Foto omschrijving: Tilburg, achterstandswijk Tilburg Noord.

Scroll naar Samenvatting

Samenvatting

De Rapportage Integratie en Samenleven beschrijft hoe verschillende herkomstgroepen zich verhouden tot het gemiddelde van de totale Nederlandse bevolking. De vraag die centraal staat is of de verschillen afnamen in de afgelopen jaren en of de tweede generatie, die in Nederland werd geboren, naar het gemiddelde toe beweegt ten opzichte van migranten die in het buitenland werden geboren. Dit rapport beschrijft de ontwikkeling van integratie tot en met 2021, en omvat daarmee ook de invloed van COVID-19 op de arbeidsmarkt en de samenleving. De recente immigratie van oorlogsvluchtelingen uit Oekraïne komt echter niet aan de orde in dit rapport.

Deze samenvatting begint met hoofdpunten op het gebied van integratie. Vervolgens wordt per hoofdstuk ingegaan op de belangrijkste uitkomsten.

Hoofdpunten

De positie van personen met een herkomst buiten Nederland week op verschillende domeinen af van het gemiddelde van de totale Nederlandse bevolking. Zo waren zij gemiddeld kleiner behuisd, hadden zij een lager onderwijsniveau, minder vaak werk, een lager inkomen en waren zij vaker uitkeringsafhankelijk. Ook ervoeren zij hun gezondheid minder vaak als (zeer) goed, deden zij vaker een beroep op de zorg, en liepen zij een verhoogd risico op ziekenhuisopname vanwege COVID-19.

Na een periode van economische groei, waarin de sociaaleconomische positie van de meeste buitenlandse herkomstgroepen verbeterde ten opzichte van het gemiddelde, werd 2020 gekenmerkt door een terugslag voor alle herkomstgroepen ten gevolge van de pandemie. Het herstel, een toename in arbeidsparticipatie, een afname in werkloosheid en uitkeringsafhankelijkheid, lijkt in 2021 (nog) niet voor alle herkomstgroepen te zijn ingezet.

Binnen de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, en Nederlands-Caribische herkomstgroepen verschilde de tweede generatie op het gebied van wonen, sociaaleconomische positie en onderwijs minder van het bevolkingsgemiddelde dan migranten. De tweede generatie woonde groter, had vaker een koophuis, een hogere arbeidsparticipatie, een hoger inkomen, en is hoger opgeleid. In het onderwijs is er sprake van een inhaalslag, waarbij het aandeel dat instroomde op havo of vwo binnen met name de Marokkaanse en Turkse herkomstgroep, relatief hard steeg. Wel verschilde de positie van de tweede generatie op al deze domeinen ook in 2021 nog van het gemiddelde.

Binnen de vijf grote Buiten-Europese herkomstgroepen vormde de Indonesische een uitzondering. Zowel Indonesische migranten als de tweede generatie namen een bovengemiddelde positie op de woningmarkt in, hebben een bovengemiddeld inkomen en zijn relatief hoog opgeleid. Ook ervoeren zij hun gezondheid vaker als goed en is hun beroep op de zorg relatief beperkt.

Migranten uit vluchtelingenlanden namen op vrijwel alle sociaaleconomische domeinen de minst gunstige positie in. Ze woonden het kleinst, hebben zelden een koopwoning, zijn vaak uitkeringsafhankelijk en hebben de laagste inkomens. Wel maakten de Nederlands-Afghaanse en Nederlands-Iraanse tweede generatie een inhaalslag in het onderwijs: zij waren vaker hoogopgeleid dan gemiddeld.

Het percentage dat als verdachte van een misdrijf werd geregistreerd nam de afgelopen jaren voor alle herkomstgroepen af. Wel bleef de mate van oververtegenwoordiging van verdachten met een buitenlandse herkomst nagenoeg gelijk. Het sterkst vertegenwoordigd waren (jonge) mannen van de Nederlands-Marokkaanse en Nederlands-Caribische tweede generatie. Verder daalde het aandeel mensen dat aangaf zich weleens onveilig te voelen het afgelopen decennium, al is er stagnatie sinds 2019. Mensen met een herkomst buiten Nederland voelden zich vaker onveilig dan gemiddeld, met name in hun eigen buurt.

Contact met buren en vrienden is het afgelopen decennium afgenomen en ook het aandeel mensen dat vrijwilligerswerk doet, of deelneemt aan het verenigingsleven, nam af. Dit gold voor alle herkomstgroepen. Mensen met buitenlandse herkomst hadden minder contact met familie dan gemiddeld. Wel had de tweede generatie relatief veel contact met vrienden en hebben de Nederlands-Turkse en Nederlands-Marokkaanse tweede generatie relatief veel contact met buren. Mensen met buitenlandse herkomst participeerden minder dan gemiddeld in het verenigingsleven en vrijwilligerswerk. Ook verleenden zij minder vaak informele hulp, met uitzondering van de Marokkaanse herkomstgroep.

Hoofdstuk 1: Bevolking

Van de 17,6 miljoen personen die de Nederlandse bevolking op 1 januari 2022 telde, waren 2,6 miljoen geboren buiten Nederland (migranten). Van de mensen die in Nederland werden geboren, hadden 2 miljoen personen tenminste één ouder geboren buiten Nederland (de tweede generatie). Samen vormden deze groepen 26 procent van de Nederlandse bevolking, waarvan ongeveer twee derde een Buiten-Europese herkomst heeft. Personen met Turkse, Marokkaanse, Indonesische, Surinaamse of Nederlands Caribische herkomst vormden de grootste Buiten-Europese herkomstgroepen.

De afgelopen vijf jaar was de groei van de Nederlandse bevolking voor bijna 90 procent het gevolg van internationale migratie. Na een flinke daling in het migratiesaldo in 2020 vanwege de coronapandemie, lag het migratiesaldo in 2021 weer op het niveau van topjaar 2019. De migratie vanuit de nieuwe EU-landen nam het meest toe, met de meeste migranten uit Polen. In vergelijking was de groei vanuit vluchtelingenlanden de afgelopen vijf jaar kleiner, maar er zijn grote verschillen tussen herkomstlanden, met als grootste herkomstgroep de Syrische. Het migratiesaldo van de vijf grootste Buiten-Europese herkomstgroepen in Nederland nam na een dip in 2015 gestaag toe, met name onder de Turkse herkomstgroep.

Gezinsmigratie is voor veel herkomstgroepen het belangrijkste motief om naar Nederland te komen. Migratie uit vluchtelingenlanden bestaat voor het grootste deel uit asielmigratie, gevolgd door gezinsmigratie. Voor migranten uit andere landen, zowel Europese als Buiten-Europese, spelen de motieven arbeid en studie een rol van toenemend belang.

Tussen de verschillende herkomstgroepen in Nederland bestaan demografische verschillen. Zo was de bevolking met buitenlandse herkomst jonger dan gemiddeld, met name de tweede generatie. Ook kende de groep met buitenlandse herkomst relatief veel eenouder- en eenpersoonshuishoudens. Wel waren er grote verschillen tussen de buitenlandse herkomstgroepen onderling. Zo trouwden personen met een Turkse of Marokkaanse herkomst in vergelijking met andere buitenlandse herkomstgroepen relatief vaak met een partner met dezelfde herkomst, zowel onder migranten als onder de tweede generatie. Ook is het gemiddeld kindertal van vrouwen met Marokkaanse herkomst relatief groot, al hebben Marokkaanse migranten gemiddeld wel meer kinderen dan de Nederlands-Marokkaanse tweede generatie.

Deze infographic geeft de grootste bevolkingsgroepen naar herkomst weer. Op 1 januari 2022 telde Nederland 17,6 miljoen inwoners. Daarvan zijn 13013300 mensen in Nederland geboren en hebben twee in Nederland geboren ouders. Zij hebben een Nederlandse herkomst. 2550800 mensen zijn geboren in het buitenland. Zij zijn als migrant naar Nederland gekomen. 2026600 mensen zijn geboren in Nederland en hebben één of twee ouders die in het buitenland geboren zijn. Zij behoren tot de tweede generatie. De vijf grootste Europese herkomstlanden zijn: Duitsland met 124000 migranten en 233100 mensen van de tweede generatie. Polen met 173500 migranten en 48200 mensen van de tweede generatie. België met 64900 migranten en 71900 mensen van de tweede generatie. Verenigd Koninkrijk met 60900 migranten en 41400 mensen van de tweede generatie. Italië met 41600 migranten en 23800 mensen van de tweede generatie. De vijf grootste herkomstlanden buiten Europa zijn: Turkije met 205000 migranten en 225700 mensen van de tweede generatie. Marokko met 173400 migranten en 246000 mensen van de tweede generatie. Suriname met 177900 migranten en 183700 mensen van de tweede generatie. Indonesië met 106100 migranten en 257700 mensen van de tweede generatie. Nederlandse Cariben met 102900 migranten en 82100 mensen van de tweede generatie. De 5 grootste vluchtelingenlanden zijn: Syrië met 108400 migranten en 18000 mensen van de tweede generatie. Irak met 46400 migranten en 21400 mensen van de tweede generatie. Afghanistan met 38400 migranten en 16600 mensen van de tweede generatie. Iran met 39700 migranten en 12600 mensen van de tweede generatie. Somalië met 24700 migranten en 16400 mensen van de tweede generatie. Polen 173 500 48 200 België 64 900 71 900 Italië 41 600 23 800 Geboren in buitenland Geboren in Nederland Vluchtelingenlanden Buiten-Europa Europa L e g e n d a Duitsland 124 000 233 100 Verenigd Koninkrijk Geboren in het buitenland Geboren in Nederland 60 900 41 400 Marokko 173 400 246 000 Suriname 177 900 183 700 Nederlandse Cariben 102 900 82 100 Turkije 205 000 225 700 Indonesië 106 100 257 700 Irak 46 400 21 400 Afghanistan 38 400 16 600 Somalië 24 700 16 400 Syrië 108 400 18 000 Iran 39 700 12 600 13 013 300 Twee ouders geboren in Nederland 2 550 800 Grootste bevolkingsgroepen naar herkomst Op 1 januari 2022 telde Nederland 17,6 miljoen inwoners. Welke herkomst hebben de grootste groepen? 2 026 600 Eén of twee ouders geboren in het buitenland

Hoofdstuk 2: Wonen

Ten opzichte van het gemiddelde van de totale Nederlandse bevolking woonden mensen met een herkomst buiten Nederland vaker in huurwoningen en meergezinswoningen, en hadden zij een kleiner woonoppervlak. Het verschil met de gemiddelde bevolking was voor de tweede generatie wat kleiner dan voor migranten.

Van de personen met een buitenlandse herkomst hadden diegenen met een Indonesische herkomst de meest gunstige positie op de woningmarkt. Dat gold vooral voor ouderen met een Indonesische herkomst, en zowel voor Indonesische migranten als de Nederlands-Indonesische tweede generatie. Ze hadden relatief vaak een koopwoning en een relatief groot woonoppervlak. Onder jongeren hebben huishoudens met een Turkse herkomst een overwegend goede positie wat betreft wonen. Dat gold vooral voor jongeren van de Nederlands-Turkse tweede generatie. Zij hadden bovengemiddeld vaak een koopwoning, woonden bovengemiddeld groot en hadden bovengemiddeld vaak een eengezinswoning. Daarmee nemen zij bijna eenzelfde positie in als hun leeftijdsgenoten met een Nederlandse herkomst.

Migranten uit vluchtelingenlanden hadden relatief de minst gunstige positie op gebied van wonen. Zij woonden relatief vaak in huurwoningen en eengezinswoningen, en op een relatief klein woonoppervlak. Dit gold met name voor migranten uit Somalië en Eritrea. Van de vijf grootste Buiten-Europese herkomstgroepen hadden personen met een Marokkaanse herkomst een relatief ongunstige positie wat betreft wonen. Vooral het aandeel met een koopwoning is relatief laag onder zowel Marokkaanse migranten, als de Nederlands-Marokkaanse tweede generatie.

Mensen met een buitenlandse herkomst waren oververtegenwoordigd in de grote steden, waar hun aandeel soms hoger was dan 50 procent. Van de inwoners in de grote steden was ongeveer een derde van de tweede generatie, en iets minder dan een kwart is migrant. Van de mensen met een Surinaamse of Marokkaanse herkomst woonde iets minder dan de helft in een van de vier grote steden, van de mensen met een Turkse of Nederlands-Caribische herkomst was dat een derde. Mensen afkomstig uit nieuwe EU-landen of vluchtelingenlanden woonden meer verspreid over Nederland.

Hoofdstuk 3: Onderwijs

Leerlingen met een Buiten-Europese herkomst volgden minder vaak een hoog onderwijsniveau dan gemiddeld. Ten opzichte van tien jaar geleden is het aandeel leerlingen met een Buiten-Europese herkomst op hogere onderwijsniveaus wel gestegen, en is het verschil kleiner geworden. Dit blijkt uit het aandeel leerlingen met havo- of vwo-advies, maar ook het aandeel leerlingen dat havo of vwo-onderwijs volgt in leerjaar 3 van de middelbare school. Met name onder leerlingen met een Turkse of Marokkaanse herkomst nam het aandeel leerlingen dat havo of vwo-onderwijs volgt relatief sterk toe. Ook het slagingspercentage onder leerlingen met een Turkse herkomst is gestegen. Onder leerlingen met een Nederlands-Caribische herkomst bleef het aandeel leerlingen op hogere onderwijsniveaus achter. Dit was ook te zien op het vmbo, waar leerlingen met een Nederlands-Caribische herkomst relatief vaker vmbo-basis onderwijs volgden dan leerlingen met een andere herkomst. Ook het slagingspercentage van deze groep nam tot 2020 af.

Waar gemiddeld genomen mbo-opleidingen in de sector Zorg en Welzijn het vaakst gevolgd werden door mbo-studenten, kozen tweede generatie mbo-studenten het vaakst voor een opleiding in de sector Economie. Technische opleidingen waren onder mbo-studenten met een Buiten-Nederlandse herkomst minder populair dan gemiddeld. Mbo-studenten met een Marokkaanse herkomst kozen het vaakst voor een opleiding in de sector Zorg en Welzijn. In het hoger onderwijs kozen studenten van de tweede generatie relatief vaak voor de studierichting Recht, administratie, handel en zakelijke dienstverlening. Dit gold ook voor studenten met een Turkse, Marokkaanse of Surinaamse herkomst.

Jongeren met een Buiten-Europese herkomst verlieten het onderwijs vaker vroegtijdig dan gemiddeld. In het algemeen is het aandeel voortijdig schoolverlaters in vrijwel alle herkomstgroepen gedaald. Onder mbo-studenten met een Turkse, Marokkaanse en Nederlands-Caribische herkomst is het aandeel dat de school verlaat zonder startkwalificatie gedaald.

Het aandeel hoogopgeleiden onder in Nederland geborenen van 25 tot 45 jaar lag in de meeste Buiten-Europese herkomstgroepen lager dan gemiddeld. Alleen onder mensen met een Indonesische of overig Buiten-Europese herkomst lag het aandeel hoogopgeleiden hoger dan gemiddeld. Twee derde van de tweede generatie Nederlands-Iraanse vrouwen van 25 tot 35 jaar was hoogopgeleid.

Hoofdstuk 4: Sociaaleconomische positie

Voor alle herkomstgroepen, inclusief de Nederlandse, ging de COVID-19 pandemie gepaard met een verslechterde positie op de arbeidsmarkt in 2020: de nettoarbeidsparticipatie nam af en meer mensen waren afhankelijk van een werkloosheidsuitkering. In 2021 vond er gedeeltelijk herstel plaats. Gemiddeld werd in Nederland de eerder ingezette afname in het aandeel werklozen voortgezet en de nettoarbeidsparticipatie nam toe, tot zelfs boven het niveau van voor de pandemie. Dit gold echter in mindere mate voor de tweede generatie, en voor migranten was nog geen herstel te zien.

De tweede generatie had gemiddeld een hoger inkomen, was vaker actief op de arbeidsmarkt en ontving minder vaak een uitkering dan migranten. Toch had de tweede generatie gemiddeld een lager inkomen, een hogere (jeugd)werkloosheid en vaker een uitkering dan gemiddeld onder de bevolking van Nederland.

Van de vijf grootste Buiten-Europese herkomstgroepen namen de Marokkaanse en Turkse een relatief minder gunstige positie in. De werkloosheid was met name onder de tweede generatie hoog, en beide herkomstgroepen ontvingen relatief vaak een bijstands- of arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ook het gemiddelde inkomen van de Turkse en Marokkaanse herkomstgroep was lager dan dat van andere grote Buiten-Europese herkomstgroepen. De arbeidsmarktpositie van de Turkse en Marokkaanse herkomstgroep verbeterde gedurende de afgelopen tien jaar, maar de positie onderaan de rangorde is nagenoeg constant.

Migranten uit de nieuwe-EU-landen namen een bijzondere positie in, met hun bovengemiddelde nettoarbeidsparticipatie en ondergemiddelde aandeel uitkeringsgerechtigden. Naarmate zij langer in Nederland verbleven groeiden zij wel dichter naar het gemiddelde toe in het gebruik van een bijstandsuitkering. Ook was hun inkomen lager dan gemiddeld, en vergelijkbaar met migranten uit Buiten-Europese landen.

Van alle onderzochte herkomstgroepen hadden migranten uit vluchtelingenlanden het laagste inkomen. Zij ontvingen na het verkrijgen van hun verblijfsvergunning relatief vaak een bijstandsuitkering, en ook na een langere verblijfsduur is die bijstandsafhankelijkheid nog groot.

Hoofdstuk 5: Criminaliteit

Sinds 2005 is het percentage geregistreerde verdachten van misdrijven in alle herkomstgroepen gedaald, van 1,9 naar 0,8 procent van de Nederlandse bevolking. Het aandeel verdachten was over de gehele periode hoger dan gemiddeld onder personen met buitenlandse herkomst, met name onder de tweede generatie. Deze verschillen ten opzichte van het gemiddelde bleven nagenoeg gelijk over de tijd.

Van de verschillende herkomstgroepen waren personen met Nederlands-Caribische of Marokkaanse herkomst relatief sterk oververtegenwoordigd, met name mannen. Ook binnen deze groepen was het aandeel verdachten groter onder de tweede generatie, dan onder migranten (ook na correctie voor leeftijd). De Indonesische herkomstgroep is juist ondervertegenwoordigd, met een lager aandeel verdachten dan de Nederlandse herkomstgroep.

Ook het aandeel mensen dat aangeeft de afgelopen 12 maanden slachtoffer te zijn geworden van criminaliteit neemt sinds 2012 onder alle herkomstgroepen af, van 30,3 naar 17,1 procent. Het slachtofferschap was hoger dan gemiddeld onder personen met buitenlandse herkomst, met name onder de tweede generatie. Personen met Indonesische herkomst vormden daarop een uitzondering en waren minder vaak slachtoffer dan gemiddeld. Verder waren er geen verschillen tussen de verschillende buitenlandse herkomstgroepen.

Na een daling tot 2019 stagneerden zowel het percentage personen met algemene gevoelens van onveiligheid als het percentage personen met gevoelens van onveiligheid in de eigen buurt. In 2021 ervoeren migranten minder vaak algemene gevoelens van onveiligheid dan gemiddeld, terwijl de tweede generatie zich juist vaker onveilig voelde. Personen met Surinaamse herkomst voelden zich het vaakst onveilig, personen met Marokkaanse herkomst het minst vaak. Het percentage mensen dat zich weleens onveilig voelt in de eigen buurt was een stuk lager dan de algemene onveiligheidsgevoelens. Migranten en de tweede generatie voelden zich vaker dan gemiddeld onveilig in hun eigen buurt, met name personen met Surinaamse of Turkse herkomst.

Hoofdstuk 6: Gezondheid

Migranten en de tweede generatie ervoeren hun gezondheid minder vaak als goed dan gemiddeld. Dit gold in alle leeftijdsgroepen. Met name mensen met een Turkse of Marokkaanse herkomst ervoeren minder vaak een goede gezondheid dan gemiddeld. In de leeftijdsgroep 40 tot en met 80 jaar waren de zorgkosten van migranten en de tweede generatie ook hoger dan gemiddeld. Wel was de ervaren gezondheid tussen 2012 en 2020 in bijna alle leeftijdsgroepen en herkomstgroepen verbeterd.

Onder 18 tot 60‑jarigen is het aandeel rokers in vrijwel alle herkomstgroepen afgenomen. Mensen met een Turkse herkomst rookten gemiddeld het vaakst, terwijl mensen met een Marokkaanse herkomst het minst vaak rookten. Het aandeel mensen met obesitas is juist in vrijwel alle herkomstgroepen toegenomen. Mensen met een Nederlands-Caribische herkomst hadden het vaakst obesitas. Onder 18 tot 40‑jarigen van de Nederlands-Marokkaanse tweede generatie is het aandeel obesitas het sterkst toegenomen, van 6,5 procent in 2012 naar 18,5 procent in 2020.

Mensen met een Surinaamse of Nederlands-Caribische herkomst hadden relatief hoge kosten voor specialistische ggz. Mensen met een Turkse of Surinaamse herkomst hadden gemiddeld hogere kosten voor geneesmiddelen. Mensen met een Turkse of Marokkaanse herkomst kregen zowel het vaakst antipsychotica als antidepressiva verstrekt. Vooral aan vrouwen van Turkse herkomst werd vaak antidepressiva verstrekt, terwijl aan mannen van Marokkaanse herkomst vaak antipsychotica verstrekt werden. 55‑plussers met een Marokkaanse herkomst kregen ook drie keer vaker diabetesmiddelen verstrekt dan gemiddeld.

Hoofdstuk 7: Sociale en maatschappelijke participatie

Migranten en de tweede generatie hadden iets minder vaak wekelijks contact met familie of buren dan gemiddeld. De tweede generatie had wel het vaakst contact met vrienden. De verschillen in contact met vrienden en buren zijn deels te verklaren door verschillen in leeftijdsopbouw, geslacht en opleidingsniveau. Jongeren in alle herkomstgroepen hadden bijvoorbeeld meer contact met vrienden. Ook na correctie hadden mensen met een Nederlandse herkomst nog steeds frequenter contact met familie. De Nederlands-Turkse of Nederlands-Marokkaanse tweede generatie hadden relatief vaak contact met buren.

Onder migranten lag het aandeel mensen dat informele hulp geeft lager dan gemiddeld. Mensen met een Marokkaanse herkomst, zowel migranten als de tweede generatie, gaven echter wel relatief vaak informele hulp. Migranten en de tweede generatie deden gemiddeld minder vaak vrijwilligerswerk. Mensen met een Surinaamse herkomst deden het minst vaak vrijwilligerswerk. Migranten en de tweede generatie namen ook minder vaak deel aan het verenigingsleven. Deze verschillen blijven overeind na controle voor leeftijd, geslacht en opleidingsniveau.

Ten opzichte van de periode 2012–2016 is in de periode 2017–2021 het contact met buren, het aandeel mensen dat vrijwilligerswerk doet en het aandeel dat actief is in het verenigingsleven afgenomen.

Hoofdstuk 8: Verschillen in ziekenhuisopnamen voor COVID-19 tussen bevolkingsgroepen

De COVID-19 pandemie had een ongelijke impact op de gezondheid van verschillende bevolkingsgroepen. Ziekenhuisopnamen vanwege COVID-19 kwamen vaker voor onder ouderen, mannen, personen met een lagere welvaart en onder personen met een Buiten-Europese herkomst. In 2020 hadden met name personen met een Marokkaanse, Turkse en Surinaamse herkomst een hoger risico om vanwege COVID-19 in het ziekenhuis opgenomen te worden dan hun leeftijds- en geslachtsgenoten met een Nederlandse herkomst. Dit gold zowel voor migranten uit deze herkomstgroepen, als voor de tweede generatie.

Er is onderzocht in hoeverre de verschillen in het risico op ziekenhuisopname voor COVID-19 toegeschreven kunnen worden aan verschillen in welvaart, huishoudensgrootte en woonplaats tussen deze groepen en de bevolking met Nederlandse herkomst. Personen met een Buiten-Europese herkomst wonen vaker in de grote steden, hebben vaak grotere huishoudens en hebben een lager dan gemiddelde welvaart. Deze factoren bleken een rol te spelen in het verhoogde risico op ziekenhuisopname, maar voor alle groepen verklaarden ze minder dan 35 procent van het verschil met de bevolking van Nederlandse herkomst. Er zijn dus ook andere factoren van belang. Omdat het onderzoek zich beperkt tot ziekenhuisopnamen in 2020, spelen verschillen in vaccinatiegraad of in de effectiviteit van vaccinaties tussen bevolkingsgroepen in deze cijfers nog geen rol.

Hoofdstuk 9: Schoolloopbanen van de tweede generatie

In een onderwijssysteem waar leerlingen op relatief jonge leeftijd worden ingedeeld naar verschillende onderwijsniveaus, kan opstromen in het onderwijs (van een lager onderwijsniveau overstappen op een hoger niveau) helpen om jongeren hun volle potentieel in opleidingsniveau te laten bereiken. Dit hoofdstuk kijkt naar jongvolwassenen van de tweede generatie en onderzoekt hun schoolloopbaan vanaf vijftienjarige leeftijd. Het hoofdstuk richt zich op personen geboren in Nederland tussen 1988 en 1991 met een Marokkaanse, Turkse, Surinaamse, Nederlands-Caribische, Indonesische, Europese en ‘overige’ herkomst.

Op vijftienjarige leeftijd had de Nederlands-Turkse, -Marokkaanse, -Surinaamse en -Caribische tweede generatie een minder gunstige onderwijspositie dan gemiddeld, terwijl de Nederlands-Europese, -Indonesische en overige tweede generatie er juist gunstiger voor stond. Na vijftienjarige leeftijd kent de schoolloopbaan van de tweede generatie van alle herkomstgroepen een meer dynamisch verloop dan gemiddeld. Op alle onderwijsniveaus (met uitzondering van vwo) volgde de tweede generatie minder vaak de reguliere route. Zij stopten hun schoolloopbaan vaker na het behalen van een diploma op de middelbare school, zowel zonder als met startkwalificatie, en stromen vaker op naar een hoger niveau, zowel via het voortgezet onderwijs als via het mbo. Ze stromen daarentegen minder vaak af dan gemiddeld.

Na vijftienjarige leeftijd maakten leerlingen van de tweede generatie duidelijk een inhaalslag in het onderwijs, maar desondanks bleef er ook op 28‑jarige leeftijd nog een verschil zichtbaar in het behaalde opleidingsniveau tussen personen van in het buitenland en in Nederland geboren ouders. Deze verschillen waren op 28‑jarige leeftijd wel kleiner in vergelijking met de verschillen op vijftienjarige leeftijd. Velen hebben zich via opstroom gedeeltelijk kunnen onttrekken aan een initieel lagere positie, met name via het beroeps- en hoger onderwijs. Dit gold nog sterker voor vrouwen. Vrouwen haalden vaker een startkwalificatie, stroomden minder vaak af en stroomden vaker op. Dit gold voor vrijwel alle herkomstgroepen, maar vooral vrouwen van de Nederlands-Turkse en -Marokkaanse tweede generatie maakten een stevige inhaalslag. Veel van deze verschillen blijven zichtbaar ook wanneer rekening wordt gehouden met achtergrondkenmerken. Verschillen met de Nederlandse herkomstgroep zijn groter voor kinderen met twee buiten Nederland geboren ouders, dan voor kinderen met één in Nederland geboren ouder.

Hoofdstuk 10: Inkomensmobiliteit tussen familiegeneraties naar herkomst

In dit hoofdstuk is een vergelijking gemaakt van het inkomen van twee familiegeneraties. Het uitgangspunt is de groep kinderen die in 1995 minderjarig was en nog bij hun ouder(s) woonde. Het inkomen van de ouders in 1995 is vergeleken met dat van de inmiddels volwassen kinderen in 2020, mits zij toen een eigen huishouding voerden.

De correlatie in het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen is met 0,22 op een schaal van 0 tot 1 relatief klein. De samenhang is het kleinst bij mensen met een Turkse of Marokkaanse herkomst. Dat betekent niet dat deze groepen hun ouders bovenmatig vaak in inkomen ontstegen, maar vaak was er sprake van een relatief sterke terugval bij kinderen met ouders aan de bovenkant. Dat gold voor met name migranten en de tweede generatie met twee in het buitenland geboren ouders. Mensen met een Nederlandse herkomst stegen juist meer en daalden minder ten opzichte van hun ouders. Ook het persoonlijk bruto-inkomen uit werk van vaders en zonen hing voor mensen met een Turkse of Marokkaanse herkomst verhoudingsgewijs zwak samen. Bij zonen met een Nederlands-Caribische herkomst was de samenhang juist vrij groot. Dat gold ook voor dochters met een Nederlands-Caribische herkomst, en ook het inkomen van dochters met een Indonesische herkomst is relatief sterk gerelateerd aan dat van hun vaders.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Redactie

Martine de Mooij, Dion Dieleman, Kirsten van Houdt en Lucille Mattijssen

Eindredactie

Annelie Hakkenes, Karolien van Wijk en Paul de Winden

Opmaak figuren

Saskia Stavenuiter en Karolien van Wijk

Monitordeel

  1. Bevolking
    Han Nicolaas en Dominique van Roon
  2. Wonen
    Dion Dieleman, Mariëtte Goedhuys, Aafke Heringa en Hans Vreeken
  3. Onderwijs
    Sascha de Breij, Frank Linder en Lucille Mattijssen
  4. Sociaaleconomische positie
    Marion van den Brakel, Willem Gielen, Kirsten van Houdt, Noortje Pouwels, Marlou van de Sande, Sander van Schie
  5. Criminaliteit
    Charlotte Brand, Elianne Derksen, Lona Verkooijen en Wim Vissers
  6. Gezondheid
    Elianne Derksen, Kim Knoops, Lucille Mattijssen Floor van Oers en Laura Voorrips
  7. Sociale samenhang en participatie
    Hans Schmeets

Verdiepend deel

  1. Verschillen tussen bevolkingsgroepen in COVID-19‑ziekenhuisopnamen in 2020
    Coen van Duin en Anton Kunst (Amsterdam UMC, Public and Occupational Health)
  2. Schoolloopbanen van de tweede generatie
    Joeke Kuyvenhoven (NIDI) en Marjolijn Das
  3. Inkomensmobiliteit tussen familiegeneraties naar herkomst
    Marion van den Brakel

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er achteraf enkele onvolkomenheden geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Datum: 29 november 2022

In de tekst over huwelijkspartnerkeuze in hoofdstuk 1 werden twee verkeerde cijfers genoemd. In de longread en de PDF is de tekst aangepast met de juiste cijfers.