Aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling in cijfers

3.1Omvang, aard, en kenmerken

Op basis van de meest actuele gegevens uit bestaand onderzoek van het WODC wordt in deze paragraaf een schatting gegeven van de omvang van huiselijk geweld en kindermishandeling. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen slachtoffers van huiselijk geweld, van kindermishandeling en van de samenloop tussen beide vormen van geweld. Hiervoor zijn uitkomsten uit het onderzoeksprogramma naar de prevalentie van huiselijk geweld en kindermishandeling gebruikt. Meer specifiek is gebruik gemaakt van het overkoepelde syntheserapport van het WODC en drie deelstudies: een zelfrapportagestudie huiselijk geweld onder volwassenen van de Rijksuniversiteit Groningen, een zelfrapportagestudie kindermishandeling onder scholieren van de Radboud Universiteit en een informantenstudie kindermishandeling onder professionals die werken met kinderen van Universiteit Leiden / TNO Child Health (zie paragraaf 4.3 voor meer informatie over deze onderzoeken). Op basis van deze onderzoeken worden ook enkele (persoons)kenmerken van slachtoffers beschreven.

Daarnaast wordt in deze paragraaf de aard van het geweld beschreven op basis van gegevens van Veilig Thuis die het CBS heeft verzameld. Ten slotte worden in deze paragraaf nader gekeken naar plegers van huiselijk geweld op basis van een recidiveonderzoek van het WODC, waarbij gekeken is naar recidive in termen van strafzaken.noot1

Geschat aantal slachtoffers van huiselijk geweld

Het aantal volwassenen in 2017 dat aangeeft in de voorgaande vijf jaar slachtoffer te zijn geweest van huiselijk geweld, wordt geschat op 747 duizend (op basis van de zelfrapportagestudie van het WODC). Dat komt neer op 5,5 procent van de bevolking van 18 jaar en ouder. Van al deze slachtoffers is circa 58 procent vrouw en 42 procent man. Dit komt overeen met 6,2 procent van de volwassen vrouwen en 4,7 procent van de volwassen mannen. Het aandeel van de volwassen bevolking dat slachtoffer werd in de voorgaande anderhalf jaar wordt geschat op 2,7 procent.

2019WK04_01 Slachtoffers huiselijk geweld 5,5% van de bevolking van 18 jaar en ouder is in de voorgaande 5 jaar slachtoffer geworden van huiselijk geweld

Slachtofferschap komt vaker voor bij personen van 18 tot 25 jaar dan bij personen van 25 jaar of ouder. Daarnaast blijkt uit de zelfrapportage dat personen met een middelbaar of hoger opleidingsniveau vaker aangeven slachtoffer te zijn dan personen met een laag opleidingsniveau.

Ruim de helft (56 procent) van de personen die rapporteren in de voorgaande vijf jaar slachtoffer te zijn geworden, zegt door de (ex-)partner te zijn mishandeld. Dit komt overeen met 3 procent van de volwassen bevolking. Dit overkomt ongeveer twee keer zoveel vrouwen als mannen. Mannen zijn vaker slachtoffer van geweld door huisvrienden of door huisgenoten die geen onderdeel uitmaken van het gezin of de familie.

Bij 76 procent van de slachtoffers van huiselijk geweld vond het geweld incidenteel of enkele malen plaats. Structureel geweld (wanneer incidenten minimaal maandelijks voorkomen) kent voornamelijk (ex-) partners als dader. 1 op de 15 slachtoffers houdt blijvend letselnoot2 over aan het geweld en 1 op de 10 slachtoffers tijdelijk letsel.

Bij ruim 1 op de 5 voorvallen van huiselijk geweld waren kinderen getuige van het geweld. Dit is een vorm van kindermishandeling.

Uit de zelfrapportagestudie blijkt dat 1 op de 5 slachtoffers niet praat over het huiselijk geweld. Als zij er wel over praten, is dit vooral in het informele netwerk. Als er toch in het formele netwerk over wordt gesproken, is dit vaak met de huisarts, maar nauwelijks met instanties die er speciaal voor zijn zoals Veilig Thuis. 17 procent wordt wel gemeld bij de politie en van bijna 10 procent is dit onbekend. Uit de zelfrapportagestudie blijkt dat er relatief vaak melding wordt gemaakt bij geweld door huisvrienden (31 procent) en minder vaak bij geweld tussen (ex-) partners (14 procent). Ook blijkt dat er vaker melding wordt gedaan bij de politie als er sprake is van letsel bij het voorval (40 procent). De bulk van de informatie die de politie ontvangt over (gewelds)criminaliteit, is afkomstig van de slachtoffers zelf. Het merendeel van de voorvallen wordt echter niet gemeld bij de politie en dus blijft een groot deel van het huiselijk geweld verborgen voor de politie.noot3

Geschat aantal slachtoffers kindermishandeling

Ruim 1 op de 10 scholieren in de eerste vier jaar van het voortgezet onderwijs is in het voorgaande jaar slachtoffer geworden van kindermishandeling. Dit blijkt uit schattingen op basis van de zelfrapportagestudie van de Radboud Universiteit onder middelbare scholieren in 2016. Dit komt neer op ongeveer 105 duizend scholieren. Psychologische agressie (d.w.z. dreigen met slaan) en fysiek geweld tegen de scholier komen het vaakst voor. Van de meisjes rapporteert 15 procent slachtoffer te zijn geworden in het jaar voorafgaand aan het onderzoek; van de jongens is dit 10 procent. Seksueel misbruik dat is gepleegd door een ander minderjarig gezinslid of een meer- of minderjarige die niet tot het gezin behoort, is in deze studie wel meegeteld als kindermishandeling. Fysiek en psychisch geweld wordt alleen meegeteld wanneer dit door de ouders is gepleegd. Verder valt het getuige zijn van fysiek geweld tussen de ouders hier wel onder de definitie van kindermishandeling, maar niet het getuige zijn van geweld tussen overige gezinsleden. Ook is verwaarlozing niet meegenomen in de definitie van slachtoffer van kindermishandeling in het voorgaande jaar.noot4

2019WK04_02 12% van scholieren in de eerste vier jaar van het voortgezet onderwijs is in het voorgaande jaar slachtoffer geworden van kindermishandeling 3% van alle minderjarigen heeft in 2017 te maken gehad met kindermishandeling Slachtoffers kindermishandeling

Op basis van een andere bron, de informantenstudie onder professionals van Universiteit Leiden/TNO Child Health, hebben naar schatting tussen de 89 duizend en 127 duizend kinderen van 0 tot en met 17 jaar in 2017 te maken gehad met kindermishandeling. Dit komt neer op ongeveer 3 procent van alle minderjarigen. Voor deze totaalschatting van de prevalentie is ook gebruik gemaakt van gegevens van Veilig Thuis. De meeste kinderen waarover wordt gerapporteerd door de informanten, zijn slachtoffer van emotionele en/of fysieke verwaarlozing. Volgens de informantenrapportages zijn meisjes en jongens even vaak slachtoffer van kindermishandeling, maar meisjes zijn wel vaker slachtoffer van seksueel misbruik en emotionele mishandeling. Voor adolescente meisjes (12 tot en met 17 jaar) wordt bovendien vaker mishandeling gerapporteerd dan voor adolescente jongens.

De definitie van kindermishandeling in de informantenstudie komt sterk overeen met de definitie zoals die aan het begin van dit hoofdstuk is opgenomen, waarbij emotionele mishandeling slechts beperkt is meegenomen. In het zelfrapportageonderzoek komen meer slachtoffers van kindermishandeling in beeld dan in de informantenstudie indien wordt gekeken naar dezelfde leeftijdsgroep (12 t/m 17‑jarigen). Dit is niet verrassend, gezien de verschillen in opzet van de studies. Zo bepaalt een respondent in een zelfrapportagestudie zelf of hij of zij een bepaald voorval heeft ervaren (zonder gehinderd te worden door kennis over formele definities). Hierbij zullen vrijwel zeker situaties worden gerapporteerd die door professionals niet ernstig genoeg worden bevonden om als kindermishandeling te worden gekwalificeerd. Ook zullen bij seksueel misbruik buiten het gezin of de familie mogelijk voorvallen worden gemeten die strikt genomen niet in een afhankelijkheidsrelatie hebben plaatsgevonden. En bovendien wordt in zelfrapportage slachtofferschap gerapporteerd dat door professionals niet zou worden gesignaleerd. Voor een diepgaander bespreking van de verschillen tussen beide studies en hoe deze verschillen kunnen resulteren in zowel onder- als overschatting van de prevalentie van kindermishandeling, wordt verwezen naar Ten Boom & Wittebrood (2019).

Voor 29 procent van alle slachtoffers is door de informanten meer dan één vorm van kindermishandeling gerapporteerd. Uit de informantenstudie blijkt voorts dat de kans op kindermishandeling beduidend groter is (ongeveer 3 tot 5 keer zo hoog) in gezinnen met een laag opleidingsniveau dan in gezinnen met een hoog opleidingsniveau. Ook is de kans op kindermishandeling groter in gezinnen waarin geen van de ouders betaald werk verricht dan in gezinnen met ten minste één werkende ouder. Ten slotte is de kans ook groter in gezinnen met een niet-Nederlandse herkomst (eerstegeneratie) dan in gezinnen met een Nederlandse herkomst (inclusief kinderen van niet-Nederlandse herkomst vanaf de derde generatie).

Samenloop slachtofferschap van huiselijk geweld en kindermishandeling binnen gezinnen

Binnen gezinnen kan geweld plaatsvinden tussen de verschillende gezinsleden. Dit noemen we samenloop van kindermishandeling met ander huiselijk geweld binnen gezinnen. Dit kan zijn tussen ouders en kinderen, tussen ouders onderling en tussen de kinderen onderling. Hieronder wordt in het bijzonder mishandeling door één of beide ouders tegen ten minste één kind én geweld tussen ouders onderling (inclusief ex-partner en nieuwe partner) binnen een bepaalde periode beschreven.

Bij 2,5 procent van álle scholieren in de zelfrapportagestudie is sprake van samenloop van fysiek geweld tussen de ouders en kindermishandeling gericht op de scholier zelf. Onder de groep scholieren die slachtoffer was van kindermishandeling, was bij 17 procent tevens sprake van fysiek geweld tussen de ouders. Ook bij deze percentages geldt dat verwaarlozing niet is meegeteld bij de definitie van kindermishandeling, omdat er gekeken is naar kindermishandeling in het voorgaande jaar.

Aard van het geweld en/of de mishandeling

Kindermishandeling en huiselijk geweld komen voor in allerlei verschillende vormen. Op basis van de vermoedelijke aard van het geweld zoals dat is vastgelegd bij de adviezen en meldingen bij Veilig Thuis, kan hiervan een beeld worden gevormdnoot5 (zie figuur 3.1.3). Veilig Thuis is het adviespunt en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling.noot6 Slachtoffers, omstanders en professionalsnoot7 kunnen contact opnemen met Veilig Thuis als zij een vermoeden hebben van kindermishandeling en/of huiselijk geweld. Veilig Thuis kan advies en ondersteuning geven over wat degene, die contact opneemt met Veilig Thuis, zelf kan doen. Is dit niet mogelijk of is de situatie te complex of ernstig? Dan kan de beller een melding doen en komt Veilig Thuis in actie.

Op hoofdlijnen worden de volgende soorten geweld en mishandeling onderscheiden: kindermishandeling, ouderenmishandeling, geweld tegen ouders, (ex-) partnergeweld of overig huiselijk geweld (bijvoorbeeld tussen broers/zussen). Het is belangrijk om hierbij te beseffen dat het gaat om de vermoedens van de adviesvrager of melder over de aard van het geweld. Dit kan afwijken van de daadwerkelijke aard van het geweld. Ook kan later, tijdens de verdere inzet van Veilig Thuis, blijken dat er nog méér aan de hand is dan alleen door de adviesvrager of melder genoemde aard van het geweld. Eén advies of melding kan gaan over meerdere soorten van geweld.

Kenmerken plegers huiselijk geweld

De informatie in deze paragraaf over plegers van huiselijk geweld is gebaseerd op recidiveonderzoek van het WODC (Blokdijk e.a. (2019) en de WODC recidivemonitor). De onderzoeksgroep bestaat uit daders van huiselijk geweld die in de periode 2008 tot en met 2015 door het Openbaar Ministerie (OM) zijn vervolgd en waarbij het plegen van huiselijk geweld bewezen werd verklaard. Hierbij is de definitie van huiselijk geweld leidend zoals die in deze periode werd gehanteerd door het OM. Deze is: ‘geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is gepleegd’. Deze kring bestaat uit (ex-)partners, gezinsleden, familieleden en huisvrienden. Het gaat daarbij om fysiek geweld (zoals mishandeling), seksueel geweld, stalking en bedreiging. Betrouwbare informatie over daders van kindermishandeling ontbreekt en is daarom niet opgenomen in deze rapportage.

Van de in 2015 veroordeelde daders van huiselijk geweld is 91 procent man. Dit aandeel is hoger dan het aandeel mannen onder alle in 2015 strafrechtelijk veroordeelden (82 procent). Van de daders van huiselijk geweld is 64 procent 30 jaar of ouder, tegenover 55 procent van alle daders. Slechts 3 procent is minderjarig, tegenover ruim 6 procent van de gehele daderpopulatie.

In ruim driekwart van de veroordelingen gaat het om eenvoudige mishandeling en nog eens 14 procent gaat om bedreigingen; de overige, veel minder vaak voorkomende vormen van geweld, betroffen onder andere zware mishandeling, belaging en moord/doodslag.

3.2Vergroting bereik Veilig Thuis

Het is van belang dat het bereik van Veilig Thuis als het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling zo groot mogelijk is; iedereen met een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling moet de weg naar Veilig Thuis zo snel mogelijk kunnen vinden.

53 000 adviezen heeft Veilig Thuis gegeven in het eerste halfjaar van 2019. Daarnaast heeft Veilig Thuis 65 duizend meldingen ontvangen. Buitenvorm Binnenvorm

In deze paragraaf worden uitkomsten over het eerste halfjaar van 2019 getoond, op basis van het CBS onderzoek Beleidsinformatie Veilig Thuis. In deze periode hebben de Veilig Thuis organisaties 53 080 keer advies (en ondersteuning) gegeven. 34 procent van deze adviezen is gegeven aan burgers (zie figuur 3.2.1).

Daarnaast hebben de Veilig Thuis organisaties in deze periode 64 960 meldingen ontvangen. 61 procent van deze meldingen werd gedaan door de politienoot8 (zie figuur 3.2.2a). Figuur 3.2.2b toont het percentage meldingen door de overige soorten melders.

In de contacten met de adviesvrager c.q. melder vraagt Veilig Thuis ook hoe lang zij dénken dat het geweld of de mishandeling al duurt. Hierbij kan gekozen worden uit een aantal categorieën. De ervaring leert dat adviesvragers en melders dit soms een moeilijke vraag vinden en het eigenlijk niet weten. De Veilig Thuis medewerk(st)er probeert de adviesvrager/melder toch een categorie te laten kiezen, waarbij er vaak gekozen wordt voor de kortste categorie (‘niet langer dan een week’) als men het écht niet weet. In de praktijk blijkt dat dit gegeven desondanks soms niet gevuld wordt in de administraties van Veilig Thuis en de duur van het geweld dus onbekend blijft. In onderstaande figuur is te zien wat de vermoedelijke duur van het geweld is bij adviezen en meldingen.

Bij ontvangst van een melding schat Veilig Thuis als eerste de aard en de ernst van de melding in; dit is de zogeheten veiligheidstaxatie. In 38 procent van de ontvangen meldingen betrof het een melding van acute en/of structureel onveilige casuïstiek. In de overige gevallen ging het bijvoorbeeld om een eenmalige onveilige situatie, om een multi-problematische leefsituatie of waren er geen zorgen over de veiligheid.

2019WK04_03 Meldingen met acute en/of structureel onveilige casuïstiek 38% van de ontvangen meldingen betrof een melding van - acute onveilige casuïstiek - en/of structureel onveilige casuïstiek 62% van de ontvangen meldingen betroffen bijvoorbeeld - een eenmalige onveilige situatie - een multi-problematische leefsituatie - geen zorgen over de veiligheid O v e r i g e m e l d i n g e n

Op basis van de veiligheidstaxatie besluit Veilig Thuis of ze de vervolgstappen bij Veilig Thuis zelf beleggen, of dat ze de melding doorsturen naar een lokale hulpverlenende instantie, die dan aan de slag gaat met de betrokkenen. Ook kijken ze of er al een hulpverlener betrokken is bij het gezin. In dat geval kijkt Veilig Thuis, samen met de hulpverlener, of deze de melding mee kan nemen in zijn traject en of ondersteuning van Veilig Thuis hierbij nodig is. De vervolgstappen kunnen ook belegd worden bij het cliëntsysteem zelf óf er kan besloten worden dat er in het geheel geen vervolgstappen nodig zijn. Ook kan het een nieuwe melding betreffen op een al lopende casus. In dat geval neemt Veilig Thuis de informatie uit de nieuwe melding mee in de lopende casus.

Als de vervolgstappen bij Veilig Thuis zelf worden belegd zijn er twee mogelijkheden: de dienst ‘Onderzoek’ of de dienst ‘Voorwaarden en Vervolg’. De dienst ‘onderzoek’ is gericht op het bevestigen of weerleggen van de gemelde vermoedens van huiselijk geweld en/of kindermishandeling en het vervolgens zo nodig vaststellen van veiligheidsvoorwaarden en inzetten van vervolghulp. De dienst ‘Voorwaarden en vervolg’ is gericht op het organiseren van de directe veiligheid van de betrokkenen en het inzetten van vervolghulp.

Om een beeld te krijgen van de gekozen vervolgstappen, is gekeken naar alle casussen waarbinnen een veiligheidsbeoordeling is uitgevoerd in het eerste halfjaar van 2019 en/of waarbinnen Veilig Thuis een dienst ‘Onderzoek’ of ‘Voorwaarden en Vervolg’ is gestart in deze periode. In 77 procent van deze casussen is besloten tot een directe overdracht (naar het lokale veld, een reeds betrokken hulpverlenende instantie, een multidisciplinair team of naar het cliëntsysteem zelf). In 11 procent is een dienst ‘Onderzoek’ gestart en in 14 procent een dienst ‘Voorwaarden en Vervolg’.

3.3Verbinding zorg en veiligheid

Voor een optimale aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling is een goede verbinding nodig tussen de zorgketen enerzijds en de justitie- en veiligheidsketen anderzijds. Dit geldt zowel bij het in beeld krijgen van (vermoedens van) huiselijk geweld en kindermishandeling als bij het stoppen en duurzaam oplossen van het geweld.

De politie is dan ook een belangrijke partij als het gaat om meldingen aan Veilig Thuis. Door de politie zijn in het eerste halfjaar van 2019 44 665 meldingen bij Veilig Thuis gedaan.noot9noot10 Dit is 4,5 procent meer dan in het eerste halfjaar van 2018. In heel 2018 meldde de politie 85 duizend gevallen van huiselijk geweld en/of kindermishandeling.

Op elk moment kan Veilig Thuis vaststellen dat er geen zorgen (meer) zijn over de veiligheid of dat een andere organisatie de verantwoordelijkheid kan overnemen voor de veiligheidssituatie. Veilig Thuis kan in dat geval naar vele partijen overdragen zoals zorginstellingen, scholen, maatschappelijk werk, het cliëntsysteem zelf of naar partijen in het justitie en veiligheidsdomein. Op basis van alle overdrachten in casussen die in het eerste halfjaar van 2019 zijn afgesloten, kan geconcludeerd worden dat er weinig overdrachten naar het justitie- en veiligheidsdomein plaatsvinden. In 0,2 procent van de afgesloten casussen waarin minstens één overdracht is geweestnoot11, is een overdracht naar de politie geweest in de vorm van een melding of aangifte. In 0,9 procent was er een overdracht (verzoek tot onderzoek) aan de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Naast deze overdrachten aan politie en RvdK kunnen (sommige) betrokkenen van een dergelijke casus ook nog zijn overgedragen aan andere partijen.

3.4Verbetering outcome

Outcome-indicatoren geven aan of het beoogde resultaat is bereikt, bijvoorbeeld of het geweld is gestopt en of het welzijn is verbeterd. De uitkomsten in deze paragraaf zijn verkregen uit cohortonderzoek van het Verwey Jonker Instituut naar het effect van de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld (zie paragraaf 4.5 voor een korte beschrijving van dit cohortonderzoek). In de periode 2010–2013 is een eerste cohortonderzoek uitgevoerd in de vier grote steden (G4). In de periode 2016–2020 loopt een grootschalig cohortonderzoek in 13 van de 26 Veilig Thuis-regio’s in Nederland.noot12 In het cohortonderzoek worden anderhalf jaar lang gezinnen met kinderen gevolgd, waar (ex-) partnergeweld en/of kindermishandeling speelt. Dit gebeurt vanaf het moment van melding bij Veilig Thuis. Tijdens het onderzoek vinden drie meetmomenten plaats, één kort na de melding bij Veilig Thuis, de tweede meting een jaar na de eerste meting en de derde meting een half jaar na de tweede meting. Het merendeel van de uitkomsten in deze paragraaf heeft betrekking op het cohortonderzoek uit 2010–2013. Voor wat betreft de beoordeling van het welzijn van de betrokken ouders en kinderen wordt gebruik gemaakt van resultaten uit de eerste meting van het cohortonderzoek 2016–2020.

Ten tijde van de eerste meting (in de periode juni 2016 tot augustus 2018) is bij 15 procent van de ouders en bij 29 procent van de kinderen sprake van een klinisch trauma.noot13 Ouders beoordelen hun kwaliteit van leven met het rapportcijfer 7. Kinderen beoordelen hun kwaliteit van leven iets lager dan leeftijdsgenoten in gezinnen waar geen sprake is van kindermishandeling en/of huiselijk geweld. Kijkend naar de verschillende facetten van hun leven, beoordelen de kinderen in het cohortonderzoek hun kwaliteit van leven hoger op de aspecten vrienden, fysieke gesteldheid en ouders en lager op psychisch welbevinden en school (zie figuur 3.4.1).

Voor uitkomsten over toe- of afname van het geweld, over de ervaren veiligheid, over de opvoedingsrelatie en over de tevredenheid over de ontvangen hulp zijn alleen de relatief oude gegevens beschikbaar uit het eerste cohortonderzoek 2010–2013 in de vier grote steden (G4). De onderstaande uitkomsten uit dit onderzoek in de G4 zijn niet zondermeer te vergelijken met bovenstaande uitkomsten uit het nu lopende cohortonderzoek (zie kader).

Bij dit onderzoek onder de G4 zijn nog twee kanttekeningen te maken. In de eerste plaats zijn op basis van het G4‑onderzoek alleen uitspraken te doen over gezinnen waar (ex-) partnergeweld speelde. Ten tweede zijn de respondenten geworven via de indertijd nog bestaande lokale Steunpunten Huiselijk Geweld (SHG) en de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (en in Amsterdam ‘Vangnet jeugd’). Bij de SHG’s kwamen vooral vrouwen terecht, vandaar dat in de steekproef vrouwen sterk zijn oververtegenwoordigd. De doorverwijzing vond in die tijd nog lang niet zo structureel plaats als tegenwoordig met de Veilig Thuis organisaties. Tegenwoordig is er voor heel Nederland een vast protocol voor doorverwijzing van huiselijk geweldszaken en kindermishandelingszaken naar de Veilig Thuis organisaties, hetgeen vooral betekent dat er tegenwoordig veel meer zaken, met een grotere variëteit aan huiselijk geweld en kindermishandeling, worden gemeld bij VT.

Ten tijde van de derde meting was in 78 procent van de gezinnen waar sprake was van (ex-) partnergeweld het geweld afgenomen en in 16 procent toegenomen. In 22 procent van de gezinnen was het (ex-) partnergeweld in het geheel gestopt.

Om een beeld te krijgen van de ervaren veiligheid van de ouders is gekeken naar de toe- of afname van het geweld gepleegd door de (ex-) partner tegen de persoon zelf. Bij 17 procent van de ouders was sprake van een afname van de veiligheid, in 72 procent van een toename.

Voor de ervaren veiligheid van de kinderen is gekeken naar hun emotionele reactiviteit (emotionele reactie op conflicten tussen ouders).noot14 Hoe hoger de kinderen hierop scoren, hoe groter het gevoel van onveiligheid. In figuur 3.4.2 is te zien dat de ervaren onveiligheid bij de tweede en derde meting lager ligt dan bij de eerste meting, maar nog wel hoger blijft dan bij kinderen in gezinnen waar geen sprake is van geweld (de referentiegroep). Bij deze cijfers moet de kanttekening gemaakt worden dat het aantal kinderen dat hierover gerespondeerd heeft, erg klein is (53 bij tweede meting, 27 bij derde meting).

Verder blijkt dat de opvoedingsstress zoals ouders die ervaren bij de opvoeding van een kind bij 45 procent van de betrokken kinderen is afgenomen tussen de eerste en de derde meting en bij 27 procent is toegenomen.

Bij de tweede en derde meting is ook aan ouders en kinderen gevraagd hoe tevreden zij zijn over de ingezette hulp (met een cijfer van 1 tot 10). Kinderen zijn iets tevredener dan ouders en zowel kinderen als ouders zijn bij de derde meting iets minder tevreden dan bij de tweede meting (zie figuur 3.4.3).

Recidive daders huiselijk geweld

De informatie over recidive onder daders van huiselijk geweld is gebaseerd op recidiveonderzoek van het WODC (Blokdijk e.a. (2019) en de WODC recidivemonitor), waarbij gekeken is naar recidive in termen van strafzaken.noot15

In de figuur hieronder wordt de tweejarige recidiveprevalentie van daders van huiselijk geweld afgezet tegen de gehele populatie van personen die in 2015 zijn veroordeeld. Hieruit valt op te maken dat 30 procent van de daders van huiselijk geweld binnen twee jaar na 2015 een nieuwe strafzaak heeft voor een misdrijf (algemene recidive). Dit is iets hoger dan de algemene recidiveprevalentie onder alle in 2015 veroordeelde daders (28 procent). Van de daders van huiselijk geweld heeft 14 procent binnen twee jaar een nieuwe geweldstrafzaak op zijn naam staan. Voor de gehele populatie ligt dit op 8 procent. Tot slot heeft ruim 7 procent van de personen die in 2015 werden veroordeeld voor huiselijk geweld binnen twee jaar een nieuwe strafzaak in verband met het plegen van huiselijk geweld (specifieke huiselijk-geweld-recidive).

Noten

Het begrip recidive is in de gehele keten van betrokken organisaties uiteraard veel breder (bijvoorbeeld gezinnen waarover opnieuw een melding bij Veilig Thuis wordt gedaan na een periode zonder geweld). Nadere afstemming tussen al deze betrokken partijen is nodig om tot een zinvolle definitie van deze bredere vorm van recidive te komen.

Waarbij de definitie van letsel niet expliciet is benoemd in de vraagstelling aan de slachtoffers. Of het hier alleen gaat om fysiek letsel of ook om psychisch letsel is dan ook niet bekend.

Mensen die in Nederland verblijven op basis van de verblijfsvergunning van hun partner zullen altijd aangifte doen, omdat (dreiging van) huiselijk geweld recht kan geven op een zelfstandige verblijfsvergunning.

Bij de vragen over verwaarlozing kon de scholier geen tijdsperiode aangeven, de scholier moest aangeven of er ooit sprake van is geweest. Daarom is verwaarlozing niet meegenomen in de definitie van slachtofferschap in het afgelopen jaar.

In het kader van de Beleidsinformatie Veilig Thuis leveren alle Veilig Thuis organisaties elk half jaar gegevens aan het CBS, waaronder over de (vermoedelijke) aard van geweld.

Voor professionals geldt een meldcode, zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/huiselijk-geweld/meldcode.

De cijfers in deze paragraaf over het aantal meldingen bij Veilig Thuis door de politie (op basis van Beleidsinformatie VT) wijkt af van de cijfers op basis van de politieregistraties in paragraaf 3.3.. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen hoe deze verschillen kunnen worden geduid.

Dit betreft de meldingen met status ‘definitief’ in het BHV-registratiesysteem van de politie.

Dit cijfer op basis van de politieregistratie wijkt af van de cijfers over het aantal meldingen bij Veilig Thuis door de politie (op basis van Beleidsinformatie VT) in paragraaf 3.2. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen hoe deze verschillen kunnen worden geduid.

In het 1e halfjaar van 2019 zijn er 44.215 casussen afgesloten. In 18.500 van deze afgesloten casussen heeft

er minstens 1 overdracht plaatsgevonden.

Dit zijn de volgende 13 Veilig Thuis regio’s: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Flevoland, Gooi en Vechtstreek, Groningen, IJsselland, Kennemerland, Noordoost-Brabant, Midden-Brabant, Twente en Zaanstreek-Waterland.

Met klinisch trauma wordt een (medisch) gediagnosticeerd trauma bedoeld.

Op basis van een uitvraag onder deze kinderen op basis van de Security in the Interparental Subsystem (SIS) Child Report methodiek. Emotionele reactiviteit is gevoeligheid voor intense, langdurige en ontregelde uitingen van angst, waakzaamheid of nood. Emotionele reactiviteit is een onderdeel van de emotionele veiligheid in relatie tot ruzie tussen ouders.

Het begrip recidive is in de gehele keten van betrokken organisaties uiteraard veel breder (bijvoorbeeld gezinnen waarover opnieuw een melding bij Veilig Thuis wordt gedaan na een periode zonder geweld). Nadere afstemming tussen al deze betrokken partijen is nodig om tot een zinvolle definitie van deze bredere vorm van recidive te komen.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken
* Voorlopig cijfer
** Nader voorlopig cijfer
x Geheim
Nihil
(Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
2018–2019 2018 tot en met 2019
2018/2019 Het gemiddelde over de jaren 2018 tot en met 2019
2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2018 en eindigend in 2019
2016/’17–2018/’19 Oogstjaar, boekjaar, enz., 2016/’17 tot en met 2018/’19

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Erratum

Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, zijn er achteraf enkele onvolkomenheden geconstateerd. Onze excuses hiervoor.

Datum: 5 februari 2020

In Figuur 3.4.1 werd een verkeerde waarde voor de categorie ‘school’ getoond. Dit is nu gecorrigeerd.