Foto omschrijving: Rotterdam, Skills Masters, beroepskeuze evenement voor vmbo of mbo jongeren.

Schoolloopbanen van de tweede generatie

Veel bevolkingsgroepen met een herkomst buiten Nederland – met name mensen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Nederlands-Caribische herkomst – hebben gemiddeld genomen een lager opleidingsniveau dan mensen met een Nederlandse herkomst. Dit verschil is in alle fasen van de schoolloopbaan zichtbaar. Opstromen (van een lager onderwijsniveau overstappen naar een hoger niveau) kan helpen om jongeren hun volle potentieel te laten bereiken qua opleidingsniveau. Dit hoofdstuk kijkt naar de tweede generatie, en onderzoekt hun schoolloopbaan vanaf 15 jaar. Hoe zien de onderwijsroutes van kinderen met verschillende herkomst eruit, en in hoeverre eindigen zij op het verwachte onderwijsniveau of stromen zij op of af in het onderwijs? Dit wordt niet alleen onderzocht voor de Nederlands-Marokkaanse, -Turkse, -Surinaamse, en Nederlands-Caribische tweede generatie, maar ook voor de Nederlands-Indonesische en -Europese tweede generatie.

9.1Inleiding

In 2021 behoorde bijna 12 procent van de bevolking tot de tweede generatie: zij zijn zelf in Nederland geboren, maar hebben één of twee ouders die buiten Nederland zijn geboren. Het is een relatief jonge groep, meer dan de helft is jonger dan dertig jaar (zie ook hoofdstuk 1). In de vier grote steden vormt deze groep 22 procent van de bevolking. De grootste groepen zijn de Nederlands-Europese, -Turkse, -Marokkaanse, -Surinaamse, -Caribische en -Indonesische tweede generatie (CBS StatLine, 2021).

Onder veel groepen met een buitenlandse herkomst blijft het onderwijsniveau in alle fasen van de schoolloopbaan achter bij dat van mensen van Nederlandse herkomst. Dit geldt ook voor de tweede generatie. De achterstand begint al op de basisschool: kinderen van buitenlandse herkomst (in of buiten Nederland geboren) krijgen gemiddeld een lager schooladvies, en worden vaker onder-geadviseerd (Hartgers et al., 2021). In het voortgezet onderwijs (vo) volgen vooral kinderen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Nederlands-Caribische herkomst een gemiddeld lager niveau (Van De Werfhorst & Van Tubergen, 2007; hoofdstuk 3 van dit jaarrapport), en zij verlaten vaker het onderwijs zonder startkwalificatie (hoofdstuk 3 van dit rapport; Van der Heijden en De Valk, 2018). Uiteindelijk heeft de Nederlands-Turkse, -Marokkaanse, -Surinaamse en -Caribische tweede generatie gemiddeld een lager opleidingsniveau in volwassenheid (CBS, 2020). De onderwijsverschillen met de groep van Nederlandse herkomst zijn in de loop van de tijd wel kleiner geworden (CBS, 2020). Bovendien hebben niet alle groepen een achterstand: zo zijn de Nederlands-Afghaanse, -Iraanse en -Irakese volwassenen van de tweede generatie gemiddeld hoger opgeleid dan de groep van Nederlandse herkomst, en dit geldt nog sterker voor vrouwen dan voor mannen (zie hoofdstuk 3). Ook is het verschil met de Nederlandse herkomstgroep vaak kleiner bij kinderen die één Nederlandse ouder hebben.

Een deel van deze verschillen in schoolloopbanen kan worden verklaard door de gemiddeld ongunstigere sociaaleconomische positie van veel herkomstgroepen (Hartgers et al., 2021). Gemiddeld genomen doen kinderen afkomstig uit lagere sociaaleconomische milieus het minder goed op school (Scheeren et al., 2017), en behalen zij een minder hoog opleidingsniveau (CBS StatLine, 2019). Opgroeien in een gezin waar één of twee ouders een kennisachterstand hebben op het gebied van Nederlandse taal, cultuur en voorzieningen, en hierin weinig ondersteuning kunnen bieden, kan ook belemmerend werken voor de onderwijsloopbaan (De Winter-Koçak & Badou, 2020).

Het Nederlandse onderwijssysteem kent een vroege selectie naar verschillende onderwijsniveaus. Als een kind naar een categorale school gaat, dan is het schooladvies in groep 8 al het selectiemoment. Bij een brede brugklas kan de keuze voor het schoolniveau nog worden uitgesteld, in de meeste gevallen uiterlijk tot de derde klas. Daarnaast is de mobiliteit tussen verschillende niveaus in het voortgezet onderwijs beperkt. Dit zou ongelijkheid tussen verschillende groepen kinderen kunnen vergroten. Met name de onderwijsloopbaan van jongens, kinderen uit lagere sociaaleconomische milieus en (kinderen van) migranten zou hieronder te lijden hebben (Naaijer et al., 2016; Van de Werfhorst, 2018). Uit internationaal onderzoek blijkt dat (kinderen van) migranten met name een ongunstigere schoolloopbaan hebben in die landen waar leerlingen op jonge leeftijd worden ingedeeld in verschillende niveaus (Naaijer et al., 2016). Deels zou dit kunnen komen doordat kinderen van migranten vaker onderpresteren in het primair onderwijs, door onder andere de kwaliteit van de school, het sociaal-cultureel kapitaal van de ouders en de thuistaal (Naaijer et al., 2016). Daarnaast worden in Nederland onder andere leerlingen uit lagere sociaaleconomische klassen, met buitenlandse herkomst en jongens minder gunstig beoordeeld door de leerkracht, en krijgen daardoor een te laag advies (Naaijer et al., 2016). Het verschil in onderadvisering tussen kinderen met buitenlandse herkomst en Nederlandse herkomst wordt vooral verklaard door verschillen in sociaaleconomische status (Hartgers et al., 2021).

Een van de manieren om aan dergelijke ongelijkheid te ontsnappen is via doorstroom (tussentijds overstappen naar een hoger niveau), of door te stapelen (na het behalen van een diploma overstappen naar een hoger niveau) binnen het onderwijs (Visser et al., 2022). Zo kan later in de onderwijscarrière toch een hoger niveau behaald worden, ondanks de vroege selectie op een (te) laag niveau. Alleen is de mobiliteit tussen niveaus in het voortgezet onderwijs wel laag, en komt stapelen ook weinig voor. Stapelen gebeurt het meest na het diploma vmbo-g/t, en het minst na het diploma vmbo-kader (Inspectie van het Onderwijs, 2021). Er zijn aanwijzingen dat doorstromen en stapelen in het voortgezet onderwijs tussen 2007 en 2019 moeilijker is geworden (Visser et al. 2022). Dit zou onder andere kunnen komen door strengere eisen voor doorstroom en het stapelen van diploma’s, door de afname van scholengemeenschappen ten gunste van categorale scholen, en door de afname van brede brugklassen (Naaijer et al., 2016). Doorstroom en stapelen hoeft niet in het voortgezet onderwijs te gebeuren, maar kan ook plaatsvinden in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), hoger beroepsonderwijs (hbo) en wetenschappelijk onderwijs (wo). Zo kunnen bijvoorbeeld mbo-diploma’s op meerdere niveaus worden behaald, of een hbo-diploma na een mbo-4‑diploma, of een wo-diploma na een hbo-diploma. Uit onderzoek blijkt dat kinderen van buitenlandse herkomst vaker stapelen in het voortgezet onderwijs dan kinderen van Nederlandse herkomst (Visser et al., 2022). Ook uit enquêteonderzoek onder hbo- en wo-studenten blijkt dat studenten met een buitenlandse herkomst vaker het hoger onderwijs hebben bereikt via een stapelroute (41 procent) dan studenten met Nederlandse herkomst (29 procent) (De Winter-Koçak et al., 2021). Bij het mbo stromen leerlingen met buitenlandse herkomst ook vaker door naar hbo (CBS, 2016a, 2018).

De onderzoeksvraag van dit hoofdstuk richt zich op de schoolloopbanen van de tweede generatie. Hoe zien de onderwijsroutes van kinderen met verschillende herkomst eruit? En in hoeverre eindigen zij op, onder of boven het niveau dat verwacht zou worden op basis van het onderwijsniveau dat op 15‑jarige leeftijd wordt gevolgd? Het onderzoek richt zich met name op het bereiken van een hoger niveau dan verwacht. Hierbij worden zowel doorstroom als stapelen gezien als mogelijke routes om een hoger onderwijsniveau te behalen na initiële achterstand. In het vervolg van het hoofdstuk wordt geen onderscheid meer gemaakt in doorstroom of stapelen, maar wordt dit samengevat onder de term opstroom.noot1 Het onderzoek kijkt zowel naar onderwijsroutes in het voortgezet onderwijs als daarna, in het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs, en richt zich op de relatie tussen het niveau op 15‑jarige leeftijd en het uiteindelijk behaalde opleidingsniveau in volwassenheid op 28‑jarige leeftijd. Op 15‑jarige leeftijd zitten kinderen over het algemeen niet meer in gemengde brugklassen. Zij zitten dan dus op het niveau waarop ze beogen een (eerste) diploma te behalen. Op 28‑jarige leeftijd hebben de meeste mensen hun opleiding afgerond. Deze twee meetmomenten zijn daarom heel geschikt om op- en afstroom te onderzoeken.

De onderzoekspopulatie bestaat uit mensen geboren in Nederland tussen 1988 en 1991 (zie kader voor een uitgebreide beschrijving van de onderzoekspopulatie). Van deze populatie heeft 16 procent één of twee buiten Nederland geboren ouders. We onderzoeken in Nederland geboren kinderen met ouders geboren in Europa (excl. Nederland), in de vijf grootste Buiten-Europese herkomstlanden (Marokko, Turkije, Suriname, Nederlandse Cariben en Indonesië), in overige landen, en met ouders geboren in Nederland (zie tabel 9.1.1). Bijna twee derde van deze tweede generatie heeft een Marokkaanse, Turkse, Surinaamse, Nederlands-Caribische of Indonesische herkomst. Van de Nederlands-Marokkaanse, -Turkse en -Surinaamse tweede generatie heeft de meerderheid twee in het buitenland geboren ouders, van de Nederlands-Caribische en de Nederlands-Indonesische tweede generatie heeft de meerderheid één in het buitenland geboren ouder. 17 procent van de tweede generatie heeft een Europese herkomst, en 18 procent heeft ouders geboren in overige landen, bij beide groepen heeft de meerderheid één in het buitenland geboren ouder.

De Nederlands-Europese tweede generatie wordt niet verder uitgesplitst naar individuele landen, maar de grootste groepen zijn van Duitse, Belgische en Britse herkomst (samen 56 procent van de Europese groep). De tweede generatie van ‘overige herkomst’ is divers: de grootste groepen betreffen ouders geboren in Australië, Canada, China en Kaapverdië. In deze onderzoekspopulatie komt de tweede generatie met een herkomst uit recente vluchtelingenlanden nog weinig voor (mensen met een Nederlands-Syrische, -Somalische, – Afghaanse, -Irakese of -Iraanse herkomst). Migranten vanuit Suriname, Nederlandse Cariben en Indonesië kwamen vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw naar Nederland gedurende het proces van dekolonisatie, met als voornaamste redenen opleidingsmogelijkheden en politieke motivaties (met name vanuit Indonesië). Migranten uit Marokko en Turkije kwamen vanaf de jaren zestig naar Nederland als ongeschoolde arbeidsmigranten (De Valk, 2010). Een groot deel van deze gastarbeiders bleef in Nederland en kreeg hier kinderen. De migranten uit de voormalige koloniën waren over het algemeen meer gemengd qua sociaaleconomische positie, en hadden daarbij vaak al meer kennis van het Nederlandse systeem en de taal (Stevens et al., 2011). Kinderen uit deze groepen staan daarom mogelijk minder op achterstand in het Nederlandse schoolsysteem. Dat geldt mogelijk ook voor degenen met Europese ouders, die cultureel dichter bij Nederland staan.

9.1.1Onderzoekspopulatie naar aantal ouders in het buitenland geboren en herkomst
x 1 000 % van populatie % van populatie met buitenlandse herkomst
Herkomst
Twee ouders in buitenland geboren
Europa (excl. NL) 2,4 0,4 2,3
Turkije 18,3 2,8 17,5
Marokko 15,4 2,4 14,7
Suriname 11,9 1,8 11,3
Nederlandse Cariben 2,1 0,3 2,0
Indonesië 1,5 0,2 1,4
Overig Buiten-Europa 7,5 1,2 7,2
Eén ouder in buitenland geboren
Europa (excl. NL) 15,9 2,4 15,2
Turkije 1,3 0,2 1,2
Marokko 1,1 0,2 1,0
Suriname 4,4 0,7 4,2
Nederlandse Cariben 2,6 0,4 2,5
Indonesië 8,7 1,3 8,3
Overig Buiten-Europa 11,5 1,8 11,0
Twee ouders in Nederland geboren 546,1 83,9
Totaal 650,6

We richten ons in dit onderzoek niet alleen op verschillen tussen herkomstgroepen maar ook op verschillen binnen groepen. Met regressieanalyse houden we rekening met achtergrondkenmerken als sociaaleconomische positie en gezinssituatie, omdat verschillen tussen herkomstgroepen vaak (gedeeltelijk) door dergelijke factoren te verklaren zijn.

Allereerst kijken we naar verschillen tussen mannen en vrouwen. In het voortgezet onderwijs presteren meisjes over de gehele schoolloopbaan beter dan jongens. Ze gaan ook sneller door hun studie heen (CBS/SCP, 2020). Jongens stromen om te beginnen al op een lager niveau in, wat deels gerelateerd is aan het feit dat jongens vaker ondergeadviseerd worden dan meisjes (Timmermans et al., 2013). Dit verschil tussen jongens en meisjes is wel afgenomen over de tijd (Timmermans et al., 2018). Verder doubleren jongens vaker, en zijn ze vaker voortijdig schoolverlaters (Driessen & Van Langen, 2013). Daarnaast is te zien dat in recente jaren meisjes vaker opstromen en jongens vaker afstromen in het voortgezet onderwijs (Inspectie van het Onderwijs, 2021; Visser et al., 2022), en meisjes stromen ook vaker op binnen het mbo (CBS, 2019). Hoe zit dat onder de tweede generatie? En volgen meisjes vaker de reguliere route naar het hoger onderwijs of maken zij juist een inhaalslag via opstroom?

Ten tweede wordt gekeken naar verschillen in herkomst van de ouders: zijn één of twee ouders geboren in het buitenland? Op verschillende terreinen blijkt dat mensen met één in Nederland geboren ouder meer op de groep van Nederlandse herkomst lijken dan degenen met twee in het buitenland geboren ouders. Dit geldt met name voor mensen van Surinaamse, Turkse, Marokkaanse en Nederlands-Caribische herkomst (de vier grote herkomstgroepen), en heeft betrekking op patronen rond relatie- en gezinsvorming (Wachter en De Valk, 2018) en kenmerken als opleidingsniveau, arbeidsdeelname na afloop van hun studie en criminaliteit (CBS, 2020). In dit hoofdstuk onderzoeken we of dit ook geldt voor onderwijsroutes en voor andere herkomstgroepen (bijvoorbeeld de Nederlands–Europese en -Indonesische tweede generatie).

Ten slotte kijken we naar stedelijkheid: in steden wonen relatief veel mensen met een buitenlandse herkomst. Verder hebben steden een groter aanbod aan verschillende onderwijsniveaus, meer keuze in scholen binnen een kleine straal, en ook hoger onderwijs is dichtbij te vinden. In niet- en weinig stedelijke gebieden is ook de krimp van het aantal schoolvestigingen relatief het grootst (Inspectie van het Onderwijs, 2019). De nabijheid van onderwijs in stedelijke gebieden zou met name van belang kunnen zijn voor bepaalde groepen jongeren voor wie op kamers gaan niet vanzelfsprekend is. Aan de andere kant zou in steden ook juist meer uitval kunnen plaatsvinden vanwege de concentratie van armoede op bepaalde plekken, waardoor opleiding mogelijk minder prioriteit heeft. Daarnaast is ook het lerarentekort groter in stedelijke gebieden, met name in de Randstad (Inspectie van het Onderwijs, 2020). In niet-stedelijke gebieden wordt echter vaker ondergeadviseerd in vergelijking met stedelijke gebieden (Inspectie van het Onderwijs, 2019), wat te maken zou kunnen hebben met het beperkte aanbod in de regio waar het advies op wordt afgestemd.

Onderzoekspopulatie

Data komen uit het Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB) van het CBS. De onderzoekspopulatie bestaat uit alle kinderen die in Nederland zijn geboren tussen 1988–1991, in de onderzoeksperiode niet overleden zijn, en in Nederland woonden op de peildata (ruim 720 duizend mensen). Het onderwijsniveau op 15‑jarige leeftijd wordt vergeleken met het hoogst behaalde opleidingsniveau op 28‑jarige leeftijd. Op 15‑jarige leeftijd zat 4,5 procent van de onderzoekspopulatie nog op een gemengd niveau (vmbo-b/k of vmbo/havo/vwo). Voor een groot deel hadden deze leerlingen een klas gedoubleerd (72 procent) en zat dus in leerjaar 2 of eventueel zelfs leerjaar 1. De rest zat in leerjaar 3 nog op een gemengd niveau. Wanneer het niveau op 15‑jarige leeftijd nog gemengd was, hebben we het niveau op 16‑jarige leeftijd gebruikt. In 86 procent van die gevallen konden we op die leeftijd namelijk wel een eenduidig ongemengd niveau vaststellen. Een kleine groep leerlingen zat nog steeds op gemengd niveau, bijvoorbeeld op de Vrije School of andere specifieke onderwijsvormen die in latere leerjaren gemengd les blijven krijgen. Deze groep is uit de onderzoekspopulatie weggelaten, net als degenen van wie één of meerdere achtergrondkenmerken onbekend waren. De uiteindelijke onderzoekspopulatie bestaat uit 650 597 leerlingen van wie het onderwijsniveau op 15- of 16‑jarige leeftijdnoot2 ongemengd en bekend is, en het opleidingsniveau op 28‑jarige leeftijd bekend is (exclusief leerlingen in het praktijkonderwijs). Voor paragraaf 9.3 (stromen) is een groep verwijderd met ontbrekende of inconsistente onderwijsinformatie in de jaren tussen de leeftijd van 15 en 28 jaar, de onderzoekspopulatie is 648 204 in die paragraaf. Voor paragraaf 9.2 (onderwijsniveaus 15‑jarige leeftijd naar herkomst), paragraaf 9.4 (opstroom en afstroom in het onderwijs) en paragraaf 9.5 (regressieanalyse) worden degenen verwijderd die op één of meer van de achtergrondkenmerken ontbrekende informatie hadden. In die paragrafen is de onderzoekspopulatie 628 317 personen.

Op basis van hun onderwijsniveau op 15‑jarige leeftijd, en het hoogst behaalde opleidingsniveau op 28‑jarige leeftijd (zie kader), is het verloop van de schoolloopbaan bepaald. Hierbij zijn de schoolloopbanen gecategoriseerd als (0) geen startkwalificatie (niet minimaal havo, vwo of mbo-2 diploma); (1) afstroom (diploma op een lager niveau); (2) op niveau (diploma op niveau); (3) opstroom (diploma boven niveau). Diploma’s behaald via deelcertificaten en de vavo (voortgezet algemeen volwassenenonderwijs) zijn ook meegeteld. Uiteraard zijn de vier categorieën van de schoolloopbaan communicerende vaten: als bijvoorbeeld 90 procent ‘op niveau’ eindigt, dan kunnen de andere drie categorieën per definitie samen niet meer dan 10 procent bedragen. De relevante categorieën zijn opstroom, afstroom en geen startkwalificatie, waarbij de belangrijkste focus in dit hoofdstuk op opstroom ligt. Voor de volledigheid wordt de categorie die op niveau eindigt daarnaast wel getoond en besproken (zie de indeling ook in tabel 9.1.2).

Schematische weergave per onderwijsniveau op 15-jarige leeftijd van wat geen startkwalificatie, afstroom, op niveau en opstroom voor het hoogstbehaalde opleidingsniveau op 28-jarige leeftijd betekent. Wie op 28-jarige leeftijd als hoogst behaalde opleidingsniveau basisonderwijs, praktijkonderwijs, vmbo-b/k, mbo-1, vmbo-g/t, havo/vwo-onderbouw heeft, heeft geen startkwalificatie. Vmbo-b op 15-jarige leeftijd: •‘op niveau’ betekent op 28-jarige leeftijd mbo-2 als hoogst behaalde opleidingsniveau. •‘opstroom’ betekent op 28-jarige leeftijd mbo-3, mbo-4, havo, vwo, hbo-associate degree, hbo-bachelor, wo bachelor, hbo-master en wo-master/doctor als hoogst behaalde opleidingsniveau. Vmbo-k en vmbo-g/t op 15-jarige leeftijd: •‘afstroom’ betekent op 28-jarige leeftijd mbo-2 als hoogst behaalde opleidingsniveau.•‘op niveau’ betekent op 28-jarige leeftijd mbo-3 en mbo-4 als hoogst behaalde opleidingsniveau. •‘opstroom’ betekent op 28-jarige leeftijd havo, vwo, hbo-associate degree, hbo-bachelor, wo bachelor, hbo-master en wo-master/doctor als hoogst behaalde opleidingsniveau. Havo op 15-jarige leeftijd: •‘afstroom’ betekent op 28-jarige leeftijd mbo-2, mbo-3 en mbo-4 als hoogst behaalde opleidingsniveau.•‘op niveau’ betekent op 28-jarige leeftijd havo, hbo-associate degree, hbo-bachelor en hbo-master als hoogst behaalde opleidingsniveau. •‘opstroom’ betekent op 28-jarige leeftijd vwo, wo bachelor en wo-master/doctor als hoogst behaalde opleidingsniveau. Vwo op 15-jarige leeftijd: •‘afstroom’ betekent op 28-jarige leeftijd mbo-2, mbo-3, mbo-4, havo, hbo-associate degree, hbo-bachelor en hbo-master als hoogst behaalde opleidingsniveau.•‘op niveau’ betekent op 28-jarige leeftijd vwo, wo-bachelor en wo master/doctor als hoogst behaalde opleidingsniveau. 9 . 1. 2 Definitie geen startkwalificatie, afstroom, op niveau en opstroom O n d e r w ij s n i v e a u l e e f t ij d 1 5 Vmb o - b Vmb o - k Vmb o -g / t H a v o V w o G e e n s t a r t k w a l i fi c a t i e 1 ) M b o - 2 M b o - 3 M b o - 4 H o o g s t b e h a a l d e o p l e i d i n g s - H a v o n i v e a u l e e f t ij d 2 8 V w o H b o - a s s o c i a t e d e g r e e H b o - b a c h e l o r W o - b a c h e l o r H b o - m a s t e r W o - m a s t e r / d o c t o r 1 ) H o og s t b e h a a l d e op l e i d i n g s n i v e a u b a si s o n de r w ij s , p r a k t ij k o n de rw ij s , v m b o - b / k , m b o - 1 , v m b o - g / t , h a v o / v w o o n d e r - b o u w / b o v e n b o u w z o n de r d i p l o m a . G e e n s t a r t k w a li fi c a t i e A f s t r o o m O p n i v e a u O p s t r o o m

Niet ieder niveau kent dezelfde op- en afstroommogelijkheden. Zo kent vmbo-basis feitelijk geen afstroommogelijkheid naar een lager onderwijsniveau—een diploma vmbo-b of lager valt in dit hoofdstuk onder ‘geen startkwalificatie’. En uiteraard is er vanaf het vwo (waar atheneum en gymnasium zijn samengevoegd) geen opstroommogelijkheid naar een hoger niveau van het voortgezet onderwijs. Om die reden zijn de regressieanalyses gepresenteerd in paragraaf 9.5 ter controle twee keer herhaald: eenmaal voor de groep op het vmbo en de havo (zonder vwo), en eenmaal voor de groep op vmbo-k, vmbo-g/t, havo en vwo (zonder vmbo-b). Deze analyses leverden vrijwel identieke patronen op voor de verschillende herkomstgroepen.

Dit hoofdstuk richt zich specifiek op stromen bínnen het onderwijs, met de belangrijkste focus op opstroom als route voor het verwerkelijken van capaciteiten/potentieel na een vroege selectie. Het is daarbij wel van belang om te bedenken dat jongeren die na het behalen van een havo- of vwo-diploma niet verder leren, in bovenstaande definitie ‘op niveau’ eindigen.noot3 Op de arbeidsmarkt zullen deze mensen echter vaak een minder gunstige positie hebben dan anderen die wel verder hebben geleerd, zelfs al is dat op een minder hoog niveau. Zo geldt een havist met een mbo-4 diploma als afgestroomd terwijl een havist die na het behalen van het diploma niet verder leert op niveau is geëindigd, hoewel een havo-diploma op de arbeidsmarkt minder perspectief biedt dan een mbo-4 diploma (Pleijers & Hartgers, 2019). Hetzelfde geldt voor een vwo’er die is afgestroomd naar het hbo, versus een vwo’er die, met diploma, na de middelbare school niet verder leert en daarmee op niveau eindigt. Als laatste is van belang op te merken dat het SSB alleen informatie bevat over door de overheid bekostigd onderwijs binnen Nederland. Onderwijs aan particuliere onderwijsinstellingen en onderwijs dat in het buitenland is gevolgd, en de bijbehorende diploma’s, vallen daarbuiten.

9.2Onderwijsniveaus van de tweede generatie

Het onderwijsniveau op 15‑jarige leeftijd van kinderen van de tweede generatie verschilt sterk tussen de hier onderscheiden herkomstgroepen (figuur 9.2.1). Vergeleken met het gemiddelde van de totale populatie zijn de Nederlands-Turkse en Nederlands-Marokkaanse tweede generatie sterk ondervertegenwoordigd op havo en vwo. In mindere mate geldt hetzelfde voor de Nederlands-Surinaamse en Nederlands-Caribische tweede generatie. De Nederlands-Europese en -overige tweede generatie staat er juist wat gunstiger voor dan gemiddeld. De Nederlands-Indonesische tweede generatie springt er in positieve zin uit: zij zitten vaker op havo of vwo en minder op vmbo-b en vmbo-k dan alle andere groepen. Dit patroon geldt voor zowel jongens als meisjes (figuur 9.2.2), hoewel meisjes er in alle groepen gunstiger voor staan dan jongens. Meisjes zitten bij alle groepen iets vaker op havo of vwo dan jongens. Deze verschillen zijn groter in de groep met Nederlandse herkomst, de Nederlands-Europese, -Indonesische en -overige tweede generatie dan bij de Nederlands-Turkse, -Marokkaanse, -Surinaamse en Nederlands-Caribische tweede generatie.

9.2.1 Onderwijsniveau op vijftienjarige leeftijd, naar herkomst (%)
Herkomstgroep Vmbo-b Vmbo-k Vmbo-g/t Havo Vwo
Totaal 16 15 27 21 21
Nederland 15 15 27 22 22
Europa ¹⁾ 16 13 26 21 24
Turkije 34 18 26 13 8
Marokko 33 20 27 12 8
Suriname 24 18 28 17 13
Nederlandse Cariben 24 16 24 17 19
Indonesië 11 11 26 24 28
Overig 15 13 26 22 25
1) Europa excl. Nederland
9.2.2 Onderwijsniveau op vijftienjarige leeftijd, naar herkomst en geslacht (%)
Herkomstgroep naar geslacht Vmbo-b Vmbo-k Vmbo-g/t Havo Vwo
Mannen . . . . .
Totaal 18 16 26 20 19
Nederland 17 16 26 21 20
Europa ¹⁾ 17 14 25 20 22
Turkije 35 18 25 13 7
Marokko 34 19 26 12 7
Suriname 26 18 27 16 12
Nederlandse Cariben 26 16 22 17 17
Indonesië 13 12 26 23 25
Overig 16 14 25 21 23
Vrouwen . . . . .
Totaal 14 14 27 22 22
Nederland 13 14 27 23 23
Europa ¹⁾ 14 13 26 21 26
Turkije 32 18 27 13 9
Marokko 31 20 27 13 8
Suriname 21 18 28 18 14
Nederlandse Cariben 22 16 25 17 20
Indonesië 9 11 25 24 31
Overig 13 13 26 22 26
1) Europa excl. Nederland.

9.3Onderwijsroutes

Om een beter beeld te krijgen van de verschillende onderwijsroutes van leerlingen, met name het verschil in opstroom in het voortgezet onderwijs en daarna, wordt per onderwijsniveau op 15‑jarige leeftijd gekeken via welke route leerlingen uiteindelijk op 28‑jarige leeftijd op het behaalde niveau eindigen. Over het algemeen lijkt er in het voortgezet onderwijs na 15‑jarige leeftijd weinig mobiliteit tussen onderwijsniveaus. Na het voortgezet onderwijs zijn de schoolloopbanen gevarieerder. Tussen de verschillende onderwijsniveaus zijn wel duidelijke verschillen, en de mobiliteit tussen niveaus lijkt groter bij mensen met een herkomst buiten Nederland. Per onderwijsniveau op 15‑jarige leeftijd zijn de verschillende (meest voorkomende) onderwijsroutes in beeld gebracht. Hierbij vergelijken we de tweede generatie met Europese en Buiten-Europese herkomst met de totale groep. Uitsplitsing naar land van herkomst is niet mogelijk vanwege de vaak kleine aantallen binnen de verschillende stromen.

Vmbo-basis

Van de leerlingen die op 15‑jarige leeftijd op het vmbo-b zitten eindigt slechts 27 procent op 28‑jarige leeftijd op niveau (mbo-2). Vrijwel al deze leerlingen volgen de reguliere onderwijsroute: zij behalen een vmbo-b/k diploma in het vo, en halen vervolgens een mbo-2 diploma. Een kwart van de vmbo-b leerlingen eindigt de schoolloopbaan zonder startkwalificatie. De meeste van deze leerlingen behalen wel een vo-diploma, maar halen vervolgens geen diploma in het mbo. Bijna de helft van de leerlingen (48 procent) eindigt de schoolloopbaan boven niveau. Een klein deel doet dit door op te stromen in het vo (2 procent). De meerderheid stroomt echter in het mbo op (46 procent), en eindigt hun schoolloopbaan met een diploma mbo-3 (25 procent) of mbo-4 (19 procent). Een klein deel studeert nog door, en behaalt een hbo-diploma (2 procent).

Onder leerlingen op vmbo-b van de Nederlands-Buiten-Europese tweede generatie eindigt een wat kleiner aandeel op niveau, onder leerlingen van de Nederlands-Europese tweede generatie is dit gelijk aan het gemiddelde. Het aandeel dat de schoolloopbaan eindigt zonder startkwalificatie ligt daarentegen bij beide herkomstgroepen iets hoger. Ook voor hen geldt dat de meesten wel een vo-diploma halen. Het aandeel dat de schoolloopbaan eindigt boven niveau is iets hoger dan gemiddeld onder leerlingen van de Nederlands-Buiten-Europese tweede generatie, en lager onder leerlingen van de Nederlands-Europese tweede generatie. Ook van deze leerlingen stroomt de meerderheid na het vo op via het mbo. Leerlingen van de Nederlands-Buiten-Europese tweede generatie stromen hierbij iets vaker dan gemiddeld door naar hogere niveaus; ze eindigen vaker dan gemiddeld met een mbo-4 diploma.

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

9.3.1a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-b zaten (%), totale populatie (N=105.298), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vmbo-bgeen vo-diploma8,0
vmbo-bop niveau
(vmbo-b/k)
89,0
vmbo-bboven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
3,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.1a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-b zaten (%), totale populatie (N=105.298), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vmbo-bgeen vo-diploma8,0
vmbo-bop niveau
(vmbo-b/k)
89,0
vmbo-bboven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
3,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.1a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-b zaten (%), totale populatie (N=105.298), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vmbo-bgeen vo-diploma8,0
vmbo-bop niveau
(vmbo-b/k)
89,0
vmbo-bboven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
3,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

9.3.1b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-b zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=21.173), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vmbo-b geen vo-diploma 10,0
vmbo-b op niveau
(vmbo-b/k)
86,0
vmbo-b boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
4,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.1b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-b zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=21.173), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 5,0
geen vo-diploma op niveau
(mbo-2)
3,0
geen vo-diploma boven niveau
(mbo-3/4)
2,0
op niveau
(vmbo-b/k)
geen startkwalificatie 21,0
op niveau
(vmbo-b/k)
op niveau
(mbo-2)
21,0
op niveau
(vmbo-b/k)
boven niveau
(mbo-3/4)
45,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
geen startkwalificatie 1,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
boven niveau
(mbo-3/4)
1,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
2,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.1b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-b zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=21.173), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 27,0
op niveau
(mbo-2)
op niveau
(mbo-2)
23,0
boven niveau
(mbo-3/4)
boven niveau
(mbo-3/4)
44,0
boven niveau
(havo/vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
1,0
boven niveau
(mbo-3/4)
boven niveau
(hbo/wo)
3,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

9.3.1c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-b zaten (%), Europese herkomst (N=2.919), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vmbo-b geen vo-diploma 11,0
vmbo-b op niveau
(vmbo-b/k)
85,0
vmbo-b boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
5,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.1c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-b zaten (%), Europese herkomst (N=2.919), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 6,0
geen vo-diploma op niveau
(mbo-2)
3,0
geen vo-diploma boven niveau
(mbo-3/4)
2,0
op niveau
(vmbo-b/k)
geen startkwalificatie 22,0
op niveau
(vmbo-b/k)
op niveau
(mbo-2)
24,0
op niveau
(vmbo-b/k)
boven niveau
(mbo-3/4)
38,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
geen startkwalificatie 2,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
boven niveau
(mbo-3/4)
1,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
2,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.1c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-b zaten (%), Europese herkomst (N=2.919), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 30,0
op niveau
(mbo-2)
op niveau
(mbo-2)
26,0
boven niveau
(mbo-3/4)
boven niveau
(mbo-3/4)
39,0
boven niveau
(havo/vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
2,0
boven niveau
(mbo-3/4)
boven niveau
(hbo/wo)
2,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

Vmbo-k

Van de leerlingen die op 15‑jarige leeftijd op het vmbo-k zitten eindigt meer dan de helft (60 procent) op niveau (mbo-3 of mbo-4). De meeste leerlingen volgen de reguliere onderwijsroute; zij behalen een vmbo-b/k diploma in het vo, stromen vervolgens door naar het mbo en halen hier een mbo-3 (23 procent) of mbo-4 (35 procent) diploma. Van de vmbo-k leerlingen eindigt 15 procent de schoolloopbaan zonder startkwalificatie. De meeste leerlingen behalen wel een vo-diploma, maar behalen vervolgens geen diploma in het mbo. Nog eens 12 procent van de vmbo-k leerlingen stroomt af, en eindigt de schoolloopbaan onder niveau: zij behalen veelal een vmbo-b/k diploma en vervolgens een mbo-2‑diploma. 13 procent van de vmbo-k leerlingen stroomt op en eindigt de schoolloopbaan met een diploma boven niveau. Bij vmbo-k leerlingen is opstroom binnen het vo het laagst, waarschijnlijk omdat het met een diploma vmbo-k al mogelijk is om in principe alle mbo-niveaus te volgen (hoewel doorstroom naar mbo-4 niet veel voorkomt). De meerderheid behaalt een vo-diploma op niveau (vmbo-b/k), stroomt via het mbo door naar het hbo, en haalt een hbo-diploma (10 procent).

Onder leerlingen op vmbo-k van de tweede generatie eindigt een iets kleiner aandeel op niveau, dit geldt zowel voor leerlingen van de Nederlands-Buiten-Europese als voor leerlingen van de Nederlands-Europese tweede generatie. Ook onder deze leerlingen heeft de meerderheid de reguliere onderwijsroute gevolgd. Hierbij is te zien dat leerlingen van de Nederlands-Buiten-Europese tweede generatie vaker dan gemiddeld eindigen met een mbo-4 diploma dan een mbo-3 diploma. Het aandeel dat de schoolloopbaan eindigt zonder startkwalificatie ligt hoger dan gemiddeld bij beide groepen van de tweede generatie. Ook voor deze leerlingen geldt dat de meesten wel een vo-diploma halen. Het aandeel leerlingen dat de schoolloopbaan eindigt onder niveau ligt daarentegen lager onder leerlingen van de Nederlands-Buiten-Europese tweede generatie. Onder leerlingen van de Nederlands-Europese tweede generatie is dit gelijk aan het gemiddelde. Het aandeel leerlingen dat eindigt met een diploma boven niveau is hoger onder leerlingen van de Nederlands-Buiten-Europese tweede generatie, en gelijk aan het gemiddelde onder leerlingen van de Nederlands-Europese tweede generatie. Ook hier stroomt het grootste deel na het vo op via het mbo, en eindigt de schoolloopbaan met een hbo-diploma.

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

9.3.2a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-k zaten (%), totale populatie (N=97.431), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vmbo-k geen vo-diploma 2,0
vmbo-k op niveau
(vmbo-b/k)
94,0
vmbo-k boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
4,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.2a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-k zaten (%), totale populatie (N=97.431), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 1,0
op niveau
(vmbo-b/k)
geen startkwalificatie 13,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
geen startkwalificatie 1,0
op niveau
(vmbo-b/k)
onder niveau
(mbo-2)
11,0
geen vo-diploma op niveau
(mbo-3/4)
1,0
op niveau
(vmbo-b/k)
op niveau
(mbo-3/4)
69,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
op niveau
(mbo-3/4)
1,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
2,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.2a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-k zaten (%), totale populatie (N=97.431), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 15,0
onder niveau
(mbo-2)
onder niveau
(mbo-2)
11,0
op niveau
(mbo-3/4)
op niveau
(mbo-3/4)
60,0
boven niveau
(havo/vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
1,0
op niveau
(mbo-3/4)
boven niveau
(hbo/wo)
10,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

9.3.2b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-k zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=14.186), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vmbo-k geen vo-diploma 3,0
vmbo-k op niveau
(vmbo-b/k)
91,0
vmbo-k boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
6,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.2b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-k zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=14.186), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 2,0
geen vo-diploma onder niveau
(mbo-2)
1,0
geen vo-diploma op niveau
(mbo-3/4)
1,0
op niveau
(vmbo-b/k)
geen startkwalificatie 17,0
op niveau
(vmbo-b/k)
onder niveau
(mbo-2)
8,0
op niveau
(vmbo-b/k)
op niveau
(mbo-3/4)
66,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
geen startkwalificatie 2,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
op niveau
(mbo-3/4)
2,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
3,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.2b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-k zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=14.186), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 20,0
onder niveau
(mbo-2)
onder niveau
(mbo-2)
9,0
op niveau
(mbo-3/4)
op niveau
(mbo-3/4)
55,0
boven niveau
(havo/vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
2,0
op niveau
(mbo-3/4)
boven niveau
(hbo/wo)
13,0
boven niveau
(havo/vwo)
boven niveau
(hbo/wo)
1,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland

9.3.2c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-k zaten (%), Europese herkomst1) herkomst (N=2.468), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vmbo-k geen vo-diploma 3,0
vmbo-k op niveau
(vmbo-b/k)
91,0
vmbo-k boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
6,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland
9.3.2c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-k zaten (%), Europese herkomst1) herkomst (N=2.468), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 2,0
op niveau
(vmbo-b/k)
geen startkwalificatie 16,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
geen startkwalificatie 1,0
op niveau
(vmbo-b/k)
onder niveau
(mbo-2)
11,0
geen vo-diploma op niveau
(mbo-3/4)
1,0
op niveau
(vmbo-b/k)
op niveau
(mbo-3/4)
63,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
op niveau
(mbo-3/4)
2,0
boven niveau
(vmbo-g/t, havo, vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
3,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland
9.3.2c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-k zaten (%), Europese herkomst1) herkomst (N=2.468), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 19,0
onder niveau
(mbo-2)
onder niveau
(mbo-2)
11,0
op niveau
(mbo-3/4)
op niveau
(mbo-3/4)
56,0
boven niveau
(havo/vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
2,0
op niveau
(mbo-3/4)
boven niveau
(hbo/wo)
10,0
boven niveau
(havo/vwo)
boven niveau
(hbo/wo)
1,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland

Vmbo-g/t

Van de leerlingen die op 15‑jarige leeftijd op het vmbo-g/t zitten eindigt 48 procent op niveau (mbo-3 of mbo-4). De meeste leerlingen volgen de reguliere onderwijsroute (44 procent), zij behalen een vmbo-g/t diploma in het vo, stromen vervolgens door naar het mbo, en halen hier een mbo-3 (9 procent) of mbo-4 (35 procent) diploma. En klein deel van de leerlingen stroomt af (3 procent) of op (1 procent) in het vo, maar eindigt uiteindelijk wel de schoolloopbaan op niveau. Een tiende van de vmbo-g/t leerlingen eindigt de schoolloopbaan zonder startkwalificatie, waarvan de meeste leerlingen wel een vo-diploma hebben behaald. Slechts 4 procent van de vmbo-g/t leerlingen eindigt de schoolloopbaan onder niveau met een mbo-2 diploma. Deze afstroom vindt met name plaats op het mbo nadat de leerling een vmbo-g/t diploma heeft behaald. Een groot aandeel van de vmbo-g/t leerlingen eindigt de schoolloopbaan met een diploma boven niveau (37 procent). De belangrijkste opstroomroute is via het mbo; deze leerlingen studeren na het behalen van een mbo-4 diploma door en halen een diploma hbo of wo (22 procent). In vergelijking met andere onderwijsniveaus vindt bij vmbo-g/t leerlingen echter ook veel opstroom via het vo plaats (15 procent); zij stromen op naar havo of zelfs vwo, en eindigen de loopbaan met een havo- of vwo-diploma (5 procent). Of ze studeren na het vo door en halen een hbo of wo-diploma (10 procent).

Onder zowel de Nederlands-Buiten-Europese tweede generatie als de Nederlands-Europese tweede generatie op vmbo-g/t eindigt een iets kleiner aandeel op niveau dan gemiddeld. Zij volgen minder vaak de reguliere route, en eindigen vaker op niveau na aanvankelijke afstroom in het vo. Het aandeel leerlingen dat de schoolloopbaan eindigt zonder startkwalificatie ligt onder de tweede generatie weer iets hoger, wederom wordt daarbij veelal wel een vo-diploma behaald. Het aandeel leerlingen dat de schoolloopbaan eindigt onder niveau is bij de tweede generatie gelijk aan het gemiddelde, met name na het behalen van een vmbo-g/t diploma. Een iets groter aandeel leerlingen eindigt de schoolloopbaan boven niveau, met name opstroom via het vo vindt vaker plaats. Ze stromen iets minder vaak op via het mbo, om daarna een hbo- of wo-diploma te behalen. Daarentegen stromen ze vaker op via het vo, en eindigen hun schoolloopbaan via deze route met een havo, vwo, hbo- of wo-diploma.

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

9.3.3a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-g/t zaten (%), totale populatie (N=172.099), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vmbo-g/t geen vo-diploma 1,0
vmbo-g/t onder niveau
(vmbo-b/k)
6,0
vmbo-g/t op niveau
(vmbo-g/t)
77,0
vmbo-g/t boven niveau
(havo, vwo)
16,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.3a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-g/t zaten (%), totale populatie (N=172.099), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 1,0
onder niveau
(vmbo-b/k)
geen startkwalificatie 1,0
op niveau
(vmbo-g/t)
geen startkwalificatie 8,0
onder niveau
(vmbo-b/k)
onder niveau
(mbo-2)
1,0
op niveau
(vmbo-g/t)
onder niveau
(mbo-2)
3,0
onder niveau
(vmbo-b/k)
op niveau
(mbo-3/4)
4,0
op niveau
(vmbo-g/t)
op niveau
(mbo-3/4)
65,0
boven niveau
(havo, vwo)
op niveau
(mbo-3/4)
1,0
boven niveau
(havo, vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
15,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.3a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-g/t zaten (%), totale populatie (N=172.099), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 10,0
onder niveau
(mbo-2)
onder niveau
(mbo-2)
4,0
op niveau
(mbo-3/4)
op niveau
(mbo-3/4)
48,0
boven niveau
(havo/vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
5,0
op niveau
(mbo-3/4)
boven niveau
(hbo/wo)
22,0
boven niveau
(havo/vwo)
boven niveau
(hbo/wo)
9,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

9.3.3b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-g/t zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=22.444), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vmbo-g/t geen vo-diploma 2,0
vmbo-g/t onder niveau
(vmbo-b/k)
10,0
vmbo-g/t op niveau
(vmbo-g/t)
68,0
vmbo-g/t boven niveau
(havo, vwo)
19,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.3b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-g/t zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=22.444), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 1,0
onder niveau
(vmbo-b/k)
geen startkwalificatie 3,0
op niveau
(vmbo-g/t)
geen startkwalificatie 10,0
onder niveau
(vmbo-b/k)
onder niveau
(mbo-2)
1,0
op niveau
(vmbo-g/t)
onder niveau
(mbo-2)
2,0
geen vo-diploma op niveau
(mbo-3/4)
1,0
onder niveau
(vmbo-b/k)
op niveau
(mbo-3/4)
6,0
op niveau
(vmbo-g/t)
op niveau
(mbo-3/4)
57,0
boven niveau
(havo, vwo)
op niveau
(mbo-3/4)
1,0
boven niveau
(havo, vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
18,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.3b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-g/t zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=22.444), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 13,0
onder niveau
(mbo-2)
onder niveau
(mbo-2)
3,0
op niveau
(mbo-3/4)
op niveau
(mbo-3/4)
45,0
boven niveau
(havo/vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
8,0
op niveau
(mbo-3/4)
boven niveau
(hbo/wo)
20,0
boven niveau
(havo/vwo)
boven niveau
(hbo/wo)
10,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland

9.3.3c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-g/t zaten (%), Europese herkomst1) herkomst (N=4.701), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vmbo-g/t geen vo-diploma 2,0
vmbo-g/t onder niveau
(vmbo-b/k)
7,0
vmbo-g/t op niveau
(vmbo-g/t)
70,0
vmbo-g/t boven niveau
(havo, vwo)
21,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland
9.3.3c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-g/t zaten (%), Europese herkomst1) herkomst (N=4.701), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 1,0
onder niveau
(vmbo-b/k)
geen startkwalificatie 2,0
op niveau
(vmbo-g/t)
geen startkwalificatie 9,0
onder niveau
(vmbo-b/k)
onder niveau
(mbo-2)
1,0
op niveau
(vmbo-g/t)
onder niveau
(mbo-2)
3,0
onder niveau
(vmbo-b/k)
op niveau
(mbo-3/4)
4,0
op niveau
(vmbo-g/t)
op niveau
(mbo-3/4)
57,0
boven niveau
(havo, vwo)
op niveau
(mbo-3/4)
2,0
boven niveau
(havo, vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
20,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland
9.3.3c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vmbo-g/t zaten (%), Europese herkomst1) herkomst (N=4.701), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 12,0
onder niveau
(mbo-2)
onder niveau
(mbo-2)
4,0
op niveau
(mbo-3/4)
op niveau
(mbo-3/4)
44,0
boven niveau
(havo/vwo)
boven niveau
(havo/vwo)
9,0
op niveau
(mbo-3/4)
boven niveau
(hbo/wo)
19,0
boven niveau
(havo/vwo)
boven niveau
(hbo/wo)
11,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland

Havo

Van de leerlingen die op 15‑jarige leeftijd op de havo zitten eindigt 68 procent op niveau (havo of hbo). De meesten volgen de reguliere onderwijsroute; zij behalen een havo-diploma in het vo en eindigen hun schoolloopbaan na het behalen van een havo-diploma (16 procent), of ze stromen door en halen een hbo-diploma (45 procent). Slechts 2 procent van de havo-leerlingen eindigt de schoolloopbaan zonder startkwalificatie. 13 procent van de havo-leerlingen eindigt de schoolloopbaan met een diploma onder niveau, de meerderheid haalt een mbo-4‑diploma (11 procent). Dit gebeurt met name na het behalen van een havo-diploma (6 procent), maar ook een relatief groot aandeel stroomt af in het vo (5 procent) en stroomt door naar mbo-4. Met een overgangsbewijs van havo 3 naar havo 4 kan namelijk al worden ingestroomd in het mbo. Hoewel deze leerlingen qua schoolloopbaan afstromen, hebben zij met een mbo-4‑diploma op de arbeidsmarkt waarschijnlijk een beter perspectief dan de leerlingen die weliswaar op niveau eindigen, maar uiteindelijk alleen een havo-diploma hebben. Van de havo-leerlingen eindigt 16 procent de schoolloopbaan met een diploma boven niveau, de meerderheid met een wo-diploma (14 procent), en een kleine groep met een vwo-diploma (2 procent). De opstroomroute van havo-leerlingen loopt zowel via het hbo naar het wo na het behalen van een havo-diploma (8 procent), als via het vo met het behalen van een vwo-diploma (8 procent).

Op havo eindigt de Nederlands-buiten-Europese tweede generatie iets minder vaak op niveau. De Nederlands-Europese tweede generatie verschilt hierin nauwelijks van het gemiddelde. Beide herkomstgroepen volgen minder dan gemiddeld de reguliere onderwijsroute, stoppen vaker met studeren na het behalen van hun havo-diploma en studeren minder dan gemiddeld door om hun hbo-diploma te behalen. Het aandeel dat de schoolloopbaan eindigt zonder startkwalificatie is voor de tweede generatie iets bovengemiddeld. Het aandeel leerlingen dat de schoolloopbaan eindigt onder niveau is bij hen daarentegen weer iets lager, hiervan eindigt de meerderheid de schoolloopbaan met een mbo-4‑diploma. De tweede generatie eindigt de schoolloopbaan iets vaker dan gemiddeld boven niveau, zij behalen meestal een wo-diploma of soms alleen een vwo-diploma. Het aandeel leerlingen dat opstroomt door na het behalen van een havo-diploma via het hbo door te stromen naar het wo is ongeveer gelijk aan het gemiddelde. Een iets groter aandeel stroomt via het vo op en haalt een vwo-diploma.

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

9.3.4a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op havo zaten (%), totale populatie (N=138.456), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
havo geen vo-diploma 7,0
havo onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t)
5,0
havo op niveau
(havo)
78,0
havo boven niveau
(vwo)
10,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.4a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op havo zaten (%), totale populatie (N=138.456), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 2,0
onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t)
geen startkwalificatie 1,0
geen vo-diploma onder niveau
(mbo-2/3/4)
6,0
onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
4,0
op niveau
(havo)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
8,0
op niveau
(havo)
op niveau
(havo)
70,0
boven niveau
(vwo)
boven niveau
(vwo)
10,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.4a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op havo zaten (%), totale populatie (N=138.456), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 2,0
onder niveau
(mbo-2/3/4)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
13,0
op niveau
(havo)
op niveau
(havo)
16,0
onder niveau
(mbo-2/3/4)
op niveau
(hbo)
5,0
op niveau
(havo)
op niveau
(hbo)
45,0
boven niveau
(vwo)
op niveau
(hbo)
2,0
boven niveau
(vwo)
boven niveau
(vwo)
2,0
op niveau
(havo)
boven niveau
(wo)
8,0
boven niveau
(vwo)
boven niveau
(wo)
6,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

9.3.4b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op havo zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=14.727), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
havo geen vo-diploma 10,0
havo onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t)
6,0
havo op niveau
(havo)
70,0
havo boven niveau
(vwo)
15,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.4b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op havo zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=14.727), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 3,0
onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t)
geen startkwalificatie 1,0
geen vo-diploma onder niveau
(mbo-2/3/4)
7,0
onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
4,0
op niveau
(havo)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
4,0
op niveau
(havo)
op niveau
(havo)
67,0
boven niveau
(vwo)
boven niveau
(vwo)
14,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.4b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op havo zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=14.727), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 4,0
onder niveau
(mbo-2/3/4)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
11,0
op niveau
(havo)
op niveau
(havo)
21,0
onder niveau
(mbo-2/3/4)
op niveau
(hbo)
3,0
op niveau
(havo)
op niveau
(hbo)
38,0
boven niveau
(vwo)
op niveau
(hbo)
3,0
boven niveau
(vwo)
boven niveau
(vwo)
4,0
op niveau
(havo)
boven niveau
(wo)
8,0
boven niveau
(vwo)
boven niveau
(wo)
8,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland

9.3.4c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op havo zaten (%), Europese herkomst1) herkomst (N=3.816), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
havo geen vo-diploma 7,0
havo onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t)
5,0
havo op niveau
(havo)
74,0
havo boven niveau
(vwo)
14,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland
9.3.4c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op havo zaten (%), Europese herkomst1) herkomst (N=3.816), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 2,0
onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t)
geen startkwalificatie 1,0
geen vo-diploma onder niveau
(mbo-2/3/4)
5,0
onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
4,0
op niveau
(havo)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
6,0
op niveau
(havo)
op niveau
(havo)
67,0
boven niveau
(vwo)
boven niveau
(vwo)
14,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland
9.3.4c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op havo zaten (%), Europese herkomst1) herkomst (N=3.816), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 3,0
onder niveau
(mbo-2/3/4)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
11,0
op niveau
(havo)
op niveau
(havo)
19,0
onder niveau
(mbo-2/3/4)
op niveau
(hbo)
4,0
op niveau
(havo)
op niveau
(hbo)
41,0
boven niveau
(vwo)
op niveau
(hbo)
3,0
boven niveau
(vwo)
boven niveau
(vwo)
3,0
op niveau
(havo)
boven niveau
(wo)
7,0
boven niveau
(vwo)
boven niveau
(wo)
8,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland

Vwo

Van de leerlingen die op 15‑jarige leeftijd op het vwo zitten eindigt 72 procent de schoolloopbaan op niveau (vwo of wo). Vrijwel allemaal volgen ze de reguliere onderwijsroute; zij behalen een vwo-diploma en eindigen hun schoolloopbaan met een vwo-diploma (9 procent), of studeren door en eindigen de schoolloopbaan met een wo-diploma (62 procent). Slechts 1 procent van de vwo-leerlingen eindigt de schoolloopbaan zonder startkwalificatie. Afstroom is relatief hoog onder vwo-leerlingen, 27 procent eindigt de schoolloopbaan met een diploma onder niveau. Het merendeel eindigt de schoolloopbaan met een hbo-diploma (23 procent), soms nadat zij in het vo al zijn afgestroomd (7 procent), maar meestal na het behalen van een vwo-diploma (16 procent). Een klein deel eindigt na afstroom in het vo met een havo-diploma of mbo-diploma. Ook hier geldt dat degenen die op niveau eindigen met alleen een vwo-diploma (9 procent), vaak een minder gunstige arbeidsmarktpositie hebben dan degenen die afstromen, maar wel een hbo-diploma behalen (23 procent).

In tegenstelling tot de andere onderwijsniveaus eindigt onder kinderen op het vwo zowel van de Nederlands-Buiten-Europese tweede generatie als de Nederlands-Europese tweede generatie een groter aandeel de schoolloopbaan op niveau. Vrijwel allemaal volgen zij de reguliere onderwijsroute, eindigen vaker met enkel een vwo-diploma, maar studeren ook vaker door en halen een wo-diploma. Weinig leerlingen eindigen zonder startkwalificatie, dit is gelijk aan het gemiddelde. Een kleiner dan gemiddeld aandeel eindigt de schoolloopbaan onder niveau. Onder leerlingen van de Nederlands-Buiten-Europese tweede generatie eindigt een lager aandeel met een hbo-diploma. Een iets groter aandeel eindigt na afstroom in het vo met een havo-diploma of mbo-diploma. Onder de Nederlands-Europese tweede generatie eindigt een kleinere groep dan gemiddeld met een hbo-diploma. Bij beide groepen komt de route havo-hbo (afstroom in het vo) minder vaak voor dan de route vwo-diploma en daarna hbo. De Nederlands-Buiten-Europese tweede generatie die een vwo-diploma behalen lijken iets vaker te kiezen voor een universitaire opleiding dan voor een hbo-opleiding.

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

9.3.5a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vwo zaten (%), totale populatie (N=134.920), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vwo geen vo-diploma 1,0
vwo onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t, havo)
12,0
vwo op niveau
(vwo)
87,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.5a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vwo zaten (%), totale populatie (N=134.920), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 1,0
onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t, havo)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
1,0
onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t, havo)
onder niveau
(havo)
11,0
op niveau
(vwo)
op niveau
(vwo)
87,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.5a Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vwo zaten (%), totale populatie (N=134.920), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 1,0
onder niveau
(mbo-2/3/4)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
1,0
onder niveau
(havo)
onder niveau
(havo)
3,0
onder niveau
(havo)
onder niveau
(hbo)
7,0
op niveau
(vwo)
onder niveau
(hbo)
16,0
op niveau
(vwo)
op niveau
(vwo)
9,0
onder niveau
(havo)
op niveau
(wo)
1,0
op niveau
(vwo)
op niveau
(wo)
62,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

9.3.5b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vwo zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=13.313), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vwo geen vo-diploma 2,0
vwo onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t, havo)
12,0
vwo op niveau
(vwo)
86,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.5b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vwo zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=13.313), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 1,0
geen vo-diploma onder niveau
(mbo-2/3/4)
1,0
onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t, havo)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
1,0
onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t, havo)
onder niveau
(havo)
11,0
op niveau
(vwo)
op niveau
(vwo)
86,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
9.3.5b Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vwo zaten (%), Buiten-Europese herkomst (N=13.313), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 1,0
onder niveau
(mbo-2/3/4)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
1,0
onder niveau
(havo)
onder niveau
(havo)
4,0
onder niveau
(havo)
onder niveau
(hbo)
6,0
op niveau
(vwo)
onder niveau
(hbo)
9,0
op niveau
(vwo)
op niveau
(vwo)
13,0
onder niveau
(havo)
op niveau
(wo)
1,0
op niveau
(vwo)
op niveau
(wo)
64,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen

alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland

9.3.5c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vwo zaten (%), Europese herkomst1) herkomst (N=4.346), onderwijsniveau
leeftijd 15 naar onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
leeftijd 15
onderwijsniveau
eind vo
Waarde (%)
vwo geen vo-diploma 2,0
vwo onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t, havo)
10,0
vwo op niveau
(vwo)
88,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland
9.3.5c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vwo zaten (%), Europese herkomst1) herkomst (N=4.346), onderwijsniveau
eind vo naar onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
eind vo
onderwijsniveau
eind vo/mbo
Waarde (%)
geen vo-diploma geen startkwalificatie 1,0
onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t, havo)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
1,0
onder niveau
(vmbo-b/k, vmbo-g/t, havo)
onder niveau
(havo)
9,0
op niveau
(vwo)
op niveau
(vwo)
88,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland
9.3.5c Onderwijsstromen van leerlingen die op vijftienjarige leeftijd op vwo zaten (%), Europese herkomst1) herkomst (N=4.346), onderwijsniveau
eind vo/mbo naar onderwijsniveau
leeftijd 28
onderwijsniveau
eind vo/mbo
onderwijsniveau
leeftijd 28
Waarde (%)
geen startkwalificatie geen startkwalificatie 1,0
onder niveau
(mbo-2/3/4)
onder niveau
(mbo-2/3/4)
1,0
onder niveau
(havo)
onder niveau
(havo)
3,0
onder niveau
(havo)
onder niveau
(hbo)
5,0
op niveau
(vwo)
onder niveau
(hbo)
12,0
op niveau
(vwo)
op niveau
(vwo)
11,0
onder niveau
(havo)
op niveau
(wo)
1,0
op niveau
(vwo)
op niveau
(wo)
65,0
alleen stromen met meer dan 0,5% van de populatie worden getoond
percentages tellen niet altijd op tot 100 vanwege afrondingen
1) Europa excl. Nederland

Conclusie onderwijsroutes

Samenvattend blijkt dat er weinig op- en afstroom is binnen het voortgezet onderwijs na 15‑jarige leeftijd. Op alle niveaus eindigt een grote meerderheid de vo-loopbaan op het te verwachten niveau. De schoolloopbanen van leerlingen krijgen een meer dynamisch verloop ná het voortgezet onderwijs. Met name vanuit vmbo-b en vmbo-g/t volgt maar een klein deel de reguliere onderwijsroute, dit is wat hoger onder leerlingen op vmbo-k, havo en vwo. Ook blijkt dat de tweede generatie op alle niveaus wat minder de gebruikelijke route volgt, met uitzondering van kinderen die op 15‑jarige leeftijd op het vwo zitten. Leerlingen van de tweede generatie stoppen hun schoolloopbaan vaker na het behalen van een vo-diploma, zowel zonder startkwalificatie (vmbo) als met startkwalificatie (havo/vwo), en stromen zowel in het vo als mbo vaker op. Ook studeren zij minder vaak door nadat zij een havo- of vwo-diploma hebben behaald. Dit geldt zowel voor leerlingen die in het vo zijn opgestroomd naar havo of vwo, als voor leerlingen die op 15‑jarige leeftijd op havo of vwo zaten. Wel behaalt de tweede generatie die doorstudeert na het vwo vaker een universitair diploma in vergelijking met de totale populatie, waar doorstroom naar het hbo wat meer voorkomt.

9.4Opstroom en afstroom

Uit de onderwijsstromen blijkt dat de tweede generatie minder vaak de reguliere onderwijsroute volgt. Opstroom en het niet behalen van een startkwalificatie komt over het algemeen bij hen meer voor dan onder de groep met Nederlandse herkomst en afstroom minder vaak. Ook vindt deze opstroom vooral na het voortgezet onderwijs plaats. Hierbij kon echter geen onderscheid gemaakt worden tussen verschillende herkomstgroepen en tussen de onderwijsroutes van mannen en vrouwen. Om hier een beter beeld van te krijgen wordt in deze paragraaf gekeken naar opstroom en afstroom, door het onderwijsniveau op 15‑jarige leeftijd te vergelijken met het hoogst behaalde opleidingsniveau op 28‑jarige leeftijd. Over het algemeen zijn er duidelijke verschillen tussen de herkomstgroepen in schoolloopbanen, en komt opstroom meer voor bij vrouwen dan bij mannen. Deze man-vrouw verschillen zijn het grootst bij vmbo-b en worden kleiner bij hogere onderwijsniveaus. De havo laat voor de totale groep, de groep met Nederlandse herkomst, en de Nederlands-Europese en -‍Caribische tweede generatie, zelfs een omgekeerd beeld zien. Met name vrouwen van de Nederlands-Marokkaanse, -‍Turkse en -overige tweede generatie maken op alle niveaus een inhaalslag in hun schoolloopbaan tussen de 15 en 28 jaar. Hieronder wordt gedetailleerder ingegaan op de opstroom van mannen en vrouwen van verschillende herkomstgroepen voor elk onderwijsniveau.

Vmbo-basis

Opstroom vanuit vmbo-basis komt meer dan gemiddeld voor onder mannen van de Nederlands-Indonesische en -overige tweede generatie, en minder onder mannen van de Nederlands-Turkse en -Marokkaanse tweede generatie. Opvallend is dat vrouwen veel vaker opstromen dan mannen: 54 procent, tegenover 44 procent onder de totale populatie. Dit geldt voor alle herkomstgroepen. De man-vrouw verschillen zijn het grootst bij de Nederlands-Marokkaanse, -Turkse en -Caribische tweede generatie. Vrouwen in die groepen stromen vaker op, mannen juist minder vaak dan gemiddeld. Ook behalen vrouwen vaker een startkwalificatie dan mannen. Afstroom is bij deze groep niet mogelijk: dat betekent automatisch dat geen startkwalificatie wordt behaald.

9.4.1 Op- en afstroom in het onderwijs tussen leeftijd 15 (vmbo-basis) en 28 jaar (%)
Herkomstgroep naar geslacht Geen startkwalificatie Op niveau Opstroom
Mannen . . .
Totaal 27 29 44
Nederland 25 31 44
Europa ¹⁾ 30 28 42
Turkije 33 25 41
Marokko 37 22 41
Suriname 30 25 45
Nederlandse Cariben 31 26 43
Indonesië 26 26 49
Overig 29 24 47
Vrouwen . . .
Totaal 23 24 54
Nederland 24 24 53
Europa ¹⁾ 28 26 46
Turkije 18 22 60
Marokko 18 21 61
Suriname 21 25 55
Nederlandse Cariben 21 22 58
Indonesië 26 23 52
Overig 18 23 59
1) Europa excl. Nederland.

Vmbo-kader

In de Nederlandse en Nederlands-Indonesische herkomstgroep stromen mannen het minst vaak op vanuit vmbo-kader. Mannen uit andere herkomstgroepen stromen wat meer op dan gemiddeld, hoewel de verschillen niet erg groot zijn. Ook hier zijn de man-vrouw verschillen wel aanzienlijk. Voor alle herkomstgroepen geldt dat vrouwen vanuit vmbo-kader vaker opstromen en minder vaak afstromen dan mannen. De man-vrouw verschillen in opstroom zijn het grootst bij de Nederlands-Marokkaanse, -Turkse en -Indonesische tweede generatie (respectievelijk 8, 6 en 7 procentpunt). Ook behalen vrouwen vaker een startkwalificatie dan mannen.

9.4.2 Opstroom en afstroom in het onderwijs tussen leeftijd 15 (vmbo-kader) en 28 jaar (%)
Herkomstgroep naar geslacht Geen startkwalificatie Afstroom Op niveau Opstroom
Mannen . . . .
Totaal 16 16 56 11
Nederland 15 16 58 11
Europa ¹⁾ 20 15 52 13
Turkije 23 12 51 14
Marokko 31 8 46 15
Suriname 25 12 50 13
Nederlandse Cariben 23 11 54 13
Indonesië 23 14 52 10
Overig 22 13 50 15
Vrouwen . . . .
Totaal 13 8 65 14
Nederland 13 8 66 13
Europa ¹⁾ 17 9 61 13
Turkije 12 7 61 20
Marokko 14 5 59 23
Suriname 14 6 62 18
Nederlandse Cariben 17 8 58 17
Indonesië 18 9 57 17
Overig 12 6 62 20
1) Europa excl. Nederland.

Vmbo-gemengd/theoretisch

Vanuit vmbo-gemengd/theoretisch stromen mannen van de Nederlands-Europese en -overige tweede generatie vaker op dan gemiddeld, en de andere herkomstgroepen juist minder vaak. Uitzondering is de Nederlandse herkomstgroep, die op het gemiddelde zit. Voor vrouwen ligt het anders: de meeste groepen zitten rond het gemiddelde, en vrouwen van de Nederlands-Turkse, -Marokkaanse en -overige tweede generatie stromen vaker op. Er is over het algemeen weinig afstroom. Voor alle herkomstgroepen geldt dat vrouwen vaker opstromen en minder vaak afstromen dan mannen. De man-vrouw verschillen in opstroom (3 procentpunt in de totale populatie) zijn het grootst bij de Nederlands-Marokkaanse en -Turkse tweede generatie (respectievelijk 12 en 10 procentpunt), en het kleinst bij de Nederlands-Europese tweede generatie. Ook behalen vrouwen vaker een startkwalificatie dan mannen.

9.4.3 Op- en afstroom in het onderwijs tussen leeftijd 15 (vmbo-g/t) en 28 jaar (%)
Herkomstgroep naar geslacht Geen startkwalificatie Afstroom Op niveau Opstroom
Mannen . . . .
Totaal 11 6 47 36
Nederland 10 6 47 36
Europa ¹⁾ 13 6 42 39
Turkije 16 5 46 33
Marokko 22 4 41 33
Suriname 19 6 44 31
Nederlandse Cariben 15 9 43 33
Indonesië 15 5 44 36
Overig 14 4 40 42
Vrouwen . . . .
Totaal 8 3 50 39
Nederland 7 3 51 39
Europa ¹⁾ 10 3 47 40
Turkije 8 2 47 43
Marokko 8 2 44 45
Suriname 10 3 49 39
Nederlandse Cariben 11 2 47 40
Indonesië 11 2 48 39
Overig 9 2 42 47
1) Europa excl. Nederland.

Havo

Vanuit havo stromen mannen van de Nederlands-Europese, -Turkse, -Caribische en -overige tweede generatie vaker dan gemiddeld op. Voor vrouwen geldt hetzelfde, daarnaast stromen ook vrouwen van de Nederlands-Surinaamse en -Marokkaanse tweede generatie vaker op. Ook hier geldt weer voor alle herkomstgroepen dat vrouwen vanuit havo vaker opstromen dan mannen. De man-vrouw verschillen zijn hier echter klein, met maximaal 4 procentpunt verschil bij de Nederlands-Marokkaanse en -Turkse tweede generatie. Vrouwen behalen vaker een startkwalificatie dan mannen, behalve in de Nederlands-Indonesische tweede generatie waar in dit opzicht vrijwel geen man-vrouw verschillen zijn. Het verschil is het grootst bij de Nederlands-Marokkaanse tweede generatie (met 8 procentpunt verschil). Vrouwen stromen tevens wat minder vaak af dan mannen, behalve in de Nederlands-Caribische tweede generatie, waar mannen relatief weinig afstromen en vaak juist opstromen.

9.4.4 Opstroom en afstroom in het onderwijs tussen leeftijd 15 (havo) en 28 jaar (%)
Herkomstgroep naar leeftijd Geen startkwalificatie Afstroom Op niveau Opstroom
Mannen . . . .
Totaal 3 13 67 17
Nederland 3 13 67 17
Europa ¹⁾ 4 11 66 19
Turkije 7 13 60 20
Marokko 10 9 64 17
Suriname 5 12 66 17
Nederlandse Cariben 3 8 67 22
Indonesië 3 12 67 17
Overig 4 11 64 21
Vrouwen . . . .
Totaal 2 12 70 16
Nederland 2 12 70 15
Europa ¹⁾ 3 11 68 18
Turkije 2 12 63 23
Marokko 2 11 66 21
Suriname 3 11 67 19
Nederlandse Cariben 2 13 65 20
Indonesië 3 11 69 17
Overig 2 10 65 23
1) Europa excl. Nederland.

Vwo

Vanuit het vwo is geen opstroom mogelijk. Mannen en vrouwen van Nederlandse herkomst stromen meer af dan bijna alle andere herkomstgroepen. Vrouwen van de Nederlands-Marokkaanse, -Turkse, -Surinaamse en -Caribische tweede generatie stromen minder vaak af dan mannen van dezelfde herkomst. Vrouwen van Nederlandse herkomst, en de Nederlands-Europese, -Indonesische en -overige tweede generatie stromen vanuit het vwo echter juist vaker af dan mannen. Dit patroon staat in contrast met het algemene patroon bij de andere niveaus, waar voor vrijwel alle herkomstgroepen geldt dat vrouwen minder vaak afstromen. Wel is te zien dat de vrouwen die afstromen vaker een hbo-diploma halen dan mannen die afstromen (respectievelijk 88 procent en 78 procent van degenen die afstromen) en minder vaak eindigen op de havo (respectievelijk 7 procent en 16 procent van degenen die afstromen).

De resultaten zijn in overeenstemming met eerder onderzoek, dat al aantoonde dat personen met Nederlandse herkomst vaker naar het hbo gaan na het vwo vergeleken met de meeste andere herkomstgroepen, die relatief vaker een universitaire studie gaan volgen (CBS, 2017). In de onderzoekspopulatie haalt onder de vwo-ers met Nederlandse herkomst 24 procent een hbo-diploma en 63 procent een wo-diploma, in vergelijking met gemiddeld 16 procent en 65 procent onder vwo-ers van de tweede generatie. Ook kiezen vrouwen met een Nederlandse herkomst vaker dan mannen voor het hbo (respectievelijk 26 procent en 21 procent). Ditzelfde geldt voor vrouwen en mannen van de tweede generatie(gemiddeld respectievelijk 17 procent en 14 procent), maar het man-vrouw verschil is bij hen kleiner. Mogelijk heeft dit gedeeltelijk te maken met een verschil in studiekeuze van vrouwen en mannen van verschillende herkomstgroepen, zie de conclusie.

9.4.5 Opstroom en afstroom in het onderwijs tussen leeftijd 15 (vwo) en 28 jaar (%)
Herkomstgroep naar leeftijd Geen startkwalificatie Afstroom Op niveau
Mannen . . .
Totaal 1 26 73
Nederland 1 27 73
Europa ¹⁾ 2 21 77
Turkije 3 23 74
Marokko 4 21 76
Suriname 2 22 76
Nederlandse Cariben 2 27 71
Indonesië 1 22 77
Overig 1 19 80
Vrouwen . . .
Totaal 0 27 72
Nederland 0 28 71
Europa ¹⁾ 1 22 77
Turkije 1 21 78
Marokko 1 18 82
Suriname 1 21 77
Nederlandse Cariben 2 22 76
Indonesië 1 25 75
Overig 1 19 79
1) Europa excl. Nederland.

9.5Verdiepende analyse: persoonlijke en gezinskenmerken bij opstroom

Tabel 9.5.1 toont de resultaten van de multinomiale logistische regressieanalyse. Hierbij wordt de schoolloopbaan van de tweede generatie met twee ouders (model 1) of één ouder geboren in het buitenland (model 2), vergeleken met die van kinderen van Nederlandse herkomst. Er wordt hierbij telkens gekeken naar de relatieve kans om geen startkwalificatie te behalen, af te stromen of op te stromen, vergeleken met de kans om de schoolloopbaan op niveau te eindigen. Naast het onderwijsniveau op 15‑jarige leeftijd wordt in dit model gecorrigeerd voor achtergrondkenmerken van personen en hun leefsituatie op 15‑jarige leeftijd: geboortejaar, geslacht, sociaaleconomische positie van de ouders, gezinsstructuur en mate van stedelijkheid. Dit omdat verschillen in schoolloopbanen tussen kinderen met Nederlandse en buitenlandse herkomst te maken kunnen hebben met verschillen in andere kenmerken tussen deze groepen. Zo hebben mensen van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Nederlands-Caribische herkomst gemiddeld lagere inkomens, en wonen zij vaak in stedelijke gebieden (hoofdstuk 2 en 4). Kinderen uit gezinnen met een lager inkomen behalen gemiddeld een lager opleidingsniveau (Scheeren et al., 2016), en er zijn aanwijzingen dat zij ook minder vaak opstromen vanuit vmbo-g/t (CBS, 2016b). Ook de gezinssituatie, zoals scheiding van de ouders, kan een rol spelen in de onderwijsloopbaan (Westerman & Van Gaalen, 2015). In de beschrijvende analyses is geen onderscheid gemaakt naar personen met één dan wel twee ouders van buitenlandse herkomst. Voor de schoolloopbaan is het echter wel een belangrijk kenmerk: mensen met één in Nederland geboren ouder halen gemiddeld een hoger opleidingsniveau dan mensen met ouders geboren in het buitenland (CBS, 2020). De regressieanalyse biedt de mogelijkheid om dit verschil verder te onderzoeken.

Uit de beschrijvende figuren bleek bovendien dat mannen en vrouwen heel verschillende patronen van opstroom hadden. Vrouwen stroomden in absolute zin vaker op, maar ook relatief ten opzichte van mannen van dezelfde herkomst. Zo stromen vrouwen van de Nederlands-Turkse tweede generatie vaker op vanuit het vmbo-g/t (43 procent van de vrouwen, tegenover 33 procent van de mannen) dan vrouwen van Nederlandse herkomst (39 procent van de vrouwen, tegenover 36 procent van de mannen). Zo’n relatief verschil heet een interactie-effect, in dit geval tussen geslacht en herkomst. Om dit effect goed te onderzoeken is het van belang om in de regressie een interactieterm op te nemen tussen geslacht en herkomst. Het interactie-effect (bijvoorbeeld: Turkse herkomst én vrouw) toont dan hoeveel extra vrouwen van de Nederlands-Turkse tweede generatie nog opstromen ten opzichte van mannen van de Nederlands-Turkse tweede generatie, in vergelijking met de (ook al grotere) opstroom van vrouwen met Nederlandse herkomst ten opzichte van hun mannelijke tegenhangers.

Voordat we de verschillen naar herkomst bespreken, gaan we kort in op de achtergrondkenmerken. Uit Tabel 9.5.1 blijkt weer dat het onderwijsniveau op 15‑jarige leeftijd sterk bepalend is voor de kans op opstroom, afstroom en het behalen van een startkwalificatie. Dit kenmerk voegt het meeste toe aan de verklaarde variantie: een model met uitsluitend onderwijsniveau op 15‑jarige leeftijd heeft een pseudo-R2 van 0,1650, terwijl de pseudo-R2 van het volledige model met alle achtergrondvariabelen 0,1774 is (twee ouders geboren in het buitenland). Op het vmbo-b is de kans het grootst om zonder startkwalificatie het onderwijs te verlaten en ook de kans op opstroom is er het grootst, waarbij de meeste opstroom naar het mbo-3 of mbo-4 is. De kans op afstroom is het grootst op het vwo, dit betreft voornamelijk mensen die een hbo-diploma behalen. Ook op vmbo-k en de havo is de kans op afstroom tamelijk groot, vergeleken met de referentiegroep vmbo-g/t. De kans op opstroom is op deze niveaus juist minder groot. Verder blijkt dat er verschillen zijn tussen verschillende geboortecohorten. Jongere cohorten stromen vaker af en minder vaak op. Dit is in lijn met de bevinding dat opstromen moeilijker lijkt geworden tussen 2007 en 2019 (Visser et al., 2022,) maar het is opvallend dat dit al zichtbaar is in slechts vier geboortecohorten, die hun eerste vo-diploma naar verwachting ergens tussen 2004–2007 (cohort 1988) en 2007–2010 (cohort 1991) zullen hebben gehaald. Daarnaast blijkt dat jongere cohorten vaker een startkwalificatie behalen. In 2007 ging de zogenaamde ‘kwalificatieplicht’ in, waarbij iedereen zonder startkwalificatie tussen 16 en 18 jaar leerplichtig werd. Dit zal waarschijnlijk meespelen bij de toename in het behalen van een startkwalificatie, maar ook in de toename in afstroom. Als het op havo of vwo niet goed gaat, kan de leerling na zijn/haar zestiende niet zomaar stoppen met school, maar dient een niveau lager de startkwalificatie te behalen. Dit is ook te zien in de dalende trend in het aantal voortijdig schoolverlaters (leerlingen die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten) tussen 2003 en 2012 (CBS StatLine, 2012).

Zoals ook uit de figuren in paragraaf 9.4 al duidelijk werd, en in lijn met ander onderzoek naar deze geboortecohorten (onder andere CBS/SCP, 2012), stromen vrouwen minder vaak af, behalen vaker een startkwalificatie en stromen vaker op dan mannen.

Ook de leefsituatie van kinderen op 15‑jarige leeftijd is duidelijk gerelateerd aan de schoolloopbaan. De invloed van inkomen en ouderlijke structuur zijn los van elkaar groter dan de invloed van herkomst. Voor kinderen waarvan één ouder in het buitenland is geboren heeft herkomst maar een minimale invloed op het model, en lijken alle andere achtergrondkenmerken van groter belang. Over het algemeen zien we gunstigere patronen voor kinderen waarvan de moeder werkte, en die opgroeien in een huishouden met een hoger inkomen. Als de moeder werkte, behaalden kinderen vaker een startkwalificatie, stroomden vaker op en minder vaak af. Dezelfde patronen zijn te zien bij een hoger huishoudensinkomen. Kinderen die niet bij beide ouders woonden (maar in een eenoudergezin, of met één ouder en één stiefouder), haalden minder vaak een startkwalificatie. Wonen met een stiefouder is geassocieerd met ongunstigere uitkomsten over de hele linie: er is dan ook minder vaak opstroom en vaker afstroom. Eenoudergezinnen geven een gemengder beeld. Kinderen die bij hun moeder wonen stromen vaker op en minder vaak af, terwijl kinderen die bij hun vader wonen vaker afstromen dan kinderen die bij beide ouders wonen. Hierbij moet gezegd worden dat een deel van de groep kinderen die volgens het bevolkingsregister bij hun vader wonen in de praktijk in een co-ouderschapssituatie zitten, en dus wonen bij vader en moeder afwisselen. De kinderen die ingeschreven zijn op het adres van de moeder vormen een veel grotere groep, waaronder relatief meer kinderen die voornamelijk of uitsluitend bij hun moeder wonen (Van der Wiel en Kooiman, 2019). De meeste kinderen gaan na een scheiding bij hun moeder wonen, hoewel co-ouderschap na scheiding in de periode van deze studie (scheidingen die plaatsvonden tussen 1988 en 2006) wel is toegenomen (CBS, 2009). Tot slot stedelijkheid: kinderen die op hun vijftiende in meer stedelijk gebied woonden , hebben een grotere kans dat ze geen startkwalificatie halen, en een kleinere kans op opstroom. Ook afstroom komt minder voor in stedelijke gebieden. Dit is in tegenstelling met de verwachting dat doorstroommogelijkheden in de steden groter zijn door het grotere onderwijsaanbod. Een mogelijke verklaring zou kunnen liggen in de bevinding dat kinderen in niet-stedelijk gebied vaker worden onder-geadviseerd (Inspectie van het Onderwijs, 2019), en hierdoor wellicht later overstappen naar een passend niveau op grotere afstand van hun woning.

9.5.1Multinomiale logistische regressie voor kans op opstroom, afstroom en het behalen van een startkwalificatie (referentie: op niveau). Relative Risk Ratios (RRR)
Model 1: twee ouders geboren in buitenland Model 2: één ouder geboren in buitenland
geen start­kwalificatie RRR afstroom opstroom geen start-kwalificatie afstroom opstroom
Herkomstgroep
Nederland ref ref ref ref ref ref
Europa (excl. NL) 1,385*** 0,624*** 1,342*** 1,193*** 0,815*** 1,197***
Turkije 1,266*** 0,732*** 1,343*** 1,310* 0,921 1,093
Marokko 1,727*** 0,539*** 1,541*** 1,413*