Foto omschrijving: Voedselbank in corona-tijd

Opgroeien in bijstand

Wonen in een bijstandsgezin

Auteurs: Daniël Herbers, Kai Gidding

Het aantal minderjarige kinderen in bijstandsgezinnen in Nederland is in de loop van 2020 een fractie gedaald tot 203 duizend. Dat komt neer op 6,2 procent van alle kinderen, net als in 2019. Ruim een kwart van de bijstandskinderen heeft een Nederlandse achtergrond. Bijstandskinderen wonen vaak alleen bij hun moeder. Hoe jonger de kinderen, hoe minder het bijstandsgezin doorgaans te besteden heeft en hoe vaker de schulden groter zijn dan de bezittingen.

4.1Bijstandskinderen

Afleiding kinderen in bijstandsgezinnen herzien

De methode om bijstandsgezinnen af te bakenen is in 2021 herzien. Voorheen werden alleen personen met algemene bijstand en BBZ meegenomen, terwijl personen met andere bijstandsvormen zoals IOAZ, IOAW en WWIk niet werden meegenomen. In de nieuwe afbakening worden alle bijstand-gerelateerde uitkeringen meegenomen in het identificeren van bijstandsgezinnen, omdat ook deze iets zeggen over de situatie van een kind. Verder wordt in de nieuwe afbakening preciezer vastgesteld dat het gaat om de ouder van het kind die een bijstandsuitkering krijgt. Voorheen behoorden kinderen tot een bijstandsgezin wanneer iemand in dat huishouden een bijstandsuitkering had, onafhankelijk van de positie in het huishouden. In de nieuwe afbakening is gekeken of er een ouder-kindrelatie bestaat tussen de bijstandsontvanger en een kind. De cijfers zijn via deze nieuwe afbakening met terugwerkende kracht berekend voor de voorgaande jaargangen. Hierdoor is het percentage bijstandskinderen voor de jaren 2017 tot en met 2019 met 0,1 procentpunt naar boven bijgesteld.

Regionale verdeling nagenoeg onveranderd

Naar verhouding woonden eind 2020 de meeste bijstandskinderen in Rotterdam, Heerlen, Amsterdam, Groningen en Pekela, net als in 2019. In Rotterdam, Heerlen en Amsterdam stegen de percentages bijstandskinderen licht met 0,1 tot 0,2 procentpunt, terwijl de percentages in Groningen en Pekela daalden, met respectievelijk 0,3 procentpunt en 0,7 procentpunt.

In absolute aantallen woonden zowel in Rotterdam als in Amsterdam 17,6 duizend bijstandskinderen eind 2020, in Den Haag 11,4 duizend en in Utrecht 5,1 duizend. Dit zijn nagenoeg dezelfde aantallen als eind 2019.

Op provinciaal niveau woonden naar verhouding de meeste bijstandskinderen in de provincie Groningen (8,7 procent) en de minste in de provincie Utrecht (4,9 procent). In absolute zin woonden de meeste bijstandskinderen in Zuid-Holland, bijna 57 duizend.

4.1.1 Minderjarige bijstandskinderen, 31 december 2020
Gemeentenaam Kinderen met ouder in de bijstand
Groningen 11,21
Almere 6,99
Stadskanaal 8,06
Veendam 8,75
Zeewolde 3,82
Achtkarspelen 4,92
Ameland 0,00
Harlingen 7,65
Heerenveen 5,79
Leeuwarden 9,96
Ooststellingwerf 5,43
Opsterland 4,21
Schiermonnikoog 0,89
Smallingerland 7,03
Terschelling 0,15
Vlieland 0,68
Weststellingwerf 3,96
Assen 6,73
Coevorden 6,84
Emmen 8,54
Hoogeveen 5,68
Meppel 4,84
Almelo 8,73
Borne 2,61
Dalfsen 2,27
Deventer 6,23
Enschede 9,90
Haaksbergen 3,85
Hardenberg 3,41
Hellendoorn 3,02
Hengelo 6,15
Kampen 3,25
Losser 3,55
Noordoostpolder 5,45
Oldenzaal 4,23
Ommen 3,59
Raalte 3,24
Staphorst 1,96
Tubbergen 1,95
Urk 1,62
Wierden 2,24
Zwolle 6,25
Aalten 2,78
Apeldoorn 5,40
Arnhem 10,51
Barneveld 2,34
Beuningen 3,91
Brummen 2,94
Buren 2,71
Culemborg 4,79
Doesburg 6,05
Doetinchem 5,59
Druten 4,06
Duiven 4,63
Ede 3,70
Elburg 3,17
Epe 4,02
Ermelo 3,89
Harderwijk 4,95
Hattem 1,97
Heerde 3,72
Heumen 4,07
Lochem 3,57
Maasdriel 2,81
Nijkerk 2,83
Nijmegen 9,69
Oldebroek 2,95
Putten 2,12
Renkum 5,11
Rheden 6,80
Rozendaal 1,25
Scherpenzeel 2,84
Tiel 7,03
Voorst 2,87
Wageningen 5,69
Westervoort 8,17
Winterswijk 4,44
Wijchen 4,22
Zaltbommel 3,01
Zevenaar 4,68
Zutphen 7,29
Nunspeet 3,05
Dronten 4,37
Amersfoort 5,42
Baarn 3,25
De Bilt 3,59
Bunnik 2,01
Bunschoten 2,28
Eemnes 2,54
Houten 2,73
Leusden 2,84
Lopik 4,71
Montfoort 3,28
Renswoude 1,16
Rhenen 2,42
Soest 4,96
Utrecht 7,29
Veenendaal 4,91
Woudenberg 2,77
Wijk bij Duurstede 3,49
IJsselstein 5,06
Zeist 4,89
Nieuwegein 5,61
Aalsmeer 2,83
Alkmaar 5,72
Amstelveen 3,48
Amsterdam 12,35
Beemster 2,61
Bergen (NH.) 3,07
Beverwijk 6,66
Blaricum 2,35
Bloemendaal 1,87
Castricum 2,64
Diemen 4,86
Edam-Volendam 3,49
Enkhuizen 5,44
Haarlem 5,52
Haarlemmermeer 4,28
Heemskerk 7,41
Heemstede 1,96
Heerhugowaard 3,51
Heiloo 2,04
Den Helder 8,03
Hilversum 5,50
Hoorn 5,53
Huizen 4,96
Landsmeer 3,99
Langedijk 3,28
Laren 2,71
Medemblik 3,65
Oostzaan 3,75
Opmeer 2,00
Ouder-Amstel 3,53
Purmerend 5,77
Schagen 3,25
Texel 4,07
Uitgeest 3,79
Uithoorn 4,23
Velsen 6,26
Weesp 5,02
Zandvoort 7,07
Zaanstad 6,56
Alblasserdam 3,90
Alphen aan den Rijn 4,16
Barendrecht 3,16
Drechterland 3,27
Brielle 4,50
Capelle aan den IJssel 9,67
Delft 9,96
Dordrecht 8,29
Gorinchem 5,98
Gouda 6,38
's-Gravenhage 10,71
Hardinxveld-Giessendam 2,48
Hellevoetsluis 6,31
Hendrik-Ido-Ambacht 3,53
Stede Broec 4,24
Hillegom 3,43
Katwijk 3,79
Krimpen aan den IJssel 5,52
Leiden 8,14
Leiderdorp 3,90
Lisse 2,96
Maassluis 8,66
Nieuwkoop 2,51
Noordwijk 2,91
Oegstgeest 3,54
Oudewater 2,61
Papendrecht 4,97
Ridderkerk 7,32
Rotterdam 14,79
Rijswijk 8,78
Schiedam 8,89
Sliedrecht 5,47
Albrandswaard 3,37
Westvoorne 3,46
Vlaardingen 10,54
Voorschoten 3,69
Waddinxveen 3,04
Wassenaar 4,18
Woerden 3,35
Zoetermeer 7,96
Zoeterwoude 2,78
Zwijndrecht 9,90
Borsele 2,76
Goes 5,27
West Maas en Waal 3,67
Hulst 4,00
Kapelle 2,84
Middelburg 7,86
Reimerswaal 3,09
Terneuzen 6,33
Tholen 3,15
Veere 2,09
Vlissingen 10,08
De Ronde Venen 3,36
Tytsjerksteradiel 3,87
Asten 3,25
Baarle-Nassau 3,31
Bergen op Zoom 9,06
Best 3,39
Boekel 2,16
Boxmeer 3,09
Boxtel 3,99
Breda 6,47
Deurne 3,16
Pekela 11,02
Dongen 3,30
Eersel 2,68
Eindhoven 8,07
Etten-Leur 4,85
Geertruidenberg 4,62
Gilze en Rijen 5,24
Goirle 2,84
Grave 3,99
Helmond 6,62
's-Hertogenbosch 4,73
Heusden 2,88
Hilvarenbeek 3,06
Loon op Zand 3,18
Mill en Sint Hubert 3,08
Nuenen, Gerwen en Nederwetten 4,16
Oirschot 2,60
Oisterwijk 2,67
Oosterhout 5,15
Oss 4,82
Rucphen 3,87
Sint-Michielsgestel 2,36
Someren 3,27
Son en Breugel 3,76
Steenbergen 5,37
Waterland 3,87
Tilburg 9,77
Uden 4,35
Valkenswaard 4,44
Veldhoven 3,12
Vught 1,70
Waalre 3,55
Waalwijk 4,39
Woensdrecht 4,38
Zundert 5,34
Wormerland 5,39
Landgraaf 8,61
Beek 5,18
Beesel 4,77
Bergen (L.) 4,12
Brunssum 7,52
Gennep 3,53
Heerlen 13,25
Kerkrade 10,35
Maastricht 9,42
Meerssen 2,93
Mook en Middelaar 3,01
Nederweert 3,00
Roermond 7,92
Simpelveld 4,05
Stein 3,57
Vaals 7,54
Venlo 7,76
Venray 5,70
Voerendaal 5,75
Weert 5,73
Valkenburg aan de Geul 4,43
Lelystad 7,42
Horst aan de Maas 3,01
Oude IJsselstreek 5,11
Teylingen 2,50
Utrechtse Heuvelrug 3,20
Oost Gelre 3,32
Koggenland 2,76
Lansingerland 3,16
Leudal 2,53
Maasgouw 3,63
Gemert-Bakel 3,57
Halderberge 5,56
Heeze-Leende 1,61
Laarbeek 3,27
Reusel-De Mierden 2,53
Roerdalen 4,56
Roosendaal 7,61
Schouwen-Duiveland 4,74
Aa en Hunze 3,86
Borger-Odoorn 4,91
Cuijk 4,17
Landerd 3,40
De Wolden 3,08
Noord-Beveland 4,16
Wijdemeren 2,63
Noordenveld 4,99
Twenterand 3,73
Westerveld 3,01
Sint Anthonis 1,93
Lingewaard 3,26
Cranendonck 3,46
Steenwijkerland 4,55
Moerdijk 4,14
Echt-Susteren 5,12
Sluis 3,36
Drimmelen 1,95
Bernheze 2,49
Alphen-Chaam 3,06
Bergeijk 2,32
Bladel 2,47
Gulpen-Wittem 3,67
Tynaarlo 3,06
Midden-Drenthe 3,44
Overbetuwe 3,22
Hof van Twente 3,25
Neder-Betuwe 2,73
Rijssen-Holten 2,85
Geldrop-Mierlo 4,88
Olst-Wijhe 3,12
Dinkelland 2,63
Westland 3,54
Midden-Delfland 2,87
Berkelland 3,70
Bronckhorst 2,50
Sittard-Geleen 7,04
Kaag en Braassem 3,35
Dantumadiel 4,95
Zuidplas 3,76
Peel en Maas 2,98
Oldambt 9,65
Zwartewaterland 2,16
S�dwest-Frysl�n 6,12
Bodegraven-Reeuwijk 2,88
Eijsden-Margraten 2,87
Stichtse Vecht 3,31
Hollands Kroon 3,99
Leidschendam-Voorburg 6,86
Goeree-Overflakkee 3,88
Pijnacker-Nootdorp 2,89
Nissewaard 8,83
Krimpenerwaard 3,83
De Fryske Marren 4,08
Gooise Meren 2,72
Berg en Dal 5,27
Meierijstad 3,55
Waadhoeke 5,83
Westerwolde 6,62
Midden-Groningen 8,01
Beekdaelen 3,84
Montferland 3,25
Altena 2,62
West Betuwe 2,83
Vijfheerenlanden 4,27
Hoeksche Waard 3,28
Het Hogeland 5,40
Westerkwartier 3,51
Noardeast-Frysl�n 4,07
Molenlanden 2,39
Eemsdelta 10,80
203 000 minderjarige kinderen groeien op in een bijstandsgezin Buitenvorm Binnenvorm

Omvang groep volgens gebruikelijke afbakening licht gedaald

Van alle kinderen onder de 18 behoorden eind 2020 6,2 procent tot een gezin waarin minstens één ouder een bijstandsuitkering had. In vergelijking met 2019 is dit percentage onveranderd. In absolute zin is het totale aantal met duizend afgenomen tot 203 duizend.

4.1.2 Minderjarige bijstandskinderen, 31 december (x 1 000)
Jaar Reguliere bijstandsregelingen Tijdelijke regelingen corona
2010 186,6 .
2011 191,5 .
2012 196,2 .
2013 209,9 .
2014 220,4 .
2015 224,5 .
2016 229,5 .
2017 228,0 .
2018 216,9 .
2019 204,1 .
2020 203,3 40,3

Gevolgen coronacrisis voor bijstandskinderen

Om de gevolgen van de coronacrisis te verzachten is sinds 1 maart 2020 de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) van kracht. Het doel van deze regeling is om zoveel mogelijk bedrijven te helpen om de coronacrisis te overleven. Zelfstandig ondernemers kunnen uit deze regeling een bedrag krijgen om hun inkomen aan te vullen tot het sociaal minimum.

De Tozo wordt beschouwd als een bijstand-gerelateerde uitkering, waardoor het aantal personen met een bijstand-gerelateerde uitkering vanaf maart 2020 sterk toenam. Het eerste deel van de Tozo liep eind mei 2020 af, maar door verlenging was de regeling eind 2020 nog steeds van kracht. Eind 2020 behoorden 40 duizend minderjarige kinderen extra tot een gezin waarin minstens één ouder een Tozo-uitkering had en geen andere bijstand(-gerelateerde) uitkering.

40 000 extra minderjarige kinderen in een bijstandsgezin door corona Buitenvorm Binnenvorm

Ruim kwart bijstandskinderen heeft Nederlandse achtergrond

Eind 2020 waren er bijna 57 duizend bijstandskinderen (exclusief Tozo) met een Nederlandse achtergrond: 28 procent van alle bijstandskinderen. De overige 72 procent van de bijstandskinderen had een migratieachtergrond, met Syrische, Marokkaanse en Turkse achtergrond als grootste subgroepen. In vergelijking met 2019 is de verdeling naar migratieachtergronden niet noemenswaardig veranderd.

Van de 40 duizend extra minderjarige bijstandskinderen als gevolg van Tozo, had 46 procent een Nederlandse achtergrond en 54 procent een migratieachtergrond, met Marokkaanse en Turkse achtergrond als grootste deelgroepen. De groep bijstandskinderen met een Syrische achtergrond als gevolg van Tozo is naar verhouding klein.

4.1.3 Migratieachtergrond van bijstandskinderen, 31 december 2020 (x 1 000)
achtergrond Reguliere bijstandsregelingen Tijdelijke regelingen corona
Nederlandse achtergrond 56,6 18,5
Migratieachtergrond 146,6 22,0
waarvan: . .
Syrië 27,7 0,8
Marokko 22,1 4,1
Turkije 10,6 3,4
Somalië 10,5 0,2
Eritrea 8,0 0,0
Irak 7,0 0,8

Relatief weinig dynamiek in de groep bijstandskinderen

Van de 203 duizend minderjarige bijstandskinderen (exclusief Tozo) behoorden 169 duizend zowel eind 2019 als eind 2020 tot een bijstandsgezin. De instroom in 2020 bestond uit 34 duizend nieuwe kinderen, waarvan 8 duizend pasgeborenen. De uitstroom in 2020 bestond uit 35 duizend kinderen, waaronder 12 duizend kinderen die in 2020 meerderjarig werden.

4.2Jongeren met een bijstandsuitkering

Eind 2020 hadden ruim 45 duizend jongeren van 15 tot 27 jaar een bijstandsuitkering. Dat is 1,8 procent van alle jongeren in deze leeftijdscategorie. Dit aantal is ten opzichte van 2019 met ruim 6 duizend gestegen. Daarnaast deden 9 duizend jongeren eind 2020 een beroep op de Tozo.

In recente jaren was het aantal jongeren met een bijstandsuitkering met 51 duizend het hoogst in 2016. Het merendeel van de jongeren met een bijstandsuitkering had een migratieachtergrond (53 procent in 2020). Daarnaast woonden ze vaker op zichzelf (68 procent) dan bij de ouders.

4.2.1 Jongeren van 15 tot 27 jaar met een bijstandsuitkering, 31 december (x 1 000)
Jaar Reguliere bijstandsregelingen Tijdelijke regelingen corona
2010 40,0 .
2011 39,4 .
2012 36,8 .
2013 39,9 .
2014 40,1 .
2015 44,2 .
2016 50,6 .
2017 49,2 .
2018 43,1 .
2019 39,2 .
2020 45,6 8,9

4.3Samenstelling bijstandsgezinnen in 2019

Bijstandsgezinnen

De volgende paragrafen gaan specifiek over de bijstandsgezinnen waar kinderen deel van uitmaken. Deze statistieken worden gemaakt op basis van de integrale inkomens- en vermogensstatistiek (IIVS). In deze statistiek zijn bijstandsgezinnen gedefinieerd als huishoudens waar een bijstandsuitkering over heel 2019 de voornaamste bron van inkomen was. De cijfers betreffen dus een periode voor het begin van de coronacrisis.

Vooral alleenstaande moeders

In 2019 waren er ruim 91 duizend huishoudens met kinderen onder de 18 en een bijstandsuitkering als belangrijkste inkomensbron. Twee op de drie bijstandsgezinnen waren eenoudergezinnen, meestal alleenstaande moeders. Jonge bijstandsgezinnen telden wel vaker dan oudere gezinnen twee ouders. In 40 procent van de bijstandsgezinnen met het jongste kind onder de 6 jaar waren de ouders nog samen, voor gezinnen met het jongste kind tussen 12 en 18 jaar was dit 26 procent.

4.3.1 Samenstelling bijstandsgezinnen naar leeftijd van het jongste kind, 2019* (%)
Leeftijd jongste kind Twee ouders - man hoofdkostwinner Twee ouders - vrouw hoofdkostwinner Een ouder - man hoofdkostwinner Een ouder - vrouw hoofdkostwinner
0 tot 6 jaar 32,2 7,5 1,3 59,1
6 tot 12 jaar 23,8 5,7 3,9 66,5
12 tot 18 jaar 20,5 5,8 6,3 67,4
Totaal 26,6 6,5 3,4 63,5
*voorlopige cijfers

4.4Welvaartspositie van bijstandsgezinnen met kinderen

2 050 euro per maand te besteden

Bijstandsgezinnen met minderjarige kinderen hadden in 2019 een besteedbaar inkomen van gemiddeld 24,6 duizend euro, ofwel 2 050 euro per maand. Dat is gemiddeld duizend euro per jaar meer dan in 2018. Naarmate bijstandsgezinnen zich in een latere levensfase bevinden, ligt het gemiddeld besteedbaar inkomen wat hoger. De jongste gezinnen (jongste kind tot 6 jaar) hadden in 2019 met 1 980 euro gemiddeld 70 euro per maand meer te besteden dan een jaar eerder, de middelste groep (jongste kind 6 tot 12 jaar) ging er gemiddeld 20 euro per maand op vooruit (2 080 euro in 2019) en de oudste groep (jongste kind 12 tot 18 jaar) ontving gemiddeld 2 130 euro per maand, 100 euro meer dan in 2018.

Oudere gezinnen iets welvarender

Meer dan 60 procent van de bijstandsgezinnen behoorde in 2019 tot de 10 procent minst welvarende huishoudens van Nederland. Van de bijstandsgezinnen met de kinderen tussen de 12 en 18 jaar behoorde 34 procent tot de minst welvarende 10 procent huishoudens, van de bijstandsgezinnen met de jongste kinderen was dat meer dan 80 procent.

4.4.1 Welvaart van bijstandsgezinnen naar leeftijd van het jongste kind, 2019* (%)
leeftijd Tot het 10e welvaartspercentiel 10e tot 20e welvaartspercentiel 20e tot 30e welvaartspercentiel 30e welvaartspercentiel en hoger
0 tot 6 jaar 81,2 17,8 0,8 0,2
6 tot 12 jaar 56,9 40,1 2,6 0,4
12 tot 18 jaar 34,4 56,5 7,7 1,3
Totaal 61,8 34,6 3,1 0,5
*voorlopige cijfers

Bijna 9 op de 10 jonge gezinnen lopen risico op armoede

In 2019 liep 86 procent van de jongste bijstandsgezinnen risico op armoede. Dat houdt in dat hun inkomen onder de lage-inkomensgrens van het CBS valt. Dat komt niet alleen door een relatief laag besteedbaar inkomen, maar ook door de relatief grote omvang van deze gezinnen. Het merendeel van de jongste gezinnen bestond in 2019 uit 3 of 4 personen (gemiddeld 3,82 personen). De oudste bijstandsgezinnen waren gemiddeld kleiner (gemiddeld 2,95 personen). Van hen liep 30 procent risico op armoede.

Ook het percentage bijstandsgezinnen met een langdurig armoederisico is hoger onder jonge gezinnen. 53 procent van de jongste gezinnen had al minstens 4 jaar op rij een laag inkomen, ten opzichte van 13 procent van de oudste gezinnen. Het verschil in langdurig armoederisico tussen jonge en oudere bijstandsgezinnen ligt steeds verder uit elkaar. Het percentage jonge gezinnen met een langdurig armoederisico in 2019 is ten opzichte van 2018 1 procentpunt hoger, terwijl het onder de oudere bijstandsgezinnen 1 procentpunt lager is. Ook bij niet-bijstandsgezinnen was deze ontwikkeling zichtbaar.

4.4.2 Langdurig risico op armoede onder bijstandsgezinnen naar leeftijd van het jongste kind (%)
leeftijd 2019* 2018
0 tot 6 jaar 53,0 51,6
6 tot 12 jaar 36,4 41,0
12 tot 18 jaar 13,3 13,9
Totaal 35,9 36,9
*voorlopige cijfers

Ruim 40 procent heeft meer schulden dan bezittingen

Op 1 januari 2019 had 41 procent van de bijstandsgezinnen met minderjarige kinderen een negatief vermogen, dat is 1 procent minder dan begin 2018. Een negatief vermogen betekent dat de schulden groter waren dan de bezittingen. Onder de jongste bijstandsgezinnen was het percentage gezinnen met een negatief vermogen 46 procent. Dat is hoger dan onder gezinnen waarvan het jongste kind 12 tot 18 jaar oud is. Van hen had 35 procent meer schulden dan bezittingen.

Op 1 januari 2019 bedroeg het doorsnee vermogen van bijstandsgezinnen met kinderen 160 euro. Het doorsnee vermogen van gezinnen zonder bijstand met kinderen bedroeg ruim 73 duizend euro. Onder bijstandsgezinnen varieerde dit van 20 euro bij de gezinnen met een jongste kind tot 6 jaar, tot 450 euro bij gezinnen met een jongste kind van 12 tot 18 jaar. Voor alle groepen bijstandsgezinnen is dat in doorsnee enkele tientallen euro’s hoger dan op 1 januari 2018.

Herziening vermogensstatistiek

De vermogenscijfers (met uitkomsten vanaf 2006) zijn herzien. Als gevolg van de beschikbaarheid van gegevens over aanmerkelijk belang, opgebouwde tegoeden in spaar- en beleggingshypotheken en belasting-, toeslag- en zorgschulden zijn de vermogenscijfers gewijzigd. Dat is de reden dat de cijfers over de welvaartspositie en het vermogensniveau uit deze paragraaf niet goed te vergelijken zijn met de cijfers uit eerdere Jeugdmonitors. Op het inkomensniveau en armoederisico heeft de herziening geen invloed en kunnen cijfers dus wel vergeleken worden.

Voor meer informatie over de herziening zie: Herziening van de vermogensstatistiek 2006.

4.5Begrippen

Welvarende huishoudens

Huishoudens worden ingedeeld op basis van een welvaartsmaat waarin zowel informatie over het inkomen als over het vermogen van huishoudens wordt gebruikt. Het resultaat hiervan is dat huishoudens in de laagste welvaartsgroep een laag inkomen én een laag vermogen hebben. Huishoudens in de hoogste welvaartsgroep hebben een hoog inkomen én een hoog vermogen. Door gebruik te maken van deze welvaartsmaat worden zelfstandigen met een incidenteel zeer laag inkomen beter verspreid over de verschillende welvaartsgroepen door rekening te houden met hun vermogen.

Lage-inkomensgrens

Om te bepalen of een huishouden een laag inkomen heeft, wordt het besteedbaar inkomen van een huishouden (exclusief gebonden overdrachten zoals huursubsidie/huurtoeslag) omgerekend tot het gestandaardiseerde inkomen. Vervolgens wordt dit gestandaardiseerde inkomen (met het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie) herleid naar het prijspeil in 2000. Het resulterende gestandaardiseerde en gedefleerde inkomen is laag wanneer het minder is dan 9 250 euro. Deze grens komt ongeveer overeen met de koopkracht van een bijstandsuitkering voor een alleenstaande in 1979, toen deze op zijn hoogst was.

4.6Meer informatie en literatuur

Meer informatie

Cijfers over het aantal jongeren in bijstandsgezinnen naar regio zijn te vinden op Jeugdmonitor Statline.

Cijfers over laag en langdurig laag inkomen van huishoudens zijn te vinden op Statline.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016-2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/'17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/'05-2016/'17 oogstjaar enz., 2004/'05 tot en met 2016/'17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

1. Inleiding

Ruud van Herk (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

2. Jongeren in Nederland

Dominique van Roon

3. Jeugdzorggebruik en meldingen kindermishandeling 2020

Rudi Bakker

4. Opgroeien in bijstand

Daniël Herbers en Kai Gidding

5. School

Marijke Hartgers en Kiki van Neden

6. Werk

Willem Gielen

7. Middelengebruik en gezondheid

Kim Knoops

8. Veiligheid

Michelle van Rosmalen, Lisanne Jong en Willem Gielen

9. Jongeren in Caribisch Nederland

Carel Harmsen en Mark Ramaekers

10. Welzijn van jongeren

Moniek Coumans

11. Kinderrechten

Kinderrechtencollectief

12. Gemeenten

Jan Hendriks (Communicatie- en tekstbureau Blitz)

Redactie

Linda Fernandez Beiro

Brigitte Hermans

Astrid Pleijers

Martijn Souren

Eindredactie

Karolien van Wijk