstelling van het advies kreeg van alle leerlingen die op de toets een hoger advies kregen dan het eerste schooladvies.
3)Bij het advies vso/pro/vmbo-b zijn de adviezen vso, pro en vmbo-b samengenomen

Vaker bijstelling van advies voor leerlingen met migratieachtergrond

Leerlingen met een migratieachtergrond krijgen vaker dan leerlingen zonder migratieachtergrond een lager eerste advies van de leerkracht. Dat is grotendeels te wijten aan verschillen in sociaaleconomische status. Bij het vergelijken van leerlingen met en zonder migratieachtergrond uit gezinnen met een vergelijkbaar inkomensniveau, zijn de verschillen aanzienlijk kleiner, of gaan zelfs de andere kant op. Leerlingen met migratieachtergrond scoren, ongeacht hun sociaaleconomische status, iets vaker hoger op de eindtoets dan het niveau van het eerste advies. Hiermee komen ze in aanmerking voor een bijstelling van dit advies naar boven. Een daadwerkelijke bijstelling naar boven wordt vaker gedaan voor leerlingen mèt dan zonder migratieachtergrond.

De daling van het niveau van het advies in coronajaar 2019/’20 ten opzichte van het definitieve advies een jaar eerder verschilt niet alleen naar geslacht, maar ook naar migratieachtergrond en inkomen van het huishouden van de leerling. Het aandeel leerlingen met een definitief advies voor havo of hoger, nam voor de totale groep leerlingen met migratieachtergrond iets meer af (–‍7,0 procent) dan voor de groep leerlingen zonder migratieachtergrond (–‍6,5 procent). Dit verschilde per inkomensgroep.

5.2.2. Definitief advies havo of hoger (%)
inkomen schooljaar Zonder migratieachtergrond Met migratieachtergrond
Totaal
inkomen
huishouden
2018/'19, Totaal
inkomen
huishouden
50,8 42,2
Totaal
inkomen
huishouden
2019/'20¹⁾, Totaal
inkomen
huishouden
47,5 39,3
1e 20% groep 2018/'19, 1e 20% groep 33,2 30,9
1e 20% groep 2019/'20¹⁾, 1e 20% groep 29,2 27,9
2e 20% groep 2018/'19, 2e 20% groep 38,3 36,1
2e 20% groep 2019/'20¹⁾, 2e 20% groep 35,4 33,3
3e 20% groep 2018/'19, 3e 20% groep 44,7 43,3
3e 20% groep 2019/'20¹⁾, 3e 20% groep 41,4 39,9
4e 20% groep 2018/'19, 4e 20% groep 54,3 55,2
4e 20% groep 2019/'20¹⁾, 4e 20% groep 51,6 51,3
5e 20% groep 2018/'19, 5e 20% groep 68,9 71,3
5e 20% groep 2019/'20¹⁾, 5e 20% groep 64,8 67,7
1)In 2019/'20 was het eerste advies ook het definitieve advies, omdat de eindtoets niet werd afgenomen.

5.3Onderwijs in coronajaar 2020

In het schooljaar 2019/’20 kreeg het onderwijs vanwege de coronapandemie te maken met schoolsluitingen en lessen op afstand. Niet alle leerlingen hadden daarbij een goede werkplek en voldoende ondersteuning bij het schoolwerk, en niet alle leerlingen konden voldoende worden getoetst op hun kennis. Leerkrachten gaven hun leerlingen daarom bij de overgang naar het volgende leerjaar soms het voordeel van de twijfel. Het aandeel leerlingen in het voortgezet onderwijs (exclusief de leerjaren 1 en 2) dat overging naar het volgende leerjaar was hoger dan een jaar eerder (88,1 procent tegen 83,9 procent in 2019). Het aandeel leerlingen dat bleef zitten (4,5 procent tegen 7,2 procent) of afstroomde naar een lager onderwijsniveau (3,6 procent tegen 4,7 procent) was lager.

Het grootste verschil met een jaar eerder is te zien in havo 4, doorgaans een leerjaar met een hoog aandeel zittenblijvers. Van de leerlingen die in 2019/’20 in het vierde leerjaar van de havo zaten bleef 9,7 procent zitten (zonder afstroom) tegen 14,4 procent een jaar eerder. Ook ging een iets kleiner aandeel naar de vavo of het mbo (5,4 procent tegen 6,8 procent een jaar eerder). Het aandeel havo 4 leerlingen dat overging naar havo 5 bedroeg in 2020 83,5 procent tegen 77,3 in 2019.

Binnen het derde leerjaar van de beroepsgerichte leerwegen van het vmbo (basis en kader), en het derde leerjaar van het vwo, zijn de verschillen met een jaar eerder het kleinst. Vanuit vwo 3 is het aandeel zittenblijvers met 1,2 procent, net als een schooljaar eerder, het laagst (2,2 procent in 2019). Aan de andere kant telt vwo 3 wel het hoogste aandeel leerlingen dat doorging op een lager onderwijsniveau (8,6 procent tegen 10,3 procent in 2019; meestal havo). Vanuit vmbo-k 3, vmbo-gt 3, vwo 4 en vwo 5 gingen in 2020 meer dan 9 van de 10 leerlingen door naar het volgende leerjaar.

5.3.1 Zittenblijvers (zonder afstroom)*1) (%)
schooltype jaar zittenblijvers
vmbo-b3 2019, vmbo-b3 6,2
vmbo-b3 2020, vmbo-b3 4,5
vmbo-k3 2019, vmbo-k3 4,2
vmbo-k3 2020, vmbo-k3 2,8
vmbo-gt3 2019, vmbo-gt3 7,2
vmbo-gt3 2020, vmbo-gt3 4,1
havo 3²⁾ 2019, havo 3²⁾ 6,4
havo 3²⁾ 2020, havo 3²⁾ 3,2
havo 4 2019, havo 4 14,4
havo 4 2020, havo 4 9,7
vwo 3 2019, vwo 3 2,2
vwo 3 2020, vwo 3 1,2
vwo 4 2019, vwo 4 5,7
vwo 4 2020, vwo 4 3,3
vwo 5 2019, vwo 5 6,8
vwo 5 2020, vwo 5 4,2
*voorlopige cijfers
1)Een schooljaar later in hetzelfde leerjaar (of lager) van hetzelfde onderwijsniveau, d.w.z. exclusief de vertraagde afstroom.
2)Havo leerjaar 3 is inclusief algemeen leerjaar 3 (meest havo/vwo).

Slagingspercentages 2019/’20 naderen de 100 procent

Het percentage eindexamenkandidaten dat een diploma behaalt verschilt gewoonlijk naar onderwijsniveau. De slagingspercentages zijn al jaren het hoogst op het vmbo-b en vmbo-k en het laagst op de havo. In het schooljaar 2019/’20 liepen de slagingspercentages voor alle onderwijsniveaus op tot bij de 100 procent als gevolg van de coronapandemie. Na een periode van schoolsluiting en onderwijs op afstand werd het centraal schriftelijk eindexamen niet afgenomen. Ook de centrale praktische examens vervielen. Het eindcijfer van elk vak werd dat jaar vastgesteld op basis van de resultaten van de schoolexamens. Vanwege de uitzonderlijke situatie en het feit dat sommige leerlingen hadden gerekend op het centraal examen om hun cijfers op te halen, mochten de leerlingen voor maximaal twee of drie (vmbo-b en vmbo-k) vakken een resultaatverbeteringstoets doen.

99,7% van de meisjes in vmbo-k en -g geslaagd in 2020 Buitenvorm Binnenvorm

In 2020/’21 gingen de centrale examens in het voortgezet onderwijs wel door. De leerlingen kregen ruimere mogelijkheden om deze examens af te leggen en extra ondersteuning. Hiermee verwachtte het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat leerlingen op een coronaveilige manier een volwaardig diploma konden halen.

5.3.2 Geslaagden voortgezet onderwijs (%)
schooltype Jongens, 2018/'19 Jongens, 2019/'20* Meisjes, 2018/'19 Meisjes, 2019/'20*
vmbo-b 97,8 99,4 98,1 99,4
vmbo-k 95,6 99,3 95,8 99,7
vmbo-g 89,6 99,3 90,3 99,7
vmbo-t 93,0 99,0 93,6 99,4
havo 88,5 96,8 88,0 98,2
vwo 91,4 98,5 90,1 99,4
*voorlopige cijfers

Havo- en vwo-gediplomeerden volgden vaker vervolgonderwijs in 2020

De vmbo-geslaagden uit 2019/’20 bleven, zoals ook in andere jaren, bijna allemaal door het ministerie van OCW bekostigd onderwijs volgen. Dit komt omdat leerlingen met een vmbo-diploma nog geen startkwalificatie hebben behaald. Een startkwalificatie is een diploma op minimaal havo-, vwo- of mbo 2‑niveau. Van de vmbo-b/k/g-gediplomeerden volgde 94 tot 98 procent in het schooljaar 2020/’21 een mbo-opleiding. Na het afronden van vmbo-t koos 82 procent voor het mbo, terwijl 16 procent naar de havo ging. Deze cijfers zijn vergelijkbaar met de cijfers van een jaar eerder.

Van de havo- en vwo-geslaagden uit 2019/’20 volgde het daaropvolgende schooljaar 14 procent geen (bekostigd) onderwijs. Dat is minder dan in voorgaande jaren. Van de geslaagden uit 2018/’19 volgde 17 procent van de havisten en 18 procent van de vwo’ers geen onderwijs. Dit is mogelijk het gevolg van de reisbeperkingen tijdens de coronapandemie. Een tussenjaar in het buitenland voor een studie of om te reizen was in de zomer en het najaar van 2020 niet goed mogelijk. De meeste havo- en vwo-gediplomeerden stroomden door naar het hoger onderwijs. Van de havo-geslaagden ging 77 procent naar het hbo, 5 procent naar het vwo, 3 procent naar het mbo en 1 procent naar de vavo. Van de vwo-geslaagden ging 10 procent naar het hbo en 75 procent naar de universiteit.

5.3.3 Door- en uitstroom gediplomeerden 2019/’20 op 2020/’21* (%)
schooltype Voortgezet onderwijs Mbo Hbo Universiteit Overig onderwijs Uit (bekostigd) onderwijs
vwo 0 0,1 10,2 75 0,4 14,3
havo 5,3 3,1 77,1 0 0,8 13,7
vmbo-t 16,4 81,7 0 0 0,3 1,5
vmbo-g 4,9 93,6 0 0 0,2 1,2
vmbo-k 0,2 98 0 0 0,1 1,7
vmbo-b 2,6 95,1 0 0 0 2,2
*voorlopige cijfers

5.4Begrippen

Afstroom

Er is sprake van afstroom wanneer een leerling in het volgende schooljaar in een lager niveau zit, ongeacht het leerjaar. Van vertraagde afstroom is sprake wanneer een leerling in het volgende schooljaar een niveau lager zit van hetzelfde leerjaar of een leerjaar lager. Hierbij is de volgende indeling van onderwijssoort aangehouden, waarbij vmbo-b het laagste niveau is en vwo het hoogste niveau:

  • vmbo-b
  • vmbo-k
  • vmbo-g/t
  • havo (inclusief algemeen leerjaar 3)
  • vwo

In de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs is geen niveauverandering bepaald. De indeling naar niveau is in deze brugperiode niet betrouwbaar.

Bekostigd onderwijs

Onderwijs dat wordt bekostigd door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Eindtoets basisonderwijs

In groep 8 van de basisschool krijgen leerlingen een schooladvies voor het vervolgonderwijs. Het eerste advies wordt gegeven door de leerkracht en is vooral gebaseerd op de prestaties en het gedrag van de leerling op de basisschool gedurende een langere tijd. Vervolgens maken de leerlingen een eindtoets. Als het advies op basis van de toets hoger is dan het advies van de school, dan is de school verplicht het eerste advies te heroverwegen. De school is echter niet verplicht om het advies naar boven bij te stellen. Een bijstelling naar beneden vindt nooit plaats. Na een eventuele bijstelling krijgt de leerling een definitief schooladvies. Dit advies bepaalt naar welk soort voortgezet onderwijs de leerlingen definitief gaat. Een school voor voortgezet onderwijs mag een leerling niet afwijzen op basis van een te lage score op de eindtoets. In het schooljaar 2019/’20 werd de eindtoets basisonderwijs als gevolg van de coronapandemie niet afgenomen. Het eerste advies van de leerkracht was meteen het definitieve advies.

Havo

De havo is een onderwijssoort in het voortgezet onderwijs die vooral bedoeld is als voorbereiding op het hoger beroepsonderwijs. Met een havo-diploma is het tevens mogelijk om door te stromen naar het vijfde leerjaar van het vwo. De havo heeft vijf leerjaren. In de tweede fase (leerjaren 4 en 5) kiezen leerlingen uit vier profielen.

Inkomen van het huishouden van de leerling/inkomenskwintielen

Voor de indeling van de huishoudens van de leerlingen naar hoogte van het inkomen is gebruik gemaakt van het gestandaardiseerde inkomen. Dat is het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. De huishoudens zijn op basis van dit inkomen in vijf groepen (kwintielen) met een gelijk aantal huishoudens verdeeld. De inkomensgrenzen tussen deze vijf 20 procents-groepen verschillen van jaar tot jaar.

Onderwijssoorten

vso= voortgezet speciaal onderwijs

vmbo = voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

havo = hoger algemeen voortgezet onderwijs

vwo = voorbereidend wetenschappelijk onderwijs

mbo = middelbaar beroepsonderwijs

vavo = voortgezet algemeen volwassenenonderwijs

hbo = hoger beroepsonderwijs

wo = wetenschappelijk onderwijs

Persoon met migratieachtergrond

Persoon van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen personen die zelf in het buitenland zijn geboren (de eerste generatie) en personen die in Nederland zijn geboren (de tweede generatie). De herkomstgroepering wordt bepaald aan de hand van het geboorteland van de persoon zelf of dat van de moeder, tenzij de moeder in Nederland is geboren. In dat geval geldt het geboorteland van de vader.

Persoon met Nederlandse achtergrond

Persoon van wie de beide ouders in Nederland zijn geboren, ongeacht het land waar men zelf is geboren.

Startkwalificatie

Een startkwalificatie is een diploma op minimaal havo, vwo of mbo niveau 2. Een startkwalificatie wordt gezien als het minimale niveau dat nodig is om een volwaardige plaats op de arbeidsmarkt te veroveren.

Stedelijkheid

De indeling van gemeenten naar stedelijkheid is gebaseerd op de omgevingsadressendichtheid van de gemeente. Allereerst is voor ieder adres binnen een gemeente de adressendichtheid vastgesteld van een gebied met een straal van 1 km rondom dat adres. De omgevingsadressendichtheid van een gemeente is de gemiddelde waarde hiervan voor alle adressen binnen die gemeente. De volgende klassen worden onderscheiden:

  • Zeer sterk stedelijk (≥ 2 500 omgevingsadressen/km2)
  • Sterk stedelijk (1 500 tot 2 500 omgevingsadressen/km2)
  • Matig stedelijk (1 000 tot 1 500 omgevingsadressen/km2)
  • Weinig stedelijk (500 tot 1 000 omgevingsadressen/km2)
  • Niet stedelijk (< 500 omgevingsadressen/km2)

Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo)

Het vmbo bestaat uit vier leerwegen:

  • de basisberoepsgerichte leerweg (vmbo-b)
  • de kaderberoepsgerichte leerweg (vmbo-k)
  • de gemengde leerweg (vmbo-g)
  • de theoretische leerweg (vmbo-t)

Vmbo-b is de vooropleiding voor de basisberoepsopleiding (niveau 2) van het mbo.

Vmbo-k is de minimale vooropleiding voor de vakopleiding (niveau 3) en de middenkaderopleiding (niveau 4) van het mbo.

Vmbo-g en vmbo-t hebben een vergelijkbaar niveau en vormen het hoogste niveau binnen het vmbo. In tegenstelling tot vmbo-t, volgen leerlingen op vmbo-g ook een beroepsgericht vak. Met deze opleidingen kan worden ingestroomd in de middenkaderopleiding (niveau 4) van het mbo. Het is na diplomering, met een extra vak, tevens mogelijk om vanuit vmbo-g en vmbo-t door te stromen naar het vierde leerjaar van de havo.

Vwo

Het vwo is een onderwijssoort in het voortgezet onderwijs, die vooral bedoeld is als voorbereiding op het wetenschappelijk onderwijs (wo). Het vwo heeft zes leerjaren. Leerlingen kunnen in de tweede fase (leerjaren 4, 5 en 6) kiezen uit vier profielen.

Het vwo kent twee onderwijssoorten: het atheneum en het gymnasium. Op het gymnasium krijgen alle leerlingen Grieks en Latijn in de onderbouw en minimaal één van deze klassieke talen in de bovenbouw.

Zittenblijven (zonder afstroom)

In dit hoofdstuk wordt een zittenblijver gezien als een leerling die in het volgende schooljaar in hetzelfde leerjaar zit van hetzelfde onderwijsniveau. Een enkele leerling zal in een lager leerjaar zitten van hetzelfde niveau. Leerlingen in de examenjaren worden niet meegerekend in het zittenblijven. Deze definitie wijkt af van wat in andere onderzoeken gebruikelijk is. Daar wordt ook de vertraagde afstroom (naar hetzelfde of lager leerjaar van een lager niveau) tot zittenblijven gerekend.

5.5Meer informatie en literatuur

Meer informatie

Onderwijscijfers van de groep tot 25 jaar zijn te vinden op Jeugdmonitor StatLine.

Cijfers over gediplomeerden in het voortgezet onderwijs zijn te vinden op Jeugdmonitor Statline.

Cijfers over het onderwijsniveau van de bevolking per provincie en gemeente zijn te vinden op StatLine.

Cijfers over schooladvies in groep 8 van de basisschool en herziening van het advies zijn te vinden op StatLine.

Cijfers over examenkandidaten en slagingspercentages in het voortgezet onderwijs zijn te vinden op StatLine.

Cijfers over door- en uitstroom in het voortgezet onderwijs zijn te vinden op StatLine.

Voor meer informatie over VO examens en de aanpak van het coronavirus zie Servicedocument VO examens – aanpak Coronavirus.

Voor meer informatie over examens in het voortgezet onderwijs zie website van de Rijksoverheid.

Literatuur

Hartgers, M., T. Traag, L. Wielenga (2021). De schooladviezen in groep 8: verschillen tussen groepen leerlingen.

CBS (2021, 12 april). Vooral meisjes kregen in schooljaar 2019/’20 een lager eindadvies. CBS nieuwsbericht.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016-2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/'17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/'05-2016/'17 oogstjaar enz., 2004/'05 tot en met 2016/'17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

1. Inleiding

Ruud van Herk (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

2. Jongeren in Nederland

Dominique van Roon

3. Jeugdzorggebruik en meldingen kindermishandeling 2020

Rudi Bakker

4. Opgroeien in bijstand

Daniël Herbers en Kai Gidding

5. School

Marijke Hartgers en Kiki van Neden

6. Werk

Willem Gielen

7. Middelengebruik en gezondheid

Kim Knoops

8. Veiligheid

Michelle van Rosmalen, Lisanne Jong en Willem Gielen

9. Jongeren in Caribisch Nederland

Carel Harmsen en Mark Ramaekers

10. Welzijn van jongeren

Moniek Coumans

11. Kinderrechten

Kinderrechtencollectief

12. Gemeenten

Jan Hendriks (Communicatie- en tekstbureau Blitz)

Redactie

Linda Fernandez Beiro

Brigitte Hermans

Astrid Pleijers

Martijn Souren

Eindredactie

Karolien van Wijk