Foto omschrijving: Mensen wandelen tussen tussen grote kantoorgebouwen door over plein aan de Zuidas.

Het directe en indirecte belang van multinationals voor het Nederlandse bedrijfsleven

Auteurs: Timon Bohn, Robin Konietzny, Tom Notten

Multinationals spelen een grote rol in de Nederlandse economie. Ze leveren een substantiële bijdrage aan de productie, toegevoegde waarde, import, export en werkgelegenheid. Maar hun invloed reikt verder dan alleen directe effecten. Door hun eigen export en binnenlandse verkoop dragen zij ook indirect bij aan verdiensten en werkgelegenheid binnen hun toeleveringsketen. Zo profiteren ook andere bedrijven van hun activiteiten. Vooral bedrijven en sectoren die zelf minder vaak direct exporteren – zoals kleine en middelgrote zelfstandige bedrijven (zelfstandig mkb) in de dienstensector – blijken belangrijker dan traditionele handelsstatistieken laten zien. In dit hoofdstuk onderzoeken we het belang van multinationals voor het Nederlandse bedrijfsleven, evenals de onderlinge wisselwerking tussen verschillende typen bedrijven.

1.1Inleiding

Multinationals spelen zowel in Nederland als op het wereldtoneel een cruciale rol. Minder dan 2 procent van het Nederlandse bedrijfsleven is een multinational – bedrijven met ten minste één vestiging in het buitenland. Toch creëren ze 37 procent van de werkgelegenheid en zijn ze verantwoordelijk voor 87 procent van de importwaarde en 86 procent van de exportwaarde (Weusten et al., 2025). Volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) hebben multinationals ook een grote invloed op de handel in Europa, al is die kleiner dan in Nederland. In 2020 waren zij in de EU-27 verantwoordelijk voor 39 procent van de productie, 32 procent van de toegevoegde waarde, 60 procent van de import en 64 procent van de export – cijfers die sinds 2008 met enkele procentpunten zijn gestegen. In België, een vergelijkbare kleine en open economie, waren multinationals in 2020 verantwoordelijk voor 29 procent van de productie, 21 procent van de toegevoegde waarde en 53 procent van zowel import als export (OESO, 2024). Op mondiaal niveau zijn multinationals zelfs verantwoordelijk voor vier vijfde van de wereldhandel (UNCTAD, 2013).

Multinationals dragen niet alleen bij aan handel en werkgelegenheid via hun eigen export en import, maar beïnvloeden ook andere typen bedrijven door hun rol als verbindingsschakel in de nationale waardeketen. Dit is bijvoorbeeld relevant bij het bepalen van de impact van invoerheffingen op bedrijven die niet direct bij handel betrokken zijn – zoals binnenlandse afnemers van importeurs en toeleveranciers van exporterende multinationals – maar die wel indirect geraakt kunnen worden door handelsbeleid. Bovendien spelen multinationals en andere grote bedrijven een belangrijke rol in het kader van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD), een EU-richtlijn die vereist dat grote ondernemingen rapporteren over onder meer hun CO2‑uitstoot, sociaal kapitaal, en de impact die zij hebben op hun keten. Deze ontwikkelingen maken het steeds belangrijker om inzicht te hebben in hoe bedrijven in waardeketens met elkaar verbonden zijn.noot1

Binnen de groep multinationals hebben buitenlandse multinationals in Nederland – oftewel multinationals in buitenlandse handen – een bijzonder grote, maar ook veelzijdige impact. Voor de Nederlandse economie brengen buitenlandse multinationals zowel voordelen als nadelen met zich mee (Onat et al., 2018). Aan de ene kant dragen zij bij aan economische groei en kennisontwikkeling, bijvoorbeeld door investeringen in R&D, de inzet van hoogopgeleide werknemers en een hogere productiviteit in het gastland via kennisoverdracht en netwerkeffecten. Ze creëren bovendien zowel directe als indirecte werkgelegenheid, onder andere doordat ze vaak werk uitbesteden aan zelfstandige mkb-bedrijven. Aan de andere kant roept hun aanwezigheid ook zorgen op over milieudruk, maatschappelijke impact en ongelijkheid. Productie of R&D kan relatief eenvoudig naar het buitenland worden verplaatst (offshoring), lokale bedrijven kunnen worden verdrongen door buitenlandse concurrentie, en er bestaan zorgen over belastingontwijking, overnames en het al dan niet heffen van dividendbelasting. Daarnaast kunnen buitenlandse multinationals hun winsten verschuiven, waardoor een aanzienlijk deel van de gegenereerde inkomsten uit toegevoegde waarde naar het buitenland verdwijnt (Bohn et al., 2021).

Een te grote afhankelijkheid van buitenlandse multinationals in bepaalde sectoren kan kwetsbaarheden creëren en verhoogde risico’s met zich meebrengen, mocht deze groep bedrijven besluiten zich (gedeeltelijk) uit Nederland terug te trekken. Nederlandse multinationals kunnen eveneens activiteiten uitbesteden, maar brengen doorgaans ook winsten terug naar Nederland via de activiteiten van dochterbedrijven in het buitenland. Afhankelijkheden van multinationals in strategische sectoren staan ook hoog op de beleidsagenda. In het kader van economische veiligheid onderzocht het CBS – in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat – hoe groot de buitenlandse zeggenschap is in de toeleveringsketen van vijf strategische bedrijfstakken, zowel in de buitenlandse als de binnenlandse keten (Lemmers et al., 2023).

Gezien deze factoren is het belangrijk om specifiek in te gaan op de rol van multinationals – zowel buitenlandse als Nederlandse – in Nederland, zowel op macro-economisch niveau als op sectorniveau. Om in onze analyse nog beter rekening te houden met de heterogeniteit tussen bedrijfsgroepen, delen we de Nederlandse multinationals verder op in grote bedrijven en kleine en middelgrote zelfstandige bedrijven (zelfstandig mkb). Daarnaast vergelijken we de bijdragen van multinationals in Nederland met die van grote en kleine niet-multinationale bedrijven. In dit hoofdstuk onderscheiden we vijf verschillende typen bedrijven:

  1. Buitenlandse multinational. Bedrijven die in Nederland zijn gevestigd en met buitenlandse eigenaren. Deze bedrijven behoren tot een buitenlandse ondernemingsgroep.
  2. Nederlandse multinationale grootbedrijf. Bedrijven met Nederlandse eigenaren die één dochterbedrijf of meerdere dochterbedrijven hebben in het buitenland. Ze behoren tot een concern met minstens 250 werkzame personen in Nederland.
  3. Nederlandse multinationale zelfstandig mkb. Bedrijven in Nederlands eigendom die één dochterbedrijf of meerdere dochterbedrijven hebben in het buitenland. Dit betreft zelfstandige midden- en kleinbedrijven, met minder dan 250 werkzame personen in Nederland.
  4. Niet-multinationale grootbedrijf. Bedrijven in Nederlands eigendom met minstens 250 werkzame personen, zonder moeder- of dochterbedrijf in het buitenland, maar die wel deel uitmaken van een ondernemingsgroep.
  5. Niet-multinationale zelfstandig mkb. Bedrijven met Nederlandse eigenaren, zonder moeder- of dochterbedrijf in het buitenland, met minder dan 250 werkzame personen. Deze bedrijven behoren niet tot een concern.

In figuur 1.1.1 is dit schematisch weergegeven:

Schematische weergave waarbij er een onderverdeling wordt gemaakt van de Nederlandse economie naar vijf typen bedrijven. Multinationals worden onderverdeeld naar buitenlandse multinational, Nederlandse multinationale grootbedrijf en Nederlandse multinationale zelfstandig mkb. Niet-multinationals worden onderverdeeld naar niet-multinationale grootbedrijf en niet-multinationale zelfstandig mkb. 1.1.1 Onderverdeling Nederlandse economie naar vijf typen bedrijven Buitenlandse multinational Nederlandse multinationale grootbedrijf Nederlandse multinationale zelfstandig mkb Niet-multinationale grootbedrijf Niet-multinationale zelfstandig mkb Niet-multinationals Multinationals

In dit hoofdstuk analyseren we alleen de zogenoemde marktgerichte bedrijfstakken, de zogenaamde business economy, oftewel het Nederlandse bedrijfsleven.noot2 Bedrijfstakken waarvoor geen uitsplitsing naar bedrijfstype mogelijk is, blijven daarmee buiten beschouwing. Dat betekent dat landbouw-, bosbouw en visserij, de financiële sector en overheid, zorg en onderwijs niet zijn meegerekend.

Wat dit hoofdstuk onderscheidt van bestaande analyses over de rol van multinationals in Nederland Handelsland (Weusten et al., 2025; Weusten et al., 2024), is dat de cijfers aansluiten op macro-economische totalen zoals het bruto binnenlands product (bbp), de totale productie en handel, en de beroepsbevolking. Dit is bereikt door het koppelen en ijken van microdata aan de input-outputtabellen van de nationale rekeningen van het CBS, zie het leeskader hierna voor een verdere toelichting. Input-outputtabellen van de nationale rekeningen maken normaal gesproken geen onderscheid tussen verschillende bedrijfsgroepen.

Dankzij deze koppeling kunnen we alle cijfers in dit hoofdstuk direct uitdrukken als percentage van het bbp of van de totale beroepsbevolking. Tegelijkertijd kunnen ze hierdoor ook licht afwijken van vergelijkbare cijfers over multinationals in andere publicaties (zoals in Nederland Handelsland). Een voordeel van deze aanpak is ook dat we meer indicatoren kunnen meenemen dan in andere studies over multinationals, zoals de beloningen van werknemers en winsten. Daarnaast passen we een waardeketenanalyse toe, waarbij we de wisselwerking tussen bedrijfstypen analyseren – bijvoorbeeld de verdiensten bij toeleverende niet-multinationals die voortvloeien uit de export van andere bedrijven zoals buitenlandse multinationals, zie figuur 1.1.2. In onze analyse wordt directe en indirecte import en export bekeken vanuit het perspectief van verschillende bedrijfstypen, in dit geval niet-multinationals (grootbedrijf of zelfstandig mkb).

Schematische weergave van directe en indirecte import en export. Directe import verloopt van buitenland naar niet-multinationals. Directe export verloopt van niet-multinationals naar het buitenland. Bij indirecte import en indirecte export verlopen deze stromen via buitenlandse multinationals. 1.1.2 Conceptueel model van directe en indirecte import en export Buitenlandse multinationals Buitenlandse multinationals Directe import Indirecte import Directe export Indirecte export Buitenland Buitenland

Het CBS voerde eerder onderzoeken uit met dezelfde methode, gekoppeld aan de nationale rekeningen. Chong et al. (2016; 2019) onderzochten voor 2012 als eerste de rol en bijdrage van het grootbedrijf en het zelfstandig mkb in de Nederlandse economie volgens deze methode. Ze lieten zien dat het zelfstandig mkb in grotere mate profiteert van de Nederlandse export dan traditionele exportcijfers doen vermoeden, doordat ze vaak fungeren als indirecte exporteurs en als toeleveranciers voor grotere exporterende bedrijven. Walhout et al. (2017) volgden een vergelijkbare aanpak als Chong et al. (2016; 2019), maar richtten zich specifiek op de rol van multinationals in de Nederlandse economie in plaats van op bedrijfsgrootte. Onat et al. (2018) combineerden de invalshoeken van de voorgaande onderzoeken – multinationalstatus en bedrijfsgrootte – en analyseerden het belang van dezelfde bedrijfsgroepen die ook in dit onderzoek worden gehanteerd. Zij onderzochten zowel de directe bijdrage van deze groepen als de indirecte bijdrage in de periode 2010–2016.

Een recentere studie over multinationals van Nelisse (2023) benaderde de toegevoegde waarde vanuit de sectorrekeningen. Daarin wordt de toegevoegde waarde van multinationals vergeleken met die van huishoudens, de overheid, niet-financiële instellingen en andere sectoren. Die brede invalshoek maakt die analyse lastig te vergelijken met onze studie, die zich alleen richt op de bijdrage van multinationals binnen het Nederlandse bedrijfsleven, zonder rekening te houden met interacties met andere sectoren zoals overheid en huishoudens.

In dit opzicht kan onze analyse worden gezien als een actualisatie van Onat et al. (2018), aangezien wij zowel de directe bijdrage van verschillende bedrijfsgroepen aan de economie als de indirecte bijdrage en de wisselwerking tussen deze groepen analyseren voor de recentere periode 2015–2021. Onze analyse vormt echter ook een verdieping, doordat we nieuwe indicatoren — zoals winsten en productiviteit naar bedrijfstype — en nieuwe toepassingen in de analyse betrekken.

Specifiek staan de volgende onderzoeksvragen centraal in dit hoofdstuk:

  • Hoe dragen verschillende typen bedrijven direct bij aan de Nederlandse economische welvaart, werkgelegenheid en internationale handel, en hoe is dat veranderd in de periode 2015–2021?
  • Zijn multinationals productiever dan niet-multinationals?
  • Hoe groot is het aandeel van multinationals en niet-multinationals in de bruto export – oftewel de totale uitvoerwaarde – en verandert dat als we kijken naar de export­verdiensten?
  • Hoe afhankelijk zijn niet-multinationals, met name het zelfstandig mkb, van de export van multinationals, in termen van verdiensten en banen?

Leeswijzer

Paragraaf 1.2 beschrijft het directe belang van vijf bedrijfsgroepen voor de Nederlandse economie, in termen van productie, toegevoegde waarde, handel en werkgelegenheid. Daarnaast wordt ingegaan op de toegevoegde waarde per werknemer — een maatstaf voor arbeidsproductiviteit — van de verschillende typen bedrijven. Paragraaf 1.3 behandelt eerst het invoergehalte van de uitvoer, uitgesplitst naar bedrijfstype. Vervolgens komen de wisselwerking en wederzijdse afhankelijkheden tussen de bedrijfsgroepen aan bod. Paragraaf 1.4 vat de bevindingen samen en presenteert de conclusies.

Waardeketenanalyse verfijnd: onderscheid naar multinationalstatus en bedrijfsgrootte

Waardeketenanalyse wordt vaak toegepast zonder rekening te houden met de heterogeniteit tussen bedrijven binnen dezelfde bedrijfstakken. Dit komt omdat deze uitsplitsing doorgaans ontbreekt in de input-outputtabellen in reguliere statistieken. Toch is het belangrijk om deze heterogeniteit wél mee te nemen: onderzoek laat zien dat multinationals gemiddeld productiever zijn, hogere lonen betalen, meer investeren in R&D en vaker exporteren dan niet-multinationals (Onat et al., 2018).

De cijfers in dit hoofdstuk zijn berekend op basis van methoden zoals beschreven in Fortanier et al. (2020) en Lemmers (2020). Hiervoor zijn gegevens uit de nationale rekeningen (na de revisie van 2015), de productiestatistieken en de statistieken Internationale Handel in Goederen en Internationale Handel in Diensten gecombineerd. Deze zijn vervolgens gekoppeld aan informatie uit de Foreign Affiliates Statistics (FATS). Deze statistiek beschrijft de activiteiten van bedrijven in Nederland die onder zeggenschap staan van een buitenlandse institutionele eenheid (Inward FATS) en van bedrijven in het buitenland die onder controle staan van een Nederlandse institutionele eenheid (Outward FATS). De zeggenschap van een bedrijf wordt bepaald door het land waar de strategische besluitvorming plaatsvindt en ligt bij de Ultimate Controlling Institutional Unit (UCI): de hoogste institutionele eenheid binnen een zeggenschaps­structuur die zelf niet onder zeggenschap staat van een andere eenheid.

De toegepaste methode bouwt voort op eerder onderzoek naar het uitsplitsen van de Nederlandse IO-tabellen naar multinationalstatus en grootteklasse, zie bijvoorbeeld Walhout et al. (2017) en Onat et al. (2018). Ze past deze toe op een gedetailleerder niveau — met meer bedrijfstakken en een nieuwe jaarlijkse tijdreeks voor de periode 2015–2021. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van de zogenaamde ‘shares-methode’; een short-cut techniek geïmplementeerd door Fortanier et al. (2020), waarbij aandelen van verschillende typen bedrijven in handel en productie worden gebruikt om bedrijfstakken op te splitsen. Voor een uitgebreide toelichting op de methode, zie ook OESO/EC-JRC (2025), een handboek dat niet alleen de methode en achterliggende motieven in detail beschrijft, maar ook ervaringen deelt van statistiekbureaus en kennisinstellingen in andere landen die deze of een vergelijkbare benadering hebben toegepast. De resultaten van dit onderzoek zijn terug te vinden in de nieuwe StatLine-tabellen (CBS, 2024d; CBS, 2024e) met kerncijfers van multinationals en niet-multinationals per bedrijfstak, en over toeleverende en afnemende bedrijven in de Nederlandse waardeketen.

48% van de totale toegevoegde waarde van het Nederlandse bedrijfsleven kwam in 2021 voor rekening van multinationals
1,1 miljoen banen in de toeleveringsketen werden in 2021 gecreëerd door de finale afzet van multinationals, via export of binnenlandse verkoop

1.2Direct economisch belang van multinationals

Deze paragraaf laat zien wat het directe belang is van multinationals en niet-multinationals voor de Nederlandse economie, zonder nog rekening te houden met onderlinge afhankelijkheden van niet-multinationals ten opzichte van multinationals. We onderzoeken in welke mate deze bedrijven direct bijdragen aan de totale materiële welvaart, werkgelegenheid en internationale handel. We meten de bijdrage aan de materiële welvaart aan de hand van toegevoegde waarde en de componenten loonkosten en winst.

Totaal aantal bedrijven groeit, aantal Nederlandse multinationals daalt

Voordat de macro-economische cijfers worden beschreven, is het van belang eerst een beeld te krijgen van het aantal bedrijven dat tot de vijf onderscheiden bedrijfstypen behoort. Tabel 1.2.1 geeft een overzicht van het aantal bedrijven per type. Het overgrote deel van de bedrijven behoort tot de categorie niet-multinationale zelfstandig mkb, met ruim 1,5 miljoen bedrijven, oftewel 98,2 procent van het totaal aantal bedrijven in Nederland. Dit grote aandeel komt vooral door het grote aantal eenmanszaken. In 2022 waren in Nederland bijna 27 duizend multinationals gevestigd, waarvan 9,3 duizend Nederlandse en 17,4 duizend buitenlandse. Samen vormen zij slechts 1,1 procent van het totaal aantal bedrijven.noot3

Tussen 2015 en 2022 nam het totaal aantal bedrijven in Nederland toe met 41,5 procent. De groei van het aantal mkb-bedrijven kwam vooral door toename van het aantal zzp-bedrijven (CBS, 2024a). Het aantal buitenlandse multinationals groeide met 36,3 procent, terwijl het aantal Nederlandse multinationals in 2022 juist 5,5 procent lager was dan in 2015. Deze afname betrof vooral Nederlandse multinationals met relatief weinig werkzame personen. Het aantal Nederlandse multinationals met ten minste 100 werkzame personen – circa 3,6 duizend bedrijven – nam daarentegen wel toe (CBS, 2025).

De bedrijven in de categorie niet-multinationale zelfstandig mkb zijn meestal klein, maar vanwege hun grote aantal leveren zij toch een aanzienlijke bijdrage aan de Nederlandse economie. De andere categorieën – niet-multinationale grootbedrijf, Nederlandse multinationale zelfstandig mkb, Nederlandse multinationale grootbedrijf en buitenlandse multinational – omvatten veel minder bedrijven. Wel zijn bij deze bedrijven gemiddeld meer personen werkzaam en dragen daardoor eveneens substantieel bij aan de Nederlandse materiële welvaart en werkgelegenheid.

1.2.1Aantal bedrijven naar type bedrijf
2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022
Niet-multinationale zelfstandig mkb 1 077 108 1 119 279 1 142 831 1 207 316 1 278 848 1 347 203 1 404 263 1 511 846
Niet-multinationale grootbedrijf 1 278 1 203 1 179 1 258 1 275 1 289 1 201 1 597
NL multinationale zelfstandig mkb 7 472 7 541 7 414 7 289 7 393 7 574 7 330 7 108
NL multinationale grootbedrijf 2 351 2 391 2 408 2 313 2 353 2 198 2 178 2 173
Buitenlandse multinational 12 777 13 303 14 073 14 316 14 653 15 443 16 057 17 414
Totaal 1 100 986 1 143 717 1 167 905 1 232 492 1 304 522 1 373 707 1 431 029 1 540 138

Bijna de helft van de totale toegevoegde waarde in de business economy door multinationals

De toegevoegde waarde biedt inzicht in de bijdrage van de verschillende typen bedrijven aan de Nederlandse welvaart. Deze indicator laat zien hoeveel waarde bedrijven, door de inzet van arbeid en kapitaal, toevoegen aan ingekochte producten. Ze toont hoe elk type bedrijf bijdraagt aan het bbp, de meest gebruikte indicator voor materiële welvaart. Binnen bedrijfstakken bestaat de toegevoegde waarde voornamelijk uit loonkosten – het deel dat naar werknemers gaat – en winst – het deel dat bij eigenaren en aandeelhouders terechtkomt.noot4

1.2.2 Toegevoegde waarde naar bedrijfstype (mld euro)
Categorie 2021 2015
Niet-multinationale zelfstandig mkb 231 167
Niet-multinationale grootbedrijf 34 33
Nederlandse multinationale zelfstandig mkb 21 20
Nederlandse multinationale grootbedrijf 80 72
Buitenlandse multinational 143 107

Wanneer we kijken naar de verdeling van de toegevoegde waarde in de business economy over de verschillende typen bedrijven, heeft het niet-multinationale zelfstandig mkb het hoogste aandeel: 45 procent van de toegevoegde waarde werd gecreëerd door deze bedrijven. Het niet-multinationale grootbedrijf had een aandeel van 7 procent. Gezamenlijk waren de niet-multinationals dus goed voor 52 procent van de totale toegevoegde waarde in het Nederlandse bedrijfsleven. Buitenlandse multinationals waren goed voor 28 procent, terwijl het Nederlandse multinationale grootbedrijf en het Nederlandse multinationale zelfstandig mkb samen 20 procent voor hun rekening namen. Daarmee waren multinationals als geheel met een aandeel van 48 procent verantwoordelijk voor bijna de helft van de toegevoegde waarde in het Nederlandse bedrijfsleven.

Tussen 2015 en 2021 groeide de toegevoegde waarde van het niet-multinationale zelfstandig mkb het sterkst, met een gemiddelde jaarlijkse groei van 6 procent, zie figuur 1.2.2. Ook in absolute termen was hun groei het grootst. Daarna volgden de buitenlandse multinationals met een gemiddelde groei van 5 procent per jaar. De groei bij Nederlandse multinationals bleef daarentegen achter, met nog geen 2 procent, terwijl het niet-multinationale grootbedrijf helemaal geen groei rapporteerde.

De weergegeven waardecijfers over de periode 2015 tot en met 2021 zijn niet gecorrigeerd voor prijsontwikkelingen. Dit geldt ook voor andere waardeontwikkelingen in dit hoofdstuk, zoals de export en de import. Het gaat dus steeds om nominale in plaats van reële groei. Ook laat dit onderzoek niet zien hoe de groei tot stand is gekomen: een stijging kan het gevolg zijn van autonome ontwikkeling, maar ook van fusies en overnames.

Relatief veel industrie bij Nederlandse multinationale grootbedrijf

De verschillende bedrijfstypen zijn ongelijk verdeeld over de bedrijfstakken. Iedere bedrijfstak heeft daarbij haar eigen kenmerken. Omdat beleid soms specifiek gericht is op bepaalde sectoren — denk bijvoorbeeld aan het topsectorenbeleid — is het belangrijk om hiermee rekening te houden (RVO, 2022). Daarnaast biedt kennis van deze verdeling inzichten in de voorkeuren van buitenlandse multinationals voor bepaalde Nederlandse bedrijfstakken, zowel nu als in het verleden. Dit is relevant in het kader van vestigingsbeleid (CBS, 2018).

1.2.3 Aandeel bedrijfstakken in toegevoegde waarde naar bedrijfstype, 2021 (%)
B-E Nijverheid (geen bouw) en energie F Bouw G-I Handel, vervoer en horeca J Informatie en communicatie L Verhuur en handel van onroerend goed M-N Zakelijke dienstverlening
Niet-multinationale
zelfstandig mkb
12,6 12,6 31,2 6,8 11,9 24,9
Niet-multinationale
grootbedrijf
28,5 6,3 22,7 2,8 10,9 28,8
Nederlandse
multinationale
zelfstandig mkb
25,7 5,4 42,3 9,3 1,6 15,7
Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
35,3 6,7 25,4 8,8 0,9 22,9
Buitenlandse
multinational
31,7 2,1 37,1 10,8 1 17,3

Figuur 1.2.3 toont het aandeel in de toegevoegde waarde van verschillende bedrijfstakken per bedrijfstype in 2021. Hoewel bij zowel multinationals als niet-multinationals grotendeels dezelfde bedrijfstakken in beeld komen, verschillen de onderlinge verhoudingen. Zo heeft bij buitenlandse multinationals de bedrijfstak informatie en communicatie een relatief groot aandeel, terwijl de bouw juist een kleiner aandeel heeft. Bij het Nederlandse multinationale grootbedrijf is het aandeel van de industrie juist weer groter dan bij de andere bedrijfstypen. Het Nederlandse multinationale zelfstandig mkb heeft daarentegen het grootste aandeel van handel, vervoer en horeca. Bij het niet-multinationale zelfstandig mkb is de bouw de bedrijfstak met het grootste aandeel.

1.2.4 Groei in toegevoegde waarde en uitvoer per werknemer per bedrijfstype, 2015-2021 (%)
Bedrijfstype Toegevoegde waarde per werknemer Uitvoer per werknemer
Niet-multinationale
zelfstandig mkb
13 3
Niet-multinationale
grootbedrijf
8 23
Nederlandse
multinationale
zelfstandig mkb
42 32
Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
18 10
Buitenlandse
multinational
23 23

Sterkste groei in toegevoegde waarde per werknemer bij multinationale bedrijven

Figuur 1.2.4 laat zien dat in de periode 2015–2021 de toegevoegde waarde en de uitvoer per werknemer, als benaderingen van productiviteit, bij vrijwel alle bedrijfstypen zijn toegenomen. Werkgelegenheid is altijd uitgedrukt in het aantal voltijdequivalenten (vte) van alle werkzame personen, dus inclusief zowel werknemers als zelfstandigen. Opvallend is dat multinationals in alle gevallen een hogere productiviteitsgroei realiseerden dan niet-multinationals van vergelijkbare grootte. Voor alle bedrijfstypen, met uitzondering van het niet-multinationale grootbedrijf, nam de toegevoegde waarde per werknemer sterker toe dan de uitvoer per werknemer. Bij de vergelijking van de kengetallen in 2015 en 2021 speelde de hoge inflatie in 2021 een belangrijke rol. De cijfers in figuur 1.2.4 zijn uitgedrukt in lopende (nominale) prijzen, waardoor prijseffecten aanwezig zijn en niet kunnen worden gecorrigeerd.

Vooral het Nederlandse zelfstandig mkb profiteert van multinationale eigendomsstructuren

Opvallend is dat bedrijven binnen de categorie Nederlandse multinationale zelfstandig mkb de sterkste groei realiseerden: de toegevoegde waarde per werknemer steeg met meer dan 40 procent, terwijl de uitvoer per werknemer met ruim 30 procent toenam. Ook buitenlandse multinationals lieten een aanzienlijke groei zien, met een stijging van beide indicatoren van iets meer dan 20 procent.

De categorie Nederlandse multinationale grootbedrijf kende een groei van circa 18 procent in toegevoegde waarde en 10 procent in uitvoer per werknemer tussen 2015 en 2021. Binnen de groep niet-multinationale bedrijven valt op dat grootbedrijven een relatief bescheiden groei in toegevoegde waarde (ongeveer 8 procent) combineerden met een forse toename van de uitvoer per werknemer (circa 25 procent). Het niet-multinationale zelfstandig mkb kende daarentegen een beperkte groei op beide indicatoren, waarbij de uitvoer per werknemer vrijwel stabiel bleef.

1.2.5 Groei in toegevoegde waarde per werknemer naar bedrijfstype en sector, 2015-2022 (%)
Bedrijfstype Dienstverlening, commercieel Maakindustrie
Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
16 7
Niet-multinationale
grootbedrijf
5 15
Nederlandse
multinationale
zelfstandig mkb
60 12
Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
8 37
Buitenlandse
multinational
27 15

Figuur 1.2.5 sluit aan bij de voorgaande figuur waarin zowel de toegevoegde waarde als de uitvoer per werknemer werden gepresenteerd. Waar figuur 1.2.4 een gecombineerd beeld gaf op het niveau van bedrijfstypen, biedt figuur 1.2.5 een meer gedetailleerd inzicht in de groei van de toegevoegde waarde per werknemer, uitgesplitst naar sector en bedrijfstype.

Het Nederlandse multinationale zelfstandig mkb in de commerciële dienstverlening met sterke productiviteitsgroei

De grootste groei in toegevoegde waarde per werknemer is zichtbaar bij het Nederlandse multinationale zelfstandig mkb in de commerciële dienstverlening. Deze groep realiseerde met een toename van ruim 50 procent de sterkste groei, wat wijst op een bijzonder krachtige productiviteitsverbetering binnen deze categorie. Ook de categorie Nederlandse multinationale grootbedrijf laat een aanzienlijke groei zien, met name in de maakindustrie. Buitenlandse multinationals lieten eveneens een groei zien in de toegevoegde waarde per werknemer, vooral binnen de commerciële dienstverlening. Deze toename was wel minder uitgesproken dan bij hun Nederlandse tegenhangers. Voor niet-multinationals bleef de groei over het algemeen achter, met name bij het niet-multinationale grootbedrijf en het zelfstandig mkb. Dit verschil onderstreept mogelijk het structurele voordeel dat multinationals hebben dankzij hun toegang tot internationale markten, technologieën en kapitaal (Konietzny et al., 2024).

Bij buitenlandse multinationals bestaat de helft van de toegevoegde waarde uit loon

De toegevoegde waarde in de meeste bedrijfstakken kan worden onderverdeeld in loonkosten en het bruto exploitatieoverschot.noot5 De beloning van werknemers vertegenwoordigt het directe economische belang voor werknemers, terwijl het bruto exploitatieoverschot — in dit hoofdstuk aangeduid als winsten — het deel is dat toekomt aan eigenaren en aandeelhouders.noot6 De arbeidsinkomensquote geeft aan welk deel van de toegevoegde waarde wordt uitgekeerd aan werknemers.

1.2.6 Beloningen van werknemers en winsten, naar bedrijfstype (mld euro)
categorie jaar Beloning van werknemers Winsten
Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
2021, Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
105 134
Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
2015, Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
77 90
Niet-multinationale
grootbedrijf
2021, Niet-multinationale
grootbedrijf
21 12
Niet-multinationale
grootbedrijf
2015, Niet-multinationale
grootbedrijf
18 14
Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
2021, Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
12 10
Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
2015, Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
12 9
Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
2021, Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
46 36
Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
2015, Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
42 28
Buitenlandse
multinational
2021, Buitenlandse
multinational
73 73
Buitenlandse
multinational
2015, Buitenlandse
multinational
54 54

Figuur 1.2.6 laat zien dat bij de bedrijfstypen niet-multinationale grootbedrijf en Nederlandse multinationals – zowel zelfstandig mkb als grootbedrijf – het aandeel van de toegevoegde waarde dat naar de beloning van werknemers gaat groter is dan het aandeel dat als winst overblijft. Bij het niet-multinationale zelfstandig mkb is het omgekeerde het geval, wat deels te verklaren is door het relatief grote aandeel zelfstandigen in deze categorie. Bij buitenlandse multinationals bestaat de helft van de toegevoegde waarde uit loonkosten. Dit beeld was in 2015 vergelijkbaar. Tussen 2015 en 2021 is de beloning van werknemers bij alle bedrijfstypen toegenomen. Dit geldt voor de winsten niet overal: met name bij het niet-multinationale grootbedrijf is de winst zelfs gedaald.

1.2.7 Werkgelegenheid naar bedrijfstype, 2015 versus 2021 (dzd vte)
2015 2021
Niet-multinationale zelfstandig mkb 2409 2936
Niet-multinationale grootbedrijf 367 349
Nederlandse multinationale zelfstandig mkb 213 164
Nederlandse multinationale grootbedrijf 642 601
Buitenlandse multinational 830 901

Meeste werkgelegenheid bij niet-multinationale zelfstandig mkb

Naast toegevoegde waarde genereren zowel multinationals als niet-multinationals ook werkgelegenheid, zie figuur 1.2.7. Het niet-multinationale zelfstandig mkb zorgde voor de meeste werkgelegenheid, met circa 2,9 miljoen vte. Bij de andere bedrijfstypen lag de werkgelegenheid aanzienlijk lager. Gezamenlijk hadden de drie typen multinationals een aandeel van 33 procent in de totale werkgelegenheid in de business economy. Dat is beduidend minder dan hun gezamenlijke aandeel van 48 procent in de totale toegevoegde waarde.

In de periode 2015–2021 groeide de werkgelegenheid bij het niet-multinationale zelfstandig mkb met 22 procent. Bij buitenlandse multinationals groeide de werk­gelegen­heid in deze periode met 9 procent. De werkgelegenheid bij Nederlandse multinationale grootbedrijf en bij niet-multinationale grootbedrijf nam daarentegen af, met respectievelijk 6 procent en 5 procent.

Hoogste exportwaarde bij buitenlandse multinationals

De export is goed voor ongeveer een derde van het Nederlandse bbp en de Nederlandse werkgelegenheid (Prenen et al., 2025). Dit vertaalt zich in banen, bedrijfswinsten en lonen doordat bedrijven direct exporteren of indirect, als toeleverancier van andere exporterende bedrijven die de buitenlandse markt bedienen.

1.2.8 Uitvoer van goederen en diensten, naar bedrijfstype en type export (mld euro)
categorie jaar Goederenuitvoer van Nederlandse makelij Dienstenuitvoer
Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
2021, Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
35,4 19,7
Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
2015, Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
25,7 20,1
Niet-multinationale
grootbedrijf
2021, Niet-multinationale
grootbedrijf
5,1 1,8
Niet-multinationale
grootbedrijf
2015, Niet-multinationale
grootbedrijf
4,1 2,1
Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
2021, Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
12,6 8,9
Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
2015, Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
12,6 8,9
Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
2021, Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
53,2 23,5
Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
2015, Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
45,9 28,2
Buitenlandse
multinational
2021, Buitenlandse
multinational
134,9 102,3
Buitenlandse
multinational
2015, Buitenlandse
multinational
111,3 66,7

De buitenlandse multinationals hadden duidelijk de hoogste waarde aan geëxporteerde goederen van Nederlandse makelij, met 135 miljard euro in 2021, zie figuur 1.2.8. Op afstand volgde het Nederlandse multinationale grootbedrijf met 53 miljard euro en het niet-multinationale zelfstandig mkb met 35 miljard euro. Dit beeld wijkt daarmee sterk af van de verdeling bij toegevoegde waarde en werkgelegenheid, waar juist het niet-multinationale zelfstandig mkb de grootste bijdrage leverde. Multinationals beschikken dankzij dochter- en/of moederbedrijven in het buitenland per definitie over relaties en netwerken buiten Nederland. Zo kan een Nederlandse dochter produceren voor het moederland, terwijl een Nederlandse moeder goederen betrekt van buitenlandse dochters – oftewel intra-concern handel. Dit resulteert respectievelijk in export en import. Tussen 2015 en 2021 was dan ook de export van in Nederland geproduceerde goederen bij vrijwel alle bedrijfstypen toegenomen. Alleen bij het Nederlandse multinationale zelfstandig mkb bleef de uitvoer van Nederlandse makelij ongeveer gelijk.

Net als bij de export van goederen leverden de buitenlandse multinationals ook de grootste bijdrage aan de Nederlandse dienstenexport. Ongeveer 65 procent van de dienstenuitvoer door het Nederlandse bedrijfsleven kwam voor rekening van buitenlandse multinationals. Dit was breed verdeeld over verschillende bedrijfstakken. Zij exporteerden vooral in de bedrijfstakken juridisch en managementadvies en de IT- en informatiedienstverlening, waarbij de export vooral bestond uit diensten gerelateerd aan vergoedingen voor het gebruik van intellectueel eigendom. Vergeleken met 2015 nam de dienstenuitvoer van buitenlandse multinationals toe met 53 procent. Bij andere bedrijfstypen nam de dienstenuitvoer juist af. Zo daalde de dienstenuitvoer van het Nederlandse multinationale grootbedrijf met 17 procent en die van het niet-multinationale grootbedrijf met 13 procent.

Buitenlandse multinationals rapporteerden ook de hoogste importwaarde

Om te kunnen produceren en waarde te creëren, hebben bedrijven vaak geïmporteerde goederen en diensten nodig. Sommige producten, zoals ruwe aardolie, computers en diverse voedingsmiddelen, worden immers niet of nauwelijks in Nederland geproduceerd. Andere producten zijn goedkoper of van een betere kwaliteit. Om zo efficiënt mogelijk te kunnen opereren, kopen bedrijven goederen en diensten in op zowel de binnenlandse als buitenlandse markt.

1.2.9 Invoer van goederen en diensten, naar bedrijfstype (mld euro)
categorie jaar Goedereninvoer Diensteninvoer
Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
2021, Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
24 12
Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
2015, Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
15 8
Niet-multinationale
grootbedrijf
2021, Niet-multinationale
grootbedrijf
2 1
Niet-multinationale
grootbedrijf
2015, Niet-multinationale
grootbedrijf
1 1
Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
2021, Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
6 5
Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
2015, Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
6 4
Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
2021, Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
30 16
Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
2015, Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
31 15
Buitenlandse
multinational
2021, Buitenlandse
multinational
94 69
Buitenlandse
multinational
2015, Buitenlandse
multinational
72 56

Als het gaat om de import van goederen, legden de buitenlandse multinationals opnieuw het grootste gewicht in de schaal, met een importwaarde van bijna 94 miljard euro, zie figuur 1.2.9. Het Nederlandse multinationale grootbedrijf en het niet-multinationale zelfstandig mkb volgden met respectievelijk 30 miljard en 24 miljard euro. Bij de import van diensten was het verschil tussen de buitenlandse multinationals en de andere bedrijfsgroepen nog groter. De buitenlandse multinationals waren verantwoordelijk voor twee derde van de Nederlandse dienstenimport door bedrijven in de business economy. De import door buitenlandse multinationals was verspreid over een breed scala aan bedrijfstakken. Zo zorgde de groothandel bijvoorbeeld voor 12 miljard euro aan diensten­import en bedrijven actief in juridisch en managementadvies voor 11 miljard euro.

1.3Effecten in de waardeketen

In deze paragraaf worden de wederzijdse afhankelijkheden tussen verschillende bedrijfstypen binnen de nationale waardeketen onderzocht, met een focus op productie, exportverdiensten en werkgelegenheid die aan de export is verbonden. Zowel de directe als indirecte afhankelijkheden worden gekwantificeerd, bijvoorbeeld om inzichtelijk te maken hoeveel verdiensten een bedrijfsgroep genereert via productie die uiteindelijk door een andere bedrijfsgroep wordt ingezet voor binnenlandse bestedingen (consumptie in Nederland) of export. Een concreet voorbeeld hiervan zijn de (indirecte) exportverdiensten van zelfstandig mkb’ers, die via toelevering voortkomen uit productie voor de export door buitenlandse multinationals.

Het uitgangspunt is dat een toeleverend bedrijf, bijvoorbeeld een zelfstandig mkb’er, afhankelijk is van een afnemend bedrijf, zoals een buitenlandse multinational, om de eindconsument te bereiken. Tegelijkertijd heeft het afnemende bedrijf het toeleverende bedrijf nodig om hoogwaardige goederen en diensten tegen een concurrerende prijs te verkrijgen — een cruciale factor voor het behoud van concurrentievermogen (Onat et al., 2018). Hierdoor profiteren beide bedrijfsgroepen van hun samenwerking.

1.3.1 Import content of exports als aandeel van totale export, naar type bedrijf (%)
Bedrijfstype jaar Direct Indirect via toeleveranciers
Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
2021, Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
12,5 9,2
Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
2015, Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
12,0 8,4
Niet-multinationale
grootbedrijf
2021, Niet-multinationale
grootbedrijf
8,3 8,9
Niet-multinationale
grootbedrijf
2015, Niet-multinationale
grootbedrijf
5,0 5,6
Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
2021, Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
24,6 8,9
Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
2015, Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
22,6 9,3
Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
2021, Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
27,3 10,0
Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
2015, Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
30,3 9,5
Buitenlandse
multinational
2021, Buitenlandse
multinational
42,7 7,8
Buitenlandse
multinational
2015, Buitenlandse
multinational
45,5 6,7
50% van de uitvoerwaarde van buitenlandse multinationals is afkomstig van buitenlandse toeleveranciers

Vooral buitenlandse multinationals sterk geïntegreerd in mondiale waardeketens

We beginnen in figuur 1.3.1 met het aandeel van geïmporteerde goederen en diensten in de totale export per bedrijfsgroep. De figuur toont een specifieke dimensie van export­prestaties: het importgehalte van de uitvoer, oftewel de import content of exports. Deze maatstaf, die op basis van plausibele aannames wordt berekend (Bohn et al., 2024), geeft inzicht in de mate waarin bedrijven buitenlandse inputs gebruiken voor hun exportproducten en laat daarmee zien hoe internationaal verweven hun productieprocessen zijn. De figuur toont de percentages voor verschillende bedrijfstypen in zowel 2015 als 2021, met onderscheid tussen directe importcontent en indirecte importcontent die via toeleveranciers aan de export wordt toegevoegd.

De hoogste importaandelen zijn te vinden bij buitenlandse multinationals, met een totaal aandeel van circa 50 procent in zowel 2015 als 2021. Deze bedrijven zijn sterk verweven met mondiale waardeketens en maken intensief gebruik van buitenlandse toeleveranciers. Hun aandeel lag aanzienlijk hoger dan dat van de op één na hoogste groep: het Nederlandse multinationale grootbedrijf, met een direct importaandeel van ongeveer 37 procent in 2021. Daarna volgde het multinationale zelfstandig mkb en het niet-multinationale zelfstandig mkb met een aandeel van circa 33 en 21 procent. Opvallend is dat het importaandeel bij alle bedrijfstypen tussen 2015 en 2021 vrij stabiel is gebleven, met slechts beperkte schommelingen. Figuur 1.3.1 laat bovendien zien dat het aandeel indirecte importcontent, dat via toeleveranciers bijgedragen wordt, per bedrijfstype weinig verschilt en doorgaans tussen de 5 en 10 procent ligt. Een mogelijke verklaring voor de vergelijkbare indirecte importcontent is dat toeleveranciers vaak diensten leveren en dat het vaker om het zelfstandig mkb gaat, dat zelf relatief weinig importeert. Bovendien is de afhankelijkheid van deze toeleveranciers vergelijkbaar tussen verschillende typen bedrijven.

Importaandeel in de uitvoer van het niet-multinationale zelfstandig mkb onveranderd laag

Bij het Nederlandse niet-multinationale zelfstandig mkb bleef het importaandeel relatief laag en bleef dit over de tijd vrijwel onveranderd. Dit duidt erop dat deze bedrijven relatief veel waarde lokaal toevoegen of gebruikmaken van binnenlandse toeleveranciers.

1.3.2 Productie voor binnenland en export, 2021
Binnenlandse bestedingen (direct) Binnenlandse bestedingen (indirect) Export (direct) Export (indirect)
Niet-multinationale zelfstandig mkb 146821 150028 72993 95061
Niet-multinationale grootbedrijf 30009 18641 8341 13247
Nederlandse multinationale zelfstandig mkb 8140 10112 24739 8706
Nederlandse multinationale grootbedrijf 48181 42224 81972 35109
Buitenlandse multinational 55917 56004 256373 58597
Totaal 289068 277009 444418 210720

Binnenlandse multinationals leveren voornamelijk direct, niet-multinationals voornamelijk indirect aan het buitenland

Figuur 1.3.2 maakt onderscheid tussen vijf verschillende bedrijfstypen, waarbij wordt gekeken naar welke groepen zich voornamelijk op het binnenland richten en welke meer op de export. Daarnaast laat de figuur zien via welke kanalen de productie van deze bedrijfsgroepen binnenlandse en buitenlandse markten bereikt: direct of indirect door leveringen aan (andere) bedrijfsgroepen. In 2021 ging van het Nederlandse bedrijfsleven 46 procent van de productie naar de binnenlandse markt, terwijl 54 procent bestemd was voor export. De multinationalstatus van een bedrijf lijkt hierbij bepalender te zijn dan de bedrijfsgrootte in de manier waarop bedrijven buitenlandse markten bereiken. Bij multi­nationals was een groter deel van de productie uiteindelijk bestemd voor het buitenland (68 procent), met het hoogste aandeel bij buitenlandse multinationals. Daarentegen ging slechts 35 procent van de productie van niet-multinationals naar het buitenland.

Binnen de groep multinationals werd de productie voor buitenlandse afnemers vooral direct geleverd – dat is hun bruto exportwaarde – terwijl productie voor Nederlandse eindconsumenten in ongeveer gelijke mate zowel direct als indirect wordt geleverd. Het hoogste percentage van directe afzet – binnenlandse plus buitenlandse samen – was te vinden bij buitenlandse multinationals (74 procent), gevolgd door het Nederlandse multinationale zelfstandig mkb (64 procent) en het Nederlandse multinationale grootbedrijf (63 procent). Dit geeft een indicatie van hun plaats downstream in de waardeketens – dat wil zeggen activiteiten dichter bij de eindconsument of afnemers in het buitenland, zoals distributie, verkoop of after-sales services. Bij niet-multinationals was de situatie anders: hun productie was vooral gericht op de binnenlandse markt, en de beperkte productie die bestemd was voor export verloopt grotendeels indirect via andere bedrijven. Ter vergelijking laten Statistics Denmark en OESO (2017) zien dat zelfstandige mkb-bedrijven in Scandinavië juist meer toegevoegde waarde halen uit indirecte export dan uit directe export. In Nederland geldt dit, wat productie betreft, alleen voor niet-multinationale zelfstandige mkb-bedrijven.

1.3.3 Bruto export en toegevoegde waarde: aandelen naar bedrijfstype, 2021 (%)
Bedrijfstype Niet-multinationale zelfstandig mkb Niet-multinationale grootbedrijf Nederlandse multinationale zelfstandig mkb Nederlandse multinationale grootbedrijf Buitenlandse multinational Overig
Uitvoer 15,4 1,8 5,2 17,4 54,3 5,9
Verdiensten
door directe
uitvoer
19,6 2,2 5,5 17 46,4 9,3

Buitenlandse multinationals exporteren het meest, maar verdienen relatief minder per euro export

Figuur 1.3.3 brengt in kaart hoe de bruto export en de bijbehorende verdiensten uit directe uitvoer verdeeld zijn over verschillende bedrijfstypen. Waar eerdere figuren vooral de groei in toegevoegde waarde of het aandeel van buitenlandse inputs belichtten, laat deze visualisatie zien welke bedrijfsgroepen verantwoordelijk zijn voor het grootste deel van de export en de bijbehorende verdiensten.

Buitenlandse multinationals namen het grootste aandeel in de bruto export voor hun rekening. Hun bijdrage was duidelijk groter dan die van alle andere bedrijfstypen. Wanneer echter naar de verdiensten uit directe uitvoer wordt gekeken, nam hun relatieve aandeel af. Dit verschil geeft aan dat buitenlandse multinationals weliswaar veel exporteerden, maar dat hun export minder bijdroeg aan de Nederlandse toegevoegde waarde. Dit sluit aan bij de bevinding uit figuur 1.3.1 dat multinationale bedrijven een aanzienlijk deel van hun waardeketen in het buitenland hebben, waardoor minder waarde in Nederland wordt gecreëerd.

Nederlandse multinationals halen relatief veel verdiensten uit hun export

De categorie Nederlandse multinationale grootbedrijf was goed voor een aanzienlijk deel van zowel de export als de bijbehorende verdiensten. Opvallend is dat hun aandeel in de verdiensten zelfs iets groter was dan hun aandeel in de bruto export. Dit suggereert dat zij relatief meer toegevoegde waarde per euro export realiseerden dan buitenlandse multinationals. Ook het kleine aandeel van Nederlandse multinationale zelfstandig mkb laat een vergelijkbaar patroon zien: hun aandeel in de verdiensten lag iets hoger dan in de bruto export.

Relatief veel binnenlandse waardecreatie bij niet-multinationals

Bij het niet-multinationale zelfstandig mkb is sprake van een duidelijke verschuiving: hun aandeel in de verdiensten uit directe uitvoer was groter dan hun aandeel in de bruto export. Dit wijst erop dat deze bedrijven relatief weinig geïmporteerde buitenlandse inputs gebruiken en meer waarde binnen Nederland toevoegen. Voor de groep niet-multinationale grootbedrijf gold dit in iets mindere mate: hun bijdrage aan de verdiensten is slechts beperkt hoger dan hun aandeel in de export.

1.3.4 Exportverdiensten, direct of door toeleveringen aan exporterende bedrijven, 2021 (mld euro)
Bedrijf Dankzij direct Dankzij niet-multinationale zelfstandig mkb Dankzij niet-multinationale grootbedrijf Dankzij Nederlandse multinationale zelfstandig mkb Dankzij Nederlandse multinationale grootbedrijf Dankzij buitenlandse multinational Dankzij overig
Niet-multinationale
zelfstandig
mkb
35,566 10,334 1,059 3,137 10,33 22,261 2,022
Niet-multinationale
grootbedrijf
4,521 1,501 0,182 0,451 1,416 3,426 0,386
Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
9,854 0,783 0,08 0,25 0,828 1,875 0,14
Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
28,698 2,853 0,297 0,911 3,143 6,474 0,634
Buitenlandse
multinational
77,77 3,942 0,494 1,169 3,904 10,433 0,762

Bij niet-multinationals zijn indirecte exportverdiensten groter dan directe verdiensten

We richten ons nu specifiek op de export vanuit het perspectief van toeleveranciers van exporterende bedrijven. Daarbij onderzoeken we hoeveel verdiensten en werkgelegenheid direct via eigen export ontstaan en hoeveel indirect, via de export van de verschillende afnemende bedrijfsgroepen waaraan geleverd wordt. Figuur 1.3.4 toont de export­verdiensten, verdeeld over dezelfde bedrijfsgroepen als eerder.

Bij alle bedrijfsgroepen vormde de directe export het belangrijkste afzonderlijke kanaal. Bij multinationals bedroeg dit zelfs bijna driekwart (74,9 procent) van de totale verdiensten, terwijl dit bij niet-multinationals minder dan de helft was (41,5 procent). Bij niet-multinationals zijn de totale indirecte exportverdiensten – de gezamenlijke bijdrage door leveringen aan alle afnemende bedrijfsgroepen – dus groter dan de verdiensten uit directe export. De groep buitenlandse multinationals – zie het paarse segment in de figuur – speelt de grootste rol als kanaal waardoor toeleveranciers van elke bedrijfsgroep in 2021 indirect exportverdiensten realiseerden, gevolgd door de export van Nederlandse multinationals en van niet-multinationale zelfstandige mkb-bedrijven.

1.3.5 Werkgelegenheid dankzij export, direct of door toeleveringen aan exporterende bedrijven, 2021 (dzd vte)
Bedrijf Dankzij direct Dankzij niet-multinationale zelfstandig mkb Dankzij niet-multinationale grootbedrijf Dankzij Nederlandse multinationale zelfstandig mkb Dankzij Nederlandse multinationale grootbedrijf Dankzij buitenlandse multinational Dankzij overig
Niet-multinationale
zelfstandig mkb
329 133 14 41 136 279 26
Niet-multinationale
grootbedrijf
27 14 2 4 14 29 4
Nederlandse
multinationale
zelfstandig
mkb
75 5 0 2 6 12 1
Nederlandse
multinationale
grootbedrijf
175 22 2 7 23 47 4
Buitenlandse
multinational
428 26 3 8 27 61 5

Niet-multinationals creëren gemiddeld meer banen via export dan multinationals

Vanuit het perspectief van werkgelegenheid – in plaats van verdiensten dankzij de export – ontstaat een ander beeld, zie figuur 1.3.5. Multinationals – zowel Nederlandse als buitenlandse – waren verantwoordelijk voor een veel kleiner aandeel van de totale export-gerelateerde werkgelegenheid (47,2 procent) dan van de exportverdiensten (61,7 procent). Niet-multinationals daarentegen creëerden juist een groter aandeel van de werk­gelegen­heid (52,8 procent) dan van de verdiensten (38,3 procent). Dit verschil kwam vooral doordat het aandeel banen dat indirect betrokken was bij de export relatief groter was dan het aandeel van de exportverdiensten die hierdoor indirect werden gegenereerd. Dit hangt samen met de verschillende typen bedrijfstakken die betrokken zijn en het feit dat niet-exporteurs gemiddeld lagere lonen betalen dan exporteurs. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn dat multinationals productiever zijn dan niet-multinationals, zowel binnen dezelfde bedrijfstak als omdat zij vaker actief zijn in hoogproductieve bedrijfstakken.

1.3.6 Exportverdiensten, direct voor exporterende bedrijven of voor toeleverende bedrijven, 2021 (mld euro)
Voor de exporteur zelf Voor toeleverende
niet-multinationale zelfstandig mkb
Voor toeleverende
niet-multinationale grootbedrijf
Voor toeleverende
Nederlandse multinationale zelfstandig mkb
Voor toeleverende
Nederlandse multinationale grootbedrijf
Voor toeleverende
buitenlandse multinational
Voor toeleverende
overig
Niet-multinationale zelfstandig mkb 35,57 10,33 1,5 0,78 2,85 3,94 2,18
Niet-multinationale grootbedrijf 4,52 1,06 0,18 0,08 0,3 0,49 0,27
Nederlandse multinationale zelfstandig mkb 9,85 3,14 0,45 0,25 0,91 1,17 0,67
Nederlandse multinationale grootbedrijf 28,7 10,33 1,42 0,83 3,14 3,9 3,03
Buitenlandse multinational 77,77 22,26 3,43 1,88 6,47 10,43 4,55

Export van buitenlandse multinationals genereert grootste verdiensten, vooral bij niet-multinationals in de keten

We kijken nu vanuit het perspectief van de verdiensten die samenhangen met export door de exporteur – figuur 1.3.6 – in plaats van die van de toeleveranciers – figuur 1.3.4. Een expor­teur genereert eigen verdiensten dankzij de export, maar deze export creëert ook verdiensten in de toeleveringsketen, zoals blijkt uit het belang van indirecte verdiensten in figuur 1.3.4. Denk bijvoorbeeld aan een grootbedrijf dat inkomen verdient aan de export van de eigen appelproductie. De directe exportverdiensten zijn vanuit het perspectief van zowel de exporteur als de toeleverancier gelijk. Maar de export door de appelexporteur kan ook verdiensten creëren bij bijvoorbeeld accountingdiensten, die neerslaan bij toeleveranciers uit het zelfstandig mkb. In dat geval worden deze verdiensten toegerekend aan het grootbedrijf, en niet aan die van het zelfstandig mkb, zoals in figuur 1.3.4.

Uit figuur 1.3.6 blijkt dat de exportverdiensten gerelateerd aan de exportwaarde van multinationals, ter waarde van 195 miljard euro, in 2021 drie keer zoveel bijdroegen aan de Nederlandse economie als de export van niet-multinationals, die 64,1 miljard euro bedroeg. Hiervan was de bijdrage van de export door buitenlandse multinationals – met 126,8 miljard euro – al bijna twee keer zo groot als die van alle niet-multinationals samen. Het grootste deel van dit bedrag kwam terecht bij niet-multinationals – vooral zelfstandige mkb-bedrijven – en de categorie ‘overig’: ongeveer 30,2 miljard euro van de 48,8 miljard euro aan indirecte verdiensten dankzij de export van buitenlandse multinationals. Dit patroon, waarbij de meeste indirecte verdiensten dankzij de export naar niet-multinationals gingen, zien we ook terug bij de export door de andere bedrijfsgroepen, en wel in ongeveer gelijke mate.

Extra verdiensten en banen in de keten per euro verdiend via directe export

Zoals we in de vorige figuur zagen, genereert een exporteur zowel eigen verdiensten dankzij de export als ook verdiensten in de toeleveringsketen. Om een volledig beeld te krijgen, onderzoeken we nu systematischer welke exporteurs relatief veel verdiensten eerder in de keten genereren, in verhouding tot hun eigen verdiensten uit de export. Om dit te meten, kijken we in tabel 1.3.7 naar de verdiensten die elders in de Nederlandse economie worden gegenereerd per euro (of eenheid) verdiensten die bij de exporteur terechtkomen, ook wel het zogenaamde multipliereffect. Bijvoorbeeld, een multipliereffect van 1,0 betekent dat voor elke euro binnenlandse verdiensten uit hun export van een bedrijf – rekening houdend met de import content – er nog eens één euro aan binnenlandse verdiensten elders in de keten wordt gegenereerd. Dit komt overeen met de verhouding tussen alle niet-lichtblauwe segmenten per balk in figuur 1.3.6 (verdiensten in de toeleveringsketen) gedeeld door het lichtblauwe segment van dezelfde balk (verdiensten bij de exporteur). Dit effect wordt in tabel 1.3.7 verder uitgesplitst naar exporterende sector, en is weergegeven voor zowel exportverdiensten als werkgelegenheid.

1 euro eigen verdiensten door de export van Nederlandse multinationals leverde in 2021 de hoogste bijdrage aan verdiensten en banen in de toeleverings­keten: 79 cent en 1,34 vte

Multinationals genereren gemiddeld meer verdiensten en banen in de toeleveringsketen dan niet-multinationals

Uit tabel 1.3.7 blijkt direct dat de export van multinationals relatief meer bijdraagt aan zowel de verdiensten als de werkgelegenheid in de toeleveringsketen dan de export van niet-multinationals. De export van het Nederlandse multinationale grootbedrijf leverde in 2021 per euro eigen verdiensten en per vte de grootste bijdrage in de keten: respectievelijk 79 cent aan verdiensten en 1,34 vte aan werkgelegenheid dankzij de export. Daarentegen droeg de export van niet-multinationale grootbedrijven het minst bij aan de verdiensten in de keten, met slechts 53 cent per euro eigen verdiensten. Wat werkgelegenheid betreft, was het de export van de niet-multinationale zelfstandige mkb-bedrijven die de laagste bijdrage leverde, met 0,67 vte per eigen vte door de export.

Aan de ene kant is dit patroon logisch, omdat multinationals vaak langere en uitgebreidere toeleveringsketens hebben dan niet-multinationals. Aan de andere kant is het ook opvallend, aangezien buitenlandse multinationals – zoals we al in figuur 1.3.1 zagen – een aanzienlijk groter deel van hun exportwaarde behalen met geïmporteerde inputs en minder verdienen per euro directe export dan andere bedrijfsgroepen. Dit betekent dat zij een groter deel van hun exportwaarde genereren met geïmporteerde goederen en diensten, wat minder direct bijdraagt aan de Nederlandse economie. Toch is de export van multinationals, ondanks deze hoge waarde van geïmporteerde inputs, van groot belang voor de Nederlandse economie. Dit komt doordat zij gemiddeld de grootste bijdrage leveren aan de verdiensten van andere bedrijfsgroepen binnen het land, dankzij hun uitgebreide upstream-leveranciersnetwerken waarin veel waarde wordt gecreëerd. Deze bevinding sluit aan bij onderzoek van Statistics Denmark en OESO (2017) voor grootbedrijven. Een mogelijke verklaring is dat multinationals, net als grote bedrijven, zich lokaal vooral richten op hun kernactiviteiten en vaak downstream in de keten actief zijn, maar tegelijkertijd meerdere delen van de waardeketen integreren. Niet-multinationals en kleinere bedrijven besteden minder vaak delen van hun productie of ondersteunende bedrijfsprocessen uit en doen meer in-house, wat resulteert in een lager multipliereffect.

Extra verdiensten in de keten verschillen sterk per bedrijfstak

Daarnaast bepaalt de bedrijfstak waarin een exporteur actief is – onafhankelijk van het bedrijfstype – in belangrijke mate de verdiensten elders in de keten. De extra verdiensten in de keten per euro eigen verdiensten zijn het grootst bij de export vanuit de bouw en industrie, en juist het kleinst bij de dienstensectoren. Een nadere analyse laat bovendien zien dat de rangorde van bedrijfstypen per bedrijfstak afwijkt van het totaalbeeld. Zo genereerden in 2021 buitenlandse multinationals die actief zijn in de informatie en communicatie (ICT-diensten) per euro eigen verdiensten aanzienlijk meer verdiensten in de keten dan Nederlandse multinationals. In de verhuur en handel van onroerend goed en de zakelijke dienstverlening is dit patroon omgekeerd: daar creëerden Nederlandse multinationals juist veel meer verdiensten in de keten dan hun buitenlandse tegenhangers.

Multipliereffect op banen groter dan op verdiensten, vooral bij multinationals

Wanneer we dieper ingaan op de werkgelegenheid, blijkt dat het multipliereffect in 2021 vrijwel altijd (veel) groter was dan bij de exportverdiensten. Dit geldt voor alle combinaties van bedrijfsgroepen en bedrijfstakken in de tabel, behalve voor de bouw – met uitzondering van buitenlandse multinationals – en voor niet-multinationale zelfstandige mkb-bedrijven in de zakelijke dienstverlening. In de meeste gevallen resulteerde elke eenheid extra vte bij de exporteur in méér dan één vte bij upstream-toeleveranciers. Dit komt overeen met de bevindingen in de figuren 1.3.4 en 1.3.5. Dit impliceert dat de verdiensten per vte bij de toeleveranciers gemiddeld lager waren dan bij de exporteur zelf. Dit kan worden verklaard doordat exporteurs – met name multinationals – vaker actief zijn in productiegerichte bedrijfstakken en overige werkzaamheden uitbesteden. Vanwege hun focus op kernactiviteiten hebben zij daardoor relatief meer upstream-banen nodig, bijvoorbeeld in de dienstverlening. Deze banen worden mogelijk minder goed betaald of leveren een lagere extra winst voor de toeleveranciers op. Ook de verdelingen tussen bedrijfsgroepen wat betreft het aantal vte zijn groter dan bij de verdiensten. Net als bij de verdiensten creëerden Nederlandse multinationals in 2021 meer indirecte banen per euro export dan buitenlandse multinationals, maar het verschil tussen multinationals en niet-multinationals was groter dan bij de verdiensten.

1.3.7Multiplier effecten, bedrijfstakken, 2021
Totaal Industrie Bouw Handel, vervoer en horeca ICT-diensten Verhuur en handel van onroerend goed Zakelijke dienstverlening
Exportverdiensten
Niet-multinationale zelfstandig mkb 0,61 0,83 1,10 0,46 0,53 0,10 0,93
Niet-multinationale grootbedrijf 0,53 0,57 1,52 0,44 0,37 1,28 0,63
NL multinationale zelfstandig mkb 0,67 0,97 1,01 0,48 0,33 0,86 0,74
NL multinationale grootbedrijf 0,79 0,81 1,77 0,55 0,54 1,03 1,34
Buitenlandse multinational 0,63 0,89 1,46 0,44 0,88 0,13 0,27
Voltijdbanen
Niet-multinationale zelfstandig mkb 0,67 0,93 0,92 0,56 0,47 0,53 0,68
Niet-multinationale grootbedrijf 0,85 1,64 2,01 0,52 0,45 8,07 0,63
NL multinationale zelfstandig mkb 0,90 1,11 1,25 0,77 0,41 3,51 0,92
NL multinationale grootbedrijf 1,34 1,90 2,14 0,65 0,87 2,79 1,73
Buitenlandse multinational 1,09 1,42 1,16 0,80 1,64 1,60 0,62

Multinationals genereerden 108 miljard euro voor toeleveringsketen in 2021

Als het gaat om de totale waarde die multinationals bijdragen aan de Nederlandse economie via hun toeleveringsketen in Nederland, genereerden buitenlandse en Nederlandse multinationals samen 78 miljard euro aan exportverdiensten. Daarbovenop verdienden bedrijven in hun toeleveringsketen nog eens 30 miljard euro aan verdiensten via de binnenlandse verkoop van multinationals. Samen leverde de finale afzet van multinationals – via export of binnenlandse verkoop – in 2021 dus 108 miljard euro op voor toeleverende bedrijven.

Wat betreft werkgelegenheid zorgde de finale afzet van multinationals in 2021 voor 1,1 miljoen vte’s in de toeleveringsketen: 770 duizend vte’s door export en 314 duizend vte’s door binnenlandse bestedingen. Buitenlandse multinationals leverden daarbij de grootste bijdrage, zowel aan verdiensten (61 miljard euro; 12 miljard via binnenlandse afzet en 49 miljard via export) als aan werkgelegenheid (586 duizend vte’s; 119 duizend via binnenlandse afzet en 467 duizend vte’s via export).

1.3.8 Indirecte verdiensten in de toeleveringsketen dankzij de afzet van buitenlandse multinationals, 2021 (mld euro)
Bedrijf B-E Nijverheid (geen bouw) en energie F Bouwnijverheid G-I Handel, vervoer en horeca J Informatie en communicatie L Verhuur en handel van onroerend goed M-N Zakelijke dienstverlening
Voor export 10,28 0,90 11,59 4,94 2,14 14,60
Voor binnenlandse bestedingen 1,83 0,51 2,41 1,27 0,99 3,76

Export van buitenlandse multinationals levert vooral extra verdiensten aan dienstensectoren

Figuur 1.3.8 geeft een meer gedetailleerde uitsplitsing van de exportverdiensten van buitenlandse multinationals dan figuur 1.3.6 (zie de laatste balk), en toont ook hun verdiensten uit binnenlandse afzet. Dit is relevant omdat buitenlandse multinationals in 2021 de meeste upstream-verdiensten genereerden en volgens tabel 1.3.7 relatief veel extra verdiensten in de keten opleverden, namelijk 63 cent per euro eigen verdiensten. Voor de leesbaarheid en omdat de eigen verdiensten verreweg het grootste aandeel vormen, zijn de directe verdiensten uit de afzet van buitenlandse multinationals in deze figuur weggelaten. Het gaat hier uitsluitend om verdiensten in de toeleveringsketen voor de finale afzet van buitenlandse multinationals. Dit omvat ook buitenlandse multinationals die zelf, als toeleveranciers, optreden voor andere exporterende buitenlandse multinationals.

De figuur toont bij welke toeleverende bedrijfstakken binnen het Nederlandse bedrijfsleven deze indirecte verdiensten terechtkomen. Het betreft dezelfde bedrijven als in figuur 1.3.6, alleen ingedeeld naar bedrijfstak. Vooral dienstverlenende bedrijfstakken profiteerden; ongeveer 81 procent van deze verdiensten in de toeleveringsketen kwam voort dankzij de export. Een vergelijkbare figuur voor werkgelegenheid zou laten zien dat dienstensectoren daar een relatief nog groter aandeel voor hun rekening namen.

1.3.9 Werkgelegenheid dankzij industriële export van grootbedrijf, 2021 (dzd vte)
Bedrijf B-E Nijverheid (geen bouw) en energie F Bouwnijverheid G-I Handel, vervoer en horeca J Informatie en communicatie L Verhuur en handel van onroerend goed M-N Zakelijke dienstverlening
Indirect in het
bedrijfsleven
79,38 8,24 87,34 13,51 1,68 147,53
Bij het
exporterend
grootbedrijf zelf
241,92 0 0 0 0 0

Minder zichtbare afhankelijkheden: de belangrijke rol van het zelfstandig mkb en dienstverlening in de industriële export van grootbedrijven

Figuur 1.3.9 laat de werkgelegenheid zien die samenhangt met de industriële export van grote bedrijven, uitgesplitst naar bedrijfstak. Net als in de vorige figuur worden in de eerste balk alle toeleverende bedrijfstypen samengenomen, ditmaal voor het aantal banen dat met de export gemoeid is. De term ‘grootbedrijf’ in figuur 1.3.9 omvat, naast grote Nederlandse multinationals en grote niet-multinationals, ook alle buitenlandse multinationals.noot7

Opvallend is dat er in 2021 meer werkgelegenheid werd gecreëerd bij de toeleveranciers dan bij de exporterende grootbedrijven zelf (zie de tweede balk). Met name de aanzienlijke rol van dienstentoeleveranciers, vooral binnen de zakelijke dienstverlening, springt in het oog. In feite werden er meer banen gecreëerd in de toeleverende dienstensectoren die gerelateerd zijn aan de industriële export van grootbedrijven (258 duizend vte’s) dan bij de

exporteurs zelf (242 duizend vte’s). Van deze banen komt het grootste aandeel, 147 duizend vte’s, voor rekening van de zakelijke dienstverlening. Ook blijkt dat zelfstandige mkb-bedrijven bijna evenveel vte’s leverden aan deze industriële export als de exporterende grootbedrijven zelf.

Twee belangrijke inzichten

Deze cijfers leveren twee belangrijke inzichten op. Ten eerste benadrukken ze de sterke indirecte afhankelijkheid van grote industriële exporteurs – en daarmee van buitenlandse afnemers – van het zelfstandig mkb in de dienstensector. Dit sluit aan bij de verdeling van verdiensten bij buitenlandse multinationals, zoals weergegeven in figuur 1.3.9. Ten tweede benadrukt de uitsplitsing naar bedrijfstakken het cruciale belang van de binnenlandse dienstverlening aan de industrie en de industriële export, ook wel ‘diensten in dozen’ genoemd (Bohn et al., 2022). Daaronder vallen onder meer logistieke, vervoers-, boekhoudkundige en juridische diensten, die essentieel zijn voor de verwerkende industrie.

In bruto exportcijfers wordt de volledige exportwaarde toegeschreven aan de industrie, ook de inputs van toeleveranciers die door een grootbedrijf worden verwerkt en geëxporteerd. Daardoor blijft de indirecte bijdrage van diensten onderbelicht, terwijl deze in werkelijkheid veel belangrijker blijkt dan traditionele handelscijfers doen vermoeden. Bohn et al. (2022) onderzochten dit eerder; hun studie laat zien dat de bijdrage van diensten nauwkeuriger zichtbaar wordt door verder te onderscheiden naar directe en indirecte afhankelijkheden, terwijl de huidige studie dit verder uitsplitst naar bedrijfstypen. Dit inzicht is van belang om beter in te schatten welke bedrijfstakken en bedrijfstypen kwetsbaar zijn voor handelspolitiek, zoals invoerheffingen op goederen als staal, of door andere externe schokken.

1.4Samenvatting en conclusie

In 2022 bestond 98,2 procent van de bedrijven in het Nederlandse bedrijfsleven uit niet-multinationale zelfstandige mkb-bedrijven. Het merendeel waren zzp-bedrijven. Het totaal aantal bedrijven groeide tussen 2015 en 2022 vooral door een toename van zzp’ers. Het aantal buitenlandse multinationals nam toe, terwijl het aantal Nederlandse multinationals juist afnam. Die daling kwam vooral door minder Nederlandse multinationals met minder dan 100 werknemers. Het aantal Nederlandse multinationals met meer dan 100 werkzame personen groeide wel.

Niet-multinationale bedrijven waren in 2021 samen goed voor 52 procent van de totale toegevoegde waarde in de business economy. Buitenlandse multinationals waren verantwoordelijk voor 28 procent, terwijl Nederlandse multinationale bedrijven 20 procent van de toegevoegde waarde leverden. Daarmee waren multinationals als geheel met 48 procent goed voor bijna de helft van de toegevoegde waarde in het Nederlandse bedrijfsleven. Bij het niet-multinationale grootbedrijf en Nederlandse multinationals (zowel zelfstandig mkb als grootbedrijf) was het aandeel van de toegevoegde waarde dat naar de beloning van werknemers gaat groter dan het aandeel winst. Bij het niet-multinationale zelfstandig mkb lag dit juist andersom, wat deels te verklaren is door het relatief grote aandeel zzp-bedrijven in deze categorie. Bij buitenlandse multinationals bestaat ongeveer de helft van de toegevoegde waarde uit loonkosten.

Binnen de categorie buitenlandse multinational had de bedrijfstak informatie en communicatie een relatief groot aandeel van de toegevoegde waarde in 2021. De bouw had juist een kleiner aandeel. Het Nederlandse multinationale grootbedrijf had een groter aandeel in de industrie dan andere bedrijfstypen. Het Nederlandse multinationale zelfstandig mkb had daarentegen het grootste aandeel van handel, vervoer en horeca. Bij het niet-multinationale zelfstandig mkb was de bouw de bedrijfstak met het grootste aandeel.

Tussen 2015 en 2021 realiseerden vooral Nederlandse multinationale zelfstandig mkb-bedrijven een sterke groei in toegevoegde waarde en uitvoer per werknemer. Ook buitenlandse multinationals lieten aanzienlijke groei zien, vooral in de commerciële dienstverlening. Niet-multinationals, met name het niet-multinationale zelfstandig mkb, bleven hierin achter. Dit benadrukt het belang van internationale netwerken, schaalvoordelen en toegang tot technologie voor productiviteitsgroei.

Het niet-multinationale zelfstandig mkb zorgde in 2021 met circa 2,9 miljoen vte’s voor de meeste werkgelegenheid in de business economy. Bij de andere bedrijfstypen lag de werkgelegenheid aanzienlijk lager. Gezamenlijk hebben de drie typen multinationals een aandeel van 33 procent in de totale werkgelegenheid in het Nederlandse bedrijfsleven, wat beduidend lager is dan hun gezamenlijke aandeel van 48 procent in de toegevoegde waarde.

In 2021 exporteerden buitenlandse multinationals 56 procent van de in Nederland geproduceerde goederen binnen de business economy. Dit wijkt af van het beeld bij toegevoegde waarde en werkgelegenheid, waar juist het niet-multinationale zelfstandig mkb de grootste bijdrage leverden. Tussen 2015 en 2021 steeg de export van in Nederland geproduceerde goederen bij vrijwel alle bedrijfstakken, behalve bij het Nederlandse multinationale zelfstandig mkb, waar de uitvoer nagenoeg gelijk bleef. Ook bij de dienstenexport domineerden buitenlandse multinationals met een aandeel van 65 procent. Daarnaast waren buitenlandse multinationals in 2021 ook verantwoordelijk voor 60 procent van de invoer van goederen en 67 procent van de invoer van diensten.

Vanuit een waardeketenperspectief richten multinationals zich gemiddeld ook meer op export; 68 procent van hun productie ging in 2021 naar buitenlandse markten, tegenover 35 procent bij niet-multinationals. De overige productie is bestemd voor binnenlandse afnemers. Daarnaast leverden multinationals hun productie vooral direct aan buitenlandse markten, terwijl niet-multinationals voornamelijk indirect aan het buitenland leverden. Dit verschil in leveringswijze wijst erop dat multinationals dichter bij de eindconsument in de waardeketen staan.

Wat betreft de bruto exportvolumes waren buitenlandse multinationals dominant, maar zij genereerden met deze uitvoer relatief minder binnenlandse verdiensten dan Nederlandse multinationals of niet-multinationals. Deze laatste bedrijfstypen creëerden relatief meer waarde in Nederland, mede doordat zij minder afhankelijk zijn van ingevoerde inputs. Daarnaast toont de analyse van exportverdiensten aan dat indirecte export – via leveringen aan bedrijven die uiteindelijk exporteren – een belangrijk kanaal is, vooral voor het zelfstandig mkb. Daardoor profiteren ook kleinere, niet-exporterende bedrijven van de internationale activiteiten van multinationals.

Buitenlandse multinationals waren in 2021 het sterkst verweven met internationale waardeketens en hadden een hoog aandeel geïmporteerde inputs in hun finale afzet. Bij niet-multinationals in het zelfstandig mkb bleef het importaandeel juist laag, wat wijst op een sterkere focus op binnenlandse productie. Ondanks de hoge waarde van geïmporteerde inputs blijft de afzet van multinationals van groot belang voor de Nederlandse economie. Hun export draagt zowel gemiddeld als in absolute termen het meest bij aan verdiensten in hun omvangrijke toeleveranciersnetwerken: 78 miljard euro aan export en nog eens 30 miljard euro via binnenlandse verkoop. Daarnaast creëerde de finale afzet van multinationals meer dan een miljoen voltijdequivalenten in de toeleveringsketen. Dit betekent dat handelsbeleid ook bedrijfstakken kan raken – met name dienstverlenende bedrijfstakken – die niet direct betrokken zijn bij de exportactiviteiten van multinationals.

Meer inzichten door nieuwe data

Het beschikbaar hebben van de nieuwe data biedt kansen voor vervolgonderzoek. Wanneer voldoende data beschikbaar is, kan de groep buitenlandse multinationals verder worden uitgesplitst, bijvoorbeeld naar multinationals uit EU-landen en uit niet-EU-landen. Deze aanpak wordt nog waardevoller zodra handelsdata wordt toegevoegd, aangezien multinationals vaker handel drijven met andere landen waarin ze al actief zijn (zie o.a. Antràs et al., 2022; Sillen en Jaarsma, 2014).

Nederlandse handelsdata zijn beschikbaar per bedrijfstype, bedrijfstak, product en land van invoer/uitvoer. Daarmee kan de opgesplitste Nederlandse input-outputtabel worden ingepast in internationale tabellen zoals FIGARO van Eurostat of TiVA van de OESO. Michel et al. (2023) deden dit eerder voor België om de rol van exporteurs en binnenlandse producenten in internationale waardeketens te onderzoeken. Deze aanpak maakt het mogelijk om het internationale netwerk van verschillende typen bedrijven te analyseren, inclusief hun sterke en zwakke punten. Daarnaast biedt deze aanpak ruimte om afhankelijkheden van specifieke producten en de bijbehorende beleidsdimensies, zoals heffingen, zichtbaar te maken. Tot slot wordt het mogelijk om de economische groei in Nederland te koppelen aan de groei van verschillende typen bedrijven en hun onderlinge interacties.

1.5Literatuur

Open literatuurlijst

Literatuur

Antras, P., Fadeev, E., Fort, T. C., & Tintelnot, F. (2022). Global sourcing and multinational activity: A unified approach. NBER Working Paper, No. 30450. National Bureau of Economic Research.

Bohn, T., Brakman, S., & Dietzenbacher, E. (2021). From exports to value added to income: Accounting for bilateral income transfersJournal of International Economics131, 103496.

Bohn, T., Konietzny, R., & Notten, T. (2024). Inzet van de invoer in de Nederlandse economie. In S. Creemers, M. Houben-van Herten & R. Voncken (Reds.), Nederland Handelsland 2024: Export, import & investeringen. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Bohn, T., Notten, T., Prenen, L., & Wong, K. F. (2022). Diensten in dozen: de rol van indirecte dienstenexport. In D. Herbers & J. Rooyakkers (Reds.), Internationaliserings­monitor 2022, tweede kwartaal. Dienstenhandel: Ontwikkelingen en belemmeringen. Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2024a, 10 april). Ruim 1,5 miljoen mkb-bedrijven in Nederland. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 3 maart 2025.

CBS (2024b, 30 januari). Producentenprijzen; ProdCom afzet en verbruik, index 2015=100 2012–2023 [Dataset]. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 14 mei 2025.

CBS (2024c, 3 oktober). Toeleveringen mkb aan grootbedrijf, per bedrijfstak, 2021. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 3 maart 2025.

CBS (2024d). Multinationals en niet-multinationals; aanleverende en afnemende bedrijven [Dataset]. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 14 mei 2025.

CBS (2024e). Multinationals en niet-multinationals; kerncijfers, bedrijfstak (SBI2008) [Dataset]. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 14 mei 2025.

CBS (2025, 21 februari). Aandeel Nederlandse multinationals in economie afgenomen. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 3 maart 2025.

Chong, S., Van Beveren, I., Verbiest, P., & van der Wal, R. (2016). Een IO-tabel voor het MKB en grootbedrijf. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Chong, S., Hoekstra, R., Lemmers, O., Van Beveren, I., Van Den Berg, M., Van Der Wal, R., & Verbiest, P. (2019). The role of small-and medium-sized enterprises in the Dutch economy: an analysis using an extended supply and use tableJournal of Economic Structures, 8(1), 1–24.

Fortanier, F., Miao, G., Kolk, A., & Pisani, N. (2020). Accounting for firm heterogeneity in global value chainsJournal of International Business Studies51(3), 432–453.

Mounir, A., Weusten, M., van den Berg, M., & Konietzny, R. (2024). Toegang tot financiering en bedrijven­heterogeniteit. In S. Creemers & R. Voncken (Reds.), Internationaliserings­monitor 2024, derde editie. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Konietzny, R., Mounir, A., van den Berg, M., & Weusten, M. (2024). Toegang tot financiering, handel en groene investeringen. In S. Creemers & R. Voncken (Reds.), Internationaliserings­monitor 2024, derde editie. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Lemmers, O. (2020). Capturing heterogeneity in global value chains: how to slice and dice? [Conferentiepresentatie]. ESCoE Conference on Economic Measurement 2020.

Lemmers, O., Notten, T., Wong, K. F., Dahlmans, D., & Prenen, L. (2023). De toeleveringsketens van vijf bedrijfstakken: welke landen van zeggenschap, welke producten. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Michel, B., Hambÿe, C., & Hertveldt, B. (2023). The Role of Exporters and Domestic Producers in GVCs: Challenges of Globalization in the Measurement of National Accounts. In N. Ahmad, B. R. Moulton, J. D. Richardson & P. van de Ven (Reds.), Challenges of Globalization in the Measurement of National Accounts. Studies in Income and Wealth, 81. National Bureau of Economic Research.

Nelisse, R. (2023, 9 februari). Multinationals in de Nederlandse economie. Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd op 13 mei 2025.

RVO (2022, 26 april). Topsectoren. Geraadpleegd op 14 augustus 2025.

OESO & Statistics Denmark (2017). Nordic countries in global value chains. Statistics Denmark.

OESO (2024). Multinational enterprises and global value chains: output, value added and trade [Dataset]. Geraadpleegd op 13 mei 2025.

OESO/EC-JRC (2025), Handbook on Extended Supply and Use Tables and Extended Input-Output Tables. OECD Publishing.

Onat, E., Boutourat, A., Cremers, D., Exel, J., Kaashoek, R., Keller, K., Lemmers, O., Mateboer, M., Menger, J., & van Roekel, R. (2018). Multinationals en niet-multinationals in de Nederlandse economie. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Prenen, L., & Voncken, R. (2025). Nederlandse verdiensten aan de export. In S. Creemers & R. Voncken (Reds.), Nederland Handelsland 2025: Export, import & investeringen. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Sillen, K., & Jaarsma, M. (2014). Buitenlandse zeggenschap en internationale handel. In M. Jaarsma (Red.), Internationaliserings­monitor 2014, 2e kwartaal. Centraal Bureau voor de Statistiek.

UNCTAD (2013). World Investment Report 2013: Global Value Chains: Investment and Trade for Development. United Nations Conference on Trade and Development.

Walhout, J., Wong, K. F., & Lemmers, O. (2017). De rol van multinationals in de Nederlandse waardeketen. In M. Jaarsma, O. Lemmers & R. Voncken (Reds.), Internationaliserings­monitor 2017, vierde kwartaal: Waardeketens. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Weusten, M., Eggelte, J., Stienstra, A. M., Verkerk, F., Berkenbos, A., & Bijlsma, M. (2025). Buitenlandse investeringen en multinationals. In S. Creemers & R. Voncken (Reds.), Nederland Handelsland 2025: Export, import & investeringen. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Weusten, M., Stienstra, A. M., & Berkenbos, A. (2024). Buitenlandse investeringen en multinationals. In S. Creemers, M. Houben-van Herten & R. Voncken (Reds.), Nederland Handelsland 2024: Export, import & investeringen. Centraal Bureau voor de Statistiek.

Noten

Zie bijvoorbeeld onderzoek van het CBS (2024c) naar toeleveringen van het mkb aan het grootbedrijf in het kader van de CSRD.

Volgens de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) bestaat de business economy – Nederlandse bedrijfsleven – uit een samentelling van hoofdstukken B-N, exclusief K en inclusief S95.

Alleen voor het aantal bedrijven was er wel informatie beschikbaar voor verslagjaar 2022. De rest van de analyse gebruikt cijfers voor de verslagjaren 2015–2021.

Niet-productgebonden belastingen minus niet-productgebonden subsidies behoren ook tot de bruto toegevoegde waarde tegen basisprijzen.

Het bruto exploitatieoverschot is inclusief afschrijvingskosten.

Dit zijn operationele winsten. Met name grote bedrijven en multinationals hebben bijvoorbeeld ook veel deelnemingen. In het geval van een deelneming wordt die operationele winst van de dochtermaatschappij vaak vrijgesteld van belasting bij de moedermaatschappij dankzij de deelnemingsvrijstelling. 

Industriële export wordt gedefinieerd als export door SBI-bedrijfstakken B tot en met E. In dit deel van de analyse beschouwen we alle buitenlandse multinationals als grootbedrijven, ook wanneer hun vestigingen in Nederland minder dan 250 werknemers hebben. Dit komt doordat zij niet zelfstandig opereren en daardoor niet onder het zelfstandig mkb vallen.

Colofon

Deze website is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met Textcetera Den Haag.
Heb je een vraag of opmerking over deze website, neem dan contact op met het CBS.

Disclaimer en copyright

Cookies

CBS maakt op deze website gebruik van functionele cookies om de site goed te laten werken. Deze cookies bevatten geen persoonsgegevens en hebben nauwelijks gevolgen voor de privacy. Daarnaast gebruiken wij ook analytische cookies om bezoekersstatistieken bij te houden. Bijvoorbeeld hoe vaak pagina's worden bezocht, welke onderwerpen gebruikers naar op zoek zijn en hoe bezoekers op onze site komen. Het doel hiervan is om inzicht te krijgen in het functioneren van de website om zo de gebruikerservaring voor u te kunnen verbeteren. De herleidbaarheid van bezoekers aan onze website beperken wij zo veel mogelijk door de laatste cijfergroep (octet) van ieder IP-adres te anonimiseren. Deze gegevens worden niet gedeeld met andere partijen. CBS gebruikt geen trackingcookies. Trackingcookies zijn cookies die bezoekers tijdens het surfen over andere websites kunnen volgen.

De geplaatste functionele en analytische cookies maken geen of weinig inbreuk op uw privacy. Volgens de regels mogen deze zonder toestemming geplaatst worden.

Meer informatie: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/telecommunicatie/vraag-en-antwoord/mag-een-website-ongevraagd-cookies-plaatsen

Leeswijzer

Verklaring van tekens

niets (blanco) een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen
. het cijfer is onbekend, onvoldoende betrouwbaar of geheim
0 (0,0) het cijfer is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid
* voorlopige cijfers
** nader voorlopige cijfers
- (indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met
2016–2017 2016 tot en met 2017
2016/2017 het gemiddelde over de jaren 2016 tot en met 2017
2016/’17 oogstjaar, boekjaar, schooljaar, enz. beginnend in 2016 en eindigend in 2017
2004/’05-2016/’17 oogstjaar enz., 2004/’05 tot en met 2016/’17

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Over het CBS

De wettelijke taak van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is om officiële statistieken te maken en de uitkomsten daarvan openbaar te maken. Het CBS publiceert betrouwbare en samenhangende statistische informatie, die het deelt met andere overheden, burgers, politiek, wetenschap, media en bedrijfsleven. Zo zorgt het CBS ervoor dat maatschappelijke debatten gevoerd kunnen worden op basis van betrouwbare statistische informatie.

Het CBS maakt inzichtelijk wat er feitelijk gebeurt. De informatie die het CBS publiceert, gaat daarom over onderwerpen die de mensen in Nederland raken. Bijvoorbeeld economische groei en consumentenprijzen, maar ook criminaliteit en vrije tijd.

Naast de verantwoordelijkheid voor de nationale (officiële) statistieken is het CBS ook belast met de productie van Europese (communautaire) statistieken. Dit betreft het grootste deel van het werkprogramma.

Voor meer informatie over de taken, organisatie en publicaties van het CBS, zie cbs.nl.

Contact

Met vragen kunt u contact opnemen met het CBS.

Medewerkers

Auteurs

Timon Bohn

Sarah Creemers

Dennis Dahlmans

Loe Franssen

Robin Konietzny

Dio Limpens

Tom Notten

Shalane Pijnenburg

Michael Polder

Davey Poulissen

Leen Prenen

Janneke Rooyakkers

Marcel van den Berg

Manon Weusten

Khee Fung Wong

Redactie

Sarah Creemers

Janneke Rooyakkers

Roger Voncken

Eindredactie

Sarah Creemers

Roger Voncken

Dankwoord

We danken de volgende personen voor hun constructieve bijdrage aan deze editie van de Internationaliserings­monitor:

Luuk Beele

Marjolijn Jaarsma

Bart Loog

Angie Mounir

Nienke Oude Steenhof

Rik Vaessen

CBS CCN Logistiek

CBS CCN Redactie en Visualisatie

CBS Vertaalbureau