Introductie
Globalisering raakt de Nederlandse economie op veel manieren: via handel, investeringen, productieketens, werk en inkomen. De Internationaliseringsmonitor maakt die verwevenheid zichtbaar en laat zien wat dat betekent voor de Nederlandse economie en samenleving. De publicatie verschijnt twee keer per jaar en maakt deel uit van het CBS-ontwikkelprogramma Globalisering, dat wordt gefinancierd door het ministerie van Buitenlandse Zaken.
Deze editie bundelt globaliseringsvraagstukken die de volle breedte van het ontwikkelprogramma bestrijken. In acht hoofdstukken belichten we trends en ontwikkelingen die samen een breed beeld geven van hoe Nederland verweven is met de wereld. We presenteren heldere cijfers, plaatsen deze in context en combineren bestaande en nieuwe databronnen met microdata koppelingen. Met input-outputanalyses maken we internationale afhankelijkheden zichtbaar.
In hoofdstuk 1 bestuderen we het belang van multinationals voor de Nederlandse economie. Multinationals leveren een substantiële bijdrage aan productie, toegevoegde waarde, import, export en werkgelegenheid in Nederland. Hun invloed reikt echter verder dan alleen directe effecten; via hun eigen export en binnenlandse verkoop dragen zij ook indirect bij aan verdiensten en werkgelegenheid binnen hun toeleveringsketen. In dit hoofdstuk onderzoeken we het directe en indirecte belang van multinationals, evenals de wisselwerking tussen verschillende typen bedrijven.
De EU en de VS zijn als handelspartners nauw met elkaar verweven. Deze van oudsher sterke relatie staat de laatste jaren echter meer onder druk door aanhoudende spanningen en terugkerende handelsconflicten. In hoofdstuk 2 analyseren we drie van deze conflicten: (i) het langdurige luchtvaartgeschil over staatssteun aan Airbus en Boeing, (ii) de EU-vergeldingsmaatregelen op Amerikaanse staal- en aluminiumheffingen uit 2018, en (iii) de vrijwaringsmaatregelen die de EU vervolgens instelde op staal. Naast de omvang van de bijbehorende heffingen laten we zien welke producten door deze handelsconflicten zijn getroffen en hoe de invoer van deze goederen zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld. Bovendien tonen we hoe deze casussen samenkomen in het meest recente, maar voorlopig opgeschorte, maatregelenpakket van 2025.
In hoofdstuk 3 blijven we nog even bij de VS. Invoerheffingen zijn de laatste jaren, mede door het protectionistische handelsbeleid van de VS onder Trump, een steeds prominenter onderwerp geworden. Op basis van een door het CBS nieuw ontwikkelde dataset brengen we in dit hoofdstuk voor het eerst de kosten in kaart die de Nederlandse toeleveringsketen tussen 2015 en 2022 heeft ondervonden door zowel de Amerikaanse importheffingen als de vergeldingsheffingen van getroffen landen. Daarbij is er specifiek aandacht voor de kosten voortkomend uit de Amerikaanse heffingen op staal en aluminium en de kosten voortkomend uit de bilaterale invoerheffingen tussen de VS en China.
Met Canada heeft de EU juist afspraken gemaakt om invoerheffingen te verlagen. Sinds 2017 kunnen bedrijven in Nederland hiervan profiteren met de inwerkingtreding van het handelsverdrag CETA. In hoofdstuk 4 onderzoeken we de gevolgen van dit handelsverdrag voor bedrijven in Nederland. We beantwoorden de vraag in welke mate Nederlandse importeurs gebruikmaken van de preferenties uit het verdrag, welk type bedrijven dit betreft, en in hoeverre de besparingen daadwerkelijk bij de Nederlandse importeurs terechtkomen.
Mede door de coronapandemie, het onevenwichtig herstel daarna en de oorlog in Oekraïne, zijn de afgelopen jaren forse prijsschommelingen opgetreden in de internationale goederenhandel. Analyses die alleen op handelswaarde zijn gebaseerd, geven dan ook geen compleet beeld. Hoofdstuk 5 beschrijft daarom een nieuwe prijs- en volume-index die ontwikkeld is volgens het concept van grensoverschrijding. Door gebruik te maken van gedetailleerde informatie op product- en landniveau wordt het mogelijk om de reële veranderingen van de Nederlandse goederenimport en -export te analyseren.
In hoofdstuk 6 staat de exportintensiteit van bedrijven centraal, met speciale aandacht voor de Nederlandse industrie. We onderzoeken in welke mate bedrijven voor hun omzet afhankelijk zijn van buitenlandse goederenexport, en hoe dat verschilt tussen groepen bedrijven. We kijken daarbij niet alleen naar de directe goederenuitvoer, maar ook naar de mate waarin die export afhankelijk is van ingevoerde inputs. Daarmee wordt zichtbaar hoe het verdienvermogen van het Nederlandse bedrijfsleven verweven is met internationale productieketens en welke factoren samenhangen met exportintensiteit.
Het is bekend dat bedrijven die exporteren doorgaans productiever zijn dan bedrijven die zich uitsluitend op de binnenlandse markt richten. Ook in Nederland neemt de productiviteit van bedrijven toe door export. Maar hoe is dat te verklaren? Hoofdstuk 7 richt zich op deze vraag. We onderzoeken het achterliggende mechanisme van deze waargenomen productiviteitsverbeteringen door de samenstelling van het exportportfolio van bedrijven in de bedrijfstakken industrie en handel te relateren aan hun productiviteitsontwikkeling. Daarbij wordt nagegaan of bedrijven productiever worden doordat exporteren leidt tot product- of procesinnovatie, of doordat exporteren schaalvoordelen met zich meebrengt.
In hoofdstuk 8, ten slotte, richten we ons op de werknemers bij bedrijven die incidenteel of structureel goederen exporteren en/of multinationals. Op basis van microdata laten we zien hoe de werkgelegenheid verschilt bij die bedrijven, en hoe deze verschillen samenhangen met de opleidingsachtergrond en beroepsstructuur van werknemers. Zo wordt duidelijk welke invloed verschillende dimensies van internationalisering hebben op de samenstelling van de werkgelegenheid in Nederland.